40. Zefanja

40. Zefanja · uit de ‘Synopsis’ deel 4 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

Zefanja deelt ons het oordeel van de Geest van God mee, over de toestand van het getuigenis voor de naam van God dat in deze wereld was, in een tijd, dat er door een koning die God vreesde een zeker herstel had plaatsgevonden.

God had deze gunst meer dan eens aan Zijn volk betoond, zoals Hij ook met veel lankmoedigheid hun opstandigheid had verdragen. In beide gevallen wil Hij ons de ware zedelijke toestand tonen, van datgene wat Zijn naam droeg, en van het oordeel, dat een geestelijk hart dat door Zijn Geest gevormd is, over die toestand heeft. Een oordeel dat bevestigd zou worden door datgene wat God over Zijn volk en over de volken zou uitoefenen, als verder geduld geen enkel nut meer zou hebben.

Deze twee onderwerpen vormen de hoofdinhoud van de twee hoofddelen van deze profetie:

  1. De aankondiging van Gods doeleinden met het oordeel dat Hij zou uitoefenen.
  2. De schildering van de toestand die tot dit oordeel voert.

Zoals altijd, wordt dit begeleid, door de openbaring van Zijn raadsbesluiten in genade en van de komst van de Messias, om het geloof van het gelovige overblijfsel van Zijn volk te bemoedigen en in stand te houden.

Nadat de volken zichzelf overgegeven hadden aan ongerechtigheid en afgoderij, had Israël de plaats van getuige voor God ontvangen. Zolang dit getuigenis bewaard werd en het ware karakter van God voorgesteld bleef, kon het algemene oordeel over de wereld worden uitgesteld, want God is langzaam tot toorn. Daarom verwekte Hij, te beginnen met Samuel, profeten, om het volk te herstellen van hun afdwalingen en ontrouw, toen ook zij in gebreke bleven. Zolang dit buitengewone getuigenis van Zijn genade, en de waarschuwingen en kastijdingen die het begeleidden, dienden om enkele sporen van waarheid en gerechtigheid op de aarde te handhaven, hield Jahweh Zijn hand terug, die gereed was om datgene wat God onteerde en de mensen verdrukte te vernietigen. We hebben op andere plaatsen gezien, hoe een nieuw systeem ingevoerd werd, door de overgave van de macht aan het wereldrijk van de volken, zoals we in het Nieuwe Testament de vorming van de gemeente vinden. Ik wil op deze plaats hier niet langer bij stilstaan. Israël bewaarde dit getuigenis voor de naam van Jahweh, in het midden van de volken die afvallig en opstandig waren tegen God. Maar toen Israël zo gefaald had, dat er geen herstel meer mogelijk was, moesten deze volken, in Gods regering over de wereld, ook het oordeel ondergaan dat ze al zo lang verdiend hadden. Zij zullen dit oordeel over zichzelf brengen, door de maat van hun ongerechtigheid en opstand tegen God vol te maken, en door de openbaring van hun haat tegen het volk van God, in de vreugde waarmee ze de kastijdingen vervullen die dat volk nodig had: want God is ook tegenover hen lankmoedig. Hij zendt zelfs het evangelie – hetzij het evangelie van de genade waarin wij ons verblijden, of de aankondiging van Zijn komend oordeel – opdat allen die oren hebben om te horen dit oordeel kunnen ontvluchten. Maar principieel liet het definitieve falen van Israëls getuigenis, de volken over aan het oordeel dat hun zondige toestand vereiste. Want dit oordeel was alleen maar uitgesteld, omdat een waar getuigenis van God was bewaard. Dat is de reden, waarom wij doorlopend in de profeten het definitieve oordeel over Israël, verbonden vonden met het oordeel over de volken. De oprichting van het wereldrijk van de volken, zoals voorgesteld in het beeld en de dieren van Daniël 2 en 7, de invoering van het Christendom en de afval die in haar boezem zal optreden, brengen andere voorwerpen van het oordeel van God naar voren. Maar ze hebben geen invloed op het oordeel dat over de volken zal uitgeoefend worden, gescheiden van deze voorwerpen.

