20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72) · uit de ‘Synopsis’ deel 3 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Inleiding
Het zal de lezer duidelijk worden, dat de Psalmen een eigen karakter hebben. Ze geven ons niet de geschiedenis van Gods volk, ze willen ook geen leerstellingen onderwijzen of bepaalde plichten voorschrijven, noch bevatten ze de profetische en formele aankondiging van toekomende dingen. We vinden er natuurlijk wel toespelingen op belangrijke historische gebeurtenissen, en de Psalmen staan in nauwe betrekking tot vele profetische voorzeggingen en andere gedeelten van het Woord van God, maar toch hebben ze een eigen karakter.
De verschillende onderwerpen, die we elders in de Bijbel vinden, vinden wij natuurlijk in de gedachten die in de Psalmen vervat zijn terug, maar ze worden daarin niet rechtstreeks behandeld. Bijna alle psalmen geven uiting aan wat het volk van God meemaakt, of – om mij nog preciezer uit te drukken – ze zijn de weergave van de gevoelens, die voor het volk van God bereid zijn, wanneer het in moeilijke omstandigheden zal komen. En, zoals bekend, drukken zij niet alleen hun gevoelens uit, maar vaak die van de Heer zelf.
De Psalmen zijn de uitingen van het aandeel, dat de Geest van God, terwijl Hij in de harten van de heiligen werkt, in hun lijden en beproevingen neemt, Hij werkt in verbinding met alle verdrukkingen, die zij meemaken en de menselijke zwakheid, die daarbij optreedt. Te midden van die verdrukkingen werkt de Geest gedachten van geloof en waarheid in hun hart, die een bron zijn waaruit zij in alle gebeurtenissen kunnen putten. Wij vinden dan ook in de Psalmen de uitingen van hoop, vrees, droefheid, vertrouwen in God, die het hart van de gelovigen vervullen en soms het aandeel, dat de Heer er persoonlijk in heeft, waarbij dan vaak ieder ander uitgesloten wordt; de plaats die Hij heeft ingenomen, opdat Hij zo zou kunnen meevoelen met het volk in hun lijden. Hieruit volgt, dat er, om een juist oordeel over de ware strekking en toepassing van de Psalmen te kunnen vormen, een rijper inzicht vereist wordt dan voor andere delen van de Heilige Schrift. Want we moeten kunnen begrijpen wat het karakter is van de bedeling waaraan de Psalmen hun ontstaan te danken hebben en we moeten tevens kunnen oordelen over de ware positie voor God, van hen van wie de noden en verlangens hier zijn uitgedrukt.
En waarom is dit zo moeilijk? Omdat de omstandigheden, de toestand en de verbinding met God van het volk van wie de gevoelens uitgedrukt worden, niet dezelfde zijn als waarin wij ons bevinden. De vroomheid in de Psalmen, die voor ons zo aantrekkelijk is, blijft alle tijden door opbouwend, en het Godsvertrouwen dat eruit spreekt te midden van verdrukkingen, heeft het hart van menige dienstknecht van God, die beproefd werd, getroost en gesterkt. Dit gevoel moet zorgvuldig bewaard en versterkt worden, maar juist daarom is het zo belangrijk, dat we met geestelijk inzicht goed de positie zien, waarmee de gevoelens, in de Psalmen uitgedrukt, in betrekking staan en die vorm geeft aan de vroomheid die we erin vinden. Hebben we dit inzicht niet, dan is het wezenlijke en de grote kracht van de verlossing en de omvang van het Evangelie van de genade van God voor onze eigen ziel verloren. Dan blijven vele uitdrukkingen duister, ja zelfs geheel onbegrijpelijk voor ons, en zij kunnen het christelijk gevoel dat hun ware betekenis niet inziet schokken.
Het hart dat zich in de positie plaatst, die in de Psalmen beschreven wordt, keert terug tot ervaringen, die bij een wettische toestand behoren, en tot de positie van onder de straf voor falen en van verdrukking in die positie te zijn, en tot de verwachtingen van een aards volk. Men gebruikt op die manier het Woord van God om voor deze tijd een wettisch standpunt voor juist te verklaren, dat voor de Christen eigenlijk een standpunt van ongeloof is. Men stelt zich tevreden met een geestelijke toestand, waaraan de kennis van de verlossing ontbreekt. En terwijl men denkt de Psalmen voor zichzelf te bewaren, houdt men zichzelf in een zielstoestand, waarin men beroofd is van het inzicht in het juiste gebruik van de Psalmen en van onze eigen bijzondere voorrechten; men wordt onbekwaam de betekenis en bedoeling van dit Bijbelboek werkelijk te begrijpen en er in waarheid van te genieten. En ten slotte, wat nog erger is: men berooft zich van de kostbare en buitengewoon leerrijke kennis van het tedere en genadige medegevoel en medelijden van Christus, in hun ware en door God gegeven toepassing, zoals we die zo treffend in de Psalmen vinden. De zich toe-eigenende geest van zelfzucht leert Christus niet kennen zoals Hij is en zoals Hij geopenbaard is, en dat is werkelijk een groot verlies.
In de Psalmen is troost en mededeling van genade te vinden voor een ziel, die onder de wet leeft, omdat de Psalmen juist toepasselijk zijn op degenen, die onder de wet zijn – (en mensen, die in die toestand waren, zijn vaak door de Psalmen getroost). Maar – ik herhaal het – we maken een verkeerd gebruik van de Psalmen, we verliezen de kracht die God ons in dit boek geeft, we miskennen de ware geestelijke toestand, waarin het Evangelie ons geplaatst heeft, als we ze gebruiken om in die wettische toestand te blijven en ze speciaal op onszelf toepassen. Het onderscheid is duidelijk te zien. We vinden in de Psalmen niet de gemeenschap met de Vader, en we leven buiten die gemeenschap als we in de Psalmen leven, hoewel gehoorzaamheid en vertrouwende afhankelijkheid altijd de juiste weg vormen.
Bij deze studie stel ik me voor het boek van de Psalmen, zowel in zijn geheel te bezien als ook elke Psalm afzonderlijk, zodat de lezer een algemeen overzicht heeft. De beste manier om dit te doen (hoewel het karakter van dit boek dit extra moeilijk maakt) zal zijn om, zoals ik geprobeerd heb dit te doen in de boeken die we al behandeld hebben, de bedoeling van de Heilige Geest na te gaan, terwijl wij het aan het hart, dat zich door de genade van de Geest van God met de Heer Jezus voedt, overlaten om de innige vroomheid die erin gevonden wordt, te genieten.
De Psalmen en de daarin door Gods Geest gewerkte gemoedstoestanden staan in werkelijkheid, wat hun toepassing en ware kracht betreft, in verbinding met de omstandigheden van Juda en Israël en zijn alle gegrond op Israëls hopen en vrezen. En, ik voeg eraan toe, op de omstandigheden van Juda en Israël in de laatste dagen, hoewel deze laatste dagen, uit zedelijk oogpunt bezien, al met de verwerping van Christus zijn begonnen. De Godsvrucht en het vertrouwen op God, waarvan de Psalmen vol zijn, vinden ongetwijfeld weerklank in ieder gelovig hart, maar alleen Israël zal werkelijk doormaken wat hier beschreven is. Deze verklaring, waarvan de juistheid bij lezing van de Psalmen duidelijk in het oog springt, wordt door de apostel Paulus bevestigd. Na verscheidene psalmen aangehaald te hebben, zegt hij: “Nu weten wij, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot hen die onder de wet zijn” (Romeinen 3:19). De Psalmen hebben dus betrekking op de toestand van hen die tot Juda en Israël behoren. Hun hoofdkarakter is de uitdrukking van de werking van de Geest van Christus, zowel met het oog op, als in het overblijfsel van de joden 1 (of van Israël), in de laatste dagen. Hij neemt deel aan al hun verdrukkingen en geeft uitdrukking aan hun schuldbelijdenis, hun geloofsvertrouwen, hun hoop, hun vrees en hun dankbaarheid voor ondervonden verlossing; in een woord, aan iedere oefening van hun harten in de omstandigheden, waarin zij zich in de laatste dagen zullen bevinden. En zo vinden deze gelovigen in de Psalmen de leiding, de goedkeuring en het medegevoel van de geest van Christus, alsook de uitdrukking van Zijn werkzaamheid in hen en zelfs in Christus. Bovendien stellen de Psalmen ons de plaats voor, die Christus Zelf, toen Hij op aarde was, onder dat getrouwe overblijfsel ingenomen heeft, opdat zij deel zouden hebben in Zijn medegevoel, en om hun verlossing mogelijk te maken, en opdat hun vertrouwen op God gerechtvaardigd zou blijken te zijn, hoewel zij tegen Hem gezondigd hadden.
Ook vinden we er geen beschouwingen over de kracht en algenoegzaamheid van het verlossingswerk, zoals in de Brieven, maar in die psalmen die op Christus betrekking hebben worden ons de gevoelens meegedeeld, die de ziel van de Heere Jezus vervulden, toen Hij het werk volbracht. Zij maken ons ook bekend met de plaats die Hij ten gevolge van Zijn verwerping, in de hemel heeft ingenomen en ten slotte op de troon van het Koninkrijk nog zal innemen. Maar uitgezonderd Christus’ huidige verhoging (die alleen vermeld wordt om van de uiteindelijke verlossing van Israël te kunnen spreken en er de volle betekenis aan te kunnen geven), vinden we in alles wat van de Heer geopenbaard wordt, Zijn verhouding tot Israël uitgedrukt. Niet in een verhaal, maar in het uiten van wat Hij voelde met het oog op de plaats, die Hij ingenomen had, zoals dit ook het geval zal zijn met het overblijfsel. Deze karaktertrek geeft aan de Psalmen hun eigen stempel en maakt ze zo belangrijk.
Zij leren ons, dat Christus in de diepste diepten van het lijden inging, om medelijden te kunnen hebben met degenen die nog door dit lijden moeten gaan. Hij ging die weg als Iemand, die zich één maakt met Zijn volk, door hun zaak op Zich te nemen en die voor God te bepleiten. In de weg van Zijn eigen vernedering ontving Hij “een tong van een die onderwijs ontving, zodat Ik weet met de vermoeide een woord op de juiste tijd te spreken” (Jesaja 50:4).
Zij waren zondaars, zij konden geen aanspraak maken op kwijtschelding van straf, noch rekenen op een gunst, die verlossen en herstellen kon. Als Hij niet voor hen geleden had, dan hadden zij het lijden, waardoor zij moesten gaan, moeten dragen in verbinding met hun schuld, die alle gunst uitsloot. Maar dit was niet naar Gods gedachte. Hij wilde hen redden en daarom plaatst Christus Zich genadig onder het volk. Hij neemt de schuld op Zich van hen, die gered zouden worden. Dat was plaatsvervangend lijden; als een plaatsvervanger voor hen. Hij gaat in de weg van volkomen gehoorzaamheid en liefde in het lijden in, dat zij moesten doormaken. Als de Gehoorzame ging Hij in dat lijden in, om door de verzoening al de kracht van Gods verlossende genade te laten komen over hen, die in dat lijden zouden zijn. En om zodoende uit hoofde van dit alles hun Borg te worden, de Garantie, dat zij uit het lijden verlost zouden worden, de Onderhouder van hun hoop te midden van het lijden, opdat zij er niet onder zouden bezwijken.
Maar toch moest het getrouwe overblijfsel van Israël, in overeenstemming met Gods rechtvaardige wegen, door het lijden heen, vanwege hun dwaasheid en ongerechtigheid, opdat ze hiervan innerlijk gereinigd zouden worden. Christus ging in al dit lijden in, om daardoor voor hen een Bron van leven en een steun voor het geloof te zijn, als uiterlijk de hand van de onderdrukker zwaar op hen zou rusten en het schuldbewustzijn innerlijk hen bijna zou doen bezwijken. Ze zouden geen enkel gevoel van de Goddelijke gunst hebben dan dit, dat Hij, Die hun de verzekering van die genade gegeven had, en er de uitdeler van kon zijn, hun zaak bij God opgenomen had en voor hen door hetzelfde lijden was gegaan. De volle kracht en waarde van Zijn werk voor hun bevrijding (in het sterven van die Ene voor het volk, Johannes 11:50), zullen zij natuurlijk pas dan kennen, wanneer zij Hem, die zij doorstoken hebben, zullen zien. Het volk, en speciaal het overblijfsel (want de grote massa zal zich met de afgodische heidenen verbinden om rust te hebben, Jesaja 28:14-22), wordt juist om hun oprechtheid in het lijden gelaten, dat hen, als wegen van Gods regering, door genade brengt tot het gevoel van hun schuld, in het breken van de wet en de verwerping en kruisiging van de Messias, opdat ze deze schuld in waarheid kennen, om zich dan oprecht te buigen voor een beledigde Jahweh en te zeggen: “Gezegend wie komt in de Naam van de HEERE”.
Maar hoewel de verlossing en een nog beter heil niet vóór dat ogenblik komt, kan Christus toch uit hoofde van Zijn werk, dat Hij volbracht om die verlossing en dat heil te bewerken, de gelovigen ondersteunen en hun zielen leiden tot deze verlossing. En dat vinden we nu juist in de Psalmen. Ze zijn Zijn woorden tot, of liever in, hun zielen als zij in nood zijn, terwijl zij soms vertellen hoe Hij Zelf deze woorden geleerd heeft. Vandaar dan ook dat mensen, die nu onder de wet leven, in de Psalmen zoveel persoonlijke troost vinden. Niemand moet denken – ik zeg het hier terloops – dat de grote belangstelling voor het lijden van Christus verloren gaat als men de wet verlaat om zich onder de genade te stellen. Integendeel: de winst is onnoemelijk groot. Het verschil is dit: in plaats van alleen op zelfzuchtige (hoewel natuurlijk niet afkeurenswaardige) wijze van de Psalmen gebruik te maken voor zijn eigen behoeften en verdriet, gaat de ziel onder de genade aanbiddend in al het lijden van Christus met dat diepere inzicht, dat hem door de inwonende Geest is gegeven.
Omdat Christus nu in heerlijkheid is, zie ik, in vrede en met door God gegeven belangstelling en inzicht, terug op de weg die Hij uit liefde voor ons, lijdend stap voor stap ging te midden van zonde en ellende, tot de Hem waardige heerlijkheid waar Hij nu is, omdat Hij God zelfs tot in de dood verheerlijkte. Christus troost en bemoedigt Zijn discipelen in Johannes 14, hoewel Hij hun zeker niet toespreekt alsof zij onder de wet waren, maar Hij zegt aan het eind: “Als u Mij liefhad, zou u zich verblijden dat Ik naar de Vader heenga”. Als wij onder de wet zijn, mogen de Psalmen ons troost en hulp geven te midden van de beproevingen: onder de genade genieten wij er met door God gegeven inzicht van als zij die Christus liefhebben.
Maar laten we tot ons onderwerp terugkeren. Het grote fundament, dat gelegd moest worden om het médelijden van Christus mogelijk te maken, is dat Christus niet gespaard werd, daar waar het overblijfsel van Israël wel gespaard zal worden 2 omdat het nodig was, dat Hij de gehele straf voor de schuld en de zonde op Zich nam. Want anders had Hij hen niet op een rechtvaardige wijze en tot verheerlijking van God kunnen verlossen. Het was dus nodig dat Christus persoonlijk al hun lijden onderging (en dat deed Hij ook in de geest), en dat Hij bovendien verzoening deed voor de schuld. Hij heeft al het lijden ondergaan in gemeenschap met God, behalve toen Hij leed vanwege het werk van de verzoening. En door de verzoening maakte Hij al de genade en goedheid van God, die Hij Zelf in het lijden ondervonden heeft, toegankelijk voor hen, die ook in dat lijden zouden komen, opdat zij dan de ‘gedachten van genade’ van God zouden kennen en er gebruik van maken, ook dan, als zij in dikke duisternis waren.
Vraagt iemand hoe dit mogelijk is aangezien zij nog niet hebben geleerd dat God in de verzoening voor hen is, dan antwoord ik, dat juist de Psalmen, die in alle details ingaan, de middelen voor hen zijn om zo te doen, in overeenstemming met het al genoemde Jesaja 50. In werkelijkheid bevinden vele christenen zich nog in zo’n toestand. Zij houden zich aan de beloften vast, voelen hun zonden, worden door hoop getroost, merken de goedheid van God op, gebruiken de Psalmen als passend voor hen en kennen noch verlossing noch vrede.
De Psalmen behoren dus feitelijk aan Israël 3 en eigenlijk aan het getrouwe overblijfsel in Israël. Dit is het eerste algemene beginsel, dat het Woord zelf vaststelt. Paulus zegt in Romeinen 3:19, dat de Psalmen tot de wet behoren en dat zij spreken tot degenen die onder de wet zijn. Bij onze bestudering van de Psalmen zullen vele andere bewijzen voor dit beginsel gevonden worden, die zéér duidelijk en beslissend zijn. De Psalmen maken al in het begin (Psalm 1) onderscheid tussen de man die rechtvaardig volgens de wet en godvrezend is en het overige deel van het volk (zie ook Psalm 73). ‘Maar zo zijn de goddelozen niet’ (vers 4) en: ‘Daarom blijven de goddelozen niet staande in het gericht, de zondaars niet in de gemeenschap van de rechtvaardigen’ (vers 5). Jesaja leert ons dezelfde waarheid en met niet minder kracht (vergelijk Jesaja 48:22 en 57:21). Het eigenlijke onderwerp is het ware gelovige overblijfsel: de rechtvaardigen in Israël (Psalm 16:3 en elders). Vandaar dat in hen het deel en de hoop van Israël gezien worden. Psalm 1 stelt dit duidelijk vast. Maar het is de hoop van een overblijfsel van wie het deel van het begin af op de meest ondubbelzinnige wijze onderscheiden wordt van dat van de goddelozen.
Bovendien is het duidelijk – en dit is het tweede algemene beginsel, dat ik wens vast te stellen – dat het de Geest van Christus, de Geest van de profetie (1 Petrus 1:11; Openbaring 19:10b) is, die in de Psalmen spreekt. Dat wil zeggen: de Geest van Christus, die deel heeft aan de toestand van het getrouwe overblijfsel. De Geest spreekt van toekomende dingen alsof zij nu geschieden, zoals dit bij de profeten gebruikelijk is. Maar dit maakt het niet minder waar, dat het de Geest van de profetie is die over de toekomst spreekt, en die zich op vele plaatsen duidelijk als zodanig openbaart. Als echter de Geest van Christus belang stelt in het overblijfsel van Israël, dan moet ook het persoonlijk lijden van Christus aangekondigd worden. Want dat lijden is het volmaakte bewijs van het belang, dat Christus in hen stelde, en zonder dit lijden zou deze belangstelling vruchteloos zijn. We vinden dan ook werkelijk in de Psalmen de treffendste uitdrukkingen van het lijden van Christus. Niet als een historische beschouwing, maar als een weergave door Zijn eigen lippen van wat Hij voelde tijdens dit lijden. Vandaar de intiemheid van de gevoelens, die we in de Psalmen vinden en die in zo sterke mate interesse wekken. Het zijn als het ware de hartkloppingen van Hem, Wiens gehele levensloop in verhouding tot God en mensen, Wiens gehele uiterlijke openbaring alsook de wegen van God ten opzichte van die openbaring, in de andere gedeelten van de Schrift beschreven zijn. Het is altijd de Géést van Christus die spreekt (zie 1 Petrus 1:11) als Zelf deelnemend in de verdrukkingen en het verdriet van Zijn volk, hetzij door Zijn Geest in hen, hetzij doordat Hijzelf voor hen lijdt, als het enige middel waardoor een geliefd maar schuldig volk bevrijd kan worden in de tegenwoordigheid van het rechtvaardig oordeel van God. Vandaar de bewonderenswaardige juistheid en gepastheid van de taal van de Psalmen, vooral in een opzicht, waarop ik later terugkom.
In die psalmen, die rechtstreeks over de verzoening spreken, zien we Christus alleen en zo staat Zijn werk daar onaantastbaar. In die psalmen daarentegen, die van Zijn lijden spreken, die in hun karakter niet verzoenend zijn, mogen sommige gedeelten op Christus persoonlijk van toepassing zijn, omdat Hij persoonlijk en alleen dat lijden onderging, maar in andere gedeelten van diezelfde psalmen komen ook de heiligen naar voren, omdat zij deel zullen hebben aan dat lijden. Op die manier wordt ons het persoonlijk lijden van Christus voorgesteld, terwijl tevens Zijn medegevoel met het lijden van de anderen niet verloren gaat.
Hieruit volgt een derde groot beginsel, dat de Psalmen kenmerkt. De zonden van het volk zouden het gelovig overblijfsel in zijn ellendige toestand zedelijk verhinderen vertrouwen op God te hebben. Maar toch kunnen zij juist alleen door God verlost worden en tot Hem moeten zij met oprechtheid van harte opzien.
Beide dingen vinden we in de Psalmen: ze brengen hun beproevingen voor God en smeken om verlossing; ze pleiten op hun oprechtheid en tegelijkertijd belijden ze hun zonden. Christus, Die, zoals we gezien hebben, ingaat in hun verdrukking en verzoening tot stand gebracht heeft, kan hen ondanks hun zonden, en met het oog op hun zonden tot God leiden. Weliswaar kennen zij in het begin de volkomen vergiffenis nog niet. Maar de Geest van Christus brengt hen verder en doet hen door de uitdrukkingen, die de Psalmen verschaffen, verder gaan in het besef van de genade tot de God van de verlossing, terwijl zij hun zonden belijden 4. “Komt met woorden van schuldbelijdenis, bekeert u tot de Heer, zegt tot Hem: Vergeef de ongerechtigheid geheel en al, en wees genadig. Wij bieden als offerstieren de belijdenis onzer lippen” (Hosea 14:3). Ook de vergiffenis wordt hun voorgesteld. Omdat de Geest van Christus in hen leeft, dat wil zeggen, als levensbeginsel, en Hij de voornemens van hun harten bestuurt, kunnen zij door de belijdenis van hun zonden ongeveinsd op hun oprechtheid en trouw bij God pleiten. Maar, als de grond van hun hoop, gaat de gedachte aan barmhartigheid altijd vóór de gedachte aan gerechtigheid. In beginsel is dit waar voor iedere wedergeborene, die de vrijheid nog niet gevonden heeft, die door de persoonlijke kennis van de verlossing verkregen wordt. De Psalmen zijn – met uitzondering van enige lofzangen aan het eind van het boek en het einde van sommige Psalmen – nooit de uitdrukking van die vrijheid. En zelfs dan, als zij er gevonden wordt, gaat het over aardse verlossing en vergeving.
In hun geheel genomen zijn de Psalmen dus de uitdrukking van de Geest van Christus: hetzij in het overblijfsel van Juda (of in het overblijfsel van geheel Israël), hetzij in Christus Zelf als lijdende voor hen, met het oog op Gods raadsbesluiten ten aanzien van Zijn uitverkoren, aards volk. En omdat deze raadsbesluiten in het bijzonder in de laatste dagen vervuld zullen worden, vormen de Psalmen de uitdrukking van de Geest van Christus in het overblijfsel, te midden van de gebeurtenissen, die in die dagen zullen plaatsvinden, wanneer God opnieuw met Zijn aards volk begint te handelen. Het zedelijk lijden, dat met deze gebeurtenissen verbonden is, werd min of meer in de geschiedenis van Christus op aarde bevestigd. Zowel in Zijn leven als nog meer in Zijn sterven is Hij nauw verbonden met de belangen en het lot van dit overblijfsel. Bij Zijn doop door Johannes maakte Christus Zich al met hen één, niet met de onboetvaardige menigte in Israël, maar met die “voortreffelijken der aarde”, die door de werking van de Geest van God ertoe gebracht werden de waarheid, door Johannes gebracht, te erkennen en zich aan haar te onderwerpen. In dit overblijfsel nu zullen de beloften, aan Israël gedaan, vervuld worden, zodat, hoewel ze alleen maar een overblijfsel zijn, hun gevoelens en hun hoop, de gevoelens en de hoop van het gehele volk zijn. Aan het kruis was Jezus voor God de enig ware getrouwe in Israël – het persoonlijk fundament van het gehele overblijfsel, dat verlost moest worden en de volbrenger van dat werk, waarop hun verlossing gegrond kon worden.
We moeten nu nog enige algemene opmerkingen maken over een punt, dat ik al heb aangeroerd, namelijk “het persoonlijk lijden van Christus”. Deze opmerkingen, grotendeels aan de Psalmen zelf ontleend, kunnen ons door het licht, dat de Evangeliën erover verspreiden, helpen om de geest en het doel van het gehele boek en tevens de betekenis van meerdere psalmen in bijzonderheden duidelijk te maken. Wij hebben al in het algemeen opgemerkt, dat de Psalmen ons het overblijfsel en zijn lijden, hoop en verlossing voor ogen stellen. En ook het zich éénmaken van Christus met het volk. Hij is in al hun smarten ingegaan, wil hun Bevrijder zijn en heeft de verzoening tot stand gebracht, die het fundament legde voor hun verlossing, zoals het dit doet voor de verlossing van iedere levende ziel – maar Hij is gestorven voor het volk (Johannes 11:51).
Natuurlijk straalt Zijn volmaaktheid ons uit Zijn gehele werk tegen. Maar hier moeten we in het bijzonder letten op het verband van dit werk met Israël en de aarde, hoewel ook de persoonlijke verheerlijking van Christus in de hemel, waaruit de uiteindelijke verlossing van Israël zal voortvloeien, genoemd wordt. Wij moeten dus in de Psalmen zeker niet de verborgenheid van de Gemeente zoeken, want die was in die tijd “verborgen in God!” Ook vinden wij hier Christus niet in Zijn verbinding met de Gemeente. De Psalmen geven ons op volmaakte wijze al de aardse ervaringen van Christus en Zijn volk, die de Geest van Christus voor ons wilde brengen. Maar om de hemelse ervaringen van hen die Hij verlost heeft te vinden, moeten wij in het Nieuwe Testament zijn (bijvoorbeeld Filippi).
Christus heeft ieder zedelijk lijden, dat het menselijk hart kan voelen, doorstaan. Hij werd in alles verzocht, gelijk wij, uitgenomen de zonde. En niets kan op zijn tijd meer vrucht dragen dan dat ons hart vervuld is met het lijden van de gezegende Verlosser, want niemand heeft ooit zo geleden als Hij 5. Maar de Psalmen zullen ons dat lijden voor ogen stellen en ik ga er dus hier niet dieper op in. In deze inleidende opmerkingen kan ik slechts kort de beginselen aanstippen, volgens welke en de posities in welke Christus het lijden onderging. Er zijn er, naar mijn mening, drie.
Christus leed van de zijde van de mensen, voor de gerechtigheid en liefde, omdat Hij getuigenis van het goede gaf – getuigenis gevende aan God en God openbarende.
In de tweede plaats leed Christus van Godswege voor de zonde. Deze twee vormen van lijden door Christus zijn zeer eenvoudig en duidelijk te onderscheiden door iedere gelovige. Maar de derde vorm maakt een grondiger onderzoek van de Bijbel noodzakelijk. Van de wegen van Jahweh ten opzichte van Israël wordt gezegd: “In al hun benauwdheid was Hij benauwd; de Engel van Zijn aangezicht heeft hen verlost” (Jesaja 63:9). Het eerste heeft al op bijzondere wijze plaatsgevonden (en het laatste zal nog vervuld worden) in Christus; Jahweh als Mens in het midden van Israël gekomen. Maar het lijden van Israël, van het overblijfsel wel te verstaan, neemt aan het eind een bijzondere vorm aan. De gelovigen worden verdrukt door de heidense macht in het midden van de uiterste verdorvenheid in Israël. Zij daarentegen zijn gekenmerkt door oprechtheid van hart (wat hen tot het overblijfsel maakt). Maar juist daardoor zijn ze zich ook bewust van en lijden onder de aanwezige algemene gevolgen van de zonde onder de regering van God en van de macht van satan en dood. En omdat de verlossing, die hen uit deze toestand zal redden, nog niet gekomen is, gaat hun geest onder de last van deze omstandigheden gebukt. Maar ook in deze droefheid is Christus volkomen ingegaan.
Gedurende Zijn gehele leven, zelfs tot in de dood, heeft Hij geleden onder alles wat de mensen Hem omwille van de gerechtigheid aandeden! (lees Psalm 11 en anderen). Bovendien heeft Hij op het kruis geleden voor de zonde. Hij dronk de beker van de toorn tegen de zonde – de beker, die de Vader Hem te drinken gaf. Maar behalve deze twee soorten lijden onderging Zijn ziel aan het eind van Zijn aardse loopbaan (we kunnen zeggen na het paasmaal) al de nood en droefenis, die in de regering van God over Israël komen zal – dit is niet het oordeel, maar toch ook de gevolgen van de zonde. Ongetwijfeld heeft Hij dit alles vooruit gezien en in zoverre gevoeld; net zoals Hij in Johannes 12 het lijden van Golgotha, dat Hem wachtte, voelde. Maar nu ging Hij in dat lijden in. Het was toen het uur van het afvallige Israël en de macht van de duisternis. Maar Hij zag nog op tot Zijn Vader in het besef van getrouwheid. Noch was Hij toen verlaten door God. Toen kon Hij Zich nog tot mensen wenden met de vraag of ze met Hem wilden waken. Maar wat kon het waken van de mens baten, als de toorn van God op Hem rustte? Het verschillende karakter van deze vormen van lijden is voor een ieder, die zich door God laat onderwijzen, duidelijk als we de psalmen die van Hem spreken successievelijk onderzoeken. Zo zullen we opmerken, dat, als Christus van de zijde van de mensen lijdt, Hij, sprekend door Zijn Geest in en voor Israël, om wraak roept over de mens. Dan zien we vaak anderen met Hem lijden. Als Christus echter van de zijde van God lijdt, dan is Hij geheel alleen en dan zijn de gevolgen niets dan pure zegen en genade voor de mens. Wat het lijden van de zijde van de mens betreft, wij kunnen het voorrecht hebben van zo te lijden – en dan hebben we gemeenschap met Zijn lijden. Maar Zijn lijden onder de toorn van God heeft Hij gedragen, opdat wij nooit een enkele druppel zouden hoeven te drinken uit die beker. Want dat zou voor ons het eeuwig verderf geweest zijn. Het lijden, dat Hij onderging onder de macht van satan en duisternis en dood, toen Hij nog niet werkelijk de beker van de toorn dronk (behalve wat in dat opzicht de Heerlijkheid van God eiste: Hebreeën 2:10), leed Hij om met Israël in hun verdrukkingen te kunnen meevoelen; die verdrukkingen, waarin zij zullen komen vanwege hun oprechtheid, hoewel nog altijd in hun zonden. Iedere aan zichzelf ontdekte ziel, die zich onder de wet bevindt, zal daarin troost vinden. Over al dit lijden wordt in de Psalmen gesproken, zowel in verbinding met Christus, als ook met Israël. Maar door het verwerpen van de Messias kwamen de Joden tot volkomen ondergang en het verlies van alle beloften (met uitzondering van de soevereine genade), en het overblijfsel in hun plaats van beproeving en verdriet.
Wij moeten verder bedenken, dat, hoewel de drie beginselen van het lijden, waarover wij gesproken hebben, totaal verschillend zijn en zij elk afzonderlijk duidelijk uitgedrukt worden en belangrijk zijn in hun eigen karakter, zij toch alle samen gevonden worden aan het einde van Christus aardse leven: in het lijden van Zijn laatste uren. Maar ik twijfel niet, dat, toen Christus de hof van Gethsemane verliet, Hij door de druk van satans macht op Zijn geest gegaan was en deze nu voorbij was. Op het kruis leed Christus van de zijde van de mensen vanwege de gerechtigheid en van de zijde van God alleen omwille van de zonde. Ik ben overtuigd, dat Zijn lijden vanwege Gods toorn over de zonde te diep was om ander lijden sterk te voelen. Na deze algemene opmerkingen, die ik nodig achtte voor een juist begrip van het boek dat wij voor ons hebben, zullen we nu met hulp van de Heer de inhoud van iedere Psalm zelf overdenken. Moge Hij daarbij zowel mij als u leiden. Als de Psalmen ons het lijden van Christus voorhouden en ook de belangstelling, die Hij voor Zijn volk op aarde heeft, dan past het ons deze dingen met eerbied en tegelijk met kinderlijk vertrouwen te overdenken.
Laten we wachten op Zijn onderwijs – zoals we inderdaad altijd moesten doen – opdat we geleid en onderwezen worden in ons onderzoek. Wat ons van de gevoelens van Christus spreekt moet aangeraakt worden met toegewijde liefde en heilige eerbied.
Het is algemeen bekend, dat de Psalmen in vijf boeken verdeeld zijn:
1. Het eerste eindigt bij Psalm 41,
2. het tweede bij Psalm 72,
3. het derde bij Psalm 89,
4. het vierde bij Psalm 106,
5. het vijfde bij Psalm 150.
Elk boek is onderscheiden door een speciaal onderwerp. Bij onze beschouwing van de Psalmen zullen wij een duidelijk inzicht krijgen in het eigen wezen van elk van de vijf boeken, maar toch lijkt het me niet overbodig hier een algemeen overzicht van hun inhoud te geven. Het eerste boek behandelt de toestand van het Joodse overblijfsel voordat het uit Jeruzalem verjaagd wordt, en dus gaat het ook over Christus in Zijn verbinding met dit overblijfsel. Inderdaad geeft dit eerste boek ons meer bijzonderheden over de persoonlijke geschiedenis van Christus dan al de andere. De reden kunnen we gemakkelijk begrijpen. Christus ging in en uit met het joodse overblijfsel, terwijl het nog verbonden bleef met Jeruzalem. Ik zeg hier het joodse overblijfsel in onderscheid met Israël of het hele volk.
In het tweede boek zien we, dat het overblijfsel uit Jeruzalem verjaagd is. Christus neemt Zijn plaats onder hen in en geeft hun de ware plaats van hoop te midden van de verdrukking. Omdat Christus Zich bij hen voegt worden zij, uit profetisch oogpunt gezien, in hun positie in gemeenschap met Jahweh hersteld als een volk voor Gods aangezicht (Psalm 45-46). Vóór dit tijdstip spreken zij, als verdrevenen uit Jeruzalem, eerder van God (Elohim) dan van Jahweh, want zij hebben de zegeningen van het verbond verloren, maar langs deze weg leren zij Hem veel beter kennen. Ik meen, dat de gebeurtenissen uit Christus’ leven Hem gelegenheid geven om op persoonlijke en praktische wijze te voelen wat de toestand van het volk is, hoewel dit vanzelfsprekend geschiedkundig in het algemeen minder Zijn plaats is. In Psalm 51 erkent het overblijfsel de schuld van het volk (om nauwkeuriger te zijn: van de joden) wat betreft de verwerping van Christus 6.
Het derde boek stelt ons de verlossing en het herstel van Israël als volk voor en de wegen van God met hen als zodanig. Jeruzalem wordt ten slotte het middelpunt van de zegeningen en de regering van God. De vreselijke gevolgen van het feit, dat zij onder de wet zijn, en de vereniging van alle barmhartigheden in Christus, komen in Psalm 88 en 89 goed uit. Zij eindigen met een smeekbede om die goedertierenheden. Uitverkiezende genade die zich in het koningschap openbaart tot bevrijding, als alles verloren schijnt, vinden we in Psalm 78. In het vierde boek wordt ons Jahweh voorgesteld als in alle tijden het toevluchtsoord, de woonplaats, voor Israël. Israël wordt verlost door de komst van Jahweh. De komst van de Eniggeborene in de wereld is het kenmerkende van dit boek. Omdat Jahweh steeds de schuilplaats is geweest van Israël, ziet het volk naar Hem uit om verlost te worden. Daarom worden hier de namen van God, die Hij bij Abraham en in het duizendjarig rijk draagt (“de Almachtige”, “de Allerhoogste”) gebruikt. En door wie worden ze gedragen? De Messias zegt: “Ik zoek ze bij Jahweh, de God van Israël”. Hij heeft er alleen recht op. Daarom zal er oordeel komen over de goddelozen, en de rechtvaardigen zullen verlost worden. De volle goddelijke natuur van de eens verworpen Messias wordt voorgesteld om de grondslag te leggen voor het feit, dat Hij een deel heeft in de zegeningen van de laatste dagen, hoewel Hij eens afgesneden was. Hij is de onveranderlijke, levende Jahweh, de Schepper. Dan komt de zegen over Israël en de schepping, en oordeel over de heidenen, opdat Israël de beloften genieten kan. Maar het is dezelfde barmhartigheid, die Israël zo vaak gespaard heeft.
Het vijfde boek heeft meer een algemeen zedelijk karakter: het eindigt met triomfliederen en lofzangen. Het deelt ons de bijzonderheden van Israëls herstel, door gevaren en moeilijkheden heen, mee en Gods recht op het hele land. Het vermeldt ook de goddeloosheid van het antichristelijke werktuig en de verheffing van de Messias tot Gods rechterhand, totdat Zijn vijanden zullen gezet zijn tot een voetbank van Zijn voeten, en dat Zijn aardse volk op de dag van Zijn kracht een gewillig volk geworden zal zijn. Ten slotte geeft het een terugblik op de wegen van God, een overzicht van de gehele toestand van Israël en van alles wat het volk heeft doorgemaakt, en van de grondslag waarop het voor God staat. “De wet in hun harten geschreven zijnde.” Tot slot komen dan de lofzangen.
Uit dit overzicht en meer nog uit het onderzoek waarmee ik nu een begin wil maken blijkt, dat er veel meer orde in de Psalmen is dan gewoonlijk verondersteld wordt door hen, die iedere Psalm beschouwen als een op zichzelf staand lied, dat bestemd is om persoonlijke godsvrucht uit te drukken. Wel zijn de Psalmen niet tot een onafgebroken verhandeling of geschiedenis verbonden, zoals andere gedeelten van de Bijbel.
Maar zij zijn toch een ordelijke en geregelde uitdrukking van de verschillende delen van één onderwerp. En dat is, zoals we gezien hebben, de toestand van het joodse overblijfsel of dat van Israël in de laatste dagen, hun ervaringen, en de verbinding van de Messias met hen. Deze onderwerpen worden in de meest ordelijke wijze behandeld. De Geest van God die de volgorde waarin de Psalmen voorkomen, geleid heeft, zoals Hij de inhoud van de gehele Heilige Schrift heeft geïnspireerd, heeft ook op dit gedeelte Zijn onmiskenbaar stempel gezet. Wie deze Goddelijke liederen, die het werk van verschillende schrijvers zijn uit diverse tijdperken, verzameld heeft, durf ik niet te zeggen. Ik laat dit over aan het onderzoek van hen, die zich met die studie bezighouden. Maar dit is zeker: bij allen die in hun ware betekenis doordringen, kan geen twijfel bestaan over Wiens macht in de Psalmen gewerkt heeft.
Het onderscheid, dat ik tussen de verschillende onderwerpen, die in de Psalmen behandeld worden, gemaakt heb, had mij er al toe gebracht om het hele boek op bovenstaande wijze te verdelen, vóórdat mijn aandacht op het overigens bekende feit gevestigd werd, dat zij net zo in de Hebreeuwse Bijbel verdeeld zijn. Maar dit beginsel van orde is evenzo uitgewerkt in de bijzonderheden van ieder boek.
Het eerste boek
We gaan ons nu bezighouden met de orde in het eerste boek en met de inhoud van de Psalmen die het bevat. Dit eerste boek is misschien door het algemeen en typerend overzicht, dat het ons geeft van de onderwerpen, die in de Psalmen behandeld worden, het uitgebreidst en daarom wellicht het belangrijkst van alle. De andere boeken geven meer de bijzonderheden, die dienen om het algemene denkbeeld, dat in het eerste staat, uit te werken. In het eerste boek en min of meer ook in de andere, als het beginsel toegepast kan worden, wordt de volgende orde gevolgd: de een of andere grote waarheid of historisch feit, dat verband houdt met Christus of met het overblijfsel, of met beide tegelijk, wordt voorgesteld, en daarna volgen dan een reeks psalmen, die de gedachten en gevoelens van het overblijfsel in betrekking tot deze waarheid of dit feit weergeven.
Volgens dit beginsel kunnen we het eerste boek in van elkaar verschillende gedeelten verdelen. De eerste 8 Psalmen vormen een inleidende reeks op alle 150 Psalmen. Deze reeks kan weer als volgt verdeeld worden: de Psalm 1 en 2, die de grondslag leggen voor alles, wat in de Psalm 3-7 geleerd en uitgedrukt wordt, en ten slotte Psalm 8. Psalm 9 en 10 leggen de grondslag van de volgende tot het eind van Psalm 15. Deze tweede serie houdt zich niet zozeer bezig met de grote grondbeginselen van Israëls geschiedenis in de laatste tijd, als wel met de toestand van het overblijfsel in de laatste dagen vanuit geschiedkundig oogpunt bezien. In Psalm 11-15 staan de gedachten en de gevoelens, die uit de toestand van het overblijfsel en uit de omstandigheden waarin ze zich bevinden tevoorschijn komen.
