08. Richteren
08. Richteren · uit de ‘Synopsis’ deel 2 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Inleiding
Het boek Richteren is de geschiedenis van het falen van Israël. In het boek Jozua zagen we de kracht van God, die in het midden van het volk werkte, ondanks hun fouten. In Richteren zien we de ellendige toestand van het ontrouw geworden volk, en tegelijkertijd de tussenkomst van de God der barmhartigheid, in de omstandigheden, waarin hun ontrouw hen had gebracht. Dit komt overeen met wat men in de geschiedenis van de gemeente van God “opwekkingen” noemt.
In dit boek zien we de zegen en de kracht niet meer, die de vestiging van het volk kenmerkte. Het bevat evenmin de vervulling van de raadsbesluiten van God, nadat het volk zich onmachtig had betoond, om de zegen, die hun gegeven was, te bewaren, en waarvan de voltooiing voor hen en voor de gemeente nu nog in de toekomst ligt. En het toont ons ook niet de vormen en de regering, die, ondanks de boosheid en de innerlijke ontrouw van het volk, hun uiterlijke eenheid nog konden handhaven, totdat God hen in hun oversten oordeelde. God was nog steeds de enig erkende Leider van Israël, zodat het volk altijd zelf de straf over hun zonden droeg.
De ellende, waarin hun ontrouw hen had gebracht, wekte de erbarming van God op en Zijn machtige genade verwekte door Zijn Geest bevrijders in het midden van het afgevallen en ongelukkige volk. Want: “Zijn ziel werd verdrietig over de ellende van Israël” (Richteren 10:16). “En de HEERE deed richters opstaan, die hen verlosten uit de hand van hen die hen plunderden. En wanneer de HEERE voor hen richters liet opstaan, was de HEERE met de richter en verloste Hij hen uit de hand van hun vijanden, al de dagen van de richter, want het berouwde de HEERE vanwege hun gekerm over hen die hen onderdrukten en die hen in het nauw brachten”. Maar Israël veranderde niet. “Zij luisterden echter ook niet naar hun richters. Maar bij het sterven van de richter gebeurde het dat zij zich weer afkeerden en nog verderfelijker handelden dan hun vaderen, door achter andere goden aan te gaan, die te dienen en zich daarvoor neer te buigen. Zij gaven geen van hun daden op en evenmin hun halsstarrige levenswandel” (Richteren 2:16-19). Dit is de droevige geschiedenis van het volk van God, maar tevens de geschiedenis van de genade van God en van Zijn medelijden met Zijn volk.
Zo zien we in het begin van dit boek niet alleen boosheid en herhaalde afval, maar tevens ook eenvoudige en gezegende verlossingen. Maar helaas! Het toneel wordt steeds somberder. In het gedrag van de richteren zien we bedroevende dingen, en de toestand wordt hoe langer hoe slechter. Vermoeid door de resultaten van hun eigen ontrouw, en ondanks de aanwezigheid van de profeet en het uitdrukkelijke woord van God, verwierpen ze ten slotte het koningschap van de Almachtige, om menselijke regeringsvormen aan te nemen. Daardoor vestigden ze zich op dezelfde grondslag als de wereld, toen ze God als koning hadden.
Hoofdstuk 1
Deze ontrouw, die zonder twijfel door God was voorzien, was de reden waarom God sommige volken in hun midden liet. Hij wilde hen beproeven. De aanwezigheid van deze volken, was in zichzelf al een bewijs van Israëls gebrek aan kracht en vertrouwen in de macht van God, die hen bewaard zou hebben van de hun later overkomen rampen. Maar in de wijsheid van Zijn raad, liet God, die Zijn volk kende, deze volken in hun midden met de bedoeling om hen te beproeven. Israël zal alleen ten volle gezegend kunnen worden onder de Messias, die door Zijn macht deze zegen zal invoeren, en haar door Zijn macht voor hen zal bewaren. Helaas is deze geschiedenis van Israël in Kanaän ook die van de gemeente. In hemelse zegeningen op aarde geplaatst, heeft zij vanaf het begin gefaald, om wat haar gegeven was te verwezenlijken. Het kwaad heeft zich in haar ontwikkeld, zodra de eerste machtige instrumenten van zegen, die haar geschonken waren, heengegaan waren. Toen nam het kwaad meer en meer toe.
