05. Numeri

05. Numeri · uit de ‘Synopsis’ deel 1 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Numeri

Inleiding

In het boek Leviticus vonden we:

  1. de openbaring van God op Zijn troon;
  2. de beschrijving van het priesterschap rondom de troon van God, waardoor het volk tot God kon naderen, voorzover dit mogelijk was;
  3. de afkondiging van de wetten die op deze twee grote feiten betrekking hebben voor het volk van God in het algemeen.

In het boek Numeri vinden we de wandel en de dienst van het volk en als gevolg wat met de Levieten in verbinding staat, en de tocht door de woestijn, in type de wandel en de dienst van de gelovigen, de kinderen van God, door de wereld.
Leviticus eindigt met voorschriften en waarschuwingen in verband met de rechten van God en die van Zijn volk, voor de tijd, dat het volk van God het beloofde land zou bezitten.
Numeri beschrijft ons nu de daadwerkelijke reis door de woestijn tot op het ogenblik, dat Israël het land zal binnengaan; en spreekt van die genade, die het volk ondanks zijn ontrouw ten slotte zal rechtvaardigen en vrijspreken.

Het is belangrijk te bedenken, dat het volk door de kracht van de verlossing tot God bij de Sinaï gebracht werd (Exodus 15:13; 19:4). In dit opzicht was dus alles volmaakt. (vergelijk de redding van de moordenaar aan het kruis, en Kolosse 1:12). De tocht door de woestijn is echter iets anders; zij was geen deel van Gods raadsbesluit, maar een voorbeeld van Zijn wegen met ons, Zijn beproeving. De doortocht door de Rode Zee is het uitgaan van Egypte en het ingaan in de woestijn. De Jordaan het uitgaan uit de woestijn en het ingaan in het land. Ze vloeien dus samen wat de betekenis betreft, maar bij de Jordaan is er geen sprake van oordeel of vijanden (alleen de ark was in de Jordaan). Het is daar de ervaringsgewijze verwerkelijking van onze dood en opstanding met Christus, zoals de Rode Zee spreekt van onze dood en opstanding in Christus. Maar in verbinding met de woestijnreis moeten we het eindpunt bereiken, om (in het land) te kunnen ingaan.

Hoofdstuk 1

Het eerste hoofdstuk begint ermee, dat God Zijn volk nauwkeurig telt. Hij erkent Israël als het ware als Zijn eigendom, en geeft iedere stam een vaste plaats rondom de tabernakel. Het is er een heerlijk voorbeeld van, hoe Hij ook ons als Zijn volk erkent en ons een plaats gegeven heeft rondom Hemzelf. Wij zijn echter persoonlijk door het geloof geroepen, terwijl Israël naar families, geslachten en stammen gerangschikt werd. Deze rangschikking werd nauwkeurig gehandhaafd als ze legerden, maar ook als ze weer verder reisden. God woonde in hun midden. Maar van een eenheid van het lichaam of van de Geest was nog geen sprake.

Hoofdstuk 2

Aan iedere zijde van de tabernakel waren drie stammen gelegerd. De stam van Jozef was verdeeld in die van Efraïm en die van Manasse; en de stam van Levi werd afgezonderd, om geheiligd te zijn voor de dienst van God. Deze stam legerde dan ook op een aparte plaats, onmiddellijk rondom de voorhof. Mozes, Aäron en de priesters hadden hun plaats vlak tegenover de ingang tot de voorhof waardoor men tot God naderde. Psalm 80 wordt heel duidelijk, als we letten op de legering van de stammen. De geest van de psalmist vraagt God om in de laatste dagen van Israëls verdrukking hen te leiden en Zijn kracht te openbaren als in de dagen van Israëls woestijnreis; hij vraagt om de kracht van Zijn tegenwoordigheid boven de ark van de getuigenis, zoals God die openbaarde, als bij elke verdere opmars werd gezegd: “Sta op, HEERE, laat Uw vijanden overal verspreid worden en hen die U haten, van Uw aangezicht vluchten” (Numeri 10:35). Daarom smeekt hij in verzen 2-3: “Wek Uw macht op voor de ogen van Efraïm, Benjamin en Manasse en kom ons verlossen”. Efraïm, Benjamin en Manasse waren de drie stammen, die het dichtst bij de ark van de getuigenis geplaatst waren. Zo zien we, hoe de kleinste bijzonderheden in het Woord onze aandacht verdienen.

Zowel bij het voorwaarts trekken als bij het legeren (2:17) moest de ark zich in het midden van het volk bevinden, omringd door de Levieten. In het eerste geval als in het midden van een leger dat over haar waakte; in het laatste geval als het verzamelpunt voor toenadering tot God hetzij tot aanbidding, hetzij voor raad en leiding. Zij namen de wacht van de Heer waar. In hoofdstuk 10 vinden we een andere opstelling, maar daarover later.

Hoofdstuk 3

In dit hoofdstuk zien we dat de Levieten, naar de gedachten van God, afgezonderd worden voor de dienst. Ze zijn een type van de gemeente, of liever van de leden van de gemeente, in hun dienst voor God, zoals de priesters een beeld van de Christenen zijn die tot de troon van God naderen voor aanbidding, of ten behoeve van anderen. Maar beide zijn een schaduw, niet een volmaakt beeld (Hebreeën 10:1).
De Levieten waren eerstelingen aan God geofferd, in de plaats van alle eerstgeborenen, in wie God Israël tot Zijn eigendom verklaard had, (vers 13) toen Hij de eerstgeborenen van de Egyptenaren doodde. Op deze wijze is ook de Gemeente 1 als de eerstelingen van Gods schepping heilig voor de Heer. Daar het aantal van de eerstgeborenen groter was dan van de Levieten, werd het overschot gelost, als teken, dat ze aan God toebehoorden. De Levieten werden Gods eigendom, voor Zijn dienst (verzen 12-13). Zo is het ook met de Gemeente. Ze behoort volkomen aan God toe, om Hem hier op aarde te dienen.

Maar bovendien werden de Levieten geheel en al aan Aäron, de hogepriester, gegeven. Want de dienst van de Gemeente of haar leden, hangt volkomen af van Christus in de tegenwoordigheid van God, en heeft geen ander voorwerp dan wat Hem betreft en wat verbonden is met, en voortvloeit uit de plaats die Hij Zelf inneemt voor God in de ware tabernakel, en de dienst, die Hij daar verricht. Ze volbrengt dus in de dienst hier, de doeleinden waarvoor Hij in de heilige plaats boven is; maar rechtstreeks verbonden met het heiligdom – dat is voor ons de hemel, want wij behoren tot de hemel en onze wandel en onze gehele dienst heeft betrekking op en wordt gekenmerkt door onze verbinding daarmee. Ons burgerschap (levende verbinding) is in de hemelen; wij reinigen ons, zoals Hij rein is, en worden geroepen God waardig te wandelen, Die ons geroepen heeft tot Zijn eigen koninkrijk en heerlijkheid, – de Heer waardig tot alle goed werk. Maar omdat de voorhang gescheurd is, zijn wij daar meer mee verbonden dan de Levieten zelfs figuurlijk waren. De dienst van de heiligen heeft geen waarde (het is integendeel zonde) als het niet met het priesterschap verenigd is (dat is met Christus in de hemel in de tegenwoordigheid van God voor ons, waarmee wij werkelijk zo in innige gemeenschap gebracht zijn, dat we door genade priesters zijn) en vandaar, dat alles voltooid wordt in dat hemelse karakter in directe verbinding met Hem.

Dientengevolge is onze dienst in alle onderdelen absoluut niets waard, als hij niet verbonden is met onze gemeenschap met de Heer en met het priesterschap van Christus. Christus is “Zoon over Zijn huis”. Er is verscheidenheid van bedieningen, maar het is dezelfde Heer. De Heilige Geest geeft de bekwaamheid en de gave voor de dienst; maar in de uitoefening van deze bekwaamheid en deze gave zijn we dienstknechten van Christus.
We hebben dus wat onze dienst betreft drie beginselen:

  1. We zijn verlost, bevrijd van de oordelen, waaronder de vijanden van God zich bevinden; we zijn uit het midden van die vijanden weggenomen.
  2. Als gevolg van dit feit behoren we geheel aan God; we zijn met een prijs gekocht en behoren onszelf niet langer toe. We zijn het eigendom van God geworden, om Hem in ons lichaam, dat Hem toebehoort, te verheerlijken (1 Korinthe 6:20).
  3. We zijn geheel aan Christus gegeven, Die het Hoofd is van Gods huis en de Hogepriester voor de dienst van Zijn hemelse tabernakel (Hebreeën 3).

We leven dus in een gezegende verbondenheid met Christus, in een gelukkige toestand van zelfverloochening en een volkomen bevrijding uit de wereld van zonde. Onze dienst wordt in afhankelijkheid van Christus en in de gemeenschap van onze Heer verricht. Ze is verbonden aan het priesterschap, komt uit Hemzelf voort en is met Hem verbonden en met de plaats waar Hij is, en waarmee Hij onze hoop, ons leven, de genegenheid van onze harten heeft verbonden. “Iedere mens volmaakt te stellen in Christus” (Kolosse 1:28), is het uitgangspunt en doel van onze dienst.

De dienst wordt hier tot de tabernakel beperkt, dat wil zeggen om te midden van het volk van God en in verbinding met hun naderen tot God te worden uitgeoefend. Want de prediking van het Evangelie aan hen die buiten zijn, maakte geen deel uit van het Joodse systeem, dat een schaduw, maar niet het volkomen beeld van de tegenwoordige bedeling was. Het Evangelie is de uitdrukking van genade, die zondaren opzoekt om hen te redden; een liefde die werkzaam naar buiten treedt. De instelling van de Levieten wordt ons hier in beginsel getoond; later vinden we hun reiniging en heiliging voor God.
We mogen hier opmerken, dat, in wat het meest verheven is in de roeping van de Gemeente, al haar leden één zijn. De priesters, de hogepriester uitgezonderd, deden de dienst van de offeranden voor God, naar gelijkheid of tezamen. En zo is het ook met de Gemeente; al haar leden naderen naar gelijkheid voor God en zijn in dezelfde gemeenschap met Hem. (Een priester, die dienst deed voor een andere Israëliet, die een offer bracht, of die gezondigd had, stelt meer Christus Zelf voor).
In de orde van de dienst van de Levieten evenwel vinden we grote verscheidenheid. God, in Zijn soeverein recht, stelde ieder op zijn bijzondere plaats. Zo ook heeft God in de dienst van de gemeente een ieder met zijn onderscheiden gave een eigen plaats gegeven.
En ditzelfde zal, naar ik geloof, ook in de hemel zo gevonden worden. (vergelijk Efeze 4 en 1 Korinthe 12). Allen zijn we dan gelijkvormig gemaakt aan het beeld van de Zoon. Maar daar een ieder door de Heilige Geest vervuld is voor de dienst en derhalve naar de raad van God, zo zijn zij – aan wie het van de Vader gegeven wordt te zitten aan de rechterhand, of aan de linkerhand – over vijf of over tien steden. Allen zullen we tot de vreugde van onze Heer ingaan; we zijn allen op gelijke wijze broeders en hebben slechts één Heer. Maar de Meester zal een ieder genade geven naar Zijn eigen wil in overeenstemming met de raadsbesluiten van God, de Vader.
Hij, die de broederlijke eenheid ontkent, ontkent het enig gezag van de Meester. Hij, die de verscheidenheid in de bedieningen ontkent, ontkent eveneens het gezag van de Meester, Die over Zijn dienstknechten naar eigen wil en goeddunken beschikt, en hen naar Zijn wijsheid en goddelijk recht kiest.

Hoofdstuk 4

De verordeningen voor het dragen van de heilige dingen door de woestijn, zijn voor ons van zeer grote betekenis; want ze zijn een beeld van de verbinding tussen Gods openbaring in Christus en onze wandel in de praktijk.
Als de heilige dingen op hun plaats in het heiligdom stonden, waren zij onbedekt. De voorwerpen binnen in het heiligdom hadden betrekking op de hemel; het brandofferaltaar en het wasvat, die in de voorhof stonden, op de weg naar de hemel.
In de woestijn namen deze voorwerpen bepaalde karakters aan. Een van hen wel in het bijzonder, maar in bepaalde gevallen ook andere. Ik beschouw ze daarom als de openbaring van zekere betrekkingen, die bestaan tussen de wandel van de christen en verschillende openbaringen van God in Christus 2.

De ark van het verbond stelt de troon van God in de hemel voor, de heiligheid en de gerechtigheid die zich daar in God openbaren. Allereerst werd ze bedekt met de voorhang van de mensheid van Christus, zoals Hij hier beneden in Zijn Persoon was. Dat wil zeggen, dat de Goddelijke heiligheid en gerechtigheid zich bekleden met mensheid. Hier overheen waren de dassenvellen.
In deze dassenvellen hebben we die praktische en waakzame heiligheid gezien, die zich bewaart voor het kwaad, waaraan men blootgesteld is bij het gaan door de woestijn. Maar, als er een directe verbinding bestaat met wat God in de hemel zelf is – en zó heeft Hij Zichzelf in Christus geopenbaard – dan is hiervan het resultaat, dat een volkomen hemels karakter zich naar buiten laat zien.
Daarom bedekte een geheel kleed van hemelsblauw zelfs de dassenvellen. Dit zag men in de woestijn. En zo vond het ook plaats met betrekking tot Christus. Want de ark had – op de weg in de woestijn – geen ander volmaakt tegenbeeld dan Christus Zelf, in Zijn persoonlijke wandel hier beneden gezien. Niettemin wordt ook de wandel van de gelovige – voor zover hij deze hoogte bereikt – in dit beeld tot uitdrukking gebracht.

Na de ark komt de tafel van de toonbroden. Ze was een beeld van Christus in de Goddelijke volmaaktheid van gerechtigheid en heiligheid, naar de kracht van de eeuwige Geest en in verbinding met de volmaaktheid van het menselijk bestuur. Deze openbaart zich in het getal twaalf en in de broden, waarvan de twaalf stammen en de twaalf apostelen de uitdrukking waren. Hier wordt het hemelsblauwe kleed, het hemelse bedeksel, direct op de gouden tafel gelegd. Het eigenlijke Goddelijke deel nam het hemelse karakter aan. Op dit dekkleed werden het gereedschap en de broden gelegd, die bedekt werden door een tweede dekkleed van scharlaken, naar het me voorkomt de menselijke heerlijkheid en menselijke pracht 3. Deze heerlijkheid en pracht waren van God, maar ze waren menselijk. Over alles heen werden de dassenvellen gelegd, opdat het geheel voor het kwaad bewaard zou worden. Deze uitwendige bescherming is altijd voor ieder – behalve voor Christus – noodzakelijk. Zeker werd Christus voor het kwaad beveiligd, maar dit gebeurde inwendig en op een buitengewone wijze. Hij die ogen had om te zien, zag op het eerste gezicht, het hemelse in Hem: “De tweede Mens is uit [de] Hemel” (1 Korinthe 15:47). Wat ons betreft, wij hebben wat hemels is binnen in ons, maar het is nodig, dat we het zorgvuldig bewaren met een zeer besliste waakzaamheid, naar mate van het kwaad waar we doorheen moeten en – dit is zéér belangrijk – waarvoor we ons moeten vrijwaren. Christus zal Zich dan ook in Zijn verbinding met de regering van de wereld in Israël, in de toekomende eeuw in beginsel bekleden met wat hier door de dassenvellen wordt voorgesteld, wat in het geval van de ark inwendig was. In Hem zal het Goddelijke karakter zijn, dan het hemelse en vervolgens de volmaaktheid van de menselijke regering, wat weer bedekt wordt door de glans van de heerlijkheid. Toen Hij door de woestijn ging, werd dit alles – in de wijsheid van God – door een macht bewaakt, die alle kwaad buitensloot. Als het koninkrijk geopenbaard zal worden, zal het kwaad door de gerechtelijke uitoefening van de macht, worden uitgesloten. Maar we behandelen hier het gaan door de woestijn. Het beginsel is hetzelfde: het uitsluiten van het kwaad, het verwijderen van alle schande, die toegebracht is aan het heilige, dat God ter bewaring heeft toevertrouwd. Alleen gaat het in het eerste geval om zedelijke en geestelijke kracht, terwijl in het tweede geval sprake is van rechterlijke macht (zie Psalm 101). Na de tafel van de toonbroden kwam de kandelaar, die bedekt werd met een hemelsblauw kleed en met dassenvellen. Het was de geestelijke volmaaktheid van het licht van de Geest. Wat haar bedekte was eenvoudig hemels. Daarover de dassenvellen die haar voor beschadiging behoedden, want de genade waarvan zij de drager was, was eraan blootgesteld in deze woestijn beschadigd te worden. Al het gereedschap van de kandelaar droeg hetzelfde karakter.