Een derde reeks, bestaande uit Psalm 16-24, laat ons de Messias zien, zoals Hij ingaat in de omstandigheden van het gelovig overblijfsel. Verder vinden wij er de getuigenissen van God, het lijden van de Messias en de uiteindelijke openbaring van Zijn heerlijkheid, als Hij bij Zijn wederkomst als Jahweh erkend wordt. Men treft ook het overblijfsel aan (Psalm 17, 20 en 23) maar het voornaamste onderwerp van deze psalmen is de Messias. Een uitzondering is de 19de, die ons het getuigenis van de schepping en de wet geeft. Een nieuwe reeks, van Psalm 25-39, deelt ons de verschillende gevoelens mee van het overblijfsel onder deze omstandigheden. Het boek eindigt, en is daarmee volledig, met de voorstelling van de ware bron van de tussenkomst van de Messias: de raadsbesluiten en plannen van God; de plaats die Hij in vernedering innam; en de zegen van hem, die, met goddelijk inzicht Zijn nederige positie en die van het gelovig overblijfsel, dat met Hem verbonden was, kon onderscheiden en er ingaan. Het overblijfsel is inderdaad met Hem verbonden en die waarheid wordt door de Psalmen vooral in het licht gesteld.
Het is buitengewoon belangrijk, dat sommige Psalmen ons een beeld van de Messias Zelf geven. Maar niet minder belangrijk is het de zedelijke eigenschappen te leren kennen, die de schoonheid en het bijzondere van Zijn Wezen voor Gods aangezicht vormen, en die het aantrekkelijke voorwerp zijn waarvan het Gods welbehagen is te zegenen, opdat wij er ons in zouden verblijden en opdat de onverbrekelijke, zedelijke eenheid van Christus en het overblijfsel aan het licht zou komen. Deze zedelijke verbinding en zijn demonstratie in Christus worden ons op zeer duidelijke wijze voorgesteld in het begin van de Bergrede (Mattheüs 5). De Heer noemt hen welgelukzalig, bij wie bepaalde zedelijke eigenschappen gezien worden. Door deze karaktertrekken wordt het overblijfsel gekenmerkt. Maar als men ze nauwkeurig beziet, ontdekt men, dat ze ons een beschrijving van Christus Zelf geven.
Hierdoor begrijpt men ook, hoe het komt dat wij Christus en het overblijfsel in zoveel Psalmen met elkaar vermengd vinden, terwijl andere psalmen, zoals gezegd, heel duidelijk het grote fundament van zegen in Hemzelf voorstellen. Wij kunnen daardoor ook het verschil begrijpen tussen de verhouding van Christus tot het overblijfsel en die van de gemeente tot Christus. Die van de Gemeente begint nadat de verlossing volbracht en Christus aan Gods rechterhand verhoogd is. Door de Geest uit de hemel neergekomen worden de gelovigen met Christus in de hemel verenigd. Hun ervaringen als christenen vloeien voort uit hun positie als verenigd met Christus op grond van een volkomen verlossing, en als gevolg in strijd met de wereld.
Zolang gelovigen die verlossing niet kennen, zullen zij juist daardoor ervaringen opdoen die met die van de Psalmen overeenkomen en in principe dezelfde zijn. Daarom zullen ze veel troost vinden bij het lezen van de Psalmen. Maar de ware en eigenlijke positie van de christen bestaat in vereniging met Christus in Heerlijkheid 7.
De gemeenschap van Christus met het overblijfsel is van geheel andere aard. Zij zullen door vele verdrukkingen moeten, voordat zij de verlossing, of haar toepassing in kracht op hen, zullen kennen. Wat zij ervaren is niet de vrucht van vereniging 8 met Christus. Zij waren niet met Hem verenigd, want Hij was alleen. Maar Hij is uit genade hun weg gegaan. Hij was verdrukt in al hun verdrukking en in al de benauwdheid van de zijde van de wereld. De dood stond voor Hem; in genade ging Hij in, in de vruchten van de straffende regering van God over hen, geopenbaard in de toestand waarin Israël toen was.
Lijdend onder het ongeloof en de goddeloosheid van Israël en de onderdrukkende volkeren, zoals het overblijfsel in die dagen zal doen, verenigt Hij Zich door Zijn Geest, profetisch met hen in al hun ellende, en geeft door Zijn Geest uitdrukking aan hun gevoelens op hun weg tot het ogenblik, dat zij de verlossing leren kennen.
Dit maakt de taal en het doel van de Psalmen eenvoudig en duidelijk. De woorden: “Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen”, sprak de Heer op het kruis, toen Hij het verzoeningswerk, de vrucht van de genade, volbracht. Het oordeel over Israël werd toen uitgesteld en de Heilige Geest herhaalde deze woorden op gezegende wijze toen Hij door de mond van Petrus de joden waarschuwde zich te bekeren (Handelingen 3), opdat Jezus mocht terugkeren tot hen, als de kinderen van de profeten en het volk waarin alle families van de aarde gezegend zouden worden. Deze aanbieding van genade had toen geen uitwerking. Maar in de laatste dagen zullen al de resultaten van dat kruis en van die voorbede op aarde, op deze aarde worden verwerkelijkt: wanneer zij zich bekeerd hebben en Hem zullen zien, die zij doorstoken hebben. Deze voorbede en de uiteindelijke vervulling daarvan zijn gegrond op het verzoeningswerk, dat tussen Christus en God alleen volbracht is, en dat uit genade is voortgekomen en genade zal aanbrengen. Maar zij houden geen verband met wat Christus van de zijde van de mensen geleden heeft. Dit lijden brengt het oordeel over de mensen, Zijn tegenstanders.
De Psalmen laten ons voortdurend dit gevolg van de boosheid van de mensen tegen Christus zien en de wens van het overblijfsel dat dit oordeel zal komen. Zo’n verlangen wordt nooit door Christus uitgesproken in de Evangeliën. Hij profeteert weeën over hen, die de zielen verhinderen om tot Hem te komen. Maar dit was uit liefde tot die zielen. We vinden geen roep om een oordeel. Anderzijds vindt men in de Psalmen geen enkele plaats als: “Vader, vergeef hun”, hoewel de vrucht van de genade, na de verlossing van Christus “van de hoorns van de wilde ossen” er op treffende wijze ontvouwd wordt. Het evangelie was het goede nieuws van de komst in liefde van de Zoon van God voor de wereld en voor Israël. De vleeswording was: Christus die alleen deze weg ging van liefde tot allen. God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende. Niets anders was toen, en niets anders kon toen geopenbaard en ontvouwd worden. Maar het overblijfsel van Gods volk moet door de verdrukkingen heen. En het enig mogelijke middel tot hun verlossing is de verdelging van hun vijanden. Wij, christenen, zullen uit onze strijd opgenomen worden “de Heer tegemoet in [de] lucht” (1 Thessalonika 4). Wij hoeven niet te verlangen naar de verdelging van onze vijanden om verlost te worden. Wij hebben in het evangelie met de genade te doen, met een Christus in de hemel, die nu niet door lijden gaat, en met heerlijkheid.
Het overblijfsel van Israël roept daarom om de uitvoering van het oordeel over zijn vijanden. Het heeft niets te maken met die hemelse, vrijmachtige, overvloedige genade, die ons een plaats geeft met Christus in de hemel, afgescheiden van deze wereld: “Niet van de wereld zijnde, gelijk Hij niet van de wereld was”. Het heeft te maken met de regering over deze wereld.
Ongetwijfeld is het overblijfsel ook een voorwerp van de genade. Immers, zij hebben de beloften over Christus verworpen (Romeinen 15:8) en zijn onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat zij barmhartigheid zouden verkrijgen (Romeinen 11:32). Toch zijn zij het volk, dat het middelpunt is van de regering van deze wereld en met het oog waarop deze regering wordt ontvouwd. Daarom verwachten zij het oordeel en de openbaring van de rechtvaardige uitoefening van Gods regering, en het wegdoen van de onderdrukker en de boze. Daarom heeft Christus (die deelnam en in de Geest zal deelnemen aan hun verdrukking, maar Zelf afgesneden werd, in plaats van te zien dat Zijn vijanden afgesneden werden, omdat Hij een beter en heerlijker werk volbracht) niét voor de wereld gevraagd maar voor de Zijnen, opdat zij daar mochten zijn waar Hij was. Dit hoofdstuk (Johannes 17) laat het verschil tussen de beide bedelingen goed uitkomen. Christus wilde geen vuur van de hemel laten komen, noch een rechtvaardig oordeel uitoefenen. Wel wordt in de Bergrede aangeduid, dat Hij met Israël op de weg was (naar de rechter: Mattheüs 5:25) zoals Johannes ook zegt, dat de wereld Hem niet gekend heeft. Toch is de weg van de christen goed te doen en daarvoor te lijden, ja, geduldig te lijden, zoals Christus deed.
Vandaar dan ook dat Christus, terwijl Hij door het lijden heenging, alleen profetisch verenigd kon zijn met de wensen en het verlangen van het overblijfsel aangaande en naar het oordeel. Deze wensen zijn op hun plaats, als de tijd van de officiële regering van God in deze wereld en het oordeel gekomen zal zijn. Al in Psalm 2 zien we Christus in deze positie. Alle psalmen zijn met het oog daarop gevormd. Het lijdende overblijfsel, dat om het oordeel over de vijand smeekt, ziet op Hem, die, hoewel Hij nooit om Zichzelf oordeel zocht, voor hen leed en oordeel zal zoeken en uitoefenen, waar Hijzelf het Middelpunt van dit middelpunt van aardse goddelijke regering is. De Geest van de profetie ziet Hem in dezelfde omstandigheden als het overblijfsel en het geroep om het oordeel wordt verhoord. Maar we zullen merken dat overal waar dit gebeurt, het overblijfsel, andere mensen, met de Heer genoemd worden.
In beginsel kan iedere lijdende jood zo spreken, maar omdat Christus meer dan allen heeft geleden, strekken de uitdrukkingen, die wij in de Psalmen vinden, waar om wraak geroepen wordt, zich soms uit tot omstandigheden, die Hij letterlijk meemaakte in Zijn lijden op aarde. Maar het uitgangspunt is de zielstoestand van een vrome jood, het doet er niet toe wie, tijdens de laatste dagen. In zo’n toestand is Christus ingegaan. Maar een plaats rechtstreeks of uitsluitend op Christus persoonlijk toepassen kan alleen als dit bewezen wordt door de omstandigheden en uitdrukkingen van die plaats. Het zedelijk punt van uitgang is altijd het overblijfsel en zijn toestand. Christus is alleen met hen verenigd in de Geest van de profetie, hoewel Hij, wat de feiten aangaat, zwaarder geleden heeft dan één van hen. Daarom is het zo belangrijk om in de allereerste plaats in de Psalmen de positie en de noodzakelijk daaruit voortkomende gedachten van het overblijfsel te zien. Christus verbindt Zich genadig met het overblijfsel en hun positie. Maar Hij moet het Middelpunt zijn en de Eerste waar Hij ook gevonden wordt. Als men dit niet ziet is het onmogelijk de Psalmen te begrijpen. Iedere uitlegging, die dit beginsel of deze waarheid niet tot uitgangspunt neemt, is fout. Als wij op het gebied van de profetie en van de rechtstreekse regering van God komen (zelfs in het N.T.), vinden wij onmiddellijk hetzelfde vragen om wraak terug. Dan is er sprake van oordeel en niet van genade. De zielen die onder het altaar zijn (Openbaring 6:9) roepen om wraak over hun vergoten bloed. En de apostelen en profeten worden opgeroepen om vreugde te bedrijven over de verwoesting van Babylon (Openbaring 18:20).
Dit belangrijk beginsel mogen we dus vaststellen: iedere psalm, waarin de Persoon van Christus niet het directe onderwerp is (zoals Psalm 2 en Psalm 102 en andere die persoonlijk van Christus spreken) kan niet in zijn geheel of rechtstreeks op Christus van toepassing zijn, maar behoort tot de positie van het overblijfsel en spreekt daarvan. Het beginsel van Gods handelingen met hen door Christus, wordt vaak gegeven als het grote voorbeeld van de smart van de lijdende rechtvaardigen. En daarom, in de omstandigheden waarop het betrekking heeft, kunnen de Psalmen rijzen alsof ze een letterlijke beschrijving geven van de omstandigheden waardoor Christus gegaan is, zodoende aangevend op welke wijze Christus in de omstandigheden van het overblijfsel is ingegaan. Dit laatste mag vanzelfsprekend het belangrijkste deel van de Psalmen zijn, maar het wijzigt het beginsel niet. Er mogen ook psalmen zijn waar het overblijfsel samen met Christus voorgesteld wordt als voorwerp van de uiteindelijke zegen, die over hen zal komen, maar waar duidelijk een bijzonder gedeelte op Christus alleen toepasselijk is als Degene Die alleen die zegeningen brengt. Psalm 22 heeft een heel apart karakter, omdat Christus daar, sprekend over lijden, die naar hun karakter, hoewel niet wat de mate betreft, gemeenschappelijk voor Hem zowel als voor het overblijfsel zijn, terwijl Hij al daarin is, overgaat in een lijden, dat alleen Hij doormaakte. Men kan zelfs zeggen, dat die Psalm ten doel heeft die twee soorten van lijden duidelijk te doen uitkomen door ze tegenover elkaar te stellen. De rechtvaardigen hebben geleden, het overblijfsel zal lijden. De rechtvaardigen werden verhoord toen zij riepen en het overblijfsel zal ook verlost worden. Maar Christus, volmaakt in het diepste en zwaarste lijden, werd niet verlost, zodat Hij inderdaad hier helemaal alleen was. Maar dit lijden wordt genoemd, om de tegenstelling te laten zien van dit lijden met ander lijden, waarin gelovigen kunnen zijn en geweest zijn. Het al door ons vermelde feit, dat in de psalmen, die het lijden van de gelovige onder de handen van mensen weergeven, hij die spreekt, altijd om wraak roept, en dat Christus in Zijn leven (zoals het ons in de Evangeliën wordt voorgesteld, dat is in overeenstemming met de waarheid, dat Hij persoonlijk in de wereld gekomen is en als Getuige alleen in de wereld stond) dat nooit doet, is van het grootste belang voor ons oordeel. Christus heeft niet alleen geen wraak geroepen, maar Hij deed juist het tegenovergestelde op het kruis. En Hij verbood Zijn discipelen uitdrukkelijk, toen zij Hem erom vroegen, om wraak af te smeken. Hij verweet hun zelfs, dat zij niet wisten van welke geest zij waren. Hierdoor kunnen we natuurlijk weten wanneer we Christus, zoals Hij op aarde Zich openbaarde, voor ons hebben in de Psalmen.
Laten we nu overgaan tot de bijzonderheden.
De opmerkzame lezer zal door de ordening van het eerste boek spoedig de juistheid zien van het beginsel, dat ik hierboven al aangaf: dat de standaardpsalmen, die een belangrijk beginsel of feit voorstellen, eerst komen en gevolgd worden door een reeks van psalmen, die de gedachten en gevoelens van het overblijfsel, die door dit beginsel of dit feit voortgebracht worden, tot uitdrukking brengen. Zo worden Psalm 1-2 gevolgd door Psalm 3-7, die een beeld geven van de situatie, zoals die door de psalmist gevoeld werd in betrekking tot Psalm 1-2: Christus, die verworpen is. Psalm 8 geeft dan het grote gevolg en laat een grote verandering zien in de positie van Christus, overeenkomstig de raadsbesluiten van God. Deze verandering vormt de grondslag voor alles wat volgt. In Johannes 1 wordt naar deze Psalm verwezen, in tegenstelling met de woorden van Nathanaël, die met Psalm 2 in verbinding staan. Evenzo in Lukas 9 en parallelplaatsen. De Psalm wordt aangehaald in Efeze 1 en 1 Korinthe 15 en verder ontvouwd in Hebreeën 2. Ook aan het eind van het Evangelie van Johannes vinden we de drie karakters waarop deze psalmen zijn gegrond. God rechtvaardigt Zijn verworpen Zoon, doordat Hij getuigenis van Hem aflegt. Hij wekt Lazarus op: de Zoon van God wordt daardoor verheerlijkt. Hij rijdt Jeruzalem in als Koning van Israël. Dan komen de Grieken en Hij zegt: “Het uur is gekomen dat de Zoon des mensen wordt verheerlijkt”; maar om deze plaats naar Gods raadsbesluiten in te nemen moest Hij lijden en sterven. In hoofdstuk 13 begint Hij dan ook Zijn hemelse plaats in te nemen. Psalm 1-2 zijn in feite een inleiding op het gehele boek. Want Zijn heerlijkheid als Zoon des mensen, hoewel hier wordt geprofeteerd dat Hij deze heerlijkheid ingaat, is een andere sfeer van heerlijkheid. Toch wordt Hij als zodanig erkend, zoals Hij Zich altijd zo noemde toen Hij op aarde was. Psalm 9-10 geven ons de toestand van de dingen in de laatste dagen en Psalm 11-15 de verschillende gevoelens van het getrouwe overblijfsel, naar aanleiding van die feiten.
In de Psalm 16-24 wordt ons dan voor ogen gesteld: Christus en het gehele getuigenis van God en Christus op het kruis of de verzoening, terwijl de Psalm 25-39 vervolgens weer de gevoelsuitingen, die daaruit voortkomen schilderen. In Psalm 25 vinden we voor de eerste keer de erkenning van zonden. Al eerder was er gesproken van beproeving en verlossing, maar zonden konden pas beleden worden met het oog en op grond van de verzoening, nadat God Zelf hen daarover onderwezen had. Zo zal het ook werkelijk met Israël gaan in de laatste dagen, maar dit punt wordt hier niet aangeroerd.
Ik wil nu verder gaan met de bijzonderheden, die de Heer mij genadig moge geven over de psalmen van het eerste boek. Ik heb al opgemerkt, dat de eerste twee psalmen de basis leggen voor alle andere. Zij beschrijven het zedelijke karakter en de positie van het overblijfsel en vervolgens de raadsbesluiten van God ten opzichte van Christus, de Koning te Sion: de wet en Christus, de twee grote grondbeginselen van de handelingen van God met Israël. Psalm 1 beschrijft ons het gelovig overblijfsel en geeft de zegen weer, die naar de regering van God met hun godsvrucht gepaard gaat. Met uitzondering van de troost en de vrede, die iedere rechtvaardige geniet, is deze zegen nog niet in vervulling gegaan. Er wordt hier op dezelfde wijze over gesproken als bij de voorstelling van het Koninkrijk in Mattheüs 5, waar Christus over het lot van de zachtmoedigen zegt: “Zij zullen de aarde beërven”. Het Koninkrijk was er toen nog niet en is ook nu nog niet opgericht in kracht (dit is het onderwerp van Psalm 2); maar ze worden gezien als in de laatste dagen, als het oordeel voor de deur staat. Daarom spreekt de Heer in Mattheüs 5 van het lijden omwille van de gerechtigheid. Het Koninkrijk der hemelen is bestemd voor hen, die op zo’n wijze lijden. Als zij echter lijden voor Zijn Naam, dan wordt er over de hemel zelf gesproken en dat hun loon daar groot zal zijn. In 1 Petrus 3:14 en 4:14 wordt dezelfde onderscheiding gemaakt.
Psalm 1
Psalm 1 stelt ons echter eenvoudig het godvrezende overblijfsel op aarde voor. Ik zeg overblijfsel, omdat het onderwerp van de Psalm gekenmerkt wordt door persoonlijke trouw. De rechtvaardige, die zich in de wet verheugt, wordt namelijk omringd door goddelozen, zondaars en spotters. Hij is een vrome jood, die zich ver houdt van de goddelozen. Hij wordt gezegend en is voorspoedig. Dit is het beginsel van deze psalm. Voordat dit echter werkelijkheid is moet het oordeel over de aarde komen. In dit oordeel zullen de goddelozen geen stand kunnen houden, noch de zondaars in de vergadering van de rechtvaardigen, die dan bevrijd zijn van de onderdrukking door degenen die zich om God niet bekommeren. We zien dus het algemene karakter van de rechtvaardige en het gevolg daarvan onder de oordelende regering van God.
Daarna komt een ander beginsel. Jahweh kent de weg van de rechtvaardige – de weg van de goddeloze zal vergaan. Enerzijds is er sprake van oordeel, anderzijds van een goedkeuring vóórdat het oordeel komt. Een goedkeuring, die in verband staat met de verbondsbetrekking van Jahweh met Israël. We weten dat Christus op aarde die godvruchtige Mens geweest is, en dat Hij Zijn plaats innam te midden van het getrouwe overblijfsel, deze “heerlijken op aarde” (Psalm 16). Ook in dit opzicht was Hij natuurlijk volmaakt. Wat dit betreft wijst deze Psalm op Christus, maar dit onderwerp wordt niet rechtstreeks behandeld. Het onderwerp is het karakter van de rechtvaardige, en het gevolg daarvan onder de regering van God, Jahweh, in het midden van Zijn volk. Het gaat hier niet om het lijden, dat hieruit voortvloeit. Dat is een omstandigheid die op zijn tijd zal blijken. Het gaat over het karakter van de rechtvaardige in tegenwoordigheid van goddelozen en over de afloop, die bepaald is door de onveranderlijke beginselen van Gods regering. Jahweh kent de rechtvaardigen. De anderen zullen omkomen. Psalm 1 stelt ons dus het zedelijk karakter van het overblijfsel voor, hun positie te midden van de goddelozen, de algemene regering van God en de verhouding tussen Jahweh en de rechtvaardigen.
Verder moet men er acht op slaan, dat de Psalm zowel de goddeloze als de vrome confronteert met een naderend oordeel, waardoor de goddelozen worden weggevaagd als kaf voor de wind en de rechtvaardigen de vergadering zullen vormen. Ze slaat dus duidelijk op het overblijfsel in de laatste dagen. De beginselen van deze psalm, het karakter, de positie van de personen waarover gesproken wordt zijn duidelijk genoeg. Zij zijn tevens van groot belang, omdat zij een voornaam deel uitmaken van het fundament voor het gehele gebouw van de Psalmen, namelijk Gods regering en de verdrukkingen, waaraan het overblijfsel blootstaat, die die regering schijnt te loochenen. Een regering, die pas actief in oordeel naar buiten optreedt als aan de verborgenheid van God een einde gekomen zal zijn.
We zijn hier op het terrein van Israëls plaats en de regering van God overeenkomstig de wet. Maar in het volk moeten we nog onderscheid maken tussen de rechtvaardigen en de goddelozen. De zegeningen zijn niet voor geheel Israël, maar voor de rechtvaardigen, die de vergadering (het volk) zullen vormen, als de goddelozen door het oordeel zijn weggedaan. Dit leert ons ook het eind van Jesaja, waar alleen in het laatste hoofdstuk ook over het oordeel over de volken gesproken wordt (Jesaja 48:22; 57:20; 65-66).
De eerste waarheden, die ons dus in de Psalmen voorgesteld worden, zijn:
- Een getrouw overblijfsel van het volk, dat zich verheugt in de wet;
- Het oordeel over de goddelozen, waardoor ze weggedaan worden, wat tot gevolg heeft, de vergadering van de rechtvaardigen overeenkomstig het ware karakter van Jahweh. Gods zedelijke regering over de aarde wordt door het oordeel in Israël 9 uitgeoefend. Daarom zien we hier dan ook duidelijk de laatste dagen.
Psalm 2
De Messias, de raadsbesluiten van God aangaande Zijn Gezalfde, zijn het tweede hoofdbeginsel van de positie van Israël en de goddelijke regering. In deze Psalm vormen de heidenen het hoofdonderwerp. Evenals in de eerste Psalm gaat het hier over de laatste dagen, als de rechten van Christus tot gelding zullen komen tegenover de koningen van de aarde en alle tegenstanders. Weer vormt Israël het middelpunt en de sfeer, waarin zich deze raadsbesluiten van God voltrekken. De Gezalfde moet Koning te Sion zijn. De tegenstanders zijn de machtigen van de volkeren, maar het kwaad strekt zich helaas ook uit tot de hoofden van Israël. Ze zullen sterven als mensen en vallen als één van de vorsten. “Een ongoedertieren volk” (Psalm 82:7 en Psalm 43:1) wordt van hen gezegd. Ook Petrus past deze Psalm toe.
Ik heb gezegd, dat de raadsbesluiten van God ten opzichte van de Messias, het hier ingevoerde beginsel is van de wegen van God waarover de Psalmen spreken. Maar de Psalm begint met de opstand van de volkeren, die Zijn heerschappij willen afschudden en met de tussenkomst van Jahweh, die haar zal bevestigen. De afvallige joden zijn helaas betrokken bij die grote opstand tegen God. De heidenen (naties) staan op, de volken bedenken ijdele dingen, de koningen en de vorsten van de aarde willen de banden van Jahweh en Zijn Gezalfde verscheuren. Maar de reactie op deze opstand is toorn en wraak, waartegen alle verzet vergeefs is. “Die in de hemel woont, zal lachen, de Heere 10 zal hen bespotten”. Want Jahweh heeft Zijn Koning over Sion, Zijn heilige berg, aangesteld. Dit is het vaste raadsbesluit van God, dat Hij door Zijn macht zal uitvoeren. De rebellerende mens wordt door zijn eigen aanmatiging naar de ondergang gevoerd.
Maar wie is die Koning? Jahweh heeft tot Hem gezegd: “Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd”. Het is Een, die gegenereerd is in wat men “heden” kan noemen, dat wil zeggen gegenereerd in de tijd en toch door Jahweh als Zoon wordt erkend. Hier wordt dus niet gesproken over de heerlijke en kostbare waarheid van het eeuwige Zoonschap met de Vader, hoewel men het er niet van kan losmaken, alsof het mogelijk was dat Hij Zoon op aarde was zonder de Eeuwige Zoon te zijn. Het Woord stelt ons Hem hier voor als de Gezalfde, dat “Heilige” dat in de wereld geboren is met de titel, bij Zijn geboorte hier ook, “Zoon van God” en die als zodanig door Jahweh erkend is. Daarom zegt Paulus in Handelingen 13:33, dat de verwekking (niet de opwekking) van Christus de vervulling is van de belofte aan de vaderen gedaan, daarbij Psalm 2 als bewijs aanhalend. Vervolgens haalt hij een andere plaats aan, in betrekking met Zijn opstanding en onverderfelijkheid.
Christus, op aarde geboren, wordt dus door Jahweh als Zoon van God erkend. Dit heeft grote gevolgen. Hij hoeft het slechts van Jahweh te eisen en de volkeren (heidenen) worden Hem tot erfdeel gegeven en de einden der aarde tot Zijn bezitting. Hij zal ze verpletteren met een ijzeren scepter en ze in stukken slaan als een pottenbakkersvat. Met onweerstaanbare macht zal Hij het oordeel uitoefenen over allen die op goddeloze wijze tegen Zijn troon opstaan. Dit oordeel is echter nog niet voltrokken (vers 10): de Psalm nodigt de koningen en rechters van de aarde uit tot onderwerping aan en nederige erkenning van de Zoon, opdat zij niet omkomen, als Zijn toorn slechts even zou ontbranden. Hijzelf is het op Wie men vertrouwen moet; en wie kan zo’n vertrouwen eisen dan Jahweh alleen?
Dit beroep op de koningen van de aarde is gebaseerd op de erkenning van Christus’ recht op koninklijk oordeel en koninklijke macht op deze aarde. Maar is Christus nu Koning te Sion? Nee. Hij werd buiten Sion geworpen en aan het kruis genageld, opdat Hij een betere zegening en hogere heerlijkheid, zelfs nog groter dan die Hij had bij de Vader vóór de wereld was, zou ontvangen. Dit laatste neemt niet weg dat Christus verworpen is door Sion, aan wie Hij Zich als koning voorstelde. Hij heeft de volken en het aardse erfdeel nog niet opgeëist. Wanneer Hij dit doen zal op de tijd van tevoren door de Vader bepaald, zal Hem dit zeker gegeven worden. Zijn vijanden zullen tot een voetbank van Zijn voeten gesteld worden. Hij verklaart Zelf (Johannes 17), dat Hij niet bad voor de wereld, maar voor degenen, die Hem uit de wereld gegeven waren.
De koningen van de aarde gaan door met regeren. Velen dragen zelfs Zijn Naam, maar zullen toch als opstandelingen onderkend worden, als Hij Zijn grote macht aannemen en Zijn wraak komen zal. Tot nu toe heeft geen ijzeren scepter hen aangeraakt, en het in stukken geslagen pottenbakkersvat is nu nog niet hun beeld. De Heer is nog niet opgestaan om hen te bespotten. Zij regeren door de autoriteit van God, maar er is geen Koning over Sion nu, want Christus is verworpen.
We hebben nu dus de voornaamste feiten van de geschiedenis in de laatste dagen: een joods overblijfsel, dat het oordeel verwacht, terwijl de goddelozen er nog zijn en de heidenen nog woeden tegen Jahweh en Zijn Gezalfde. Die in de hemel woont lacht over hun machteloze woede; Jahweh zalft Christus tot Koning over Sion en geeft Hem op Zijn verzoek al de heidenen tot een erfdeel. Hun onderwerping wordt bereikt door het oordeel, waartegen niets bestand is. Nergens is hier sprake van lijden, zelfs niet voor het overblijfsel van Psalm 1: het gaat hier om de raadsbesluiten en de bevelen van God en over zo’n macht als niemand weerstaan kan. In zekere zin zijn de koningen van de aarde opgestaan en hebben de vorsten gezamenlijk beraadslaagd, en wat aardse macht en omstandigheden betreft is het gelukt: Christus werd verworpen en verzette Zich niet.
Waar zien we dan het overblijfsel in het joodse deel van de wereldgeschiedenis? Welke plaats hebben zij? De grote beginselen van hun positie zijn in de psalmen 3-7 ontvouwd. Het is nu gemakkelijk te begrijpen, hoe de eerste twee psalmen de grondslag vormen voor het gehele boek, hoewel het grootste gedeelte van de inhoud van het boek de gevolgen zijn van het niet vervuld zijn van deze twee psalmen, in de tijd waarop de inhoud van het boek betrekking heeft. En in dit opzicht lijkt de samenstelling van het hele boek op die van een groot aantal psalmen persoonlijk. In het eerste vers of in de eerste verzen vindt men het gestelde. In de volgende verzen de omstandigheden, die vaak heel anders zijn en die de gelovige moet doormaken om tot wat in het begin van de Psalm gesteld is te komen.
De Psalm 3-7 geven in het algemeen en in beginsel een beeld van de toestand, waarin zich het overblijfsel bevindt te midden van een Israël, dat de gevolgen draagt van de persoonlijke verwerping van Christus. En daarbij de gedachten en gevoelens die de Geest van Christus in dat overblijfsel werkt. Een historisch beeld van de omstandigheden vinden we pas in de Psalm 9-10. Daarom wordt ons hier de werkzaamheid van de Geest van Christus in de gelovigen voorgesteld, in haar passende zedelijke vruchten, met het doel de toestand aan te tonen van het godvrezende overblijfsel, het heilige zaad, dat in Juda is in de tijd van het algeheel verval. De beginselen van hun toestand, hun gevoelens die hierdoor tot uiting komen, worden ons voorgesteld. We vinden niet de sterke uitdrukkingen die voortvloeien uit de druk van de omstandigheden. Maar iedere zedelijke fase in hun innerlijk leven, de verschillende gevoelens in verbinding met God, die door de Geest van Christus in hen gewerkt moeten worden, worden ons voorgesteld.
Psalm 3-7
Psalm 3 stelt ons de algemene toestand van het overblijfsel voor in tegenstelling met Psalm 2, en de ondersteuning en het door het geloof gewerkte vertrouwen daarin. De tegenstanders van de rechtvaardige zijn talrijker dan ooit. Ze honen hem alsof hij geen hulp van God heeft. Maar Jahweh is zijn Schild. Hij legt zich neer in vrede en in het geloof ziet hij zijn vijanden als verslagen en hun macht gebroken. Het heil verwacht hij van Jahweh en Zijn zegen is over Zijn volk. Wat hier gezegd wordt zal in de laatste dagen plaatsvinden. De rechtvaardige, hoewel omringd door vijanden, kan in vrede rusten en ziet profetisch hun ondergang en ook de zegen over Israël. De Psalm is de openbaring van het vertrouwen, dat de gelovigen in God hebben, terwijl zij zich in een hopeloze toestand bevinden, omringd door talrijke vijanden. Zeker heeft Christus dit volkomen meegemaakt. Maar de Psalm verplaatst ons in de laatste dagen, nadat gebleken is dat Psalm 2 nog niet is vervuld, bij het zich de eerste keer voorstellen als Messias aan Israël door Christus.
Psalm 4. Met deze Psalm is het weer anders: niet alleen is deze Psalm een uitdrukking van vertrouwen in God, maar hij doet ook een beroep op gerechtigheid tegenover de mannen die al de eer, die aan het volk van God en speciaal aan hun koning toebehoort, hebben veranderd in schande. Maar Jahweh heeft Zich een gunstgenoot verkoren. Het licht van Zijn aangezicht is de hoop en troost van de rechtvaardige. Psalm 3:5 en 4:2 maken beide gewag van de genade van Jahweh, die men heeft ervaren.
In Psalm 5 lezen wij van het hulpgeroep van de rechtvaardige. En tevens van zijn beroep op het wezen van God, dat toch moet overeenstemmen met dat van de rechtvaardige en dat tot logisch gevolg heeft, dat Hij hem hoort en de goddelozen oordeelt. Heeft de rechtvaardige de godzaligheid lief, dan heeft natuurlijk Jahweh dit ook lief; haat de rechtvaardige de boosheid dan haat Jahweh deze ook. Hij, Die door de rechtvaardige aangeroepen wordt is Dezelfde als de “rechtvaardige Vader” die de Heer noemt in Johannes 17. Slechts met dit verschil, dat daar het antwoord “de hemel” en hier “de aarde” is – een noodzakelijk gevolg van het verschil in de positie van Christus op aarde en van het overblijfsel.
Psalm 6. In deze Psalm neemt het overblijfsel een andere plaats in. Zij worden verdrukt: hun ziel is verschrikt, de zwaarte van hun verdrukking drukt op hun geest, en hun geweten dat niet gereinigd is vreest dat Jahweh Zich misschien in toorn van hen heeft afgekeerd. Daarom vragen zij of Jahweh hen niet wil straffen in toorn en kastijden in Zijn grimmigheid. De straf hebben zij – als volk – wel verdiend, maar het verloste hart doet een beroep op Gods genade en goedertierenheid. Zij wachten op de Heer, die hen zal verlossen door Zijn goedertierenheid en redden van de dood. Ook waarschuwen zij de bedrijvers van ongerechtigheid om hen met rust te laten, want Jahweh heeft hun geroep gehoord.
Psalm 7 is een beroep op Jahweh, dat gegrond is op het rechtvaardige, ja meer dan rechtvaardige gedrag van de gelovige tegenover zijn vijanden. Men smeekt Jahweh op te staan en vraagt of Hij, Die het oordeel verordend heeft, oordelen wil, opdat als gevolg van de bevrijding van het overblijfsel door oordeel de gemeenschap van volken Hem zal omringen. Hij zal dan de volken oordelen. Het toekomende oordeel wordt hier op een duidelijke wijze voorgesteld. Maar hier zien we ook nog een andere waarheid: de Heer oordeelt (of beoordeelt) de rechtvaardige. Als een man zich niet bekeert, maar doorgaat in zijn boosheid, dan zal Zijn toorn hem vervolgen.
In dit alles zien we de Geest van Christus, die Zich één maakt met het joodse overblijfsel, en in sommige opzichten zien we Christus Zelf. Dat is als Iemand die gaat door omstandigheden, die Hem in staat stellen in waarheid mee te leven in de moeilijkheden van het overblijfsel. We hebben echter opgemerkt dat de uitwerking op Zijn ziel nooit hetzelfde is geweest als de uitwerking op het trouwe deel van de joden. We hebben hier niet de geschiedenis van Christus, maar Zijn medegevoel met hen. Er zijn twee beginselen die Christus op aarde en het overblijfsel in de laatste dagen met elkaar verbinden. Hij plaatst hen in genade in de toestand waarin Hij Zich bevond op aarde 11 en Hij maakt Zich één met hun toestand. Wat de natuur en de beginselen van hun leven betreft hebben de gelovigen de gevoelens van de Geest van Christus, zoals Deze in hun toestand in hen zou werken. Hun roepen en smeken zijn de uitdrukking hiervan. God staat hun vorderingen toe, hoewel zij zelf in dit verband geen helder begrip hebben, en geeft hun in de Psalmen de uitdrukkingen daarvoor. Het is een nood, en tegelijk een begeren, dat door het leven in hen geldigheid heeft tot Zijn hart, die rekening kan houden met de grond voor zegening die Christus gelegd heeft. Dat maakt Hem rechtvaardig als Hij verdraagt, hoewel de gerechtigheid ten opzichte van de joden nog niet geopenbaard is. Hun kennis van dat wat Jahweh is en wat Hij altijd geweest is, hetzij met het oog op onkreukbaarheid als op onderdrukking, laat hen uitzien naar een verlossing, die onmogelijk 12 schijnt.
Wij vinden in Psalm 4:3; 6:4 en elders, een uitdrukking, waarop wij bijzonder moeten letten, nl.: “Hoelang nog?” Deze roep is de uitdrukking van de verwachting van het geloof. God kan Zijn volk niet voor eeuwig verstoten – tot hoelang zal Hij met hen handelen alsof Hij het wel deed en hun verdrukking niet aanzien? Daarom wordt op een andere plaats (Psalm 74:9) gezegd: “Er is niemand onder ons die weet hoelang nog.”
Deze Psalmen samen geven ons een algemene voorstelling van de toestand van het joodse overblijfsel voor God in de laatste dagen en van de beginselen waarop hun zielen staan als rechtvaardigen. Echter tot nu toe vinden we nog niets van de sterke uitstorting van hun gevoelens onder de zware last van de verdrukkingen. Is Christus dan ver van hen allen? Natuurlijk niet! Anders zouden de Psalmen er niet zijn. Christus gaat in medegevoel in hun toestand in. Door Zijn Geest vormt Hij in deze toestand het geloof in hun harten en is zodoende op de beste wijze volkomen in hun midden in hun nederige toestand. De Psalm 3-7 geven de persoonlijke gevoelens van Christus toen Hij op aarde was niet weer 13, maar Hij heeft door Zijn eigen lijden in gelijke omstandigheden geleerd op de juiste tijd een woord met de vermoeiden te spreken. Gezegende waarheid!
Psalm 8
Wij zijn nu gekomen tot Psalm 8 die deze ontvouwing van de toestand van het overblijfsel en van de raadsbesluiten van God, met betrekking tot de verworpen Gezalfde van Jahweh, afsluit. De psalmist is hier de mond van het nu verloste overblijfsel: “O, Jahweh, onze Heer!” Vergeefs zijn de volken tegen Hem opgestaan. “Hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde! U Die Uw majesteit getoond hebt boven de hemel”.
Het is hier nog niet een Koning in Sion – hoewel Hij zeker op die wijze heersen zal – maar een majesteit, die boven de hemelen verheven is. Niet alleen het volk van de grote Koning wordt gezegend, maar overal waar de mensen wonen is de Naam van Jahweh, de God van Israël, groot. Is het nu door het plaatsen van de Christus op Zijn heilige berg in Sion? Nee, deze majesteit wordt ons hier voorgesteld in verband met de verheffing van de Zoon des mensen, die niet alleen verheven wordt boven de mensen, maar ook boven alle werken, die Zijn handen geschapen hebben, voor zover Zijn heerschappij reikt. Niets wordt daarvan uitgezonderd. Hij alleen is uitgezonderd die alle dingen onder Hem plaatst (1 Korinthe 15). En Wie is deze Zoon des mensen? Hij is Een, die een weinig minder gemaakt is dan de engelen vanwege het lijden van de dood, maar nu met heerlijkheid en eer gekroond en gesteld over al de werken van Gods handen 14. Uit de Brief aan de Hebreeën kunnen we weten, dat dit laatste nog niet gebeurd is. Hij kon niet verworpen worden als de Christus (zelfs als deze titel later verwerkelijkt zou worden door Hem die van de hemel lacht over de onmachtige woede van de koningen van de aarde) zonder dat Hem daarom juist een nog heerlijker plaats bereid werd. Een plaats volgens Gods raad voor Hem bestemd: met eer en heerlijkheid gekroond te worden in de hemelen en over alle dingen gesteld te worden. Zoon van God en Zoon van David, Koning over Sion, waren Zijn aardse titels (vergelijk Johannes 1:49-51).
Maar Zijn eerste verwerping in dit karakter, voerde Hem in die grotere heerlijkheid in, die Hij eveneens naar recht verkreeg: de heerlijkheid die volgens Gods raadsbesluit de Zoon des mensen toekomt. Daarom verbiedt de Heer in de Evangeliën Zijn discipelen om te zeggen dat Hij de Christus was (Mattheüs 16:20-21; 17:12; Lukas 9:20-22), (want Hij was toen verworpen door Israël) omdat de Zoon des mensen lijden, verworpen, aan de heidenen overgeleverd, sterven en opstaan moest. Dit was dus grote genade voor Israël – maar genade voor de mens, de mens in de Persoon van Christus. En op die manier werd de Naam van Jahweh, de God van Israël, verheerlijkt op de gehele aarde.
