72. Judas

72. Judas · uit de ‘Synopsis’ deel 8 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

De brief van Judas ontwikkelt de geschiedenis van de afval van de Christenheid, van de vroegste beginselen af, die in de gemeente binnenslopen om daar verderf te brengen, tot aan het oordeel erover bij de verschijning van onze Heer. Het is de zedelijke afval, waarbij de genade van onze God wordt veranderd in losbandigheid. In Johannes zijn zij van ons uitgegaan (2:19); hier zijn bepaalde mensen binnengeslopen, om verderf te zaaien. Het is een zeer korte brief, en het onderwijs dat hij bevat, wordt ons gegeven in de krachtige voortvarende taal van de profeten, kort en bondig. Maar dit onderwijs is ontzettend belangrijk en heeft een zeer uitgebreide strekking. Het kwaad, dat te midden van de christenen was binnengeslopen, zou pas tot staan komen als het door het oordeel teniet werd gedaan.

We hebben al eerder het verschil opgemerkt tussen de brief van Judas en de tweede brief van Petrus: Petrus spreekt over zonde, Judas over afval, dat wil zeggen: de gemeente verlaat haar oorspronkelijke toestand voor het aangezicht van God. Het onderwerp dat Judas behandelt is: het loslaten van het allerheiligste geloof. Hij spreekt niet over uiterlijke afscheiding. Hij beschouwt de christenen als een aantal personen die op aarde een godsdienst belijden, en die oorspronkelijk trouw waren en beantwoordden aan hun belijdenis. Bepaalde mensen waren ongemerkt bij hen binnengeslopen. Zonder vrees weidden zij zichzelf bij de liefdemalen van de christenen. En al zou de Heer komen te midden van al Zijn heiligen (zodat de gelovigen dan al opgenomen zijn), toch worden deze mensen nog beschouwd als te behoren tot dezelfde groep. Hij zegt immers: “Om alle goddelozen onder hen terecht te wijzen”. Wel zullen ze, op het ogenblik dat het oordeel komt, openlijk in opstand zijn, maar het waren mensen die eenmaal deel uitmaakten van de Christenheid. Het waren werkelijk afvallige vijanden die achtergebleven waren voor het oordeel.

Als er in vers 19 staat: “Dezen zijn het die [zich] afscheiden”, wordt er niet bedoeld, zich openlijk afscheiden van de zichtbare gemeente; want Judas spreekt over hen terwijl zij in het midden van de gelovigen zijn. Maar terwijl zij zich in de gemeente bevinden, zonderen ze zich af, als voortreffelijker dan de anderen, zoals de farizeeën bij de Joden. Judas duidt hen aan als mensen die zich te midden van de christenen bevinden en zich voor christenen uitgeven. Het oordeel treft deze groep mensen; bij de opname van de gelovigen worden zij achtergelaten voor het oordeel.

Judas begint met te spreken over de trouw van God en de aard van Zijn zorg voor de heiligen. Dit komt overeen met het gebed van de Heer Jezus in Johannes 17. Zij waren geroepenen, geliefd door God de Vader, en in Jezus Christus bewaard. Wat een gelukkig getuigenis! Het verheft en verheerlijkt de genade van God. “Heilige Vader”, zei onze Heer, “bewaar hen”: en dezen werden geliefd door God de Vader, en in Jezus Christus bewaard. De apostel spreekt met het oog op velen die het allerheiligste geloof prijsgaven; hij spreekt tot hen die bewaard werden.

Vers 3. Hij had het voornemen gehad om hun te schrijven over het heil dat alle christenen gemeenschappelijk bezitten. Maar hij merkte dat het nodig was om hen te vermanen om vast te staan, om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd. Want dat geloof werd al bedorven doordat men de rechten loochende van Christus om Heer en Meester te zijn. En doordat men de eigen wil de vrije teugel liet, misbruikte men de genade, en veranderde die in een beginsel van losbandigheid. Dit zijn de twee elementen van het kwaad, dat deze instrumenten van satan binnenbrachten: de verwerping van het gezag van Christus (niet van Zijn naam), en het misbruiken van de genade, om aan z’n eigen begeerten de vrije loop te kunnen laten. In beide gevallen bevrijdde men de menselijke wil van alles waardoor die in toom werd gehouden. Het woord “Meester” in vers 4 wijst op dit karakter van God. “Meester” is hier niet het woord, dat in het algemeen gebruikt wordt; het is “despotes”, dat betekent, heerser of meester van een slaaf.