Er zijn weliswaar opwekkingen geweest, maar de grond van het ongeloof was steeds dezelfde. En het verflauwen van iedere opwekking, tekende in toenemende mate de voortgang van de boosheid en het ongeloof ten opzichte van het goede, dat men verlaten had. En meer en meer verwijderde men zich van de oorspronkelijke bron van zegen en kracht. De opwekking bereikt nooit zo’n hoogte dat ze zich verheft tot de volkomen kennis van God; tot wat Hijzelf in het begin voor Zijn volk heeft geopenbaard en wat toen de eerste kracht van Zijn openbaring en van de werking van de Geest was.
Eenmaal van God verwijderd, verliest men steeds meer. Het opnieuw naar voren gebrachte deel van Zijn zegen wordt weer verwaarloosd en losgelaten, zodat God nu meer volledig wordt vergeten. De oude natuur en de wereld nemen hun plaats weer in, met dit verschil, dat het nu niet meer is zonder God, maar met uitsluiting van God. De mens en zijn eigen natuur treden weer op de voorgrond, en men raakt steeds verder verwijderd van de oorspronkelijke bron van zegen en kracht 1.
Toch heeft God door alle tijden heen de Zijnen gehad, en Zijn trouw heeft hen nooit verlaten. Hetzij in het verborgen, hetzij in het openbaar, heeft Zijn genade zich in Zijn goedheid geopenbaard in openlijke kracht ten behoeve van Zijn Gemeente. (Een kracht, waarvan de Gemeente altijd had moeten genieten). Deze droevige opeenvolging van mislukkingen zal eindigen bij de komst van de Heer Jezus, die in Zijn hemelse heerlijkheid Zijn voornemens ten opzichte van de gemeente vervullen zal; voornemens, waarvan de gemeente hier beneden altijd een trouwe getuige had moeten zijn.
De kracht en de tegenwoordigheid van God hebben Israël na het heengaan van Jozua niet verlaten. Ze werden altijd daar gevonden, waar geloof aanwezig was om er gebruik van te maken. Dit is de eerste waarheid die ons in dit boek wordt voorgesteld. Het is hetzelfde wat Paulus aan de Filippiërs schreef: “Niet alleen <zoals> in mijn aanwezigheid, maar nu veel meer in mijn afwezigheid, bewerkt uw eigen behoudenis met vrees en beven; want het is God Die in u werkt, zowel het willen als het werken, om Zijn welbehagen” (Filippi 2:12-13).
Deze tegenwoordigheid van God, die voor het geloof ten zegen is, wordt geopenbaard, hetzij door de overwinning over de machtigste vijanden, (Richteren 1:1-7) hetzij door het ontvangen van speciale zegeningen: “waterwellen”, en in al de bijzonderheden van de verwezenlijking van de beloften (13-15). Zelfs de Filistijnen werden verdreven (18). Maar tegelijkertijd faalde het geloof van Juda en Simeon, van Efraïm en Manasse en van alle andere stammen. En daardoor faalde ook hun kracht, hun bewustzijn van de waarde van de tegenwoordigheid van God en hun toewijding aan Hem. Daardoor hadden ze geen gevoel voor het kwaad dat bij hun vijanden aanwezig was. Want hadden ze daar gevoel voor gehad, dan zouden ze deze vijanden niet in hun midden geduld hebben.
Wat een oneer voor God en wat een zonde, zulke mensen daar te laten en te verdragen. Wat was deze onverschilligheid een ontrouw tegenover God en een onvermijdelijke bron van boosheid en verdorvenheid in Israël! Voor al deze dingen was het volk ongevoelig. Ze hadden gebrek aan geestelijk onderscheidingsvermogen en geloof. En de oorzaak van dit kwaad en deze ellende woonde naast het volk en zelfs in het land. Het land van God en van Israël!
Hoofdstuk 2
Helaas, omdat de toestand van het volk zo was, en ze er vrede mee hadden, had kastijding, zoals bij Ai, geen nut. Maar de Engel van Jahweh (de werkzame macht van God in het midden van Zijn volk) verlaat Gilgal (de geestelijke besnijdenis van het hart, die de overwinning voorafgaat, en de ziel nieuwe krachten geeft om in de strijd te overwinnen) en gaat naar Bochim, de plaats van geween. Hij komt in het midden van het volk, en verklaart, dat Hij de vijanden die Israël had gespaard, niet meer zou uitdrijven.