Dit heerlijke resultaat wordt, als het einde van de psalm, door de mond van het overblijfsel verkondigd, hoewel het teweeggebracht wordt door en afhankelijk is van een nog veel grotere heerlijkheid. Te midden van de woede en de boosheid van Zijn vijanden heeft God, om de hoogmoed van die hardnekkige en meedogenloze onderdrukkers van Zijn heiligen te treffen, de zwakste instrumenten op aarde uitgekozen om Hem lof te verkondigen. Christus’ intocht in Jeruzalem op het veulen van een ezelin is hiervan een voorbeeld. Maar de volkomen vervulling komt in de laatste dagen. Bij de opwekking van Lazarus gaf God getuigenis, dat Christus de Zoon van God was, bij de intocht in Jeruzalem de Zoon van David en toen de Grieken kwamen, de Zoon des mensen (Johannes 12:20). Maar toen moest Hij sterven, om deze laatste heerlijkheid (als Zoon des mensen) te ontvangen. Maar in de laatste dagen zal dit niet zo zijn. Dan zal het officieel en in kracht vervuld worden. Tot die dag is Hij met eer en heerlijkheid gekroond op een betere plaats.
De inhoud van Psalm 8 is verheven van aard en getuigt van grote geestkracht, zoals past bij de grote verlossing, die verheerlijkt wordt. Hoe nietig is de mens in vergelijking met de gehele schepping. Wat is de mens als wij het onmetelijke en schitterende heelal beschouwen? Maar zie dan naar Christus en al die glans verbleekt bij de uitzonderlijke heerlijkheid van Hem, onder Wiens voeten alles gesteld is. Alles zal door dit grootse feit een nieuwe glans verkrijgen. De mens is inderdaad groot en boven alle dingen verheven, in Hem, de Zoon des mensen, aan Wie alle dingen onderworpen zijn.
We willen hier niet uitweiden over het gebruik dat het Nieuwe Testament van deze Psalm maakt en alleen dit opmerken: dit gebruik maakt en de zin en het belang ervan zeer duidelijk.
1 Korinthe 15 zegt ons, dat ze vervuld is in de opstanding; Hebreeën 2 leert ons, dat de onderwerping van alle dingen onder de voeten van de Zoon des mensen zal plaatsvinden in de toekomende wereld. Alle dingen zijn Hem nu nog niet onderworpen, maar wel is Hij al gekroond met heerlijkheid en eer. En in Efeze 1 lezen we, dat de Gemeente met Hem verenigd is in deze plaats van heerlijkheid. Dit laatste wordt echter in deze Psalm niet behandeld, omdat het een deel uitmaakt van de verborgenheid die van alle eeuwen en van alle geslachten verborgen is geweest in God (Kolosse 1:26).
Voordat we tot de beschouwing van de volgende psalmen overgaan, wil ik in het kort het besprokene bij deze inleidende psalmen nog eens naar voren halen. In de eerste plaats zagen we het overblijfsel van de laatste dagen en vervolgens Gods raadsbesluiten betreffende de Messias. De koningen op aarde staan tegen Jahweh en Zijn Gezalfde op, maar toch zal Hij als Koning over Sion bevestigd worden. Daarna zagen we in de Psalm 3-7 de grote beginselen van de openbaring van het overblijfsel in hun moeilijke omstandigheden tengevolge van de verwerping van Christus. Men komt niet die diepe gevoelsuitingen tegen, die elders door de grootte van de druk ontstaan, maar alleen de gevoelens die de genade in hun toestand werkt, zover als ze nodig zijn om de gevoelens van genade en geloof in die toestand weer te geven: Psalm 3-5 vertrouwen, Psalm 6-7 een hart dat zich buigt onder de nood. Psalm 3 toont eenvoudig vertrouwen. Psalm 4 de aanroeping van de God van de gerechtigheid en de weg van de rechtvaardige. Psalm 5 de rechtvaardige roept tot Jahweh, omdat Deze een onderscheid maakt tussen de bozen en de goeden, en de bozen dus weggedaan moeten worden en de rechtvaardigen die op Jahweh vertrouwen door Hem gezegend worden. Psalm 6 doet een beroep op de ontferming van God: de gelovige die terneergedrukt is, smeekt Jahweh om hem niet in Zijn toorn te straffen, en Jahweh heeft zijn smeekbede, om hem van de dood te redden, gehoord. In Psalm 7 roept de gelovige de tussenkomst van God in tegen zijn verdrukkers. Daarbij vergelijkt hij hun gedrag tegen hem met het zijne tegen hen. Maar Jahweh oordeelt Zijn volk.
Dit zijn de voornaamste kenmerken van de verbinding tussen Jahweh en het overblijfsel van Zijn volk in die tijd.
Hoe heerlijk zal het voor hen zijn dat hun geloof versterkt en door deze genadige getuigen van de Geest van Christus onder woorden gebracht is. Woorden die hen leiden, hen uittillen boven hun gerechtvaardigde vrees, en hun hoogste hoop rechtvaardigen. Het is, dunkt mij, niet moeilijk te begrijpen waarom Christus niet persoonlijk de wensen en gevoelens kon hebben, die hier uitgedrukt worden. En toch werkt Hij door Zijn Geest op profetische wijze deze zelfde begeerten in het overblijfsel en voelt Hij mee in hun omstandigheden. Hij kwam uit de hemel, maar verloor nooit de geest die daar heerst, hoewel Hij nu in omstandigheden kwam, die de aarde over Hem bracht; deze geest echter is liefde. Waardoor was Christus boven het kwaad verheven? Door de kracht van Zijn liefde en het bewustzijn van goddelijke gevoelens, die de Zoon des mensen, die in de hemel is, moest hebben, hoewel Hij door elke smart ging waaraan de Zoon des mensen op aarde kon onderworpen zijn. Hij ging Zijn weg door al de ellende, die de zonde en de onafgebroken vijandschap van de mens en de ongevoeligheid van zelfs Zijn discipelen (ze begrepen niet één keer wat Hij tegen hen zei) over Hem brengen kon. Maar al voelde Hij het des te pijnlijker en dieper, omdat Hij volmaakt was, toch stond Hij in liefde boven al het kwaad in de persoonlijke volmaaktheid van het goede. Maar met het overblijfsel is dat anders. Het zal door God ondersteund worden, niet alleen in het midden van, maar ook onder alle kwaad. Eronder gedrukt door hun schuldgevoelens en vrees voor de toorn van God. Niet maar het diepe gevoel van de toorn van God, maar een persoonlijke ziftende vrees ervoor. De verlossing kan uitsluitend komen door de verdelging van hun vijanden en naar die verdelging zien zij uit. Hun vijanden zijn ook de vijanden van Jahweh en hun verlangen is dus goed (zie Psalm 6:6,8,11).
Met Christus was dit anders. Hij was in hemelse liefde boven alle vijandschap verheven en door bewuste gemeenschap met de Vader, Wiens wil Hij in vrede had te volbrengen, bewust van Zijn goedkeuring. Zo ging Hij Zijn weg tot Hij aan het eind dat donkere dal inging, waar Hij voor ons en voor Israël de toorn van God moest ontmoeten. Maar daar had alles plaats tussen God en Hem alleen. En wat Zijn aardse vijanden betreft zegt Hij alleen: “Als u dan Mij zoekt, laat dezen heengaan” (Johannes 18). Waarop allen verschrikt op de grond vallen, terwijl Hij rustig zegt: “Dit is uw uur en de macht van de duisternis!” Daarom ging Hij, goddelijke liefde, door al de beproevingen, die Israël of ons ten deel zouden kunnen vallen. Maar Hij deed het persoonlijk uit liefde. Alles werd door Hem gevoeld, maar Hij was in liefde tot mensen boven het kwaad, in volmaakte gemeenschap met de hemel en haar liefhebbende gunst. Wat dit betreft is Hij een voorbeeld voor ons en niet voor Israël. De Heer onderging werkelijk alles wat het overblijfsel nog zal moeten doormaken, maar was vrij van de invloeden die deze omstandigheden op Hem konden uitoefenen, zodat Hij met anderen die daarin waren of zullen zijn kon meevoelen. Dit doet Hij op volmaakte wijze en inspireert profetisch de uitdrukkingen van geloof voor hen, die onder de verdrukkingen gebukt gaan, omdat ze de liefde van Boven en de verlossing nog niet kennen. Door de Geest van de profetie geeft Hij tegenover God uitdrukking aan wat zij voelen en doormaken, zoals de Geest dat in zulke mensen zou doen. Niemand kan zich beter in de droefheid van anderen verplaatsen dan Hij, Die de oorzaken en ook de uitwerking, die droefheid heeft op de gemeenschap met God, uit eigen ervaring kent, maar er Zelf op dat ogenblik niet meer in is. Christus is in al hun verdrukkingen geweest toen Hij op aarde was en heeft ze gevoeld. Maar Hij heeft niet die gevoelens gehad, die zij, die in deze verdrukkingen noodzakelijkerwijze en naar recht met zichzelf bezig zijn, voelen. Hij had Zijn vijanden lief. Door Zijn volmaakt meeleven met het overblijfsel voelt Hij hun omstandigheden en gevoelens aan en geeft Hij door de profetische Geest daaraan op Goddelijke wijze uitdrukking. Het menselijk verstand mag hier misschien tegen op komen en zeggen, dat het gemakkelijk is om die gevoelens weer te geven, terwijl men zelf niet in die omstandigheden is. Maar het is zo, dat de Heer in de absolute zin van het woord al die verdrukkingen heeft ondergaan, oneindig meer dan het overblijfsel ooit zal doen. En bovendien heeft Hij dat lijden ondergaan, wat zij niet meer hoeven te ondergaan, omdat Hij het voor hen deed. Kan de Heer niet volmaakt meevoelen omdat Hij betere gevoelens had in die omstandigheden? Juist daardoor is de Heer ertoe in staat met het oog op de gehele ellende die, toen Hijzelf leed, van satan kwam, en van God, toen het niet meer alleen een kwestie was van gevoelens tegenover hen door wie de ellende kwam. Hij ging op dezelfde wijze als het overblijfsel door al het leed, maar voelde dit veel dieper aan dan zij. En voor een deel en wel verreweg het zwaarste heeft Hij op Zich genomen wat de anderen nooit te dragen zullen krijgen. Wanneer het overblijfsel in dezelfde verdrukkingen zullen zijn zonder kennis van Gods gunst, dan zal Christus hun door deze psalmen de openbaring van een gezindheid kunnen geven waarop God met goedkeuring kan neerzien. Hij zal hun zielen door hen leiden. Hoe vaak gebeurt het niet, dat wij door twijfel overmand, nauwelijks durven uitspreken wat ons bezighoudt, uit angst dat we God zouden beledigen door de onzekerheden van een bewolkt geloof? En dan wordt soms ons hart tot rust gebracht en ontvangen we vertrouwen om tot God op te zien door een tekst, die onze gevoelens tot uitdrukking brengt op een wijze die juist moet zijn, omdat het het Woord van God is. Zo zal het ook dan met het overblijfsel zijn.
Psalm 9-10
De Psalm 9-10 stellen ons geschiedkundig voor wat de omstandigheden zijn, waarin het trouwe deel van het volk zich in het land bevindt tijdens de laatste dagen. De voornaamste grondbeginselen zijn van tevoren gelegd: het overblijfsel – de Messias – Israël in verdrukking vanwege Zijn verwerping – de weg, die de Messias persoonlijk is gegaan – de heerlijkheid van de Zoon des mensen. En nu vormen de Psalm 9-10 eigenlijk een soort van inleidende beschrijving van de omstandigheden, opdat de plaats waar deze oefeningen van het hart van de heiligen plaatsvinden, en de stand van zaken die er aanleiding toe geven, en de verlossing, die door het oordeel van God wordt teweeggebracht, ons duidelijk voor ogen mogen staan.
We zijn direct in de laatste dagen, waarin het overblijfsel wordt verdrukt door de goddelozen en de heidenen. De Messias, in de Geest in de verdrukten, erkent de gerechtigheid van Jahweh in het oordeel: op de troon zittend oordeelt God rechtvaardig.
Terloops willen we de lezer opmerkzaam maken op het verschil tussen de verheerlijking van de gerechtigheid van God, Die, zittend op Zijn troon, rechtvaardig oordeelt en de gelovigen rechtvaardigt en handhaaft tegenover zijn verdrukkers, en het gebeuren aan het kruis, waar we Christus zien, Die niet gerechtvaardigd werd op de aarde, maar die Zich van God verlaten verklaart, terwijl Zijn vijanden schijnbaar alles kunnen doen wat zij willen. En nadat de gerechtigheid op hemelse wijze bevestigd was, plaatste Gods rechtvaardigheid Hem aan Zijn rechterhand in de hemel: “Van gerechtigheid, omdat Ik naar de Vader heenga en u Mij niet meer aanschouwt” (Johannes 16:10). Wat deze gerechtigheid betreft: Hij is geheel uit de wereld weggenomen, zodat de discipelen, als in het vlees zoals het geval was met de andere joden, Hem niet meer zagen. Hij had God verheerlijkt en Hij werd in God verheerlijkt, zoals God in Hem verheerlijkt was. De gerechtigheid, waarover onze psalmen spreken, die de verdrukker oordeelt, hoewel uitgeoefend door God, Die alleen werkelijk rechtvaardig is en macht heeft, heeft haar sfeer en maatstaf in de regering van deze aarde, en in de onderscheiding tussen de rechtvaardigen en de bozen, de verdrukte en de verdrukker. Zij staat in verbinding met de rechtvaardige regering van God over de aarde. Als we dit goed zien hebben we een sleutel tot een juist inzicht in de opbouw en inhoud van alle psalmen.
Een ander punt dat genoemd mag worden is, dat in onze vertaling verschillende Hebreeuwse woorden zijn vertaald door volk. Ham, Hammi (3:9) (in het enkelvoud) “volk”, “mijn volk” (Israël); Gojim (2:8) “de volken” of “de heidenen”, dat wil zeggen zij, die buiten zijn, in tegenstelling met Israël, het volk van God. Israël wordt één keer bij die naam genoemd om haar schuld aan te duiden (Psalm 43:1). “Leummim”, (7:8) “de volken en de naties” in het algemeen, de verschillende geslachten, rassen, waaruit de mensen bestaan. “Hammim” (7:9), (meervoud) “de volken”; ik denk de naties in hun relatie, met het herstelde Israël en in hun gemeenschap met Jahweh.
We willen nu overgaan tot de beschouwing van de twee psalmen die voor ons liggen. Psalm 9 stelt ons Jahweh voor, de Allerhoogste – (de namen van God in Zijn betrekking met de joden en met de vervulling van de aan Abraham gegeven beloften in het duizendjarig rijk) – die Zijn volk door oordeel verlost van de verdrukking van de volken, en de boze vernietigt. De verloste jood looft deze goedheid, die het recht en de belangen van de rechtvaardige heeft gehandhaafd. Duidelijk merken we de Geest van Christus op, die hier pleit voor de zaak van de oprechte. Dit is Zijn recht en als de jood van recht kan spreken dan is dit alleen door Hem. En als zij op dit recht een beroep doen, dan is het door Hem, die de woorden in hun mond legt. Als Christus niet aan hun verdrukking had deelgenomen en als Hij hun deze woorden niet gegeven had, dan zouden zij onmogelijk van “mijn recht” kunnen spreken.
Laten we nu de details bezien van de toestand, waarover deze Psalm het heeft. De ootmoedige en onderdrukte looft met heel zijn hart God, onder de dubbele naam van Jahweh en de Allerhoogste 15. De vernietiging van de vijanden is niet maar een menselijke overwinning. Zij vallen en komen om voor het aangezicht van Jahweh Elohim. Deze is tussenbeide gekomen om het recht en de zaak van de rechtvaardige te handhaven; ja eigenlijk het recht en de zaak van Christus, die Zich uit genadig medegevoel één gemaakt heeft met Zijn volk.
In de verzen 7-8 vinden wij een belangrijk beginsel voor het geloof van alle tijden, maar dat dan op bijzondere wijze bevestigd zal worden. De activiteiten van de vijand hier beneden zijn tijdelijk. Hij kan, als God het toelaat, de voorspoed vernietigen. Maar de HEERE is eeuwig. Daarom hoeven wij alleen de wil van God te doen op onze weg door het leven. Aan het eind zal altijd alles zo gaan en worden als Hij wil. Die wil, die wij op de weg doen, misschien in droefheid en lijden, zal aan het eind van de weg zeker triomferen. In onze Psalm is het ogenblik gekomen, dat de verwoestingen voor altijd zullen eindigen – de steden en hun gedachtenis waren vergaan, maar Jahweh blijft in eeuwigheid.
Wij hebben gehoord van het geduld van Job – dit was voorbijgaand. Maar we hebben ook het einde van de Heer gezien en dat is de grondslag voor het geloof. Het geloof wandelt met Hem, die zeker het eind in Zijn hand houdt. Hij is eeuwig, Hij heeft Zijn troon gezet om te oordelen. Hij zal de wereld richten in gerechtigheid en de volken oordelen in rechtmatigheid. Dit is het openlijke karakter van Jahweh. Maar er is nog een bijzondere zijde van Zijn Wezen, als we dat zo mogen zeggen, en daarover vooral spreekt deze psalm. Samen met het karakter van rechtvaardigheid in absolute zin is het het grote onderwerp van alle psalmen. Beide zijn alleen aan het geloof bekend, maar worden van tevoren al geprezen. Dit tweede deel is: Jahweh is een Burcht, waar de verdrukte in zijn benauwdheid kan schuilen. Daarom zullen allen, die Zijn Naam kennen, op Hem vertrouwen. En als Hij tussenbeide komt ten gunste van hen, die Hem op die dag zoeken, dan zal Zijn Naam verheerlijkt worden op de hele aarde.
Nog een ander punt vinden we hier: Jahweh, die Zich op deze wijze openbaart, woont in Sion. Zijn daden, die verricht werden om Zijn heerlijkheid te doen uitkomen in het oordeel ten gunste van het overblijfsel, zullen onder de volken 16 verkondigd worden, opdat deze daardoor leren op Hem te vertrouwen. Dat houdt dus in, dat Jahweh aan het eind weer teruggekeerd is naar Sion. In de verzen 14-15 roept het overblijfsel Jahweh aan, op grond van Zijn barmhartigheid, opdat zij Zijn lof mogen vertellen in Sion en zij zich kunnen verheugen in Zijn heil dat door Zijn oordelen gekomen is. In vers 16 wordt het oordeel verheerlijkt, terwijl vers 17 het zedelijke resultaat laat zien, Jahweh wordt openbaar door het recht dat Hij handhaaft. De wijze waarop deze Psalm dient als een inleiding tot beter begrip van de grote lijnen van het gehele boek, en haar toepassing op de laatste dagen, is heel duidelijk. Als we dit goed begrepen hebben helpt het ons belangrijk in ons inzicht in het gehele boek.
In de laatste verzen zien we, dat de goddelozen 17, wie het ook mogen zijn, joden zowel als uit de volken en inderdaad vooral de joden en al de volken, die zich om God niet bekommeren (Romeinen 1:28), verworpen zijn en getroffen door het oordeel, en hierdoor hun plaats in de hades (het dodenrijk) zullen hebben. Hieruit blijkt, dat God degenen die in nood zijn niet vergeet, want de vernietiging van de goddelozen is hun verlossing. Vandaar dat zij roepen: “Sta op, Heere!”
Hier hebben we ook de verklaring van die uitdrukkingen in de Psalmen, die ik al aangeduid heb, waarin om oordeel over de goddelozen geroepen wordt. Vergelijk hiermee het zedelijke karakter van hen die in Romeinen 1-2 geoordeeld worden. De toorn, waarvan in die hoofdstukken sprake is, is echter de toorn, die vanuit de hemel wordt uitgeoefend en niet de toorn van de regering van God, die op aarde te Sion is gevestigd. Tevens vinden we in de Brief aan de Romeinen een veel grotere zedelijke ontwikkeling en niet het uiterlijke oordeel over de volken 18.
Psalm 10. Over het algemeen geeft Psalm 10 een beeld van de toestand in de laatste dagen tot op het ogenblik, dat de Heer opstaat voor het oordeel. Speciaal wordt gewezen op het karakter van de goddeloze, want daaraan herkent men hem. Helaas zal dit vooral bij de jood gevonden worden. Vergelijk Jesaja 40-48 en Jesaja 49-58; het eerste deel houdt zich bezig met de afgoderij en Babel en het tweede deel met de verwerping van de Messias. Dat zijn dan ook de twee hoofdzonden, waardoor de joden onder het oordeel komen – Jahweh en Zijn Gezalfde. De goddeloze handelt in zijn hoogmoed alleen naar dat wat zichtbaar is, het uiterlijke, terwijl de rechtvaardige door het geloof handelt in vertrouwen op het Wezen van Jahweh, in het geloof op Hem. De goddeloze verheft zichzelf in de lusten van zijn hart en noemt hem pas gelukkig, die door God verfoeid wordt. Hij jaagt gewetenloos zijn plannen na, probeert de onschuldige door zijn listen om te brengen in de veronderstelling dat deze door God verlaten is. Hoe goed kan Christus het overblijfsel in deze omstandigheden helpen! De ellendigen klagen onder de verdrukking: “HEERE, waarom blijft U van verre staan? Waarom verbergt U Zich in tijden van benauwdheid?”
Natuurlijk zijn de zachtmoedigen lang niet in het lijden waarin Christus geweest is. Maar als het ware gaat de schaduw van Zijn lijden nu over hen heen. Maar zij kunnen op God blijven hopen (vers 12). Daarom smeken zij Hem Zijn hand op te heffen – de ellendigen niet te vergeten. Mag de goddeloze God blijven lasteren? Jahweh heeft het gezien en zal vergelden; de arme geeft zich aan Hem over. Vanaf vers 16 wordt de tussenkomst van Jahweh bezongen, die gekomen is op het smeken van de zachtmoedigen. En ook de heerlijke resultaten die deze tussenkomst heeft. De HEERE is Koning, eeuwig en altijd. De heidenen zijn vergaan uit het land. Dat is het openbaar oordeel! Daarna komt het geheim: Jahweh heeft het geroep van de ellendigen gehoord. Hij heeft de harten gesterkt en toen naar hun stem geluisterd. En dat horen zal zijn in oordeel, in het zijn van Rechter voor de wees en de verdrukte. Zo kan de “aardse” mens, die alles van deze aarde verwachtte, geen geweld meer bedrijven.
Nog een paar opmerkingen over deze twee psalmen die we nu doorgenomen hebben. Behalve het arme, verdrukte overblijfsel, dat zich op God verlaat, zijn er twee en in zekere zin zelfs drie andere groepen van mensen: De heidenen (gojim), vreemden voor Israël, die hen onderdrukken: vijanden van God. Dan de goddelozen, die voornamelijk onder de joden gevonden worden. Maar deze goddelozen worden vanuit tweeledig standpunt bezien en daarom heb ik van drie groepen gesproken. Over het algemeen (in Psalm 10 en in Psalm 9 behalve in vers 18 helemaal) wordt van de goddeloze in het enkelvoud gesproken. In vers 18 wordt van de goddelozen (meervoud dus) gesproken, om aan te tonen dat zij allen in de scheol (het dodenrijk) geworpen zullen worden. “De goddeloze” (enkelvoud) als uitdrukking geeft, naar ik denk, het karakter van hun boosheid weer. Toch zal er eens een bijzondere goddeloze zijn: harasha of ho anomos, de antichrist. Hier vindt men geen duidelijke profetie over zijn persoon, maar wel een karaktertekening, waaraan men hem zal herkennen. De wetteloosheid (anomia) is openbaar, maar niet de wetteloze (ho anomos), en zij is niet beperkt tot één persoon. De overeenkomst hiervan met de omstandigheden waarin Christus in Zijn verwerping op aarde was ziet men duidelijk, zoals dit het geval is met alle vormen van boosheid. Zelfs de Drie-eenheid wordt in de Openbaring op goddeloze wijze nagebootst (satan, het 1e en het 2e beest; Openbaring 13). Ook wordt daar gesproken van de verderfelijke stad, van de bruid, enzovoort.
Tot dusver werd de rechtvaardige in wezen en gedrag voorgesteld (behalve in Psalm 2, waar het over de Messias naar Gods raadsbesluiten gaat). En hier worden alle mensen, die tegen Jahweh en Zijn Gezalfde opstaan, gekarakteriseerd, hoewel één persoon de exponent van die vijandige openbaring zal zijn. Maar dit karakter leerde het overblijfsel alles zedelijk te toetsen. Verder – daarop moeten we wel letten – worden de goddelozen met de heidenen geoordeeld. Zij vallen allen onder hetzelfde oordeel: de scheol (Psalm 9:18. Zie ook vers 6).
Psalm 9 geeft ons dus een algemeen beeld van Jahweh’s tussenkomst om te oordelen, terwijl wij in Psalm 10 speciaal de toestand van het overblijfsel vinden, dat door vijanden uit het volk onderdrukt wordt. Daarom wordt er alleen melding gemaakt van de goddeloze (man) en niet van de heidenen, tot zij gezamenlijk getroffen worden door het oordeel en uit het land van Jahweh verdelgd worden. Daardoor wordt aangetoond, dat dit oordeel hetzelfde oordeel is als in de algemene uitvoeringen van Psalm 9. Het is overbodig om te zeggen, hoe volledig dit alles beantwoordt aan de geschiedenis, die ons van de laatste dagen gegeven is.
Psalm 11-15
Psalm 11 toont ons, wat het rechtvaardige overblijfsel heeft te doen, als de macht van het kwaad zo overheersend is geworden in Emmanuels land. De psalmen 11-15 geven de gedachten weer van het overblijfsel gedurende die tijd. Deze gedachten komen voort uit de stand van zaken, die ons beschreven is in de psalmen 9-10. In Psalm 11 wijst de rechtvaardige het denkbeeld af, alsof hij hulpeloos zou moeten versagen tegenover de goddeloze boosheid van hen die God niet vrezen. Hij vertrouwt op Jahweh (vers 1). Maar de goddeloze zoekt uit alle macht het verderf van de oprechten van hart (vers 2). En als alle menselijke steun wegvalt, alles waarop men voor deze aarde enige hoop kan vestigen, wat moet de rechtvaardige dan doen (vers 3)? Jahweh blijft dezelfde: de Onveranderlijke. Hij woont in het paleis van Zijn heiligheid – Hij heeft Zijn plaats op aarde, die door het geloof erkend wordt, al is hij ook nog zo verwoest. Daarbij is Zijn troon in de hemel. Daar kan geen kwaad binnenkomen en Zijn troon regeert over alles.
Maar er is nog meer. Hoewel Jahweh in een rust verkeert, die door niets verstoord kan worden, omdat Hij de Almachtige is en boven alle kwaad verheven in de hemel, toch ziet Hij op de aarde neer, Hij regeert haar. Want het gaat hier over de aarde, zoals trouwens overal in het Oude Testament en niet over het hemelse deel van de Gemeente. Gods ogen bezien en doorvorsen de mensenkinderen. Dit is een ernstige en tegelijk vertroostende gedachte voor allen, die beproefd worden. Maar de wegen van God in Zijn regering over de aarde worden nog verder blootgelegd. De HEERE beproeft de rechtvaardige – denk aan Job, een treffend beeld van wat met Israël zal gebeuren. De tegenwoordige politieke toestand is in geen enkel opzicht een openbaring van de directe regering van God. Door het geloof weten we natuurlijk wel dat God boven alles staat en dat alle dingen medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben. Maar God regeert nu niet op directe wijze, want dan zou nu duidelijk zichtbaar zijn wat Hij hier kwaad of goed acht. Dan zou er geen kwaad geduld worden, en de rechtvaardige zou voorspoed hebben bij alles wat hij deed. Is dit nu het geval? De Gemeente heeft intussen haar deel buiten de wereld. Zij heeft haar plaats daar, waar Christus heengegaan is om voor haar een plaats te bereiden. Zij lijdt nu met Hem en zal eens met Hem heersen. Maar alle heiligen worden door God beproefd. Op de goddelozen, die Hij haat, zal Hij oordeel, vuur en zwavel regenen. Want de rechtvaardige Jahweh heeft de gerechtigheid lief en Hij ziet met welgevallen naar de oprechte.
Dat is dus de basis voor het geloof in die tijd als het overblijfsel verdrukt wordt. God ziet vanuit de hemel op de aarde. Hij beproeft de rechtvaardige en zal op de juiste tijd het oordeel uitoefenen. Dit sluit in, dat de rechtvaardige Jahweh de gerechtigheid liefheeft. Dat is de algemene basis voor het vertrouwen en de wandel van de godvrezende. Toch is hij niet ongevoelig voor het kwaad. Maar hij kan het tot God brengen (Psalm 12). “Breng verlossing, HEERE, want goedertieren mensen zijn er niet meer, onder de mensenkinderen zijn er nog maar weinig trouw”. Jahweh zal de vleiende lippen en de grootsprekende tong afsnijden. Uit dat vleien en dat grootspreken blijkt het karakter van de goddeloze. Hij heeft geen remmen meer en geen breidel voor zijn wil: “Wie is heer over ons?” Maar juist omdat hij de arme, die in nood verkeert, onderdrukt, maakt de Heer Zich op (vers 6). Het Woord van God, dat de ellendige hulp beloofde en waarop zij steunden, is een waar en beproefd woord, waarin niets bedrieglijks kan zijn. Vertrouwen hebben in dit Woord brengt onfeilbaar heerlijke vruchten voort. Er is niets bedrieglijks in. Jahweh zal Zijn armen bewaren voor het geslacht van de goddelozen. Maar deze laatsten hebben vrij spel “wanneer de gemeensten onder de mensenkinderen verhoogd worden” (vers 9).
Psalm 13. In deze Psalm lezen we van een gelovige, die tot het uiterste gebracht is door de boosheid van de mensen. Het lijkt wel of God hem geheel en al vergeten heeft. Hij beraadslaagt in zijn hart vanwege het feit, dat zijn vijand boven hem verhoogd is (vers 3). Maar dan wendt hij zich tot Jahweh en roept om hulp. Enerzijds omdat hij bang is om om te komen en anderzijds omdat hij vreest dat zijn vijand zal kunnen zeggen, dat hij de overmacht heeft. Maar Jahweh verhoort hem. De rechtvaardige kan zich verblijden in de verlossing en Hem prijzen, op Wiens goedertierenheid hij vertrouwde en Die alles ten goede deed keren.
Psalm 14. Hier heeft het kwaad in de ogen van God zijn toppunt bereikt. Wat altijd waar is voor het vlees is nu voor Gods oog gebracht, in de tijd dat Hij klaarstaat om te oordelen. De mens verheft zich in zijn hoogmoed tegen Hem en juist daardoor brengt hij het oordeel over zich. Jahweh ziet uit de hemel neer of er één te vinden is die verstandig is, één die Hem zoekt; er is niemand. Maar er is een overblijfsel, waarin de genade gewerkt heeft en dat al door Jahweh als Zijn volk erkend is. De goddelozen eten dit volk alsof zij brood eten. Jahweh roepen zij natuurlijk niet aan (vers 4). Het is de hoogmoed en de verdorvenheid van de mens in hun volle omvang. Maar spoedig verandert alles, want God is bij het geslacht van de rechtvaardigen. De hoogmoedigen worden door schrik bevangen, terwijl ze nog kort tevoren de ellendige bespot hadden, omdat die op Jahweh vertrouwde. Vers 7 bewijst, dat dit alles vooruitgezien en profetisch is en hoe en waar alles vervuld zal worden. Het is de wens van de godvruchtige, in overeenstemming met het inzicht van het geloof. Merk op, dat hij de verlossing uit Sion verwacht, en niet eerder tevreden is dan dat Jahweh daar blijdschap gevestigd heeft. Tegelijk wordt het volk nog als in gevangenschap gezien.
Dan komt de vraag: Wie zal delen in de zegeningen van die heilige berg, wanneer de Heer de zetel van Zijn rechtvaardige macht in Sion gevestigd zal hebben?
Psalm 15 geeft het antwoord: Hij, in wiens hart oprechtheid is, in de weg van de wet. We moeten erop letten, dat de godvruchtigen (als alles buitengewoon donker is, de boosheid geheel de overhand heeft, en de grondslagen van alle menselijke aardse hoop, zelfs in de dingen die hier op aarde tot God behoren, vernietigd zijn, en de boosheid de plaats van de gerechtigheid heeft ingenomen) hun ogen opheffen naar Gods onwankelbare trouw in de hemel, en zo alles in de hemel en op aarde in verbinding gebracht zien. Maar het eigenlijke punt waarheen ze zien is: Jahweh in Zijn heilige tempel, en verlossing die uit Sion zal komen. En zo zal het gebeuren, zie Jesaja 66:6. De onwankelbare troon in de hemel zal de troon op aarde, die zo lang verwoest was, met macht vestigen. Jahweh zal in Zijn tempel zijn, maar Hij zal in de Persoon van Christus in Sion regeren. Dit is joodse verlossing en in overeenstemming met hun juiste verwachtingen.
We moeten hier een belangrijke algemene opmerking maken. Namelijk deze, dat het overblijfsel zich verblijdt in het gevoel van volle gemeenschap met Jahweh. Hoe zwaar de beproeving, wat ook de toestand van het overblijfsel en de onderdrukking door de volken in het land mag zijn, het geloof houdt vast aan zijn relatie met Jahweh. Daarom wordt Jahweh gezien als op de berg van Zijn heiligheid, hoewel er op dit ogenblik nog geen manifestatie van Zijn macht is. Hier is het overblijfsel dus nog niet geheel verjaagd noch de macht van de antichrist geheel aan de dag getreden. Als de antichrist zijn macht opricht zal er openlijke afval zijn en zullen de gelovigen verdreven worden. Hier gaat het over de goddelozen en heidenen, die in het land zijn. En uit deze Psalm (11) zien we duidelijk, dat de “goddeloze” een benaming is van een toestand, die we uit zedelijk oogpunt bezien. Het gaat dus niet over een persoon. Overal wordt het in het meervoud gebruikt, behalve in vers 5, waar het in tegenstelling met de rechtvaardige is.
De psalmen, waarmee we nu bezig zijn, zwijgen over de verdrijving uit Jeruzalem. Ze geven ons, in hoop, een beeld van de verlossing, die door Jahweh tot stand gebracht zal zijn, als Hij werkelijk in Jeruzalem is teruggekeerd. En dan gaat het niet over de verdelging van de antichrist bij de komst van de Heer van de hemel, maar over de verdrijving van de heidense onderdrukkers door Jahweh die in Sion woont. Vandaar dan ook, dat heel Israël wordt genoemd (Psalm 14:7), terwijl de verlossing uit Sion komt. Daarom handelen deze psalmen, voor zover ze op Christus betrekking hebben, over de tijd van Zijn rondwandeling op aarde vóórdat Hij definitief verworpen was. Over het algemeen zijn zij, met uitzondering van Psalm 2 en 8, niet rechtstreeks van toepassing op Christus, maar op het overblijfsel. Maar Christus heeft Zich uit genade bij Zijn wandel op aarde vanaf de doop van Johannes, openlijk één gemaakt met het overblijfsel. En zo heeft Hij aan het eind het lijden ondergaan, dat zij ook aan het slot van hun geschiedenis moeten meemaken. Deze psalmen stellen ons de toestand van het overblijfsel voor, terwijl ze nog steeds hun plaats hebben onder de volken, die weliswaar nog niet openlijk in afval met Jahweh gebroken hebben, maar van wie de boosheid zich in hun daden toont, en rijpt tot zijn hoogtepunt. Door het geloof ziet het overblijfsel uit naar de tijd, dat Jahweh vanuit Sion Zijn volk verlossen zal door alle volken buiten het land te werpen en als heel Israël uit de gevangenschap teruggekeerd zal zijn. We hebben hier een beeld van alle gebeurtenissen van de laatste dagen, behalve de laatste halve week van de macht van de antichrist. Men erkent Jahweh nog als in Zijn woning, wat in de tijd van de Heer op aarde ook zo was.
In Psalm 14:5 wordt gesproken van Elohim (God), omdat daar geen sprake is van verbinding maar van God Zelf in Zijn natuur en karakter. Noch de mens, noch iets van de mens, noch zelfs satans macht is daar; maar God is bij het geslacht van de rechtvaardigen.
Psalm 16
Psalm 16 is de eerste van een reeks zeer belangrijke psalmen, waarin de Geest van God ons de relatie van Christus tot het overblijfsel voor de aandacht plaatst. In Psalm 16 neemt Christus formeel Zijn plaats onder het overblijfsel in. Deze Psalm wordt zowel door Petrus als Paulus aangehaald. Zij halen hem aan om de opstanding van Christus te bewijzen (Handelingen 2:25-28 en 13:35), en in Hebreeën 2 wordt ernaar verwezen om Zijn deelhebben aan de menselijke natuur te tonen. In Hebreeën 2, waar Paulus ook doelt op deze psalm, zal waarschijnlijk de aanhaling uit Jesaja 8:18 zijn. Na een grondige studie van het tweede vers, en na bestudering van vele kritische studies van bekende geleerden, meen ik te mogen zeggen, dat de gebruikelijke vertaling juist is: “Gij (mijn ziel) hebt tot Jahweh gezegd: Gij zijt de Heer: mijn goedheid (raakt) niet tot U.” Het derde vers is in de gebruikelijke vertaling (King James en Statenvertaling) onduidelijk. “Tot de heiligen” staat niet in verbinding met “raakt niet tot U”, maar met “tot de HEERE” (Jahweh). David zegt tot de HEERE: “Gij zijt de Heer, mijn goedheid (raakt) niet tot U”. En tot de heiligen zegt hij: “In u is al mijn lust!” Hierdoor krijgt deze Psalm een zeer bijzondere waarde. Christus neemt uit genade plaats onder het arme overblijfsel van Israël. Hij neemt de plaats van dienstknecht in, om de weg van het leven te wandelen, die geen mens in het vlees in deze wereld gevonden had. Die weg leidde door de dood tot de overzijde van de dood, waar volheid van vreugde is. Christus neemt de plaats van afhankelijkheid, van vertrouwen in, en niet die van Godgelijkheid. En Hij die zegt, dat Hij het niet doet, moet het récht hebben het wel te doen, anders zou Hij het eerste niet hoeven te zeggen. Hij neemt een andere plaats in, de plaats van dienstknecht en noemt Jahweh Zijn Heer. En dat is nog niet alles! Hoe alleen Hij ook mag zijn in volmaaktheid, en hoe volmaakt Hij Zijn plaats hier ook mag innemen, Hij neemt haar in samen met de heiligen op aarde. En dit doet Hij niet alleen maar, feitelijk, formeel, maar uit grote, ja volmaakte liefde. Hij heeft behagen in hen en verheugt Zich er in hen “de heerlijken van de aarde” te noemen.
Denk eraan, dat Christus Zich hier niet met de hemelse heiligen verbindt. Ook zijn de personen, tot wie Hij hier spreekt, niet met Hem in de hemel verenigd, maar Hij verenigt Zich met hen. Sommigen mogen naar de hemel gaan op die weg van het leven, die Hijzelf gebaand heeft, maar Zijn verbinding met hen, en hun verbinding met Hem, is onder de titel van: “de heerlijken van – let wel – de aarde”!
De hele Psalm ademt deze geest en openbaart deze plaats van afhankelijkheid, die zo kostbaar is voor het arme overblijfsel. Het is hier niet: “Breekt dit tempelhuis af en in drie dagen zal Ik het oprichten”. Daar nam Hij de plaats van Zijn Goddelijke macht in. Zijn lichaam was een tempel, die Hij Zelf weer opwekte. Hier vertrouwt Hij als mens op Jahweh: “U zult Mijn ziel niet in de Sheol (dodenrijk) laten, U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie”! En vanzelfsprekend is Hij in deze positie net zo volmaakt als in de eerste (Psalm 16:10). Laten we nu gaan letten op enige details van deze psalm. Over de eerste verzen hebben we al iets gezegd. Maar aangezien de beginselen die in deze verzen ter sprake komen erg belangrijk zijn, komen we er nog eens op terug.
De Messias ziet als mens op tot God voor bewaring. Hij neemt de plaats in van een mens. Niet maar van een jood die Jahweh, met wie hij in verbinding staat, aanroept, maar van een mens in verbinding met God. Hij stelt Zijn vertrouwen in Hem, en dat voert Paulus in Hebreeën 2 als getuige aan, dat de Messias waarachtig mens is. Verder neemt Hij de plaats van een dienstknecht in. Hij zegt tot Jahweh – want nu neemt Hij Zijn plaats voor Jahweh: “U bent mijn Heer!” Dat is een bepaalde en onderscheiden plaats. Verder neemt Hij deze plaats niet in, in Goddelijke goedheid tegenover anderen, maar als mens voor God. Hij zegt: “Mijn goedheid is niet voor U”. Zo zei Hij tot de jongeling, die met de woorden “Goede Meester” tot Hem kwam: “Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed dan Eén: God” (Markus 10:18). Maar hoewel Hij dus in waarheid geheel alleen stond onder de mensen (de anderen waren immers allen zondaars), toch verenigt Hij Zich met het overblijfsel, die “heerlijken der aarde”.
