26. Jesaja

26. Jesaja · uit de ‘Synopsis’ deel 4 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Voorwoord

Voorwoord bij de Nederlandse vertaling.

Bij de uitgave van het vierde deel van de Synopsis over de boeken van de Bijbel, dat alle profeten bevat, dus Jesaja tot en met Maleachi, leek het ons goed een paar opmerkingen te maken.
Allereerst, dat deze Synopsis ruim honderd jaar geleden (1850-1855) geschreven is. Als we dit in het oog houden, zullen de lezers die het nu ruim honderd jaar later lezen, verbaasd zijn dat verschillende dingen die de schrijver toen aankondigde nu geheel of gedeeltelijk in vervulling zijn gegaan. Het zal onze eerbied vergroten, niet voor de scherpzinnigheid van de schrijver, maar voor het Woord van de eeuwige God waaruit hij deze dingen putte. En het zal ons ook bevestigen dat het licht dat God de schrijver gegeven had over de Profeten, werkelijk Goddelijk licht was.

Verder: waar in de Statenvertaling van de Bijbel voor de aanduiding van alle volken buiten Israël het woord “heidenen” gebruikt wordt, hebben wij daarvoor meestal “volkeren” genomen. Het woord “heiden” heeft in onze oren de klank van afgodendienaar. Nu is het waar, dat in het Oude Testament alle volken buiten Israël afgodendienaars waren. Maar nu is dat niet meer het geval. Omdat het woord “heiden” daarom vaak een heel verkeerde gedachte bij ons wekt, terwijl de Schrift daarmee iedere niet-Israëliet bedoelt die niet tot de gemeente van de levende God behoort, hebben we dit woord heel weinig gebruikt.

Verder hebben we het woord Jahweh (HEERE) onveranderd overgenomen, hoewel we weten dat de vakgeleerden het er wel over eens zijn dat deze Naam van God anders geschreven moet worden. Maar helaas weet niemand absoluut zeker hoe hij wel geschreven moet worden.

Moge God dit hulpmiddel bij de overdenking van Zijn Woord verder zegenen.

De uitgever.

Inleiding

Jesaja neemt de eerste plaats in. En inderdaad is hij het meest volledig en de rijkste van alle profeten. Het geheel van Gods gedachten ten opzichte van Israël wordt ons er meer in geopenbaard, terwijl in de andere profeten bepaalde gedeelten van de geschiedenis van dit volk het voornaamste onderwerp vormen.

De indeling van het boek zullen wij hier door onderwerpen weergeven. Het is alsof wij in het begin niet bepaald van orde kunnen spreken. Maar dit zal ons tegelijkertijd helpen de morele strekking van het boek te voelen.

Wat een tafereel, aan de ene kant treurig en tegelijk aan de andere kant lieflijk en heerlijk, ontvouwt zich hier voor onze ogen! Het lijkt op het eerste schijnsel van de dageraad na een lange en koude nacht van duisternis. Het geeft een voorgevoel van de prachtige dag die opkomt over een toneel, waarvan men de schoonheid nog nauwelijks opmerkt, maar dat spoedig door de warmte levend zal worden en zal schitteren onder de glans van de heerlijke zon, die het komt beschijnen. Men verblijdt zich over dit gedeeltelijke licht. Het spreekt van de goedheid, van de geestkracht en bedoelingen van God, Die alles geschapen heeft om Zijn plannen van genade en heerlijkheid te vervullen. Maar men verlangt naar de openbaring van de volheid van deze vervulling, als alles zal rusten in de gevolgen van Zijn goedheid.

Zo is de profetie. Ze is droevig, omdat ze de zonde en dwaze ondankbaarheid van Gods volk ontsluiert. Maar ze openbaart ook het hart van Hem, Die in liefde onvermoeid is; Die dit volk liefheeft; Die alleen hun welzijn zoekt, hoewel Hij hun zonde voelt naar de mate van Zijn liefde. Het is het hart van God dat spreekt. Deze twee karakters van de profetie werpen licht over het tweevoudige doel, dat zij beoogt, en helpen ons de strekking ervan te verstaan. In de eerste plaats richt ze zich tot de toestand van het volk op dat ogenblik en toont het zijn zonde. Zij veronderstelt dus steeds dat het volk in een toestand van verval is. Als het in vrede de zegeningen van God geniet, is het niet nodig om het zijn toestand te tonen. Maar in de tweede plaats spreekt de profetie, zolang het volk nog erkend is, van een direct herstel, dat afhankelijk is van zijn berouw. En om het volk aan te moedigen tot Jahweh terug te keren, kondigt zij het zijn bevrijding aan. En hier vinden de wet en bijgevolg de zegeningen die eraan verbonden zijn, hun plaats als dat waartoe het volk moest terugkeren. Het laatste profetische Woord dat God gegeven heeft, is hiervan een opmerkelijk voorbeeld (Maleachi 4). Maar God kende het hart van Zijn volk heel goed en wist ook dat het zou weigeren aan Zijn roepstem gehoor te geven. Om het geloof van het getrouwe overblijfsel, te midden van dit ongeloof, te ondersteunen, en om Zijn volk in alle tijden te onderrichten, voegt Hij er beloften aan toe, die zeker vervuld zouden worden bij de komst van de Messias. Deze beloften worden soms in verbinding gebracht met de omstandigheden van een aanstaande en gedeeltelijke bevrijding, en dan weer met het feit, dat de zonden van het volk hun hoogtepunt hebben bereikt in de verwerping van Christus, Die in vernedering gekomen is.

Het is heel belangrijk om wat betrekking heeft op deze nabije omstandigheden, te onderscheiden van wat verband houdt met de volledige bevrijding, die door omstandigheden die eerder plaatsvinden in het vooruitzicht wordt gesteld. Dit is het moeilijke gedeelte van de uitlegging van de profetie.

Ik zou er nog graag aan toe willen voegen dat, hoewel het onderwerp van de profetie geen beeld is, er niet alleen veelvuldig gebruik van beelden wordt gemaakt, maar dat deze vaak vermengd zijn met letterlijke uitdrukkingen, zodat er geen juiste regel te geven is om te onderscheiden wat figuurlijk en wat letterlijk opgevat moet worden. Hier heeft men, zoals altijd bij de studie van het Heilige Woord, de hulp nodig van de Heilige Geest om de ware betekenis van het gedeelte te vinden.

Wat ik zojuist heb gezegd, geldt evenzeer voor andere Schriftplaatsen, en dat in de meest plechtige omstandigheden. Psalm 22 bijvoorbeeld bestaat uit een doorlopend mengsel van beelden, die het morele karakter van feiten voorstellen, samen met andere feiten die met een letterlijke eenvoudigheid verteld worden. Er is geen enkele moeilijkheid om het te verstaan. “Honden hebben mij omsingeld, een horde kwaaddoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord”. Het woord “honden” geeft het karakter aan van hen, die op dit toneel optreden. Deze manier van spreken vindt men in alle talen terug. Men zal bijvoorbeeld zeggen: Hij ontwierp een prachtig beeld van de deugd. “Een beeld ontwerpen” wordt hier figuurlijk gebruikt. Ik zeg dit, zodat men geen moeilijkheid maakt van wat tot het wezen van de menselijke taal behoort.

Indeling

Nu kom ik tot de inhoud van dit belangrijke profetische boek. Dit is de indeling ervan. De eerste vier hoofdstukken staan op zichzelf als een soort inleiding. Hoofdstuk 5 moet ook afzonderlijk worden gezien. Het bevat het oordeel over het volk, omdat het totaal geen rekening heeft gehouden met de zorg die God aan hen heeft besteed. Toch zullen we in hoofdstuk 9 vanaf vers 7, dit oordeel terugvinden, en dan tot in bijzonderheden. In hoofdstuk 6 vinden we het oordeel over het volk met het oog op de toekomstige heerlijkheid van de Messias. Er is dus een erkend overblijfsel 1. Hoofdstuk 7 voert op duidelijke wijze de Messias in, Emmanuel, de Zoon van David, en ook het oordeel over de familie van David naar het vlees. Wij zien dus, dat er nog een hoop is, maar tegelijkertijd, dat een oordeel komt over het laatste menselijke steunpunt van het volk. In hoofdstuk 8 zien we de Assyrische verwoester die het land overweldigt, maar aan het slot zien we hoe Emmanuël (al in hoofdstuk 7 aangekondigd) al zijn plannen verijdelt. Inmiddels is er een overblijfsel, dat van het volk is afgescheiden en aan deze Emmanuël verbonden 2. Er wordt dan gesproken van beklemmende en angstige omstandigheden, waardoor het afvallige volk heen moet; omstandigheden die eindigen in de volle zegening, verbonden aan de tegenwoordigheid van Emmanuël. Dit onderwerp eindigt met hoofdstuk 9:6, zodat we hier eigenlijk de hele geschiedenis van de joden in verbinding met Christus voor ons hebben. Met hoofdstuk 9:7 wordt de algemene geschiedenis van het volk van hoofdstuk 5 weer opgenomen die door het zo belangrijke tijdvak van Emmanuël, die op dit toneel werd ingevoerd, onderbroken werd. De Geest van God neemt die geschiedenis weer op vanaf de toenmalige tijd en wijst de verschillende oordelen van Jahweh aan, totdat het laatste werktuig van Zijn oordelen (Assyrië, de tuchtroede van Jahweh) ingevoerd wordt. En hier wordt de aanstaande bevrijding van het volk als een bemoediging voor het geloof getoond, en ook als voorbeeld van de eindvernietiging van de macht, die in de laatste dagen de roede van Jahweh zal vormen.

Nadat Jahweh de verwoester geslagen heeft, stelt Hij in hoofdstuk 11 de Spruit van David voor. Allereerst in Zijn innerlijk, moreel karakter. Vervolgens in de gevolgen van Zijn regering ten opzichte van de volle zegening en de tegenwoordigheid van Jahweh, Die weer opnieuw in het midden van Zijn volk in Sion gevestigd is. Op deze wijze wordt ons dus de geschiedenis van het volk in haar voornaamste trekken getoond, tot aan het tijdstip waarop de joden als het volk van God weer hersteld zijn en de zegeningen genieten, terwijl Jahweh in hun midden is. Het is echter goed om op te merken dat de Antichrist hier niet wordt genoemd; noch de macht van het beest en ook niet de tijd van de grote verdrukking als zodanig, omdat dat alles in een periode zal gebeuren, waarin de joden niet erkend zijn, al houdt God Zich wel met hen bezig. Onze profetie spreekt echter van een tijd, waarin zij wel erkend zijn. De profeet verklaart in algemene bewoordingen, dat God Zijn aangezicht voor het huis van Jakob zou verbergen en dat hij wiens geest recht was, Hem zou verwachten (8:17).

Van hoofdstuk 13 tot aan het eind van hoofdstuk 27 vinden we het oordeel over de volken. Zowel dat over Babel als over de andere volken, en vooral over hen, die in alle tijden met Israël in verbinding zijn geweest. Ook vinden wij in deze hoofdstukken de positie van Israël vermeld. Wij zien Israël niet alleen in het midden van deze volken, maar ook te midden van alle volken van de aarde in de laatste dagen (dit is het onderwerp van hoofdstuk 18). Vervolgens zien we het oordeel, dat over de gehele wereld komt (hoofdstuk 24) en ten slotte de volle zegening van Israël in het duizendjarig rijk (hoofdstuk 25-27). De hoofdstukken 28-35 geven ons de bijzonderheden van de geschiedenis van de joden in de laatste dagen. Elke openbaring wordt besloten met een getuigenis van de heerlijkheid van God in Israël.

In de hoofdstukken 36-39 doet ons de Geest het verhaal van een gedeelte van de regering van Hizkia. Drie hoofdonderwerpen vinden wij erin vermeld: de opstanding van de Zoon van David, als uit de doden; de vernietiging van de Assyriër, zonder dat deze Jeruzalem heeft kunnen aanvallen, en de Babylonische gevangenschap. Dit zijn de drie grote grondslagen van de geschiedenis van de joden en hun toestand in de laatste dagen.

De inhoud van hoofdstuk 40 tot aan het eind van het boek Jesaja vormt een heel apart gedeelte van de profetie, waarin God de vertroosting voor Zijn volk openbaart, en de morele relaties van de Israëlieten met Hem. Eveneens openbaart God hierin de twee redenen van Zijn twist met het volk, hetzij met het oog op de positie waarin Hij het had geplaatst als uitverkoren dienstknecht, getuige van Jahweh, de enig ware God, tegenover de volken en hun afgodendienst, hetzij met het oog op hun verwerping van Christus, de enig ware uitverkoren Dienstknecht 3, Die de wil van God heeft volbracht. Dit geeft aanleiding tot het openbaren van een overblijfsel, dat naar deze ware Dienstknecht luistert, en tot het verhaal van de omstandigheden, waardoor dit overblijfsel gaat, en bijgevolg ook van de toestand van het volk in de laatste dagen, wat eindigt met de openbaring van Jahweh in oordeel. De positie van Israël tegenover de afgodische volken heeft tot gevolg, dat Babel genoemd wordt, maar ook zijn vernietiging, en ook de bevrijding door Cyrus van het Israël dat in gevangenschap leeft. De afgodendienst is een van de kwesties, waarover Jahweh met Zijn volk twist. Het andere vraagstuk – nog ernstiger van aard – is dat van de verwerping van Christus. Voor meer bijzonderheden moeten we wachten tot deze hoofdstukken uitvoeriger behandeld worden, waarmee we ons nu gaan bezighouden.