God was dus in Gilgal geweest! Wat een zegening in die oefeningen en die innerlijke worstelingen van het hart, waarin zich de ware praktische besnijdenis voltrekt; waarin de oorzaak en de invloed van de zonde worden gevoeld om het voor God te oordelen, zodat we, als het vlees geoordeeld is, de kracht van God in de worstelingen (en ook in de gemeenschap) kunnen ervaren; een kracht die God niet aan het vlees en aan de zonde kan geven.
Deze inwendige doding is geen werk van uiterlijk vertoon. Ze geschiedt onzichtbaar en is nietig en bekrompen in de ogen van de mens. Ze maakt ons klein in eigen ogen, maar maakt God en Zijn genade groot. Ze verenigt ons hart met Hem en geeft ons een zedelijk bewustzijn van Zijn tegenwoordigheid. Niet dat we dan sterk zijn, integendeel. Het geeft ons een gevoel van algehele afhankelijkheid (vergelijk 2 Korinthe 12), een afhankelijkheid van goddelijke kracht, die in werkelijkheid alle dingen volbrengt, hoewel God Zich van werktuigen wil bedienen als het Hem goeddunkt. En hier begint dan de verantwoordelijkheid van de mens. Bij Jericho deed God alles Zelf en geheel buiten de mens om, om te laten zien, wie de uitvoerder was. Bij Ai wordt ons de verantwoordelijkheid voor ogen gesteld. De kracht wordt niet in Gilgal gezien, hoewel ze daar werd verkregen, maar ze werd geopenbaard te Gibeon tegen de Amorieten van de bergen (Jozua 10). De kracht van God werd historisch dus niet in Gilgal gezien. Want als daar de kracht geopenbaard was geworden, zou dit het eigen werk van Gilgal vernietigd hebben, namelijk de veroordeling, in ootmoed voor God, van alles waarin het vlees werkzaam zou kunnen zijn. Maar wanneer men Gilgal verlaten heeft, ziet men dat de engel van Jahweh daar was. En men heeft Gilgal verlaten om een plaats van tranen in te nemen! Tranen, die geschreid worden om verloren zegeningen! In Bochim is het mogelijk om God te aanbidden. Zijn betrekking met het volk is niet veranderd. Hij aanvaardt hun tranen. Maar wat een verschil! De kracht en het licht van het aangezicht van Jahweh worden daar niet gezien. Maar Hij is altijd dezelfde en het geloof kan op Hem rekenen, even zeker als toen de Rode Zee vluchtte voor Zijn aangezicht en de Jordaan achterwaarts ging. De smart van hun tegenwoordige positie wordt er gevoeld, maar wordt verlicht door het bewustzijn dat Zijn genade niet kan en niet wil falen (Richteren 6:13-14). De verwisseling van Gilgal in Bochim is de sleutel tot dit boek. Zo is helaas maar al te vaak de toestand van de kinderen van God.
Nadat de Heilige Geest deze algemene grondslagen gelegd heeft, gaat Hij voort met de historische ontwikkeling van deze positie van Israël te schetsen.
Al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die na Jozua leefden, wandelde Israël voor Jahweh. Zo is ook de geschiedenis van de Gemeente. Zolang de Apostelen leefden, bleef zij bewaard. Maar Paulus (Handelingen 20:29) en Petrus (2 Petrus 2) hebben beiden de heiligen gewaarschuwd, dat hun heengaan kwade gevolgen van ontrouw en opstand zou hebben. De boze beginselen waren al aanwezig. De vermenging met de ongelovigen (het werk van de vijand) zou het middel worden, waardoor het kwaad zich in hun midden zou kunnen ontwikkelen en hen later zou overweldigen.
De Heer had hiervan gesproken in Mattheüs 13. Niet zozeer in verbinding met de Gemeente, maar met het goede zaad, dat Hij had gezaaid. En Judas tekent ons de toename en de gevolgen met een opmerkelijke duidelijkheid en nauwkeurigheid.
Maar toen een ander geslacht opstond, dat Jahweh niet kende, kon God hen niet langer bewaren. Het was geen ooggetuige geweest van de grote werken van Zijn hand en ging de goden dienen van de volken, die het gespaard had. Doordat er ontrouw in hun midden werd gevonden, vielen ze in handen van de hen omringende vijanden. En als ze dan in moeite waren, verwekte de Heer, die met ontferming bewogen was, richters, die, omdat ze Zijn Naam kenden, de openbaring van Zijn macht in het midden van het volk terugbrachten.