Het reukaltaar – de geestelijke voorspraak – was op dezelfde wijze bedekt. (Het verstaan van deze dingen, die al eerder in hun grondbeginselen werden uiteengezet, laat ik nu over aan de geestelijke overdenkingen van de lezer). En zo was het ook met al de voorwerpen, die in het heilige waren, want het heilige stelde de hemelse gewesten voor.

Bij het koperen altaar, was het anders. Het dekkleed hiervan was van purper, de koninklijke kleur. “Als wij verdragen, zullen wij ook met [Hem] regeren” (2 Timotheüs 2:12). Het kruis en de kroon staan in onderling verband met elkaar, op de aarde, in de hemel. Zo was het ook bij Christus, de Koning der Joden, zoals het opschrift op het kruis vermeldde. Ja, de troon van God was het antwoord op Zijn lijden, voor zover Hij het brandoffer was. Dit werd geofferd naar de kracht van de eeuwige Geest, Die in de mens handelde, in overeenstemming met de eis van de Goddelijke Majesteit4. Maar wat op deze wijze gekroond werd, dat was de volmaaktheid zelf. Wat tot stand kwam in de mens – naar de kracht van de eeuwige Geest – was evenzeer Goddelijk, zodat de Heer heeft kunnen zeggen: “Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem” (Johannes 10:17).

Evenwel, wat Goddelijk was in de handeling, was Goddelijk in de zin van de eeuwige Geest, Die in de mens handelt, terwijl God Zelf er de bron van was. In dit opzicht kon Hij Die het volbracht heeft, de Goddelijke heerlijkheid opeisen. De omstandigheden van het sterven van Jezus waren het gevolg van Zijn mensheid; een oneindig kostbare waarheid voor ons. Hij werd in zwakheid gekruisigd. Hij werd overgeleverd in de handen van de heidenen. Zijn keel was uitgedroogd, terwijl Hij “hopende was op Zijn God”. Hij was volmaakt in al deze dingen, die naar buiten openbaar werden. Dat was de Mens. Hij die het innerlijke zag, zag Hem Die Zich door de eeuwige Geest onberispelijk aan God offerde.
Zó werd alles wat de dienst betrof op het purperen kleed geplaatst. Het altaar was onder dit dekkleed. De dassenvellen waren – zoals altijd – over dit alles uitgespreid. 5

Hoofdstuk 5

Laten we het bestuderen van dit boek nu voortzetten. Hoofdstuk 5 laat ons drie dingen zien, in verbinding met de reinheid van de legerplaats, beschouwd als de woonplaats van God, en in verbinding met ons pelgrimschap gedurende onze wandel door de woestijn, wat een belangrijk onderwerp is van het boek Numeri. Gedurende dit pelgrimschap wordt alles op de proef gesteld. En onze enige zekerheid, kracht en leiding is de tegenwoordigheid van God, Die niet bedroefd is in ons midden. Elke verontreiniging moest worden verwijderd. God nam kennis van het onrecht, dat men tegen zijn broeder bedreef. Als dit altijd al waar is, hoe veel te meer, als het gaat om een onrecht Hem aangedaan, Die Zich niet geschaamd heeft ons Zijn broeders te noemen. Als de vergoeding niet meer aan de persoon, die de schade geleden had, of aan zijn naaste bloedverwant gegeven kon worden, moest ze naast het zondoffer – in de persoon van de priester, aan Jahweh gegeven worden. In het leger van God kon geen kwaad bedreven worden, zonder dat het moest worden hersteld.

Dan komt het vraagstuk van de naijver. Als de trouw van Israël, van de Gemeente, of van een enkeling, aan God of aan Christus in twijfel getrokken wordt, dan is het nodig, dat de echtheid van die trouw beproefd wordt. Het stof op de vloer van de tabernakel (vers 17) stelt, naar het me voorkomt de macht van de dood in de tegenwoordigheid van God voor. Voor de natuurlijke mens weliswaar noodlottig, maar kostbaar voor hem die – als dood voor de zonde – het leven heeft. Het water stelt de macht van de Heilige Geest voor, die door het Woord op het geweten werkt.
Terwijl de kracht van de Heilige Geest op deze wijze, in overeenstemming met het feit, dat het doodvonnis tegen het vlees is uitgesproken, de staat van ontrouw oordeelt (men dacht dat deze ontrouw bij de ware echtgenoot van het volk verborgen was), openbaart ze de zonde en doet de kastijding en vloek over de ontrouwe komen. En dit gebeurt onmiskenbaar door het rechtvaardige oordeel van God. De dood drinken in overeenstemming met de kracht van de Geest, is het leven voor de ziel. “Bij deze dingen leeft men”, zegt Hizkia, “en in al deze dingen is het leven van mijn geest”. Zelfs dan als ze het gevolg zijn van een kastijding, wat niet altijd het geval hoeft te zijn. Maar als er verboden dingen verborgen zijn; als er sprake is van ontrouw ten aanzien van Jezus – wat mogelijk door de mens niet bemerkt wordt – en God dit alles beproeft; als men zich heeft laten vangen door hem die de macht van de dood heeft, en de heilige macht van God zich met de dood bezighoudt, en komt om met deze macht van de vijand te handelen, dan wordt het verborgen kwaad bloot gelegd, het vlees wordt geraakt en de verdorvenheid en onmacht ervan openbaar gemaakt, hoe mooi de buitenkant ook mag zijn. Maar als wij vrij zijn van ontrouw, dan heeft de beproeving alleen maar een negatief resultaat. Ze bewijst dat de Geest van heiligheid, als Hij de dood toepast in overeenstemming met de heiligheid van God, niets vindt wat geoordeeld moet worden.
In het offer zonder enige olie en wierook, wordt de vrouw voor het aangezicht van God geplaatst, naar het oordeel dat God in Zijn heiligheid en Majesteit over de zonde gebracht heeft, toen Christus voor ons tot zonde is gemaakt. De zonde die beleden is, heeft nooit zo’n uitwerking, want het geweten is daarvan gereinigd door Christus. De ontrouw, waarvan hier sprake is, is de ontrouw van Israëls hart, of die van de Gemeente, ten aanzien van Christus. Deze dingen staan niet in verbinding met de aanneming van de gelovige, of van de Gemeente, uit het oogpunt van de rechtvaardiging (hiervan is sprake als het erom gaat tot God te willen naderen), maar met het oordeel van onze wandel, gedurende de reis door de woestijn, terwijl God in ons midden is.
De Gemeente zou er goed aan doen zich te toetsen in hoever ze zich aan een ander heeft gegeven. Zeker, onder haar leden zullen er zijn, die het in hun hart niet gedaan hebben. Maar als Christus de ongerechtigheid niet zou ontdekken en maken, dat ze geoordeeld werd, zou Hij Zich – om zo te zeggen – met de ongerechtigheid van Zijn Bruid vereenzelvigen. Op deze wijze zou Hij dus door haar verontreinigd worden (vers 31). Daarom zal Hij het zeker doen. Wat hier van de Gemeente gezegd wordt, kan ook van elk van haar leden gezegd worden. Maar we herhalen, dat het hier gaat om de wandel hier beneden en niet om de zaligheid: onze wandel in de woestijn is altijd het onderwerp in dit boek. (Als belijdend geheel beschouwd, of als een enkeling die een belijdenis aflegt, kan blijken dat er niets echts is, zoals het met Israël naar het vlees geweest is en ook met de belijdende christenheid zal zijn. Zij zijn hun man ontrouw geweest.) Laat ons ook opmerken, dat de individuele ziel, of de Gemeente, in andere opzichten een buitengewone ijver en toewijding aan de dag kan leggen, die volkomen oprecht zijn, terwijl ze toch in een fout vervalt, die ze tot op zekere hoogte voor zichzelf verbergt. Maar niets kan als vergoeding dienen voor ontrouw tegenover haar echtgenoot (Spreuken 6:34).

Hoofdstuk 6

De Nazireeër laat ons een ander karakter zien, dat met de wandel door de Geest hier beneden verbonden is, namelijk de afzondering en de bijzondere toewijding aan God. Zij zonderden zich af voor Hem. Christus is het volmaakte voorbeeld hiervan. De Gemeente behoort in Zijn voetstappen te wandelen. Gevallen, waarbij iemand speciaal geroepen wordt zich aan de Heer te wijden, behoren ook tot deze soort van afzondering.

Deze afzondering voor God was met drie dingen verbonden. De Nazireeër mocht geen wijn drinken. Hij moest zijn haren laten groeien. Hij mocht zich om een dode niet verontreinigen. De wijn wijst op de vreugde, die verbonden is aan de genoegens van de samenleving, waardoor het hart, dat zich eraan overgeeft, wordt verblijd. “Nieuwe wijn, die God en mensen vrolijk maakt” (Richteren 9:13). Van het ogenblik af dat Christus in het openbaar begon op te treden, was Hij van alles waarin de natuur haar rechtmatig deel had, gescheiden. Toen Hij met Zijn discipelen op de bruiloft van Kana werd uitgenodigd, zei Hij tegen Zijn moeder: “Wat heb Ik met u te doen, vrouw?” (Johannes 2:4). Maar in feite kenden zelfs Zijn discipelen Hem alleen “naar het vlees”. Het is een opmerkelijk feit, dat Zijn discipelen in geen enkel geval begrepen wat Hij zei, als Hij uitdrukking gaf aan wat in Zijn hart was. Dit was de volmaaktste afzondering en eenzaamheid. Zijn omgang met hen was, naar de mate waarop zij bekwaam waren er deel aan te hebben, gegrond op de voorstelling van het koninkrijk als gekomen in het vlees.

Maar Christus heeft, zelfs wat deze relaties naar het vlees betreft, Zijn karakter van afzondering en Nazireeërschap moeten aannemen. En hoe waar Zijn liefde voor Zijn discipelen ook was, zelfs in deze menselijke sfeer, Hij moest ook van die blijdschap gescheiden zijn; Hij Die al Zijn welbehagen had in hen die Hij, door hun zwakheid heen, zag als de “voortreffelijken van de aarde”, deze armen van de kudde, die Hem verwachtten. Deze afzondering zien wij in de woorden: “Ik zeg u echter, dat Ik van nu aan geenszins zal drinken van deze vrucht van de wijnstok tot op die dag wanneer Ik die met u nieuw zal drinken in het koninkrijk van Mijn Vader” (Mattheüs 26:29). Hij scheidde Zich inderdaad van deze natuurlijke omgang met Zijn discipelen af; een omgang, die – hoe onvolmaakt de Zijnen ook waren – door Zijn liefde begeerd werd. Hij had gezegd: “Ik heb vurig begeerd dit Pascha met u te eten” (Lukas 22:15). Deze natuurlijke genegenheden waren al terzijde gesteld, omdat de zalving (wijding) van God op Zijn hoofd was. “Wat heb Ik met u te doen” (“wat is er tussen u en Mij”) had dit al aan Zijn moeder getoond. Dit betekent niet, dat Hij niet de tederste gevoelens voor haar had, maar nu was Hij van alles gescheiden om God toe te behoren 6.

In de tweede plaats liet de Nazireeër zijn haren groeien. Dat wil zeggen: hij zag van zichzelf af door zich aan de wil van God over te geven. Hij deed afstand van zijn waardigheid en zijn rechten als mens. Het lange haar duidt in de man enerzijds aan, dat hij zijn eigen persoon verzaakt en anderzijds, dat hij zich onderwerpt; een macht op het hoofd (1 Korinthe 11:10). Het is de toewijding aan God, door het opgeven van de vreugde, de waardigheid en de natuurlijke rechten van de mens (die hier gezien wordt als het middelpunt van genegenheden, die hem eigen zijn) om volkomen aan God toe te behoren.
De mens heeft een positie als de vertegenwoordiger en heerlijkheid van God en in deze positie wordt hij omringd door een menigte van genegenheden, vreugden en rechten, die in hem hun middelpunt bezitten. Voor de bijzondere dienst van God kan hij deze positie verlaten, daar de zonde in al deze dingen gekomen is, hoewel ze op zichzelf verre van slecht, op hun plaats veeleer goed te noemen zijn. En dit heeft Christus gedaan. Daar Hij Nazireeër geworden is, heeft Hij niet Zijn positie als mens ingenomen en evenmin Zijn rechten als Zoon des mensen aangenomen. Maar met het doel God te verheerlijken, heeft Hij Zich volkomen onderworpen. Hij onderwierp Zich aan alles, waarop de heerlijkheid aanspraak maakte. Hij heeft Zich één gemaakt met het gelovig overblijfsel van het zondig volk, dat Hij liefhad, en Hij is de kinderen van Zijn moeder vreemd geworden. Hij deed niets dat Hem niet opgedragen was. Hij leefde bij elk Woord, dat uit de mond van God voortkwam. Hij maakte zich los van alle banden van het menselijk leven om Zich te wijden aan de heerlijkheid, aan de dienst van God en aan de gehoorzaamheid ten aanzien van Hem. Vond Hij in de liefde van de Zijnen enige troost, dan was die maar zéér klein en schraal. En ook hiervan heeft Hij moeten afzien en in dit opzicht – zoals in elk ander – is Hij in Zijn dood de Nazireeër bij uitnemendheid geworden; de Nazireeër Die geheel alleen was in zijn afzondering voor God. De Gemeente had Hem moeten volgen, maar helaas, ze heeft sterke drank gedronken. Ze heeft gegeten en gedronken met de dronkaards. Ze is begonnen de dienaren van het huis te slaan!

De gelovige kan geroepen worden zichzelf te verloochenen, door – voor de kostbare dienst van zijn Heiland – van dingen af te zien, die op zichzelf niet slecht zijn. Maar deze daad voltrekt zich in het binnenste van de gelovige. Jeremia zegt: “Haar aanzienlijksten (Nazireeërs) waren reiner dan sneeuw” (Klaagliederen 4:7). Toewijding is een innerlijke zaak. Laten we hier nog eens nagaan, waaraan men zich blootstelt, als deze afzondering niet gevonden wordt.
Als we ons aan de Heer hebben gewijd, op een wijze die Hem aangenaam is, dan gaat deze toewijding met blijdschap gepaard, naar de mate van het getuigenis dat Hem wordt gebracht. God is met Zijn dienstknecht, in overeenstemming met Zijn roeping. Maar dit is een geheim tussen Zijn dienstknecht en Hem, hoewel anderen er de uiterlijke gevolgen van zien. Hebben we tegen deze afzondering gezondigd, dan moeten we van voren af aan beginnen. De Goddelijke invloed en kracht in het werk zijn verloren. In andere opzichten mag er niets verkeerds zijn; men mag zich verheffen zoals Simson, om de ketenen van zich te schudden, maar men heeft – zonder het te weten – zijn kracht verloren. God is niet meer met ons. Het geval van Simson is wel buitengewoon, maar toch zeer ernstig. Want het kan zijn, dat onze kracht ons in de tegenwoordigheid van het kwaad plaatst en dan openbaart zich, als God met ons is, Zijn luisterrijke heerlijkheid. Maar als Hij niet met ons is heeft de vijand de treurige gelegenheid de overwinning te behalen over hem die sinds lange tijd bekend was als een strijder van God, en ogenschijnlijk ook over God Zelf. In dit laatste geval is het innerlijke geheim, de ware kracht van de afzondering voor God, verloren.

Laten we in ons dagelijks leven oppassen voor de eerste stap, die ons zou scheiden van de innerlijke heiligheid en die afzondering van het hart tot Hem, dat ons dit geheim geeft, licht van boven op alles wat ons omgeeft. Want de verborgenheid des Heren is voor wie Hem vrezen (Psalm 25:14). Als de genade ons – voor welke bijzondere dienst dan ook – geroepen heeft ons af te zonderen, laten we ons dan hoeden voor elk gebrek aan gehoorzaamheid aan het Woord van het Kruis, waardoor wij de wereld, de zonde en de wet gekruisigd zijn. Dit zijn de drie dingen, waarop het kruis in de brief aan de Galaten wordt toegepast.
Gewoonlijk keert de ontrouwe Nazireeër door het offer van Christus terug tot zijn afzondering. Dan wordt hij opnieuw aan God gewijd 7. Maar alles wat ons in aanraking brengt met de zonde, heeft zijn uitwerking op ons Nazireeërschap. We verliezen de kracht, die aan de gemeenschap met God en de bijzondere tegenwoordigheid van de Geest in ons verbonden is, in welke mate deze kracht dan ook aan ons gegeven was. Helaas, de tijd die aan dit alles vooraf ging, is verloren; we moeten weer opnieuw beginnen. En wat een grote genade is het dan nog, dat niet elk voorrecht om God te dienen, ons ontnomen wordt. Maar al gebeurt dit niet, we lijden altijd door de gevolgen van onze ontrouw, ook als de kracht ons weer geschonken is. Een blinde Simson moest zichzelf ombrengen, toen hij de dood van zijn vijanden veroorzaakte. We moeten in alle gevallen onmiddellijk onze verontreinigingen erkennen en tot Christus gaan. En ons er niet op laten voorstaan, uiterlijk gezien, Nazireeërs te zijn, terwijl we het in de ogen van God niet zijn. Niets is gevaarlijker dan de dienst van God, als het geweten niet rein is. Maar laat ons daarbij niet vergeten, dat we altijd onder de genade leven.
Deze afzondering en deze zelfverloochening zijn niet voor altijd. Zelfs Christus zal niet altijd een Nazireeër zijn. Hij zal kennen verzadiging van vreugde met God en met de Zijnen.