Profetie veronderstelt, dat het volk van God in een slechte toestand is, ook al wordt het erkend en al wordt de profetie tot hen gericht. Het is niet nodig machtige getuigenissen te zenden tot een volk, dat gelukkig in de wegen van de Heer wandelt. Evenmin om het geloof te ondersteunen van een beproefd overblijfsel, door de hoop, gegrond op de onwankelbare trouw en op de plannen van God, als allen in volle vrede de vruchten genieten van Zijn aanwezige goedheid, vruchten die – als resultaat – verbonden zijn aan hun getrouwheid. Het bewijs van dit beginsel, dat niet moeilijk te verstaan is, wordt bij elk van de profeten gevonden. Er blijkt nergens uit, dat de profeten, van wie wij de geschriften in het geïnspireerde Boek bezitten, ook wonderen 4 hebben verricht. Want de wet was van kracht en haar gezag werd formeel erkend. Er was niets dat gefundeerd of opgericht moest worden. Het gezag van Jahweh was de grondslag van het openbare godsdienstige stelsel van het land, in overeenstemming met de voorschriften die Hijzelf had gegeven in verband met de tempel. De profeten drongen op praktische plichten aan. Te midden van de afgevallen tien stammen werkten Elia en Elisa wonderen, om het gezag van Jahweh weer te herstellen. Zo groot is de getrouwheid en lankmoedigheid van God tegenover Zijn volk. Een nieuw voorwerp van het geloof eist wonderen. Maar wat op het al erkende Woord gegrond is en niet meer als een nieuw voorwerp aangenomen hoeft te worden, heeft die wonderen helemaal niet nodig om daardoor Zijn gezag te vestigen, in welke mate er overigens door een profeet ook groter licht gebracht en een beroep op het geweten gedaan mag zijn. Het Woord beveelt Zichzelf aan bij het geweten van hen, die door God onderwezen zijn. En als er nieuw licht is, dan is dat tot troost van hen die het praktische getuigenis al hebben ontvangen en zo het gezag hebben erkend van hem die namens God spreekt.

Laten wij nu de inhoud van deze profetie meer in bijzonderheden bestuderen.

Hoofdstuk 1-4

Hoofdstuk 1 van het boek Jesaja begint met een getuigenis te geven van de droevige toestand van het volk. Er waren slechts wonden en verderf. Het had geen zin om het volk nog meer te kastijden. Hun godsdienstige handelingen waren Jahweh een gruwel. Hij wilde gerechtigheid. Toch wordt het volk opgeroepen zich te bekeren, waarna de zegeningen zouden volgen. Zo’n positie geeft de profetie aan Israël.

Maar God kende Zijn volk. Het was boos en verdorven, zoals ook zijn leiders. Daarom kondigt God aan wat er zal plaatsvinden. Hij zal het oordeel uitvoeren, op deze wijze het volk reinigen en dan de zegeningen weer teruggeven. Zo worden twee grote beginselen neergelegd. De zegeningen worden voorgesteld als gevolg van bekering. Maar in feite komen ze door het oordeel.

Op deze wijze weer hersteld, zal Sion, de berg van Jahweh, het middelpunt van de zegen en vrede zijn voor alle volken (hoofdstuk 2:1-4).

Vandaar de uitnodiging van de profeet om in het licht van Jahweh te wandelen. Waarom heeft Hij Zijn volk verlaten? Omdat Zijn volk de wegen van de heidenen had geleerd. Nu, de dag van Jahweh zal tegen alle glorie van de mens en tegen alle afgoden zijn. Laten ze ophouden op de mens te steunen, want Gods eigen volk op de aarde – de plaats van Zijn rust – zal door zijn God worden geoordeeld en geslagen (hoofdstuk 3-4). Maar in die dag zal de Spruit van Jahweh tot heerlijkheid zijn en de aarde worden gezegend. Hij, Die slaat, verbindt de wonde door de Messias in te voeren en door Hem het land te zegenen. Het overblijfsel zal heilig zijn als de reiniging van Jeruzalem, door het oordeel en het vuur van Jahweh, zal zijn voleindigd. Jeruzalem zal worden beschermd en verheerlijkt door de openbaring van Zijn tegenwoordigheid, zoals dat ook al gebeurd was met de tabernakel in de woestijn. Dit is de wijze, waarop de inleiding tot deze profetie met grote kracht en helderheid voorgesteld wordt.

Hierna voert de Geest van God een rechtszaak met het volk. Hij beweegt Zich daarbij op twee verschillende terreinen, namelijk wat God voor Zijn volk had gedaan en de komst van Jahweh in de Persoon van Christus in heerlijkheid. Had het volk beantwoord aan de goede zorgen waarmee Jahweh het had omringd? Was het in een toestand om Jahweh in zijn midden te ontvangen?

Hoofdstuk 5-6

Hoofdstuk 5 behandelt de eerste vraag, die de verantwoordelijkheid van het volk raakt, met het oog op de zorgen en de regering van God. Wat had God nog meer aan Zijn wijngaard kunnen doen, dan Hij gedaan had? Toch had die Hem niets dan stinkende druiven opgeleverd. Hij kondigt aan, wat nu voor deze wijngaard de gevolgen zijn in overeenstemming met Zijn rechtvaardige regering. Zijn omheining, de bescherming waarmee Hij de wijngaard had omringd, zal worden weggenomen en hij zal ten prooi overgelaten worden aan de vernielingen van de volken. Als God tegen Zijn volk pleit, toont Hij hen zijn zonden tot in bijzonderheden. Vervolgens strekt Hij Zijn hand tegen het volk uit en verschrikkelijke kastijdingen komen plotseling over hem. Toch is Zijn toorn nog niet afgekeerd, want “nog is Zijn hand tegen hen uitgestrekt”. Hij zal machtige vreemden doen komen, vol van kracht, die door niets kunnen worden tegengehouden, en die het volk in gevangenschap zullen wegvoeren. Verdriet en klagen zal er in het land zijn, en het licht van de hemelen zal worden verduisterd.

Het gaat hier in de eerste plaats over Nebukadnezar en zelfs over Sanherib. Maar nog veel meer gaat het over de volken die tegen Jeruzalem zullen optrekken in de laatste dagen en die het ook innemen zullen, nadat ze het hele land hebben overweldigd en geplunderd. Later zullen wij de bijzonderheden van deze gebeurtenissen vinden.

Maar het was in de plannen van God besloten, dat Zijn tegenwoordigheid in heerlijkheid te midden van Zijn volk gevestigd zou worden. En dit zal vervuld worden in Christus aan het einde van de tijden. Daarom wordt de mededeling over het verloop van de oordelen, na het eerste algemene overzicht, onderbroken. In hoofdstuk 6 ziet de profeet dan die heerlijkheid. Toch is de eerste uitwerking hiervan gerechtelijk: ze werkt zo dat het volk verblind en geoordeeld wordt. Het voorgaande oordeel (hoofdstuk 5:24) had betrekking op het breken van de wet en op het verachten van het Woord van de Heilige van Israël. Maar de vijandschap tegen Christus, en Zijn verwerping, gaan gepaard met gerechtelijke blindheid van het volk en met de afzondering van een overblijfsel. Dat het de heerlijkheid van Christus is, die aan de profeet geopenbaard wordt, zien we in Johannes 12. De profeet voelt meteen dat de toestand van het volk onverenigbaar is met de openbaring van deze heerlijkheid. Onreine lippen kunnen haar niet bezingen. Maar een gloeiende kool van het altaar reinigt zijn eigen lippen en hij wijdt zich als boodschapper aan de dienst van Jahweh en aan wat de heerlijkheid van Christus betreft. Het hart van het volk is vet geworden, en dit zal zo blijven, totdat het met een volkomen verwoesting geslagen zal zijn. Toch zal er een overblijfsel zijn, een heilig zaad (nageslacht), dat zal zijn als het levenssap van een boom die zijn bladeren heeft verloren 5.

De profeet stelt ons dus hier het oordeel van het volk in tweeërlei opzicht voor. Allereerst met betrekking tot de regering van God, op grond hiervan wordt het volk, omdat het volkomen schuldig is, aan de heidenen overgeleverd. In de tweede plaats met het oog op de heerlijkheid van Jahweh’s tegenwoordigheid bij Zijn komst, naar Zijn raadsbesluiten van genade: het volk was niet in staat die heerlijkheid te verdragen. Maar omdat het hier gaat om het vaste besluit van God, is er een overblijfsel naar de uitverkiezing, waarin die heerlijkheid zal worden hersteld. Men moet dit onderscheid niet uit het oog verliezen, als er sprake is van de regering van God en Zijn naar buiten waarneembare wegen.

In hoofdstuk 5, waar het gaat om het eerste kenmerk van de oordelen, is er geen overblijfsel. Hier is het eenvoudig het openbare en volledige oordeel over het volk; want in dit opzicht hangt alles af van hun verantwoordelijkheid. In de Evangeliën zoekt God naar vruchten. Christus kon om de vijgenboom graven, hem bemesten (Lukas 13:6-9), maar dit was om vruchten te krijgen. Daarom wordt de vijgenboom vervloekt en zal nooit vruchten dragen (Mattheüs 21:19). Dit is een beeld van Israël (van de mens) onder het eerste verbond. In hoofdstuk 6 handelt God naar binnen in Zijn eigen relaties met het volk. Daarom vinden we een overblijfsel en het verzekerde herstel van het volk; want de genadegiften en roeping Gods zijn onberouwelijk. Hier ook gaat het om Christus. God zal Zijn volk niet voor eeuwig verstoten, en het profetisch geloof zegt: “Hoelang?”, zoals elders wordt gezegd: “Er is niemand onder ons die weet hoelang nog” (Psalm 74:9). Want “als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op de aarde?” Maar dit eist een nadere uiteenzetting.

Hoofdstuk 7-9

Deze uiteenzettingen vinden we in de volgende profetie (samengevat in de hoofdstukken 7-9:7) op een opmerkelijke manier weergegeven. Bepaalde beloften waren verbonden aan het huis van David, waarin, zoals we bij het bestuderen van de boeken van Samuel hebben gezien, God de hoop van Israël had vernieuwd, toen de banden, waarmee Zijn volk aan Hem was verbonden, verbroken werden, omdat de ark genomen werd en Hij Zijn plaats te Silo had verlaten. Nu, het huis van David, de laatste steun van het volk in zijn verantwoordelijkheid, had ook in zijn getrouwheid gefaald. Achaz heeft Jahweh verlaten en in de tempel van de ware God het altaar van een vreemde god opgericht.

In hoofdstuk 7 leidt de Geest van God de profeet tot de koning en spreekt tot hem. Jesaja moet de koning gaan ontmoeten met Schear-Jaschub, zijn zoon – het kind is een symbool en zijn naam betekent: het overblijfsel zal terugkeren. Maar Jahweh wil in de eerste plaats deze spruit van David aanmoedigen om door het geloof te handelen en zo God te verheerlijken, zoals Hij dat in hoofdstuk 1 gedaan had met het volk. Hij laat hem meedelen dat de plannen van Rezin en Pekah op niets zullen uitlopen, en Hij spoort hem zelfs aan een teken te vragen. Maar Achaz is te ver van de Heer verwijderd om van deze aansporing profijt te trekken, hoewel hij er met een ogenschijnlijke vroomheid op antwoordt. Dan gaat Jahweh hier doen wat Hij gedaan had ten opzichte van het volk: Hij kondigt aan wat het huis van David en het volk, dat onder zijn afhankelijkheid is geplaatst, zal overkomen. De twee punten van deze profetische mededeling zijn: de gave van Immanuël, de Zoon van de maagd, en de volledige verwoesting van de aarde door de Assyriërs. En deze mededeling geeft ons de sleutel tot de gehele profetie. Toch zal er een overblijfsel zijn. Vers 16 heeft betrekking op Schear-Jaschub; maar de profetie gaat verder.

In hoofdstuk 8 kondigt het tweede profetische kind door zijn naam de komst van deze vijand en zijn verwoestingen aan. Dan verklaart Jahweh, omdat het volk de beloften die tot het huis van David gericht waren, heeft geminacht en zich in het vlees verblijdde, dat Hij de dingen in Zijn handen zal nemen. Vandaar dat we het hele vervolg van de geschiedenis van het volk aangehaald vinden, en ook de aanwijzingen die aan het overblijfsel gegeven zijn, en de tussenkomst van God in macht, om de volkomen zegening in de Persoon van de Messias te vestigen.

In hoofdstuk 7 waar het gaat om de verantwoordelijkheid van het huis van David, wordt Immanuël als teken beloofd; maar het succes van de Assyriërs is volkomen, zonder enige tegenslag. Als eenmaal Immanuël gekomen is, is alles anders. Het land behoort dan aan Hem toe. De Assyriërs overstromen het land, als een rivier die buiten haar oevers is getreden, zodat het water tot aan de hals reikt, omdat men de wateren van Siloa had veracht. Maar Immanuël beveiligt alles. Zo gaat de profetische Geest over tot de gebeurtenissen van de laatste dagen, waarvan de geschiedenis van Sanherib slechts een beeld was. De Geest toont ons, hoe de plannen en bondgenootschappen van de volken tenietgedaan worden, omdat Immanuël, God met ons, is. Het is de volledige bevrijding van Israël in de laatste dagen (hoofdstuk 8:5-10). En wat het overblijfsel betreft, welke weg moet het volgen? (Hoofdstuk 8:11 en verder). Het moet zich niet verontrusten over de angst van het volk, noch met hen samengaan in haar bondgenootschappen, en zo op de kracht van het vlees vertrouwen. Integendeel, zij moeten Jahweh van de legermachten Zelf heiligen; Hem in hun hart de plaats inruimen die Hem toekomt. Hij zal hun heiligdom zijn, op de dag van hun nood en ellende.