Geschiedkundig deed de Heer dit, toen Hij Zich door Johannes liet dopen, samen met allen, die door de Geest op de heilige weg van de bekering tot God geleid werden. Zij gingen eerst naar die plaats en de Heer voegt Zich genadig bij hen. Toch vinden wij het volle resultaat pas in de laatste dagen. Hij wil van geen andere God weten dan van Jahweh (vers 4). Jahweh Zelf is Zijn deel en Deze bewaart Hem in het zekere genot van alles wat Hij naar het raadsbesluit van God zou genieten (vers 6). Lieflijk was de plaats waar de snoeren voor Hem gevallen waren. Het was Jahweh’s erfdeel op aarde dat Zijn deel was, en dit is voornamelijk in Israël. Dat is Zijn deel! Maar eerst moet de weg erheen afgelegd worden. En op die weg prijst Hij Jahweh ook. Jahweh’s raad was altijd Zijn gids: Hij wandelde daarnaar. Het verborgene van Jahweh was met Hem om Hem te leiden. Als alles – ver van de mensen – in de stilte en diepte van Zijn hart en haar diepste gevoelens overwogen wordt, zijn Zijn meest innerlijke gedachten leiding en licht. Zo is het altijd als wij in gemeenschap met God zijn. Want hoewel deze gedachten in het hart zijn, zijn ze toch altijd het licht van God in het hart, de zedelijke vrucht van de werking van Zijn Geest. Bij Christus vinden we zowel de duidelijke aanwijzingen en leiding van Jahweh, als het innerlijke inzicht in Zijn ziel, dat het gevolg is van het goddelijke werk daarin. Bij Hem was dit alles vanzelfsprekend volmaakt.
Naast het toetsen van alle dingen aan Gods Woord mag men de werkzaamheid van de door God geleide en onderwezen ziel niet veronachtzamen. Want de mening van de Geest in zedelijke onderscheiding is daarin. Met deze leiding ging bij Christus een vast voornemen van het hart gepaard. Hij ziet voortdurend op Jahweh. Alleen deze leiding volgde Hij en aangezien Jahweh altijd dichtbij, aan Zijn rechterhand was, kon Hij niet wankelen. Er was geen kwestie van steunen op zichzelf, maar zuiver vertrouwen op Jahweh. Dit was werkelijk de weg van het leven, hoewel nog niet in zichtbare kracht geopenbaard. Vergelijk Romeinen 1:4.
Daarom zou ondanks alles Zijn hart blij zijn. Hij zou met een onbewolkte hoop door de dood heengaan, Zijn vlees zou in zekerheid rusten; als mens vreesde Hij de dood niet. Jahweh, op Wie Hij vertrouwde, zou Zijn ziel in de Sheol niet laten, noch toelaten dat Zijn Heilige de verderving zou zien. Hoewel Zijn ziel zou gaan naar de plaats waar de geesten van de gestorvenen zijn en Zijn lichaam naar het graf, de plaats van de ontbinding, toch zal Zijn ziel in de eerstgenoemde plaats niet blijven en zal Zijn lichaam in het graf geen verderving zien. Jahweh zou Hem de weg van het leven wijzen door, maar ook aan de andere zijde van de dood. En hoe heerlijk heeft Hij dit niet gedaan?! Deze weg leidde naar een grotere vreugde dan die van de zegeningen van Israël, te midden van wie Hij tijdelijk was komen wonen. Op die weg konden de heerlijken van de aarde Hem niet volgen (Johannes 13:33,36; 21:19). Hij moest eerst voor hen de wateren van de Jordaan doen opdrogen en doordat Hij Zelf er eerst doorging het tot een weg voor hen ook maken. Want dit pad, waar het door de dood heen leidde, moest, als het werkelijk het pad van het leven was, voeren tot de tegenwoordigheid van Hem, bij Wiens aangezicht verzadiging van vreugde is en aan Wiens rechterhand lieflijkheden zijn in eeuwigheid.
Dat is het gezegende eind en de heerlijke gevolgen van de weg van de Heer door deze wereld, waar Hij Zijn plaats innam onder de heiligen. En waar Hij vertrouwend op Jahweh, in Wiens handen Hij Zijn Geest heeft overgegeven, de weg insloeg, die – omdat Hij onze plaats wilde innemen – door de dood ging. En in de opstanding vond Hij de weg weer en ging zo als mens in de tegenwoordigheid van Hem, voor Wiens aangezicht verzadiging (volheid) van vreugde is. De Geest van heiligheid kenmerkte het leven van de Zoon van God, van het begin tot het einde. In kracht werd Hij als Gods Zoon verklaard door de opstanding. Maar als mens is Hij verhoogd tot de tegenwoordigheid van God. Dat heilige vertrouwende leven vond haar volmaakte vreugde daar. En Hij is onze Voorganger! 19. De Naam van onze God en de Naam van Hem, die deze weg wilde gaan, zij geloofd!
Laten we ons nu even bezighouden met de samenhang hiervan met andere Schriftgedeelten, waarover we al iets schreven. Dat is belangrijk, omdat we daardoor beter de positie van Christus in het midden van Israël leren begrijpen, en het verschil van hun verhouding met Hem en die van de heiligen van de Gemeente. Tevens zullen we de goddelijk volmaakte gevoelens van Christus in die positie leren kennen. Dan zien we: Christus heeft Zich verbonden met de heiligen in Israël. Alleen, Hij heeft de positie die zij willen innemen, als getuigenis van hun terugkeer tot God, vrijwillig ingenomen. Uit Hebreeën 2:11 zien we, dat deze vereniging plaats heeft met “hen, die geheiligd zijn”. Christus vormt met de getrouwen, die zo voor God geopenbaard worden, één gemeenschap. Hij schaamt Zich niet hen broeders te noemen, aangezien Hij hun zaak op Zich genomen had. Dit bracht mee, dat Hij vlees en bloed had aangenomen, omdat de kinderen, die God Hem gegeven had, vlees en bloed deelachtig waren. Hij is werkelijk mens geworden, maar om Zich langs deze weg één te maken met de belangen, en de zegeningen zeker te maken van de heiligen 20 van het overblijfsel, van de kinderen, die God tot de heerlijkheid brengen wilde, en die onderscheiden worden van de massa van Israël, voor wie zij een teken moesten zijn (zie Jesaja 8:18). In deze passage wordt de toestand van het overblijfsel en ook de verwachting van betere tijden genoemd. De Gemeente wordt hier niet bedoeld, want daarmee houdt de profetie zich niet bezig. Wat we op vele andere plaatsen vinden, zien we ook hier: het Woord gaat van de persoonlijke verbinding van Christus met de heiligen in Israël over op de positie en het deel van de heiligen in de laatste dagen. De tekst uit Jesaja, die wij zojuist hebben aangehaald, is wel bijzonder duidelijk op dit punt. Ze helpt ons om goed te begrijpen op welke wijze de Geest van God overgaat van de geschiedenis van gelovigen uit Israël in vroegere dagen op die van de laatste dagen. Nogmaals: De Gemeente wordt helemaal buiten beschouwing gelaten. Christus in de Geest heeft slechts deze heiligen op het oog, dat wil zeggen Zijn verbinding met het overblijfsel, en voor zover met het gehele volk. Hij gaat aan de gehele geschiedenis van de gemeente voorbij, om aan te knopen bij Zijn vroegere relatie met Israël. ‘Bind het getuigenis toe! Verzegel de wet onder Mijn leerlingen! Ik zal de HEERE verwachten, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob; op Hem zal ik hopen’ (Jesaja 8:16-17). Deze plaats wordt in Hebreeën 2:13 aangehaald: ‘Ik zal in Hem vertrouwen hebben’. Dit is vervuld toen Hij het verworpen heiligdom en de steen des aanstoots werd. Vervolgens wijst de profeet op de heerlijkheid aan het einde, als Israël Hem bezitten zal als “de Zoon, die ons geboren is” (Jesaja 9:5-6). We moeten de Gemeente beslist weglaten uit de profetieën van het Oude Testament, anders kunnen we deze onmogelijk verstaan. De Gemeente heeft een hemelse roeping en een hemels erfdeel. Maar Christus kan Zich apart bezighouden met Zijn relatie met Zijn aardse volk.
Maar nu weer Psalm 16. In vers 4 lezen we een toespeling op de afgoderij, die altijd een belangrijk strijdpunt geweest is tussen God en Israël. Uit Mattheüs 12:43-45 en Jesaja 65 leren we, dat de joden in de laatste dagen weer tot afgoderij zullen vervallen. Jahweh alleen wordt erkend door de profetische Geest van Christus. En pas als alle afgoderij is weggedaan, in de dagen die komen zullen, kan Hij Zich verheugen in de erfenis, die Jahweh Hem met de heerlijken van de aarde geschonken heeft.
De zekerheid, dat dit alles gebeuren zal, hebben we in de opstanding, (die de noodzakelijke voorwaarde voor de vervulling is, en die de gunst van God verzekert voor Zijn Gezalfde) in al de kracht van die macht, die “niet zal toelaten dat Zijn Heilige de verderving zie”. Daarom wijst de apostel op de gewisse weldadigheden van David; dat is tot de vervulling van al Gods beloften aan Israël, als een bewijs dat Christus nu moest opstaan van de doden, om nooit meer terug te keren tot verderving (Handelingen 13:34).
Niets is schoner – tenzij Zijn dood – dan wat ons hier wordt gezegd over de gevoelens van de Heer. Hij beschrijft Zelf de plaats, die Hij heeft ingenomen samen met de heiligen. Jahweh is Zijn eigen deel. Hoe waarachtig was dat zo! Wat had Hij anders dan Jahweh? Toch had Hij ook al de heiligen lief en vond Hij vreugde in hen. Zien we het niet in Zijn discipelen? Bij de eerste stap van geestelijk leven in het overblijfsel (gezien in hun gaan naar de doop tot bekering door Johannes) verenigt Hij Zich met hen. Terwijl Hij Zich toch vanzelfsprekend niet hoefde te bekeren! Zo, als een trouwe Israëliet, zette Hij voortdurend Jahweh voor Zich. Zelfs in de dood vertrouwt Christus op Hem voor opstanding. Zo vertrouwt Hij op Hem op de gehele weg van het leven, door de dood heen en ondanks de dood (welke weg Hij voor ons heeft geopend). En daar, dat weet Hij: Daar is Jahweh God, de tegenwoordigheid van Zijn Vader, volheid van vreugde; aan Zijn rechterhand lieflijkheden voor eeuwig. Dat is de grootste, de Hem eigen vreugde van het hart en de Geest van Christus; niet heerlijkheid, maar de tegenwoordigheid van God.
Psalm 17
De sleutel voor Psalm 16 vindt men in de woorden: “Ik heb tot U de toevlucht genomen”. Die van Psalm 17 in de woorden: “Jahweh, hoor de gerechtigheid”. In Psalm 16 zagen we de gezegende weg en de werkzaamheid van de geest van vertrouwen. Die Psalm is dan ook bijzonder toepasselijk op Christus persoonlijk, hoewel dezelfde geest ook in het overblijfsel werkt. Psalm 17 is eveneens op Christus van toepassing, maar niet zo uitsluitend als Psalm 16. Het uitgangspunt is niet zo verheven, hoewel ook hier de Geest van God spreekt. Uit vers 11 blijkt duidelijk, dat er ook anderen zijn behalve Christus: “Zij omringen nu onze schreden”. Maar Christus is er ook, want zonder Hem kan niemand met recht zeggen: “Jahweh, hoor de gerechtigheid”. Het is een beroep op Jahweh, God, opdat Hij zal oordelen. God staat op om de gerechtigheid van Hem, die tot Hem roept, te verdedigen. Het getrouwe overblijfsel zal als groep ten slotte verlost worden van zijn doodsvijanden. Jahweh zal opstaan om hen neer te vellen.
Toch zullen sommigen, zelfs wijzen, vallen (Daniël 11). Christus Zelf, in alle opzichten volmaakt, is ook gevallen, weliswaar om veel heerlijker redenen, maar toch ook in sympathie voor Zijn volk. Daarom gaat de gerechtigheid hier veel hoger dan de tegenwoordige verlossing van het gelovig overblijfsel op aarde door de regering van God. Christus heeft er het heerlijke resultaat van en het is de troost voor het geloof van allen, die door de onderdrukking van de vijand zullen omkomen: “Ik echter zal in gerechtigheid Uw aangezicht aanschouwen; ik zal, wanneer ik ontwaak, verzadigd worden met Uw beeld” (vers 15). Dit geldt natuurlijk ten volle voor Christus, die in gerechtigheid voor Zijn Vader is en het beeld is van de onzienlijke God – in Wie God in heerlijkheid is geopenbaard. Maar Hij ging de weg als de Rechtvaardige op aarde, in het midden van het kwaad, en waar Hij blootstond aan de verzoekingen van de vijand. Allereerst was er bij Hem volmaakte zuiverheid van hart, en dat in de geheimste gedachten. Er was het vaste voornemen, niet te overtreden. In volmaakte gehoorzaamheid werd Hij geleid door het woord uit Gods mond; en zo had Hij nooit Zijn voet gezet op de wegen van de gewelddadige: het woord van Gods lippen zal nooit daarheen leiden. De Heer toonde dat bij de verzoeking in de woestijn. In de wegen van Jahweh zag Hij op tot Hem, opdat Hij Zijn schreden bevestigde. Afhankelijkheid is een deel van de gerechtigheid van de mens.
Hij heeft tot God geroepen, terwijl Hij er volkomen zeker van was, dat Deze Hem zou verhoren. Dat is het vertrouwen dat wij hebben.
Dat is de weg die Christus ging. Op die weg kan Hij pleiten als Hij gaat vragen of God tussenbeide wil komen om Hem te beschermen tegen de bozen die Hem onderdrukken, zoals Hij doet voor allen die op Hem vertrouwen (vers 7). De vijanden waren voorspoedig en daarop verheffen zij zich. Maar voor Christus was Jahweh de toevlucht, ook toen Hij nog niet tussenbeide kwam. Maar toch wachtte Hij op de openlijke tussenkomst van God.
Het moet ons wel opvallen, dat volkomenheid in het zedelijk gedrag intiemheid van vertrouwen geeft en het gevoel van kostbaar te zijn in de ogen van God. Dat gevoel wenst God zelfs in ons. We zijn van veel meer waarde dan vele mussen; zelfs de haren van ons hoofd zijn geteld. Bij Christus, in deze psalm, is dit alles volmaakt. En Hij ziet op tot God, opdat Deze Hem zal bewaren als Zijn oogappel, als het kostbaarste bezit.
Uiteindelijk zijn deze voorspoedige onderdrukkers toch niets anders dan werktuigen van Jahweh – mensen van de wereld, die alles kregen wat hun hart begeerde, door de uiterlijke voorziening van God. Wat een moeilijke les voor de joden van wie het deel volgens de wet was om gezegend te worden in hun korf, hun baktrog en de vrucht van hun schoot (Deuteronomium 28). Vergelijk de geschiedenis van de rijke man en Lazarus en de onrechtvaardige rentmeester (Lukas 16). Duidelijk wordt ons hier voorgesteld het breken met de wereld en een plaats in de toekomende heerlijkheid. Het aangezicht van Jahweh in gerechtigheid te zien, en “Hem gelijk te zijn” na het ontwaken in een andere wereld, wegen wel ruimschoots op tegen het deel van “de mannen van de wereld”. Laten wij erop letten, dat de dood en een andere wereld hier duidelijk voor onze ogen gesteld worden, terwijl de verlossing van het overblijfsel uit de macht van de vijand niet vergeten is. Al eerder wezen wij erop, dat we beide ook in Mattheüs 5 vinden.
We hebben dus in dit eerste boek de joden in de laatste dagen, maar in omstandigheden gelijk aan die in het leven van Christus op aarde. Dat betekent, dat ze als heiligen wandelen in het midden van een boos volk.
Psalm 18
Deze Psalm geeft de betrekking weer van Christus, en speciaal Zijn ingaan in het lijden van de dood, met de gehele geschiedenis van Israël. Niet het verzoenend lijden, dat vinden we in Psalm 22. Het is het verband tussen de verlossing van Israël en het definitieve oordeel, dat ten behoeve van hen over de aarde wordt uitgeoefend, met het recht dat Christus had tot deze tussenkomst. Natuurlijk was de verzoening de noodzakelijke basis voor dit alles, maar vanuit dit oogpunt wordt het lijden van Christus hier niet bezien. God heeft welgevallen in Hem, en verhoort Hem naar Zijn oprechtheid, en verlost met Hem het verdrukte overblijfsel, in wiens lijden Christus is ingegaan. In één woord: Christus is het Middelpunt van alle verlossingen van Israël. Hij is de oorzaak 21 van hun bevrijding uit Egypte en van hun volkomen en definitieve verlossing in de laatste dagen. Tegelijkertijd is Hij hun persoonlijke Verlosser.
Hij is afhankelijk van Jahweh, wordt verhoord, en al Zijn lijden wordt voor ons gesteld. Maar aan het eind brengt Hij door de macht van Jahweh de bevrijding van Zijn volk tot stand, en is dan de volkomen getuige van Gods goedertierenheid (chesed) aan Zijn Gezalfde, David en aan Zijn zaad (nageslacht) tot in eeuwigheid. Goedertierenheid is hier niet maar Goddelijke barmhartigheid, zoals wij aan zondaren zouden voorstellen, maar meer getoonde en genoten gunst en genadebewijzen, zodat de uitdrukking zelfs gebruikt wordt om de vroomheid van een mens aan te duiden. Deze goedertierenheid wordt vooral bezongen in Psalm 89, waar het woord op Christus persoonlijk toegepast wordt, omdat Hij het middelpunt van alle gunstbewijzen is. Hij is de chasid (Statenvertaling: “uw Heilige” Psalm 89:20). Daarom worden de zegeningen aan het eind voor Israël (en niet alleen voor Israël, maar voor allen die er deel aan hebben) met dezelfde naam genoemd: “de gewisse weldadigheden (of goedertierenheden, barmhartigheden) van David”, bevestigd door een eeuwig verbond, en zeker gemaakt door Christus’ opstanding, zoals de apostel aantoont. Daardoor wordt hun verbinding met Zijn “banden en strikken des doods” in deze Psalm zeer duidelijk.
Deze Psalm geeft tevens een direct schriftuurlijk bewijs en een voorbeeld van de toepassing van een buitengewoon belangrijk beginsel voor het wezen van iedere psalm, dat ons een sleutel geeft tot hun algemeen karakter en vorm. Uit 2 Samuël 22 weten wij, dat de 18e Psalm door David gedicht is. En wel als een lofzang voor zijn bevrijding uit de hand van Saul en al zijn vijanden. Duidelijk blijkt echter, dat de woorden van deze Psalm zich niet beperken tot gebeurtenissen uit het leven van David. De Geest van God had dan ook bij het dicteren van dit lied zeker niet hoofdzakelijk datgene op het oog, wat de toen al gezalfde lijder, die de aanleiding tot deze Psalm was, ondervond. De Geest van God maakt gebruik van omstandigheden, die van actueel en persoonlijk belang zijn voor degene die Hij als profeet gebruikt. Maar meer als een gelegenheid om een breder perspectief te openen, waarvan alleen Christus het middelpunt kan zijn, waardoor Hij ons tevens de verklaring van het geheel geeft. De omstandigheden van toen (in het leven van de profeet) vormen slechts één, hoewel misschien zeer belangrijke, schakel in het geheel, dat leidt tot de volle openbaring van God en Zijn wegen in het grote resultaat. Zo was het met alle profeten, hoewel deze meer persoonlijk profeteerden. De inval van Sanherib, bij voorbeeld, dient om de Assyriër van de laatste dagen voor te stellen (Jesaja 37). Op zo’n manier hadden de profetieën een toepassing van de grootste betekenis op de tijden waarin ze gegeven werden, en werden zo het instrument van de toenmalige regering van God. Maar tegelijkertijd waren zij de openbaring van de gebeurtenissen op aarde in de laatste dagen, die zullen plaatsvinden te midden van dezelfde volken en naties, waarin de regering van God volkomen en definitief zou worden ontvouwd. “Geen profetie van de Schrift is van eigen uitlegging” (2 Petrus 1:20), maar zij maken deel uit van het grote algemene plan van de goddelijke regering.
In de Psalmen verdwijnen soms schrijver en eerste aanleiding volkomen op de achtergrond. Nooit zijn zij het hoofdonderwerp, hoewel we er altijd rekening mee moeten houden, waar de woorden van de Psalm de uitdrukking zijn van persoonlijke gevoelens in plaats van de openbaring van objectieve feiten. Is het laatste het geval, dan hebben de omstandigheden waarin de schrijver zich bevond vrijwel geen betekenis voor de historie. Meer dan bij andere gedeelten van de profetie treedt in de Psalmen de schrijver naar voren. Maar de gelovige ondervindt, dat de Heilige Geest gebruik maakt van de gevoelens van hem die spreekt, om zodoende voor anderen een bron van hulp en troost te zijn, hoewel Hij deze gevoelens Zelf bewerkt en beheerst. De Heilige Geest voert de schrijver veel verder dan de omstandigheden, waarin hij zich bevindt, in zijn eigen hart zouden bewerkt hebben. De gevoelens, die in hun natuur in overeenstemming zijn met de omstandigheden, die aanleiding tot de Psalm gaven, waren alleen maar een gelegenheid voor de Heilige Geest om Zich van de schrijver te bedienen om een goddelijk document te geven, dat de gevoelens in toekomende dagen richting zal geven. Of, anders, om de gevoelens te openbaren van Christus, die de zaak van Zijn volk op Zich neemt. Dit sluit natuurlijk niet uit, dat deze gevoelens tegelijkertijd die van de schrijver kunnen zijn, zoals dit bij eenvoudige godsvrucht vaak het geval was. Maar in ieder geval is het een voorziening van de Heilige Geest voor toekomstige dagen of een profetie in verbinding met Christus, en van het aandeel dat Hij nam in de wegen van God met Israël, die zich, als we de Psalmen als een geheel overzien, uitstrekken tot de volle en openlijke ontvouwing van de gevolgen.
Zoals al opgemerkt is, behandelt de achttiende Psalm de hele geschiedenis van Israël en spreekt alsof de bevrijding van de druk van de vijandelijke macht al heeft plaatsgevonden. Speciaal wordt echter aan Jahweh Zelf, de Verlosser, lof gebracht en betoont de spreker telkens sterk zijn afhankelijkheid. Dit is dus het onderwerp van deze psalm. Verder worden, zoals gewoonlijk in de Psalmen, de omstandigheden beschreven, die de mens gebracht hebben tot wat in de eerste verzen staat. Christus wordt ons voorgesteld. Banden van de dood hebben Hem omvangen. Vijanden onderdrukten Hem. De smarten van de Sheol (hades of dodenrijk) waren op Hem. Valstrikken van de dood lagen op Zijn weg. Dit alles is letterlijk de uitdrukking van wat David heeft gevoeld zoals blijkt uit vers 51. Maar het is slechts de aanleiding: de Psalm gaat over Christus. Zoals in Gethsemane gaat Christus in Zijn ziel door de smarten van de dood. Dit is de grondslag van al het volgende.
Nu volgen uitdrukkingen van afhankelijkheid en smeekbeden. Zeer bedroefd roept Hij tot Jahweh en schreeuwt tot Zijn God. Zoals altijd luistert Jahweh naar Zijn stem, die opklinkt uit het midden van Israël en Zijn smeken dringt door tot Zijn oren. Het resultaat lezen we in de volgende verzen. Christus vertegenwoordigt hier alleen Israël, want van de Gemeente wordt hier niets gezien. In de verzen 8-17 wordt de verlossing van Israël uit Egypte door middel van de machtige daden van Jahweh voorgesteld. Maar dat waren niet al Israëls moeilijkheden! Ook de macht van de vijanden, die naar het vlees gesproken veel sterker waren dan het volk, moest tenietgedaan worden. Dit was ook gebeurd en hij was gebracht in de ruimte (vers 20). Maar dit brengt een ander beginsel aan het licht, namelijk dat van de gerechtigheid, waarin God een welgevallen heeft. En hoewel ze geheel en volmaakt alleen in Christus, als mens op aarde levend, gevonden werd, karakteriseert ze toch ook het trouwe overblijfsel, in wiens harten de liefde tot Gods wet diep is gegrift. Dit beginsel wordt vanaf het laatste deel van vers 20 tot en met vers 27 voorgesteld. Het fundament van alles is Christus, maar als die Zich één maakt met de situatie en het lijden van Zijn volk. Hij is het Israël in de geest. Daarom moeten we ons op het standpunt van het overblijfsel en David zelf stellen, terwijl de gehele waarde van de volmaaktheid van Christus, voor de gelovigen voor het aangezicht van God is: de volmaaktheid van deze Ene, Wiens hele leven in Zijn verbinding met het overblijfsel welgevallig voor God was. Want hoewel Christus in Zijn eigen volmaaktheid te midden van de trouwe Israëlieten plaatsnam, om hun de waarde van die volmaaktheid te geven in de ogen van God, toch is het hun praktische toestand, waarmee de Psalm ons bezighoudt. Daarom vinden we de uitdrukking: “Ik was op mijn hoede voor mijn ongerechtigheid” (vers 24).
Dit is zeer belangrijk voor ons oordeel over het letterlijk gebruik van de Psalmen. Christus had kunnen zeggen: “voor ongerechtigheid”. Maar Hij kon niet persoonlijk zeggen “voor mijn ongerechtigheid”. Maar de Geest van godsvrucht (van Christus) die zo in het overblijfsel werkt, bewaart hen ervoor het vlees te volgen. Zij erkennen, dat, als Israël afgeweken is (en het volk in zijn geheel is dat), dit hun goddeloosheid was, in henzelf, hoewel ze er zelf voor bewaard bleven. Nu, dit is waarheid in het binnenste, juist wat door God gezocht en gewaardeerd wordt. Gods regering in haar onveranderlijke beginselen wordt ons hier voorgesteld (verzen 26-27). Aangezien Christus door Zijn verbinding met het overblijfsel, “deze heerlijken op aarde”, hun zaak had opgenomen, was al de waarde van datgene wat Gods welbehagen in Hem opwekte, en wat door de genade zich ook in hen openbaarde, hun plaats van aanneming voor God, hoewel de verzoening de eigenlijke basis van alles is. Maar in de getrouwen wordt hun oprechtheid en hun goddelijke natuur gezien doordat ze zichzelf bewaarden van hun eigen natuurlijke weg. Behalve dit is er nog een ander deel van Gods regering, namelijk de tedere zorg voor de verdrukten, waardoor zij gered worden, en de vernedering van de hoogmoedigen (verzen 28-29). In de duisternis zou licht zijn. Voor de rechtvaardigen zou de duisternis verlichten.
Nu komt een ander toneel onze aandacht vragen. In de volgende verzen gaat het over de macht, waardoor het gelovig overblijfsel verlost wordt. Zoals Christus in het begin van de Psalm meelijdt in de verdrukking en we daarna het overblijfsel zagen in hun eigen toestand hoewel Christus daarin niet van hen gescheiden was, wat betreft Zijn belangstelling en Zijn verbinding met hen (want het is hier geen vereniging, één zijn; dat is het deel van de Gemeente), zo zal Hij ook persoonlijk de macht uitoefenen in het einde. Juist zoals we Hem in Markus bezig zien met het zaaien en met de oogst, terwijl de daartussen liggende tijd voorbijgaat, zonder Zijn persoonlijke tussenkomst of openbare zorg, hoewel de oogst altijd van Hem was. Het Woord van God was gedurende al die tijd van kracht, en Jahweh was een schild voor allen, die op Hem vertrouwden. Vanaf vers 30 lezen we dan hoe Jahweh nu aan Zijn Gezalfde kracht en overwinning geeft voor Israël. Natuurlijk spreekt David hier, maar in werkelijkheid is het een oprichting van het Koninkrijk van Christus.
Als men het algemeen karakter van het laatste deel van onze Psalm begrepen heeft, zullen enkele opmerkingen voldoende zijn om de bijzonderheden te belichten. Het gaat hier over de niet tegen te houden overwinning (verzen 43-51). Er worden in vers 44 drie groepen van personen genoemd: het volk, uit wiens twisten Christus bevrijd is, de heidenen, tot wier Hoofd Hij gemaakt is; en ten slotte een volk, tot dan toe onbekend, waarmee Hij nog niet in betrekking gestaan had, terwijl Hij in Israël was, dat Hem zal dienen. Dat wil dus zeggen, dat de Messias bevrijd is van de twisten en opstanden van de goddeloze joden; dat Hij tot Hoofd van de heidenen gemaakt is; en dat een volk dat tot nu toe vreemden waren Hem zou dienen – nu een volk voor Hem zou worden. De onderwerping zal onmiddellijk plaatsvinden, zó krachtig zal Zijn macht en heerlijkheid zich doen gelden. Zelfs zij, die slechts in schijn oprecht zijn, tenminste geen bewijs van hun oprechtheid hebben gegeven, zullen Hem zonder enige tegenspraak gehoorzaam zijn. Alle knie zal zich voor Hem buigen. Wij hebben hier de invoering van wat tot het duizendjarig rijk behoorde. Dan zal Jahweh opnieuw erkend worden.
Na alle moeilijkheden op Israëls weg, in elk geval die van de joden, gevolgd te hebben, keren we weer terug tot het oorspronkelijke onderwerp van de psalm. Volgens mij is er hier geen sprake van de antichrist. Het enige woord, dat misschien op hem toepasselijk is, is de uitdrukking in vers 49: ‘de man van geweld’. Maar ik denk, dat deze man een buitenlandse vijand is, aangezien de bevrijde Jahweh onder de heidenen looft. De vernietiging van de antichrist zou gemaakt hebben, dat hij Jahweh onder de joden geprezen zou hebben. Ook moeten we erop letten, dat Christus hier, hoewel Hij alle macht van God heeft, toch beschouwd wordt als de afhankelijke mens op aarde, hetzij lijdend of heersend. We zien Hem in verzen 5-7 in Zijn lijden en verder vanaf vers 33 als Overwinnaar, hoewel David daar ook wel over zichzelf spreekt. Tussen de verzen 7 en 33 lezen we van Israël, eerst als volk verlost en dan in lijden en ellende. Vervolgens worden de kenmerken van Gods regering ontvouwd en wordt de bevrijding bezongen. Het is van bijzonder groot belang te zien, hoe na het optreden van de Messias en na de beschrijving van Zijn verbinding met het gelovig overblijfsel, de gehele openbare geschiedenis van Israël van begin tot eind afhangt van Zijn belangstelling voor hen en van Zijn deelneming in hun moeiten. “In al hun verdrukkingen was Hij verdrukt”.
Psalm 19-21
We komen nu tot de getuigenissen, die aan Israël of in de wereld gegeven worden. Dezelfde volgorde van denkbeelden zien we in Johannes 17. Psalm 19 geeft ons twee van die getuigenissen. In de eerste plaats die van de schepping en vooral die van de hemelen, die hoog boven de mens zijn en daarom niet door hem bedorven. Dit is een heerlijk getuigenis van God als God. Daarna komt de wet – de wet van Jahweh (vers 8). Door dit tweevoudig getuigenis ziet de gelovige en ootmoedige jood de zonde uit tweeërlei oogpunt. In de eerste plaats kan hij zijn zonden niet alle noemen, omdat hij ze zo weinig onderkent (vers 13). Hiervan verlangt hij gereinigd te worden. Ten tweede ziet hij het erge van overmoedige zonden, waarvoor hij bewaard hoopt te worden (vers 14). Op deze wijze zou hij bewaard worden voor iedere afwijking van Jahweh.
Psalm 20. Terwijl we in de vorige Psalm van getuigenissen lazen, stelt deze Psalm ons de trouwe en levende Getuige Zelf voor, in het midden van het lijden en de boosheid, die gekomen zijn tegenover die getuigenissen van Psalm 19. We zien Hem in de dag van Zijn benauwdheid, want Hij is neergekomen te midden van een goddeloos volk. Het overblijfsel is profetisch aangeduid door het feit, dat het in zijn hart deelneemt aan de benauwdheid van de Messias, verzekerd dat Jahweh Zijn Gezalfde zal verhoren.
Bij deze gelovigen is duidelijk het geweten geraakt. Er is innerlijk waarheid in hen tegenover de wet en zij zien die wet geestelijk. Zij stellen met hun hele hart belang in de Messias, als Hij door mensen veracht en verworpen is. Maar vanzelfsprekend, we zijn in Israël: de hulp wordt gezocht bij Israëls God, en wel als Degene die in hun midden woont en daar Zijn heiligdom heeft.
In Psalm 16 maakte de Heer Zich één met het overblijfsel. Hier verenigen de gelovigen zich met hun hele hart met Hem in Zijn lijden en strijd hier, hoewel zij er misschien alleen maar de buitenzijde van zien. In ieder geval zijn zij er volkomen zeker van, dat Hij door Jahweh verhoord zal worden. Zij wensen, dat Zijn offers aangenomen mogen worden en al Zijn begeerten en plannen in vervulling mogen gaan. Zij verblijden zich in de volkomen redding van deze gezegende maar afhankelijke Gezalfde. Uit vers 7 blijkt duidelijk hoe vast hun geloof is in dit opzicht: “Hij zal Hem verhoren uit Zijn heilige hemel”. Machtigen zijn gevallen maar zwakken zijn gerezen en staande gebleven voor Hem.
In vers 10 neemt de Messias een andere plaats in. Als de afhankelijke Gezalfde heeft Jahweh Hem gered op de dag van Zijn benauwdheid. En nu verwachten de getrouwen, dat Hij hen zal verhoren op de dag dat zij tot Hem zullen roepen. Hun vertrouwen is nog steeds gericht op Jahweh, als Redder, maar zij roepen Messias de Koning aan, want zij weten nu dat de Gezalfde verhoogd is. Geen ander gedeelte van de Schrift geeft ons de Persoon van Christus zó te aanschouwen als de Psalmen dit doen, uitgezonderd de eerste twee hoofdstukken van de Brief aan de Hebreeën, die ze aanhalen en er de sleutel van zijn. Hier zien we de met het overblijfsel verbonden Messias als de afhankelijke mens, maar Hij is ook de verhoogde Koning, die als zodanig door Israël aangeroepen wordt. Even verder zullen we zien, dat Hij Jahweh Zelf is. Ik zie geen reden om hier (vers 10) de tekst te veranderen naar de Septuaginta, zoals sommigen gedaan hebben onder andere de Vulgata. De Targum, de Syrische vertaling en alle joodse verklaringen lezen het als de Statenvertaling. De Septuaginta heeft: “O, Jahweh, behoud de Koning! verhoor ons!” Al in Psalm 21 zijn Jahweh en de Koning verbonden in de uitoefening van het oordeel, zoals we eigenlijk ook al zagen in Psalm 2. Dit is juist het voornaamste punt dat de Psalmen ons leren: de verborgenheden van de openbaring van Christus in het vlees.
Psalm 21 is het volle antwoord op het roepen van Psalm 20. De verhoging van Christus werpt licht over de inhoud van deze psalm. De Koning verblijdt Zich in de macht van Jahweh, en is verheugd over de redding door deze macht. Wat dit heil is wordt dan verder ontvouwd. Het getrouwe verlangen van het overblijfsel was, dat Jahweh de lijdende Messias de wens van Zijn hart zou geven en al Zijn begeerten zou verhoren. Na Christus’ verhoging kunnen zij uitroepen, en de Geest zegt het voor hen: “De wens van Zijn hart hebt U Hem gegeven; het verzoek van Zijn lippen hebt U Hem niet onthouden”. Jahweh’s vrije en gewillige liefde voor Hem komt Hem tegemoet met de rijkste zegeningen en Hij zet Hem de kroon van fijn goud op het hoofd. Maar deze Psalm deelt ons nog meer bijzonderheden mee over wat er werkelijk gebeurd en tot stand gebracht was. De Messias had Jahweh om leven gevraagd (zie Hebreeën 5:7) en Deze had Hem dat gegeven: lengte van dagen, eeuwig en altijd. Dit is het eeuwige leven van de opgestane en verheerlijkte Mens. Dit was het antwoord van Jahweh op het smeken van de lijdende Messias, toen de dood voor Hem stond. Dit wordt duidelijk door wat volgt. “Zijn eer is groot” en wel door deze bevrijding, door de gunst van Jahweh. Hij is opgewekt uit de doden door de heerlijkheid van de Vader. Jahweh heeft Hem voor eeuwig rijk gezegend en Hem met vreugde vervuld door Zijn aangezicht. Dat is de verlossing van de lijdende Messias, het antwoord van God op Zijn roepen, en Zijn verheerlijking als de lijdende mens. Hij wordt hier niet beschouwd als Degene, die de toorn van God droeg. Integendeel, toen Hij verdrukt werd, werd uitgezien naar de hulp van Jahweh. We hebben al gezien, dat het gevolg voor Christus’ vijanden het verdiende oordeel betekent. De vijandschap en de overleggingen van de mens worden openbaar, met als gevolg het oordeel. De rechterhand van de Koning vindt al Zijn vijanden. Jahweh zal hen verslinden (vers 9). Nogmaals: niet het verzoenend lijden van Christus, maar de goddeloze plannen van de mens zijn hier het onderwerp. Daarom heeft Zijn lijden hier niet vrede maar oordeel tot gevolg.
Wij vinden hier dus achter elkaar: Christus, Die lijdt en tot Jahweh roept; Christus, als de verheerlijkte mens, met majesteit en eer gekroond en Christus, Die het oordeel uitoefent over Zijn vijanden. En de drie psalmen 19, 20 en 21 hebben ons achtereenvolgens voor ogen gesteld: het getuigenis van de schepping, het getuigenis van de wet en dan het lijden en de verheerlijking van de Messias (de waarachtige en getrouwe Getuige) als het definitieve getuigenis van Gods rechtvaardige wegen. Dit moet een openbaring van het grootste belang zijn voor het overblijfsel in de laatste dagen, hetzij wat betreft het lijden, hetzij wat betreft de zekerheid van de verlossing. Christus heeft als mens, om Zijn getrouwheid geleden van de zijde van mensen, en het gevolg zal zijn oordeel over de mensen, terwijl Hij intussen verhoogd is in de hemel. Maar Hij heeft ook geleden van de zijde van God voor de zonde. De feiten, die met dit lijden in verband staan, worden, evenals de gevolgen ervan, in Psalm 22 ontwikkeld.
Psalm 22
In deze Psalm heeft het lijden van Christus een heel ander en een veel dieper karakter dan in Psalm 20. We hebben hier dat heerlijke werk voor ogen, dat de grondslag is van alle zegeningen die in de andere psalmen ontvouwd worden en van iedere zegen en eeuwige heerlijkheid. Hierdoor wordt de interesse, de deelname van Christus voor de heiligen mogelijk, omdat het dit tot een zaak van gerechtigheid maakt en de weg tot verheerlijking van God. Elders hebben wij al als algemeen beginsel vastgesteld, dat het onderwerp van een Psalm vaak in het eerste vers of in de eerste verzen vermeld wordt. Dit is ook hier het geval. Christus heeft geleden van de zijde van de mensen – mensen, die even wreed als ongevoelig waren. Honden hadden Hem omsingeld, sterke stieren van Basan hadden Hem omringd. De maat van dit lijden was eigenlijk niet te beschrijven. Christus voelde het leed dat men Hem aandeed te dieper, omdat het volkomen onrechtvaardig en omwille van Jahweh was voor Wiens naam Hij smaad duldde. Maar ook anderen hebben uit liefde tot Jahweh geleden door de haat van harteloze mensen, zij het in mindere mate. Als Hij in genade de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof was (Hebreeën 12) zo hebben toch ook anderen door genade enkele schreden op de weg van het geloof gedaan, deze door God hun aangewezen weg. Alleen het was voor hen een voorrecht, maar bij Hem vrijwillige genade. Zij vertrouwden op Jahweh en werden gered. Jahweh had hen niet tevergeefs laten roepen noch hen verlaten. Hij had beloofd dat Hij dat niet doen zou. Zij wisten in hun geweten, dat Hij nooit gefaald had in één goede of genadige zaak die Hij beloofd had.
Maar hier was een lijden, dat buiten het bereik van beloften ligt. Ja, wat meer zegt, dit lijden moest de basis leggen voor de vervulling in gerechtigheid van de beloften. Wij staan hier voor een nieuw toneel – een toneel waarbij niets te vergelijken is, noch in het verleden noch in de toekomst van de geschiedenis van de eeuwigheid. Een uniek toneel: de Rechtvaardige van God verlaten. Het kan onmogelijk voor een tweede keer herhaald worden. Want dan zou het zijn karakter verliezen en het belangrijk getuigenis van de eerste keer tenietdoen, namelijk, dat God volkomen verheerlijkt, zedelijk verheerlijkt is, ten opzichte van de zonde. En God zou niet volkomen verheerlijkt zijn als het herhaald moest worden. Het werd eens voor altijd volbracht, volmaakt en volkomen. Het Wezen van God, alles wat God is, is nu zedelijk kenbaar gemaakt als getuigenis in het heelal. Hoe kon dat ooit herhaald worden? Ik zeg opnieuw: als het herhaald moest worden, dan was bovengenoemd gevolg niet tot stand gekomen en zou ook de tweede keer niet tot stand komen. Maar het is gebeurd! Halleluja! De goddelijke heerlijkheid is volmaakt, eeuwig, waar gemaakt, bewezen.