Nu het kwaad, dat heimelijk was binnengeslopen is aangewezen, laat de brief vervolgens aan de gelovigen zien, dat het oordeel van God wordt voltrokken over hen die niet wandelen in overeenstemming met de positie waarin God hen oorspronkelijk had gesteld.

Het kwaad bestond niet slechts hierin, dat bepaalde mensen bij hen waren binnengeslopen – op zichzelf was dit al een ontzettend groot kwaad, omdat de werkzaamheid van de Heilige Geest onder de christenen daardoor belemmerd wordt – maar uiteindelijk zou het hele getuigenis voor Gods aangezicht, het hele vat dat dit getuigenis droeg, in zo’n mate verdorven worden (zoals dit al het geval geweest was bij de Joden), dat het het oordeel van God over zich zou brengen. En het is zo verdorven geworden.

Hier hebben we het belangrijke beginsel van de ondergang van het getuigenis, dat God in de wereld heeft opgericht: het gaat ten onder door het bederf van het vat dat het getuigenis draagt, en dat de naam ervan draagt. Judas wijst op het zedelijke bederf als kenmerk van de toestand van de belijders. Hij geeft dan twee voorbeelden van deze ondergang en van het oordeel. In vers 5 noemt hij het geval van Israël, dat in de woestijn viel (met uitzondering van twee, Jozua en Kaleb). In vers 6 geeft hij het voorbeeld van de engelen die hun oorspronkelijke staat niet bewaard hebben, en daarom tot het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder de duisternis bewaard worden.

Dit voorbeeld doet hem denken aan een ander geval: dat van Sodom en Gomorra, waar we onzedelijkheid en bederf zien als de oorzaken van het oordeel. De toestand waarin die steden verkeren is hier op aarde een voortdurend getuigenis van het oordeel dat hen trof.

Vers 8. Die goddeloze mensen, die de naam van christenen dragen, zijn slechts dromers; want de waarheid is niet in hen. De twee beginselen die we hebben opgemerkt, ontwikkelen zich in hen: namelijk de verontreiniging van het vlees, en minachting voor het gezag. Dit laatste wordt in nog andere vorm openbaar en wel in het niet in toom houden van de tong, de eigenwil die zich openbaart in het kwaadspreken van hoogwaardigheidsbekleders. Terwijl zoals de tekst zegt, de aartsengel Michaël daarentegen zelfs geen oordeel van lastering tegen de duivel uit durfde brengen, maar zich beriep op het oordeel van God Zelf, met de ernst en waardigheid van iemand die in overeenstemming met God handelt.

Vervolgens geeft Judas een opsomming van de drie soorten of kenmerken van het kwaad en van de vervreemding van God. Ten eerste, wat de natuur aangaat, de tegenstand die het vlees biedt tegen het getuigenis van God en tegen Zijn ware volk; de prikkel die deze vijandigheid aan de wil van het vlees geeft. Ten tweede: kerkelijk kwaad; het leren van dwaling voor loon, terwijl men heel goed weet dat die dwalingen in strijd zijn met de waarheid en gericht tegen het volk van God. Ten derde: openlijk verzet, opstand, tegen het gezag van God in Zijn ware Koning en Priester.

Die personen, die door de satan werden binnengebracht in de gemeente, om het geestelijk leven daarvan te verstikken, en om het resultaat te bewerken dat de Heilige Geest hier profetisch laat zien, bevonden zich te midden van de heiligen in de tijd dat Judas zijn brief schreef. Ze namen deel aan de gewijde feestmaaltijden waarbij de gelovigen samenkwamen als uiting van hun broederlijke liefde. Ze waren “vlekken” in die “liefdemalen”, en weidden zichzelf onbevreesd op de weidegronden van de gelovigen. Heel krachtig stelt de Heilige Geest hen aan de kaak. Ze waren tweemaal gestorven, dood van nature, en dood door hun afval. Ze waren zonder vrucht, want de vruchten die ze droegen verrotten, omdat het de tijd er niet voor was. Ze waren ontworteld en schuimden overal hun eigen schandelijkheden op; het waren dwaalsterren voor wie de duisternis was weggelegd. Van ouds had de Heilige Geest bij monde van Henoch al het oordeel aangekondigd dat hen zou treffen. Hier zien we een heel belangrijke kant van het onderwijs dat we hier krijgen: het kwaad dat bij de christenen was binnengeslopen, zou blijven bestaan en er nog zijn wanneer de Heer zal terugkeren ten oordeel. Hij zou met Zijn heilige tienduizenden komen, om het oordeel uit te oefenen over al de goddelozen onder hen, om hun goddeloze daden en hun goddeloze woorden die zij tegen Hem gesproken hadden. Altijd door zou er een systeem van boosheid zijn, van de dagen van de apostelen af totdat de Heer kwam. Dit is een ernstig getuigenis van wat er gebeuren zou in het midden van de christenen.