Maar wie is toch deze Immanuël, deze Jahweh van de legermachten? Wij weten het heel goed. Daarom volgt hier de gehele geschiedenis van de verwerping van Christus, de positie van het overblijfsel en bijgevolg die van het volk en de uiteindelijke tussenkomst van de macht van God. Dit Schriftgedeelte is te duidelijk om uitgebreide uiteenzettingen nodig te hebben. Christus wordt in Zijn Persoon een steen des aanstoots 6. Hieruit blijkt – als resultaat – dat het getuigenis van God uitsluitend in de handen en de harten van Zijn discipelen – het uitverkoren overblijfsel van God, Die Zijn aangezicht voor Jakob verbergt – gelegd is. Maar volgens de profetische Geest verwacht en zoekt dit overblijfsel Hem. Ondertussen zijn Christus en de kinderen die God Hem gegeven heeft tot een teken voor de beide huizen van Israël (vergelijk Romeinen 11:1-8). Zij die de Steen hebben verworpen (het volk), zijn in opstand en nood in het land van Immanuël. Zij worden aan de verwoesting overgegeven. Evenwel is deze nood niet te vergelijken met de nood die vroeger veroorzaakt werd door de verwoestingen van de Assyriër, omdat de Messias is verschenen en Hij in overeenstemming met de raadsbesluiten van God de zaak van Zijn volk ter hand genomen heeft. De profetische Geest gaat dan – zoals dit dikwijls het geval is – direct van Zijn verschijning als licht, over tot de uitwerking van de bevrijding, die Hij in de laatste dagen zal teweegbrengen (hoofdstuk 9:1-2). Want de gemeente was een verborgenheid, verborgen in God, en niet het onderwerp van de profetie of van de beloften. Als het juk van de Assyriër verbroken is, schittert alle glans van de heerlijkheid van de Goddelijke Persoon van de Messias in de zegening van Zijn volk.

Deze twee onderwerpen: de Messias en de Assyriër vormen de grondslag van de gehele profetie, die over Israël spreekt, als dit volk het erkende voorwerp van Gods wegen is. Men kan hier opmerken, dat de Assyriër tweemaal verschijnt, maar de tweede keer zien wij hem in verband met het bijeenkomen van de volken. De eerste keer, in hoofdstuk 7, is hij Jahweh’s werktuig voor de kastijding van Israël en volbrengt zijn eigen wil, zonder dat er sprake van vernietiging voor hem is. De tweede keer in hoofdstuk 8, overstroomt hij het land, maar de vergadering van de tegen Israël verenigde volken wordt verbrijzeld en vernietigd. Dit vertrouwen op de tussenkomst van Jahweh (zonder te delen in de angst van de wereld in de laatste dagen, en evenmin in bondgenootschappen de kracht te zoeken, die de wereld erin denkt te vinden, maar zich integendeel uitsluitend op Jahweh te verlaten) is in beginsel een kostbare les voor onze dagen.

Hoofdstuk 9-12

Nadat de Geest ons de voornaamste feiten ten aanzien van de Messias, Immanuël, heeft meegedeeld, neemt Hij met hoofdstuk 9:7 de algemene geschiedenis van Israël weer op, zonder dat de Messias er speciaal in genoemd wordt, behalve dan aan het einde. Deze profetie wordt dan met hoofdstuk 12 afgesloten. Hoewel de hoogmoed van Efraïm wordt genoemd, wordt Jakob of Israël toch als één geheel beschouwd. De verschillende perioden van kastijding of van hun nood, worden in de verzen 7-11, 12-16, 17-20 en hoofdstuk 10:1-4 aangegeven. Ten slotte verschijnt de Assyriër weer als zijnde – om zo te zeggen – de roede van Jahweh. En tegelijkertijd kondigt God aan, dat, als Hij al Zijn plannen ten opzichte van Sion zal hebben verwezenlijkt (een verwezenlijking die hier niet wordt meegedeeld), Hij de roede die Hij gebruikt heeft, zal verbreken en dat Hij dan door het overblijfsel, dat op Hem zal steunen, gezocht zal worden. Dit zal het slotbedrijf zijn van het grote drama van Gods wegen met Israël. God is vastbesloten het eindoordeel over het land te brengen. Maar als aan het einde de Assyriër zijn handen zal opheffen, zal Jahweh tussenbeide komen en hem slaan.

Zijn verontwaardiging en Zijn toorn tegen Israël, die tot dat tijdstip nooit waren afgewend, zullen een einde nemen in de vernietiging van die tuchtroede, die het waagde zich te verheffen tegen Hem Die haar gebruikte. Vers 25 staat in tegenstelling tot hoofdstuk 9:11,16,20 en hoofdstuk 10:4. Sanherib is hier een type van. Maar het is een profetie van de vernietiging van de Assyriër in de laatste dagen, als de verontwaardiging tegen Israël zal ophouden.

Bijgevolg vinden we in de hoofdstukken 11-12 de aankondiging van de Messias en Zijn regering, de Bron van de duizendjarige zegening van het volk van God. De eerste verzen van hoofdstuk 11 geven ons het karakter van de Messias en vervolgens komen de gevolgen van Zijn regering.

Met hoofdstuk 12 eindigt een gedeelte van het boek Jesaja. Het onderwerp, dat met hoofdstuk 13 begint, gaat door tot aan het eind van hoofdstuk 27, dat ons opnieuw de duizendjarige regering schildert, maar dan in een ruimere sfeer, omdat het hier de wereld is waarover deze hoofdstukken handelen, terwijl de hoofdstukken 5-12 in het bijzonder op Israël betrekking hadden.

Hoofdstuk 13-27

De hoofdstukken waarmee wij ons nu gaan bezighouden, verbinden de gebeurtenissen, die toen aanstaande waren, met het einde der tijden. En hieraan moet men beslist denken als men deze hoofdstukken wil verstaan. De reden is eenvoudig. De volken worden beschouwd in hun relaties met Israël. Maar de tijd die tussen de gevangenschap van Babel en de laatste dagen ligt, wordt, wat Israël betreft, niet meegerekend. Wij hebben al genoemd de komst van de Messias, als Steen des aanstoots, die in de bijzondere tijdruimte van de zeventig weken in het boek Daniël genoemd wordt. Maar deze Schriftplaats in de profeet van de “tijden der volken” toont ons nog duidelijker dat de tijd erna, tot aan het einde, niet gerekend wordt. Zeventig weken zijn over Israël besloten, om zijn volledig herstel te brengen. Het ontzaggelijk grote tussentijdperk dat al meer dan 1900 jaar geduurd heeft, wordt volkomen buiten beschouwing gelaten 7. In de ogen van de profeet stelt Babel of juister gezegd het hoofd ervan, naast de afgodische verdorvenheid de keizerlijke (hoogste) troon van de wereld voor, in tegenstelling tot de troon van God in Jeruzalem 8. Babel zal worden omgeworpen en God zal Israël weer zegenen. Dit zal het oordeel zijn over de tegenwoordige eeuw, over de wereld. De profetie stelt het ons voor door de toen op komst zijnde verwoesting van Babel. Maar dit oordeel zal niet volledig zijn vóór de “tijd der volken” zal zijn beëindigd en Israël bevrijd. Het karakter van de koning van Babel wordt ons in hoofdstuk 14:12-13, in zeer merkwaardige bewoordingen geschilderd. De geest van Babel, die tot het bouwen van de toren had aangedreven, herleeft in Nebukadnezar zelf en in nog meer bijzondere mate in zijn laatste vertegenwoordiger, op wie deze profetie in haar volledige vervulling, betrekking heeft. Dan wordt de Assyriër in het land Kanaän vernietigd 9. En hoewel de scepter van het huis van David verbroken is, zal de Filistijn toch geoordeeld en onderworpen worden. Jahweh zal Sion grondvesten en de ellendigen van Zijn volk zullen in Hem vertrouwen. De verwoesting van Babel en daarna die van de Assyriër, ons meegedeeld in de hoofdstukken 13-14, vormen een tafereel apart, maar voor het verstaan van het geheel van de profetie toch noodzakelijk.

Maar er blijven op Israëls grondgebied, of in verbinding met dit volk, nog volken over. En het is nodig dat God over deze beschikt, wil Zijn volk genieten van de volledige zegening en van het resultaat van de beloften. Babel – een geweldig systeem – dat de plaats van de troon van David inneemt, wordt in zijn geheel gezien. De volken van wie de oordelen hier vermeld worden (hoewel gezinspeeld wordt op de toen nabij zijnde gebeurtenissen) worden beschouwd als zijnde in de laatste dagen, als God Zijn regering, troon van oordeel, weer vestigt, met het oog op het herstel van Zijn volk. Zo heeft Nebukadnezar Tyrus veroverd en Egypte onderworpen. De Assyriër heeft Damascus overwonnen en zelfs Efraïm in gevangenschap weggevoerd. En al deze gebeurtenissen waren in vergelijking met de eindtijd nabij. Maar als één geheel worden al deze feiten in verband met de laatste dagen voorgesteld. Zelfs wordt in het voorgaande hoofdstuk de vernietiging van de Assyriër na de val van de koning van Babel geplaatst. Maar historisch was Assyrië door Babel onderworpen en de geschiedenis van Sanherib had vele jaren vóór dit tijdvak plaatsgevonden. De profetie heeft echter altijd de vervulling van Gods raadsbesluiten op het oog. In het algemeen worden hier geen bijzonderheden gegeven over de werktuigen, door God gebruikt. Men vindt ze elders vermeld.

In hoofdstuk 15-16 wordt Moab geoordeeld. Hem wordt aangezegd, dat de troon van David weer zal worden opgericht en de onderdrukker uit het land van Israël verjaagd. In hoofdstuk 17 kondigt de profeet aan, dat legers, komend van het noorden, de verzamelde volken, het land zullen invallen. Damascus wordt overweldigd. Israël zal alleen nog zijn als enkele olijven in de bovenste takken van een boom. Toch zal het opzien tot Hem, Die het geschapen heeft, en de verzamelde volken zullen, als God Zijn macht openbaart, ten onder gaan. De beschrijving van deze laatste inval in Israël geeft aanleiding tot een korte, maar duidelijke profetie van zijn toestand in de laatste dagen. We vinden dat in hoofdstuk 18. Israël zal hersteld worden door een of andere machtige natie van buiten de grenzen van zijn oude en nationale relaties (de rivieren van het land Kusch, de Eufraat en de Nijl). Maar Jahweh blijft op de achtergrond, hoewel Hij alles leidt. Dan, als Israël zal beginnen uit te lopen, als een wijnstok in het land, zal het ten prooi worden overgegeven aan de volken. Niettemin zal het in die tijd als een offerande aan Jahweh gebracht worden en zal het zelf ook een offerande aan Hem brengen.

Hoofdstuk 19-20. In die dag zal Egypte geslagen worden, maar Jahweh zal het genezen. Egypte, Assyrië en Israël zullen gezamenlijk door Jahweh gezegend worden. Hoofdstuk 20 laat ons zien dat het Assyrië zal zijn, dat Egypte in gevangenschap zal wegvoeren. (Vergelijk het slot van Daniël 11). Men zal opmerken dat in het algemeen in hoofdstuk 13-17 sprake is van de bevrijding. De scepter van de boze wordt gebroken (hoofdstuk 14:5). De troon van David zal in barmhartigheid weer worden opgericht (hoofdstuk 16:5). De Assyriër wordt vernietigd, de Filistijnen onderworpen. Sion gegrondvest door Jahweh en Damascus bedwongen. Deze laatste gebeurtenis brengt het kwaad van de laatste dagen naar voren. Alleen, zoals we al hebben opgemerkt, heeft het bijeenbrengen van de volken ten doel, dat zij vernietigd worden (Micha 4:11-13). Hoofdstuk 18 neemt het onderwerp op van hoofdstuk 17 en toont ons Israël, zoals het moet zijn in zijn land in de laatste dagen. Weliswaar onderdrukt door de volken, maar daardoor uiteindelijk weer teruggebracht tot God.

De volgende hoofdstukken handelen niet over de bevrijding van Israël, zoals de voorgaande, maar over het binnentrekken van de volken die al genoemd zijn – de overvloeiende gesel. Egypte waarop Israël vertrouwd had, wordt bezet evenals Ethiopië. Babel bezwijkt; Duma en Kedar worden zo goed als vernietigd. Jeruzalem wordt geplunderd en Tyrus valt. Kortom, het is een algemene omkering, waarvan het land Kanaän het hoofdtoneel is, maar waarbij toch de gehele wereld betrokken is (hoofdstuk 24). Zelfs de machten van de hemel worden omvergeworpen, evenals de koningen van de aarde op de aarde. Hun vernietiging maakt ruimte voor de oprichting van Sion, de berg van Jahweh, als het middelpunt van de macht en zegening; terwijl de macht van de slang, de draak die in de zee is, vernietigd is.

Na deze samenvatting is het goed, om op enkele bijzonderheden te letten. Men zal opgemerkt hebben dat Babel en Jeruzalem vallen, de één na de ander (hoofdstuk 21-22), en dat Jeruzalem als laatste valt. Nu, het is volkomen duidelijk, dat deze volgorde in de gebeurtenissen toekomstig is. Wat van Babel en van Jeruzalem gezegd wordt, mag zijn aanleiding gevonden hebben in het feit, dat Babylon door Cyrus ingenomen werd en gedeeltelijk ook in de toestand van Jeruzalem, toen het bedreigd werd door Sanherib. Maar er was niet dezelfde volgorde, noch hetzelfde verband in de gebeurtenissen, zoals in onze profetie. Nu wordt Babylon op een wijze genoemd die ons volkomen in het onzekere laat over zijn toestand, want “woestijn van de zee” is wel een zeer bijzondere omschrijving van een stad. Maar een verschrikkelijke inval in het land staat de profeet voor ogen en Babel valt. De inval komt als een wervelwind van het zuiden en de macht van Babel eindigt, zonder dat men weet hoe.