Hij zal zeggen: “Eet, vrienden, drink en word dronken, geliefden!” (Hooglied 5:1). Het is door de kracht van de Heilige Geest alleen, dat wij van wat kwaad is, en dikwijls zelfs van wat natuurlijk is, gescheiden worden, om vaten van dienst en van vreugde te zijn; om getuige van God te zijn te midden van het kwaad. De tijd zal komen – als het kwaad zal zijn weggenomen – dat we onze (nieuwe) natuur zullen kunnen bevredigen. Dan zal de werking van de macht van de Heilige Geest alleen blijdschap voortbrengen, en alles waardoor we omringd zijn, met ons in gemeenschap zijn. Dan zal Christus een plaats innemen, die Hij tot nu toe onmogelijk in kon nemen, hoewel Hij de volmaakte omgangsmens was, op volmaakte wijze toegankelijk voor zondaren, juist omdat Hij volkomen van hen gescheiden was, en op volmaakte wijze afgezonderd om God innerlijk toe te behoren, en Hij Zich Zelf 8 verloochend had om alleen van de Woorden Gods te leven.
Zo is het leven van God hier beneden. Wat Hij geschapen heeft, kan niet slecht zijn; God beware ons voor zo’n gedachte! Een dergelijke bewering is een duidelijk teken van de laatste dagen. Christus kon met tederheid aan Zijn moeder denken, toen de arbeid van Zijn ziel op het kruis voltooid was. Maar de Heilige Geest grijpt in als een macht die vreemd is aan dit leven en neemt bezit van de mens, om hem in overeenstemming met deze macht door dit leven te laten gaan. Dus, hoe meer de mens in dit leven een vreemdeling voor zichzelf is, hoe meer hij in staat is te laten zien, dat hij medeleeft met hen die het leven naar Gods gedachten doorwandelen. Al het andere is niet meer dan een monnikenbeginsel. Als we innerlijk waarlijk vrij zijn, dan kunnen we medelijden hebben met wat buiten is. Als we niet vrij zijn, zo maken we ons tot monniken met de ijdele hoop, die vrijheid te verkrijgen.
En ten slotte, als de gelofte van het Nazireeërschap vervuld was, werden alle offers gebracht, en het haar van de Nazireeër werd in het vuur verbrand, dat het dankoffer verteerde. Het dankoffer is een beeld van de volle gemeenschap, die het resultaat is van het offer van Christus. Als het offer van Christus – op de door God bepaalde tijd – wat z’n gevolgen betreft, z’n volle waarde en algehele algenoegzaamheid getoond zal hebben, dan zal de kracht, die de energie om zich af te zonderen teweegbracht, geheel opgaan in de gemeenschap die het gelukzalige gevolg zal zijn van dat offer. We zijn dankbaar, dat de kracht van de Heilige Geest, die nu voor het grootste deel wordt aangewend om de begeerten van het vlees te beteugelen, dan geheel en al een kracht zal zijn van blijdschap in God en van gemeenschap met alles, wat ons omringt.

Laten we nu over de wegen van God spreken, als het Nazireeërschap beëindigd zal zijn. Dan zal het resultaat van het werk van Christus openbaar worden. De gehele waarde en kracht van Zijn offer in zijn verschillende aspecten, zal dan worden gekend. Zijn volk zal ingaan in de gemeenschap van Zijn vreugde. De wijn zal in vrolijkheid worden gedronken. Jezus Zelf wacht op dit ogenblik. Ik geloof, dat dit voornamelijk betrekking heeft op Zijn volk hier beneden; op het Joodse overblijfsel in de laatste dagen. Hun deelhebben aan de Heilige Geest zal blijdschap en genot teweegbrengen. Iets van dergelijke aard wacht ons, maar op een wijze die nog beter zal zijn. Tot op zekere hoogte hebben we die blijdschap nu al vooruit. Want de Heilige Geest bewerkt deze twee dingen: de blijdschap van de gemeenschap en de afzondering in eenzaamheid voor de dienst van God. Dit is enigszins wat de apostel wil zeggen, tot de Korinthiërs: “De dood werkt dus in ons, maar het leven in u” (2 Korinthe 4:12). Men kan echter tot alle gelovigen zeggen: “En ik zou wel willen dat u regeerde, opdat ook wij met u regeerden!” (1 Korinthe 4:8).
Nadat God het volk rondom Zichzelf geplaatst en het naam voor naam geteld heeft; nadat Hij de dienst geordend en het leger gereinigd heeft (dit is iets anders dan de reiniging van de bezoedelde enkeling, welk onderwerp tot het boek Leviticus behoort) en nadat Hij ten slotte de ware positie van de toegewijde dienstknecht heeft laten zien – een positie die Israël had moeten innemen, en die Christus als de ware voor God afgezonderde dienaar heeft ingenomen – zegent God ten slotte het volk en doet Hij Zijn Naam op hen leggen.

De zegen plaatste hen onder de bescherming, onder de genade en in de vrede van Jahweh. Eerst is de zegen algemeen. Daarna deed Jahweh hen van de genade genieten, door Zijn aangezicht over hen te laten lichten. Ten slotte verzekerde Hij hun vrede, door Zijn aangezicht over hen te verheffen. Hier eindigt dit gedeelte van het boek Numeri. Het naar de ordening van God geordende leger wordt onder Zijn zegen gesteld.9

Hoofdstuk 7

Het leger, geregeld naar Gods bevel, is onder Zijn zegen geplaatst. De hoofdstukken 5-6 geven de reiniging in elk opzicht van het leger van onreinheid en kwaad, de heiliging van de Nazireeër aan God, en de zegen. Dan krijgen we de vrijwillige offeranden. Reinheid van het leger en persoonlijke afzondering voor God – heiligheid in haar tweevoudig karakter: negatieve reiniging en positieve toewijding aan God. Dan de vrijwillige offeranden. Het leggen van Gods Naam op Zijn volk volgt op de reiniging en toewijding. Daarna offeren de hoofden van het volk een vrijwillige offerande aan God voor de dienst van het heiligdom en de wijding van het altaar, naar het getal van de stammen. Dit werd gedaan naar een gemeenschappelijk inzicht, daar ieder hetzelfde offerde. En wat de wagens betreft: het was niet de gemeenschappelijke dienst van het heiligdom, maar de eenparige toewijding en vrijwillige offeranden van het volk voor de dienst en de heiliging van het altaar, als het volk tot God naderde. Het werd gedaan naar de stammen; het waren de gaven van Israël in de begrensde volkomen eenheid van de twaalf stammen – terwijl er niet een ontbrak in de ordelijke eenheid en zij als een geheel in die volledigheid voor God stonden op die dag. Dan krijgen we de inhoud van de mededelingen van Jahweh aan Mozes om hem voor de weg opdracht te geven. Wij zien dat dit in de tabernakel gebeurt, van tussen de cherubim. Het is niet een wet aan het volk vanaf de Sinaï, een verbond, maar het bestuur van een volk dat in verbinding met God staat.

Hoofdstuk 8

Dit hoofdstuk spreekt van de gouden kandelaar. Dat dit juist hier gebeurt, toont aan, hoe zeer de rangschikking van de zinnebeelden verband houdt met de zedelijke orde van de antitypen. De lampen moesten het licht van de kandelaar uitstralen en tegelijkertijd hem zelf beschijnen. Zo is het met ieder, die een vat is voor de Heilige Geest, en schijnt met het licht van God. Of het nu Israël is of de gemeente: men moet licht uitstralen voor en op de Heer. “Laat zo uw licht schijnen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader Die in de hemelen is, verheerlijken” (Mattheüs 5:16). Als de belijdenis van de gelovige klaar en duidelijk is, weten de mensen, als ze zijn werken zien, aan Wie ze moeten toeschrijven. De kandelaar was van zuiver goud, geslagen werk: een beeld van zuivere goddelijkheid, en dat alleen, Gods licht in het heiligdom.
De twaalf broden, verbonden met het goddelijke, waren het beeld van Gods regering in de mens. De tafel was van hout, hoewel met goud overtrokken. Het getal twaalf is het beeld van goddelijk bestuur in of door de mens, wat vooral voor Israël waar is. Maar het getuigenis van God, door het licht, is zuiver goddelijk.
Dan wordt over de reiniging van de Levieten gesproken en hun wijding tot de dienst van Jahweh. Dit is een voorafschaduwing van de wijding van de leden van de gemeente tot de dienst van God. De Levieten werden besprenkeld met water, geschoren als de melaatsen 10 en hun kleren werden gewassen. Hun gehele leven werd als het ware gereinigd volgens de reiniging van het heiligdom; hun handelingen werden geschikt gemaakt voor de dienst van God.

Daarna legde het gehele volk de handen op hen, en zij legden hun handen op de offeranden. Bij deze offers behoorden geen dankoffers, omdat ze de dienst betroffen en niet de gemeenschap; maar wel die offers, die een beeld waren van de kracht van verzoening, en de toewijding van de Heere Jezus tot de dood. Zij gaven de grond en het karakter van de Levietendienst aan. Ze stellen het dubbele karakter van de dood van Christus voor. Het spijsoffer was er ook met het brandoffer. In de toepassing (vers 12) komt eerst het zondoffer, dan het brandoffer; eerst het beeld van Christus als de Zondedrager, God in Zijn dood verheerlijkend ten opzichte van de zonde, en dan Christus in Zijn volmaaktheid en volkomen gehoorzaamheid, beproefd in het vuur.
De Levieten behoorden aan Jahweh toe als Zijn vrijgekochten, daar Hij ze redde toen Hij de zonde oordeelde. Zij offerden zich aan Jahweh. Het leggen van de handen op het offerdier vereenzelvigde hem, die zo deed, met het offer. Was dit een zondoffer, dan was het offer één met de zondaar in zijn zonde; was het een brandoffer, dan werd de offeraar een met de waarde van de toewijding van het offerdier aan Gods eer met het oog op de zonde. Romeinen 15:16 zinspeelt op dit gedeelte: het offer van de volken is dan de gemeente, genomen uit de heidenen, aan God opgeofferd, evenals de Levieten.
De Israëlieten legden hun handen op de Levieten en zo was het gehele volk als het ware met hen in hun wijding vereenzelvigd, dus eigenlijk ook in hun opoffering aan Jahweh. De Levieten vertegenwoordigden dus het gehele volk voor God.
We vinden hier ook weer hetzelfde, wat we in hoofdstuk 3:9 zagen, namelijk dat de Levieten aan Aäron en zijn zonen werden gegeven, zoals de gemeente aan Christus, de ware Hogepriester en Zoon over het huis van God, is gegeven voor de dienst van het huis.
Ze werden eerst door Israël aan Jahweh opgeofferd door Aäron, de hogepriester (vers 11) als een beweegoffer, dat wil zeggen zij werden voor de Heer gesteld als gewijden aan Hem. Voorts werden ze voor Aäron en zijn zonen gesteld, (vers 13) en door hun handen aan God gegeven, geheel aan Hem gewijd in plaats van de eerstgeborenen (verzen 16-19).
Hoe ernstig, plechtig en volmaakt is de offerande van de dienstknecht van de Heer aan Hem, volgens de reiniging van het heiligdom en al de waarde en het ware karakter van Christus’ offerande van Zichzelf aan God, en het goddelijk oordeel over de zonde. De Levieten dienden van hun 25e tot 50e jaar, de eerste vijf jaren als een soort proeftijd. Na hun 50e jaar onderwezen ze, maar waren niet meer met de dienst belast.

Hoofdstuk 9

Het Pascha moest op de woestijnreis noodzakelijk door allen worden gevierd 11. Het was een herinnering aan hun verlossing en als gevolg het symbool van hun eenheid 12 als volk van God, als een vergadering die door Hem Zelf verlost is. Alleen voor hen, die niet in staat waren het feest overeenkomstig de voorschriften van Jahweh te vieren op de vastgestelde dag, maakte de Heer in Zijn genade en lankmoedigheid een uitzondering en gaf hun daarvoor een andere gelegenheid. Deze beschikkingen maakten, dat de gedachte aan eenheid en verlossing niet verloren gingen, en dat het volk telkens weer moest beseffen, dat het direct onder Gods vaderlijke zorgen stond.
Ook vinden we in dit hoofdstuk, dat God Zelf zijn volk door Zijn tegenwoordigheid leidde. Op Zijn bevel legerden ze, en op Zijn bevel reisden ze weer verder. “Zij namen de voorschriften van de HEERE in acht, op het bevel van de HEERE.” God geve, dat wij, die Zijn Geest hebben, ons op gelijke wijze door Hem in alle dingen laten leiden, dat wij altijd gaan en staan onder Zijn onmiddellijke leiding. Als we in nauwe gemeenschap met God leven, zal Hij ons met Zijn oog leiden; zo niet, dan zullen we door Zijn voorzienigheid worden geleid, als paarden en muilezels met toom en gebit, ten einde voor struikelen te worden behoed. (Psalm 32:8-9).

Hoofdstuk 10

Dit hoofdstuk spreekt van de zilveren trompetten. Ze werden gebruikt om de vergaderingen van het volk samen te roepen voor het sein van vertrek van het legerkamp, en voor verschillende andere dingen. Het geklank van de zilveren trompet was het symbool van het publieke getuigenis van God. Het had in de dagen van Israël voornamelijk twee doeleinden, het volk te verzamelen, en het te laten voorttrekken. Zo is het ook nu praktisch voor ons: het getuigenis van God verzamelt Zijn kinderen rondom Hemzelf; en het doet hen voortgaan en handelen. Het getuigenis van God was het teken van Zijn tussenkomst, en tegelijkertijd had het ten doel deze tussenkomst naar voren te brengen. De priesters, die in gemeenschap met hun hoofd ingewijd moesten zijn in de gedachten van God, bliezen de trompetten, als het nodig was.

Zo vond alles plaats in overeenstemming met de gemeenschap met God in Zijn heiligdom. Ook nadat het volk in het beloofde land was binnengegaan, werden de trompetten geblazen, als er oorlog was uitgebroken. Ze lieten dan het getuigenis van God zonder vrees horen. Dan dacht God aan Zijn volk en kwam tussenbeide. Zo hoeven ook wij nooit voor de aanvallen van de vijand bevreesd te zijn; in plaats van bang te worden, moeten we een getrouw getuigenis van God laten horen. En God heeft ons beloofd als antwoord daarop ons terzijde te staan met Zijn kracht en voor ons te strijden. Laten we ons dus nooit door onze vijand bang laten maken.

De trompetten werden ook bij de plechtige feesten gebruikt; het getuigenis van God en de gedachtenis aan Hem maakten de vreugde van het verzamelde volk uit.

Zo was nu het volk in nationale eenheid en orde rondom God in de legerplaats vergaderd; en zo trokken zij verder door de woestijn. Alles was volkomen geregeld voor de orde van het volk en voor de dienst van God.

Eindelijk togen dan de kinderen Israëls op uit de woestijn Sinaï; de eerste etappe van hun verdere tocht. De orde, waarin ze optrokken verschilde echter van de voorschriften: de tabernakel met de gordijnen volgde op de eerste drie stammen, zodat zij kon worden opgericht en klaar zou zijn, om de ark van de getuigenis, die achter de tweede groep van drie stammen gedragen werd, te ontvangen. Dit was slechts een kleine bijzonderheid in de regeling.

Maar God was hun bovendien bijzonder genadig, want buiten alle schikkingen om was het de ark zelf, die aan het gehele kamp vooruitging. Mozes had aan Hobab, een kind van de woestijn, gevraagd om hun tot ogen te willen zijn. Maar toen deze dit niet wilde doen, deed God het zelf. Hij verliet de plaats, die Hij in het midden van de Zijnen in het kamp had ingenomen om daar door hen geëerd en als het ware verzorgd te worden, en werd hun Dienstknecht, die vooruitging om een rustplaats in de eindeloze woestijn voor hen uit te zoeken.