Maar hiervoor was het, met het oog op goed en kwaad, nodig (opdat gerechtigheid en genade, of liefde, duidelijk waargemaakt zouden worden, waar zwakheid en zonde zijn), dat alles wat God tegenover het kwaad is, gezien en waargemaakt werd. Tegen wie moest dit uitgevoerd worden? Wie zou dit kunnen verdragen? De zondaar? Maar dat zou voor hem het eeuwig verderf betekenen. En noch de liefde, noch het Wezen van God zou geopenbaard worden. Maar de Heer gaf Zichzelf hiervoor – Hij, Die in staat was het te verdragen, en in de diepste vernedering van hen, wier zaak Hij op Zich nam, in hun menselijke natuur het werk te volbrengen, Hij droeg in Zijn ziel alles weg wat God is tegen de zonde. Vreselijk ogenblik! Dit alleen doet ons enigszins begrijpen, wat gerechtigheid en oordeel is.
Dat is wat ons voorgesteld wordt en wel in de woorden van Christus Zelf, die ons het feit en wat Hij daarbij voelde openbaren. De diepten van wat daar heeft plaatsgevonden, kan het hart van de mens niet peilen. De gebeurtenis wordt ons meegedeeld door de weergave van wat Hij voelde in die momenten. Wel moeten wij bedenken, dat wij hier voor ons de Rechtvaardige hebben, die Zich van Zijn onberispelijkheid en rechtvaardigheid volkomen bewust is, maar tevens volkomen gehoorzaam deze weg gaat. Hij voelt Zijn nietigheid in deze toestand en ook de zekere onwankelbare volmaaktheid van Jahweh. Hij is rechtvaardig en kan daarom zeggen: “Waarom?” Hij is onderworpen, want Hij zegt: “Gij zijt heilig”. Niet het minste spoor van de werkzaamheid van een wil, die twijfelt aan Gods wegen, maar een zuivere en volmaakte toestand die Gods volmaaktheid ziet, wat er ook gebeurt. Juist de enige Rechtvaardige, die God in al Zijn wegen verheerlijkt had, wordt – alleen – buitengesloten van alle bewijzen van Gods rechtvaardige genade aan de rechtvaardigen. Hij wordt verlaten. Hij roept en Jahweh antwoordt niet. Hij is een worm en geen man. Maar deze toestand kon niet altijd duren, net zomin als de dood Hem kon vasthouden. Want Hij had God op volmaakte wijze verheerlijkt, door tot aan het einde toe door de beproeving te gaan en te wachten tot Gods tijd gekomen was. Christus, Die overal en altijd het voorwerp was van Jahweh’s welgevallen, kon niet verhoord worden, tot alles volbracht was, hoewel Hij op veel heerlijker wijze en verdiend heerlijker, Jahweh’s welbehagen was, dan Hij kon zijn in enige gerechtigheid in Zijn leven, hoe volmaakt deze ook was. In de gerechtigheid in Zijn leven had Hij God verheerlijkt ten opzichte van het goede. Hij was volmaakt in Zijn gehoorzaamheid als mens op aarde. Volmaakt ook in de openbaring van de Naam van genade van Zijn Vader, terwijl Hij verkondigde wat en wie God was ten koste van alles: de smaad van hen, die God smaadden, viel op Hem. Maar nu verheerlijkt Hij God door de kwestie van de zonde op te lossen in de plaats van het kwaad, terwijl Hij tot zonde gemaakt was. Dit heeft een heel eigen karakter en een unieke waarde, zoals wij gezien hebben. “Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem” (Johannes 10:17). Daar waar Hij in de plaats van de zonde voor God stond, dat is als tot zonde gemaakt (2 Korinthe 5:21), terwijl Hij het tegendeel van zonde openbaarde, namelijk een volmaakte en onbeperkte gehoorzaamheid in algehele toewijding aan God, zodat Gods gerechtigheid daarin een beweeggrond voor liefde vond, hoewel die gerechtigheid zichzelf waarmaken moest door Hem te verlaten – daar werd het fundament gelegd van eeuwige gerechtigheid en eeuwige zegening; doordat God daar volmaakt verheerlijkt werd, werd het fundament gelegd voor de vervulling in heerlijkheid van al Zijn raadsbesluiten 22.
En als dit werk volbracht is, het zedelijke werk van de verheerlijking van God, dan wordt Hij verhoord van de hoorns van de wilde ossen (vers 22). De mens en alles om het kruis heen verdween uit het oog door een verduisterde hemel, toen alles wat in God is en de macht en de machteloosheid van het kwaad als tegenover de soevereine goedheid en gerechtigheid van God staande, tot een oplossing werd gebracht en God erin werd verheerlijkt. Alles wordt uitsluitend geregeld tussen de ziel van Hem, die een offerande voor de zonde is en de rechtvaardige Jahweh. En … alles is voleindigd. Christus was volmaakt, had de heerlijkheid van God bevestigd, had Hem verheerlijkt toen Hij niet kon verhoord worden. Toen werd Hij verhoord en alles was voleindigd. Hij daalt weliswaar in het graf als een zeker en onweerlegbaar bewijs van het feit, dat alles wat samenhing met die grote vraag, waarvan de dood voorgeschreven getuigenis was, voleindigd was. Maar Hij daalt er slechts in neer om weer op te staan, zonder dat ook het geringste ontbreekt aan de volkomenheid van het werk van de verzoening en van de verheerlijking van God met betrekking tot de zonde. En ook niets aan de volkomen overwinning over iedere, zelfs de laatste, vijand. Op heerlijke wijze werd Hij verhoord. Ieder, die weet dat Hij is opgestaan, kan het niet in twijfel trekken. En wat blijft er nu over? De zonde? Die is, wat het werk betreft dat daarvoor volbracht moest worden, in Gods oog, zij het nog niet in het volle resultaat, volkomen en voor eeuwig weggedaan voor allen, die deel aan Hem hebben 23. Toorn voor zulke mensen? Hij heeft de beker van de toorn gedronken. – Het oordeel over de zonde of het oordeel over de zondaar vanwege zijn zonde, waar geloof is? Christus heeft het gedragen! De macht van de dood over de ziel? Hij heeft erover getriomfeerd. De macht van de satan, die het geweld van de dood had? Hij heeft hem tenietgedaan. Maar daar was ook het licht van het aangezicht en van de liefde van de Vader, het welbehagen van de Vader in goddelijke gerechtigheid, en dat voor ons. Jezus komt in deze nieuwe verhouding, door in gerechtigheid, op grond van wat Hij tot verheerlijking van Zijn Vader volbracht had, voor God te staan en niet meer alleen als het voorwerp van het eeuwig welbehagen van God in Zijn Persoon. Daarom is die bereikte toestand onveranderlijk voor hen, die er deel aan hebben met Hem, en voor eeuwige zegening in de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde. Want Hij heeft het alles bewerkt voor zondaars, door het wegdoen van hun zonden tot stand te brengen, en het is gefundeerd op de gerechtigheid van God Zelf. In de volle zegening van deze Vadernaam (dat is, ware verbinding met God die geopenbaard is, en in overeenstemming met deze Vadernaam) ging Hij nu als Mens in 24.
Maar Hij had Zijn broeders – tenminste hen met wie Hij Zich verbond en die Hij, na de verheerlijking van Zijn Vader, boven alles op het hart droeg. Hij was nu gekomen op die wolkeloze plaats van welbehagen. Nu had Zijn hart aan niets anders behoefte dan om de Naam, die de uitdrukking was van die zegening, aan Zijn broeders te vertellen. En die Naam te kennen betekent onder de volle zegen te komen. “Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen.” Dit bijzonder kostbare bewijs van Zijn liefde, was juist wat Hij na Zijn opstanding deed in Johannes 20:17. ‘Ga heen naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en [naar] Mijn God en uw God.’
Laten we erop letten, dat “Hij verhoord werd van de hoorns van de wilde ossen” op het ogenblik, dat het werk van Zijn kant volbracht was, toen Hij Zijn ziel aan de dood als een goddelijk oordeel had onderworpen. Toen de gehoorzaamheid tot de dood toe eenmaal volkomen vervuld was, werd de verhoring rechtvaardig en noodzakelijk. Het bewijs van de verhoring voor de mens was en is in de opstanding. Maar Hij kon zeggen: “Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest.” Hij kon Zijn geest werkelijk aan de Vader overgeven en tot de rover aan het kruis zeggen: “Vandaag zult u met Mij in het paradijs zijn.”
Ik heb al gewezen op een uiterst belangrijke karaktertrek van Psalm 22, die zo totaal verschillend is van die psalmen, die spreken van het lijden, dat Christus onderging van de zijde van de mensen. Ik bedoel dit: hier is alles genade! Geen woord over oordeel! Wie zou er geoordeeld kunnen worden, nadat God Zelf het lijden en de toorn op Jezus Christus had doen neerkomen (een lijden, dat voornamelijk hierin bestond, dat God Zijn aangezicht verborg) en de zonden van de mensen die deel aan dat werk hebben door het geloof, door dat werk weggedaan zijn? Dat lijden en die toorn was voor hen het oordeel en het oordeel was uitgeoefend en voorbij. Daarom is alles van nu af aan genade; een wijde stroom van zegeningen op zegeningen. We moeten hier echter vaststellen, dat die zegeningen geheel tot de aarde beperkt zijn, zo geheel heeft de Heer in de Psalmen slechts Israël en de joden op het oog. En hoewel wij Zijn eigen opstanding voor ogen hadden en wij later ook Zijn hemelvaart zullen zien, en de weg van het leven dus voor het geloof tot in de tegenwoordigheid van God geopend is, toch wordt de hemelse woning van de heiligen niet geopenbaard. Wij weten wel, dat de waarheden waarop de zegen rust ons verder brengen, maar onze Psalm spreekt er niet van.
“In het midden van de gemeente zal Ik U loven.” Het trouwe overblijfsel, in de plaats van de aanbidding om Hem vergaderd, vormt de eerste kring, daarna komen de duizendjarige zegeningen – geheel Israël. Zij, die Jahweh vrezen, worden geroepen om Hem te prijzen. De mensen vrezen Jahweh en kunnen eigenlijk slechts vrezen en niets meer; maar dit werk maakt, dat zij, die Hem vrezen, Hem ook loven. Zij die Jahweh in die dag zullen vrezen en door lijden moeten, kunnen nu moed grijpen, want Christus is hun waarborg voor verlossing en vertrouwen (en Hij kan het zijn omdat Hij de verzoening heeft teweeggebracht), maar ook voor hun daadwerkelijke verlossing. Want Jahweh heeft het oor niet gesloten voor de verdrukking van de onderdrukten, noch Zijn aangezicht voor hen verborgen; toen Hij tot Hem riep, hoorde Jahweh Hem. Christus was voor een ogenblik in lijden geweest, maar alleen om het verzoeningswerk te volbrengen. Hij kan nu de verzekering geven: Jahweh heeft Mij verhoord, nadat Ik het werk volbracht heb, Hij zal ook u verhoren. “De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden.” Zij zullen in vrede leven. Maar de zegeningen blijven niet tot Israël beperkt: alle einden van de aarde zullen het gedenken en zich tot Jahweh bekeren. Zij zullen Hem aanbidden, want het koningschap is dan aan Hem. Allen moeten zich voor Hem neerbuigen. Ook zou het niet beperkt zijn tot dat geslacht: zij zullen aan het volk, dat geboren zal worden, verkondigen, dat Jahweh dit gedaan heeft.
Omdat ik bezig ben met de verklaring van de Psalmen, moet ik gedachten over het wonderbare werk, waarop Psalm 22 gegrond is, achterwege laten. Ik zeg gegrond, omdat de Psalm meer spreekt over wat Christus voelde toen Hij het werk volbracht, dan over het werk zelf. Ik hoop echter, dat dit voortdurende en onuitputtelijke onderwerp voor de heiligen, op de ziel van mijn lezer en op mijn eigen ziel al de kracht mag hebben, waartoe arme, maar vernieuwde menselijke wezens, door de kracht van de Heilige Geest, ontvankelijk kunnen zijn. Wat onze vrede betreft, is het onze troost, dat God, Wiens liefde ons dat werk gaf, het naar zijn volle waarde waardeert. En waar Hij Jezus verheerlijkt heeft, heeft Hij het werk voor Zichzelf aanvaard voor onze vrede. Maar, zoals gezegd, mijn taak nu is, zo goed als ik kan, de opbouw van de Psalm zelf duidelijk te maken.
Wij zullen opgemerkt hebben hoe diep het uitwendige lijden van Christus was. Maar van alle rechtvaardigen droeg Hij alleen de last van het verlaten zijn door God. Hij, die vaak Zijn vertrouwen op Jahweh en de innigheid van Zijn gemeenschap met Hem had uitgesproken, en die Zijn discipelen geleerd had om hun vertrouwen te stellen op Hem, die ieder gebed hoort, moet nu openlijk verklaren, dat Hij niet verhoord wordt, maar verlaten is. Wat spreekt dat tot ons, wat een uur dat is geweest!
Zoals we al opgemerkt hebben, is het belangrijk te zien, dat het lijden van Christus van de zijde van de mensen het oordeel over Zijn vijanden brengt, maar het verlaten zijn, dat Hij van de zijde van God onderging – wat tot het verzoeningswerk behoort – was voor Hem het dragen van het oordeel. En al wat daaruit voortvloeit is niets dan pure genade. Omdat dit werk een verzoenend karakter draagt, zo is, nadat Hij verhoord is van de hoorns van de wilde ossen, alles genade. Een stroom van genade vloeit voor het overblijfsel, voor heel Israël, voor de wereld, voor het toekomende geslacht. En de enige bron van die genade is het onwrikbaar en goddelijk volmaakte werk van de verzoening in de dood van Christus. In dit werk, in dit lijden was Hij alléén. Maar nu dit eenmaal volbracht is, neemt Hij Zijn plaats in te midden van de gemeente, die Hij Zelf rondom Zich verzamelt.
Laten we ook bedenken, hoe volmaakt Christus kennis van de Naam van Zijn God en Vader, en van de daaruit voortkomende vreugde moet geweest zijn. Een vreugde, waarin Hij nu als Mens kan ingaan, omdat Hij de zonde heeft weggedaan en Gods welbehagen in Hem en in Zijn werk is.
Al wat God tégen Hem geweest is, is Hij nu vóór Hem, uit hoofde van de waarde van dit absoluut volmaakte werk. Wat een kennis moet Christus hebben van wat de bevrijding uit het ondoorgrondelijke lijden van het kruis in het licht van die goddelijke vreugde is. Welnu, dat is hier de bron van Zijn lof. Zo moet ook het karakter van onze lofliederen zijn. Zij moeten voortvloeien uit de gelukkige zekerheid, dat wij uit de plaats van zonde, dood en oordeel verlost zijn, en dat wij nu voor eeuwig in de volmaaktheid van de goddelijke gunst zijn gekomen. Alles wat niet uit dit bewustzijn voortkomt, is in tegenspraak met Hem, Die onze lofzangen leidt.
Psalm 23-24
De Psalm 23-24 zijn gemakkelijk te begrijpen. We lezen van het volkomen vertrouwen in de Herder, Jahweh, dat gegrond is op de ervaring van wat Hij onder alle omstandigheden is. Vervolgens een beschrijving van het karakter van hen, die deel zullen hebben met Jakob. Deze twee beginselen vonden wij over Christus in Psalm 16-17 en kunnen wij in vele andere Psalmen terugvinden, namelijk vertrouwen in de getrouwheid van Jahweh en de praktische gerechtigheid, die hen kenmerken, die in de heerlijkheid van het duizendjarig rijk op de plaats van Zijn heiligheid zullen staan. Maar Jahweh Zelf neemt daar Zijn plaats in als de Koning der eer.
We vinden dus in deze Psalmen de goddelijke zijde van het beginsel van de weg in al haar volmaaktheid, en het einde in heerlijkheid op aarde, heerlijkheid voor het overblijfsel, Christus, en Jahweh. Met het kostbare getuigenis, dat Hij enerzijds met het overblijfsel de weg gaat, die God heeft gebaand voor hen, en anderzijds met Jahweh Zelf gaat. Want Hij is werkelijk mens en werkelijk God; de scheidsman die zijn hand op beiden legt (Job 9:33).
Maar we gaan nu de bijzonderheden nader bezien. Wat de ziel in Psalm 23 vertroost en verkwikt, is niet wat Jahweh geeft, maar wat Hij is. Hij doet ons neerliggen in grazige weiden (dat is steeds het resultaat in alle tijden van Zijn genade) en voert ons zachtjes aan zeer stille wateren. Aangenaam en overvloedig voedsel is daar, waar geen dorheid kan zijn. Veiligheid in het genieten en leiding in vrede tot goddelijke verfrissingen. Dat is het deel van hem, die onder de zorgen van de Herder komt. Maar wat vertrouwen geeft en de zorg wegneemt, is dat Hijzelf de Herder is. Maar het kwaad is in de wereld gekomen en wij moeten dat voelen – wij in onszelf en Christus in alles wat rondom Hem was, zodat Hij met droefheid en smart vervuld kon zijn – wij helaas veel meer dan dat. De goede Herder – en Christus is dat voor ons – herstelt 25 de ziel en verkwikt het, en leidt ons in de sporen van de gerechtigheid omwille van Zijn Naam. De zegen hangt af van wat Hij is, niet van wat wij ontvangen hebben. Natuurlijk heb ik zegen en ik leer dat in grazige weiden, maar als ik in moeilijkheden kom of verdwaald raak, wil Hij mij herstellen. En niet alleen verdriet en kwaad is met de zonde gekomen, maar ook de dood. Maar Hij komt en voert mij door het dal van de schaduwen van de dood en vertroost mij. Er zijn vijanden op de weg, maar Hij richt een tafel voor mij aan en ik kan me zelfs in hun tegenwoordigheid verzadigen. Wat een troost ligt hierin, ook voor de christen. Omdat ik geroepen ben om van Jahweh Zelf afhankelijk te zijn en niet van de omstandigheden, kan ik zeggen: “U zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over.” Als ik al het verdriet en de moeilijkheden van de weg ondervonden heb, staat Jahweh duidelijker voor mij dan de zegeningen. Het oog is dan uitsluitend op Hem gericht, en zo kan ik zeker zijn van de zegen, want Hij verandert niet. Omdat ik in het verleden in al de uitingen van de macht van de vijand ervaren heb, en daarom nu weet, wat Hijzelf voor mij was in die omstandigheden, kan ik er voor de toekomst en voor altijd op rekenen. Het einde van alle wegen van de Heer zal zijn, dat we eeuwig bij Hem zullen wonen (vers 6). De zegen in het slot springt dus minder in het oog, maar is veel dieper en persoonlijker. De ziel rust, zoals gezegd, op Jahweh Zelf, die hij in alle omstandigheden heeft leren kennen en niet op de zegen, die Hij hem vanzelfsprekend heeft gegeven.
Een geoefende ziel heeft dus ten slotte een veel diepere zegen dan iemand, die uiterlijk gezegend wordt. Het uiteindelijke gevolg voor Israël (en nog meer voor ons) strekt zich verder uit dan de grazige weiden, waarin zij oorspronkelijk door Jahweh geplaatst waren. Het bestaat in de grondige kennis, die een beproefd hart van Jahweh’s trouw verkregen heeft. En zo zal, overeenkomstig het gelukzalige karakter van Gods natuur, de rust van Jahweh ook de rust van hem zijn (Hebreeën 4:1). De grazige weiden waren geschikt voor schapen. Maar het gezalfde hoofd, de overvloeiende beker en het huis van Jahweh tot in lengte van dagen, waren dingen, passend voor Hem die daar woonde. Dit is het resultaat van het vertrouwen van het overblijfsel op Jahweh als er – tenminste tijdelijk – geen grazige weiden zijn. Ze zullen het Lam volgen. Voor ons is Christus de Herder. Wij lijden met Hem, maar hebben nu al betere zegeningen. Maar de zorg van de Herder is er in deze tijd in een andere vorm.
Psalm 24 stelt ons de tweede zijde voor van de toestand van het overblijfsel, voor wat betreft het goede, dat de genade in hen werkt. Jahweh was de Herder gedurende de hele weg. Aan het eind van de weg behoort Hem de aarde met alles wat daarin is, ook de wereld met allen die daarop wonen. Over de hemel wordt hier niet rechtstreeks gesproken. Maar Jahweh heeft op de aarde als vaste plaats van Zijn woning een berg, die Zijn speciaal erfdeel is. Wie zal hem beklimmen? Alleen hij, wiens karakter het Woord ons meedeelt: die rein van handen en zuiver van hart is, die niet gehecht is aan afgoden, die niet vals zweert. Zulke mensen zullen gezegend worden. Dat is het geslacht, het ware karakter van hen die Jakob 26 zoeken, want Gods woonplaats is in Jakob. Zij zoeken Jakob als het gezegende volk van Jahweh; maar als zij de berg van Jahweh zullen beklimmen en in Zijn heilige plaats zullen staan, zal de hoogste zegening zijn, dat Jahweh Zelf ingaat door de geopende deuren om daar te wonen. De zegevierende Heer Jahweh van de legermachten treedt binnen. Het is Christus Zelf. Hij, die de plaats voor Zijn schapen heeft ingenomen, om voor hen uit te gaan, neemt nu als Zijn recht de plaats van Jahweh in, en wordt daar erkend zodra de volle zegeningen gekomen en geopenbaard zijn.
Hiermee eindigt de ontvouwing van de positie van Christus in verbinding met het overblijfsel, zoals we deze vanaf Psalm 16 zagen. Wij moeten ons nu bezighouden met de positie van het overblijfsel, vanuit een ander gezichtspunt bezien, terwijl het zich op ander terrein bevindt. Nu Christus ons voorgesteld is, weliswaar nog niet in heerlijkheid, maar als Degene die Zich met het overblijfsel verenigt en voor hen lijdt, zelfs tot de dood toe, kan het Woord ons op profetische wijze bezighouden met alles, wat hun toestand betreft.
Psalm 25-26
Christus is ingevoerd, weliswaar nog niet in heerlijkheid, maar in Zijn vereniging met het overblijfsel en in Zijn lijden, zelfs tot de dood toe, voor hen. Daarom kan nu de hele toestand van het overblijfsel profetisch worden behandeld. In Psalm 25 vinden we hier voor de eerste keer belijdenis van zonden. Er is niet meer alleen sprake van hun positie, zoals wij dat van Psalm 3-7 vinden, noch van wat zij voelen onder omstandigheden, die zij moeten doormaken, zoals in de Psalm 11-15 (gegrond op Psalm 9-10) ons meedeelden, maar de algemene toestand van het overblijfsel, zoals zij die aanvoelen, wordt ons nu voor ogen geplaatst. De eerste woorden kenmerken hen: “Tot U, HEERE, hef ik mijn ziel op”. De rechtvaardige geeft uiting aan zijn vertrouwen in zijn God en bidt, dat hij niet beschaamd mag worden in zijn wachten, maar dat zij die trouweloos handelen, dit worden. Zo wordt het overblijfsel in vers 3 aangeduid. In de ziel van de gelovigen is het verlangen om de wegen van Jahweh te kennen, om in Zijn waarheid onderwezen te worden, want Hij is de God van hun heil, op Wie zij altijd wachten.
In vers 6 werpt de gelovige zich in de armen van de goddelijke barmhartigheid, zich aan God overgevend, zoals Deze Zich geopenbaard heeft. Hij smeekt Hem om de vroegere zonden van Israël niet meer te gedenken en Zich over hen te ontfermen naar Zijn goedertierenheid. Hij kent Jahweh als goed en oprecht en dat Hij daarom de zondaars onderwijzen zal in de weg. Zijn handelingen met hen zijn in overeenstemming met Zijn eigen natuur en karakter, als Hij in genade, goedheid en recht werkt. Dat is een buitengewoon belangrijk punt.
Daarna krijgen we een beschrijving van het tegenwoordige karakter van het overblijfsel. Zij zijn de zachtmoedigen op aarde, en Jahweh zal deze in recht leiden. Voor hen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen trouw bewaren, zijn al Jahweh’s wegen goedertierenheid en waarheid (verzen 9-10). De godvruchtige belijdt hier, zo volledig mogelijk, niet alleen Israëls vroegere zonden, maar ook zijn eigen ongerechtigheid. Hij verlaat zich uitsluitend op Gods goedertierenheid, zo groot is zijn zonde, en hij vestigt zijn hoop nergens anders op dan op de Naam van Jahweh. Dit is wondermooi. Jahweh’s Naam, zoals die in Israël geopenbaard is, Zijn wegen van barmhartigheid en waarheid in Israël, zijn in de eerste verzen van deze Psalm uitvoerig voorgesteld. Het antwoord op dit geroep werd gegeven in het doeltreffende werk van Christus. Maar hoewel de profeten ervan getuigen en het in Gods oog het fundament van alles vormt, geloof ik, dat het godvrezend overblijfsel het werk op dit tijdstip nog niet kent. Dit zal pas zijn, als zij zien op Hem, Die zij doorstoken hebben. Maar hoewel zij deze kennis nog niet hebben, kennen ze toch de wegen en beloften van God en de talrijke verklaringen en uitnodigingen, ja, de pleidooien van Jahweh, in de profeten, dat “al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw”. Al deze openbaringen zijn voor hen ingesloten in de Naam van Jahweh en naar Hem zien zij op. Tot op zekere hoogte bevinden ze zich in de toestand van de arme zondares, vóórdat zij tot antwoord gekregen had: “Ga heen in vrede!” (Lukas 7).
In de verzen 12-14 vinden wij het hoopwekkende profetische antwoord van de Geest; in de verzen 15-21 de zachtmoedige, die zijn hele toestand voor de Heer blootlegt. Het grote doel en de ware toepassing van de Psalm worden ons in het laatste vers gegeven.
Deze 25e Psalm legt dus de hele toestand van het overblijfsel voor Jahweh open, in de uitdrukkingen van een hart, dat door de genade is aangetrokken en onderwezen. Het is een zeer volledige en duidelijke uitdrukking van hun plaats en smekingen voor Hem, en wel in overeenstemming met wat Hij is. Sommige bijzondere punten worden daarin naar voren gebracht, zoals de belijdenis van Israëls vroegere zonden en de belijdenis van de eigen zonden van de spreker. De goedertierenheid van Jahweh wordt als de enige bron van hulp gezien (vers 6). Van een God, die zo vol genade is, kan men verwachten, dat Hij de zondaars zal onderwijzen. Die zondaars zijn de zachtmoedigen van de aarde, die de aarde zullen beërven. Oprechtheid van hart kenmerkt hen en zij vertrouwen op Jahweh en wachten op Hem. Vergelijk hiermee de onvergelijkelijke schildering van het overblijfsel, die wij in het begin van het Evangelie naar Lukas vinden. Onze Psalm is erg mooi en daarbij zeer karakteristiek.
Psalm 26 is een aanroepen van Jahweh, dat uit een oprecht hart en uit vertrouwen op Hem voortkomt. Door dit vertrouwen zal de gelovige zeker niet wankelen (vers 1). Hij vraagt Jahweh het diepst van zijn hart te onderzoeken, zoals Petrus deed, hoewel die gevallen was. Hier is de goedertierenheid van Jahweh weer de eerste beweegreden. Vervolgens wordt de scheiding tussen de getrouwen en de ongelovige massa van het volk ten volle in het licht gesteld, en als pleidooi gebruikt, opdat hun ziel niet weggerukt wordt met de zondaars. Maar hoewel de gelovige zich op zijn oprechtheid beroept, zoekt hij toch verlossing en genade. Hij weet, dat het einde zegen zal zijn. Zijn voet staat op de effen baan. Hij zal Jahweh prijzen in de vergaderingen. In het kort stelt het Woord ons hier de volkomen scheiding tussen de getrouwen en het overige deel van het volk voor. De getrouwen worden de vergadering van God.
In deze twee Psalmen (25-26) hebben we dus de belijdenis van schuld en het pleiten op oprechtheid: een dubbel getuigenis van de ware vernieuwing van het gemoed. Hoewel de mogelijkheid van een regering van God in vergeving en barmhartigheid gegrond is op de verzoening, die ons in Psalm 22 voorgesteld is, en dit ten volle door Israël erkend zal worden (Jesaja 53) in een tijd die echter komt na de tijd, die ons profetisch in deze Psalmen voorgesteld wordt, zo blijft toch het oogpunt, waaruit in deze twee Psalmen alles door het overblijfsel beschouwd wordt, het bekende karakter en de regering van Jahweh in Israël. De gevoelens van het vernieuwde hart worden in overeenstemming met deze regering en met de wegen van Jahweh weergegeven. Zijn Naam is de sleutel tot hun gedachten en brengt de heerlijkste bewijzen van genegenheid tevoorschijn. Het is het geloof van een vrome Israëliet in de laatste dagen. Dit hele gedeelte van de Psalmen houdt ons bezig met de zedelijke toestand van de getrouwen en wel in het bijzonder wat betreft hun toestand ten opzichte van Jahweh. Over de omstandigheden, waarin ze zich bevinden, wordt naar verhouding minder gesproken, hoewel de vijanden van buiten en de overtreders van binnen noodzakelijk de aanleiding zijn voor hun verlangen naar bevrijding en verlossing. Het hart van de godvrezende bezit de sleutel tot Israëls hele geschiedenis en van alle wegen van God met Zijn volk, omdat hij steunt op de genade en belijdenis van zonden gedaan heeft. Dat is hier en in alle tijden de juiste basis voor goed inzicht. De wegen van God zijn steeds volmaakt geweest en ze zullen die altijd zijn. Men roept tot Hem, te denken aan Zijn eigen goedertierenheid en niet aan de zonden van de jeugd van Zijn volk. Ook worden de vijanden van Zijn volk aan Hem voorgesteld. De hoop op vergiffenis is gebaseerd op de Naam van Jahweh. En deze hoop is, zoals wij gezien hebben, verbonden met Zijn regering, aangezien het overblijfsel hun blik nog niet op Christus gericht en de verzoening nog niet begrepen hebben. De getrouwe zoekt voor zijn weg de leiding van Jahweh en rekent op Zijn trouw. Hij legt al zijn zonden, al zijn beproevingen, al zijn vijanden openhartig voor Jahweh neer. En hij kan zich verlaten op de genade van het verbond, omdat Jahweh beslist hem nabij is, die zijn zonden oprecht belijdt.
Psalm 27-28
Psalm 27 bevat twee onderscheiden gedeelten en stelt ons vervolgens in de twee laatste verzen, naar ik meen, het resultaat van Gods onderwijs in de ziel van de gelovige voor. Het eerste gedeelte (verzen 1-6) is de uitdrukking van het onvoorwaardelijke vertrouwen van de gelovige wie zijn vijanden ook mogen zijn. In het tweede (verzen 7-12) vinden wij zijn geroep vanuit de ellende. De grond van het vertrouwen in het eerste deel is eenvoudigheid van ogen; in het tweede de uitnodiging van Jahweh om Zijn aangezicht te zoeken. De vijanden van buiten en de verdrukkers van binnen (want het overblijfsel zal beiden tegenover zich vinden), een groot leger en een komende oorlog, zal hem geen vrees aanjagen. Jahweh is het licht en het heil van zijn ziel. Zijn enig verlangen is te wonen in het huis van Jahweh om Zijn lieflijkheid te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel. Hij heeft Hem leren kennen, toen Hij de vijanden van de getrouwe in verwarring bracht en zoekt Hem met verlangen. Als kwade dagen aanbreken zal Jahweh hem verbergen in Zijn hut. De aanvallen van zijn vijanden zullen voor hem slechts de gelegenheid bieden om zijn hoofd te verheffen boven het hoofd van zijn vijanden. Daarom zal hij offeranden van vreugde brengen.
Maar van vers 7 af verandert alles. We vinden de getrouwe niet meer in het geloof aan Jahweh denkend, maar in zijn ellende tot Hem roepend. Hij beroept zich hier niet op zijn oprechtheid, maar hij herinnert zich, dat Jahweh gezegd heeft: “Zoek Mijn aangezicht”. Zou Hij, na zó gesproken te hebben Zijn aangezicht verbergen? De getrouwe vraagt of Jahweh hem op de rechte weg wil brengen. Er is oprechtheid in zijn hart, maar de roeping van God houdt hem bezig. Aan het eind wacht hij met vertrouwen op de tijdelijke verlossing in het land van de levenden. In die tussentijd moet hij geduldig op Jahweh wachten, Die op de juiste tijd tussenbeide zal treden en zijn hart zal versterken. Het is een toegevoegde en leerrijke schildering van de toestand van het getrouwe overblijfsel; hun abstract vertrouwen en de grond van hun hoop, als zij zich in verdrukkingen bevinden en op Jahweh moeten wachten.
In Psalm 28 vraagt de gelovige Israëliet tijdens de verdrukking, die over het volk gekomen is, of hij niet met de goddelozen hoeft om te komen. Hij is in dezelfde ellende gekomen als zij, zodat de dood hen verslinden zal als Jahweh niet voor hem tussenbeide treedt. Hij vraagt om het oordeel over de goddelozen, want zij verachten Jahweh. Deze moet hen vergelden naar hun werken.
De Psalm biedt niet alleen aan het overblijfsel uitdrukkingsmogelijkheid voor hun ellende, maar getuigt ook dat Jahweh hun geroep gehoord heeft. Hun hart vertrouwt op Jahweh, heeft hulp gevonden en is daarom met vreugde en lof vervuld. Vervolgens wordt de Messias volkomen met de rechtvaardigen vereenzelvigd (verzen 8-9). Jahweh is hun kracht; Hij is het ook van de Messias. Nu dit vastgesteld is gaat de profetische begeerte van de godvruchtige, overeenkomstig de Geest van Christus, uit naar Jahweh, opdat Deze Zijn volk mag bezitten en Zijn erfdeel mag zegenen. Want geloof in de verbondszegeningen en betrekking wordt in dit gedeelte van de Psalmen beluisterd, want men wil zich door Hem laten weiden en dragen. Verlossing – zegen – goede weide – voor altijd gedragen worden – dat is wat de getrouwen verwachten van de tussenkomst met macht van Jahweh.
Wij hebben in Psalm 25-26 de grote zedelijke beginselen van het vertrouwen op Jahweh zelfs bij belijdenis van zonden, en ook de oprechtheid van het hart gevonden. In de Psalm 27-28 hebben we meer het persoonlijke gevoel van de toestand van de gelovigen en de aard en grondslag van hun betrekking tot God. Dit gevoel openbaart zich op treffende wijze in het eerste deel van Psalm 27, in de éne begeerte van het hart; en in het tweede deel in dat ontroerende pleidooi: U zegt mij Uw aangezicht te zoeken; mijn hart zegt in deze tijd van goddelijk onderwijs: ik wil het zoeken: o Heer, zou U Uw aangezicht voor mij verbergen, nu ik in druk ben, terwijl U mij geleerd hebt om Uw aangezicht te zoeken en op U te vertrouwen? De waarheid is dezelfde, maar in het eerste gedeelte is het het zedelijke begeren van het hart, terwijl in de andere verzen de oproep van God, met zijn hele hart Zijn aangezicht te zoeken, een bron van hulp voor de ziel wordt. Jahweh Zelf is hun toevlucht en heeft hen onderwezen Hem te zoeken.
In Psalm 28 wordt de druk van het kwaad meer gevoeld. Daarom wordt uitgezien naar het oordeel en de afzondering van het overblijfsel uit hun midden van de goddelozen. Deze afscheiding kenmerkt Gods gehele getuigenis in verbinding met de komende Messias. Dit feit zal ons helpen om de éénheid van het overblijfsel in Gods gedachten goed te verstaan. De afscheiding van het overblijfsel is niet alleen op profetische wijze aangekondigd, zoals in Jesaja 65, maar Johannes de Doper wijst erop als een teken van de komst van de Messias, omdat hij hen, die tot hem kwamen, waarschuwde om niet op hun voorrecht als kinderen van Abraham te vertrouwen (Mattheüs 3:9). Zo vond ze inderdaad op een geestelijke wijze plaats. Maar aangezien de Heer verworpen werd en nog niet in macht verscheen, werden de afgezonderden toen als degenen die gered moesten worden tot de Gemeente gevoegd. Dit blijkt uit de woorden van Petrus (Handelingen 2:40). De Heer Zelf ontvangt hen als Zijn schapen (Johannes 10). Paulus grondt zijn bewijsvoering in Romeinen 11 op hetzelfde feit.
Psalm 29-39
Psalm 29 roept de machtigen op om naar de nog machtiger stem van Jahweh te luisteren, om Hem te erkennen en te aanbidden naar de heilige orde van Zijn huis en om de macht van Zijn stem in de schepping van het heelal te prijzen. Maar er is een plaats van inzichtsvolle aanbidding, waar Zijn heerlijkheid verstaan wordt – dat is Zijn tempel, waarheen de mensen moeten komen. Maar deze Jahweh is verheven boven de trotse golven van geschapen machten. Hij heerst eeuwig als Koning ondanks alle tegenstand. En Hij, deze machtige Jahweh, zal Zijn volk kracht geven en zegenen met vrede. Deze Psalm is geen roepen vanuit ellendige omstandigheden, maar een duidelijke bemoediging voor de getrouwen. En een getuigenis voor hen, om hun harten moed te geven in de tegenwoordigheid van de machtigen van deze aarde. Hij die voor hen zorgt, is machtiger dan deze machtigen.
In Psalm 30 vinden we de tegenstelling tussen het vertrouwen in voorspoed, zelfs als God dat gegeven heeft, en het vertrouwen in God Zelf. Hij is tussenbeide gekomen, en heeft de arme geholpen, en hem niet aan zijn vijanden prijsgegeven. Zijn gunst is leven. Zijn toorn duurt slechts kort en is tot welzijn van Zijn heiligen, maar Zijn gunst is voor altijd. Al overnacht het geween ’s avonds bij hen, ’s morgens is er toch gejuich (vers 6). Hij mag hen laten neerdalen tot aan de poorten van de groeve, maar dat gebeurt om ten slotte Zijn macht te tonen door een onfeilbare verlossing.
Wat de vrome betreft – beeld van Israël – deze had vertrouwd op de voorspoed, die hij gekregen had. Maar nu – midden in de tegenspoed – ziet hij Jahweh als Verlosser. De macht van het kwaad door de kracht van God te overwinnen, is beter dan het onzekere goed, dat men verliezen kan. Het geeft veiligheid voor ons en wel in de zegen en de armen van Jahweh, Die vóór ons is. Hij is immers de Verlosser.
Uit de verzen 4 en 10 blijkt duidelijk, dat het hier over een levend volk gaat, dat op aarde gezegend moet worden. En hoewel er in alle tijden zegeningen mogen zijn zoals deze, want er is ook een regering van God ten opzichte van christenen, toch zou het een gevaarlijke dwaling zijn het hier gezegde op de heiligen van onze tijd toe te passen. Onze Psalm spreekt van een tijdelijke verlossing, om in deze wereld vrede te hebben (vergelijk Jesaja 64:7-8). Geen berg, zelfs als we hem erkennen als door Jahweh Zelf sterk gemaakt, is aan Jahweh Zelf gelijk, zelfs als ik aan de rand van het graf ben. Het is mijn berg voor mijn hart, als ik daaraan denk.
Psalm 31 toont ons aan hoe het mogelijk is, dat de Heer Jezus in Zijn leven op aarde de godvruchtige en heilige woorden van een Psalm heeft kunnen gebruiken, en werkelijk in de geest door alles heeft kunnen heengaan, zonder dat die Psalm letterlijk op Hem toegepast moet worden. Wij vinden hier de woorden door Hem gebruikt: “In Uw handen beveel Ik Mijn geest” (vers 6 – Lukas 23:46). Een uitdrukking die in de volle betekenis van het woord waarheid was. Maar de Psalm gaat voort met: “Gij hebt mij verlost, o Jahweh, God van Waarheid”, terwijl Hij toevoegde: “Vader”. Hoewel ik er niet aan twijfel, dat Zijn Geest toen weer in het genot van de goddelijke gunst teruggekeerd was, toch kunnen de woorden: “U hebt mij verlost” niet op Hem toegepast worden 27. Daarom is deze hele Psalm – David buiten beschouwing gelaten – een smeekbede en ook een uiting van vertrouwen van het overblijfsel, die de twee beginselen van vertrouwen en gerechtigheid met elkaar verbindt, en uitziet naar leiding om de eer van Jahweh’s Naam en bevrijding terwijl ze omringd zijn door vijanden.