Jeruzalem, het dal van het gezicht, wordt geplunderd. De Meden en Perzen, in het voorgaande hoofdstuk aangeduid als de bewerkers van de inval, worden hier gezien als degenen, die Jeruzalem vernederen. Buiten de stad zijn er geen gevechten, maar de stad wordt genomen en haar bewoners worden binnen haar muren gehouden of gedood. Er is in dit hoofdstuk, behalve de profetische openbaringen, een morele les van het grootste belang. In de eerste plaats is al de wijsheid van de mens niet in staat om aan het kwaad het hoofd te bieden, als ze niet verbonden is met de macht van God. Als het gaat om de stad van God, is deze wijsheid, die wordt aangewend, terwijl Hij, Die de stad van Zijn heiligheid gebouwd en gegrondvest heeft, vergeten wordt, een niet te vergeven zonde (hoofdstuk 22:11). Wat hier verteld wordt, is historisch gedaan door Hizkia, van wie gezegd wordt, dat hij voorspoedig was in al zijn werken. Uiterlijke zegening begeleidt inderdaad zijn werken, maar tegelijkertijd was de innerlijke gesteldheid van het volk, zelfs ten aanzien van deze werken, zodanig, dat God het niet kon vergeven. Dit gebeurt dikwijls. We zien dan uiterlijk geloof, dat het werk van God doet, en dat van Zijn kant ook gezegend wordt. Maar daarbij is er in de toestand van het hart verderf in wat men doet (wat God zeker zal oordelen) en wordt God Zelf en elke betrekking met Hem vergeten. Dit vindt plaats, als het volk van God op menselijke middelen vertrouwt. Ook ziet men hier nog, dat hij die, menselijk gesproken, een verzekerde plaats had in de regering van het huis van David, met schande terzijde wordt gesteld, en dat de uitverkorene van God in zijn plaats gesteld wordt, terwijl aan deze alle eer en heerlijkheid wordt gegeven. Dit is een opmerkelijk beeld van de verwerping van de valse Christus en de bevestiging van de Ware in de laatste dagen. Deze profetie brengt ons ertoe een aanval van de volken tegen Jeruzalem te veronderstellen op het tijdstip dat Babel – uit historisch oogpunt – slechts een woestijn zal zijn. Wat het Babel van die dagen zal zijn, zal vallen. Jeruzalem – het voorwerp van de profetieën – zal echter ingenomen worden; zijn regering veranderd, en de overweldiger zal zijn plaats moeten afstaan aan de uitverkorene van God.

Hoofdstuk 23. De last van Tyrus, in hoofdstuk 23, doet ons al de hoogmoed van de menselijke glorie zien en ook hoe de aanzienlijken van de aarde te schande en verachtelijk gemaakt worden. Aanleiding tot deze profetie is de inneming van Tyrus, door Nebukadnezar, maar de profetie heeft nog een grotere draagwijdte; zij gaat tot aan de dagen dat de koopwaren van Tyrus Jahweh heilig zullen zijn (hoofdstuk 23).

Hoofdstuk 24 toont ons, hoe alle dingen op de aarde worden omgekeerd. Het land van Israël wordt op de voorgrond geplaatst. Maar op deze plaats zullen de onderdelen van al de systemen van deze wereld bijeengebracht en geoordeeld worden. Wij hebben al opgemerkt dat dit alles zich uitstrekt tot zelfs de gerechtelijke omverwerping van de geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten, en ook tot die van de aardse koningen op de aarde. De volgende hoofdstukken tonen ons met welk doel deze oordelen zullen plaatsvinden. Het kwaad zal alleen door middel van deze oordelen verwijderd of tegengehouden kunnen worden. Daarom wordt tijdens de intocht van Christus in Jeruzalem, volgens Lukas, gezegd: “In [de] hemel vrede”. Want zolang de macht van het kwaad niet terzijde is gesteld, wordt elke zegening die op de aarde gevestigd is, spoedig verdorven en verwelkt.

Maar laten we, voordat we dit bestuderen, de voorwerpen van het oordeel, waarvan we zojuist hebben gesproken, trachten te schetsen. En dit willen we dan doen in hun morele volgorde. Eerst hebben wij Babel, de macht van de georganiseerde verdorvenheid, waar het volk van God gevangen is. Dan de Assyriër, de openlijke en verklaarde vijand van God en Zijn volk. Daarna de Filistijn, de vijand van binnen. Vervolgens Moab, die het beeld is van menselijke hoogmoed. Damascus is dat, wat de vijand van Gods volk was, maar verbonden met het afvallige gedeelte van dit volk, tegen het getrouwe deel. Van al deze vijanden wordt het volk bevrijd. Hierna zien we Egypte onder het oordeel: de wereld in haar natuurlijke toestand, waarvan de wijsheid in de verwarring verloren is gegaan; Babel, dat nu te midden van de volken een woestijn is; Duma, of de vrijheid, de onafhankelijkheid, van de mens; Jeruzalem, het belijdende volk (het volk met een uiterlijke belijdenis); dan Tyrus, de heerlijkheid van de wereld; en ten slotte alles wat op de aarde is en, als samenvatting van alle macht, de geestelijke boosheden in de hemelse gewesten en de koningen van de aarde op de aarde.

Hoofdstuk 25. De hoofdstukken 25 en 26 hebben de vorm van een gezang, dat het gevolg van het Goddelijk ingrijpen bezingt. Laten wij nog op de hoofdpunten letten. God is getrouw, Hij volvoert Zijn raadsbesluiten. Door Zijn macht heeft Hij de stad van de menselijke hoogmoed tot niets verlaagd. De gehele sterke organisatie van de hoogmoed van de mens is vernietigd. God was de kracht van de armen van Zijn volk op de dag van hun ellende, en de macht van de vijand is neergeworpen. Hij zal in Sion gerechtigheid doen voor al de volken. Hij zal de sluier, die op hun hart is, wegnemen. De opstanding van de getrouwen zal plaatsvinden. Ik zeg “getrouwen”, want de dood is verslonden in de overwinning. Overigens past 1 Korinthe 15 dit in deze zin toe. De schande die aan het volk van God, aan Israël, kleefde, zal volkomen worden weggedaan. In de verzen 9-12 viert het overblijfsel zijn bevrijding. Het heeft op God gewacht en de macht van Jahweh zal nu in zijn voordeel worden ontplooid. Moab, de hoogmoedige buurman van Jakob, zal worden onderworpen 10.

Hoofdstuk 26. In hoofdstuk 26 bezingt het overblijfsel het karakter van deze bevrijding. Het bezit een sterke stad, maar het heil van God is haar bolwerk. De kracht van de mens heeft hier geen plaats; de voet van de ellendige zal de verheven stad vertreden. Het is het oordeel, dat de rechtvaardige God Zelf uitvoert. Het overblijfsel heeft op Hem, in de wegen van Zijn oordelen gewacht. De lankmoedigheid van de genade was nutteloos geweest. Pas als de oordelen van God op de aarde11 zullen zijn, zullen de bewoners van de wereld leren wat gerechtigheid is. Zelfs als de hand van Jahweh opgeheven was om te slaan, zagen zij niets. Maar er zal een dag komen, dat zij de gerechtigheid, ondanks henzelf, zullen zien en zij zullen beschaamd worden. Het vuur van Jahweh’s ijver zal hen verteren en zij zullen niet meer opstaan. Maar Israël zal zijn als uit de dood opgestaan door de macht van Jahweh.

Ten slotte nodigt Jahweh Zijn volk uit zich een kort ogenblik te verbergen, als Hij Zijn plaats zal verlaten om wraak uit te oefenen (hoofdstuk 27). De macht van satan in deze wereld en onder de mensen zal worden vernietigd. Israël zal worden bewaard en bevochtigd als de wijngaard van Jahweh. Hij had Israël geslagen, maar alleen met mate. Toch zal het volk volkomen worden geoordeeld. En dan zal Jahweh Zijn verstrooide kinderen, één voor één, bijeenvergaderen.

Hoofdstuk 28

In de volgende hoofdstukken worden de bijzonderheden gegeven van wat Israël in zijn land zal overkomen, bij de inval van de volken in de laatste dagen, waarvan we tot nu toe alleen een algemeen beeld en de gevolgen hebben gezien. Wij vinden er een volmaakte en glorierijke bevrijding van het overblijfsel, te midden van de meest verschrikkelijke oordelen.

Hoofdstuk 28 toont ons de eerste delen van de slottonelen uit de geschiedenis van dit wonderbaarlijke volk. De gesel komt uit het noorden. Efraïm wordt overstroomd als door een stortvloed, als door een hagelbui, die slaat en tegelijkertijd vernielt. Het wordt onder de voeten vertreden. Maar in die dag zal Jahweh een kroon van heerlijkheid zijn voor het overblijfsel van Zijn volk. Het volk, dat moreel afgestompt is, luistert niet. Dan komt het vonnis van Jahweh, dat uitgesproken wordt, als Hij Zich tot Jeruzalem wendt. Daar had het volk met de dood en de macht van de duisternis 12 een verbond gesloten om aan de overvloeiende gesel te ontkomen. Maar het verbond zal worden tenietgedaan. De gesel zal het volk treffen. Het zal worden vertreden en geslagen door de verschrikkelijke roede van de kastijding. Hier wordt ons dus geopenbaard, dat, als Efraïm bezocht wordt door deze verschrikkelijke gesel, de oversten van Jeruzalem zich ervan zullen trachten te vrijwaren, door een verbond te sluiten met de macht van het kwaad. Maar dit zal tot niets leiden; de wateren zullen het toevluchtsoord van de leugen overstromen en wegvagen. Jeruzalem zal, zoals Efraïm, de gevolgen van de aanval van de vijand ondergaan. Maar de Messias is de uitverkoren hoeksteen, het veilige fundament voor het overblijfsel. Hij die in Hem gelooft zal niet beschaamd worden. Efraïm wordt dus bezet en Jeruzalem ingenomen. Van de kant van Jahweh is er een vastbesloten 13 verdelging, die over het gehele land zal komen.

Hoofdstuk 29-39

Hoofdstuk 29. In hoofdstuk 29 wordt Jeruzalem tot in de diepste nood teruggebracht. Maar deze keer verschijnt Jahweh om het te bevrijden en de menigte van zijn vijanden verdwijnt als een droom in de nacht. Alles is duister en donker te midden van het volk. Alles is, in moreel opzicht, omvergeworpen en weldra zal God alles door Zijn macht omverwerpen en het woud veranderen in Karmel, dat wil zeggen in een vruchtbaar veld. Jakob zal niet meer zwak en kwijnend zijn. De zachtmoedige zal gezegend worden en de dove zal het Woord horen. Maar de gewelddadige en de godslasteraar zal van het aangezicht van Jahweh weggedaan worden. Er zijn dus twee delen in deze geschiedenis, twee verschillende aanvallen. De eerste tegen Efraïm en tegen Jeruzalem gelukt. De tweede gelukt echter niet. Jeruzalem is diep vernederd, maar Jahweh verschijnt en het wordt bevrijd. De spottende geest en het ongeloof worden ons in hoofdstuk 28 getoond; de geest van verblinding in hoofdstuk 29.

De uitwerking van het ongeloof wordt in hoofdstuk 30 geopenbaard. Het volk vertrouwt op de mens in overeenstemming met de wijsheid van de mens. Ze zien naar Egypte om hulp, maar tevergeefs. Door dit verachten van Jahweh, waarbij men hardnekkig weigert naar Hem te luisteren, als Hij Zijn volk wil bewegen in stilheid op Hem te vertrouwen, wordt het aantal van zijn ongerechtigheden nog groter. God laat dus toe, dat al dit kwaad zijn hoogtepunt bereikt, maar toch met de bedoeling een vrije weg aan Zijn genade te geven. Vers 18 is een wonderbaarlijk getuigenis van de wegen van Jahweh. Hij heeft gewacht tot de kastijding volkomen was uitgevoerd opdat Hij Zijn volk in alleen maar volmaakte genade kon tegemoet treden. Genade en heerlijkheid zullen overvloeien, als Jahweh de breuk van Zijn volk zal herstellen en zijn wonde verbinden. Het einde van het hoofdstuk deelt ons mee, hoe Jahweh ingrijpt tegen het laatste werktuig van Zijn kastijdingen, de roede van hoofdstuk 10.

De Assyriër wordt vernietigd en daar waar de stok op hem zou vallen, is er niets anders dan een overwinningslied. Maar Tofeth, het vuur van Jahweh, is ook voor een ander bereid, namelijk voor de koning. Hij die zich deze naam in Israël aangematigd heeft, wordt eveneens door de grimmigheid van Jahweh verteerd.

Hoofdstuk 31. In hoofdstuk 31 toont de profeet opnieuw aan, hoe dwaas het is op de arm van het vlees te steunen. Hij beveelt vooral het ware middel aan om bevrijd te worden, namelijk Jahweh, Die Zijn macht voor de ogen van Jeruzalem zal ontplooien. Jahweh zal in het midden van de volken zijn, als een leeuw in het midden van de herders en zal Zijn stad beschermen door boven haar te zweven als vogels die hun vleugels uitbreiden. Zijn tegenwoordigheid zal de Assyriër omverwerpen en op de vlucht doen slaan, want Zijn vuur zal in Sion zijn en Zijn oven in Jeruzalem.

Hoofdstuk 32. Dan zal de Messias in gerechtigheid regeren en in moreel opzicht alles in orde brengen. Sion zal inderdaad een woestijn zijn, totdat de Geest uit de hoogte zal zijn uitgestort, en dan zal het een Karmel worden. Wat vroeger doorging voor een Karmel (vruchtbaar veld), zal in vergelijking met haar niets meer dan een woestijn zijn. De gerechtigheid zal in alle plaatsen zijn, met de vrede – de vrucht van de gerechtigheid – als de hagel zal vallen op de hoogten, die geen vrucht dragen, en als de stad – de organisatie van de menselijke hoogmoed – volkomen zal zijn vernederd. Het lijkt me dat het laatste vers van de gelukzaligheid spreekt van de volkomen aardse vrede.