Het oordeel over de afval en over het wereldrijk van de volken, komt vanuit de hemel, waaruit ook de macht van dat wereldrijk en de zegening van hen die afvallig worden, gekomen zijn, en waartegen zij in opstand zijn. Het oordeel over de volken als zodanig, heeft daarentegen Sion als uitgangspunt. Dat Sion, dat nu onder het oordeel is, maar dan bevrijd zal zijn, door het uitgeoefende oordeel over het beest dat haar onderdrukte, zie Psalm 110. De gebeurtenissen waarover in Daniël, een gedeelte van Zacharia en in de nieuwtestamentische profetieën gesproken wordt, zijn weggelaten door die profeten die als onderwerp hebben de eigenlijke verbindingen van het aardse volk met God in Sion. En in hun profetieën wordt het oordeel over Jeruzalem en de joden verbonden met het oordeel over de volken, omdat het oordeel over de laatsten ingesloten is in dat wat over het volk komt, dat niet langer enig getuigenis aflegde van Jahweh, maar maakte dat Zijn naam gelasterd werd. In verbinding met de joden begon dit oordeel met Nebukadnezar. In de laatste dagen, als het wereldrijk dat oorspronkelijk met hem als het gouden hoofd begon, verzwakt is, herwinnen de volken hun kracht en oefenen die uit tegen Israël, dat dan verbonden is en onderworpen aan het afvallige wereldrijk. Dat zal een nog veel verschrikkelijker oordeel zijn. Zo zullen alle volken tegen Jeruzalem vergaderd zijn, en de maat, zowel van het oordeel over het volk als van hun eigen ongerechtigheid, vol makend, de tussenkomst in gunst veroorzaken van de God van alle barmhartigheden, in overeenstemming met Zijn beloften en de raadsbesluiten van Zijn genade. De bevrijding van Israël zal zijn voleinding vinden, in het oordeel dat uitgeoefend wordt over hen die tegen Jeruzalem optrekken, en die daardoor laten zien dat zij ook tegen Jahweh en Zijn Christus zijn. Dit zal het oordeel zijn dat uitgaat van Sion, nadat het beest vernietigd zal zijn door Hem die uit de hemel komt (Openbaring 19:11-21).

De data die in de boeken van de profeten genoemd worden als tijd van hun profeteren, zijn verbonden met de verschillende karakters van deze reeksen van gebeurtenissen. Jesaja, Micha, Hosea en Amos houden zich bezig met de openbaring van de Zoon van David, de Bevrijder en Verdediger van Zijn volk in Jeruzalem, hoewel Hosea en Amos dat op een minder directe wijze doen dan de andere twee. Hizkia, die na de erbarmelijke regering van Achaz verwekt werd, gaf aanleiding tot deze openbaringen, die, terwijl ze de ongerechtigheid en de werkelijke toestand van het volk blootlegden, de gelovige onderwezen dat hij vooruit moest zien en alleen rusten in de gedachten van God, Die deze godvrezende koning verwekt had voor de tijdelijke herstelling van Zijn volk, en die een volledige en eeuwige verlossing zou geven door de ware Emmanuël. Jesaja houdt zich, in de eerste drie en in de laatste hoofdstukken van zijn profetie, bezig met de verbinding tussen het oordeel van Israël en dat van de volken, waarover we al gesproken hebben. Josia stelt niet op dezelfde wijze de komende Verlosser voor. Hoewel het zien van de ondergang van Jeruzalem hem bespaard wordt, met het oog op zijn vroomheid, valt hijzelf toch door de hand van vreemden. Met hem verdwijnt de heerlijkheid, de vrede en de hoop die Jeruzalem vóór die tijd bezat, en haar oordeel wordt achtereenvolgens uitgeoefend.

Zefanja profeteerde tijdens Josia’s regering. De profeet neemt geen notitie van de tijdelijke vroomheid van het volk (zie Jeremia 3), van wie de harten echter niet veranderd waren. Hij stelt zich op de algemene bodem van Israëls toestand en het daaruit voortvloeiende oordeel, in verbinding met de uitwerking daarvan op de volken. We hebben gezien, dat Nebukadnezar de eerste is die dit oordeel uitoefent. Maar zowel het oordeel als de profetie die over dat oordeel spreekt, gaan veel verder.