Het is heel opmerkelijk om te zien, hoe de geïnspireerde schrijver de voorstanders van de ontuchtigheid vereenzelvigt met de opstandigen die op de laatste dag het voorwerp zullen zijn van het oordeel. Het is dezelfde geest, hetzelfde werk van de vijand, – hoewel voor het ogenblik nog in bedwang gehouden, – dat zal rijpen voor het oordeel van God. O, arme gemeente! Het is echter niets anders dan de algemene ontwikkelingsgang van de geschiedenis van de mens. Er is alleen dit verschil: nu de genade God volkomen heeft geopenbaard, en de mens heeft verlost van de wet, zijn er nog maar deze twee mogelijkheden: of men is heilig naar hart en ziel en men schept er behagen in te gehoorzamen onder de volmaakte wet van de vrijheid, of er is tuchteloosheid en openlijk verzet. Hierin is het spreekwoord waar, dat het bederf van het uitnemendste het allerergste bederf is. We moeten er hier nog aan toevoegen, dat het bewonderen van mensen om er voordeel van te hebben, nog een kenmerkende trek is van deze afvalligen. Zij zien niet op tot God.

Nu hadden de apostelen de heiligen al gewaarschuwd, dat deze spotters zouden komen, die naar hun eigen goddeloze begeerten zouden wandelen, die zichzelf verhoogden, de Geest niet hadden, en natuurlijke mensen waren.

Er volgen praktische vermaningen voor hen die bewaard werden. Overeenkomstig de kracht van het geestelijke leven, en de kracht van de Heilige Geest, moesten zij zich door genade opbouwen, en zichzelf bewaren in de liefde van God. Het geloof is, voor de gelovige, een allerheiligst geloof; hij heeft het lief, omdat het allerheiligst is: het brengt hem in betrekking en gemeenschap met God. Wat de gelovige te doen heeft onder de smartelijke omstandigheden, waarover de apostel spreekt (in welke mate die zich ook al ontwikkeld hebben), is, zichzelf op te bouwen op dit allerheiligste geloof. Hij oefent gemeenschap met God, en doet door genade zijn winst met de openbaringen van Zijn liefde. De christen heeft zijn eigen, bijzondere gedachtewereld, waarin hij zich veilig stelt voor het kwaad dat hem omringt, en zo groeit hij op in de kennis van God van wie niets hem kan scheiden. Het wordt hem steeds duidelijker wat zijn deel is, hoe meer het kwaad toeneemt. Zijn gemeenschap met God is in de Heilige Geest; hij bidt in de kracht van die Geest, die ook de verbinding vormt tussen zijn ziel en God. Zijn gebeden zijn in overeenstemming met de innigheid van deze verhouding, en worden bezield door het inzicht en de kracht die de Geest van God geeft.

Op die manier bewaarden de gelovigen zichzelf in het bewustzijn, de gemeenschap, en het genot van Gods liefde. Ze bleven in Zijn liefde terwijl ze hier beneden als vreemdelingen verbleven, maar, als hun einddoel, verwachtten zij de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus tot eeuwig leven. Wanneer men ziet wat de vruchten zijn van het hart van de mens, voelt men wel dat het Zijn barmhartigheid moet zijn, die ons op die dag onberispelijk voor Zijn aangezicht zal stellen, om eeuwig te leven bij een God van heiligheid. Ongetwijfeld is het Zijn onveranderlijke trouw, maar, met het oog op zoveel boosheid, denkt men eerder aan de barmhartigheid. Vergelijk wat Paulus onder gelijke omstandigheden zegt in 2 Timotheüs 1:16. De barmhartigheid heeft het verschil bewerkt tussen hen die vallen en hen die staan (vergelijk Exodus 33:19). We moeten ook onderscheiden dat er zijn die misleid worden. Er zijn er die door anderen op een dwaalspoor zijn gebracht; en er zijn anderen in wie de begeerten werken van een verdorven hart. En waar we dit laatste zien, moeten we haat openbaren tegen alles wat van dit verderf getuigt, als tegen iets dat onverdraaglijk is.