Hoofdstuk 33. De hoofdstukken 33-34 kondigen de twee grote slotbedrijven van het oordeel aan. Op hetzelfde ogenblik, dat God Zich in Sion vestigt en het met gerechtigheid vervult, trekt een laatste en machtige vijand op (dezelfde, naar ik geloof, als de Gog uit Ezechiël 38-39), om het land te plunderen. Maar er zijn nog getrouwen, die op Jahweh wachten. Jahweh verheft Zich en de vijand wordt op de vlucht geslagen. Dan verzamelt Israël de buit van hem, die hen dacht te plunderen. In de verzen 14 en 15 wordt het getrouwe overblijfsel onderscheiden van de rest van het volk. De Messias openbaart Zich in Zijn schoonheid. Alles is vrede, nadat de vijand vernietigd is. De meest verwijderde delen van het land staan nu open voor de bewoners van Sion, dat in zekerheid gevestigd is tot in eeuwigheid.

Hoofdstuk 34 openbaart het verschrikkelijke oordeel, dat neerkomt op de andere volken in het land van Edom (vergelijk hoofdstuk 63; Psalm 83 en het boek Obadja). Hier worden zij, die Sion verdrukt hebben, geslagen. God neemt wraak op de onderdrukkers. De Edomiet wordt in het bijzonder getroffen. Maar tegelijkertijd gaan op zijn grondgebied alle vijanden van Israël die zich met hem verbonden hadden (de legers van de volken, die zich tegen Jeruzalem hadden verzameld) door het oordeel van Jahweh ten onder.

Hoofdstuk 35 toont ons het tafereel van de zegening die op het oordeel volgt. De zegening strekt zich zelfs uit tot de woestijn, waarvan de bloeiende toestand afhangt van de zegening waarvan Israël het voorwerp zal zijn. De vrijgekochten van Jahweh zullen, in alle veiligheid met blijdschap naar Sion optrekken. Alle rouw zal voor altijd ophouden.

Hoofdstuk 36-39 bevatten het historische relaas van de inval door Sanherib, de gevolgen ervan en de dodelijke ziekte van Hizkia, gevolgd door zijn genezing. Deze geschiedenis is voor het overblijfsel een les, opdat het weet hoe het op Jahweh moet vertrouwen, omdat de bevrijding van Jeruzalem een beeld is van de verlossing van de Assyriër in de laatste dagen. De ziekte van Hizkia geeft ons het beeld van de Zoon van David als opgestaan uit de doden. En eveneens dat van de macht van Christus, die tot vervulling komt in een Israël, dat in zedelijk opzicht ook uit de doden zal opstaan, terwijl al zijn zonden hem vergeven zijn. Dit is de uiterlijke en innerlijke bevrijding van het volk: opstanding (wat haar praktische kracht betreft); en verlossing van de Assyriër. Inmiddels wordt de gevangenschap van Juda in Babel aangekondigd.

Hoofdstuk 40

Tot nu toe ging het meer over de uiterlijke geschiedenis van Israël. Nu krijgen we zijn morele, innerlijke geschiedenis, in zijn positie als getuige tegen de afgodendienst en in zijn relaties met Christus. Ook ziet men de afzondering van een overblijfsel.14

Het eerste gedeelte van wat men het tweede boek van Jesaja zou kunnen noemen, strekt zich uit van hoofdstuk 40 tot aan het slot van hoofdstuk 48. Hierin wordt betrekkelijk weinig gesproken van de Messias. Het is meer de grote kwestie tussen Jahweh en de afgoden, die in de eerste plaats wordt beantwoord door het succes van Cyrus en de inneming van Babel. Want Jahweh en Zijn Gezalfde zijn er, al kan men de heerlijkheid van de een niet scheiden van de heerlijkheid van de ander. Dit wordt in genade en op een duidelijke wijze verbonden met de bevrijding van Israël – de getuige van God op de aarde – hoe onwaardig Israël ook was om dit te zijn. Tegelijkertijd lieten deze wegen van God zien, dat er voor de bozen in Israël geen vrede was. Deze grote waarheid wordt twee keer herhaald en toegepast op de twee grote geschillen, die God had met Israël (48:22 en 57:21).

Laten wij om deze waarheden duidelijk in het licht te stellen nog op enige bijzonderheden wijzen. De eerste acht verzen van hoofdstuk 40 brengen op zeer merkwaardige wijze de beginselen waarnaar God handelt tot uitdrukking: de genade die uit Zijn eigen hart voortvloeit wanneer de kastijdingen ten volle zullen zijn toegediend. God wil Zijn volk troosten en spreekt tot het hart van Jeruzalem, door haar te vertellen dat de strijd voleindigd is. De heraut kondigt de komst aan van Jahweh. Het gaat hier om de bevrijding van Zijn volk, die Hij tot stand brengt, en niet om Zijn verwerping. Dit laatste wordt later behandeld in de hoofdstukken 51 en 53. Maar wat moet de profeet ten opzichte van het volk zeggen? Alle vlees is als gras! Als alle vlees de heerlijkheid van Jahweh moet zien, als Hij in wraak met alle vlees richt, dan moet het getuigenis ook met deze waarheid beginnen. Alle vlees is als gras! Jahweh blaast erover! Is dit alleen zo ten aanzien van de volken? Nee, het volk is gras. En hiermee moet men beginnen om troost te ontvangen. Het gras verdort en waarop zal men dan steunen? God heeft gesproken: Het Woord van onze God (zegt het geloof van het overblijfsel, zegt de Geest van de profetie) blijft tot in eeuwigheid. Dan komt het profetische getuigenis van het gelukkige Sion, dat bevrijd is, een getuigenis dat aan de steden van Juda de tegenwoordigheid van Jahweh, de Redder verkondigt, Wiens zorgen op roerende wijze worden beschreven. Tot vers 26 wordt de Goddelijke heerlijkheid van Zijn Majesteit tegenover de afgoden gesteld. Dan eist God rekenschap van Israël, wegens diens ongeloof. Hij, Die Jahweh is, wordt nooit moe. Zijn kracht begeeft Hem nooit. De diepten van Zijn wijsheid kunnen niet doorgrond worden. Maar zij die op Hem vertrouwen, zullen hun kracht vernieuwen en niet moe worden.

Hoofdstuk 41-49

Hoofdstuk 41. Dit hoofdstuk begint met de geschiedkundige bijzonderheden die de bewijzen zijn van deze mededelingen. Wie heeft Cyrus verwekt om de afgodendienst omver te werpen? Maar te midden van de verwoestingen, die door Cyrus zijn veroorzaakt, is Israël de uitverkoren dienstknecht van God, het zaad (nageslacht) van Abraham 15. (Deze titel van “dienstknecht” verschaft ons overigens de sleutel tot de rest van dit boek). Israël hoeft niet te vrezen. God zal het ondersteunen en zij, die zich tegen Hem verzetten, zullen ten onder gaan. De God van Israël zal naar Zijn armen horen en hun nood lenigen. De afgodische volken, zonder enige kennis, weten niets van wat God ten oordeel en voor de bevrijding van Zijn volk zal gaan doen.

Maar hoewel Cyrus het werktuig van Jahweh is om Zijn oordelen uit te voeren en Zijn volk te bevrijden, is de opdracht die hem is toevertrouwd maar een gedeeltelijke taak en van voorbijgaande aard.

Hoofdstuk 42. Maar wat nog belangrijker is, er is een dienstknecht van God, Zijn Uitverkorene, Die in nederigheid zal komen en zonder enige aanmatiging. Maar die niet moe of moedeloos zal worden, totdat Hij het oordeel over de aarde heeft doen komen. En de eilanden van de volken zullen Zijn heerschappij erkennen (hoofdstuk 42). Dit getuigenis was noodzakelijk en stelt door de genade en het onveranderlijk voornemen van God de zegening van Israël zeker. Maar dit is alles wat in dit gedeelte van de profetie van de Messias wordt gezegd. Het gevolg van dit werk van de Messias is, dat Jahweh verheerlijkt wordt en, inderdaad, Hij alleen zal tot aan de einden van de aarde verheerlijkt worden. Bij de openbaring van deze heerlijkheid zal Hij, Die zo’n lange tijd heeft gezwegen, het blind en doof geworden Israël, dat Zijn wegen niet heeft verstaan, bevrijden. Hij zal Zijn wet verheerlijken. Maar waarom is dan het volk beroofd en geplunderd? Jahweh heeft hen wegens hun ongehoorzaamheid aan dit alles overgeleverd.

Hoofdstuk 43. Maar nu bevrijdt Hij het volk en redt het. Hij heeft het volk tot Zijn heerlijkheid geschapen. De blinde heeft ogen en de dove oren. Ze zijn getuigen dat Jahweh alleen God is. De oordelen over Babel, het begin en het beeld van de aardse oordelen, die God aan het einde zal uitvoeren, zijn er een bewijs van. Hij heeft dit volk voor Zichzelf geformeerd, maar het was hun God moe geworden en had Hem – om zo te zeggen – door zijn zonden dienstbaar gemaakt. Maar nu, nu vergeeft Hij – tot Zijn eigen heerlijkheid – het volk alles. Een glorierijk en treffend getuigenis van Hem, Die in genade tegenover de zondaar, als de zonde onverdraaglijk wordt, de zonde wegneemt in plaats van de zondaar af te snijden! Dat is het wat God door Christus gedaan heeft.

Hoofdstuk 44. In dit hoofdstuk spreekt Jahweh vervolgens met Zijn volk, dat Hij van de moederschoot af geformeerd heeft, bemoedigt het en belooft het Zijn Geest. Hun kinderen zullen uitspruiten als wilgen langs de waterbeken. Zij zullen getuigen zijn van Hem, Jahweh, de Koning van Israël, en hun Verlosser. Hij laat het volk de dwaasheid van de afgodendienst zien en herinnert hen eraan, dat het Zijn dienstknecht is, die Hij niet zal vergeten en verzekert het van de volkomen vergeving van al hun zonden. Dit zegt Jahweh, Hij, Die over alles beschikt en Cyrus bij zijn naam roept om Jeruzalem weer op te bouwen.

Hoofdstuk 45 gaat verder in op dezelfde onderwerpen en legt de nadruk op de eindbevrijding van Israël, waarvan de gevolgen nooit tenietgedaan zullen worden.

Hoofdstukken 46-47 maken van Israëls bevrijding een bijzondere toepassing op Babel en zijn afgoden, maar nog altijd als pleitend voor Israël, het beminde volk van God. Want een oordeel, door Gods regering uitgevoerd, betekent altijd de bevrijding van de geliefde rechtvaardigen. Babel met al zijn trots en afgoden, zal worden vernederd en tot in het stof verlaagd.

Hoofdstuk 48,

hier pleit Jahweh met Israël. Hij duidt Israël in het bijzonder aan met zijn naam, waaronder het in betrekking stond met Hem, Jahweh, en die gedragen en opgeëist wordt door hen, met wie Hij spreekt. Maar Hij wijst er tegelijkertijd op, dat zij afstammelingen waren van Juda. In één woord, God wendt Zich hier tot de Joden, die de plaats van Israël innamen en de naam van de God van Israël aanriepen maar Hij werpt hen hun boosheid en halsstarrigheid voor de voeten. Hij had hun al lang tevoren veel dingen aangekondigd. Hij had hun dingen bekendgemaakt die nooit geopenbaard waren, opdat zij zouden weten, dat Jahweh God was. Maar zij hadden niet geluisterd; ze verstonden niet. Toch zou Jahweh hen ter ere van Zijn Naam niet afsnijden. Maar Hij zou hen louteren als zilver. Hij herinnert hen op een treffende wijze aan de zegening, waarvan zij genoten zouden hebben, als zij Zijn geboden bewaard hadden. Niettemin wordt het zelfs nu aan hen verkondigd, dat Jahweh Zijn volk verlost heeft. Maar de goddelozen hebben geen vrede. Deze aanhoudende pleitrede tegen de afgodendienst doet ons geloven (hoewel zij voor die tijd een onderwijzend karakter had) dat de vraag of Israël als getuige tegen de afgoderij zal optreden, of eraan zal deelnemen, tot aan het einde toe een belangrijke plaats zal innemen. Want de regering van de wereld is een zeer belangrijk vraagstuk. De god van deze wereld regeert door afgoden, maar Jahweh door Zijn eigen Naam. Israël had Zijn getuige moeten zijn, maar zal ontrouw aan Hem zijn in de laatste dagen. Dat is de reden, waarom hier zoveel over dit onderwerp gesproken wordt.

Hoofdstuk 49. Dan verschijnt de Messias, want Hij is Degene Die bevrijdt. Maar in zeker opzicht staat dit op zichzelf. Het onderwerp van Christus en de schuld van het volk met betrekking tot Hem begint met hoofdstuk 49 en wordt als één geheel voortgezet tot aan het eind van hoofdstuk 57. Christus vervangt, als men het zo mag zeggen, Israël als de ware Dienstknecht van God, zoals Hij gezegd heeft: “Ik ben de ware wijnstok”16. Deze plaatsvervanging geeft aanleiding tot een schijnbare moeilijkheid, maar zij geeft de ware betekenis van hoofdstuk 49 weer. Israël is het vat van de heerlijkheid van God op aarde, en de Geest van de profetie in Israël (die zo door Jahweh uitverkoren is), roept tot de kustlanden van de volken om te horen. “U bent Mijn Knecht, Israël, in Wie Ik Mij zal verheerlijken” (vers 3). Dan zegt Christus door dezelfde profetische Geest: “Voor niets heb Ik Mij vermoeid”. Want wij weten dat Israël Hem niet gewild heeft. Vers 5 bevat het antwoord: “Gij zult verheerlijkt worden”. Het zou een te geringe zaak zijn geweest het overblijfsel van Israël weer op te richten: U zult het heil van Jahweh zijn tot aan het einde van de aarde.