Het was nog niet het land Kanaän, maar een plaats in de woestijn, waar de Heer de reis van drie dagen maakte, om Zijn volk te verzorgen en rust te geven. Het is een wonderheerlijk beeld van de tedere en kostbare genade van Hem, Die, als Hij ons al om ons bestwil door de woestijn laat trekken, daar met ons is; van Hem, Die zijn schapen uitleidt, maar hen voorgaat en ze door Zijn liefde verkwikt. Hij is onze machtige Leidsman op de weg; en onze vreugde en glorie, als Hij in ons midden komt rusten.
Dit tafereel is het einde van dit gedeelte van Numeri, dat de goddelijke beschikkingen voor het legerkamp en de genade, die het volk door de woestijn zal leiden, beschrijft. Men vergelijke Psalm 132:8, waar God aan het einde van Israëls geschiedenis (vooruitziend op David) tot Zijn rust komt; en Psalm 68, die Gods bemoeienissen, om deze rust te bevestigen, weergeeft.

Hoofdstuk 11

In dit hoofdstuk worden onze gedachten in andere banen geleid, en wordt onze aandacht gevestigd op het gedrag van de kinderen Israëls in de woestijn. Helaas is het een geschiedenis van voortdurende ontrouw en opstandigheid. Maar ook een geschiedenis van de lankmoedigheid en de genade van God. Het is een uitermate verootmoedigend beeld, dat we te zien krijgen, maar ook zeer leerzaam. We zullen in het kort de verschillende vormen van ongeloof die ons hier voorgesteld worden, bezien.

Het eerste wat we zien na de openbaringen van Gods zorg en liefde is: ontevredenheid. Het volk klaagde over vermoeidheid, terwijl God bezig was een rustplaats voor hen te zoeken. God kastijdde hen en, hierdoor verootmoedigd, riep het volk tot Mozes. Door zijn tussenkomst hield de straf op. Maar hun hart bleef verre van God.
Door het gemene volk, dat met hen optrok en voor wie Kanaän niet het beloofde land was, verleid en opgehitst, begonnen zij opnieuw te murmureren, ditmaal over het manna. Hoe dikwijls komt het ook bij ons voor, dat het hart, dat niet met God in gemeenschap staat, niet genoeg heeft aan Christus, het Brood van het leven. Zo’n hart zoekt dan elders naar voedsel; het denkt terug aan wat de wereld bood, en vergeet, dat het daar in slavernij van de zonde gevangen lag. Het kent niet meer de kracht van de woorden, die de Heiland eens sprak: “Wie tot Mij komt, zal nooit meer honger hebben” (Johannes 6:35).
God gaf het volk wat het begeerde, ander voedsel, vlees. Maar in plaats van beschaamd te zijn, toen ze zagen, dat God machtig was ook in de woestijn aan hun verlangens te voldoen, waren ze zo begerig en gulzig, dat de toorn van de Heer opnieuw tegen dit boze volk ontstoken werd.
Mozes werd er moedeloos onder; hij was moe van dit ontevreden volk; de last op zijn schouders werd hem te zwaar. Hij klaagde over zijn positie, die toch zo heerlijk en eervol was. God hoorde hem en verlichtte de last, maar niet zonder Mozes te berispen. Hij voegde hem zeventig personen toe om hem te helpen. De Geest van God profeteerde door twee van hen, hoewel ze niet tot de plaats gekomen waren, waar Mozes hen ontboden had, om daar de Geest te ontvangen, maar in het legerkamp gebleven waren. Jozua die voor de eer van Mozes ijverde, verlangde, dat ze zouden zwijgen. Maar Mozes, – die niet in staat was geweest de last van zijn eervolle positie te dragen en ze nu met anderen moest delen en zo tot op zekere hoogte verlies had geleden –13 Mozes toonde in deze omstandigheden de diepte en de genade van Gods Geest in hem. Hij benijdde deze twee in het kamp niet, maar riep uit: “Och, waren allen van het volk van de HEERE maar profeten!” Wat ook Gods schikkingen mogen zijn, Hij blijft soeverein in het uitdelen van Zijn Geest.
Ook Paulus was bezorgd voor het welzijn van de gemeente (Galaten 4:19; 2 Korinthe 11:28) maar hij werd niet moedeloos. Het is mogelijk, dat door dit falen van Mozes onder de last van het ontevreden volk, wat de aanleiding werd tot het profeteren in de legerplaats, ook de gelegenheid tot de opstand van Mirjam en Aäron werd geboren. Hoe het zij, God handhaafde het gezag van Zijn dienaar Mozes, die zijn ongeveinsd zachtmoedig karakter bewaarde, en al wat hem betrof aan God overliet.

Hoofdstuk 12

Wat voor vormen kan ongeloof en rebellie al niet aannemen!
Mirjam en Aäron spraken tegen Mozes. De profetes en de priester; die het woord van God hoort, en die vrije toegang tot Hem heeft. (Het tweevoudig karakter van het volk van God). Ze staan op tegen hem, die koning is in Jeschurun, en met wie God sprak als met Zijn vertrouwde vriend. Mozes was hier in elk opzicht een type van Christus, Die persoonlijk buiten alle rechten staat, Die genade aan het volk van God heeft gegeven. Getrouw in het gehele huis, had hij een innige omgang met Hem. Mirjam en Aäron hadden bevreesd moeten zijn; maar ze voerden aan, dat Mozes een Ethiopische vrouw had genomen, een heerlijk beeld voor ons, dat soevereine genade ook hen die er geen recht op hebben, heeft laten delen in de zegeningen van Christus. Het volk van God, welke hun voorrechten ook waren, had deze soevereiniteit moeten erkennen. Israël deed het niet en werd daarom in hun karakter van getuigen of profeten, met melaatsheid geslagen. Aäron, de priester, nam zijn juiste plaats als middelaar onmiddellijk weer in, en sprak in alle ootmoedigheid tot Mozes. Hij is hier een beeld van Israël, verootmoedigd door de bemiddeling van Christus, Die zich één heeft gemaakt met de toestand van het volk.

God antwoordde, dat Mirjam verootmoedigd en gestraft en voor een tijd uit Zijn gemeente moest worden uitgesloten, en dan weer in gunst zou worden aangenomen. Het volk wachtte op haar herstel.
God legt hier de nadruk op het feit, dat de meest eervolle positie voor Mozes die was, toen hij geheel afgezonderd van zijn volk, zijn tent buiten de legerplaats opsloeg en haar de tent van ontmoeting noemde. Het volk had dit maar al te zeer vergeten. Als evenzo de leden van de gemeente, met het doel zichzelf als geestelijk voor te doen, zich verheffen op hun positie en eer als profeten en priesters, – wat zij inderdaad zijn – dan ontnemen ze daardoor aan Christus Zijn rechten als koning van Jeschurun, Die alleen gezag heeft over het huis van God. Is er dan bij de gemeente niet sprake van dezelfde rebellie als we hier vinden bij Aäron en Mirjam? Wat mij betreft, ik geloof dat dat zo is.

Hoofdstuk 13

Hier vinden we een andere vorm van ongeloof: het volk was ontevreden over het beloofde land. Jahweh had het volk tot aan de grenzen gebracht en Mozes sprak tot hen: “Trek op, neem het in bezit” (Deuteronomium 1:20-23). Toen stelde het volk voor, eerst verspieders te zenden. Mozes bewilligt daarin. Het schijnt dat ze Gods goedkeuring hadden, want er staat: “Mozes stuurde hen uit de woestijn Paran, op bevel van de HEERE.” Maar de aanleiding tot het zenden van de verspieders was toch de zwakheid en het ongeloof van het volk.
Zo zijn er dikwijls dingen, die God ons gebiedt te doen en wij zijn verplicht ze te doen, zodra ze het voorwerp van een bevel van Hem zijn, in welke gevolgen Zijn wegen worden geopenbaard, maar die toch het gevolg zijn van ons gebrek aan geloof. Het resultaat zal altijd zijn, dat het geloof van de getrouwen overvloedig bevestigd wordt; maar dat het ongeloof maait wat het gezaaid heeft.

Zo was het ook hier. Aanvankelijk was het verslag, dat de verspieders aan Mozes uitbrachten in een goede geest; maar tegelijkertijd kwamen de moeilijkheden aan het licht. En het ongeloof van het volk mat deze moeilijkheden aan hun menselijke krachten in plaats van aan de macht van God. En dan zien we, hoe ook de verspieders door deze vorm van ongeloof worden beïnvloed en hun verdere verslag op dat ongeloof baseren. Innerlijk wendden ze zich van God af en zo werden ze in de stroom van het ongeloof van het volk meegezogen. Zo spraken ze hun eerste overtuiging tegen, die ze in het land, overvloeiende van melk en honing, hadden gevormd, en kwamen ertoe te beweren, dat het beloofde land een slecht land was, dat zijn inwoners verteerde. En ten slotte rechtvaardigden ze zichzelf door God aan te klagen.

Hoofdstuk 14

Zij beginnen God te beschuldigen hen daar te hebben gebracht, want het is nu niet langer Mozes die hen daar gebracht heeft, maar God Zelf. En dan vallen ze in hun woede de twee enige verspieders aan, die hun eerste getuigenis getrouw bleven en met hun verslag het ongeloof van de anderen logenstraften.
Hoe dikwijls is het zo, dat de moeilijkheden ons ongeloof aan het licht brengen, en ons ertoe leiden kwaad te spreken van de positie, waartoe God ons heeft geroepen en waarvan we de bijzondere zegeningen hebben ervaren. De oorzaak is, dat we God vergeten. Was Hij een sprinkhaan in vergelijking met de kinderen van Enak? Wat betekenden de hoge muren, als het geluid van een bazuin ze kon doen omvallen?
Nu treedt God Zelf handelend op; naar hun geloof worden de Israëlieten behandeld. Zoals ze gewenst hadden, zo zou het gebeuren: ze zouden in de woestijn omkomen. Alleen die trouw gebleven waren en de kinderen zouden het beloofde land binnengaan; maar ook zij zouden gedurende hun tocht onder de gevolgen van het ongeloof van de massa te lijden hebben. Maar een andere hoop en andere vertroosting zullen hun deel zijn.

Mozes trad op als middelaar en pleiter, opdat God het volk zou sparen; maar God zei, dat Hij zou worden verheerlijkt door het rechtvaardig oordeel over een opstandig volk, dat Zijn beloften verachtte; en dat de hele aarde zo met de heerlijkheid van de Heer zou worden vervuld. Mozes had zich beroepen op de openbaring van de naam van Jahweh, op welke grondslag Hij het volk regeert, en niet op de beloften aan de vaderen gedaan. Het antwoord, dat hij ontving, was in overeenstemming met die grote naam.
Kaleb (vers 24) is een type van het getrouwe overblijfsel; Jozua wordt niet genoemd, want hij stelde Christus voor, die het volk in het land van de belofte zou binnenleiden.
Aan het eind van veertig jaar zwerven door de woestijn moest Kaleb één voor één die mensen onderwerpen, die de harten van de verspieders met schrik hadden vervuld. Als wij, ondanks ongeloof, toch van de vervulling van de belofte mogen genieten, betekent dit nog niet, dat ons de moeilijkheden bespaard zullen blijven.
En als we de dwaasheid van het ongeloof hebben geoordeeld en de gevolgen ervan zien, heeft het geen zin om met het oog op deze gevolgen te trachten, zoals Israël dit deed, iets van ons ongeloof goed te maken. God is dan niet met ons. En als we toch gaan zullen we juist de vijand ontmoeten, zoals ons ongeloof ons die had voorgeschilderd.

Hoofdstuk 15

Na deze treurige geschiedenis van het ongeloof van het volk Israëls, en nadat God verklaard had, dat de aarde van Zijn heerlijkheid zou worden vervuld door het oordeel over het opstandige volk, en we dus zouden kunnen veronderstellen, dat het volk het beloofde land voorgoed had verspeeld, is het wonderlijk heerlijk, dat we in dit hoofdstuk God zien teruggekeerd in de volmaakte rust van Zijn eeuwig raadsbesluit en Zijn onveranderlijk Wezen. Hij geeft hier voorschriften voor de tijd dat het volk het land, dat Hij hun gegeven heeft, zal zijn binnengegaan.
Er wordt gesproken over offers van gerechtigheid, vrijwillige offers, en van de wijn van de vreugde die deze offers vergezelde. En waar dit genade is, reikt de liefde van God zelfs tot de vreemdelingen, die Hij dicht bij Zijn volk brengt: één wet voor hen allen.

De eerstelingen behoren aan de Heer.
De zonde door onwetendheid werd vergeven door middel van een offer, dat door de volmaaktheid van Gods wegen met Zijn volk vereist werd. Alleen de vooropgezette misdaad bracht de dood.

God beval, dat de kinderen Israëls snoertjes aan de hoeken van hun kleren zouden aanbrengen, en daarop een hemelsblauwe draad, zodat zij altijd aan Zijn geboden zouden denken, en voor al wat hen tot onheiligheid zou kunnen verleiden, zouden worden gespaard.
Dit hemelse beginsel moet ook de kleinste bijzonderheden in ons leven bepalen, zelfs die die het dichtst bij de aarde zijn, als we het kwade, dat het oordeel van God met zich meebrengt, willen vermijden. Dat ook de vreemdeling in dit hoofdstuk genoemd wordt, is van groot belang als een bewijs van Gods genade.

Hoofdstuk 16

Dit hoofdstuk spreekt van de hoogste vorm van het ongeloof: de totale afval, die op hetzelfde ogenblik dat het zich openbaart het oordeel van God met zich brengt.
Het waren Dathan en Abiram, die tegen Mozes’ gezag in openlijke opstand waren gekomen; maar vooral de dienst (Levieten) die het priesterschap voor zichzelf durfden opeisen. Inderdaad namen sommigen van de hoofden deel in deze opstand, en één ogenblik werd zelfs het gehele, maar al te goed voorbereide volk, meegesleept door de eerzucht van deze man, die de werkzaamheden van de dienst vervulde en tegen Mozes durfde zeggen: “Heel de gemeenschap, allen zijn zij heilig … Waarom verheft u zich dan boven de gemeente van de HEERE?” Het Nieuwe Testament noemt deze opstand “de tegenspreking van Korach”, (Judas 11) en het was tot hem, dat Mozes zijn antwoord richtte. Hij wees hem op het voornaamste punt van zijn zonde: dat de Levieten een plaats wilden innemen, die hun niet toekwam. Korach had het volk door vleierij meegesleept met het doel zich het officiële priesterschap op onrechtmatige wijze toe te eigenen.
Het geval van Dathan en Abiram lag anders; zij trokken het in twijfel, of Mozes werkelijk het woord van God ontving. Het oordeel dat zij ontvingen was dan ook anders dan dat van Korach.

Maar het opeisen van het priesterschap door het ambt (de dienst) werd geacht een openlijke opstand tegen God Zelf te zijn, in het gezag van Zijn woord zoals het door Mozes gesproken was. Dit is niet de verdorvenheid van de dienst die openbaar wordt in het onderwijzen van dwaalleer, zoals het onderscheid dat Judas maakt ons laat zien.
In Kaïn zien we de natuurlijke boosheid in de mens; in Bileam die voor geld een dwaalleer verkondigde, godsdienstige corruptie; in Korach echter opzettelijke rebellie, die het oordeel onmiddellijk met zich meebrengt. Judas spreekt over de gevolgen van de zonde, en het einde voor de verdervers van het Christendom. De tegenspreking van Korach is een revolutie tegen het gezag van Christus en het onderscheiden karakter van Zijn priesterschap 14; een revolutie, geleid en gevormd door een man, die de positie van een Leviet, een dienstknecht, innam maar er aanspraak op maakte een priester te zijn, en zo het enige, ware priesterschap van Christus, waarvan dat van Aäron een type was, te niet deed.
Ruben, van wie Dathan en Abiram afstammelingen waren, was de oudste zoon van Israël, en Korach behoorde tot de meest begunstigde familie van Levi. In het kamp waren de stam van Ruben en het huis van Korach dicht bij elkaar gelegerd; maar in de motieven van hun handelwijze komt hiervan niets tot uiting.
Open rebellie en uiterste onbeschaamdheid traden voor God aan het licht. Maar God stelde er spoedig perk en paal aan, want “Wie heeft zich tegen Hem verhard en vrede gehad?” (Job 9:4). Mozes had zich op de Heer beroepen.