Hoofdstuk 1

De profeet begint met de verklaring, dat het land volkomen verwoest zou worden. Daarna zegt hij, dat Juda, Jeruzalem, hun valse goden en hun priesters, door de hand van Jahweh geslagen zouden worden. De afgodendienaars, zij die de naam van Jahweh vermengden met die van andere goden, zij die van Jahweh waren afgeweken, zij die Hem niet hadden gezocht – ieder van hen wordt opgeroepen om stil te zijn in de tegenwoordigheid van de Heer Jahweh: want de dag van de HEERE was nabij. Hij heeft Zijn slachtoffers bereid, Hij heeft Zijn gasten uitgenodigd; en in de dag van Zijn slachtoffer zal Hij bezoeking doen over de koning, de vorsten en over de kinderen van de koning. Gewelddaad en bedrog zullen hun rechtvaardig loon ontvangen. De dag van Jahweh zou een geschreeuw veroorzaken vanaf de poorten van Jeruzalem. Hij zou Jeruzalem als met lantarens doorzoeken, en de dwaasheid openbaar maken van hen die Zijn ingrijpen, hetzij ten goede, hetzij ten kwade, loochenden. Dan beschrijft de profeet in algemene, maar niettemin de krachtigste uitdrukkingen, de verschrikkingen van de dag van Jahweh. Het gehele land zou door het vuur van Zijn ijver verteerd worden. We zien hier, dat het hele land – Jeruzalem en Juda – in de grote dag van God geoordeeld zal worden. Hiermee eindigt dit deel van de profetie.

Hoofdstuk 2

Terwijl ze het karakter van het volk openbaart, spreekt dit hoofdstuk hen toch aan, opdat ten minste allen die Jahweh vrezen, verborgen mogen zijn in de dag van Zijn toorn. Ze worden opgeroepen zich te vergaderen en Jahweh te zoeken, voordat het besluit van oordeel een begin van uitvoering zou hebben en Zijn vurige toorn hen zou overdekken. Zo wordt het overblijfsel onderscheiden; de zachtmoedigen die gerechtigheid gewerkt hebben, worden opgeroepen om zachtmoedigheid en gerechtigheid te zoeken, opdat ze mogen worden verborgen, hoewel het getuigenis aan het gehele volk wordt gericht. Want na alles wat gebeurd is, denkt God toch aan de raadsbesluiten van Zijn genade. In het verdere deel van de profetie worden Zijn handelingen in dit opzicht op een merkwaardige wijze geopenbaard. Het oordeel zou over het gehele gebied van Israël komen, dat op vele plaatsen in bezit genomen was door vreemden die vijandig stonden tegenover het volk.

Het resultaat van de komende verwoesting zal zijn (want de genadegiften en de roeping van God zijn onberouwelijk), dat het gehele land vrij zal zijn om door Israël in bezit te worden genomen. Want Jahweh zal hen bezoeken en Zijn gevangenen terugbrengen; en het overblijfsel van Zijn volk zal het bezitten. Jahweh zal al de goden van de aarde oordelen en doen verschrompelen, en alle mensen zullen Hem aanbidden, ieder vanuit zijn eigen plaats, ook alle eilanden van de volken. Ethiopië, Nineve, al de machtigen van de volken, zullen vallen en woest gemaakt worden. Dat is het oordeel van de volken waarover we hebben gesproken, waarvan Nebukadnezar het eerste instrument was, maar dat hier voorgesteld wordt met het oog op de laatste dagen, als de door God bevestigde macht in haar laatste opstand tegen Hem zal zijn.

Hoofdstuk 3

Te midden van deze oordelen behoudt Jeruzalem de eerste plaats. Terwijl de Geest van God de ongerechtigheid die deze oordelen veroorzaakte blootlegt, keert Hij Zich tot het overblijfsel en vermaant hen te wachten op Jahweh, omdat alle hoop vergaan is. Hij geeft hen licht over Zijn doen en openbaart hen op welke wijze dat in zegen voor Israël zal uitlopen.