Hier vinden we een beginsel, dat toepasselijk is op het werk van Christus, zelfs in de dagen van het evangelie. Maar wat de vervulling van de raadsbesluiten van God betreft, brengen ons de verzen die volgen tot aan het duizendjarig rijk. In vers 7 wordt Christus verheven; in vers 8 wordt Hij tot een verbond van het volk (Israël) gesteld, en Hij verzekert het herstel van het land Kanaän en het lang verwoeste erfdeel. Dan komt de bevrijding van de gevangenen. En ten slotte troost God Zijn volk. Sion dat vergeten schijnt, moet erkennen, dat de getrouwheid van Jahweh groter is dan die van een moeder voor haar zuigeling. Zij die Sion hebben verwoest zijn er niet meer. Haar kinderen komen in menigte om de woeste plaatsen te vullen, die een ongedacht groot aantal kinderen voor de ogen van de zo lang eenzame en beroofde moeder doen uitstromen. Koningen zullen haar voedstervaders zijn en zich voor haar neerbuigen. En hoewel zij de gevangene van de machtige tegenstanders is geweest, zij zal bevrijd worden. Haar onderdrukkers zullen onder haar voeten vertreden worden. En alle vlees zal weten, dat Jahweh de Redder van Sion is. Dit is het resultaat in genade van de komst van de ware Dienstknecht.

Hoofdstuk 50

Hoofdstuk 50 geeft ons de bijzonderheden van het oordeel, dat God over Israël brengt en de ware oorzaak van Zijn verwerping 17. Niets is treffender, niets wonderbaarlijker dan de wijze, waarop de Persoon en de eerste komst van de Heer ons getoond worden in dit merkwaardige hoofdstuk, dat geen uitlegging vraagt, maar wel een grondige studie door een aan God toegewijd hart. Jahweh, Die naar Zijn welgevallen over de hemelen en de aarde beschikt, heeft geleerd op het juiste moment een Woord te spreken tot hem die door het kwaad terneergedrukt is, door Zelf de plaats van de vernedering in te nemen. De mens heeft (wat een droevige en verschrikkelijke waarheid!) deze gelegenheid aangegrepen om Hem te smaden en te honen. Niemand heeft Hem gewild. Het hart staat voor zo’n waarheid stil en oordeelt zichzelf. Maar – God zij dank – smelt het ook spoedig bij zo’n liefde, die aanleiding gevonden heeft om de mens in de volmaaktheid van Godzelf (en in die van de mens naar de Goddelijke raadsbesluiten) in te voeren, en zich tegelijkertijd aan alle behoeften van Zijn schepsel aan te passen, om hem zo te laten voelen, dat Hij al zijn noden ervaren heeft. Maar van welke aard de beproevingen en de smarten, die met zo’n dienst gepaard gingen, ook geweest mogen zijn, de Mens Christus vertrouwde in alle dingen op God en is niet teruggedeinsd.

Profetisch gezien is dus de oorzaak van de verwerping van Israël, of meer in het bijzonder die van Juda, deze: Jahweh was gekomen, maar er was niemand. Tegelijkertijd vinden wij, geholpen door het Nieuwe Testament, de plaats van de christen op de meest duidelijke en treffende wijze aangegeven. Het is de plaats van Christus Zelf. Wat Christus hier zegt, neemt de apostel over en legt het in de mond van de gelovige (Romeinen 8:33-34) 18. De gelovige wordt met Jezus in Zijn positie voor God vereenzelvigd. God heeft immers (zo oordeelt het geloof) Hem erkend, Die door het volk verworpen is, waardoor dit God, om zo te zeggen, gedwongen heeft het een scheidbrief te geven. En dit is het waardoor het overblijfsel wordt onderscheiden – een nieuw en belangrijk beginsel – het hoort naar de stem van de Dienstknecht, van de Messias, het profetische Woord. Wij hebben al gezien hoe de Gemeente in de Persoon van Christus Zelf verborgen is. Maar hier wordt het getrouwe overblijfsel van Israël in de laatste dagen voor onze aandacht gebracht (vers 10). De anderen, die de redding in zichzelf willen zoeken, dat wil zeggen in de mens en in het vlees, zullen in het ongeluk terneerliggen.

Hoofdstuk 51-52

De toepassing van wat zojuist gezegd is, wordt in hoofdstuk 51-52:12 gevonden, en wel voor het overblijfsel van Israël. Met vers 13 begint een nieuw gedeelte van de profetie. Het overblijfsel in de laatste dagen wordt opgewekt om vertrouwen te hebben. Zij, die de gerechtigheid zoeken, vormen slechts een kleine groep. Maar God had Abraham alleen geroepen en heeft hem weten te zegenen en te vermenigvuldigen. Hij kan dus op dezelfde wijze ten opzichte van het overblijfsel handelen. Vergelijk Ezechiël 33:24, waar men ziet op welke manier vleselijk vertrouwen, wandelend in ongerechtigheid, tot hun eigen verderf het Goddelijk geloof kan nabootsen. Jahweh zal Sion vertroosten. In vers 4 vinden wij de tweede opwekking. Het overblijfsel wordt erkend als het volk van Jahweh. De gerechtigheid van Jahweh is nabij. Het heil en de verlossing waren al uit Hem voortgekomen, en zullen voor altijd blijven. In vers 7 zien we een verdere stap. Ze zijn een volk, dat de gerechtigheid kent en de wet in zijn hart heeft. Het wordt opgewekt niet te vrezen voor de mensen die door het oordeel van God verteerd worden. Maar Zijn gerechtigheid en Zijn heil zullen eeuwig zijn. Het overblijfsel dat zo zijn plaats ontvangt, wordt door de Geest van de profetie geopenbaard, als door Jahweh erkend. Deze zelfde Geest spreekt door de mond van het overblijfsel om de bemiddeling van Jahweh’s macht in te roepen (vers 9) en Zijn volmaakte goedheid en het verzekerd heil van Zijn verlosten, alsmede het herstel van Sion in eeuwige blijdschap, af te smeken. Als het overblijfsel eenmaal aangemoedigd is, wendt de Geest Zich tot Sion. En evenals het “ontwaak, ontwaak” gericht was tot de arm van Jahweh, wordt dit geroep nu tot Sion zelf gericht; tot Sion, dat verdrukt en onder de voeten van de vreemden vertreden is. Alsof het Sion was en niet de Heer, die moest ontwaken, want het heil is immers al aanwezig. De beker moet nu geleegd worden door hen, die Sion hebben verdrukt. Ten slotte wordt het geroep van “ontwaak, ontwaak” nog één keer tot Sion gericht, zodat het zich weer zou oprichten en met kracht en heerlijkheid zou bekleden. Want Jahweh heeft Zijn heilige arm ontbloot voor het aangezicht van alle volken, en alle einden der aarde zullen de bevrijding van de God van Israël zien.

Deze drievoudige herhaling van “hoort, luistert” in de verzen 1,4,7 gevolgd door het driemaal “ontwaak, ontwaak” zijn heel mooi. Hoofdstuk 52:11-12 tonen aan, dat in die dagen Israël in gevangenschap zal zijn onder de afvallige volkeren, zoals in de dagen van Babel. Vers 13 is nauw verbonden met wat eraan voorafgaat. Het is de positie van Christus in die tijden van heerlijkheid en van bevrijding door Jahweh gewerkt. Toch kan men dit vers ook los van het voorgaande, als begin van een nieuw onderwerp beschouwen, omdat het één geheel vormt met betrekking tot de Heer Jezus Zelf. Christus zal in die dagen hoog verheven worden. Maar wat is Zijn positie geweest? Daarover spreekt de Geest van de profetie uitvoerig. De koningen zullen verbaasd zijn over Zijn heerlijkheid; over de heerlijkheid van Hem, Wiens aangezicht meer verdorven (misvormd) is geweest, dan van elk ander mens.

Hoofdstuk 53

In hoofdstuk 53 wordt het ongeloof van Israël meegedeeld. De opbouw van dit uiterst belangrijke hoofdstuk is als volgt. Zoals we in de psalmen en in andere Schriftplaatsen gezien hebben, komt het volle berouw van Israël na zijn bevrijding, dat wil zeggen, nadat hun tuchtiging in het oordeel van Jahweh zal zijn voleindigd. De glorierijke openbaring van Christus als zijn Bevrijder, brengt een diep gevoel teweeg van de zonde die het bedreef toen het Christus heeft verworpen. Dit is het onderwerp van Psalm 130. Het is de droefheid van de Grote Verzoendag. Deze droefheid wordt door hoofdstuk 53 tot uitdrukking gebracht. Van het tweede vers af spreekt de Geest door de mond van het overblijfsel van de ontkomenen van Israël. Zij belijden hun zonde dat zij Christus hebben veracht. Maar zij brengen tegelijkertijd ook hun geloof in de krachtdadigheid van Zijn werk tot uitdrukking (vers 5). Het eerste vers laat ons zien, dat het getuigenis van Christus, tot het geloof gericht, verworpen was. Zij geloven als zij Hem zien.

Het is niet nodig, dat ik dit hoofdstuk, dat in het hart van elke ware christen gegrift is, ga verklaren. Wij zijn – door het werk van de Heilige Geest, Die van de hemel werd gezonden – vooruitgelopen, ja, zelfs meer dan vooruitgelopen op het geloof van het overblijfsel in de waarde van het werk, waarvan hier wordt gesproken, en ook in de belijdenis van hun zonde, die zij hier erkennen, voor zover deze zonde het volk betreft. Zij achtten Hem geslagen en door God verworpen, maar nu hebben ze de betekenis van dit lijden verstaan. Ik denk dat in vers 11 de twee zijden van het werk van Christus onderscheiden worden:

  1. Door Zijn kennis zal Hij de velen, dat is allen die met Hem in verbinding staan, rechtvaardig maken of onderwijzen in de gerechtigheid.
  2. Hij zal hun ongerechtigheden dragen.

Hoofdstuk 54-60

Hoofdstuk 54 toont ons de gevolgen van deze gebeurtenissen voor Jeruzalem in die dagen. Jeruzalem wordt als onvruchtbaar en als woest gelaten beschouwd, nadat het Hem verworpen heeft, Die gekomen was om haar man te worden. Maar nu wordt het – door de genade, waardoor Jahweh haar gerechtigheid is geworden – geroepen de plaats van haar tent groter te maken en de gordijnen van haar woning uit te breiden. De genade rekent inderdaad, al degenen die gedurende de tijd van haar verwoesting bijeenverzameld zijn, tot haar kinderen. Daar Christus erkend wordt als de Zoon uit Jeruzalem geboren, worden allen gezien als in Hem tot Sion te behoren. (Zie Psalm 87:5-6). Voor een kort ogenblik had God haar als een verworpen vrouw behandeld, maar nu troost Hij haar met eeuwige ontfermingen.

Hoofdstuk 55-57. Deze hoofdstukken bevatten de vermaningen met het oog op deze dingen. Hoofdstuk 55 verkondigt de volle vrije genade, die bijgevolg ook de volken omvat. Daarom kan men het in beginsel op het evangelie toepassen. De vervulling ervan zal plaatsvinden in de tijd als de aarde gezegend zal worden door de tegenwoordigheid van de Heer. Hoofdstuk 56 maakt ons bekend met het morele karakter dat nodig is om te kunnen genieten van de zegening, die niet meer is naar de nauwe wettische beginselen van voorheen. De tempel zal inderdaad, voor allen van wie het hart werkelijk gericht is op de God van Israël, een huis van gebed zijn. Zij zullen van de zegening in haar genieten.

Hoofdstuk 57 gaat, kan men zeggen, op hetzelfde beginsel voort. Zij die in moreel opzicht op een wijze wandelen die niet in overeenstemming is met de wil van Jahweh, worden openlijk veroordeeld, al zijn het ook Israëlieten. De rechtvaardige mag omkomen, maar het betekent, dat hij voor de kwade dagen wordt weggenomen. Maar voor de boze zal er geen vrede zijn, of hij nu Israëliet is of niet.

Deze drie hoofdstukken verschaffen ons dus een morele les die op die dagen betrekking heeft. De getrouwe en de zachtmoedige – wie zij ook mogen zijn – zullen gezegend worden; maar de bozen – al of niet Israëlieten – geoordeeld. Met hoofdstuk 57 eindigt, zoals ik al heb gezegd, de tweede onderafdeling van dit gedeelte van de profetie.

Hoofdstuk 58-59. Deze morele overwegingen wekken de verontwaardiging van de Geest op tegen de toestand van Israël in de dagen van de profetie. Tegen hun zonden en hun huichelarij, in hun bewering Jahweh te dienen. In de hoofdstukken 58-59 veroordeelt Hij openlijk hun vertrouwen in uiterlijke vormen en stelt de gehoorzaamheid als voorwaarde tot de zegening. Het was niet, omdat de arm van Jahweh verkort was, of Zijn oor zwaar geworden, maar het was de ongerechtigheid van het volk, die het genieten van de zegeningen belette en het oordeel over hen zou brengen. Maar als allen gefaald zullen hebben en er niemand meer zal zijn om de gerechtigheid te handhaven, dan zal Jahweh Zelf in Zijn soevereiniteit en macht tussenbeide komen. Hij zal Zijn tegenstanders verpletteren en de eilanden oordelen. Zo zal Zijn Naam op de gehele aarde worden gevreesd. De Verlosser zal naar Sion komen en tot hen in Jakob die van hun opstandigheid zullen terugkomen. Dan zal de zegening van blijvende aard zijn en de Heilige Geest zal tot in eeuwigheid in het midden van het zaad (nageslacht) van Jakob zijn.

Hoofdstuk 60 toont ons de toestand en de heerlijkheid van Jeruzalem in die tijd van zegening. Allen van het volk die gespaard zijn, zullen rechtvaardig zijn.