Wat Korach betrof, zei hij, dat de Heer zou uitmaken, wie heilig was en wie Hij had uitverkoren om Hem te naderen. En de Heere verdelgde Korach en de 250 oversten van het volk.
Wat Dathan en Abiram betrof, deze hadden om zich te rechtvaardigen, en steunend op het ongeloof van het volk, op Mozes de blaam geworpen, dat zij het land Kanaän nog niet hadden bereikt. Ze werden door de aarde verzwolgen.
Maar de geest van opstand had het gehele volk aangetast. De volgende morgen murmureerden ze tegen Mozes en Aäron, en zeiden: “Ú hebt het volk van de HEERE gedood!” – een gemakkelijke manier om zichzelf gewichtig te maken. De Heer sloeg hen met een plaag. Toen stond Aäron op als hun priester en middelaar en stond met het wierookvat tussen de doden en de levenden, en de plaag hield op. Het priesterschap, dat Korach had veracht, was inderdaad noodzakelijk.

Alleen door het priesterschap van Christus is het ons mogelijk de pelgrimsreis door de woestijn met God te maken. We vinden hier geen voorafschaduwing van de vereniging met Christus of van het kindschap; dat waren nog verborgenheden; maar van onze pelgrimstocht door de woestijn, zoals ons dat ook de brief aan de Hebreeën voorstelt. (Er is een verschil tussen priesterschap en voorspraak. Hebreeën en 1 Johannes. Het priesterschap is voor barmhartigheid en genade tot tijdige hulp; voorspraak is tot herstel van gemeenschap, als we gezondigd hebben.)
Gezag alleen is ontoereikend om mensen zoals wij door de woestijn te brengen. Het vlees is opstandig, en het laatste hulpmiddel van het gezag is de vernietiging. Maar vernietiging leidt niet een volk tot een goed einde tot verheerlijking van God, hoewel een rechtvaardig oordeel God in gerechtigheid verheerlijkt. Mozes, als de man van het gezag, dat in gerechtigheid soms moet toeslaan, is niet bij machte het volk Kanaän binnen te leiden. Deze macht over het opstandige volk geeft God aan het priesterschap, dat door de opstand zo veracht werd. Het is Christus, de Hogepriester, Die in Zijn genade en goedheid ons door de woestijn leidt. Tot deze conclusie komen we aan het einde van de geschiedenis van Israëls tocht door de woestijn.

Hoofdstuk 17

Van dit hoofdstuk tot hoofdstuk 20 wordt dit onderwerp nader behandeld, met de daarbij komende omstandigheden.

Het gezag van Aäron werd door een door de macht van God voortgebracht teken bevestigd. Zijn staf werd met de staven van alle andere stammen van Israël in de tent van de getuigenis voor het aangezicht van de Heer gelegd; dicht bij de bron van alle gezag. De kracht van leven en zegen die het dode hout in knoppen, bloemen en vruchten deed uitgroeien, bewees, dat God hier tegenwoordig en aan het werk was. Het was een priesterschap, levend en de dood overwinnend door goddelijke kracht, dat God aanwees om het volk te leiden. God Zelf vertrouwde Zijn gezag daaraan toe. Een rechtvaardig oordeel (Mozes’ staf) kan vernietigen, maar niet door de woestijn brengen: dat kan alleen genade.
Het vleselijke volk, dat het spoor steeds bijster is, was kort geleden nog vermetel tegenover de Majesteit van God. Maar thans – nu God Zijn genade tentoonspreidt – is het bevreesd en zegt niet tot God te kunnen naderen. Dit geeft aanleiding tot nog diepere inzichten over de positie van het priesterschap in het algemeen.

Hoofdstuk 18

Hier wordt de plaats van de priesters en van de Levieten duidelijk uiteengezet en omschreven. Alleen de priesters mochten het heiligdom naderen; zij alleen mochten deze intieme omgang met God genieten. Maar als gevolg van dit voorrecht moesten zij zonden en overtredingen dragen, de ongerechtigheid van het heiligdom, die bij de buitenstaanders niet zouden zijn opgemerkt. Wat niet in de tegenwoordigheid van God en in Zijn heiligdom kon bestaan, mocht ook in het leven en in het wezen van de priesters geen plaats hebben. Ze moesten de ongerechtigheid van het heiligdom dragen. Als het volk de wet ongehoorzaam was, werd het ongetwijfeld voor eigen schuld gestraft; maar al wat het heiligdom verontreinigde, werd Aäron en zijn zonen aangerekend.

Wat is dus de mate van heiligheid, die aan de kinderen van God, de enige ware priesters, is gegeven? De reinheid van het heiligdom zelf; niet wat voor de mens, maar wat voor God geschikt is. De dienst van de Levieten, ja de Levieten zelf waren aan de priesters gegeven. Ook het priesterschap was een gift aan Aäron en zijn zonen. Vanwege de zalving werden hun de heiligste dingen te eten gegeven, als een speciaal voorrecht.

Hetzelfde geldt voor ons. Ons is het kostbare offer van Christus gegeven, kostbaar in Zijn leven en kostbaar in Zijn dood. Het Brood van het leven, dat uit de hemel is neergedaald, gezien in Zijn leven van toewijding en genade hier beneden, en Zijn sterven voor ons, is het voedsel voor onze zielen, in die gemeenschap met God waarin wij ons als priesters hebben te bewaren. Alleen de priesters aten de heilige dingen en ze aten ze in een heilige plaats. Het is alleen, als we beseffen in Gods tegenwoordigheid te zijn en onder de werking van de zalfolie, de Heilige Geest, die nooit over het vlees uitgegoten wordt, dat we waarlijk de kostbaarheid van het werk van Christus kunnen smaken.

Vers 10 is zeer merkwaardig. Want hier (en nergens anders) wordt gezegd, dat de priesters de heilige dingen in het Heilige der heiligen moesten eten. Het is waar, dat “aan het allerheiligste” ook vertaald kan worden door “als allerheiligste dingen”. Maar als het “in het allerheiligste” moet betekenen, dan heeft het alleen betrekking op het tegenbeeld. Namelijk, dat wij dit kostelijk voedsel alleen in de tegenwoordigheid en voor de troon van de soevereine God Zelf kunnen smaken. Maar historisch gezien waren de priesters daar niet. Ze werden geacht daar aanwezig te zijn, als ze in het heiligdom van God waren.
Sommige dingen, die wel voor de priesterlijke familie bestemd waren, zoals de hefoffers en de beweegoffers, aten ze niet in hun karakter van priester. Ook hun zonen en dochters, en allen, die rein waren in hun huis, mochten daarvan mee eten.
Zo zijn er bij de kinderen van God heerlijke dingen, waarvan we gemeenschappelijk als één familie mogen genieten. Het is een vreugde voor de ziel, ons gemeenschappelijk in onze zegeningen te verheugen en onze offers aan God aan te bieden. Alles wat de Geest van Christus tot verheerlijking van God werkt, zelfs in Zijn leden, maar meer nog alles wat Hij in Christus heeft gedaan, is het voedsel voor de zielen van Gods huisgezin en sterkt hen. Genieten onze harten niet van de eerstelingen, van het beste van de nieuwe wijn en van het koren, van de eerste vruchten van die heerlijke oogst van God, die voortgesproten is uit Zijn zaad op de bodem van Zijn uitverkiezing? Ja, als we over al deze dingen nadenken, verheugen we ons.

De zondoffers echter met de schuldoffers en de spijsoffers, alles waarin we in de geest delen in het diepe verlossingswerk van Christus, kunnen we alleen eten in het karakter en de geest van priesters. Wij moeten ons in overeenstemming met de kracht van dit werk verdiepen in de geest, waarin Hij Zich na de offerande van Zichzelf, en bewogen door Zijn volmaakte liefde, in de tegenwoordigheid van God stelde. Ons verdiepen in de gevoelens van liefde en toewijding, in het bewustzijn van Gods heiligheid. Kortom in de gevoelens, waarmee Christus Zich als Priester voor God stelde, om door Zijn liefde en door de waarde van Zijn offer de heiligheid van God met de zegen voor de zondaar te verbinden. Zo kunnen we de kostbaarheid van het verlossingswerk van Christus begrijpen en er in genade deel aan hebben. (Want zo is het inderdaad.) En dat kan alleen in waarheid in het Heilige der heiligen in de tegenwoordigheid van God, waar Christus voor ons verschijnt.
Dus zowel onze vreugden als leden van Gods huisgezin, als deze heilige vreugde van deelnemen in de geest aan het werk van Christus, behoren tot het priesterschap. Zelfs de Levieten moesten, in alles wat God hun als vreemdelingen in het land van belofte gaf, de voorrechten en het gezag van de priesters erkennen.
Er is een duidelijk onderscheid tussen priesters en Levieten. Alle gelovigen zijn priesters. Zij, die dienen, zijn in deze hoedanigheid van dienaren slechts Levieten. Hun dienst is voor de heiligen, voor de priesters van God, en zij zullen hun beloning in de hemel ontvangen. Als priesters hebben ze een plaats dicht bij God en mogen zij zich in Hem verheugen. (Hier is geen sprake van een dienst tegenover de wereld, want daarin was in de Joodse bedeling nog niet voorzien).
Het is duidelijk, dat een deelnemen in de geest (een deelname in werkelijkheid is natuurlijk niet mogelijk) in het offer van Christus voor de zonde – door het eten van de heilige dingen – een zeer heilige handeling is, die slechts in een heilige plaats kan worden verricht, waar alles allerheiligst is.

Hoofdstuk 19

De leiding van het volk door de woestijn berustte dus bij de priesters, daar Mozes’ staf van gezag dit niet kon volbrengen; ze kon alleen slaan. Anderzijds moest er een voorziening daarmee verbonden zijn, opdat iedere verontreiniging tijdens de tocht werd weggedaan, zodat de gemeenschap van het volk met God niet werd verbroken. Daarom wordt hier het offer van de rode vaars behandeld, afzonderlijk van de overige offers. Dit offer moest worden gebracht, als iemand verontreinigd was geworden. Maar als de beschouwing van Christus als Zondoffer en Zijn Priesterlijk werk in verband daarmee een heiligheid was die in het allerheiligste moest gebeuren, dan werd men toch verontreinigd door het bezig zijn met die zonde, zelfs als men bezig was met een zonde in een broeder, om hem daarvan te overtuigen, al was men zelf onschuldig. Ook het aanraken van een dood lichaam betekende bezoedeling door zonde. Want de zonde wordt hier gezien vanuit het gezichtspunt van verontreiniging, die een beletsel was tot de ingang in de voorhof van de tabernakel.

De rode vaars stelt Christus voor, onbevlekt door zonde, en onbelast met het juk van de zonde. Maar toch werd Hij buiten de legerplaats gebracht om als zondoffer geslacht te worden. De priester, die haar leidde, doodde haar niet, maar was wel tegenwoordig om van deze handeling getuige te zijn. Zo was de dood van Christus niet een daad van het priesterschap.
De vaars werd buiten de legerplaats geheel verbrand. Zelfs haar bloed, uitgezonderd wat zevenmaal tegenover de tent van ontmoeting was gesprenkeld; de plaats waar God het volk ontmoette. Het werd daar gesprenkeld als een getuigenis in het oog van God, dat de verzoening was tot stand gebracht. Zij konden ingaan op grond van de waarde van dat bloed.
De priester nam cederhout, hysop en scharlaken, beelden van al wat menselijk is, en wat de heerlijkheid van de mens in deze wereld uitmaakt. (“Van de ceder tot aan de hysop” is een uitdrukking, die wil zeggen: de gehele natuur. Scharlaken is een beeld van uiterlijke pracht.) Dit alles werd verbrand in het vuur, dat het zondoffer, Christus, verteerde.
God zag alle verontreinigingen in het volk, ook de geringste, ook die slechts door onachtzaamheid werd veroorzaakt. Dat is ook voor ons een ernstig feit: God voorziet in de mogelijkheid tot reiniging, maar Hij zal nooit ook maar iets in Zijn tegenwoordigheid toelaten, dat niet in overeenstemming is met Zijn heerlijkheid. Soms schijnt dit hard, in een geval dat niet te vermijden was, bijvoorbeeld bij een plotseling sterfgeval; maar het toont ons, dat God Zelf oordeelt wat geschikt is om in Zijn tegenwoordigheid te verschijnen. Een onreine kan onmogelijk in Gods tegenwoordigheid ingaan.
Voor de reiniging van een onreine deed men de as van de rode vaars in een vat, en goot daarop levend, stromend water. Daarmee werd die man op de derde en op de zevende dag besprenkeld. Dan werd hij rein. De betekenis voor ons daarvan is, dat God niet opnieuw het bloed gebruikt om de ziel te reinigen, (dat was eens en voor altijd gesprengd, toen God het volk ontmoette), maar dat de Geest van God het lijden van Christus op de ziel toepast, om ons de zekerheid te geven, dat zonde en al wat van de oude mens en de wereld is door Zijn verzoenend sterven is weggedaan.
Dat geeft ons de innerlijke overtuiging, dat ons nooit iets van zonde kan worden aangerekend. Al de onreinheid was door het offer weggedaan, waarvan de as, als bewijs dat het offer verteerd was, nu verder voor de reiniging werd gebruikt. Maar toch wordt ons hart er zich smartelijk van bewust, dat het ondanks de verlossing en de verzoening, weer door zonden verontreinigd en bezoedeld kon worden; door zonden, waarvoor Christus geleden heeft. We hebben, al was het maar voor één ogenblik, welbehagen gehad in dingen, die de oorzaak waren van Zijn lijden; we vergeten dan dit lijden voor zonden, waaraan we ons zo lichtvaardig overgeven. Dit gevoel is zelfs smartelijker dan wanneer ons onze zonden zouden worden toegerekend. Want het is de nieuwe mens in ons, die door de Geest van God kan begrijpen, hoe zeer Christus voor ons aan het kruis heeft geleden.
Het eerste gevoel, dat een verontreinigde ziel smaakt, is bitter; misschien wel juist, omdat we weten, dat ons de zonde niet wordt aangerekend, en toch overtuigd zijn, dat we zowel tegen de liefde als tegen de heiligheid van God gezondigd hebben. Maar ten slotte – en dit is waarschijnlijk de betekenis van de tweede besprenging op de zevende dag – gaat dit bittere gevoel over in een diepe blijdschap, door het bewustzijn van de liefde en van de grote genade van Jezus; en van het feit, dat we weer geheel rein zijn, door het werk van die liefde. Het eerste deel van de reiniging geeft een gevoel van afschuw, omdat we ons ervan bewust worden, dat we tegen de genade gezondigd hebben; het tweede gedeelte bevrijdt ons, door het weten dat de genade overvloediger is dan de zonde.
Daar het hier alleen over de noodzakelijke reiniging op de weg door de woestijn gaat, wordt er niet gesproken over offers, zoals bij de melaatsheid. Daar is sprake van het naderen tot God door de kracht van het verlossingswerk van Christus. Hier is sprake van het praktische, innerlijke herstel van de ziel. Hier wordt de onreine niet met bloed besprenkeld, maar met water; de Heilige Geest heeft de dood van Christus in zijn volle kracht toegepast.
Al deze bijzonderheden tonen de nauwkeurigheid, waarmee God alle onreinheden ziet en ons ervan reinigt. Ze laten ons eveneens zien, dat ieder, die met de zonden van een ander te doen heeft, al is het met het doel hem ervan te reinigen, bezoedeld is. Niet als de schuldige persoon weliswaar. Maar toch kunnen we niet met zonde in aanraking komen, zonder erdoor verontreinigd te worden.
In al deze dingen zien we weer de grootheid van Gods genade en de ontzaglijke waarde van het priesterschap.

Hoofdstuk 20

Mirjam stierf, en daarmee was haar getuigenis als profetes afgesloten. Israël in de woestijn werd als het ware oud, en de stem, die overwinningsliederen aanhief, toen het volk uit de diepte van de Rode Zee optrok, was verstild in het graf.
Bovendien was er geen water. De tocht was lang en de hulpbronnen namen niet toe. Integendeel, wat er aan blijdschap en getuigenis geweest was, stierf langzaam weg. Ze vergaderden zich tegen Mozes en tegen Aäron. En God leidde hen naar wat Hij al voor hen bereid had. In het vorig hoofdstuk zagen wij Zijn heiligheid, maar nu Zijn hulpbronnen en Zijn zegeningen.

“Neem die staf,” zei God, alsof Hij geen andere dan die ene meer kende, “en spreek tot de steenrots…zo zal zij haar water geven.” Er was niets anders te doen dan het teken van genade, (de staf als teken van het priesterschap, dat voor God bemiddelend optrad, in de genade waarmee Hij Zijn gezag had bekleed), op te heffen en het woord te spreken; en de behoeften van het volk zouden onmiddellijk worden bevredigd.
Het was niet precies die genade, die het volk van de Rode Zee tot aan Sinaï had geleid. Het was ook niet enkel gezag, dat de zonde moest straffen. Maar het was genade, die door het karakter van het priesterschap kennis had van de zonde en van de verlangens van het volk; en die enerzijds van de zonde reinigde, en anderzijds al wat verlangens bevredigde, kon aanbrengen.