De rechtvaardige had geroepen tot Jahweh: het ging om Diens Naam. Op Zijn goedertierenheid, die Hij bewijst aan hen, die op Hem vertrouwen, rekende hij. En dat te midden van een leven, dat “verteerd wordt van droefheid en zuchten”. Het verdriet drukt zwaar en daardoor heeft hij geen kracht meer. Hij wordt verdrukt, omdat hij trouw is en toch mijden zijn vrienden en bekenden hem. Zo zal de toestand van het overblijfsel zijn. Hoe volkomen Christus Zich daarmee vereenzelvigd heeft, hoef ik niet te zeggen! Maar de tijd van verlossing, uit alles waaruit de getrouwe komt of waardoor hij moet, in welke tijd ook, is in Gods hand en niet in de hand van de vijand, hoe groot zijn woede ook zijn mag. En in de beproevingen en de tegenspoed wordt hij door Jahweh gekend, want hij wandelt in het bewustzijn van de Verbondsrelatie. De tegenwoordigheid van Jahweh is voor hem een steenrots en een burcht. In de druk op zijn geest meende de rechtvaardige, dat hij verworpen was. Maar toen hij riep hoorde Jahweh. Te midden van de woede van zijn tegenstanders (verzen 14-15) heeft hij tot Hem geroepen als tot zijn God. En nu vermeldt hij in de twee laatste verzen het heerlijke resultaat, en bemoedigt daardoor de heiligen en allen die op Jahweh hopen. Hoe groot de ellende ook mag zijn: de Heer bewaart de getrouwen en oordeelt de hoogmoedigen. Dit besluit, en vat in een zeker opzicht samen, de op ervaring berustende en door de Geest gegeven uitdrukking van de toestand van het overblijfsel en ontvouwt het geheel.
Psalm 32 spreekt van vergeving en genade, wat tot gevolg heeft, dat daarna meer kennis, objectiever vertrouwen en zuiverder oordeel over de omringende dingen gevonden wordt. Dit gaat door tot Psalm 38-39, die weer een bijzonder karakter hebben. Weliswaar heeft de verlossing nog niet plaatsgevonden, maar wat geuit wordt is toch meer het gevoel van Gods gunst in het licht dan van vertrouwen vanuit de ellende. Ieder, die door God onderwezen wordt zal begrijpen hoezeer Psalm 31 de volkomen uitdrukking is van de Geest van Christus. En toch was de persoonlijke betrekking van Christus tot God een andere. Hij was Zoon; en toen Hij stierf beval Hij Zijn geest in de handen van de Vader. Hij bad niet tot Jahweh om van de dood gered te worden. Maar, zoals we in de inleiding al opmerkten, Hij bad voor Zijn vijanden, die Hem kruisigden, in plaats van wraak over hen af te roepen. Dit gebed van Zijn Geest in het overblijfsel is in overeenstemming met Zijn gedachten in ‘die nog komende dagen’. Bij Hem persoonlijk was het anders, want Hij kwam in genade om Zijn leven als rantsoen voor Israël en vele anderen te geven. Daarom ging Hij in gemeenschap met Zijn Vader, in Gethsemane, door alles heen, en gaf Zichzelf over in de dood, omdat het de wil van de Vader was. Maar ook door de droefheid en de beproevingen van het overblijfsel ging Hij geheel heen. En de profetische Geest in de Psalmen verklaart hier in deze aanklagende woorden wat zeker in de laatste dagen zal vervuld worden als gevolg van de boosaardige vijandschap van joden en heidenen in die dagen. En deze uitdrukkingen zullen bewogen smeekbeden worden in de mond van het overblijfsel, want de afgesmeekte oordelen zullen de enige noodzakelijke verlossing zijn. Christus heeft het leven gevraagd en het is Hem in opstanding en in heerlijkheid gegeven, zoals Psalm 21 laat zien. Maar het betekende niet, dat Hij hier op aarde gespaard werd. Om de verlossing tot stand te brengen moest “de weg van het leven” voor Hem door de dood gaan. Maar de dood kon Hem niet houden.
Op deze wijze is Christus in de geest in al hun verdrukkingen ingegaan. De woorden van de Psalm waren de letterlijke uitdrukking van wat de schrijver heeft meegemaakt, maar profetisch geven zij aan wat er in het overblijfsel in latere dagen zal omgaan. Het woord in vers 11, dat met ongerechtigheid vertaald is moet, naar mijn vaste overtuiging, “angst”, “ellende” zijn. Maar de volheid van de verschillende beweegredenen en gevoelens in Psalm 31 samengebracht, vereisen enige verdere opmerkingen.
Ik heb er al op gewezen, dat wij ook hier twee grondbeginselen, die wij zo vaak vinden, bij elkaar zien, namelijk: het gebed van het vertrouwen in God van de gelovige, en gerechtigheid als drijfveer en grondslag voor dit vertrouwen. De eer van de Naam van de Heer komt daar nog bij (vers 4). In de verzen 4-7 hebben we zijn volkomen verwerping van hen, die afgodische nietigheden vereren. In vers 8 wordt de goedheid van Jahweh erkend en geprezen als barmhartigheid. De Heer heeft de ziel van de gelovige in de benauwdheden gekend, en dat is een gedachte vol troost, hoe donker alles om hem heen ook geweest mag zijn. En Hij heeft verlossing gegeven (verzen 8-9). Vanaf vers 10 zien we de uitdrukking van de tot het hoogtepunt gestegen benauwdheid van Christus. De verzen 1-9 zijn een soort van inleiding van algemene beginselen, maar daarna vinden we de druk van zijn tegenwoordige toestand. Hij is voor Zijn tegenstanders, maar vooral voor Zijn buren een smaad en een schrik voor Zijn bekenden (vers 12). Arm en veracht, en toch gehaat en verworpen is Hij. Zo’n lot is het deel van een goddelijk karakter, van Godzelf. In het algemeen bemoeit de mens zich niet met iemand die hij veracht. Maar zo doet hij niet met God, of wat van Hem is 28. Hij zal, als God Zich vernedert, proberen Hem nog meer te vernederen, en evenzo hen, die Hem toebehoren. Tegelijk haat en vreest hij Hem echter. Hoewel vergeten, wordt Christus toch gesmaad, en de actieve vijanden zweren tegen Zijn leven samen. De verzen 10-14 zijn dus de uitdrukking van het standpunt, dat de Geest van Christus, of Christus Zelf, in de wereld inneemt. Vers 15 is treffend. Er is vertrouwen in Jahweh. Alles wat hem moet overkomen is in Zijn hand. Vervolgens wordt nog een andere beweegreden aangevoerd: “Ik roep U aan” (vers 18). “Laat de leugenlippen verstommen” (vers 19). Diegenen die op Gods goedertierenheid vertrouwen zijn bij Hem veilig (vers 21). In vers 22 wordt de trouw van Jahweh geroemd. Vers 24-25 bemoedigt de heiligen daarmee. Zo wordt in een uiterst benarde positie alles waarop de getrouwe zich beroepen kan, op een prachtige wijze samen verbonden. Al deze laatste psalmen, die we behandeld hebben, geven weer wat Israël voelt tijdens de verdrukking en als het naar verlossing uitziet. En dat is werkelijk wat Israël zal doen.
In Psalm 32 lezen we wat de trouwe Israëliet nog meer nodig heeft dan deze verlossing, namelijk vergeving van zonden. Door de zwaarte van de verdrukking keert hij terug tot de wet van God en komt dan tot de ontdekking, dat hij die wet gebroken heeft. Op gerechtigheid in deze zin kan hij geen beroep doen. Wat hij nodig heeft is vergeving en de zekerheid dat Jahweh zijn ongerechtigheid, die hij nu erkent, niet toerekent. Lange tijd had hij zich hiertegen verzet, maar Jahweh gaf hem geen rust, totdat hij zijn zonden belijdt en het bedrog uit zijn hart gegaan is. Zolang er geen schuldbelijdenis is kan het hart onmogelijk oprecht zijn, want dan tracht men de ongerechtigheid te bedekken. Door vergiffenis op grond van genade wordt de oprechte tot God gebracht. Bij een vloed van grote wateren zullen zij hem niet bereiken (vers 6). Deze is dan ook zijn toevlucht: Jahweh bewaart, zegent en leidt nu. Alleen worden de gelovigen vermaand om door gehoorzaamheid verstandig te zijn, opdat God hen niet, door hun onverstand, door de macht van Zijn voorzienigheid moet leiden.
Let erop, dat, terwijl de vergiffenis hier geroemd wordt – en het overblijfsel zal daaraan grote behoefte hebben – de onderscheidene karaktertrek hen van de massa van het volk scheidt, duidelijk gehandhaafd wordt. Deze is: vertrouwen, gerechtigheid en oprechtheid van hart. De goddelozen hebben daarentegen veel smarten.
In beginsel kan een Psalm als deze op de uitgebreidste wijze toegepast worden. En daarvoor kunnen we God danken. Voor het overblijfsel is hij profetisch, om waarheid in het hart te bewerken en hen door goedheid aan te moedigen tot die belijdenis van zonden, waarbij God alleen Zijn zegen kan geven, zoals dit altijd het geval is. Want vergiffenis en “geen bedrog” gaan samen. Het zal de volle aanneming door God dan pas leren kennen, wanneer het zal opzien naar “Hem, die zij doorstoken hebben”, en die als Jahweh komt om hen te verlossen. Laat ons echter het grote beginsel van deze Psalm diep in ons hart griffen, namelijk dat het de absolute, volle vergiffenis, de algehele niet-toerekening van de zonde is, wat het bedrog uit het hart wegneemt. Zonder dat ontvluchten wij God, en verontschuldigen en vergoelijken het kwaad, als we het niet durven rechtvaardigen. Maar wie absolute vergiffenis voor ogen heeft, heeft de moed om oprecht van hart te zijn. Wie zal niet al zijn schulden noemen, als het er alleen maar om gaat, dat een ander ze wil betalen? Wie zal zijn ziekte niet noemen, als hij zeker weet, dat hij dan genezen wordt? De genade brengt de waarheid in een hart, dat ertoe gebracht is om zijn overtredingen te belijden. De last van zijn zonden is weggenomen. De zachtmoedigen en vromen worden aangemoedigd om tot een God die zo gekend wordt, te naderen. “Maar bij U is vergeving, opdat U gevreesd wordt” (Psalm 130:4). Onze Psalm wil dus het overblijfsel tot een ware belijdenis brengen. En wanneer deze belijdenis een feit zal zijn, zullen ze de volle zegening deelachtig worden. Deze Psalm is dus een profetische voorbereiding en als het ware een leerschool voor de heiligen: hij laat hun dat weten, wat nog niet geheel vervuld zal zijn wanneer zij zich tot Jahweh keren, maar waarvan ze weten dat het vervuld zal worden. Daarom spreken deze Psalmen van het karakter van Jahweh, zoals dit zich geopenbaard heeft bij de geïnspireerde schrijvers, en in beginsel, soms letterlijk bij Christus, om zodoende het vertrouwen van de joden in de dagen van verdrukking wakker te roepen en iedere terneergeslagen ziel te vertroosten. Daarom zien we ook het roemen van de volkomen verlossing samengaan met de bede om die verlossing, omdat het enerzijds profetisch is en er anderzijds al vervullingen hebben plaatsgevonden.
Laten we, voordat we tot Psalm 33 overgaan, die logisch volgt op de vergeving van de zonden, nog dit opmerken: het is opvallend dat de afwezigheid van alle bedrog in het hart, gewerkt door de volledige vergiffenis, brengt tot die vertrouwelijkheid met God, die ons geeft door Zijn oog geleid te worden. We zijn dan één van gedachte met Hem en wel in de volmaaktheid van Zijn eigen natuur waarin Hij die openbaart. Vergiffenis leidt tot volle zegen.
Psalm 33 bezingt het volle resultaat van de verlossing. De oprechten van hart worden opgewekt om zich te verblijden. Het karakter van Jahweh, Zijn Woorden, Zijn werken worden geopenbaard en de aarde is nu vol van Zijn goedertierenheid. Hij heeft alle dingen gemaakt. Hij is de heerlijke Schepper. De hele aarde moet Hem daarom vrezen. Alle raadslagen en gedachten van de mens worden teniet voor Hem, maar Zijn raadsbesluit blijft eeuwig (verzen 12-13). Welzalig het volk van wie Jahweh God is, het volk dat Hij Zich ten erfdeel heeft verkozen. Jahweh heeft op de mensen neergezien vanuit de hemel, en Hij beschikt over allen. Maar Zijn ogen zijn op hen die Hem vrezen en op Zijn goedertierenheid hopen. Zo wordt dus het grote resultaat van de tussenkomst van Jahweh voor het geloof van het overblijfsel gebracht en bezongen alsof het al geheel gekomen is. De laatste drie verzen laten zien welk vertrouwen dat in hen bewerkt.
Psalm 34. De zekerheid, dat God regeert, stelt het geloof in staat om Hem altijd te prijzen. Hij heeft Zijn trouw betoond aan hen, die in benauwdheid waren. De psalmist, Christus in de geest, wekt het overblijfsel op om te loven, want Jahweh heeft Zijn verlossing in zijn geval laten zien. De ogen van Jahweh zijn op de rechtvaardigen gericht en Hij luistert naar hun geroep. Maar Zijn aangezicht is tegen hen die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien (verzen 16-18). Jahweh is dicht bij de gebrokenen van hart en Hij helpt de verslagenen van geest (vers 19). De rechtvaardige moet veel lijden tegemoet zien zolang de mens zijn dag heeft, maar Jahweh verlost hem, terwijl de goddeloze aan het onheil ten onder gaat. Jahweh verlost de ziel van Zijn knecht en niemand van hen die op Hem vertrouwen zal beschaamd worden. Het is de volle verzekering van de regering van Jahweh ten gunste van hem die nederig van hart is. En daardoor kan hij God loven, niet alleen wanneer hij gezegend wordt – dit zou geen geloof zijn – maar altijd. Want Jahweh hoort het geroep van de rechtvaardigen. Hij bewaart en verlost ze, wanneer ze in verdrukking zijn. Christus is van dit alles het voorbeeld bij uitnemendheid. Ik geloof, dat Hij hier niet persoonlijk spreekt, maar wel in de geest in de eerste verzen. Het geloof van het overblijfsel eigent zich datgene toe, wat Hem overkomen is en bemoedigt daardoor zichzelf. Vers 21 is ook letterlijk in Hem vervuld. Het is het geheim van het geloof alleen en het bewijs dat dat geloof er is, God steeds te prijzen. Petrus past deze Psalm toe op de onveranderlijke beginselen van de regering van God (1 Petrus 3). Dit is de eerste Psalm die de vorm van een tweegesprek heeft, zoals dit enkele keren voorkomt bijvoorbeeld in Psalm 91 en Psalm 145, hoewel hij zonder twijfel de uitdrukking van de ervaring van de psalmist is, die in vers 12 opnieuw spreekt. Toch denk ik, dat het Christus in de geest is, die Gods wegen in deze Psalm openbaart. ‘Maak de HEERE met Mij groot’. “Ik heb de HEERE gezocht”. Het is de volkomenste bemoediging voor de nederige rechtvaardige.
Psalm 35 is een dringend verzoek of Jahweh door het oordeel tussenbeide wil treden tegen de trouweloze en onbarmhartige vervolgers, die naar de ziel van de rechtvaardige trachten. Smaad, list, geweld, alles is tegen hem aangewend. Zij beweren hem betrapt te hebben. Hij verlangt verlost te worden want dan kan hij Jahweh prijzen in een grote gemeente, dat is in de volle vergadering van het herstelde Israël.
De verzen 13 en 14 laten ons de genade zien waarin de vrome – Christus Zelf – tegen Zijn vijanden handelt. Hoewel in het algemeen toepasselijk op iedere godvrezende, vinden we in deze Psalm toch in het bijzonder Christus voor onze aandacht gesteld.
In Psalm 36 vinden wij een noodzakelijke waarschuwing tegen de goddelozen, speciaal tegen hen, die vijanden van de gerechtigheid zijn, de werktuigen van Satans macht. Men kan niet verwachten dat zij een geweten hebben; niets zal hen weerhouden van hun boze plannen. Zij die op Jahweh vertrouwden hebben gelukkig een zekere toevlucht tot Zijn macht en goedheid. Ten slotte worden de bedrijvers van de ongerechtigheid neergeworpen.
Psalm 37 is zeer belangrijk. Het grote punt is het overblijfsel, en tegelijk iedere ziel in te prenten op God te wachten en zich niet in verwarring te laten brengen door het hem omringende boze. De boosdoeners zullen verdorren als gras. Daarom moeten de rechtvaardigen zichzelf niet kwellen met allerlei vragen (verzen 1-11), maar op Jahweh vertrouwen en goed doen; zich te verlustigen in Hem, want hun begeerten zullen vervuld worden; hun weg op de HEERE te wentelen, want Hij zal hen rechtvaardigen; in Hem te rusten en geduldig op Hem te wachten. Jahweh zal spoedig tussenbeide treden, de boosdoeners uitroeien, en de zachtmoedigen de aarde laten bezitten. Het overblijfsel geeft nog een ander beeld te zien, namelijk dat van de rechtvaardige, wat we zien in vers 12 en volgende. Jahweh vergeet de Zijnen niet. Hij bewaart hen. De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten. Tot dan moeten zij op God vertrouwen en Zijn weg gaan. ‘Wacht op de HEERE en houd u aan Zijn weg’ (vers 34). De rechtvaardigen worden wel verdrukt maar ze zijn niet verlaten. De goddelozen hebben voorspoed, maar spoedig zijn ze verdwenen (verzen 35-36). Wat spreekt, wat wij hier over de rechtvaardige lezen, van de diepte van het lijden van Christus, van die Ene die verlaten werd, hoewel Hij de volmaakt rechtvaardige was.
Deze Psalm helpt ons ook om het verband te zien tussen de discipelen en dit overblijfsel (zie Mattheüs 5:5). Maar tegelijk wordt op het verschil tussen hen gewezen. De Zoon was met de discipelen. Zij konden voor Zijn Naam lijden. En daarom wordt er over de hemel gesproken (Mattheüs 5:12). Hij kon de Vader openbaren, wat Hij in deze rede doet. Het licht schijnt in de wereld, en het is het zout der aarde. De openbaring van de Vader – in genade – maakt de discipelen bekend met bepaalde bijzonderheden van die genade, waarvan het overblijfsel in de laatste dagen niets weet. Maar ondanks dit onderscheid hebben we hetzelfde overblijfsel voor ons.
De Psalmen 38 en 39 hebben, zoals ik al zei, een onderscheiden en bijzonder karakter. De oprechte heeft de verlossing gezocht en verwacht, en de vergeving van zonden was de rijke zegen die hij ontving. Maar in deze twee Psalmen rust de straf over de zonden, in de regering van God, op het overblijfsel, en het weet ook waarom die straf gekomen is. In Psalm 6 smeekt de gelovige Jahweh hem te sparen en hem niet in Zijn toorn te kastijden, waarbij hij de kastijding ziet als een deel van de smarten die misschien met zijn positie verbonden is. Maar hier staat hij geheel onder de last van Gods gramschap vanwege de zonden. De roede heeft de kudde uiterlijk en de ziel innerlijk getroffen. De wijze van spreken is persoonlijk, maar het gaat hier steeds over het overblijfsel. Vrienden en bekenden schrikken terug van zo’n plaag. Vijanden zonder gevoel spannen tegen hem samen en zoeken zijn leven. Ondanks dat alles staat hij voor God met al zijn begeerten en zuchten. Hij is oprecht van hart met God en erkent Hem, maar voor de mensen is hij als een stomme. De verdrukkingen komen, voor zijn ziel, van Jahweh en daarom wendt hij zich tot Hem. Dat is goed (zie 14-16). Hij wil er zich onder buigen. Zijn vijanden zijn werkzaam en machtig. Maar hij vertrouwt op Jahweh, hoewel Deze hem kastijdt, want zijn ootmoedige ziel erkent de kastijding als rechtvaardig. Daarom mag hij verwachten van al zijn vijanden verlost te worden (verzen 18-23). Zij zouden zich verblijden, als zijn voet zou wankelen, en zich groot maken tegen hem. Maar hij maakt zijn ongerechtigheid bekend en erkent ze. Hij verontschuldigt ze niet, en verbergt niets in zijn ziel voor God. Hij roept tot God, opdat Deze Zich zal haasten om hem te helpen.
Deze Psalm geeft ons een treffend beeld van de toestand van de ziel. We zien dat de Geest in alles voorziet, zelfs dan als de rechtvaardige gefaald heeft en, tot vreugde van de goddeloze, zwaar gekastijd wordt. Hij aanvaardt de bestraffing van zijn ongerechtigheid en plaatst zich openlijk voor God, terwijl hij zijn zonde erkent, maar tot Hem opziet wat zijn vijanden betreft. Hoe treurig zo’n geval ook mag zijn, toch wordt door niets zo de oprechtheid tegenover God en het vertrouwen in Hem in het licht gesteld. Hoe moet men zijn zonde belijden en de hulp van God verwachten, als men ontrouw is geweest, als men Hem onteerd heeft en de vijand zich daarover verblijdt? Hier worden geen verontschuldigingen aangevoerd, geen pogingen gedaan om iets te verbergen. De psalmist erkent alles en geeft zich over in Gods handen.
Zonder deze bijzonderheden zou het beeld van de toestand van het overblijfsel onvolkomen geweest zijn. En ook de onderwijzing van de genade voor ieder in welke tijd hij ook mag leven. Nu is het evenwel de vraag in hoeverre de Geest van Christus in de toestand van deze Psalm gevonden wordt. Ik geloof volledig, hoewel Christus persoonlijk natuurlijk nooit in zo’n toestand zou kunnen zijn. Zonder twijfel is de Psalm het gevolg van de zware kastijding, die voor iedereen openbaar was. Zulke gevallen kunnen zich in al hun uitgestrektheid bij het overblijfsel voordoen. Het beginsel is overigens van algemene toepassing. In Christus kon natuurlijk niets gevonden worden waardoor Hij gekastijd, getuchtigd, moest worden, maar door de zonde in al zijn verschrikking en omvang voor zich te zien, en op Zijn weg al de smarten te ontmoeten die het volk zullen treffen, kan Hij, hoewel Hij het groene hout is, zich in het oordeel verplaatsen, dat over het dorre hout 29 zal komen. Hij kon eenvoudig niet zeggen wat hier staat, maar Hij kan wel volkomen meevoelen met hen, die zo moeten spreken. Hij heeft de woorden gegeven, die door Zijn Geest in hun harten er uitdrukking aan zullen geven. Als Hij niet de volle toorn had gedragen voor diezelfde ongerechtigheden, die op hun geweten drukken – die toorn, waaraan zij, in zijn volle kracht als wraak over de zonden, zullen ontkomen – dan zou de toestand, waarin zij hun harten voor God uitstorten, niet de enig nodige kastijding zijn geweest. Daarom kan Christus, wanneer de verdrukking dat karakter draagt, meer dan het overblijfsel voelen wat de toestand meebrengt. Hij heeft in het verdriet en de druk het grootste deel gedragen.
In Psalm 39 vinden wij de rechtvaardige nog onder de tuchtiging van God. Maar hier zien we meer het gevoel van het vergankelijke van het vlees dan van Gods misnoegen, schaamte en vrees. Hij buigt liever het hoofd voor God, dan dat hij zijn geest zou toelaten zich te verheffen en dwaasheden te spreken. Hij had de goddelozen kunnen antwoorden; hij had getergd kunnen worden om kwaad te doen. Maar zich te bedwingen, en te zwijgen als hij onder Gods hand is past hem. Dat is een houding die voor alle tijden geldingskracht heeft (verzen 1-3). Hij zwijgt zelfs van het goede en zijn smart wordt opgewekt. In aangrijpende, prachtige taal stelt hij ons dat voor. Aan het eind stroomt zijn hart over. Maar het is om God de nietigheid van de mens voor te stellen, waarvan het gevoel tot rijpheid gekomen is in zijn ziel. Hij wenst de maat van zijn dagen te weten. Wat is hij klein! Hij ziet dat alles ijdelheid is; maar hij ziet zijn eigen overtreding en zonde in tegenwoordigheid van Eén, wiens bestraffing de schoonheid van de mens verteert als een mot. Hij ziet op Jahweh voor verlossing. Zijn slagen zijn het waarvoor hij zorg heeft. Hij vertrouwt dat Hij hem niet tot een smaad van de dwazen zal stellen.
Die woorden over de ijdelheid van de mens, die een totale veroordeling van het eigen-ik inhouden en daarna het vertrouwen in God om hem te verlossen van de overmoed van de mensen, zijn bijzonder mooi.
Hier eindigt de zedelijke geschiedenis van het overblijfsel, voor zover het in verbondsbetrekking met Jahweh op verbondsbodem gezien wordt (dat wil zeggen, als het Zijn naam aanroept, omdat het in een verbond met Hem is). Daarom vonden we in de Psalmen van dit eerste boek zoveel over Christus persoonlijk. De volgende Psalm toont ons, hoe Hij de plaats inneemt, waarin Hij naar de raadsbesluiten van God met het overblijfsel zou zijn verenigd. En daarna, dat het begrijpen en ingaan in deze positie, de werkelijk gezegende positie is.
Psalm 40-41
Psalm 40 stelt ons dus Christus niet alleen voor, zoals Hij door de verdrukkingen ging die op Zijn weg voorkwamen, toen Hij de zaak opnam van het ongehoorzame en schuldige volk van Zijn liefde – verdrukkingen, die Hem de tong van een geleerde gaven (Jesaja 50:4), en Hem bekwaam maakten in te gaan in het lijden van de beproefden en bewaarden in de laatste dagen, en, voor hun positie voor God passende, uitdrukkingen te geven aan hun geroep. Maar ze stelt ons hoofdzakelijk de bevrijding voor, waarin, na in deze smarten op Jahweh gewacht te hebben, Jahweh’s getrouwheid bewezen werd, doordat Hij uit deze smarten bevrijd werd, tot bemoediging van vele anderen. En dan de gezegende sleutel tot Zijn gehele geschiedenis: dat Hij op Zich genomen had de wil van Jahweh te volbrengen, waardoor het gehele Joodse systeem onder de wet afgesloten en terzijde gezet werd. Voor de ogen van de gehele vergadering van Israël, was Hij volmaakt trouw geweest aan Jahweh; en toch bevindt Hij Zich in het diepste lijden en de diepste verdrukking. Zo eindigt de psalm, en het is belangrijk dat hij zo eindigen moest, omdat zijn onderwerp de volkomen verlossing is. Daarom zal de toepassing van deze bevrijding op de verdrukkingen van Christus, welke verdrukkingen gelijksoortig zijn aan die van het overblijfsel, buitengewoon kostbaar zijn voor dat overblijfsel, als zij in deze verdrukkingen zijn.
Dit beginsel wordt zo duidelijk naar voren gebracht in deze psalm, dat ze een van de merkwaardigste is in dit wondervolle boek. Het stelt de verbinding van Christus met Israël (in het overblijfsel) op de treffendste wijze in het licht en legt het tot grondslag van het gehele onderwijs in de Psalmen, hoewel de omstandigheden na Psalm 41 anders worden. Dat hier van Christus persoonlijk gesproken wordt, hoef ik nauwelijks te zeggen, omdat de apostel deze woorden als zodanig aanhaalt in Hebreeën 10. En wel van Christus als Degene die dat heerlijke werk op Zich nam, waardoor de schaduwen en typen terzijde gesteld werden, en de gelovigen voor eeuwig volmaakt gemaakt werden. “Zie, Ik kom” zijn de woorden van de Zoon, als Hij Zich uit eigen vrije wil aanbiedt, om de wil van God in Zijn werk hier beneden te volbrengen, naar de eeuwige Raad van de Godheid. De Psalm toont ons de gezegende Heer als Hij het werk volbrengt. Zijn werk was, te gehoorzamen; maar Hij biedt Zichzelf absoluut vrijwillig aan, in de vreugde van een vrijwillig op Zich genomen gehoorzaamheid. Toen Hij de dienst van Jahweh in de grote gemeente van Israël vervulde, was Hij niet teruggeschrikt – hoe ook de ontvangst was – van het prediken van gerechtigheid; Hij had Zijn lippen niet bedwongen. Hij was getrouw geweest in Zijn dienst, wat het ook kostte. En Hij had daardoor Jahweh bekend gemaakt. Hij had Diens gerechtigheid, getrouwheid, heil, goedheid en waarheid niet verborgen voor geheel Israël. Dat was Zijn dienst geweest.
Maar dan verandert alles in verbinding met deze Getrouwe; kwaden tot zonder getal hebben Hem omringd. Hij vertrouwt op de barmhartigheid en trouw van Jahweh, tegenover wie Hij getrouw geweest is. Maar niet alleen dat kwaden Hem omringden en goddelozen Zijn ziel zochten te verderven. Hij zegt ook: “Mijn ongerechtigheden hebben Mij getroffen, en Ik heb ze niet kunnen overzien.” Vanzelfsprekend waren dit niet de ongerechtigheden van Christus Zelf, maar die van al de verlosten, en in het bijzonder ook van Israël als volk gezien (Hebreeën 2:17). In deze toestand verlangt Hij, dat zij die Jahweh zoeken, zich verblijden en voortdurend zeggen: “De HEERE is groot”. En dat de anderen beschaamd en te schande worden. Hij scheidt zo het godvrezende overblijfsel dat Jahweh zoekt, van degenen die vijanden zijn van Hem, Die in getrouwheid en liefde, Jahweh’s naam openbaart. Zo beëindigt Christus Zijn ervaring in deze wereld arm en ellendig, maar verzekert, dat Jahweh aan Hem denkt.
Christus is in deze toestand niet van God verlaten, maar Hij komt in deze toestand door een leven van getrouwheid, waarin Hij dat verschrikkelijke ogenblik zou moeten ondergaan. Wij horen hier Zijn roepen, als, om het zo uit te drukken, Hij de zonden belijdt, vóór het slachtoffer verteerd of gedood wordt. Hij bevindt Zich in het diepe lijden, dat deze positie met zich meebrengt, roepend tot Jahweh, maar nog niet onder de toorn, die gezien wordt als Jahweh niet naar Hem luistert. Deze Psalm schildert niet deze toorn, maar de getrouwheid van Christus, die op Jahweh wacht als Hij in het lijden is, liever dan rust te zoeken, of twaalf legioenen van engelen te laten komen, of de verdovende mirre te nemen, of terug te deinzen voor wat de onderwerping aan Gods wil eiste, zoals Hij niet gevreesd had om de mensen te trotseren, toen Hij die wil bekendmaakte. Hij heeft geduldig op Jahweh gewacht en Jahweh heeft Zich tot Hem geneigd en Zijn geroep gehoord: dat is de volmaaktheid van Christus. Hij heeft geen uitweg gezocht om deze gehoorzaamheid te ontwijken; Hij is niet teruggedeinsd, noch heeft Hij Zich afgewend. In de weg van volmaakte gehoorzaamheid wachtte Hij op de tijd van Jahweh, en zij kwam. Zoals van Jozef gezegd wordt (Psalm 105:19), de tijd kwam dat Zijn zaak gekend werd; het wordt hier niet gezegd, hoe of wanneer.
Het doel van de Heilige Geest in deze Psalm is, om aan de beproefden te tonen, dat vóór hen Iemand de lijdensweg gegaan is en verhoord werd. Wij kunnen zeggen, dat wij dat in de opstanding volkomen zien. Maar zelfs op het kruis was het uur van duisternis voorbij en kon de Heer met een luide stem Zijn eigen geest in de handen van de Vader aanbevelen, en Zijn moeder aan Zijn geliefde discipel.
Maar deze bijzonderheden worden ons niet door de profetie, maar door de geschiedenis gegeven, want zij zouden geen nut hebben voor het overblijfsel. Zij zullen moeten weten, dat zij verhoord zullen worden, als zij geduldig op Jahweh wachten. Als zij ter dood gebracht zullen worden, zullen zij het antwoord ontvangen in opstanding. Zo niet, dan zullen ze Israëls plaats in zegening ontvangen, zonder twijfel met het Lam op de berg Sion; omdat zij, hoe zwak en gebrekkig zij ook zijn geweest, net zulke beproevingen en verdrukkingen doorgemaakt hebben in getrouwheid aan Jahweh in de grote gemeente. Worden zij verontrust door hun ongerechtigheden? Deze worden niet over het hoofd gezien. Ze kennen de verzoening nog niet, maar ze weten, dat Eén die zeggen kon: “Mijn ongerechtigheden hebben Mij getroffen”, geduldig wachtte, verhoord werd en verlost. Ze wachten, vertrouwend op de barmhartigheid van Jahweh, maar vrede kennen ze nog niet. Hun ongerechtigheden hebben hen aangegrepen, zodat zij zich afvragen, hoe zij op Jahweh kunnen hopen voor verlossing. Maar bij Hem is vergeving, opdat Hij gevreesd wordt (Psalm 130). En onze Psalm verzekert hen, dat Iemand die in dezelfde diepten was als zij zijn, verlost werd. Als zij op Hem zien zullen ze hun zonden oordelen in het licht van het feit, dat Hij ze gedragen heeft, en ze zullen vrede vinden; maar de grondslag voor vrede is hier in hoop voor hen gelegd. Als een hart, dat onder de last van zijn ongerechtigheden bezwijkt, dit aangrijpt, kan het uitzien naar bevrijding. Ze is gevonden, en (hoe zwak het licht bij het getrouwe overblijfsel ook mag zijn, en het zal zwak zijn) de grond voor de hoop is gelegd. Vergelijk Jesaja 50:10-11, dat juist deze toestand beschrijft, als gevolg, wat het overblijfsel betreft, van het feit dat Christus gerechtvaardigd en geholpen is.
Maar dit is niet alles. De Messias verbindt Zich zo met hen, dat Hij zeggen kan: “Hij legde mij een nieuw lied in de mond, een lofzang voor onze God. Velen zullen het zien en vrezen, en op de HEERE vertrouwen. Welzalig de man die op de HEERE zijn vertrouwen stelt, en zich niet wendt tot wie hoogmoedig zijn of afdwalen naar leugen.” Zo zegt ook vers 6 ‘aan ons’. Vers 2 toont ons dus Christus die op Jahweh gewacht heeft en verhoord is. Hij is opgehaald uit een ruisende kuil en modderig slijk. Natuurlijk heeft David dit gezongen, maar de bedoeling van de profetie is van Christus te spreken. Maar dan maakt Christus Zich één met Israël, hoewel Hij, zoals wij zagen, het overblijfsel onderscheidde. Hij zegt: “Een lofzang voor onze God.” Het resultaat is, dat velen het zien, vrezen, en op Jahweh vertrouwen. Zij kunnen ook op verlossing vertrouwen; velen zullen het doen. Christus’ verkondiging van gerechtigheid, tot de grote gemeente, verzamelde een kleine kudde. Zijn verlossing als de lijdende Christus, zal voor velen ten zegen zijn. “Wie heeft mij deze gegenereerd?” zal Sion in die dag zeggen. Mogelijk worden de tien stammen hier ook onder begrepen; toch als beginsel zal er een grote menigte zijn (Jesaja 49:21). Bij Christus’ eerste komst was het niet zo. Toen moest Hij in Zijn eigen geschiedenis en lijden, de Verachte en de Verworpene zijn.
In vers 6 vinden we de zegensgedachten van Jahweh. Dit leidt tot de hoofdgedachte, het middelpunt en het fundament van alles, namelijk tot Christus als komende om de wil van Jahweh te doen. Nu kunnen we over de waarde van het doen door Christus van Jahweh’s wil, uitweiden, of, veel beter, de Geest van God heeft het voor ons gedaan. Hier gaat het echter veel meer over de getrouwheid van Christus in het volbrengen van deze wil. Zijn overstelpt zijn door de ongerechtigheden, die Hij in Zijn eigen ziel tot de Zijne gemaakt had, zoals wij dat in Gethsemane vinden, dan over bevrijding. We moeten eraan denken, dat de belijdenis van zonden over de kop van het offer (Leviticus 16:21), niet het slachten of het in het vuur werpen van het offer was. Dus Christus’ erkenning, of belijdenis van de ongerechtigheden, die Hij als de Zijne op Zich nam, is niet het dragen van het oordeel daarover, noch Zijn afgesneden worden uit het land van de levenden. Hoe vreselijk dit ogenblik voor Hem geweest moet zijn, zoals we dat zien kunnen in de Evangeliën, en Hij zag hierdoor ook alles wat nog over Hem komen zou – toch was het belijden van de zonden, en het dragen van het aan de zonden beantwoordende oordeel, essentieel verschillend. Zijn belijdenis van zonden moet Zijn volk (ik wil niet zeggen nadoen, maar) zich eigen maken, in de wetenschap, dat de zonden die Hij beleed, hun zonden waren. Totdat de genade volkomen gekend wordt, zullen ze het misschien doen in grote angst en in een vreselijk besef van de toekomende toorn. Afgezien van de uiterlijke verdrukkingen, vormt dit juist de overeenkomst tussen het Joodse overblijfsel en de Heer. De toorn die Hij in het verzoeningswerk droeg, droeg Hij, opdat wij die nooit zouden hoeven te dragen.
Onze Psalm stelt ons dus Christus voor, die naar de eeuwige raadsbesluiten van God hier beneden gekomen is, om in de menselijke natuur de wil van God te volbrengen. Hij plaatst Zich in de grote gemeente van Israël, waardoor Hij diep moet lijden, neerdalend tot in de ruisende kuil; maar Zijn vertrouwen op Jahweh is vast. Hij heeft geduldig op Hem gewacht, is opgehaald uit het modderige slijk, en een nieuw lied is in Zijn mond gegeven. De eerste vier verzen stellen het grote feit vast: Jahweh hoort en bevrijdt uit de verschrikkelijke kuil. Dit is een les voor het gehele overblijfsel. O, hoe “welzalig de man die op de HEERE zijn vertrouwen stelt, en zich niet wendt tot wie hoogmoedig zijn of afdwalen naar leugen”. Dan wordt ons de loop van de gebeurtenissen voorgesteld. Wonderbaar waren Jahweh’s raadsbesluiten. Christus komt om als mens Zijn wil te doen; Hij vindt Zijn welbehagen daarin; Hij verkondigt Gods gerechtigheid voor allen. Dit brengt Hem in het grootste lijden. Kwaden tot zonder getal hebben Hem omringd, en, wat meer is, Zijn ongerechtigheden (die van Zijn volk), hebben Hem aangegrepen; maar de lijdzaamheid heeft een volmaakt werk, en Hij is volmaakt en volledig in de gehele wil van God. En zoals de Psalm ons in het begin toont, Hij is verlost. Maar, zoals al gezegd, verkondigt de Psalm in het bijzonder Zijn getrouwheid. Daarom zien we Hem tot het einde van de beproeving, maar terwijl Hij er nog in is. Het onderwerp van Zijn smeken is, dat de goddelozen, Zijn vijanden, mogen afgesneden worden – maar dat de nooddruftigen van de kudde in staat mogen zijn te loven en zich te verblijden in Jahweh.
Het is prachtig, het volmaakte geduld van Christus te zien in de moeilijkheden, opdat de gehele wil van God volbracht zou worden. Hij zoekt de vreugde en de volle zegening van het arme overblijfsel, terwijl Hijzelf de plaats van volledige afhankelijkheid van Jahweh inneemt, en Hem smeekt als God tussenbeide te komen. Gehoorzaamheid en afhankelijkheid zijn de twee karaktertrekken van de werkzaamheid van het goddelijk leven in de mens ten opzichte van God.
Men kan hier opmerken, dat het getuigenis in het midden van de gemeente afgesloten wordt, wanneer de “kwaden zonder getal” Hem aangrijpen. Het begin van de Psalm spreekt van de ruisende kuil, als Hij er al uit opgehaald is, en wij zien daaruit hoe ver Zijn gehoorzaamheid ging; maar van Zijn dood wordt niet gesproken. In het geheel van de Psalm hebben we, als gekomen om Gods wil te doen, Christus’ getrouwheid als getuige tijdens Zijn leven, en het lijden dat over Hem kwam aan het eind, toen Hij de last van de ongerechtigheden van Zijn volk op Zich moest nemen. Het vijfde vers past het gevolg van getrouwheid van Christus toe op het overblijfsel, tot hun onderwijzing en bemoediging.
Voor we verder gaan, wil ik een paar woorden zeggen over de uitdrukking in vers 7: ‘U hebt Mijn oren doorboord.’ Het is niet hetzelfde als in Exodus 21. Daar is het het vastmaken met een priem van het oor aan de post van de deur; zo werd de man voor altijd een slaaf. Ook is het niet hetzelfde als in Jesaja 50, waar het de betekenis heeft van zo volledig een dienstknecht van de wil van Zijn Meester te zijn, dat Hij Diens bevelen elke morgen ontvangt. Hier is het letterlijk vertaald: “Gij hebt mij oren gegraven”. Dat is, dat Hij de plaats van een dienstknecht innam. Maar Hij deed dat toen Hij mens werd, volgens Filippi 2. Daarom neemt de Geest in Hebreeën 10 de verklaring van de Septuaginta over: “U hebt Mij een lichaam toebereid.” Vergelijk Johannes 13, dat, wat de tijd betreft, beantwoordt aan Exodus 21, Lukas 12:37 en 1 Korinthe 15:28.
Psalm 41 beschrijft ons de gelukzaligheid van de mens, die deze positie van de armen van de kudde kent en er zich mee éénmaakt (vergelijk Mattheüs 5:3; Lukas 6:20). De woorden van de Psalm zijn die van één van het lijdende overblijfsel. Ze zijn ongetwijfeld ook de uitdrukking van de persoonlijke ervaring van de psalmist. Het is een van de Psalmen waaraan Christus een uitdrukking ontleent om te laten zien, hoe Hij in het eind van Zijn leven, toen Hij in het lijden van het overblijfsel inging, volkomen de bitterheid daarvan gesmaakt heeft. De arme wordt echter in zijn oprechtheid bewaard en voor Jahweh’s aangezicht gesteld. De schijnbare zegepraal van de goddeloze is maar van korte duur.