Hoofdstuk 3-4
Omdat God het volk kende, had Hij, om hun gehoorzaamheid op de proef te stellen, de Filistijnen, de Sidoniërs en andere volken aan de grenzen van hun land gelaten. Zodoende zou Israël kunnen leren, wat strijd was en zouden ze ook de regering van God en Zijn wegen leren kennen.
De wijsheid en de voorkennis van God, die weet wat er in de mens is, verandert zodoende de ontrouw van het volk in een zegen. Uiterlijke voorspoed, zonder moeite, zou de ontrouw niet uit het hart hebben weggenomen. Het zou hen beroofd hebben van die oefening en die worstelingen waardoor ze zouden leren wie God was, wat Zijn relaties met hen waren, en wat er in hun eigen hart was. Ook wij doen om dezelfde oorzaken dezelfde ervaringen op.
We willen nu de voornaamste onderwerpen overzien, die in de geschiedenis van dit boek ons worden voorgesteld. Othniël, Ehud en Samgar waren achtereenvolgens de eerste instrumenten die door God worden gebruikt om Zijn volk te verlossen.
We moeten hier eerst de afval van het volk zien, dat valse goden begint te dienen en hun daaropvolgende slavernij. Daarna roepen ze in hun ellende tot Jahweh. Zo begint altijd de verlossing (3:9,15; 4:3). In het laatste geval verlaat Jahweh Zijn gewone wegen. Het gehele volk had zijn kracht en energie verloren, zelfs in hun interne aangelegenheden. Dit is het gevolg van een herhaald vallen in het kwaad: men verliest het bewustzijn van de macht van God.
In het tijdvak waarover we nu spreken, wordt Israël door een vrouw geregeerd. Het was een teken van de almacht van God, want zij was een profetes. Maar het was tegen de gewone wijze van handelen van God in, en een smaad voor de mens. Debora roept Barak (want waar de Geest van God handelt, is Zijn inzicht en leiding). Ze deelt hem het bevel van God mee. Hij gehoorzaamt, maar het geloof ontbreekt hem om te gaan zoals iemand, die zijn bevelen direct van God ontvangt en dus geen ander nodig heeft. Deze directe mededelingen geven er de ziel het bewustzijn van, dat God tegenwoordig is en dat Hij ten behoeve van Zijn volk handelt. Barak wil zonder Debora niet gaan. Dit gebrek aan geloof strekt hem niet tot eer. De mens zal altijd op de plaats blijven, die overeenstemt met de maat van zijn geloof. En toch zal God Zichzelf verheerlijken en wel door middel van een vrouw. Barak had geloof genoeg om te gehoorzamen, als hij maar iemand bij zich had, die rechtstreeks op God vertrouwde. Maar hij had geen geloof genoeg om dat zelf te doen. Dat zien we vaak. Hij wordt weliswaar niet door God verworpen, maar ook niet door Hem geëerd. Het is in geen geval hetzelfde geloof in God. En alleen door geloof kan God verheerlijkt worden.
We hebben dus hier niet zozeer te doen met de onmiddellijke ondergang van de vijand, maar we zien hier, hoe het volk in de strijd geoefend wordt. God wil het uit de toestand van verslagenheid brengen, waarin het verzonken is. Het begon heel klein; een vrouw was het werktuig, want door vrees wordt God niet verheerlijkt en Hij kan Zijn heerlijkheid niet op zo’n toestand laten rusten. Maar langzamerhand “De hand van de Israëlieten drukte gaandeweg harder op Jabin, de koning van Kanaän, totdat zij Jabin, de koning van Kanaän, hadden uitgeroeid”.
Hoofdstuk 5
In het algemeen is het gevolg van zo’n werk van de Heilige Geest, dat het volk zich vrijwillig aanbiedt (5:2). Maar de Geest van God laat ons tevens zien, dat het ongeloof in het volk de oorzaak was, dat velen zich terughielden en daardoor de openbaring van de macht van God niet zagen of ondervonden. Het oordeel van God hield zelfs een vloek in voor hen, die zich geheel van de strijd hadden onthouden. Zij hadden geweigerd om zich met het volk in zijn zwakheid te verbinden.