Mozes nam op Gods bevel de staf in zijn hand; maar hij was verbolgen over de opstandigheid van het volk, en hij dacht alleen aan zijn eer en hun opstand. Hij begreep niet, wat God door die staf van Zijn genade wilde openbaren, en sprak onberaden: “Zullen wij voor u uit deze rots water voortbrengen?” Vroeger had hij gezegd: “Wie zijn wij, dat u tegen óns mort?” (Exodus 16:7). De opstand van het volk en de vrees voor zijn gezag hadden meer invloed op zijn gedachten dan zijn begrip van de genade van God. “Hij sloeg de rots met zijn staf.” De eerste maal dat Mozes de rots sloeg (Exodus 17:6), móést dit gebeuren: Christus moest geslagen worden, opdat het water kan vloeien ten behoeve van Zijn volk. Maar deze handeling kon niet herhaald worden.
Nu, onder het priesterschap, hoeven we alleen maar te spreken, in overeenstemming met de levende kracht van dit door God ingestelde priesterschap, en altijd zal een antwoord in genade onze verlangens bevredigen. Als we met deze staf zouden slaan, zouden, als we het zo mogen zeggen, de vruchten en de bloesems eraan vernield worden; daarvoor is de staf niet bedoeld.

Mozes heiligde God niet; hij zag God niet in het karakter, dat Hij bij de instelling van het priesterschap had aangenomen, en eerbiedigde Hem niet als zodanig. Maar God verheerlijkte Zichzelf des te meer door desondanks in genade de dorst van het volk te lessen, Mozes verheerlijkte zichzelf en werd daarom door God vernederd. Hij wist niet, dat hij de positie van gezag waarin hij gesteld was, moest loslaten, om de gedachte van de rijke, overvloedige en soevereine genade van zijn God te begrijpen. Die gedachten van genade gingen de gerechtigheid en het gezag, waaronder God Zijn volk geplaatst had, verre te boven.
God echter verzaakte Zijn arme dienstknecht niet. Hoe onbetekenend zijn wij in vergelijking met Zijn genade. Alleen de genade van het priesterschap kan zo’n volk als wij zijn tot het einde van de woestijnreis brengen. Dit is het karakter van de brief aan de Hebreeën. Volmaaktheid wat het geweten betreft, door de offerande van Christus, maar gaande door de woestijn, en dus onafgebroken afhankelijk, maar met een onfeilbaar geloof in Hem van Wie we afhankelijk zijn. Het bemiddelend karakter hiervan is priesterschap, omdat onze zonden weggedaan zijn.

Ook Israël was nu aan het einde van zijn woestijntocht gekomen. Daar ontmoette het de vijanden, die zich tegen dat einde verzetten en het volk willen beletten in te gaan in het land van de belofte, waarnaar ze al zo lang hunkerend uitzagen. Edom, vol jaloersheid, wilde de Israëlieten niet door zijn land laten trekken om de weg te bekorten. En zo wendde Israël zich van hem af.

Wij ontmoeten ook mensen die ons tegenwerken; en het is goed ons van hen af te keren, als er een uiterlijke verwantschap tussen hen en ons bestaat, ook al zijn ze bezield met een onverzoenlijke haat. We moeten dit weten te onderscheiden. God zal hen op Zijn tijd oordelen; wij moeten onze handen van hen aftrekken en hen aan Gods oordeel overlaten.
De vijanden van God moeten ook onze vijanden zijn; en als ze hun macht vertonen, is dat de oorlog van de Heer (Exodus 17:16).

Maar in Edom zien we mensen die, hoewel naar het vlees, oorspronkelijk met de bronnen van de belofte in verbinding stonden, hoewel ze ook nu door het vlees gekarakteriseerd worden. Deze moeten we aan God overlaten; het ligt niet aan ons hen te oordelen, maar aan God.
De oorlog wordt dus vermeden; de strijd scheen niet gewettigd voor het volk.
Toen stierf Aäron en nam de dienst een ander karakter aan 15.

Hoofdstuk 21

Het ging er nu niet meer om, het volk met geduld door de woestijn te leiden, waar het vlees zich openbaart. Hier vertoonden zich de vijanden en de moeilijkheden, die niet met beleid en geduld konden worden opgelost. De Israëlieten moesten met de Kanaänieten in het zuiden strijden. Ze waren weliswaar nog niet in het land, maar de koning van de Kanaänieten wist welke weg zij zouden nemen, door de verspieders. Dit was nog steeds een gevolg van hun gebrek aan geloof en vertrouwen. Hoe weinig winnen we door de voorzichtigheid van het ongeloof! Het geeft de vijand gelegenheid zijn macht te tonen en ons aan te vallen.

Hoewel het aanvankelijk scheen, dat deze vijanden de overhand zouden verkrijgen als Israël zich liet aanvallen, leverde God hen aan Israël over, zodra het volk bereid was en zich opmaakte om hen volkomen te verdelgen. Laten wij dit in ons eigen leven ook altijd bedenken!

Maar het volk, vermoeid als het was, murmureerde opnieuw; want de weg was inderdaad lang. Ze moesten de Kanaänieten bestrijden, zonder nog het land te bezitten. Het gold de kracht van de vijand te vernietigen, zonder echter zelf winst te behalen. Ze moesten de macht van het kwade leren weerstaan en overwinnen; en dit alleen voor de zaak en tot eer van God. Toen ze weer begonnen te murmureren, deed God hen de totale macht van de vijand, de oude slang, gevoelen. Christus, voor ons tot zonde gemaakt, is het enige volmaakte afdoende geneesmiddel. Alleen al het zien van dit wonder brengt genezing, want de werkzaamheid ligt in de zaak zelf voor God. We moeten door het geloof slechts op Hem zien.

Hier gaat het niet om de leiding van het volk, maar om aan het oordeel van God te beantwoorden, hetzij als eindoordeel, hetzij als kastijding en aan de macht van de vijand die tegen ons is in tegenwoordigheid van het oordeel; zelfs als gevolg van het oordeel. In zo’n zaak gaat het tussen God en onze ziel. Het is een kwestie van dood, of eenvoudig van de dood van de Heere Jezus. En we moeten ons aan dat oordeel en aan Gods rechtvaardigheid onderwerpen, daar we in een ongeneeslijke toestand verkeren. We moeten doen, wat Hij ons voorschrijft als enig geneesmiddel: opzien tot Jezus Christus, voor ons aan het kruis verhoogd.

Israël trok verder, maar was nog steeds niet in het land. God verlichtte in Zijn genade hun last en verkwikte hen, zonder dat ze murmureerden. Hij verzamelde het volk, en Israël kon, dicht bij het land, van de bronnen genieten, die daar in de woestijn gevonden werden. Ze konden zingen: “Spring op, put!” Er hoefde geen rots meer te worden geslagen; er was geen reden tot ontevredenheid meer, zo dicht bij het land. Het ging nu niet meer om hun leven; maar om de redding van de dodelijke wond van de slang. Ze genazen, en trokken in blijdschap verder met lofliederen op hun lippen. Ze groeven putten, – hun werkzaamheid ontplooide zich onder de genade van God – en het water welde op uit de wildernis. (De Heilige Geest en het Woord.)

Toen ontmoetten ze volkeren, die ze niet wilden bestrijden; maar die hen niet in vrede wilden laten voorbijtrekken. Zo ook moeten wij allen strijd voeren met de bezitters van onze erfenis aan de overzijde van de Jordaan. Als we echter door anderen aangevallen worden, moeten we strijden, maar we mogen zelf geen aanvallers zijn.

Israël wilde in vrede door het land van de Amorieten trekken, maar deze wilden het niet toestaan. Nu moesten ze de gevolgen van de oorlog, die ze tegen het volk van God uitlokten, ondergaan. Israël nam hun steden in, en begon al aan deze zijde van de Jordaan als bij voorbaat de vervulling van de beloften te verwezenlijken.

Hoofdstuk 22-24

Ook de Moabieten verzetten zich tevergeefs. Israël legert nu in de vlakke velden van Moab. Niets dan de Jordaan is tussen het volk en het land van zijn rust. Maar hadden zij het recht om in te gaan? Als de vijand zich niet met geweld tegen het volk kan verzetten, dan zal hij het langs een andere weg proberen, namelijk door het volk onder de vloek te brengen, die het inderdaad wel verdiend had.
Balak zendt boden tot Bileam. De grote vraag bij dit zo aangrijpend tafereel is deze: kan Satan in zijn plannen slagen door het volk van God te vervloeken, zodat het belet wordt het land van de belofte binnen te gaan? 16. Het gaat hier niet eenvoudig om de verlossing aan het begin van de reis van Israël en om de blijdschap, die er het gevolg van is. Maar om het einde van de reis, als alle ontrouw van het volk geopenbaard is geworden; hun ontrouw zelfs nadat de Heer het volk tot Zich gebracht had. Zal Satan toch succes hebben? Nee!

Hoewel Mozes in diezelfde vlakke velden van Moab, met betrekking tot de houding van het volk tegenover God, moet zeggen: “U bent een verdorven en weerspannig volk geweest, van de dag af dat ik u gekend heb” (en, inderdaad, ze waren buitengewoon weerspannig geweest – een hardnekkiger volk bestond er niet. Weten we dit niet?) zegt God, door de mond van Bileam, de onvrijwillige getuige van de waarheid: “Hij aanschouwt geen onrecht in Jakob; ook ziet Hij geen kwaad in Israël aan” (Numeri 23:21). Welk een getuigenis! Welk een wondere genade! Welk een volmaaktheid in de wegen van God! God ziet scherp. Hij vergist Zich niet. Hij zegt de waarheid naar de volmaaktheid van Zijn oneindig inzicht. En dit is het juist: omdat dit inzicht oneindig is, kan Hij geen ongerechtigheid in het verloste volk zien. Hoe zou Hij dat kunnen in hen, die gewassen zijn in het bloed van het Lam? Hij zou het ook niet willen zien.
In Zijn eigen omgang met het volk, ziet God alles; Hij zal van alles kennis nemen. Maar als het gaat om de beschuldiger, dan wordt het een kwestie van gerechtigheid. God ziet alleen dit: dat, naar de raadsbesluiten van Zijn genade, Hij een losgeld gegeven heeft en dat de zonden van Zijn volk verzoend zijn geworden. In rechterlijk oordeel kon Hij deze zonden niet zien. De mond van de aanklager is dan verplicht te zeggen, dat er geen zonden zijn en dat er ook geen kracht is van de vijand tegen Jakob.

En de oorzaak daarvan wordt duidelijk genoemd: “Er wordt in deze tijd over Jakob gezegd, en over Israël, wat God gedaan heeft.” Dat wordt niet van God gezegd, maar van Israël; en er wordt niet gezegd, wat Israël gedaan heeft, maar wat God gewerkt heeft. Israël had de verheven plaats, maar het werk, de daad, was van God. Dit is alles zeer volmaakt.
Het is voor ons een grote geruststelling, dat God handelt en oordeelt volgens Zijn eigen gedachten. Van het begin tot het einde heeft Hij deze eigen gedachten over ons. Hij heeft alles gedaan wat nodig was, om Zijn wegen met de eisen van Zijn eeuwige rechtvaardigheid in overeenstemming te brengen; maar Zijn gedachten over ons heeft Hij behouden en behandelt ons daarnaar. En op deze gedachten van Hem kan ons geloof bouwen; daaruit vloeien onze vreugde en onze vrede voort.

De tegenwoordigheid van God in het midden van een aangenomen volk, aan wie Hij een nieuwe natuur gegeven heeft, en Zijn oordeel over alles verzekert in praktische zin Zijn heiligheid, die onafscheidbaar met Hem is verbonden. Hij oordeelt onmiddellijk, als iemand in deze heiligheid tekortschiet, om de eer van Zijn naam hoog te houden. Maar hier handelt en oordeelt Hij naar Zijn gedachten van vrede over ons, ondanks alles wat er praktisch is.

Bileam was een droevig figuur. Van verre sloeg hij gedwongen de zegen van God over Zijn volk gade; en toch dichterbij gekomen, en gedreven door eigen wil en eigen gedachten, zag hij niets anders dan de dwaalweg, waarop hij hen wilde leiden, ten einde zo mogelijk die zegen te verbeuren. Hij redeneerde bij zichzelf, dat de rechtvaardige God een volk, dat zondigde, onmogelijk kon zegenen. Eigenlijk kan men zich geen bozer ongerechtigheid dan die van Bileam indenken.
Balak zond boodschappers naar Bileam. Deze wenste Jahweh te raadplegen; misschien uit een soort instinctieve angst, misschien om tegenover zijn omgeving de gewichtige naam van Jahweh aan zijn handelingen te verbinden.
God echter voorkwam Bileam en nam de zaak in handen. Hij zocht Bileam op en legde in weerwil van hemzelf beslag op zijn onrechtvaardige geest. Want Bileam kende God niet en begreep niets van Zijn gedachten. God zei tot hem: “U mag niet met hen meegaan, u mag dat volk niet vervloeken, want het is gezegend.” (22:12). En Bileam antwoordde de boodschappers: “De HEERE weigert mij toe te laten met u mee te gaan.” Hij zou graag zijn meegegaan, hij zou graag de beloning van Balak hebben ontvangen, maar hij is bang voor God. Hij dacht verder niet over de zegen van Israël na; hij begreep niets van deze genade; hij was ongevoelig voor de betekenis daarvan voor het volk, en de blijdschap daarvan voor God Zelf.

Toen de verleiding opnieuw terugkeerde, zei hij dan ook, dat hij het bevel van de Heer niet kon overtreden. Hij deed zich vroom voor en inderdaad, het was ook niet zonder ernst en oprechtheid, dat hij dit zei, want Gods hand rustte op hem en Hij liet dit alles toe. Tegelijk echter overreedde Bileam de boodschappers nog wat te blijven om te zien, wat God verder zeggen zou. Wat verwachtte hij nog van God te vernemen over een uitnodiging het volk Israël te vervloeken, terwijl hij wist, dat het door God gezegend was? Hij was onverschillig voor de gevoelens en gedachten van Gods hart, ja voor God Zelf; hij werd alleen beheerst door angst voor de gevolgen. Anders zou hij verblijd zijn geweest over de zegen voor Israël en zou hij voor het vloeken van wat God gezegend had zijn teruggedeinsd.
God echter wilde Zich van Bileam bedienen, om een heerlijk getuigenis over Zijn volk te geven; en tegelijkertijd om daardoor zijn eigen kromme wegen te veroordelen. God toonde hem zijn verkeerdheid en zijn dwaasheid, om dommer te zijn dan de ezel waarop hij reed; maar toch liet Hij Bileam zijn gang gaan.
Deze ontmoeting met de engel op de weg diende, om Bileam door vrees te dwingen, getrouw en nauwkeurig datgene te zeggen, wat God hem in de mond zou leggen. Bileam ging met toverijen om (24:1), en mengde deze met het gebruik van de naam van Jahweh dooreen. Hij was op deze wijze een instrument van satan onder de dekmantel van de naam van Jahweh. Afschuwelijk! Zo ging hij van huis, en kwam op de weg de Engel van de Heer tegen. Deze verhinderde hem ook maar enige macht van de vijand tegen Israël aan te wenden, en veroorzaakte Bileam alleen dat uit te spreken, wat Hij wenste dat gezegd zou worden.

Bileam keek vanaf de hoogte op Israël neer en sprak zijn profetie in vier gedeelten uit. Israël was het onderwerp daarvan; maar in beginsel geldt deze profetie ook voor de gemeente.
Het eerste gedeelte spreekt over de afzondering van het volk van de wereld. “Dat volk woont afgezonderd.” (23:9) voor God afgezonderd, “onder de heidenvolken rekent het zich niet.”

Het tweede gedeelte verklaart dat de Heere een God is, Die Zijn daden niet berouwt. God had het volk gezegend; zal Hij die zegen niet bevestigen? Het volk was gerechtvaardigd en zonder zonde in de ogen van God. Hij was het, Die hen uit Egypte had uitgeleid. Dit volk had de kracht van een “eenhoorn”; en de vijand, die Bileam voor zijn toverij en waarzeggerij had gezocht, vermocht niets tegen hen.
In het derde gedeelte zien we de schoonheid en een frisheid van het volk, waarvan de bronnen nooit zullen opdrogen. En hun kracht. Alles, wat de Heilige Geest ook geeft aan de gemeente. Bileam, die eindelijk inzag, dat het God ernst was het volk te zegenen, ging niet langer meer tot de toverijen en zo kon de Geest van God over hem komen. Waar de rechtvaardiging van het volk uitgesproken is kan nu het volle getuigenis over Israël worden gegeven en bleef het niet meer tot Gods plannen en gedachten over hen beperkt. Bileam zag nu het volk in overeenstemming met de gedachten van de Geest van God zoals het volk in de gedachten van God Zelf een plaats innam. Zijn ogen waren nu open. En bedenk dat hij het volk nog niet in Kanaän, in zijn vaste woonplaats zag, maar hij keek in de richting van de woestijn, waar Israël in zijn tenten woonde. Daar ziet de Geest hen en spreekt dan over de schoonheid en de orde van het volk in de ogen van God. Het kostelijke water van Gods verkwikking was hen altijd nabij; zij waren als bomen, die de Heer geplant had; daarom zouden ze groot zijn onder de volkeren, en een bron van kracht en van vreugde. Zij dronken van de bronnen van God en schonken ook anderen van hun overvloed. God had hen uit Egypte geleid; zij waren het werk van God, en God zou met hen gaan tegen hun vijanden.