Hiermee eindigt het eerste boek van de Psalmen. Als een geheel, is het de ervaring van het overblijfsel, voordat zij uit Jeruzalem verdreven zijn, tenminste van hen die niet verdreven zijn. De verbondsnaam Jahweh wordt gebruikt. Daarom worden wij ingewijd in de positie van Christus, voor zover Hij kwam en in het midden van de armen van de kudde op aarde plaatsnam en het leven van smart en oprechtheid leefde te midden van het kwaad. Van deze laatste Psalm 41 is Hij niet het voorwerp, zoals vers 5 duidelijk maakt.
Zoals we gezien hebben, vormen de Psalmen 1-8 een soort inleiding, waarin het gehele toneel voor ons gesteld wordt, in haar beginselen en gevolgen in het raadsbesluit van God. Daarna geven de Psalmen 9-10 ons de ware historische omstandigheden van de Joden in de laatste dagen. Wat de geschiedkundige feiten betreft, vormt de toestand van de Joden in de laatste dagen dus de grondslag en het onderwerp van het gehele boek. Tegelijk horen we hoe Christus Zich met hun lijden kon verenigen en zij bemoedigd worden door Zijn voorbeeld. Zijn gehele leven onder het volk gaat aan ons oog voorbij, maar speciaal het einde, toen Hij, na Gods gerechtigheid in de grote gemeente verkondigd te hebben, inging in het diepe lijden van de laatste uren van Zijn weg op de aarde, die voerden tot Zijn verlaten zijn van God. Maar toch was het voor Hem de weg van het leven – en zeker voor ons! God zij geprezen daarvoor!
Psalm 40 is daarom zo belangrijk, omdat het niet alleen ons de geschiedenis van Christus, Zijn getrouwheid, voorstelt, maar ook Zijn vrijwillig Zichzelf aanbieden om alles te volbrengen wat de raadsbesluiten van de Vader van Hem verlangden. En daarna Zijn wachten in gehoorzaamheid, tot het Jahweh behaagde tussenbeide te komen. En dan heeft Hij het nieuwe lied om te zingen. Van deze tussenkomst van God, was de opstanding het grote getuigenis, waardoor, zoals we in Psalm 22 zagen, Hij het nieuwe lied werkte in zoveel andere harten. Zoals gewoonlijk geven de eerste vier verzen de hoofdgedachte van de psalm, en het vervolg geeft aan, wat tot dit resultaat geleid heeft. Alleen wordt hier de weg van de Heer beschreven, van het ogenblik af dat Hij Zichzelf voor het eerst aanbood om deze weg te gaan.
In Psalm 41 zal de lezer ook ontdekken, wat wij als het karakter van het overblijfsel al eerder voorgesteld hebben, de erkenning van zonden (vers 5), en een betuigenis van oprechtheid (vers 13). We zien dat Christus de Psalm op Zichzelf toepast, hoewel we Hem er niet in vinden, waardoor Hij toont, dat Hij de plaats innam waarop de inhoud van het geheel betrekking had. De hoogmoedigen en goddelozen konden het zachtmoedige, ootmoedige en misschien gekastijde overblijfsel verachten en verdrukken. Maar het is hier meer de valse en verraderlijke geest van hen, waarvan de gelovige eigenlijk had kunnen verwachten, dat hij hen kon vertrouwen. De gelukzaligheid is bij degenen die begrijpen, de zachtmoedigen en nederigen die gekastijd zijn, want zij begrijpen de wegen van God. De zachtmoedige ziet op naar de Heer, als Zijn hand op hem drukt. Het punt waarom het in deze Psalm gaat is, de gelukzaligheid van hen die begrijpen en ingaan in de positie van hen met wie Jahweh handelt. Deze plaats nam Christus volkomen in, hoewel Hij niet met ziekte getuchtigd werd.
Het tweede boek
In het tweede boek wordt ons het overblijfsel voorgesteld als buiten Jeruzalem, en de stad als overgegeven aan ongerechtigheid. De verbondsverbinding tussen de Joden en Jahweh is verloren, maar het overblijfsel vertrouwt op God.
Bij het verschijnen van de Messias verandert alles. Verder hebben we duidelijker de verhoging van Christus in de hemelen, als het middel voor hun verlossing, en Zijn verwerping en lijden toen Hij hier op aarde was. Het eindigt met het duizendjarig Vrederijk onder de Messias, hier voorgesteld in de figuur van Salomo. De geest van de godvruchtige wordt beproefd door deze omstandigheden. En als alle hoop om iets goeds in het volk te vinden weg is, keert de ziel van het gelovig overblijfsel zich meer geheel naar God toe en wordt zodoende steeds inniger met Hem verbonden. Hiermee begint het boek.
Psalm 42-51
De godvruchtige was vroeger met de schare opgegaan naar Gods huis. Maar dit is geheel voorbij. Hij is uit het land verjaagd en nu komt zijn roepen van de Jordaan uit het land van de Hermon en uit het klein gebergte. Al Gods baren zijn over hem heengegaan. Hoe droevig, hoe verschrikkelijk te zien, dat de vijand in bezit is van het heiligdom, terwijl degene die Jahweh trouw gediend heeft buitengeworpen is en Zijn Naam gelasterd wordt. De heidenen zijn gekomen met macht – zoals Joël zegt – en hebben hen, die op de trouw van Jahweh bouwden, bespot door te vragen: “Waar is uw God?” (Joël 2:17).
Dit was natuurlijk een vreselijke beproeving voor het geloof. Zo is het ook met Christus geweest op het kruis en nog sterker, want Hij riep uit, dat Hij verlaten was. Door deze beproeving moest blijken wie God door het geloof voor hen was. Psalm 42 is de weergave van dat geloof.
De ziel van de getrouwe dorst naar God. Het was niet alleen voor Zijn zegeningen; die waren verloren. Maar de kostbaarheid van wat Godzelf was kwam er des te sterker door uit. Het grootste lijden is de roep: “Waar is uw God?” Maar hoewel de gelovige niet in Jeruzalem is, zo is toch zijn vertrouwen op God. Het geloof zegt: “Ik zal Hem weer loven voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.” Ook het hart kan op Hem een beroep doen (vers 10), en onder de last van de voortdurende hoon van de vijanden op Godzelf hopen, en Hij zal de verlossing zijn van het aangezicht van degenen, die op Hem vertrouwen. Let erop, dat het in vers 6 de hulp van Gods aangezicht is, terwijl in vers 12 God de verlossing is van het aangezicht van hem die op Hem vertrouwt. Dit Godzelf tot alles maken, bij de ontbering van al de zegeningen en de oefening van het geloof daardoor, waardoor de ziel geheel op God geworpen wordt, is zeer kostbaar. De vijand uit Psalm 42 komt uit het buitenland. Het is de heidense onderdrukker. Hoewel het hier in andere omstandigheden is, en niet in de diepten van het verzoeningswerk, is het belangrijk de overeenstemming te zien tussen vers 4 en dat wat de Heer op het kruis zei.
Psalm 43 is een aanvulling op de vorige. Alleen staat hier het goddeloze volk, de Joden, en de man van bedrog en onrecht, de boze, voor onze ogen, hoewel ook de heidense onderdrukker aanwezig is (vers 2). We weten dat beiden er zullen zijn in die tijd 30.
Doordat hier speciaal van het Joodse volk gesproken wordt is de aandacht van het gelovig overblijfsel meer gevestigd op de terugkeer tot Zijn heilige berg en tot de woningen en het altaar van God. De verzen 3-4 vormen de grondslag van het gehele tweede boek van de Psalmen.
Psalm 44 geeft ons een volledig en levendig beeld van de toestand van het volk, zoals deze door het geweten van het overblijfsel aangevoeld wordt. Uit de verzen 1-9 blijkt, dat hun geloof rust in wat zij gehoord hebben van hun vaderen over de machtige verlossingen door God bewerkt. Ze herinneren zich, dat zij door Gods macht en niet door eigen macht in het bezit van het land gekomen zijn. Vervolgens lezen we van verzen 10-17 over hun tegenwoordige toestand: Ze zijn verstoten en verstrooid. De vijand en de wraakgierige is in hun midden. Ze zijn verstrooid onder de heidenen, door God verkocht voor geen prijs. Toch zijn zij niet afgeweken van hun oprechtheid. Integendeel: “Omwille van Hem werden zij de hele dag gedood, werden zij gerekend als slachtschapen” (verzen 18-23) 31. In de verzen 24-27 vinden wij hun tot God gerichte smeekbeden, opdat Hij zal ontwaken tot hun verlossing omwille van Zijn goedertierenheid. Waarom zou Hij hen altijd vergeten? De Naam van Jahweh wordt in deze Psalm niet genoemd. Want de getrouwen zijn buiten het land, ver van Jeruzalem; daarom wordt er van God gesproken.
Psalm 45 voert de Messias in en daardoor verandert alles, zoals wij zullen zien. De betekenis van deze Psalm is zo eenvoudig en zo duidelijk, dat het ondanks zijn belangrijkheid bijna overbodig is om op vele bijzonderheden te wijzen. De Messias is er om het oordeel uit te oefenen en om bezit te nemen van de troon. Hij had al bewezen, dat Hij de gerechtigheid liefhad en de goddeloosheid haatte, en dat Hij bekwaam was om te regeren. Hij wordt daarom als God begroet. Toch worden Zijn discipelen (het overblijfsel) Zijn medegenoten genoemd. Vergelijk Zacharia 13:7, waar Hij gezien wordt in Zijn vernedering en als de geslagene, maar erkend als de metgezel van Jahweh.
Ik denk, dat de koningin in vers 10 Jeruzalem voorstelt. Tyrus en anderen erkennen haar door geschenken te geven. Zij wordt met eer ontvangen in de kamers van de koning.
Ik denk dat dit de betekenis is van het “ingaan in”. Zij staat in de innigste verbinding met de koning. De jonge dochters, haar metgezellinnen, zijn, naar ik veronderstel, de steden van Juda. De heerlijkheid van Israël zijn niet meer de vaders. De aanwezigheid van de Messias, die de beloften vervuld heeft, heeft de heerlijkheid van de dragers van de belofte van vroeger overtroffen. In de plaats van de vaderen komen de zonen, die tot vorsten aangesteld worden over de gehele aarde; alle landen. De verschijning van de Messias in heerlijkheid en ten oordeel brengt met zich mee de volkomen zegepraal en heerlijkheid van Jeruzalem en van het Joodse volk te midden van alle volken. De Psalm is vol van de Messias en spreekt alleen van Hem, maar als Mens. Van God wordt alleen gesproken als Zijn God. Maar de Messias is God.
Psalm 46. Nu de Messias in heerlijkheid verschenen is, kan het overblijfsel met vreugde vermelden, wat God in gunst voor Zijn volk is. En het kan dit doen met de bijzondere kennis, die het zich in de tijd van benauwdheid heeft verworven. Misschien moeten zij nog een aanval doorstaan. Volgens de profetie zal er inderdaad nog een plaats hebben (Ezechiël 38-39). Maar waar het volkomen resultaat van de komst van de Messias ten zegen bezongen is in Psalm 45, vermeldt Psalm 46 het grote gevolg van die komst in de regering van God. Het getrouwe overblijfsel heeft Jahweh aan zijn zijde als de God van Israël (vers 8). Want hier wordt opnieuw Jahweh ingevoerd, als een tegenwoordig iets. Hier vooral genoemd als Toevlucht en Verlossing en na wat we tot dusver bestudeerd hebben hoef ik niet te zeggen waarom. Al zou de aarde zich verplaatsen, al wankelden de bergen en al zouden de wateren bruisen en onstuimig worden, het volk heeft niets te vrezen: God is met hen. En dit is nog niet alles. Hij heeft Zijn stad op de aarde, het heiligdom waar Hij, de Allerhoogste, woont, dus de heilige woning van God, verkwikt en verheugd door de rivier, die in deze beschrijvingen, hier zowel als elders, het teken is van zegening. We vinden het met dezelfde betekenis in het hemelse en in het aardse Jeruzalem (Ezechiël 47), zowel in het Paradijs als in beeld in de gelovige en in de Gemeente, die allen die dorst hebben oproept te drinken van het levenswater. Zelfs dan vinden we de rivier. God is daar, het zekerste en beste antwoord op de honende vraag: “Waar is uw God?” van Psalm 42. De stad van de Allerhoogste, onwankelbaar, want God zal haar helpen bij het aanbreken van de morgen.
Vers 7 geeft ons in bewonderenswaardige kortheid het grote resultaat van de goddelijke interventie. Alles is beslist. Dan zeggen de gelovigen: “Jahweh der heerscharen is met ons.” De God van geheel Israël is de Toevlucht van dit zwakke overblijfsel. In verzen 9-10 roepen de heiligen de aarde op om de grote daden van Jahweh te aanschouwen en om te zien wat er geworden is van de machteloze woede van de mensen van geweld. Want Hij zal grootgemaakt worden onder de heidenen en verhoogd worden op de gehele aarde. De plaats van het geloof is, stil te zijn, op Hem te wachten en te weten dat Hij God is. Zoals het overblijfsel van Jakob met vreugde erkennen zal, dat Jahweh van de legermachten, de God van Jakob, met hen is.
In Psalm 47 vinden we het vervolg van deze verlossing, met het zo heerlijke resultaat voor Israël, in overeenstemming met de heerlijkheid van God op aarde. Jahweh is nu een groot Koning over de gehele aarde (vergelijk Zacharia 14). Hij onderwerpt de volken aan Israël, en kiest Zelf een erfdeel uit voor dat volk. In de verzen 6-10 worden deze feiten triomfantelijk bezongen. Ook lezen we daar, dat de vorsten van de volken samengekomen zijn om God te erkennen en het “volk van de God van Abraham”. Hij is speciaal de Koning van Israël, van het overblijfsel. Maar als Hij de Koning van Israël is, dan is Hij ook Koning over de gehele aarde. In deze verzen wordt God Zelf verheven, maar Hij is de God van Israël. Het is de voorstelling van het aardse deel van de duizendjarige heerlijkheid van God, waarvan Israël, in het verloste overblijfsel als zodanig erkend, het middelpunt is. Ik denk dat vers 10 vertaald moet worden met: De edelen der volkeren hebben zich verbonden met het volk van de God van Abraham.
Psalm 48 voltooit deze reeks van psalmen. Jahweh heeft Zich als de God van Israël in Sion gevestigd, dat nu de vreugde vormt van de gehele aarde. Het is de stad van de grote Koning en in haar paleizen wordt God erkend als een Burcht. De koningen hadden zich vergaderd tegen de stad, maar zij vonden daar een andere macht dan ze zich hadden voorgesteld. Zij verwonderden zich, werden verschrikt, haastten zich weg. De zeemacht werd verstrooid door de oostenwind (vers 8), en de hand van Jahweh openbaarde zich ook daar. Deze Psalm verwijst op treffende wijze naar het begin van Psalm 44, waar de heiligen in hun benauwdheid zeggen: “Met onze oren hebben wij het gehoord … de machtige daden uit de dagen van onze vaderen.” Nu zeggen zij: “Zoals wij het gehoord hadden, zo hebben wij het gezien” (vers 9). Zij spreken nu niet zoals in Psalm 42: … “hoe ik mee opging in de schare … maar nu roep ik tot u uit het land van de Jordaan”, maar in stille vrede, die door niets gestoord kan worden, zeggen zij: “O God, wij gedenken Uw goedertierenheid in het midden van Uw tempel” (vers 10).
Zij hadden op de Naam van God vertrouwd en nu verkondigen ze de roem van die Naam. Met macht is God opgetreden. Zijn roem strekt zich uit tot aan het einde van de aarde. De berg Sion wordt opgeroepen zich te verblijden met het oog op deze oordelen met de vreugdevolle zekerheid, dat die God hun God is. Hun leven lang zal Hij hen leiden en zegenen. Het is een aardse zegening: de dood, de laatste vijand is nog niet tenietgedaan (verzen 12-15).
Psalm 49 is een zedelijke conclusie en waarschuwing voor allen, die gegrond is op de oordelen van God. Voorspoed, hoogheid, alles waarop de mens zich verheft, is niets dan ijdelheid. De mens doet net alsof hij er altijd zal blijven. Hij noemt zijn landerijen naar zijn eigen naam, zegent zichzelf, wordt door zijn nakomelingen geprezen, en geroemd voor zijn voorzichtigheid en wijsheid, omdat hij zichzelf te goed gedaan heeft. Maar hij wordt in het graf (scheol) gelegd als de schapen. De hoop van de mens van deze wereld vergaat; hij verlaat de wereld, waarin hij geëerd werd. Hij heeft zelfs niets aan de reputatie die hij achterlaat, en het is een misleiding voor anderen. De macht van satan geldt alleen in dit leven; daarna is er geen sprake meer van bedrog. De mens die in aanzien is, maar geen verstand heeft, is gelijk aan de beesten die vergaan. Maar het getrouwe overblijfsel vertrouwt op God. Hun leven wordt verlost van de macht van het graf (scheol). God zal hen opnemen (vers 16).
De bewaring op aarde of de hemelse zegeningen worden enigszins vaag gelaten. Men zou eerder denken dat de getrouwen verwachten in het leven bewaard te blijven. Maar aan hen die ter dood gebracht worden, wordt een vaste en volkomen hoop gegeven. In Lukas 21:19 (“Wint uw zielen door uw volharding”) en in Mattheüs 24:13 vindt men hetzelfde: ook daar is het onbestemde met opzet volgehouden.
In Psalm 50 komen we op ander terrein: het oordeel van God over het volk. Jahweh de machtige God, roept de hele aarde samen. In Psalm 51 hebben we de belijdenis van de zonde, waaraan het volk zich schuldig gemaakt heeft door Christus ter dood te brengen. Het begin van Psalm 50 is bijzonder mooi, maar heeft weinig uitleg nodig. God verschijnt blinkend uit Sion, de volmaaktheid van schoonheid. De eerste twee verzen geven de hoofdinhoud van de psalm, die in de volgende verzen wordt ontwikkeld. De hemel wordt opgeroepen een getuige van de gerechtigheid te zijn, de aarde evenzo. Maar het oordeel is het bijzonder oordeel van het volk. In verzen 5-6 neemt God de zaak van het overblijfsel in handen. Hij neemt aan en vergadert Zijn gunstgenoten, die met Hem een verbond aangaan op grond van een offer. Ik denk dat het hier zo gezegd wordt met het oog daarop, dat zij Christus zullen zien, Hem, die zij doorstoken hebben. Hoewel God uiteindelijk in Sion woont, wordt door de hemel Zijn gerechtigheid verkondigd. En die verkondiging is iets anders dan Zijn oordeel. Dit is algemeen, en niet in zichzelf het oordeel van God. Ik betwijfel niet, dat Hij zich hierin in heerlijkheid zal openbaren, maar op een bijzondere wijze. We kunnen wel zeggen, dat het de verheerlijkte heiligen zijn die dit openbaren, vanzelfsprekend met Christus Zelf; ja, zo volkomen, dat ze de aarde zullen oordelen. Het is niet een oordeel door tweede oorzaken. God Zelf is nu Rechter en daarom verzamelt Hij ook Zijn gunstgenoten. Vanaf vers 7 wordt het volk geoordeeld. God heeft geen offers nodig. Hij wil gerechtigheid. Hij wil geen goddeloosheid en ook niet dat de goddelozen nog langer te midden van Zijn volk blijven. Hetzelfde vinden we in Jesaja 48 en 57 terug. De mens denkt dat God geheel en al is zoals hijzelf is; maar alles zal in orde voor hem gesteld worden. Dat is het oordeel van God.
Psalm 51 is de ware belijdenis van het overblijfsel. Ze zijn volkomen ingegaan in Gods gedachten (zie vers 18). Er is een echte en volkomen verootmoediging voor God wat betreft de zonde en toch vertrouwen in Hem. Met het ware geloof van Gods volk zien ze op tot Hem voor reiniging en verlossing. De gehele zonde van het hart en van de natuur wordt erkend en de vreselijke misdaad van de dood van Christus beleden (verzen 12 en 16). De verootmoediging wordt aangenomen, maar met het gevoel, dat de reiniging door God volmaakt is. Hij schept ook een rein hart. Het overblijfsel vraagt aan God of die Geest, waarvan Haggaï zegt, dat Hij bij hen gebleven is na al hun zonden (Haggaï 2:5) en ondanks de Babylonische ballingschap, niet van hen moge worden weggenomen. Ook willen zij het bewustzijn van de tegenwoordigheid van God niet verliezen (vers 13).
Sommigen hebben een moeilijkheid in dit vers gevonden, maar ik kan die niet zien. Er kon door de heiligen van het Oude Testament niets goeds gedaan worden dan door de Heilige Geest. Als die van hen genomen werd, hield al hun vreugde en troost op en zou plaats maken voor duisternis. Zij bidden daarom, dat dit niet gebeuren mag. Er kan geen enkele twijfel zijn, dat de Geest in de gelovigen van het Oude Testament werkte. De enige vraag is, of Hij op dezelfde wijze aanwezig was als nu, op grond van het werk en de heerlijkheid van Christus, waardoor Hij hen verenigt met een verheerlijkt Hoofd in de hemel. Vanzelfsprekend kon dat niet. Het werk was nog niet volbracht, en de Mens Jezus was nog niet ingegaan in de heerlijkheid. Het Nieuwe Testament is zeer duidelijk op dit punt. De Geest “was nog niet” (Johannes 7:39); maar toch moet Hij in en met de heiligen gewerkt hebben. Want alles wat goed is komt van Hem. Elk werken van God in het schepsel geschiedt door de Geest, zoals Hij bij de schepping over de wateren zweefde. En vooral bewerkt Hij in de harten van de mensen alle goed wat daar is, en om de bron te zijn van kracht en blijdschap voor de heiligen. Zo was het bij de profeten en bij anderen.
Een heilige nu, die een juist inzicht in zijn positie heeft, kan niet spreken zoals in vers 13 gesproken wordt: hij weet, dat God Zijn Geest niet van hem zal wegnemen. Hij kan het misschien wel – en met een oprecht hart – in zijn angst zeggen, en God zal hem dan ook verhoren, maar het is niet inzichtsvol.
Deze verootmoediging van Israël is, zoals we door het onveranderlijk getuigenis van de schrift weten (zie bijvoorbeeld Handelingen 3), de weg tot de zegeningen van Sion. Zal God hun offeranden aannemen?
In de twee psalmen, waarmee we ons hebben beziggehouden (50 en 51), hebben wij het afzonderend oordeel gevonden in Israël, verbonden met de goddeloosheid, zonde tegen Jahweh. Een oordeel, dat ware verlossing is voor het overblijfsel. En nu, nadat Hij verschenen is, vinden we de volkomen schuldbelijdenis, zelfs van het bloed van de Verlosser vergoten te hebben. Wat de omstandigheden betreft voltooien zij de voorstelling van het gehele toneel, dat wij voor ons hebben, en dat de grondslag legt voor het gehele boek.
De nu beginnende reeks Psalmen geeft (zoals we dat al in andere plaatsen vonden) aan het overblijfsel de uitdrukkingen voor de gevoelens, die hen passen in deze moeilijke omstandigheden. Daarom stellen zij ons niet zozeer de beproevingen en het lijden voor door het omringd zijn door het kwaad dan wel door het zien, dat het de overhand neemt en de heerschappij krijgt, juist op de plaats die Jahweh toebehoort. Daarom spreken zij in het algemeen tot God en de Allerhoogste, de God van de belofte, en niet tot Jahweh, de God van het verbond en van de zegeningen, die uit het verbond voortvloeien – want de getrouwen zijn ver van de plaats van het verbond. Waar het anders is, zullen wij de lezer er attent op maken.
Nadat al deze dingen voorgesteld zijn, tot op het ogenblik, dat de volle hoop haar licht over het gehele toneel verbreidt, worden onze blikken gericht op de positie van de verhoogde Christus, Die eenmaal in Israël leed – die positie op grond waarvan Hij Zijn volk kan helpen en bevrijden. Dit alles wordt vervolgens op het overblijfsel toegepast, en het laatste gebed van David in zijn lijden, toen hij zat van dagen was, wordt gebruikt om de toestand van Israël zelf aan het einde te kenmerken. Dat brengt ons tot het duizendjarig rijk in het beeld van Salomo.
Psalm 52-64
In Psalm 52 vinden we geloof tegenover de macht van de boze man, die zich tegen de gelovigen keert. “Gods goedertierenheid duurt toch de hele dag.” God zal de hoogmoedige en die bedrog pleegt uitroeien, maar de rechtvaardigen zullen blijven bestaan. De Psalm herinnert ons aan Sebna (Jesaja 22:15). Het gaat hier niet over vijanden van buitenaf, ook niet over het beest (Openbaring 13), maar over binnenlandse vijanden, speciaal over de Antichrist in zijn macht.
Psalm 53 stelt ons de goddelozen in het algemeen voor, de grote massa van het volk, allen behalve hen, die door de genade afgezonderd zijn. Het zijn dezelfde woorden als die van Psalm 14, met dit verschil, dat nu God aangeroepen wordt en niet Jahweh, omdat het overblijfsel niet langer in de plaats van de verbondsrelatie is. Daarom lezen wij hier niet van God, die bij het geslacht van de rechtvaardigen is (Psalm 14:5), maar van de verschrikking en beschaming van hun tegenstanders, het openbare gericht over de vijanden van buitenaf (Psalm 53:6). Zij die met grote angst aangegrepen worden zijn de goddeloze Joden (zie Jesaja 33:14; 8:12; 10:24).
In Psalm 14 verachten zij de ellendige die op God vertrouwde, zij waren uiterlijk samen. Hier, in Psalm 53, is dat niet meer zo. God heeft Zijn vijanden verstrooid, niet de goddeloze de armen uit de kudde. Daarna geeft de psalm uitdrukking aan de begeerte naar volkomen verlossing voor Israël, met Sion als punt van uitgang en niet alleen de verlossing door God, door middel van het oordeel, van alle buitenlandse vijanden. De macht die van de hemel komt en die de trouweloze en ongelovige onderdrukker vernietigt, is geheel iets anders dan de vestiging van de macht van het verbond in Sion als gevolg van de belofte.
In Psalm 54 lezen we het roepen van de rechtvaardige tot God om verlossing, in overeenstemming met de waarde van Zijn Naam, waarop hij vertrouwt. De beide groepen vijanden worden genoemd: vreemden, dus de buitenlandse vijanden en binnenlandse trotse onderdrukkers die de armen naar het leven staan. Als de verlossing komt wordt de naam van Jahweh genoemd (verzen 8-9). De Naam van God is de openbaring van wat Hij is. Dat is de grondslag van het vertrouwen. De naam Jahweh, de naam van hun Verbondsgod, zal verheerlijkt worden, wanneer het volk zal terugkeren tot de plaats van verbinding met Hem.
Psalm 55 is een beschrijving van de ontstellende ongerechtigheid in Jeruzalem. Weliswaar is de spreker buiten de stad, maar hij heeft die goddeloosheid ondervonden door het verraad van zijn dierbaarste vrienden. Maar zijn toevlucht is God: Jahweh zal hem redden. Hij ziet, denk ik, terug op alles wat hij meegemaakt heeft in Jeruzalem. Dag en nacht omringt de goddeloosheid de muren van de stad. En ongerechtigheid, list en bedrog zijn in haar. Graag zou hij van dit alles zijn weggevlucht. Buiten waren de vijanden en binnen de goddelozen, die de rechtvaardige van ongerechtigheid beschuldigden en hem fel haatten. Wat hem echter het zwaarst trof, was de trouweloosheid van de medeburgers, met wie hij gezamenlijk naar het Huis van God was gegaan. Toch blijft zijn vertrouwen gericht op God. Van wie zou hij anders ook hulp verwachten?
Psalm 56. Deze Psalm geeft te kennen hoe de rechtvaardige de hevige en onvermoeide vijandschap voelt. Maar God verzamelt de tranen van de rechtvaardigen. God wordt erkend als de Allerhoogste. Dit is Zijn titel in verband met de belofte, niet met het verbond. Zijn verbondsnaam is Jahweh en het overblijfsel is hier nog ver van Jeruzalem. Maar het Woord van God is een veilige schuilplaats. Het brengt de waarheid van God voor de ziel als de grondslag van het vertrouwen. En het bevat al de uitdrukkingen van Zijn goedheid, Zijn wegen, Zijn trouw en ook van Zijn belangstelling in Zijn volk. Daarom zegt de psalmist: “Wat zou de mens mij kunnen doen?” (vers 12). Hij is verlost van de dood, hij is ontkomen en ontvlucht, en nu vertrouwt hij op God, opdat Deze zijn voeten zal bewaren, opdat hij wandelt voor Gods aangezicht in het licht van de levenden.
Als weergave van wat iemand voelt die uit Jeruzalem verjaagd en ontkomen is, heeft deze Psalm een heel andere en treffende plaats te midden van de andere.
Psalm 57 heeft speciaal het kwaad op het oog en wat degene ondervindt die steunend op het Woord veilig zijn weg gaat door al dat kwaad heen. Hij geeft meer bijzonder uiting aan het vertrouwen in God als een toevlucht van de gelovige, terwijl hij tot God roept in dezelfde geest en omstandigheden en onder dezelfde naam. Onder de vleugelen van God vindt hij een schuilplaats totdat het verderf voorbij is. En hij verwacht volkomen verlossing door de heerlijke tussenkomst van God, Die een eind zal maken aan de verdrukking. God zal van de hemel zenden en hem verlossen (vers 4). Daarom is het eind van deze Psalm triomfantelijker dan dat van de vorige. “Ik zal U loven onder de volken, Heere; ik zal voor U psalmen zingen onder de natiën. Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemel, Uw trouw tot de wolken”. De getrouwe wacht erop, dat God Zich openlijk boven de hemelen verheft en totdat Zijn heerlijkheid over de gehele aarde gezien wordt. Hij vindt op de aarde geen hulp, niemand op wie hij zien kan. Daardoor wordt hij meer uitsluitend op God geworpen, wat een voller vertrouwen bewerkt in Zijn bescherming en in de uiteindelijke openbaring van Gods verlossende macht. Zo is het altijd. “Hij zal hulp zenden uit de hemel.” Hoe worden daardoor de ogen van het overblijfsel naar de hemel gericht, en worden zij verbonden met een hemelse verlossing! Dan wordt Jahweh geprezen.
Psalm 58. Alle gerechtigheid zwijgt in Israël! De goddelozen zijn goddeloos en niets is anders. De vrome verwacht het oordeel over deze afvalligen. Want: “Al wordt de goddeloze genade bewezen, hij leert niet wat gerechtigheid is: in een land van recht bedrijft hij onrecht” (Jesaja 26:10). Van diezelfde mensen zegt David: “Met de hand kan men ze niet pakken. Maar ieder die ze wil aanraken, voorziet zich van ijzer” (2 Samuel 23:6-7). Daarom ziet de rechtvaardige uit naar het oordeel als het enige middel naar Gods Woord dat het kwaad kan uitroeien. God had werkelijk een groot geduld geoefend met de goddelozen, maar zelfs als Zijn hand tegen hen opgeheven is zien zij het niet (Jesaja 26:11). De wraak, die verlossing betekent voor de rechtvaardigen, zal komen. En de mensen zullen zeggen: “Ja, er is loon voor de rechtvaardige! Ja, er is een God Die op de aarde recht doet!” (vers 12). Want: ‘Wanneer Uw oordelen over de aarde komen, leren de bewoners van de wereld wat gerechtigheid is’ (Jesaja 26:9).
De regering en het rechtvaardig oordeel van God worden door middel van deze vreselijke gerichten op de aarde gevestigd. Door genade zijn wij, christenen, uit deze wereld getrokken. Wij zijn niet van deze wereld, zoals Christus niet van haar was. En wat onze verlossing betreft: zelfs als wij zouden lijden onder het kwaad wat men ons aandoet, hoeven we niet de vernietiging van onze vijanden te zoeken. Want Christus zal komen en ons uit het midden van het kwaad verlossen. Het vervolgde overblijfsel daarentegen kan slechts verlost worden door de vernietiging van de tegenstanders. Deze verlossing is aan hen beloofd. En dat niet alleen: het bevestigt ook de regering van God op de aarde.
Psalm 59 heeft in het bijzonder de vijanden van buitenaf tot onderwerp. Deze vijanden laten dezelfde goddeloosheid zien, maar deze gaat nu samen met de kracht van menselijke kracht. Het oordeel moet komen om deze goddeloosheid te vernietigen. Het was niet de zonde van Israël tegen hen, dat de heidenen deed komen om hen te onderdrukken (hoewel God deze onderdrukking gebruikte als middel om hen te straffen over hun zonde tegen Hem, zodat Hij gerechtvaardigd was).
Daarom verwacht het lijdende overblijfsel de tussenkomst van Jahweh om die vijanden te oordelen. En Hij zal al de volkeren oordelen. Weliswaar worden zij niet verdelgd, maar wel verstrooid. Daardoor zijn zij echter als macht praktisch uitgeschakeld. En velen zullen, zoals wij weten, gedood worden.
Deze Psalm zegt niets van een herstel van de zegeningen. Het gaat hier over het oordeel, een oordeel dat aan de gang is en nog niet voleindigd. Hoewel de vijand zich in zijn woede een maximum aan goddeloosheid zal veroorloven, zullen zij toch juist daardoor verslagen worden. Alle volken zullen hierin delen, maar het is in het bijzonder, naar ik meen, de door satan geïnspireerde afvallige macht, gedeeltelijk misschien de koning uit Daniël 8.
Het zal de lezer opvallen, dat, zodra de positie van het volk in tegenstelling met die van de volkeren beschouwd wordt de naam van Jahweh gebruikt wordt. Het persoonlijk aanroepen wordt nog onder de naam van God gedaan, want het volk is nog buiten Jeruzalem (zie verzen 4, 6, 9 voor de naam Jahweh en verzen 2, 10, 11 en 18 voor het persoonlijk aanroepen). Het resultaat van de tussenkomst van God zal zijn dat Hij in Jakob de gehele aarde zal regeren. De verzen 15-16 zijn, denk ik, een uitdaging. Mogen de volken de stad ook als hongerige honden omsingelen, de gelovige zal van Jahweh’s macht zingen. Het is het einde van de verdrukkingen.
Deze Psalm laat ons een andere zijde van de verbinding van Israël met de Messias zien en stelt ons voor hoe David een geschikt werktuig werd in de hand van God om het lijden van de Messias en van het overblijfsel te beschrijven. “Dood hen niet, anders vergeet mijn volk het” 32 (vers 12), is het Woord van Jahweh en niet van de koning als zodanig. De enige gelegenheid, waarbij deze uitdrukking “mijn volk” gebruikt wordt, vinden we in 2 Samuel 22:44 of in Psalm 18:44, waar Christus spreekt. Maar als Christus geboren is, wordt Hij Jezus genoemd, want Hij zal Zijn volk verlossen van hun zonden (Mattheüs 1:21). Nu, Jezus was de persoonlijke openbaring van wat van Jahweh gezegd was: “in al hun benauwdheid was Hij benauwd”, zoals we in Jesaja 63 lezen. Het is Jahweh Die de tong van de geleerden ontvangt (Jesaja 50), zodat, waar de woorden “mijn volk” niet rechtstreeks uit de mond van Jahweh komen (wat vaak het geval is), het Christus is Die spreekt, in Zijn ingaan in het lijden van Israël, maar in de liefde van Jahweh voor hen. Het is natuurlijk Christus als Mens, want hoe zou Hij anders werkelijk hebben kunnen lijden, maar toch is het het medegevoel van Jahweh. En omdat Hij Jahweh is, neemt Hij volledig deel aan het lijden van Israël. Zo zien we Hem wenen over Jeruzalem: “Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenverzamelen.” Maar dat was Jahweh! Daarom, hoewel Hij kan zeggen: “wij”, omdat Hij genadig plaatsneemt te midden van de kinderen, geeft Hij aan het smeken van het overblijfsel al de waarde en de uitnemendheid van Zijn eigen persoon. “Ik” en “mij” kunnen vaak de uitdrukking zijn van iemand uit het getrouwe overblijfsel, maar als wij uitdrukkingen tegenkomen als “mijn volk” dan gaat het duidelijk over een persoon, die in een andere positie staat. Dan is het niet David, die evenals Mozes altijd tot Jahweh zegt: “Uw volk”, wat volkomen op zijn plaats is, maar het gaat over Iemand, Die, in welke omstandigheden Hij ook is, net als Jahweh, op profetische wijze kan zeggen: “mijn volk”. Die al hun benauwdheden op goddelijke wijze kan meevoelen en terecht kon vragen of God oordelend tussenbeide wilde komen.
Ik geloof, dat, hoewel de vijanden hier de volkeren zijn, de volkomen vertrouwelijkheid en verbondenheid tussen hen en de goddelozen uit de Joden duidelijk uit deze tekst naar voren komt. In Jesaja 66 vinden we hetzelfde. Zij gaan samen in éénzelfde goddeloos systeem.
In Psalm 60 erkent het overblijfsel, dat God het verworpen heeft. Hun enige hoop is, dat Hij Zich weer tot hen zal keren. En dat is juist de gerechtigheid van Israël als volk: geen hulp zoeken elders, geen opstandige geestesgesteldheid. Zij aanvaarden de straf voor hun ongerechtigheid. Maar God heeft Zijn banier onder de getrouwen in Israël geplaatst. Hij is hun Jahweh-Nissi. Zij zien nu naar Hem op. Het eind van de Psalm is een bevestiging van Zijn recht op het land van de belofte. Israël zal overwinnen door Hem.
Psalm 61. De opvallendste karaktertrek van al deze Psalmen is het vertrouwen op God, als alle omstandigheden tegen de godvrezende zijn. Hoe meer moeilijkheden, des te meer treedt een onbegrensd vertrouwen in God aan de dag. Maar door alles heen schittert Christus, doordat Hij de plaats van de afhankelijke rechtvaardige inneemt. Waarschijnlijk zijn een groot aantal van deze Psalmen door David gemaakt, toen hij op de vlucht was voor Absalom. Dit vertrouwen – gekenmerkt door het aanroepen van God – is in Psalm 61 tot uitdrukking gebracht. Het is geen smeken om een oordeel over de vijanden van de rechtvaardige, maar de inhoud wijst erop dat hij gebukt gaat onder het gevoel verworpen te zijn. Maar wanneer hij aan het einde van de aarde is, en zijn geest in hem overweldigd, roept hij tot God om hem op een rots te leiden, die voor hemzelf te hoog is om te beklimmen, om hem zo veilig te stellen voor de vloed (verzen 3-6). Zo wordt zijn vertrouwen hersteld. De God op wie hij vertrouwde is immers geen onbekende voor hem wat zijn lijden ook mag zijn. In vers 6 past hij het toe op de zekerheid die hij heeft, dat hij verhoord wordt. Zijn geloften hebben God bereikt. Daarom zal volkomen zegen op hem rusten en onder die zegen zal hij zijn geloften kunnen nakomen. In vers 7 wordt kennelijk over David gesproken wat de omstandigheden betreft. Maar daarachter moeten we zien naar iemand, die groter is dan David, en op het altijddurende leven, waarin Christus als Mens is ingegaan. Hoewel het gelovig overblijfsel ver van Jeruzalem is en dreigt te bezwijken onder de druk van alle kant, zo zal toch het feit, dat de Koning Zich in dezelfde toestand bevonden heeft, hen aanmoedigen en hun harten versterken. Zijn lofzang zullen zij overnemen. Dat Hij het heeft gezongen zal hen vertroosten wanneer zij de vertwijfeling nabij zouden zijn. Hoewel de verjaging van het overblijfsel de aanleiding van onze Psalm is en ook gevoeld wordt, zo spreekt hij toch niet over de ongerechtigheid, maar over de natuur – het menselijk hart, dat op het punt staat om te bezwijken.
In Psalm 62 lezen we nog meer van dit vertrouwen. Hier geen geroep van een overweldigd hart, maar een vrij omhoog zien van een hart, dat niet neergebogen is. De ziel is stil voor God. Zij heeft niets dan Hem, maar begeert ook niets anders. Zij wacht op de Heer en zegt: “Tot hoe lang” (vers 4). God zal ongetwijfeld tussenbeide komen op de juiste tijd en dan zal uitkomen aan wie de macht toekomt. De Psalm geeft persoonlijke gevoelens weer, die geuit kunnen worden door iedereen van het gelovige overblijfsel. “Hoelang bedenkt u nog kwaad tegen een man?” Wat waren de plannen van hen, die tegen hem samenspanden? Waarom haten zij hem en proberen zij hem op verraderlijke wijze van zijn plaats te stoten, die plaats van zegen, die God aan de godvrezenden van Israël heeft toegedacht? Maar dit alles heeft zonder twijfel speciale toepassing op Christus. Hij bevond Zich inderdaad in deze positie en tegen Hem hebben zij al hun goddeloosheid aangewend om Hem te vernederen van de hoogte van Zijn uitnemendheid. Hij is het ook die het Joodse volk opwekt om op God te vertrouwen en voor Hem hun hart uit te storten. En doordat Hij Zich met hen in dezelfde positie plaatst, vindt Hij niet alleen voor Zichzelf gehoor bij God, maar kan Hij ook zeggen: “God is voor ons een toevlucht” (verzen 8-9). Door te zeggen: “Mijn toevlucht” laat Hij ons zien, dat Hij werkelijk die toevlucht bezat. Maar deze leraars (en boven allen Christus, de ware Inzichtsvolle) zullen er velen onderwijzen, en velen tot rechtvaardigheid brengen. Vergelijk Daniël 12:3 en Jesaja 53:11. Het is in Jesaja 53 niet rechtvaardig maken, maar tot gerechtigheid terugbrengen.