Hoofdstuk 6
Opnieuw deden de kinderen Israëls wat kwaad was in de ogen van de HEERE en nu gaf Hij hen over in de hand van de Midianieten. En opnieuw riepen ze tot Jahweh. God openbaart dan aan het geweten van het volk de oorzaak van hun ellende. Dit was al een antwoord, maar Hij laat hen voor het ogenblik in de toestand waarin ze verkeren. Hij handelt nu niet in het midden van hen door hen meteen te verlossen. Hij handelt nu ten behoeve van hen in het werktuig, dat Hij Zich heeft verkoren om hun verlossing te bewerken. God verheerlijkt Zich in Gideon, maar de samenbundeling van dit werk in één persoon toont ons, dat de toestand van het volk slechter is dan ooit tevoren. En toch kiest God in deze verootmoedigende omstandigheden de middelen, die op alle manieren Zijn heerlijkheid laten zien. Waar Hij werkt is kracht. En ook geloof, dat in zijn eigen sfeer naar die kracht handelt.
We zullen nu de geschiedenis van Gideon overzien, de kenmerken van het werk van de Geest in deze verlossing overdenken, en ook het geloof van hem die deze verlossing tot stand bracht. Het is duidelijk, dat al veel gedachten en ernstige overleggingen bij Gideon waren opgekomen, voordat de engel met hem gesproken had. Maar het bezoek van de engel was de gelegenheid, die vorm en uitdrukking gaf aan de gedachten, die zijn hart vervulden. Gideon onderging, evenals alle anderen, de verdrukking van de vijanden van God. Maar het bracht hém ertoe om aan God te denken in plaats van het te aanvaarden als een noodzakelijk kwaad. De engel zei tot hem: “De HEERE is met u, strijdbare held”.
Hier zien we openbaar worden, wat al eerder het hart van Gideon had vervuld. Het was niet zijn eigen nood, maar de betrekking tussen God en Israël 2. Dit is een zeer belangrijk beginsel voor het geloof en de werkzaamheid ervan. En merk ook op, dat Jahweh datgene wat al in het hart van het geloof omging, als grond neemt voor Zijn getuigenis (8), terwijl Hij hun alleen hun ongehoorzaamheid daarbij ten laste legt.
Het geloof was inderdaad de bron van al deze redeneringen en oefeningen van het hart. Jahweh had al deze wonderen gewerkt. Hij had het volk uit Egypte opgevoerd. Als Jahweh met Israël was, en als zó Zijn betrekking met Israël was, waarom waren ze dan nu in zo’n ellendige toestand? (Hoe toepasselijk zou deze redenering ook nu voor de gemeente zijn). Gideon erkent ook, dat Jahweh hen in de handen van de Midianieten heeft overgegeven. Hoe ver verheffen de gedachten van God de ziel boven het lijden, dat men te verduren heeft! En terwijl men aan Hem denkt, erkent men juist in dat lijden de hand en het gehele karakter van Hem, die het heeft gezonden.
Deze arme Israëliet, die zuchtte onder de last van de verdrukking, werd door deze gedachte bemoedigd. Jahweh wendde Zich tot hem en sprak: “Ga in deze kracht van u, en u zult Israël … verlossen.” Het bezoek en het gebod van Jahweh, gaven vorm en kracht aan datgene, wat voorheen nog maar een oefening van het hart was. Maar toch was deze oefening van het hart zijn kracht, want het was de innerlijke verbinding van het geloof met alles wat Jahweh was voor Zijn verdrukt volk in het bewustzijn van de betrekking, die er tussen hen bestond. Nu zullen we de ontwikkeling van dit geloof beschouwen, en de aanwending ervan ten behoeve van de verlossing van het volk van God. Ten eerste is Gideon zich bewust van zijn eigen geringheid, wat ook de betrekking tussen Jahweh en Zijn volk mag zijn (6:15). Het antwoord van Jahweh toont hem het enige eenvoudige middel: “Ik zal met u zijn”. Wat een kostbare vriendelijkheid. En wat een lieflijke en tevens krachtige aanmoediging voor de ziel! Het geloof van Gideon was zwak. En de toestand van het volk op dat ogenblik was er, doordat ze zo lang duurde, op gericht, de herinnering aan de wonderen, die Jahweh gedaan had toen ze uit Egypte gingen uit te wissen, en om het bewustzijn van Zijn tegenwoordigheid te verzwakken. En nu verwaardigt de Engel van Jahweh Zich, om Zich bij hem op te houden, om zijn geloof te versterken!