De Geest van God brengt in deze brief niet de uitwerking van de verlossing naar voren. Hij houdt Zich bezig met de listige plannen van de vijand, met diens pogingen om de werkingen van de menselijke wil te verbinden met de belijdenis van de genade van God. De vijand wil het verderf van de gemeente tot stand brengen, en de ondergang van christenen, door hen op de weg te brengen die tot afval en oordeel leidt. Het vertrouwen is gericht op God; en tot Hem richt de gewijde schrijver zich, als hij zijn brief besluit, terwijl hij denkt aan de gelovigen aan wie hij schreef. Hem nu, zegt hij, die machtig is u te bewaren zonder dat u struikelt, en u onberispelijk voor Zijn heerlijkheid te stellen, met grote vreugde, de enige God, … zij heerlijkheid, majesteit, kracht en macht!

Het is belangrijk om er aandachtig op te letten hoe de Geest van God in de brieven spreekt over een kracht die ons onberispelijk en voor iedere struikeling kan bewaren; zodat alleen al een gedachte aan zonde nooit te verontschuldigen is. Het is niet zo, dat het vlees niet in ons is, maar aangezien de Heilige Geest werkzaam is in de nieuwe mens, is het nooit noodzakelijk dat het vlees werkt of ons leven beïnvloedt (vergelijk 1 Thessalonika 5:22). Wij zijn verenigd met Jezus: Hij vertegenwoordigt ons voor het aangezicht van God, Hij is onze gerechtigheid. Maar Hij die in Zijn volmaaktheid onze gerechtigheid is, is tevens ons leven. Zodoende streeft de Geest naar de openbaring van deze zelfde volmaaktheid, in het dagelijkse leven. “Wie zegt dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf <zó> te wandelen als Hij gewandeld heeft” (1 Johannes 2:6). De Heer zegt ook: “Weest u dan volmaakt zoals uw hemelse Vader volmaakt is” (Mattheüs 5:48).

Hierin kunnen we vorderingen maken. De opgestane Christus is de bron van dit leven in ons; dit leven stijgt weer op tot de bron ervan, en houdt de opgestane en verheerlijkte Christus, aan wie wij in de heerlijkheid gelijk zullen zijn, als zijn voorwerp en einddoel voor ogen: (zie Filippi 3). Maar de uitwerking daarvan is, dat wij geen ander doel hebben: “één ding [doe ik]”. In welke mate we dit ook verwezenlijken, de drijfveer is altijd volmaakt. Het vlees heeft als drijfveer geen enkele plaats, en in deze zin zijn wij onberispelijk.

Omdat Christus, die onze gerechtigheid is, ons leven is, verbindt de Geest hier ons leven met het uiteindelijke resultaat van een onberispelijke toestand voor het aangezicht van God. Het geweten erkent door genade, dat volstrekte volmaaktheid ons deel is, omdat Christus onze gerechtigheid is. Maar de ziel die zich hierover verheugt voor het aangezicht van God, is zich ervan bewust één te zijn met Hem. De ziel probeert daarom die volmaaktheid te verwezenlijken overeenkomstig de kracht van de Geest, die ons zo met het Hoofd heeft eengemaakt. Hem die dit tot stand kan brengen, en ons kan bewaren zonder dat we struikelen, kent onze brief alle heerlijkheid, majesteit, kracht en macht toe, vóór alle eeuwen, en nu, en tot in alle eeuwigheid.

Het is bijzonder treffend in de brief van Judas, dat hij het verderf in de gemeente nagaat. Hij begint met bepaalde mensen die binnen zijn geslopen en gaat door tot het uiteindelijke oordeel over de gemeente. Hij laat daarbij tegelijkertijd zien, dat het kwaad niet in zijn loop wordt gestuit, maar dat het doorgaat, in verschillende fasen, tot die dag.

EINDE BRIEF VAN JUDAS

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 8.12

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!