Het vierde gedeelte spreekt over de komst van Christus, de ster van Jakob, de kroon van alle heerlijkheid voor het volk. Voor Israël zal de Heer in oordeel komen. Voor ons zal Hij komen, om ons tot Zich te nemen om in te gaan in Zijn vreugde, tot de bruiloft van het Lam.

Resumerend zien we dus: de afzondering van het volk van de wereld; zijn rechtvaardiging; zijn orde; zijn schoonheid, als geplant door God dicht bij de eeuwige bronnen van de rivier van God en dan de komst van Christus. De profetie bezit alle schoonheid. Merk ook op, dat deze profetieën als een antwoord op elke poging het volk te vervloeken, beslist geen herhalingen zijn. Elk van die pogingen brengt iets meer tevoorschijn, van wat God in Zijn hart had voorbereid als zegen voor Zijn volk. Het is belangrijk genoeg om op te merken, hoe Balak gebruik maakt van alle menselijke hulpmiddelen en van het bijgeloof om een vervloeking over Israël te veroorzaken. Hij had geen enkel begrip van God, en het was juist God, met Wie hij te doen had.

Het is voor ons soms zeer leerzaam de gemeente van God in de woestijn “vanaf de hoogte” te beschouwen, zoals God haar in de schoonheid van Zijn gedachten ziet, als een kostbare parel. In de legerplaats zelf horen we morren en klagen; zien we onverschilligheid en vleselijke begeerten. Maar van boven af gezien is de gemeente voor degene, wiens ogen voor Gods visie op haar geopend zijn, een kostbaarheid. “Ik ben met u ten einde raad”, zegt Paulus in Galaten 4:20 tot de gemeente, maar onmiddellijk daarop: “Ik vertrouw van u in [de] Heer, dat……” (Galaten 5:10). We moeten ons hart tot Hem opheffen, dan zullen we beter begrijpen en ook deelachtig worden de gedachten van genade van Hem, Die de schoonheid van Zijn volk, Zijn gemeente door alles heen ziet. Doen we dit niet, dan zullen we volkomen ontmoedigd en verslagen worden, of ons bij het kwade in de toestand van de gemeente gaan neerleggen. Maar door deze visie van God op Zijn gemeente worden we bemoedigd en onuitsprekelijk gelukkig.

Ten slotte spreekt Bileam het oordeel over de schepen van de Chittieten uit, dat is van de volken ten westen en ten noorden van de Middellandse Zee; en het oordeel over hun aanvoerder, als hij Assur en Heber geteisterd zal hebben. Dat zal het verschrikkelijke oordeel van God zijn aan het einde van deze eeuw (bedeling).

Aan het einde van een bedeling, die gegrond is op een zekere mate van Godskennis, als het levende geloof verloren is, maar aan een soort van belijdenis wordt vastgehouden, verkrijgt dit getuigenis een naam en bekendheid, waarop de mensen zich laten voorstaan, zoals nu op de naam van het Christendom. Satan maakt daarvan gebruik: men zoekt bij hem kracht. Men zoekt toverij en waarzeggerij, omdat men de eigen lusten wil bevredigen, terwijl men toch voorwendt de naam van God te eren. En zo wordt de heilige naam van God gekoppeld aan het werk van de duivel. Tot op zeker punt wordt God erkend: Hij wordt gevreesd, Hij zou tussenbeide kunnen komen. Maar het systeem is duivels, al wordt het onder de naam van de Heer gebracht, waarbij Hij ten dele wordt erkend als Heer, en uit angst wordt erkend als oorzaak van vrees. De kinderen van God worden te midden van dit kwaad bewaard, maar het is een ernstige gedachte, dat dit de waarheid is over het christelijke kerksysteem.

Hoofdstuk 25

Toen ten slotte de ongelukkige Bileam, van wie het hart in de slavernij van de zonde gevangen zat, inzag, dat hij het volk van God ondanks de macht van satan niet kon vervloeken, zocht hij de zegen af te wenden door het volk tot zonde en afgoderij te verleiden. Helaas slaagde hij daarin maar al te zeer en moest God Zijn volk opnieuw kastijden.
Terwijl het volk zich verootmoedigde, steeg in Pinehas, de kleinzoon van Aäron, door de ontzaglijke omvang van het kwaad de verontwaardiging daarover op. Met een doortastendheid, door de omstandigheden vereist, kon hij de plaag doen ophouden en verwierf daardoor van God voor zijn nageslacht het eeuwige priesterschap.

Hoofdstuk 26

Nu de woestijnreis aan zijn einde was gekomen, telde God zijn volk opnieuw en noemde Hij hen bij name, als de erfgenamen, die gereed staan hun erfenis in bezit te nemen. Hij had Zijn volk door alles heen bewaard, en hun nu tot aan de grens van Kanaän gebracht; zelfs hun kleding was niet versleten.

God regelde nu de bijzonderheden van de erfenis en wees een nieuwe leidsman aan in de plaats van Mozes, om het volk het land te doen binnengaan. Hoofdstuk 26 geeft ons de telling.

Hoofdstuk 27

Dit hoofdstuk geeft ons nadere bijzonderheden over de volgorde, waarin de Israëlieten het land zouden beërven. Mozes genoot nog het voorrecht, het beloofde land te mogen zien. En het volk werd onder leiding van Jozua geplaatst. Mozes en Aäron hadden het door de woestijn geleid, maar hier begint iets nieuws, en Jozua (wat de vergadering betreft) het type van Christus in de kracht van de Heilige Geest, wordt aangewezen om het land te veroveren. Toch was Jozua in zijn optrekken afhankelijk van het priesterschap; evenals de tegenwoordigheid en de werking van de Heilige Geest afhankelijk zijn van de tegenwoordigheid van Christus in de heilige plaats.

Hoofdstuk 28-29

In deze hoofdstukken lezen we over de eredienst van het volk en de offers die Gods voedsel zijn. Hier wordt niet gewezen op de wegen van God met Zijn volk, en het vergaderd worden van het volk rondom Hemzelf als in Leviticus 23. Het gaat hier over de offers zelf als aan God geofferd en in het bijzonder over die, waarvan God zegt: “Mijn voedsel voor Mijn vuuroffers, voor Mij een aangename geur”; niet om de bijkomstige offeranden.
Voor de regelmatige, dagelijkse dienst waren lammeren nodig: één voor het morgenoffer, één voor het avondoffer, en twee voor de sabbat. Verder nog jonge varren, rammen en bokken voor de feesten.
Het lam is de voortdurende voorstelling van de waarde van Christus, en zo ook van de gelovigen in Hem, het ware Lam van God. De liefelijke geur van Zijn offer steeg voortdurend op, dag en nacht. En als de ware sabbat gekomen zal zijn, zal deze liefelijke geur in dubbele mate opstijgen; dan zullen de vruchten van de arbeid van Zijn ziel in vollere mate worden aanschouwd.

De varren schijnen een beeld te zijn van de kracht van de toewijding van de offeraar, in hun waardering van het offer. Een var was wel het grootste offer dat men kon aanbieden. Maar het verwees naar het offer van Christus, en de waarde die men daaraan hechtte.
De ram is altijd het offer van de toewijding en de afzondering; of het offer voor het herstel, als men deze afzondering verlaten had.
Wat het aantal offerdieren betreft, zo waren er gewoonlijk 2 varren, 1 ram, en 7 lammeren; bovendien een var en een ram extra op de eerste dag van de zevende maand (29:2); en 1 var, 1 ram en 7 lammeren op de tiende dag van die maand; en een afnemend aantal varren op het Loofhuttenfeest.

Alles samen vormt een beeld van de eredienst van de gelovigen op aarde.
Zo is het eerste feest – in het nieuwe verbond, als God nieuw licht op Zijn getuigenis laat schijnen – het antwoord van de mens op Gods genade, eenvoudig maar volkomen: twee jonge varren, dat is het getuigenis van de volkomen toewijding van de mens aan God. Het getal 2 is het beeld van een geldig getuigenis. De ram van de afzondering is een beeld van de waardering van het volkomen geopenbaarde offer van Christus. Daar de mens nog steeds op aarde is, dus de zonde haar rol nog speelt, wordt de bok als zondoffer toegevoegd. Als de eredienst van het volk in verband staat met de opstanding van Christus (28:17), is zij op gelijke wijze ingericht. En evenzo in verband met de werking van de Heilige Geest in de vergadering (vers 26). De uitoefening van kracht van Gods zijde geeft de gelegenheid tot de eredienst, het antwoord van de zijde van het volk was hetzelfde.
De eerste dag van de zevende maand had betrekking op de tweede roeping van Israël, wat dus iets speciaals was. Dit zal een vernieuwing zijn in overeenstemming met de waarde van het werk van Christus, en van de verbinding van God met de aarde en in het bijzonder met Israël.

Daarom werd, naast de gewone erkenning van genade op de eerste dag van de maand, een var, een ram en zeven lammeren geofferd. Naast het dagelijkse antwoord op het werk van Christus volgde bovendien nog een extra getuigenis van het herstel van Israël op aarde. Zo zal het ook zijn in de toekomst op de grote verzoendag, als Israël zijn Heer zal erkennen en in genade zal worden hersteld.

Het algemene en volledige getuigenis, als de opstanding van Christus en de kracht van de Heilige Geest toestaat dat ook de heidenen onder de genade van God komen, dus uitgebreid tot een volmaakt getuigenis van de verhouding tussen God en de mens in het algemeen – bewerkt bij de mens een antwoord van deze aarde als in de offers gezien wordt. Het goede, dat God heeft gedaan, en de relaties, die op grond daarvan door God zijn gelegd, worden daarin volkomen door de mens erkend en aanvaard. We behoren Hem toe als de liefelijke geur van Christus; hetzij in onze toewijding, hetzij in de innerlijke waardering van het offer van Christus. De zalving van de Geest en de ware blijdschap zijn daarmee onlosmakelijk verbonden.

Het offeren gebeurde op alle zeven dagen van het feest; een beeld van de volkomenheid van dit antwoord van de mens aan Gods goedheid en genade.
Op het feest van de eerste dag van de zevende maand werd er dus één var toegevoegd aan de gewone offers, als getuigenis van een speciaal werk met een eigen betekenis (hoewel nog slechts ten dele). Maar het algemene getuigenis van de waarde van Christus’ werk, waarvan het afhankelijk was, bleef ten volle gehandhaafd.
Ditzelfde beginsel vinden we ook op de 10e dag van de 7e maand. Het is de toepassing van het verzoenend werk van Christus op Israël op aarde. Maar het was eenvoudig de aanvaarding van de waarde van Christus’ offer voor God. Het beginsel van de afzondering en van de wezenlijke waarde van het offer blijven hetzelfde.
Het Loofhuttenfeest bracht een geheel andere, nieuwe gedachtengang naar voren, namelijk de toekomstige bedeling.

Er werden 13 varren geofferd, een beeld van “bijna” volkomenheid in de offers, die met blijdschap en uit vrije wil werden gebracht. In het duizendjarig rijk, als satan gebonden zal zijn en overal op aarde de zegen van Christus’ regering gevoeld zal worden, zal er op aarde een vreugde en een dank door en in de eredienst geuit worden, die bijna volmaakt is, ten minste uiterlijk.

De twee rammen beelden de uitermate grote toewijding uit. En wellicht ook het samengaan van Israël en de volkeren. Niet als één lichaam, maar als twee gelijkwaardige maar onderscheiden getuigen op aarde, van deze afzondering voor God.
De 14 lammeren waren het volkomen getuigenis op aarde van de volmaaktheid van het werk van Christus, en de waarde daarvan zowel voor Israël als voor de volkeren. Het gaat hier om de openbaring van de gevolgen van dit werk op aarde, dat alleen door het geloof kan worden verstaan.

Er valt echter een afnemen van deze toewijding van blijdschap en getuigenis voor God waar te nemen. Zij blijft weliswaar volkomen, maar haar volheid houdt langzamerhand op zich zo te openbaren als in het begin. Ze blijft echter, daar ze door God is ingesteld, volkomen (vers 32). En dit werd openbaar op de zevende dag, als het zuiver aardse aspect van de dienst werd afgesloten.
Op de achtste dag werd slechts één var, één ram en zeven lammeren geofferd, als tegenbeeld van de offers op de grote verzoendag en op de eerste dag van de zevende maand. Door deze laatsten werd alleen Israël aangeduid als teruggebracht tot God; maar de achtste dag duidde op wat buiten aardse volkomenheid stond, op het hemels volk, voor God afgezonderd.
Het komt me voor, dat dit de algemene gedachte is van wat de Geest van God ons in dit gedeelte geeft.

Hoofdstuk 30

Hoofdstuk 30 spreekt over de geloften van de vrouw, een beeld van de geloften van Israël tegenover God, die Hij in Zijn regering nooit heeft tenietgedaan. Israël is nog steeds verantwoordelijk voor de geloften, waarmee het zich aan God heeft verbonden. Daarvan heeft onze geliefde Heiland alle last moeten dragen.

Hoofdstuk 31

Soms breken er oorlogen uit in de woestijn, hoewel zij geen kenmerken van het woestijnleven zijn. Namelijk dan, als we vallen in de strikken, die de vijand ons heeft gespannen. In de hemelse gewesten zijn er wel steeds conflicten over het genot van de beloofde hemelse zegeningen. Maar in de woestijn wordt het geduld (lijdzaamheid) geoefend.
Ingeval wij echter in dit woestijnleven in strijd geraken, doordat we in afgoderij vervallen, of overspel bedrijven met de wereld door ons door haar genoegens te laten verleiden, of als we op een andere wijze vriendschap met de wereld gesloten hebben – hebben we door onze strijd niet eens de kans op geestelijk gebied ook maar enig voordeel te behalen. God is alleen genoodzaakt, onze relaties met de wereld een totale verandering te doen ondergaan. Als we geen vriendschap met de wereld gesloten hadden, zouden we niet in moeilijkheden zijn geraakt. Maar nu de wereld ons bedriegt, moeten we haar wel vijandig worden. Onze normale positie is, met de wereld in geen enkele betrekking te staan. Dan zijn we veilig en kan onze vrede niet worden verstoord.

Hoe dikwijls gebeurt het, dat we als vijanden tegenover de wereld komen te staan, omdat we vriendschappelijke relaties met haar hebben onderhouden, en ze waren een valstrik voor ons. Niettemin geeft God ons een volkomen overwinning, zodra we de wereld als vijandig gaan beschouwen. Alleen moet alles, wat ons verleidde, totaal vernietigd worden. Er mag niets en niemand worden gespaard; er mag geen sprake zijn van enig compromis.
De Heer zorgde ervoor, dat elke Israëliet aan de blijdschap van de overwinning kon deelhebben. Hij kiest, naar Zijn eigen wil, diegenen uit, die tot de strijd zullen optrekken en eert hen. Maar Hij wil ook op hun beurt hen eren, die naar Zijn soevereine wil achtergelaten werden, en die op de hun aangewezen plaats getrouw hun – wellicht minder zware – taak naar Zijn wil hebben vervuld.
Ook God Zelf geniet van de buit in het deel, dat de priesters en de Levieten krijgen.