Gideon, die zich tot Hem had gewend in het verborgen bewustzijn dat het de Heer was, weet nu zeker dat hij de Engel van Jahweh (of Elohim) van aangezicht tot aangezicht heeft gezien. Het was een werkelijke openbaring, en genoeg voor hem om in zichzelf teniet te gaan. En dit gebeurde dan ook. Maar het was ook een openbaring, die hem op een buitengewone wijze kracht gaf voor zijn wandel te midden van de anderen die Jahweh niet op zo’n wijze hadden gekend. En al is het dan nu niet door zulke openbaringen, God verwekt toch altijd op dezelfde wijze een speciaal werktuig voor de verlossing van Zijn volk.
Jahweh had Zich geopenbaard en nu stelt Hij Gideon gerust: “Vrede zij met u”, zegt Hij, “Wees niet bevreesd, u zult niet sterven”.
Een mens, die verootmoedigd is door de tegenwoordigheid van God, ontvangt, als die tegenwoordigheid in zegen is, kracht van God. Gideon erkent dit en eigent zich deze zegen toe. Jahweh is met hem in vrede en zegen. Het woord “Shalom”, dat door “vrede zij met u” vertaald is, is hetzelfde woord dat gebruikt wordt in de naam van het altaar: “De HEERE is vrede”.
Als God krachtig in het hart werkt, wordt de eerste uitwerking daarvan openbaar in de betrekking tot Hem. De gedachten van Gideon waren geheel van Jahweh vervuld, evenals dit al vóór deze openbaring het geval was. En vervuld met Jahweh, drukt hij door aanbidding de gevoelens van zijn hart uit 3, nadat hij op al zijn overwegingen van Jahweh een antwoord heeft ontvangen 4. Hij richt een altaar op voor Jahweh, die Vrede is. De betrekking van vrede is dus tussen God en Zijn dienstknecht gevestigd. Maar tot nu toe is alles nog slechts tussen Gideon en Jahweh.
Nu komt zijn openlijke dienst. Deze wordt ook vervuld, door de betrekking tussen God en Zijn volk te herstellen en wel allereerst in het midden van zijn eigen familie en in zijn eigen stad. Israël moest eerst Baal wegdoen, voor God de Midianieten kon verdrijven. Hoe kon God handelen, als de overwinning aan Baal zou worden toegeschreven?
Gideon moest dus een duidelijk getuigenis geven, dat de aandacht van het volk zou vestigen op de noodzakelijkheid om Baal weg te doen, zodat God zou kunnen handelen. Innerlijke trouw gaat aan uiterlijke kracht vooraf. Israël moest het kwade wegdoen, voordat de vijand kon worden verdreven. Eerst gehoorzaamheid en dan kracht. Dat is de orde van God.
Als de macht van satan in bijgeloof (of welke andere uiterlijke wijze ook geopenbaard) veracht wordt, is zij vernietigd. Verondersteld natuurlijk, dat God met de persoon, die ze verachtelijk maakt is, en hij zelf in de weg van de gehoorzaamheid is.
Gideon werpt Baal omver, en op de toorn van het volk, dat vreesachtig is vanwege hun bijgeloof, zegt de eigenaar van het altaar zelf tot hen: “Als hij een god is, laat hij het dan voor zichzelf opnemen.” De macht van God werkte op hun geest, want er was geloof. Maar de tegenstand van de vijand hield in geen geval op. Niets is zo verachtelijk als een versmade god. Maar als satan geen god onder de mensen kan zijn, is hij nog niet aan het einde van zijn hulpmiddelen. Hij zal de mensen aansporen tot openlijke vijandschap tegen hen, die zijn altaren hebben omgeworpen. Maar als we aan de zijde van God staan, zal de enige uitwerking van de strijd van de vijand zijn, dat het hém in de tegenwoordigheid van de macht van God brengt, en óns de overwinning, verlossing en vrede geeft.
Nu trekken de Midianieten tegen Israël op. Alles is gereed voor de tussenkomst van Jahweh. De Geest van God komt over Gideon. Dit is een nieuwe fase in de geschiedenis; niet alleen trouw, maar ook kracht. Gideon blaast met de bazuin, en zij, die hem eerst wilden doden, volgen hem nu. Hij zendt boden door heel Manasse. De mannen van Zebulon, Aser en Naftali komen ook.