God was in het midden van de heilige maar nu verontreinigde stad geweest, maar zij wilde noch tot Hem naderen, noch Hem gehoorzamen. Haar vorsten waren de gewelddadigsten van de aarde, haar rechters roofgierig, haar profeten lichtvaardig en trouweloos, en haar priesters verontreinigden het heiligdom. Jahweh was er, om hun zonden en Zijn oordeel te tonen; maar de bozen waren schaamteloos in hun ongerechtigheid. Ongetwijfeld had Jahweh de volken uitgeroeid en woest gemaakt; maar zeker zou Israël, hoewel gekastijd, het onderwijs aannemen, zodat Jahweh niet genoodzaakt zou zijn hen uit te roeien. Maar zij hadden ijverig al hun handelingen verdorven. Omdat zij niet wilden horen naar Jahweh, Die hen zoveel goedertierenheid getoond had, Die zo dicht bij hen geweest was, wordt Israël niet meer afzonderlijk genoemd, maar zinkt tot het peil van de volken, die het voorwerp zijn van het rechtvaardige oordeel van God. Het overblijfsel wordt opgeroepen op Jahweh alleen te wachten (vers 8), Die op het punt staat dit oordeel uit te oefenen – te wachten op het ogenblik dat Jahweh Zich op zal maken tot de roof, omdat niets meer indruk maakte op de verharde harten van het volk. Tot dat ogenblik kon niets meer gedaan worden. Israël zou niet gehoorzamen. Het overblijfsel had niet het recht om een oordeel uit te oefenen. En toch zou oordeel alleen een eind kunnen maken aan hun verdriet en ellende. God zou al de volken vergaderen om Zijn vurige toorn over hen uit te storten – het ernstige en algemene getuigenis van de profeten. Maar dan zou Hij een reine spraak tot hen wenden 1, opdat zij allen de Naam van de HEERE zouden aanroepen, om Hem schouder aan schouder te dienen. Hij zou evenzo al de verstrooiden van Israël, zelfs vanuit de verst verwijderde landen, verzamelen (verzen 9-10).

Dan zou Jeruzalem haar schande niet meer gedenken; haar overtredingen zouden volkomen uitgedelgd zijn. De hoogmoedigen zouden uit haar midden zijn weggenomen: een verootmoedigd en veracht volk zou in haar midden zijn, dat alleen Jahweh tot toevlucht heeft. Het kleine overblijfsel zal geen ongerechtigheid meer doen, noch leugen spreken. Ze zullen weiden en neerliggen in zekerheid; niemand zal hen meer verschrikken. De verzen 14-17 vormen een loflied, dat de Geest aan Sion dicteert en leert. Hij roept haar op het te zingen, met dankzegging aan Jahweh Die haar veroordeling voor altijd heeft weggenomen, Die in haar midden is, en Die zich verblijdt in Zijn liefde tot haar. Allen die bedroefd waren over de smaad van Sion, en die gesmacht hebben naar haar plechtige feestvergaderingen (Leviticus 23), zullen bijeenvergaderd worden. Haar vijanden zullen vernietigd worden en haar kinderen zullen tot lof zijn en een naam hebben, in iedere plaats waar zij verworpen en gesmaad zullen zijn geweest. Israël zal een voorwerp van lof zijn, voor alle volken van de aarde.

We zien, dat de profetie van Zefanja zich ook bezighoudt met de volken, maar niet met het wereldrijk van de volken, dat het in het geheel niet noemt. Verder, dat de verbindingen van Israël waarvan het spreekt, verbindingen met Jahweh zijn: hun houding tegenover de Messias wordt niet besproken. Het is Israël, Jeruzalem en Jahweh. Christus wordt alleen in dit karakter gezien. De bijzondere wegen van God in het wereldrijk van de volken, in de zending van Zijn Zoon, en in de toestand van de joden als gevolg van de verwerping van de Zoon, worden geheel weggelaten, om alleen stil te staan bij het oordeel over Israël als gevolg van hun verbinding met Jahweh hun God. Christus wordt alleen op een heel algemene wijze genoemd, en dan als Jahweh de koning (3:15).
Het oordeel over alle volken en het zedelijk resultaat hiervan; de absolute noodzakelijkheid van dit oordeel, omdat Israël, in wiens midden God woonde, niet luisterde, worden zo duidelijk mogelijk voorgesteld. En het doel ervan en het praktische resultaat worden nauwkeuriger aangegeven dan misschien in enige andere profetie, verbonden met de open en ondubbelzinnige verklaring, dat de volken pas een reine taal zullen leren en God aanroepen, als Hij de vergaderde volken oordeelt. Wat tot het overblijfsel gezegd wordt, de beschrijving van hun karakter, en het welbehagen dat Jahweh in hen vindt, is van een wonderbare schoonheid.

EINDE ZEFANJA

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 4.14

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Dit is een heel duidelijk getuigenis, in welke tijd de volken van de aarde gerechtigheid zullen leren.