Hoofdstuk 32

Het is door de onvermijdelijke oorlogen van Gods volk tegen diegenen, die hun opmars trachtten te verhinderen, dat het volk ook buiten Kanaän (aan deze zijde van de Jordaan, de rivier van de dood, de grens tussen de woestijn en het beloofde land), een goed land en tot op zekere hoogte rust daarin heeft verkregen.
Als we hier op aarde bezittingen hebben, waaraan ons hart hangt, zo zijn we verknocht aan de zegeningen, die we aan deze zijde van de Jordaan verkregen hebben, zoals het volk Israël aan deze zijde van de Jordaan een zekere mate van rust verkregen had. Ze zeiden: “Laat ons niet de Jordaan oversteken.” Mozes voelde direct de draagwijdte van hun verlangen. Hoewel hij persoonlijk naar Gods regering het land van belofte niet kon binnengaan, ging toch zijn gehele hart naar dat land uit. Maar hoe was het met het volk? Zou het nu wéér niet willen binnengaan? Hij herinnerde hen aan het gebeurde te Kades-Barnea veertig jaar geleden, en wees Ruben en Gad ernstig terecht.
Maar toen deze stammen aanboden om mee te strijden, totdat het gehele land veroverd zou zijn, stond hij hun verzoek toe en wees hij de stammen van Ruben en Gad en de halve stam van Manasse hun gedeelten aan in het land Gilead. De geschiedenis van het Oude Testament leert ons echter, dat deze stammen de eersten waren, die lijden moesten en in de handen van de heidense volkeren vielen. “Weet u niet,” zei Achab, “dat Ramoth in Gilead van ons is en dat de Syriërs het bezitten?”
Gelukkig zijn zij, die geduldig op Gods zegeningen wachten, totdat ze over de Jordaan zullen zijn getrokken. En die zich ondertussen liever in geduld oefenen dan zich de zegeningen aan deze zijde van de Jordaan toe te eigenen. Ofschoon deze zegeningen gaven van de voorzienige leiding van God zijn, zo zijn ze toch minder zeker, minder vast. En hoewel geestelijke zegeningen zeer reëel kunnen zijn, toch leiden ze de hoop van de gelovigen af van het einddoel, als ze de wereld zien als de plaats waar deze zegeningen zijn. God heeft de Jordaan in Zijn genadig raadsbesluit als de grensrivier vastgesteld; en geen andere.

Hoofdstuk 33

Als God Zijn volk telt en bij name noemt, openbaart Hij tegelijk Zijn regering en Zijn trouw. Hij had hen bewaard als volk, maar door eigen schuld was er niet één van de eerste telling overgebleven, dan alleen Kaleb en Jozua.
Hij herinnerde hen nu aan hun lange reis door de woestijn; iedere pleisterplaats stond Hem voor ogen.
Daarna legde Hij in beginsel hun het bezit van het land voor, en bond hen op het hart, toch alle bewoners van het land te vernietigen en weg te drijven, zodat er niet één in hun midden zou overblijven; anders zouden ze hun tot “doornen” en “prikkelen” worden en God zou aan Israël moeten doen, wat Hij nu aan deze volkeren had gedaan.
Het is een gevaarlijke menslievendheid, de vijanden van God te sparen. Het is eigenlijk een door ongeloof sparen van zichzelf in de strijd met deze vijanden. Het leidt maar al te dikwijls tot een verbinding met hen, en daarna tot het oordeel, dat op de vijanden van God rust, en dat men dan ook zelf verdient.

Hoofdstuk 34

God zorgde in alle opzichten voor Zijn volk. Hij stelde de grenzen van het land, dat ieder zou bezitten, vast. Hij regelde de wijze, waarop de verdeling zou plaatsvinden.

Hoofdstuk 35

God bepaalde ook in welke steden de Levieten, Zijn dienstknechten, die geen bepaald erfdeel kregen, zouden wonen. Zes van die steden zouden toevluchtsoorden zijn voor hen, die zonder opzet een moord hadden begaan; een heerlijk beeld van Gods handelwijze met Israël, dat in onwetendheid Christus heeft gedood. God verklaart hen in deze zin voor onschuldig. Ze zijn schuldig aan het bloed, welke last ze niet kunnen dragen maar door onwetendheid; evenals ook Saulus, die als een ontijdig geborene (1 Korinthe 15:8), een treffend voorbeeld van deze positie is.
Zo’n doodslager moest echter buiten het bezit van zijn eigendommen blijven, zolang de hogepriester van die dagen leefde.

Zo zal het ook met Israël zijn. Zolang Christus boven bij de Vader Zijn priesterschap uitoefent, zolang zal Israël buiten zijn bezittingen blijven. Maar God zal hen beschermen. Hij gebruikt Zijn dienstknechten, die hier geen erfdeel gekregen hebben, om Israël als toevluchtsoorden te dienen. Zij begrijpen de toestand van Israël uit de Schrift, en erkennen hen als staande onder de bescherming van God. Zodra Christus’ priesterschap, zoals het nu is in de hemel, zal eindigen, zal Israël naar zijn bezitting terugkeren. Als zij dit vóór die tijd zullen doen, zal het zijn, alsof het vergieten van het bloed van Christus iets gerings is, en het land zal door dat bloed worden verontreinigd. Het priesterschap van Christus is nu een getuigenis, dat Israël nog steeds verworpen is, omdat het Christus in zijn midden heeft gekruisigd.

Hoofdstuk 36

God handhaaft de erfenis, zoals Hij haar had vastgesteld.
Dit laatste gedeelte van het boek spreekt dan ook niet meer van de tocht door de woestijn, maar van de betrekking, die er bestaat tussen die woestijntocht en het bezit van de beloften en de rust, die daarop volgt.

Het was in de vlakke velden van Moab dat Mozes een trouw maar droevig getuigenis moest geven over het verkeerde gedrag van het volk. Maar daar was het ook dat God Zijn volk rechtvaardigde en Zijn genadige raadsbesluiten openbaarde door zich aan hun zijde te stellen tegenover de vijand, zonder dat het volk het zelf wist. Hij ging voort Zijn plannen van genade en Zijn vast voornemen Zijn volk in het door Hem beloofde land te doen wonen, uit te voeren. Gezegend zij Zijn Naam! Hoe gelukkig zijn wij, als we Zijn wegen met ons mogen onderzoeken en bestuderen!

EINDE NUMERI

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Ik spreek hier steeds van de gemeente, als in de leden persoonlijk gezien, om de groepen van personen aan te geven.

2 Ik zeg “de wandel van de gelovige”, het toepassende op onze gewetens. Maar de uitdrukking is onvolkomen, want het schijnt me toe, dat het onderwerp het leven van Christus Zelf op de aarde omvat, en zelfs in zekere opzichten Zijn leven in de tijd die nog komt, maar dan toch altijd op de aarde. Deze beelden laten ons de betrekking zien, die bestaat tussen de openbaring van het leven hier beneden (de vormen en de karakters, die het aanneemt) en de bronnen van het leven in de openbaring van God in Christus; een onderwerp dat van het hoogste belang is. De dassenvellen en de omstandigheden, waarmee dit boek zich bezighoudt, vooronderstellen altijd dat de wandel in de woestijn is. Alleen dan, als men deze omstandigheden buiten beschouwing laat, kan men de openbaring van de toekomende dingen zien. Zó zag het geloof van de moordenaar op het kruis bijvoorbeeld in de lijdende Christus, de Koning, hoewel alle koninklijke heerlijkheid verborgen was. Daarom had ik geen vrees hierop te zinspelen. Ik heb alleen maar naar voren willen brengen, wat het type voorstelt, zonder alle gevolgen ervan nader te ontwikkelen.

3 Deze gedachte kwam bij me op bij het bestuderen van alle Schriftplaatsen waar “scharlaken” genoemd wordt. Saul tooide de meisjes van Israël met scharlaken en andere kostbaarheden. Babylon is bekleed met scharlaken. De kleur van het beest is scharlaken. Het scharlaken werd in het vuur geworpen tijdens de reiniging van de melaatse en van hem die door een dode verontreinigd was. Het scharlaken is een prachtige kleur.

4 Het vergelijken van de Psalm 19-22 is in dit verband van groot belang. Psalm 19 bevat de getuigenissen van de schepping en van de wet. Psalm 20 stelt de lijdende Messias voor, een lijden, dat naar buiten openbaar wordt, zodat de mens voor Hem belangstelling kan tonen. Psalm 21 stelt de verheerlijkte Messias voor, dus de wraak, die Zijn vijanden – die Hem hadden verworpen – treft. Psalm 22 toont ons Zijn lijden, als Hij door God Zelf verlaten is. Hier kan alleen Christus spreken, terwijl in de Psalm 20-21 het Joodse overblijfsel spreekt van Zijn uiterlijk lijden. Met betrekking tot het lijden, dat voortkomt uit Zijn door God verlaten zijn, is er geen wraak, maar uitsluitend zegening, want dit was de verzoening. Deze zegening wordt door de mond van de Heiland aangekondigd en Hij Zelf beantwoordt hieraan door het lofgezang in het midden van de Gemeente. Ze strekt zich, gedurende het Duizendjarig Rijk, tot aan de einden van de aarde uit.

5 Het wasvat bevond zich niet onder de voorwerpen, waarop deze voorschriften betrekking hadden. De reden voor deze weglating volgt uit de uiteenzetting, die we zo-even van deze beelden gegeven hebben en wordt erdoor bevestigd. Het wasvat stelt geen openbaring van God voor, waarvan de krachtdadige werking teruggevonden wordt in het Christelijke leven of in de heerlijkheid van Christus. Het stelt een middel voor, bestemd voor de reiniging van de mens. Deze aanwijzingen, die hier alleen maar in het kort worden nagegaan, zijn naar het me voorkomt, van het grootste belang en hebben een zeer wijde strekking.

6 Het verschil tussen deze twee trappen van het Nazireeërs karakter bij Christus, in Zijn leven en in Zijn sterven, is niet zo groot als het schijnt. Hij was altijd, zowel van de menselijke vreugden als van alle kwaad gescheiden. Er was geen honing, evenmin als zuurdeeg. Hij was de “Man van smarten, bekend met ziekte.” Vervuld met een heilige liefde ging Hij door een wereld van zondaren. Deze liefde werd teruggedrongen en in Hem Zelf begrensd en opgesloten. Maar zie, de verzoening opende er de sluizen van: inderdaad is Hij nu, uiterlijk, van de zondaren gescheiden. Dat Christus, van het tweede hoofdstuk van het Evangelie van Johannes af, weigert de rechten van Zijn moeder te erkennen, heeft in dit Evangelie zijn natuurlijke plaats, want Johannes toont ons Hem, van het begin af, als afgezonderd in Zijn eigen Persoon, en de Joden als een volk, dat verworpen is.

7 Het is hier niet dat zijn eigen geweten opnieuw gereinigd moet worden wat het kwaad betreft. Dat vinden we nergens. Het gaat hier nergens over de verlossing, maar om de wandel van een belijdend volk dat tot God moet naderen.

8 Natuurlijk had Hij geen boze natuur te verzaken, zoals wij, maar Hij verloochende Zich in een wil en een natuur waarin geen zonde was, zoals in: “Wat heb Ik met u te doen, vrouw?” wat ik alleen als voorbeeld aanhaal. Op het kruis, toen alles volbracht was, erkende Hij haar zorgvuldig. In een offerande mocht evenmin honing zijn als zuurdeeg.

9 Let wel: de hoofdstukken 5 en 6 geven ons de allezijdse reiniging van het leger van onreinheid en van onrecht, en de wijding van de Nazireeër voor God, en ook de zegen. Dan komt het vrijwillige offer. De reinheid van het leger en de persoonlijke afzondering tot God – dit is heiligheid in een tweevoudig karakter: negatief de reiniging en positief de wijding voor God. Dan komt het vrijwillige offer. Het leggen van de Naam volgt op de reiniging en de wijding.

10 De melaatse werd gewassen, niet alleen maar besprenkeld. Hij was buiten het leger, geheel onrein voor God. Het was alleen reiniging en geen heiliging; vóór hij gewassen werd, was hij onder de besprenging van het bloed gebracht – op zichzelf de volledige, blijvende genoegdoening van het werk van Christus. Daarna werd hij met water gewassen, persoonlijk gereinigd door de kracht van de Geest en het Woord, naar dat water, dat uit de zijde van Christus kwam. Zijn kleding, (uiterlijke gedragingen) werden evenzo gereinigd en alle besmetting verwijderd. Hier (Numeri 8) was het de wijding van hen, die in gewone zin inwendig rein waren. De besprenging was een teken om de heiliging in overeenstemming met de dood van Christus in herinnering te brengen, wat voor het heiligdom geschikt was om hen in die bewuste afzondering voor de dienst van God te brengen; en daarom werden hun kleren, (wat hun uiterlijke gedragingen aanduidt), gewassen. Het was geheel van hetzelfde karakter – het water – maar bij de melaatse betekende het, dat het lichaam van de zonde was teniet gedaan; daarvan gereinigd om de zonde niet meer te dienen. Hier betrof het ook heiliging – wijding.

11 Toch waren zij, die alleen het kenmerk van de woestijn droegen, niet in een toestand dat ze er deel aan konden hebben. Niemand van hen die in de woestijn geboren waren, werd besneden voordat ze te Gilgal waren aangekomen. Dus pas nadat ze door de Jordaan waren gegaan.

12 In Israël was deze eenheid eenvoudig de eenheid van een verlost volk, om een gemeenschappelijk deel te bezitten. Deze eenheid vormde volstrekt geen lichaam, zoals de “gemeente”.

13 Let hier op het verschil in het geloof van de gezegende apostel, als we hoofdstuk 11:12 hier met Galaten 4:19 vergelijken; zie ook 2 Korinthe 11:28.

14 Dit is het kerkelijk kwaad. Maar wat de opstand betreft, ging het kwaad nog verder. Het was de aanmatiging van het ambt, dat beweerde het priesterdom te zijn. En dit is het kwaad, waarop Mozes wees, hoewel Korach ook anderen heeft doen naderen (verzen 8-10).

15 Met zijn dood sluit de geschiedenis van de woestijn. Voor de bezoedeling op de weg was de voorziening getroffen. Mozes is met de wet verbonden en maakt geen gebruik van de staf van Aäron (de genade van het priesterschap) en op die grond kan het volk het land niet binnengaan. Deze orde hebben we in de overgangstijd: voorziening voor de bezoedeling op de weg (19); het priesterschap opgegeven en derhalve geen toegang tot het land; dan de eeuwige haat van de oudere broeder, de uitwendige vleselijke nakomeling van de opgestane man, die zich verheft in onbeheerste opstand tegen het volk van God. Aäron sterft en de genade van de woestijn houdt op; de kracht van satan wordt overwonnen, maar door vermoeidheid (hun eigen fout en gebrek aan geloof) doet de doodsheid van de zonde haar intrede en dan krijgen we het grote geneesmiddel; de kracht van Arad, die weerstaan wordt, wordt vernietigd. Maar vanaf hoofdstuk 21:4 is het de toestand van de ziel, het hart is naar Egypte teruggekeerd, Christus, het manna, wordt veracht. Toen ze getrouw waren, was de kracht van de vijand niets. Ongeloof en murmurering tegen God brengt hen in de angel van de dood. Als ze het brood van het leven verachten, dan ontvangen ze de fatale beet van de dood in oordeel. Er was genezing door in het geloof te zien op Christus, Die voor ons verhoogd werd. Dit is geen priesterschap voor de reis, maar een afdoend middel tegen de dood, die door de zonde ontstaan is. Het is, in algemene zin, wat God voor het volk is buiten de zorg in de woestijn. Dan krijgen we de verkwikkingen van de Geest en het Woord – de uitgegraven put. Voorts hebben we de overwinnende kracht over al hun vijanden, hoewel aan deze zijde van de Jordaan en terwijl zij nog onbesneden zijn. We hebben hier, God Die vóór Zijn volk is, ondanks hun gebrekkige toestand; eindigende met hun volkomen rechtvaardiging, karakter en zegening in overeenstemming met Gods gedachten.

16 Het is van het grootste belang het bijzondere karakter van deze profetie te zien. Het is God, Die naar Zijn eigen wil de partij van Zijn volk kiest en Zich tegenover de vijand stelt. Hij doet dit zelfs, zonder dat het volk het weet, of er Hem om vraagt. Deze profetie is niet – zoals ze dat meestal zijn – een beroep op het geweten van het volk; een beroep dat samengaat met beloften, die erop berekend zijn het geloof van het overblijfsel – te midden van de tegensprekers – te ondersteunen. Het volk weet er niets van. Het murmureert misschien nog in zijn tenten (die zo mooi zijn in de ogen van de profeet, als hij het visioen van de Almachtige ziet) tegen de wegen, die God met hen gaat. Het is God, Die Zijn eigen gedachten openbaart en het kwaad van Satan – de vijand met wie Hij te doen heeft – verijdelt. Daarom is deze profetie zó volledig. Ze laat ons, in de geestelijke betekenis, ons gehele deel zien (letterlijk het deel van Israël, zoals dit duidelijk naar voren komt in de vierde profetie). Namelijk de afzondering, de rechtvaardiging, de schoonheid in de ogen van God (alles wat aan de tegenwoordigheid van de Geest van God beantwoordt), en de kroon van de heerlijkheid in de komst van de ster van Jakob, van Christus Zelf in Zijn heerlijkheid.