Hoofdstuk 61-63:1-6

Hoofdstuk 61

Zoals ons hoofdstuk 50 en 53 Christus en Zijn lijden hebben geschilderd, openbaart hoofdstuk 61 ons Hem in de volle genade van Zijn Persoon, met betrekking tot Israëls zegening. De voorafgaande drie hoofdstukken hebben ons het oordeel en het ingrijpen van Jahweh meegedeeld en tegelijkertijd de Verlosser aangekondigd. Het is hetzelfde beginsel dat wij in hoofdstuk 40 tot aan het eind van hoofdstuk 48 hebben gezien, terwijl in hoofdstuk 49 de Messias in het bijzonder naar voren komt. Zo vinden wij Hem hier van het begin van hoofdstuk 61 tot aan hoofdstuk 63:6. Maar er is een opklimming waar te nemen, die noodzakelijkerwijze samengaat met de omstandigheid, dat de Persoon van Christus in deze laatste reeks hoofdstukken als het voornaamste voorwerp van Jahweh’s pleitreden naar voren komt. We zien heel goed, dat het Jahweh Zelf is, Die Christus is en dat Christus Jahweh is. “Waarom”, vraagt Hij, “was er niemand, toen Ik kwam?” Hier ook zien we het onderscheid tussen de morele zonden van Israël tegen Jahweh en de verwerping van Jahweh Zelf, in de persoon van Christus, zoals dit op zo’n opmerkelijke wijze in hoofdstuk 50 naar voren is gebracht.

Dit geldt ook met betrekking tot het berouw van de Joden. In de voorgaande hoofdstukken zien wij, dat de wet in hun harten geschreven is; dat ze zich afkeren van de ongerechtigheid; steunen op Jahweh; luisteren naar de Geest van de profetie, naar de dienstknecht van Jahweh; ze zijn bevrijd. Maar wanneer ze hun Verlosser in heerlijkheid zullen aanschouwen, dan eerst zullen ze een waar berouw, een diepe droefheid voelen bij het zien van Hem, Die zij veracht en verworpen hebben, en Die in Zijn genade hun ongerechtigheden heeft gedragen.

Hoofdstuk 61-62 zijn, naar het mij voorkomt, voldoende duidelijk, zodat niet veel opmerkingen nodig zijn. Men zal in Lukas 4 opmerken hoe de Heer in het midden van vers 2 ophoudt verder te lezen. De vervulling van de tweede helft van het vers was nog niet gekomen. Wel kon Hij hun voorstellen wat betrekking had op Zijn Persoon in genade.

Hoofdstuk 63:1-6. We vinden hier weer het verschrikkelijke oordeel van hoofdstuk 34 terug, dat Jahweh uitvoert, of liever gezegd, al uitgevoerd heeft, want Hij komt ervan terug. Vrede en zegening wordt door dit oordeel gewerkt, waarvan wij zojuist in hoofdstuk 62 een beschrijving hebben gegeven.

Hoofdstuk 63:7-66

Van vers 7 af lezen we de overdenkingen van de Geest van de profetie in de mond van het overblijfsel, of misschien in de mond van de profeet zelf, die zich in de positie van het overblijfsel verplaatst. In de hoofdstukken 65-66 vindt men het antwoord van Jahweh. Niets is treffender dan de wijze waarop de Geest Zich leent tot het tot uitdrukking brengen van al de gevoelens van een trouw Israëlitisch hart. Of beter gezegd, de wijze te zien, waarop Hij de gevoelens van een beangstigd, maar toch vertrouwend hart, onder woorden brengt. Een hart dat zich de goedheden uit het verleden herinnert, maar nu door de huidige ellende is terneergedrukt, en de hardheid van hart en opstandigheid, waaraan zij zich schuldig hadden gemaakt, erkent. Maar dat zich ondanks alles op de onveranderlijke getrouwheid van Gods liefde beroept, tegenover de verblinding en verharding, die (het hart erkent dit) als een oordeel over het volk gekomen zijn. Zelfs als zou Abraham hen niet erkennen, God blijft hun Vader. Waar is Zijn kracht, waar Zijn tederheid en waar Zijn barmhartigheden? Zijn ze achtergehouden? Het geloof klemt zich, ondanks alle uiterlijke omstandigheden, vast aan de band die tussen het volk en God bestaat. Het erkent dat God voor hen, die op Hem vertrouwen, dingen bereidt die in de gedachten van de mens 19 niet zouden opkomen, en dat Hij degene die in oprechtheid wandelt, tegemoet komt. Maar dit geloof erkent ook, dat Israël er ver van verwijderd is om zich op die wijze te gedragen, want het is zondig en zoekt het aangezicht van God niet. Maar de nood van het volk, de rampzalige toestand, waarin de zonde het volk heeft gebracht, is voor het geloof een reden om bij God te pleiten. Ondanks alles wat gebeurd is, is voor het geloof het volk als de klei en Jahweh de pottenbakker. Het was Zijn volk; zijn steden waren de steden van Jahweh. Het huis waarin hun vaderen Hem hadden aangebeden was verbrand en alles was in verwoesting.

Hoofdstuk 65-66 geven ons een volledige openbaring van de wegen van God, in antwoord op dit beroep. Allereerst had God Zich – door de uitwerking van Zijn genade – laten vinden door hen die niet Zijn volk waren. Hij had Zich bekend gemaakt aan hen, die niet naar Zijn Naam genoemd werden. De oneindige en soevereine genade van God had de arme heiden (volken) opgezocht. Maar tegelijkertijd had Hij – met een oneindig geduld – Zijn armen uitgestrekt gehouden, naar een volk dat Hem afwees, en Hem op de meest beledigende wijze tartte. En nu zegt Hij Zijn gevoelens. Het volk dat Hem heeft verlaten zal worden geoordeeld. Hij zal hen “ten zwaarde tellen”; zij zullen gekromd worden ter slachting. Maar er zal een – door de genade – uitverkoren overblijfsel zijn, de dienstknechten van Jahweh, die gespaard en gezegend zullen worden (verzen 11,12,8,9,13,15). Dan gaat Jahweh een geheel nieuwe orde van zaken invoeren, waarbij de waarheid van Zijn beloften erkend en de oude dingen zelfs volkomen vergeten zouden worden. Er zouden nieuwe hemelen en een nieuwe aarde zijn. Hier niet zoals in 2 Petrus 3 een stoffelijke verandering, maar een volkomen zedelijke orde. En het zou niet alleen op de aarde zijn, dat deze nieuwe orde van zaken zou worden gevestigd, zoals in het verleden de aarde vatbaar was voor veranderingen door de macht van het kwaad in de hemelen. Ook de toestand van de hemelen zelf zou nieuw worden. We lezen op andere plaatsen, dat satan er uitgeworpen zal worden en zijn macht voor altijd weggedaan uit de hemelen 20. Dit zou juist de gelegenheid zijn van de laatste en verschrikkelijke verdrukkingen in Jeruzalem! Maar nu zou Jeruzalem gezegend worden op de aarde en haar volk zou de weldaden van Jahweh genieten, gedurende een leeftijd als die gevonden werd in de tijd voor de zondvloed. Een man van honderd jaar zou een kind zijn, en als iemand op deze leeftijd zou sterven, moest hij beschouwd worden als iemand die door de vloek van God was afgesneden. God zou steeds de gebeden van Zijn volk verhoren. Vrede zou worden gevestigd en er zou geen kwaad zijn op heel Zijn heilige berg. Dit is de toestand van de Joden in het duizendjarig rijk.

Hoofdstuk 66 spreekt van het oordeel, waarmee dit duizendjarig rijk wordt ingeleid. Het geeft ons bijgevolg meer historische bijzonderheden. De tempel zal weer opgebouwd zijn (vers 6). Maar aangezien alleen mensen zich met de bouw hebben beziggehouden (dus zonder God) erkent Jahweh de tempel niet, evenmin als de offeranden die men erin heeft geofferd. Hij ziet naar het zachtmoedige en verbroken hart.

De hoop van zo’n hart wekte de lach op van velen, die zeiden: “Dat Jahweh Zijn heerlijkheid tone!” Maar Hij zal verschijnen tot hun beschaming en tot zegen van hen, die Hem verwachten. Sion zal zijn als de moeder van een volk, dat door Jahweh gezegend en vertroost is. Het kenmerkende van het overblijfsel wordt zo in deze twee hoofdstukken, op de meest stellige en treffende wijze gegeven.

Laten wij hier nog even de toepassing van het woord “knecht” nagaan. Allereerst wordt het toegepast op Israël. Vervolgens op Christus Zelf, de enige ware Dienstknecht in het midden van het volk. Ten slotte op het overblijfsel, dat luistert naar de woorden van Christus als Dienstknecht, of als de Geest van de profetie. Want de Geest van de profetie is het getuigenis van Jezus. Hier wordt het overblijfsel, de dienstknechten genoemd. Ze zullen in Jeruzalem vertroost worden, zoals een kind door zijn moeder vertroost wordt. De hand van Jahweh zal aan Zijn knechten bekend worden, maar Zijn verontwaardiging ten opzichte van Zijn vijanden. Want Hij zal komen en het oordeel tegen alle vlees uitvoeren, zoals het heil ook aan alle vlees verkondigd was. De ontrouwe en afgodische Israëlieten zullen er zijn vermengd met de volken. God zal hen allen verzamelen en zij zullen komen en Zijn heerlijkheid zien. Hij zal het oordeel over de menigte met het zwaard en het vuur uitvoeren. Maar er zullen er ook zijn, die door genade zullen ontkomen. God zal hen naar de afgelegen volken zenden, die Zijn heerlijkheid nooit gezien en van Zijn roem nooit gehoord hebben. Het gaat hier niet om de uitverkiezing van de genade voor de hemel. Zij zullen niet deze genade verkondigen, maar de heerlijkheid die zij gezien zullen hebben. De volken zullen de verstrooide kinderen van Israël als een offerande tot Jahweh brengen op Zijn heilige berg. Het geslacht van Jakob en de priesters die Jahweh eruit zal hebben gekozen, zullen als de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde voor het aangezicht van Jahweh zijn. Alle vlees zal komen en Hem aanbidden. Zij die de voorwerpen van het oordeel van Jahweh geweest zullen zijn, dus de zondaars tegen Hem, en in het bijzonder, naar het mij lijkt, de afvallige Joden, zullen een blijvend getuigenis zijn van het verschrikkelijke oordeel van Jahweh. Want hoewel de volle zegening van Zijn tegenwoordigheid over Zijn volk zal schijnen, het is gebracht en wordt bewaard door het oordeel, dat in die tijd het beginsel van Zijn wegen zal zijn.

Het past hier een algemene opmerking te maken. De zondige toestand die hier geoordeeld wordt, bestond al in de tijd van de profeet. De lankmoedigheid van God verdroeg die toestand, maar het beginsel, dat het oordeel moest brengen, was werkzaam (zie hoofdstuk 6). Tot aan de verwerping van Christus, en in zekere zin tot aan de aanneming van de Antichrist, die in zijn eigen naam komt, heeft het kwaad nog niet zijn hoogtepunt bereikt, noch wordt het eindoordeel uitgevoerd. Maar Achaz had al aanleiding gegeven tot het uitspreken ervan. Zo wordt de gehele toestand van Israël, de genade waardoor de volken (heidenen) worden aangenomen, de waardeloosheid van vormen en ceremoniën, in één woord alle morele beginselen van de waarheid, in dit gedeelte van de profetie vastgelegd. En wij zien hoe Stefanus, Paulus, de Heer Zelf, de Schriftplaatsen aanhalen, die van deze beginselen spreken, en ze toepassen op de tijden waarin zij leefden. De Heer past ze toe op de verharde toestand van het volk; Stefanus op de nutteloosheid van een al veroordeeld vormensysteem; Paulus op de toestand van veroordeling van de Joden en op de genade voor de volken. Wat nog moet komen is de vervulling van het grote resultaat, waarin deze dingen voor het aangezicht van de wereld duidelijk gedemonstreerd zullen worden door het oordeel en de onbeperkte zegening van God.

Wat de komst van de Heer Jezus in vernedering betreft: we hebben die even duidelijk geopenbaard gezien, als Zijn komst in heerlijkheid. Kort samengevat kunnen we dus zeggen, dat in deze profetie de wegen van God in Zijn regering over Zijn volk, met het oog op hun gedrag onder de wet, op de beloften aan het huis van David gedaan en ten slotte op hun houding tegenover Christus, Jahweh, in vernedering in het midden van Zijn volk; ik herhaal: de regering en de wegen van God ten aanzien van Israël onder al deze gezichtspunten, op de meest duidelijke en wonderbaarlijke wijze achtereenvolgens zijn ontwikkeld. Maar het oordeel dat de profeet hier uitspreekt, werd door de lankmoedigheid van God gedurende bijna 800 jaar uitgesteld. Het werd niet eerder uitgevoerd dan toen Christus verworpen werd.

EINDE JESAJA

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 4.1

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!