Ze worden vermaand om hun vertrouwen niet te stellen op de grote mannen, die bedrog en geweld plegen. De kracht behoort aan God en Hij is barmhartig. Zij mogen vertrouwen op Hem als een God van gerechtigheid en worden aangespoord om rechtvaardig te leven en zich niet te laten misleiden door de voorspoed van de goddelozen. Want de Heer (Adonai): “zal een ieder vergelden naar zijn werk”. De goddelozen verlangen de armen uit de kudde neer te werpen (omdat zij ondanks alles toch het gevoel hebben, dat de hoogheid van God aan de kant van deze armen, en vooral van Christus staat).
Dat is de aanleiding van deze psalm, die het geloof van de getrouwe weergeeft en het volk aanspoort om op God te vertrouwen en niet op de groten van deze aarde. Want “de sterkte is van God”, en bij Hem is genade. De “groten” nemen een hoge plaats in op aarde. Maar de ware verhoging van de zijde van God is bij Christus en met hen die zo wandelen. Die God vrezen en gehoorzamen aan de stem van Zijn dienstknecht.
Psalm 63. Vonden we in Psalm 61 het geroep uit de verdrukking en in Psalm 62 het vertrouwen op God en de bemoediging Hem te vertrouwen, Psalm 63 stelt ons het verlangen voor, dat de heilige en trouwe gelovige heeft naar het heiligdom, terwijl hij altijd uitgeworpen en ver van dat heiligdom is. Wij kunnen op die wijze van de hemel spreken, want wij hebben daar door het geloof, de kracht en de heerlijkheid aanschouwd. Zij zingen, door het geloof in de goedertierenheid van God, lofzangen, zelfs in de woestijn en hebben merg en vet om zich te verzadigen. Vanuit dit oogpunt vooral is het een prachtige psalm. De ziel kent God en dat bewerkt in alle tijden lof en aanbidding.
Twee punten worden hier op de voorgrond gesteld: ten eerste een heerlijk woord, omdat de goedertierenheid van God béter is dan het leven zullen de getrouwen Hem loven, hoewel het leven in de woestijn een leven vol smart is, omdat daar niets beantwoordt aan de goddelijke natuur die in ons is; ten tweede, omdat God hem geholpen heeft zal hij vrolijk zingen in Zijn bescherming.
Het vers 9 laat ons het praktisch resultaat zien: zijn ziel is aan God verkleefd en Zijn rechterhand heeft hem ondersteund. Hij verlangt ernaar de macht en heerlijkheid van God te zien, zoals hij die al gezien had. En zijn ziel wordt nu al met merg en vettigheid verzadigd, en dat in de stille nachtwaken, wanneer hij ver van het rumoer van de wereld, in de stilte aan zichzelf is overgelaten. Zij, die de ziel van de rechtvaardige zochten om die te verderven zullen in de onderste plaatsen van de aarde (de hades) komen. Maar de koning zal zich in God verblijden. Zij, die Zijn Naam belijden, zullen zich op Hem beroemen, maar de mond van hen, die leugens spreken, zal gestopt worden. Hier is het dus weer de koning, en de Psalm is – behalve op het overblijfsel – in hogere zin van toepassing op Christus. Hij heeft begeerd om de heerlijkheid te aanschouwen, die Hij verlaten had. Voor de Jood was die heerlijkheid in de tempel. Voor ons is ze een ons door het geloof geopenbaarde Christus. Wij hebben de heerlijkheid en het heiligdom gezien, waarin Hij ingegaan is.
Er is verschil tussen deze Psalm en Psalm 84. In de laatste vinden wij het verlangen om in het heiligdom van God te mogen terugkeren, in Psalm 63 zien we het verlangen naar God Zelf. In de ene zijn de voorhoven van Jahweh, van de Verbondsgod lieflijk, in de andere is het Godzelf, Die de ziel verzadigt, ook al is er geen heiligdom om in te gaan. Dit is van grote, zedelijke betekenis 33.
Psalm 64 spreekt hoofdzakelijk van de onafgebroken en listige vijandschap van de tegenstander, en van het roepen tot God. Maar God zal plotseling een pijl op ze schieten. Het oordeel (vers 8) zal tot resultaat hebben dat alle mensen zullen vrezen, Gods werk zullen verkondigen en acht zullen slaan op Zijn daden. Dan (want het oordeel is nu gekomen) zal de rechtvaardige zich in Jahweh verblijden. Zijn verbondsnaam wordt nu genoemd, want het oordeel heeft de macht van het kwaad totaal gebroken. “Alle oprechten van hart zullen zich beroemen”. Door het oordeel komt dus het duizendjarig rijk tot stand.
Psalm 65-67
De Psalm 65 tot 67 geven ons een beeld van het volle en blijde vertrouwen van de gelovige die weet, dat hij verhoord wordt en die vooruitziet op de zegeningen. Tot nu toe hielden wij ons bezig met het gevoel van de macht van het kwaad of met het smeken tot God en het wachten op Hem. Maar toch zijn in Psalm 65 “de poorten des lofs” nog niet open. De lofzang in Sion is nog stil. Maar zo zal het beslist niet blijven. Want de gelofte, nu gedaan, zal ingelost worden. Hun God verhoort de gebeden, ook al zwijgt de lofzang nog, en straks zal al wat leeft tot Hem komen. Maar het vertrouwen is hier zeer groot. Wat de praktische toestand van het volk en het overblijfsel op dat ogenblik betreft (alleen het overblijfsel heeft werkelijk besef van hun positie!): de ongerechtigheden hebben de overhand over hen genomen. Maar het vertrouwen blijft ongeschokt. “Onze overtredingen, die verzoent Ú” (verzen 4-5). Welzalig is de man die God verkiest – want alles was genade – om in Zijn voorhoven te wonen. Zij zullen verzadigd worden met het goede van Zijn huis. Dit was zeker en gaf vreugde die voldoening schonk.
In vers 6 hebben we het oordeel, dat ten gunste van het overblijfsel zal plaatsvinden en dat de verwachte zegeningen tot gevolg zal hebben. God zal de aarde zegenen, overal. Aan het slot worden de zegeningen van de aarde genoemd, die door Gods ingrijpen in oordeel zullen komen. De getrouwen, die nog steeds lijden onder de gevolgen van hun zonden en nog buiten de poorten van Sion staan, pleiten voort, dat de lofzang nu nog zwijgt, maar dat ze spoedig in Sion zal schallen. God hoefde alleen door middel van het oordeel en verlossing tussenbeide te komen, dan zou de lofzang opklinken. En Elohim zal dit doen, Hij Die de enige Zegenaar en Ordebrenger van de gehele aarde is.
Psalm 66 bezingt die tussenkomst van God in gerechtigheid. De mensen worden opgeroepen om de werken van God te bezien (vers 5), maar het is dezelfde God, die vroeger Israël uit Egypte verlost heeft (vers 6). Vers 8 roept alle volken, die met God in verbinding zijn gekomen, op om de God van het overblijfsel, dat is van Israël, te loven (onze God!). Het overblijfsel moest door allerlei beproevingen en verdrukkingen gaan om gelouterd te worden als zilver. Maar nu is dat voorbij en komen zij tot Hem om Hem te loven en te aanbidden. Zij hadden geroepen tot God, waren rechtvaardig, werden verhoord en vonden barmhartigheid; hun gebed was niet afgewezen en Gods barmhartigheid had zich niet van hen afgewend.
Zo is er dus na het lijden (een lijden, dat zij nu duidelijk zien als de weg en de hand van God met hen) een licht in de duisternis opgegaan voor de rechtvaardigen. Zij kunnen nu de beloften nakomen, die zij in hun nood gedaan hebben en tot anderen spreken over de gezegende en zekere verlossing van de Heer, Die zorgt voor rechtvaardigen en hun roepen werkelijk gehoord had. Maar het is een bevrijding door vreselijke daden van gerechtigheid door God, de ontvouwing van Zijn tussenkomst in oordeel in de regering van deze wereld. We zien hier, zoals in zoveel andere psalmen, dat, hoewel ook dan geen musje op de grond valt zonder Zijn wil, God in het Joodse overblijfsel Zijn regering van deze wereld ontvouwt. Zoals ook in hen de zegening van de wereld zal plaatsvinden, wat het onderwerp van Psalm 67 is.
Psalm 67 sluit deze korte reeks van Psalmen af met de verwachting van de zegeningen voor het overblijfsel. Niet alleen als het rechtvaardig en genadig antwoord op hun smekingen, maar als middel om de kennis van God over de hele aarde te verspreiden. “God zij ons genadig, opdat men op aarde Uw weg kenne”. Langs deze weg zullen de volken ertoe komen God te loven en zal de aarde in gerechtigheid geoordeeld en geregeerd worden. Onvoorstelbaar heerlijk zal die zegen zijn voor de hele aarde. De aarde zal haar opbrengst geven, Gods zegen zal op haar rusten, en Hij zal, als de eigen God van het Godvrezende overblijfsel dat op Hem vertrouwde, hen zegenen. Het resultaat wordt in het laatste vers samengevat: “God zegent ons en alle einden der aarde zullen Hem vrezen”. Want het Israël dat zich bekeert, is de weg tot zegen: leven uit de doden voor de wereld (vergelijk Romeinen 11:15).
Psalm 68-72
Deze Psalm 68 bezingt het feit, dat Israël de positie krijgt, die in de vorige Psalmen geschilderd is. Toch vormt hij een afgerond geheel en heeft hij een eigen karakter. Hij begint met de woorden die Mozes uitsprak bij het optrekken van de ark, toen het leger in de woestijn optrok onder de leiding van God, waarbij de wolkkolom zich verhief en hen de weg wees. Nu is het net zo: God neemt Zijn plaats in vóór het volk, aan het hoofd van Zijn volk. De Psalm begint dus op majestueuze wijze: “God staat op, Zijn vijanden worden overal verspreid; … U verdrijft hen, zoals rook verdreven wordt”. Maar de rechtvaardigen mogen zich verheugen en verblijden voor God, ja, jubelen van vreugde. God zal verschijnen tot beschaming van de machtige goddelozen, en de arme rechtvaardige zal verheerlijkt worden.
De bedoeling van deze Psalm is dus zeer duidelijk. Bij het verder lezen vinden wij bovendien een heerlijke beschrijving van Hem, Die op deze wijze tussenbeide treedt: Hij is de Vader van de wezen, de Rechter van de weduwen. Hij brengt eenzamen in een huisgezin en de afvalligen in een dor land.
Oordeel is de ware en genadige verlossing van een gezegende God. Het volk kan nu Zijn goedertierenheid loven.
Bij vers 8 begint een opsomming van belangrijke gebeurtenissen uit Israëls geschiedenis. Zo was Hij, toen Hij Israël uit Egypte leidde. Bij de Sinaï beefde de aarde bij Zijn tegenwoordigheid. Maar het erfdeel van Zijn vermoeide volk verkwikte Hij, toen Hij in Zijn goedheid voor de arme had gezorgd. Maar de actuele gebeurtenissen overtreffen de historische feiten: God heeft gesproken en de dochters van Israël – de boodschapsters van goede tijding – vormen een grote schare. De koningen zijn gevlucht. Wat een plotselinge en volkomen redding was dit. Zij, die het huis bewaarde, de vreedzaamste onder de vrouwen, deelt de buit uit, want het is het werk van de Heer. Dan wordt Israël zichtbaar in al zijn schoonheid, hoewel het eerst in armoede en ellende gedompeld was.34 Ondanks alle aanmatigingen en al het rumoer van de volken is dit de wil van God. God vraagt rekenschap van deze aanmatigingen van menselijke macht: “Waarom zijt gij afgunstig, gij bultige bergen (vers 17 nw. vertaling)”; de zetels van menselijke macht. Sion is de berg van God, hem wilde Hij tot Zijn eeuwige woonplaats maken. Omwille van Zijn overblijfsel verstrooide Hij de koningen. In hun midden wilde Hij wonen.
Maar waar komt deze grote verlossing vandaan? De Heer is opgevaren naar de hoogte, Hij heeft gaven ontvangen als mens en voor de mensen – zelfs voor het weerspannige Israël, waarover het nu gaat, opdat Jahweh in hun midden mocht wonen.
Dat veroorzaakt lofprijzing voor de God van hun heil, want hun God is de God van het heil. O, hoe heeft Christus daarvan getuigenis afgelegd. Maar zij waren sterfelijke mensen hier beneden. Hun verlossing was aards en tijdelijk, hoewel het de verlossing van heiligen was. Maar Hij zou hun Leidsman zijn voor altijd, zelfs tot in de dood. Maar Hij zou de goddelozen verdelgen.
De ware reden voor deze vreugde, waarvan het hart te vol is om er met meer kalmte over te spreken, wordt nu vermeld. Israël zal in macht hersteld worden. Zijn vijanden worden verslagen. De tempeldienst wordt in al zijn schoonheid weer hersteld. De stammen zullen naar het heiligdom optrekken. De koningen zullen geschenken brengen (verzen 29-36). God heeft sterkte geboden, en zij zien tot Hem op, opdat Hij kracht zal geven aan datgene wat Hij gewerkt heeft. De onderwerping van iedere vijand of machtige volgt. Vorsten zouden uit Egypte komen en Ethiopië zou zijn handen tot God uitstrekken. “Koninkrijken van de aarde, zing voor God; zing psalmen voor de Heere! Geef macht aan God!”
Maar het centrum van zegen is Israël: Zijn majesteit is over Israël en in de wolken van Zijn woonplaats in macht, waakt Zijn kracht over Zijn volk. Het is het volkomen herstel van de zegeningen en van de heerlijkheid van Israël. En zelfs veel meer dan herstel. En dit alles als gevolg van de verhoging van de Heer, opdat Hij gaven zou ontvangen als mens.
Hoewel we hier de tussenkomst van God in de kracht van het oordeel, om het overblijfsel te zegenen en de menselijke macht en iedere verheffing van de wil van de mens neer te werpen – het zich verheffen van God voor Zijn aardse volk en het vluchten van Zijn vijanden – duidelijk voor ons hebben, zijn er toch nog enkele punten in deze psalm, die waard zijn naar voren gebracht te worden.
Allereerst het gebruik van de naam Adonai (Heer, niet HEER. Dit laatste betekent Jahweh). Gods naam Jah wordt in de verzen 5 en 19 gebruikt, maar verder wordt nagenoeg alleen over Adonai gesproken. Het is niet de verbondsnaam die de verbinding met Israël aangeeft, hoewel de naam Jah daaraan herinnert, maar macht die uitgeoefend wordt, Heersersmacht – Goddelijke Heersersmacht – maar toch Heersersmacht. Het is meer dan wat Thomas erkende toen hij de Heer zag (Johannes 20:28): “Mijn Heer en mijn God”. Niet: “Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader enzovoort”. Het is God, maar als de Heer in macht geopenbaard, zoals in Psalm 2:4; alleen daar wordt niet over Zijn terugkeer naar de aarde gesproken. Daarom vinden we hier Zijn hemelvaart als een feit uit het verleden. Er wordt niet gezegd, dat God gaven geeft, maar Hij die Adonai is, is opgevaren en heeft gaven ontvangen, als mens en voor mensen. In Zijn karakter als Adam (de laatste Adam) heeft Hij ze ontvangen, nadat Hij de vijand gevangen weggevoerd had (Handelingen 2:33-36). Hier is het duidelijk de verheerlijkte Mens (hoewel Hij veel meer dan dat is). En nadat Hij als Hoofd de gaven ontvangen heeft – het menselijk Hoofd van de heerlijkheid – deelt Hij de gaven uit (Handelingen 2; Efeze 4). Maar hoewel Hij de gaven ontving als mens, voor de mens, en in de mens, wordt hier toch van een bijzonder doel, waarop dit plaatsvindt, gesproken: “ja, ook aan opstandigen (weerspannigen)”, opdat Jah God mocht wonen onder hen. Hier wordt het overblijfsel, het Israël van onze psalm, ingevoerd. Daarom citeert de apostel dit deel van de tekst niet in Efeze 4, maar houdt op bij de woorden: “<en> heeft de mensen gaven gegeven.”
In de volgende Psalmen vinden we de vernedering van deze Hooggeloofde. Wat een tegenstelling! Maar hoe ver er vandaan, dat dat minder heerlijk of minder belangrijk zou zijn voor iemand, die heeft geleerd en weet wie Hij is!
Psalm 69. De zielstoestand, beschreven in deze belangrijke psalm, eist de grootste aandacht en een geduldig onderzoek. Tot hiertoe hebben we altijd het overblijfsel voor ons gehad, of Christus in Zijn verbinding met hen. Zo is het ook hier. De spreker is zonder twijfel allereerst David. Maar zijn woorden zijn die van een, die veel groter is dan hij. De persoon, waarover het gaat is in de grootste benauwdheid, hij is gezonken in grondeloze modder. Hij moet voor God de dwaasheden en de zonden overwegen, die zijn treurige toestand hebben veroorzaakt. Hij wordt omringd door talrijke en machtige vijanden, die hem zonder oorzaak haten. Met welke zonden er ook gehandeld moet worden: persoonlijk is Hij getrouw geweest. De ijver voor Gods Huis heeft Hem zelfs verteerd en Hij lijdt smaad voor de God van Israël. Daarom bidt hij, dat Zijn toestand geen struikelblok mag zijn voor anderen, als zij zullen zien, dat zo’n trouwe getuige in uiterste nood en benauwdheid geraakt is. Toch is Hij niet door God verlaten. Integendeel: hij smeekt God “ten tijde des welbehagens”. Hij verwacht de verhoring van Zijn gebed vanwege de grootheid van Gods goedertierenheid en de waarheid van Zijn heil (vers 14). Zijn aanklacht is tegen Zijn vijanden. Toch ziet Hij Zich door God geslagen en bevindt Hij Zich te midden van hen, die door God gewond zijn (vers 27). Hij begeert dat er wraak genomen wordt op deze mensen. Het is hier niet het getuigenis van genade. Dit alles geeft de toestand van de getrouwe uit het overblijfsel juist weer. Hij erkent zijn zonden – al de zonden van zijn volk. Maar hij verdraagt de onredelijke smaad en vijandschap voor de naam van de God van Israël. En hoe getrouwer hij is des te meer lijdt hij. Door het geloof weet hij, dat hij in de aangename tijd bidt tot de God van Israël – in “een tijd van welbehagen”. Toch bevindt hij zich in de grootste verdrukking. Zijn ogen zijn bezweken terwijl hij wacht op God. Zijn zorg voor het welzijn van Israël, zijn buigen onder de smaad, dragen er slechts toe bij, dat hij het slachtoffer wordt van hun gespot. Hij wacht op de vernietiging van zijn tegenstanders en vervolgers, die van geen medelijden weten en dat ook niet wensen op te brengen. En hij is overtuigd dat Jahweh de ellendigen hoort en zijn gevangenen niet veracht. De gehele schepping wordt vervolgens opgeroepen om Hem te loven, want God zal Sion verlossen en zal de steden van Juda bouwen, opdat het volk daarin kan wonen (verzen 35-37). “Wie Zijn Naam liefhebben, zullen daarin wonen”. Dit is een nauwkeurig beeld van het gevoel en de toestand van het godvrezende overblijfsel – de maskilim.
Maar in vers 22 en zelfs in vers 10 (hoewel dit laatste vers meer algemeen van toepassing is) vinden wij wat letterlijk in Christus vervuld is. Het gebruik, dat de Brief aan de Romeinen van vers 23 maakt, brengt ons tot dezelfde conclusie. En vele andere verzen, hoewel ook toepasselijk op anderen, hebben hun volle toepassing op Christus. Men moet echter opletten, dat deze Psalm niet Christus voorstelt als door God verlaten. Maar hoewel ze over het leven van Christus handelt, toch benadert de beschrijving van het lijden van Christus die van Zijn lijden aan het kruis. Maar er is hier geen sprake van de genade en de goedertierenheid, die daaruit voortkomen. Het gaat hier over het lijden van de zijde van de mens en niet over het verlaten zijn van God. Ook wordt geen genade, die door gerechtigheid heerst, aangekondigd, maar wordt het oordeel over de mens ingeroepen. En ondanks dit, worden zonden aan God beleden en hij, die vervolgd wordt, is ook door God geslagen (vers 27). Vandaar dat ik in deze Psalm alleen Christus zien kan, zoals Hij na Zijn rechtvaardig leven waardoor Hij gesmaad werd (en dat Hij, wat de grote beginselen betreft die het geregeerd hadden, telkens weer voorstelt) in hart en ziel ingaat in de smart en de druk van Israël, waarin zij zich in de regering van God Zelf gebracht hadden. Israël echter wordt niet verlaten, noch verworpen. Dit was het lot van Christus alleen, toen Hij de zonde droeg en verzoening teweegbracht. Wel wordt Israël door God geslagen en verwond en daarin kon Christus deelnemen, omdat Hij door God geslagen werd in de hoogste en absolute betekenis van het woord, al is dat niet het onderwerp van deze psalm. De vervolging door de Joden is het grote onderwerp, dat ons hier wordt voorgesteld. Maar de persoon, die vervolgd werd, werd door God geslagen en voelde hoe verschrikkelijk de goddeloosheid is, die zich uit in smaad en hoon tegenover Hem, Wiens liefde en overgave Hem ertoe bracht de bittere beker te aanvaarden, die ook met de toorn van God over onze zonden gevuld was. Christus werd op het kruis door God geslagen en Hij voelde diep de smaad en de hoon, die daar tot uitbarsting kwam.
Wat de zonden betreft, die in vers 6 genoemd worden 35, meen ik, dat zij verband houden met de regering van God in verbinding met Israël. En dat, hoewel het feit van het geslagen zijn genoemd wordt, haar verzoenende kracht hier in het geheel niet vermeld wordt. Er wordt alleen om oordeel geroepen en dat is immers geen vrucht van de verzoening (vergelijk Psalm 22). Maar juist daardoor geeft onze Psalm ons een beter begrip van al het persoonlijke lijden dat Christus in die tijd verdroeg, buiten dat lijden, dat Hij geheel en al alleen droeg: het lijden van het verzoeningswerk. Als alleen dit laatste lijden geopenbaard was, dan zou dit zo onmetelijk grote al het andere dat Hij persoonlijk in die tijd als mens moest ondergaan, in de schaduw gesteld hebben. En over dit begeleidende lijden lezen we, God zij daarvoor geprezen, in deze psalm. Dat lijden namelijk, dat die geweldige daad van het verslagen zijn van Christus door God begeleidde.
Psalm 70 drukt het verlangen van de Geest van Christus uit in verband met het lijden, dat Hij van de kant van de mensen onderging. Maar het wordt uitgedrukt, zoals ook het overblijfsel zijn verlangen uitspreken zal in de laatste dagen. “Laat beschaamd en rood van schaamte worden wie mij naar het leven staan … wie zeggen: Haha!” En dit laatste is gebeurd, toen Hij aan het kruis hing. “Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen die U zoeken; laat wie Uw heil liefhebben, voortdurend zeggen: Laat God groot gemaakt worden!” Met andere woorden laten zij, die Uw heil, Uw verlossing verwachten, van die verlossing genieten. Met het oog daarop kan Hij op aarde tevreden zijn met de ellende en armoede en niets anders, tot het einde toe (vers 6). Toch vertrouwt hij op Jahweh; Deze is zijn Hulp en Bevrijder. Hij is verzekerd, dat Hij zal komen. Hij bidt dat Hij het niet uitstelt. Zie ook vers 2. Zonder twijfel zal iedere gelovige uit het overblijfsel zo kunnen spreken. Maar het is de samenvatting van het beginsel, waarnaar de Geest van Christus in hen spreekt, en van Zijn persoonlijke verbinding met hun smarten. Zo geeft het ons in beginsel een sleutel voor het begrijpen van de psalmen. Let erop, dat vanaf Psalm 69:14 de verbondsnaam Jahweh gebruikt is.
Psalm 71. Deze Psalm is, denk ik, zoals vele andere in dit boek tijdens de vlucht van David bij de opstand van Absalom ontstaan. Hij stelt ons in het kort de hoofdinhoud voor van alle wegen van God met Zijn volk Israël vanaf het begin van hun geschiedenis. De trouwe zorgen van een barmhartig God worden geroemd, en er wordt een vurig gebed opgezonden, opdat God Zijn volk aan het eind niet zou verlaten. Zonder twijfel voelt Christus zoals altijd dit mee in de Geest (zie vers 11), maar de uitdrukking die wij hier vinden kan niet persoonlijk op Christus toegepast worden. Aan het eind van Zijn leven troffen Hem inderdaad beproevingen zoals deze. Alleen waren ze bij Hem dieper en niet vanwege zonde over Hem gekomen. De uitdrukkingen van onze Psalm zijn van toepassing op de oude tijden van Israël, die door de trouwe genade van de Heilige van Israël terug zullen komen als uit de afgronden van de aarde.
Psalm 72 brengt ons niet in het lijden en de strijd van David, maar in het volkomen opgerichte rijk van vrede en koninklijke zegeningen. De Psalm stelt ons de Zoon van David voor als de Bron en Waarborg van de zegeningen van het duizendjarig rijk. Overigens zijn deze teksten zó vanzelfsprekend, dat er geen verdere uitleg nodig lijkt. Wij lezen van de koning, aan wie God Zijn oordelen geeft en die tegelijk ook de zoon van de koning is, de zoon van David in zijn rijk van vrede en gerechtigheid, zoals Salomo of Melchizedek. Zijn rijk heeft de volle omvang van wat de beloften daarover zeggen, maar ook zullen alle koningen voor hem neerknielen. Zegeningen van allerlei aard begeleiden dat rijk van gerechtigheid. De uitdrukking, dat men voortdurend voor hem bidden zal, wijst er eenvoudig op, dat de zegeningen, die men door hem genieten zal, de mensen ertoe zal brengen om de continuering van zijn heerlijkheid en macht te vragen. Ik geloof, dat de psalm, hoewel hij letterlijk op Salomo slaat, ook van toepassing is op Christus, Die als waarachtig Mens op aarde zal regeren. Vers 17 bewijst ons, dunkt mij, dat men in die gebeden niet de gedachte moet lezen van enige onzekerheid over de voortduring van het koningschap, maar wel de uitwerking van Zijn regering op de harten van allen, over wie Hij regeert. Ik veronderstel, dat er te Jeruzalem een vorst zal zijn uit het huis van David, maar onze Psalm lijkt mij toe verder te gaan. Hiermee eindigt het tweede boek. We lazen over de getrouwen, die verdreven waren uit Jeruzalem, over de benauwdheid, waarin zij zijn en het vertrouwen, dat zij in die toestand hebben; alles eindigt in de zekerheid en de vaste hoop op hun herstel. Wij hebben vervolgens de verlossing gezien, die door de Messias aangebracht wordt, Zijn verhoging en Zijn voorafgaande vernedering – Zijn heerlijke Persoon, ook in de vernedering – en eindelijk het koningschap van de mens, dat in Israël opgericht wordt. Dit maakt een einde aan de wegen van God met het overblijfsel, dat hier als gescheiden van het overige deel van het volk beschouwd wordt.
Vervolg: zie Psalmen deel 2
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 3.2.1
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten:
1 Dit kenmerkt de Psalmen zo geheel, dat er maar weinig psalmen zijn, waarin het overblijfsel niet gevonden wordt, zelfs in die welke profetisch op Christus slaan. Psalm 2 is een van deze uitzonderingen, omdat het overblijfsel het voornaamste onderwerp van Psalm 1 is. Omdat de verbinding een zedelijke is, door Zijn ingaan in genade in hun lijden, is dit gemakkelijk te begrijpen. Het is noodzakelijk aan bovenstaande te denken bij verschillende gedeelten, waar we het overblijfsel vinden, hoewel deze gedeelten gedeeltelijk toegepast kunnen worden op Christus of door Hem gebruikt worden.
2 Het is in de dood van Christus, dat de verschillende soorten van Zijn lijden elkaar treffen; hetzij Zijn lijden omwille van de gerechtigheid en dat wat Hij onderging om medelijden te kunnen hebben met het overblijfsel in hun lijden onder de regering van God, als wel Zijn lijden in het volbrengen van het verzoeningswerk. De eersten, de uitdrukking en de beproeving van de volmaaktheid van Christus, vinden we in het spijsoffer voorgesteld, de laatste (het verzoenend lijden) in het brand- en zondoffer, (vergelijk Hebreeën 9). Christus leed op Zijn gehele weg tot Zijn sterven. Maar Hij deed ook verzoening (atonement) voor de zonde. Velen van het overblijfsel mogen ook lijden tot de dood, als getrouw in de beproevingen van deze regering van God. Maar dan zullen ze, zoals Christus, een betere opstanding verkrijgen. Vanzelfsprekend is het verzoenend lijden het uitsluitende deel van Christus.
3 Ik zeg “Israël” in onderscheiding van de Gemeente en de volken (zie 1 Korinthe 10:32). Als we verderop op de bijzonderheden ingaan, zullen we Juda zien onderscheiden van Israël.
4 Hoeveel zielen zijn ook nu praktisch in deze toestand. Het is de toestand van de verloren zoon op weg naar het vaderlijk huis, vóór hij de vader ontmoet – de toestand van iedere ziel waar de God Die licht en liefde is in Christus geopenbaard is, maar die het verlossingswerk en het aangenaam gemaakt zijn in de Geliefde (Efeze 1:6) niet kent. Er is vertrouwen, maar geen vrede.
5 Ik zeg “op zijn tijd”, want er moet niet te lang bij het lijden in zichzelf en geheel gescheiden van de goddelijke zijde van Zijn karakter stilgestaan worden, of het wordt nutteloos en schadelijk, omdat het dan vleselijk gevoel is.
6 Ik denk, dat we vinden zullen, dat de eerste twee boeken iets onderscheiden zijn van de laatste drie. In de eerste twee vinden we meer Christus persoonlijk onder de joden. De laatste drie zijn meer nationaal en historisch. Daarom eindigt Psalm 72, de laatste van het tweede boek, met de regering van Salomo.
7 Daarom vinden we in de Brief aan de Romeinen ervaringen, omdat daar de ziel door het proces gaat, dat haar in de vrijheid brengt. In Efeze vinden we geen ervaringen, omdat de mens daar eerst gezien wordt als dood in zonden, en daarna verenigd met de aan de rechterhand van God verhoogde Christus. Filippi geeft ons, nagenoeg uitsluitend, werkelijke christelijke ervaring.
8 Vereniging met Christus is het uitsluitende deel van de Gemeente en is door de doop met de Heilige Geest. Door één Geest zijn we allen tot één lichaam gedoopt (1 Korinthe 12:13). Wie de Heer aanhangt, is één Geest (1 Korinthe 6:17). De Schrift noemt deze vereniging niet als verbonden met alleen leven (vergelijk Johannes 14:20).
9 Meer nauwkeurig gezegd: “in de joden”. Het overblijfsel van de joden wordt gespaard en gaat door de verdrukking, als tweederde omkomt in het land (Zacharia 13). Het oordeel over de tien stammen is buiten het land, en de opstandigen daaruit komen niet in het land (Ezechiël 20). De naam “Israël” is de algemene uitdrukking in de beloften, als toegepast op het volk.
10 De “Heer”, maar niet het woord HEER (enkel hoofdletters), dat in de Statenvertaling algemeen gebruikt wordt voor het Hebreeuwse woord Jhwh (Jahweh, Jehova). Het is hier Adonai, de officiële titel “Heer”.
11 Zie Mattheüs 17:24-27, al toen Hij nog op aarde was. Dit mag tot op zekere hoogte anticipatie zijn; toch openbaarde de Heer de Naam van de Vader aan de Zijnen.
12 Leviticus 9:22-24 laat dit op treffende wijze zien. De aanname van het offer door God werd niet geopenbaard, tot Mozes en Aäron (Christus als Koning en Priester) uit de tent van de ontmoeting kwamen, waar zij eerst waren ingegaan. Dan aanbidt het volk, maar Aäron had van tevoren het volk gezegend in verbinding met het offer. Wij weten door de Heilige Geest Die neergekomen is, dat het offer aangenomen is, hoewel de priester nu nog achter de voorhang is. Als gevolg daarvan kennen wij de volle waarde van de goddelijke gerechtigheid.
13 Ik bedoel daarmee niet, dat dit in geen van de psalmen gebeurt. Psalm 22 toont duidelijk het tegendeel. Ook niet, dat in psalmen die niet geheel van Hem spreken, geen zin te vinden is die gevoelens tot uitdrukking brengt die Hij had. In de loop van onze beschouwingen heb ik al op meerdere gewezen en het beginsel waarnaar ze toegepast kunnen worden, besproken. Ik spreek hier alleen van de psalmen waarmee we ons bezighouden, namelijk 3-7.
14 De kleinheid van de mens, vergeleken met de schepping omhoog, geeft aanleiding tot de openbaring van Gods raadsbesluiten in de mens.
15 Deze namen zijn niet zonder betekenis. Jahweh (Jehova enzovoort) is de vaste naam van God in Israël, Zijn gedachtenis van geslacht tot geslacht (in de Statenvertaling weergegeven door HEER met enkel hoofdletters). “De Allerhoogste” is de naam van God in het duizendjarig rijk, hier ingevoerd door de oordelen waarover in deze Psalm gesproken wordt. Vergelijk Psalm 91 en Genesis 14:19-20.
16 Hammim. In vers 9 is het Leummim. In vers 12 dus de volken die door Jahweh erkend worden.
17 Hier in het meervoud. Het verschil is soms belangrijk, omdat, zoals Paulus in 2 Thessalonika 2 zegt, er is ook de goddeloze.
18 In Openbaring 4 vinden we in de 4 dieren (beter “levende wezens”) zowel het karakter van de Serafijnen, als van de Cherubijnen, daar zij de oordelen aankondigen als gekarakteriseerd, dat zij in overeenstemming met de heilige natuur van God zijn en toch het karakter van Gods regering over de aarde hebben. Het is waar, dat de toepassing van Jesaja 6, waar we alleen de Serafijnen vinden, op een oordeel in de regering van God wijst, want de genade bewaart een overblijfsel. Maar de profeet ziet de onverenigbaarheid van Jahweh met onreinheid – met de mens, zoals hij in zichzelf is.
19 Vergelijk voor een bijzondere zijde hiervan Johannes 12:23-24. En de plaats die de Heer als gevolg daarvan innam in de hoofdstukken 11-13, gaf, zoals we gezien hebben, getuigenis van Zijn plaats naar Psalm 2.
20 Dus, nu Hij mens geworden is en in Zijn werk als mens God verheerlijkt heeft, heeft God Hem macht gegeven over alle vlees (Johannes 17:2).
21 Noot vertaler. Het Engelse woord is “cause”. De bedoeling is, dat God Israël verloste met het oog op en omwille van Christus.
22 Hoe meer we het werk op het kruis overdenken, hoe meer we zien, dat daar iedere vraag in verbinding met goed en kwaad tot een oplossing gebracht is, en de onbeweeglijke grond gelegd is voor volmaakte zegening in overeenstemming met wat God is in gerechtigheid, genade en ook majesteit, voor de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde waarin gerechtigheid woont. We komen bij het kruis, door het gezegende getuigenis, dat het in al onze behoeften voorziet. Maar als we het in vrede beschouwen, zien we hoe de mens in volslagen zonde God in Zijn genade en goedheid haat en verwerpt. We zien satans gehele macht, waarvoor al de discipelen in vrees vluchtten, en de gehele verdere wereld in zijn macht, tegen Christus. En aan de andere zijde zien we de Mens in volstrekte goedheid de Vader liefhebben en gehoorzamen, die God ten koste van alles verheerlijkt, juist daar waar het nodig was, op de plaats van de zonde. En we zien God in volmaakte gerechtigheid tegen de zonde als nergens anders, en in volmaakte liefde tot de zondaar. De toestand van onschuld in het paradijs was verbonden met zegeningen die voorwaardelijk waren; dus afhankelijk van het houden van de voorwaarde. Dat wat aan het kruis gebeurde, is in volmaaktheid voleindigd, en de waarde daarvan kan nooit meer veranderen. Het is eeuwige gerechtigheid. Daarom zijn de zegeningen van de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde onveranderlijk en onwankelbaar. We hebben een onschuldig Eden en een zondige wereld gehad. We zullen nog hebben, behalve het duizendjarig rijk waarin gerechtigheid heerst, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waarin gerechtigheid woont.
23 Wij weten dit door de Heilige Geest, Die neergezonden werd na Christus’ hemelvaart. De nieuwe hemelen en de nieuwe aarde waarin gerechtigheid woont zullen het volle resultaat zijn, terwijl het de openbaring is van de rechtvaardige grond voor de definitieve verdoemenis van de ongelovige mensen.
24 Christus gebruikt in Zijn leven op aarde vanzelfsprekend de naam Vader. Op het kruis, aan het eind van de uren van duisternis, zegt Hij: “Mijn God, Mijn God”, en bij Zijn sterven “Vader”, zoals ook in Gethsemane. Na Zijn opstanding zegt Hij “Vader en God” – het ene in Zijn persoonlijke verbinding tot Hem en als het voorwerp van het welbehagen van de Vader, en het andere in goddelijke gerechtigheid, terwijl Hij ons erin brengt.
25 Het woord “verkwikt” in Psalm 23:3 kan ook vertaald worden door “herstelt”.
26 Darby vertaalt Psalm 24:6 met: “Dat is het geslacht dergenen die naar hem zoeken, die uw aangezicht zoeken, o Jakob.”
27 De enig mogelijke betekenis die het in verbinding met Hem kon hebben, was de bevrijding van Zijn ziel, op dat ogenblik, als een feit, van de vloek die Hij voor ons droeg en waarbij Hij God volmaakt verheerlijkt had met het oog op onze zonde, en als voor ons tot zonde gemaakt. Maar de Heer gebruikte de woorden niet. Maar hoewel Hij in feite nog sterven moest, de bitterheid en de prikkel van de dood waren voorbij.
28 Welke rover zou een andere rover, die samen met hem opgehangen werd, bespotten? Maar de rover aan het kruis deed dit tegenover Christus.
29 Hoewel het dorre hout in de volle zin van het woord het levenloze Israël voorstelt, zal toch het overblijfsel, dat zo lang Jezus de Messias verworpen heeft, doordat het vermengd is met het volk, in hart en geest de moeilijkheden doormaken die over het volk als zodanig zullen komen, met uitzondering van het eindoordeel van de zijde van God. Dit laatste heeft Christus voor hen ondergaan; Hij stierf voor het volk (Johannes 11:51). Maar met uitzondering van dit oordeel, gaan zij door alles, en voelen in bittere angst en grote smart in zeker opzicht nog meer, voordat het oordeel werkelijk komt, omdat zij de zonde voelen die dit oordeel noodzakelijk maakt. Daarom kon Christus, Die de oorzaak van het oordeel kende en het oordeel waardoor Hij werkelijk ging, vooruitzag, volkomen in hun toestand ingaan. Hij ging door de verdrukking zonder bevrijding te zien, omdat Zijn uur gekomen was, dat Hij bij de overtreders gerekend moest worden. Maar hoewel Hij in liefde in hun toestand inging, was het toch de gerechtigheid die Israël bedreigde, die voor Zijn gedachten stond.
30 Zie Openbaring 19:20, waar het beest en de valse profeet, omdat zij zich samen tegen Christus verhieven, samen geoordeeld worden. Noot vertaler.
31 Vanaf het ogenblik, dat de Messias verworpen is, bevinden zij zich in beginsel in deze positie (Romeinen 8:36).
32 Volgens het opschrift boven de Psalm was David nog niet in feite koning. De Geest van God in hem sprak dus vooruitgrijpend van de titel van de gezalfde; maar vanzelfsprekend met het oog op een andere tijd. Merk ook op, dat het verlangen van het geloof geheel Israël omvat hoewel zelfs de bevrijding van de Joden nog niet voltooid is.
33 Voor Christus en de nieuwe mens is de wereld een woestijn, zonder iets erin dat de ziel verfrissen kan. Maar omdat de gunst van God beter is dan het leven, kunnen we lofzingen gedurende ons leven; onze ziel is verzadigd als van merg en vettigheid. De heilige van het overblijfsel is niet in het heiligdom, maar heeft God erin gezien. Zijn verlangen is naar Godzelf. Christus kon dit letterlijk zeggen. Hij had de Vader gezien, en wij hebben de Vader in Hem gezien.
34 De betekenis van het woord wordt sterk betwist; de zin ervan is, naar ik meen, duidelijk. Het wordt gebruikt voor de stallen van schapen of vee.
35 Zoals al gezegd, is het op zich nemen van de zonden of het belijden daarvan, op de kop van het offer (Leviticus 16:21) in geen enkel opzicht de handeling van de verzoening. Het is het op zich nemen van datgene waarvoor verzoening moest plaatsvinden.