18 Men moet de verzen van Romeinen 8 zo indelen: “God is het, Die rechtvaardigt; wie is het die veroordeelt? Christus is het, Die gestorven is, ja, meer nog, Die ook opgewekt is, enzovoort; wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?” In Zijn liefde is Hij door alle dingen gegaan, die ons konden doen vrezen van Hem gescheiden te worden. Die dingen zijn nu juist de bewijzen van Zijn liefde geworden. Overigens gaat het hier om de liefde van God. Het geschapene kan ons er niet van scheiden. Ik voeg hierbij nog een kort overzichtelijk schetsje van al deze hoofdstukken van het boek Jesaja, om de lezer te helpen hun inhoud als een geheel te verstaan: Jesaja 40-48 behandelen de kwestie van de afgoderij tussen God en Israël; Jesaja 49-57 die van Christus. Jesaja 49 geeft een geordend overzicht van de raadsbesluiten en wegen van God ten aanzien van Israël en de Messias. God zal in Israël verheerlijkt worden (vers 1-3). Dan heeft Christus tevergeefs gearbeid; toch is Zijn werk bij God. Ten eerste: Hij zal verheerlijkt worden in de ogen van Jahweh. Ten tweede: het is te gering, de herstelling van de bewaarden van Israël; Hij is het heil tot aan de einden van de aarde. Ten derde: verhoord in een aangename tijd, wordt Hij gesteld tot een verbond van het volk. Sion wordt hersteld. In Jesaja 50 is Israël gescheiden, omdat er niemand was toen Jahweh kwam. Hij was als Mens gekomen in vernedering om volmaakt mee te kunnen voelen met de mens in zijn verdriet. Aan de smaad overgegeven, rechtvaardigt God Hem (vers 5-9). Dit, dat wil zeggen de rechtvaardiging van Christus, is die van de Gemeente, zoals wij gezien hebben; in de verzen 10 en 11 hebben wij het Joodse overblijfsel van de Gemeente. Hoofdstuk 50 geeft ons het lijden van Christus van de kant van de mensen; in hoofdstuk 53 is het de verzoening. Hoofdstuk 49 geeft de heerlijkheid die voortkomt uit het feit dat Christus de plaats van Israël inneemt, de vrucht van Zijn arbeid; hoofdstuk 50 het gevolg van Zijn verwerping door Israël, toch in genade ten aanzien van de nog niet geopenbaarde Gemeente en van het overblijfsel, waarvan uitdrukkelijk gesproken wordt; hoofdstuk 49 heeft meer te maken met de regering van God.


Voetnoten:

1 Let erop hoe God hier in deze twee hoofdstukken op twee bijzondere manieren op het geweten werkt, om het van zonde te overtuigen. In de eerste plaats zien we dan de staat van zegening, waarin God de mens geplaatst had, die Hij later – omdat hij deze staat van zegening verliet – moest oordelen. (Dit zien we ook bij de mens, die in een staat van onschuld leefde). Vervolgens zien we de ontmoeting met de Heer in heerlijkheid. Zijn wij in staat Hem zo te ontmoeten?

2 Dit onderwerp wordt in het Evangelie van Mattheüs breedvoerig ontwikkeld. De Schriftplaats zelf wordt in Hebreeën 2 aangehaald. Wat ons in Jesaja 8:13-18 getoond wordt, is in werkelijkheid de geschiedenis van het evangelie, die op het toneel van deze wereld komt. Petrus haalt vers 14 aan. Paulus spreekt in Romeinen 9 van de Steen des aanstoots. Mattheüs haalt Jesaja 8:23 en 9:1 aan, wanneer hij de verschijning van Christus in Galilea verhaalt.

3 Het woord “dienstknecht” is een soort sleutel voor de gehele profetie. In de eerste plaats Israël; vervolgens neemt de Heer in hoofdstuk 49 de plaats van Israël in en ten slotte het overblijfsel. Maar dit onderwerp zullen wij later uitvoeriger behandelen.

4 Men zou kunnen denken dat het teruggaan van de schaduw der graden op de zonnewijzer van Achaz – wat men in de profetie van Jesaja vindt – een uitzondering daarop is, maar Achaz was in werkelijkheid al van God afgeweken. Het is eveneens opmerkelijk, dat de apostelen nooit wonderen hebben gewerkt ten behoeve van zichzelf. “Trófimus heb ik in Miléte ziek achtergelaten” (2 Timotheüs 4:20). “Epafroditus is ook ziek geweest, [de] dood nabij, maar God heeft Zich over hem erbarmd, en niet alleen over hem maar ook over mij” (Filippi 2:27).

5 Een meer nauwkeurige vertaling werpt veel licht op deze profetie. “Doch nog een tiende zal daarin zijn, en het zal wederkeren en opgegeten worden; zoals de terebint en de eik, waarvan de tronk blijft, als zij omgehouwen zijn; zo zal het heilige zaad (nageslacht) de tronk zijn” (hoofdstuk 6:13). Vergelijk hoofdstuk 1:9. Dat wil dus zeggen, dat zelfs het overblijfsel onderworpen zal zijn aan het oordeel en de vertering, ten tijde van zijn terugkeer. Maar er zal een heilig zaad (nageslacht) zijn, waaruit het leven zal voortspruiten, zoals bij een afgehouwen boom.

6 Het begin van vers 17 wordt met vers 18 in Hebreeën 2 aangehaald, als bewijs van de mensheid van de Heer en om Zijn verbinding met het overblijfsel aan te tonen.

7 Het grote tussentijdperk, dat al meer dan 1900 jaar geduurd heeft, is in de zeventig jaarweken of 490 jaren, inbegrepen. Het ligt tussen het einde van het 483e en het einde van het 490e jaar. Maar de christenen weten, dat de helft van de zeventigste week in werkelijkheid is vervuld, tijdens de dienst van Christus. Daarom hebben wij in Daniël 7 en in de Openbaring slechts de helft van een week.

8 Buiten de gevangenschap van het volk van God om, neemt Babel in Gods wegen een zeer belangrijke plaats in. Tot aan de regering van Nebukadnezar neemt God in Zijn bestuur kennis van de volken als verstrooid te Babel, hoewel het middelpunt van Gods regering Israël was, met het oog waarop de grenzen van de volken waren vastgesteld. God stond de volken toe hun eigen wegen te volgen, maar elk van hen had – voor Zijn voorzienigheid – een afzonderlijk bestaan. Toen eenmaal de troon van Jeruzalem, waar God de wereld met het oog op het volk dat Hij Zich verkoren had regeerde, was weggenomen, werd de wereld overgeleverd aan de regering van één enkele troon, die op duidelijke wijze voor het aangezicht van God geplaatst werd, als degene die de wereldheerschappij had. Drie andere machten volgden deze regering achtereenvolgens op. De laatste bestond tijdens de komst van Christus in deze wereld. Maar het ogenblik van zijn oordeel was nog niet gekomen. Deze vier wereldrijken vormen “de tijden der volken”. God zal Zijn regering weer opnemen en de volken opnieuw oordelen met het oog op Israël. En Babel, of het éne algemene wereldrijk, zal in zijn afvallige en opstandige staat ter zijde gesteld worden. Maar zolang het nog bestaat heeft deze macht zijn eigen bijzondere en absolute positie voor God. Jeruzalem, dat wegens zijn afgodendienst gestraft wordt door de wegvoering naar Babel (onderwerping aan de afgoden), en door het overdragen van de troon te Jeruzalem aan de volken, wordt niettemin in zeker opzicht door God in het overblijfsel, dat aan de volken is onderworpen, erkend. Want God houdt er in de profetische boeken rekening mee (hoewel niet als Zijn volk) totdat de tweede grote misdaad, de verwerping van Christus, wordt bedreven. Maar zelfs dit vinden we nog bij de profeet vermeld, als Israël in gevangenschap is. Toch worden ze ten dele bewaard, opdat Christus de Heer aan hen zou worden voorgesteld. Van dat tijdstip af worden zij dan terzijde gesteld, totdat de soevereine genade, gedurende de laatste week (voor het geloof de laatste helft) tot hen komt. Als dit heeft plaatsgevonden, begint de tijdrekening opnieuw.

9 Een bewijs dat de profetie verband houdt met de laatste dagen, want in de oude tijd viel Assyrië eerder dan Babel, dat Assyrië overwon en onderwierp. Let erop dat de Assyriër en niet het beest, noch de Antichrist het onderwerp uitmaakt van deze profetie. Onder het juk van de Assyriër was Juda niet “Lo-Ammi” en evenmin in deze profetie. In Babel was Juda in gevangenschap en was “Lo-Ammi” op het volk geschreven. Dus moeten wij hier niet zoeken naar het beest. De Assyriër is hier de voornaamste vijand.

10 De lezer zal er goed aan doen erop te letten dat wij hier alle gevolgen van dit oordeel van God en wat erop betrekking heeft, vinden. De heiligen zijn opgestaan; de macht van het kwaad is uit de hemelen terneer geworpen; de schande van Israël weggedaan en het bedeksel van het aangezicht, waarmee alle volken bedekt zijn, is vernietigd.

11 Ik geloof, dat “de aarde” een meer begrensde ruimte is dan “de wereld”. Het verschil bestaat dan vooral in het feit, dat op de aarde de wegen van God en Zijn regering duidelijk in het licht zijn gesteld voor de mens. Als dit had plaatsgevonden op de gehele wereld, dan zou deze laatste de aarde geworden zijn. Het woord “aarde” wordt voor het land van Israël gebruikt, en ook voor de aarde, in de betekenis zo juist door ons uiteengezet, en voor de gehele aarde als een plaats die door God geordend is. Als dan ook de plaats waar God nu handelt, geoordeeld zal zijn, dan zal de wereld, in al haar uitgestrektheid, de gerechtigheid hebben leren verstaan; dus niet in de tegenwoordige tijd van de genade, hoewel de wereld er nu toe gebracht had moeten worden.

12 Het volk zegt in zijn onbeschaamdheid, dat het een verbond gesloten heeft met de macht van het kwaad, zodat, als de alles overstromende gesel komt, hij niet tot hen zou reiken. Het is onmogelijk zich een meer vermetel tarten van God en Zijn oordelen voor te stellen. Historisch gezien zal dit verbond gesloten worden als het volk zich met de mens der zonde, de Antichrist, zal verenigen, wiens komst naar de werking van satan is. Maar hier wordt het gezegd als een uitdaging tegenover God.

13 Deze uitdrukking wordt ook elders gebruikt (bijvoorbeeld in het boek Daniël) als een soort technische formule van de wijze, waarop de Heer in de laatste dagen zal handelen. Hij zal de zaak in gerechtigheid volvoeren en verkorten. Hij zal op volledige wijze oordelen. Hij zal de zaak volbrengen, maar ook verkorten, opdat het overblijfsel (de uitverkorenen) gespaard zal worden.

14 Zie de aantekening bij hoofdstuk 41, die luidt: Wij zien, dat, hoewel de zonde van Israël volkomen ontdekt wordt, in deze hoofdstukken toch de genade en de soevereine goedheid tot uitdrukking worden gebracht, en een overblijfsel wordt bewaard. Het gaat hier niet om de verantwoordelijkheid van Israël noch om zijn oordeel.

15 Wij zien, dat, hoewel de zonde van Israël volkomen ontdekt wordt, in deze hoofdstukken toch de genade en de soevereine goedheid tot uitdrukking worden gebracht, en een overblijfsel wordt bewaard. Het gaat hier niet om de verantwoordelijkheid van Israël noch om zijn oordeel.

16 Ik twijfel er niet aan, of Mattheüs 2:15 haalt het woord van de profeet: “Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen” met dezelfde bedoeling aan. Christus vervangt de eerste Adam voor God, hoewel Hij in deze nieuwe positie vele van zijn kinderen zegent. Hij neemt ook de plaats in van Israël, hoewel Hij het overblijfsel zegent en uit hen het volk maakt.

17 Het is treffend te zien, hoe in de twee pleitreden met het volk (ten aanzien van de afgoderij en de verwerping van Christus) eerst de liefde en de getrouwheid van Jahweh en hun gevolgen naar voren komen, voordat de Geest van God spreekt van de ontrouw van het volk, met betrekking tot de hierboven genoemde twee punten. Eerst de eindzegening, dan het menselijke kwaad; éérst God en vervolgens de mens. En zo is het ook geweest in de raadsbesluiten van God vóór de grondlegging van de wereld.

De hoofdstukken 40-48 houden zich bezig met de vraag van Israëls afgoderij ten overstaan van God; van hoofdstuk 49-57 gaat het om Christus. Hoofdstuk 49 geeft ons een beknopt overzicht van de plannen en wegen van God met betrekking tot Israël en tot de Messias. God zal in Israël verheerlijkt worden (verzen 1-3). Dan heeft Christus tevergeefs gewerkt, maar Zijn werk is onder de berusting van God.

  1. Hij zal in de ogen van Jahweh verheerlijkt worden.
  2. Het is een geringe zaak de “bewaarden van Israël” weer te brengen. Hij is het heil van Jahweh tot aan de einden der aarde.
  3. Hij is in een tijd van welbehagen verhoord en gegeven tot een verbond van het volk. Sion wordt opgericht. In hoofdstuk 50 wendt God Zich van Israël af omdat, toen Jahweh gekomen was, niemand gevonden werd. Hij was als mens in vernedering gekomen, om met de mens in zijn ellende volkomen medelijden te kunnen hebben. Aan smaad overgeleverd, rechtvaardigt God Hem (verzen 5-9). De rechtvaardiging van Christus, die ons hier wordt voorgesteld, is de rechtvaardiging van de Gemeente, zoals wij reeds hebben opgemerkt; in de verzen 10-11 zien wij het Joodse overblijfsel van de Gemeente. Hoofdstuk 50 toont ons het lijden van Christus van de zijde van de mens. In hoofdstuk 53 gaat het om verzoening (atonement). Hoofdstuk 49 toont ons Christus, Die de plaats inneemt van Israël, en de heerlijkheid die – als de vrucht van Zijn werk – er het gevolg van is. In hoofdstuk 50 zien wij de gevolgen van Zijn verwerping door Israël; maar in genade in betrekking tot de nog niet geopenbaarde Gemeente en het overblijfsel, waarvan uitdrukkelijk gesproken wordt. Hoofdstuk 49 houdt zich meer bezig met de regering van God.

19 Er is een treffend verschil tussen wat hier gezegd wordt en de kennis die het evangelie ons verschaft, zoals Paulus dat uitdrukt in 1 Korinthe 2. Men hoort dikwijls deze Schriftplaats aanhalen om juist het tegendeel tot uitdrukking te brengen. De apostel zegt: deze dingen zijn niet in het mensenhart opgekomen, maar God heeft ze ons (christenen) geopenbaard door Zijn Geest. Zo zegt hij ook aan het eind van het hoofdstuk: “Maar wij hebben [het] denken van Christus”.

20 Daarom wordt er gezegd, als de Heer Jeruzalem binnenkomt als Jahweh, de Messias: “In [de] hemel vrede” (Lukas 19:38).