De kracht van de Geest, die de gedachten van de mensen leidt, is met het geloof, dat God erkent; dat Hem erkent in Zijn betrekking tot Zijn volk, en in getrouwheid het boze verwerpt, dat onverenigbaar met deze betrekking is. God geeft nog een bewijs van Zijn grote goedheid, door een teken te geven om het zwakke maar ware en oprechte geloof van Gideon te versterken. Als hij zijn verzoek herhaalt, voelt hij dat God hem zou kunnen kastijden voor zijn gebrek aan geloof. Toch deed God wat hij begeerde.
Hoofdstuk 7
Tweeëndertigduizend man volgen nu Gideon. Maar Jahweh wil zo’n groot aantal niet. In deze verlossing moet Hij alleen verheerlijkt worden. Hoewel de Geest van God werkzaam was, was hun geloof toch zeer zwak; want in het aanschijn van de vijand keren er tweeëntwintigduizend man op de uitnodiging van Gideon naar huis terug. De aandoening, die door het geloof van een ander veroorzaakt is, is nog lang geen persoonlijk geloof.
Maar tienduizend man is nog te veel. Alleen de naam van Jahweh moet openbaar worden. Slechts zij mogen blijven, die niet stilstaan om op hun gemak hun dorst te lessen, maar die zich haastig verfrissen als de gelegenheid zich voordoet, daar ze meer bezig zijn met de strijd dan met hun eigen gemak op de weg. Het volk moest begrijpen, dat Jahweh de volle plaats in hun harten en in hun geloof wilde hebben. En zo werden door dit juiste oordeel van God zij, die Hem deze plaats niet gaven, van het deel, dat zij aan dit heerlijke werk hadden kunnen hebben, uitgeschakeld.
Gideon laat hier zien, dat hij geheel op God vertrouwt. Voorheen had hij door de zwakheid van zijn geloof meer op zichzelf gezien dan op God. Zijn diep besef van de toestand van Israël, liet geen aarzeling toe, hoewel het volk niet bij hem was. Wat kon hij met dit volk doen? In een wantrouwen, dat voortkwam uit de neiging om te veel op zichzelf te zien, had hij behoefte gevoeld aan de zekerheid, dat Jahweh met hem was. Maar nu hij de zekerheid had, dat Jahweh Israël door middel van hem wilde verlossen, rustte hij geheel in Hem.
Jahweh bracht onrust en verschrikking in het midden van de vijanden, en stelde Gideon hiervan in kennis.
Het is treffend te zien, hoe God het vertrouwen bij zijn dienstknecht aankweekt, evenredig aan de nood die de toestand had geschapen. Alleen al de naam van Gideon verwekte vrees in het ontelbare leger van de Midianieten. Daarna maakte de angst zich van hen meester, en het leger vernietigde zichzelf. Het vertrouwen van de Midianieten, dat alleen gegrond was op de onmacht van Israël, smolt weg voor de kracht van het geloof; want de werktuigen van de vijand hebben altijd een slecht geweten. Jahweh doet alles. De bazuinen en de fakkels zijn er alleen om Zijn tegenwoordigheid en die van Zijn dienstknecht Gideon te verkondigen. De vijand wordt daarna achtervolgd door de grote menigte van Israël. Hoewel ze zelf geen geloof hadden, profiteerden ze toch van het werk van het geloof. Dat is het normale resultaat van zo’n beweging.
Hoofdstuk 8
Toch namen niet allen deel aan de achtervolging van de vijand. Maar op dit moment veracht Gideon de lafheid van hen, die hem miskennen en de kracht van de onderdrukker nog vrezen. Als hij terugkeert, kastijdt hij hen in gerechtvaardigde verontwaardiging van het geloof. Want zij hadden zich vriendelijk getoond tegenover de vijand, op een ogenblik, dat de dienstknechten van God vermoeid waren, maar toch de achtervolging bleven voortzetten. Terwijl het werk nog gaande was, werden ze geheel door het werk in beslag genomen en trokken verder. Er is tijd genoeg om zich te wreken als het werk is gedaan. Gideon is ook zo bedachtzaam, dat hij zichzelf terzijde stelt. Daardoor kalmeert hij de geprikkelde gevoelens van hen, die zich in hun eigenwaarde beledigd gevoelden omdat hij meer geloof had gehad dan zij. Zij beroemden zich niet op hun eigen belangrijkheid en vroegen ook niet om geroepen te worden toen Midian op Israëls grondgebied sterk was. Het zou verkeerd zijn, om zulke mensen tegen te spreken. Als men tevreden is dat men het werk van God heeft gedaan, zullen zij pas tevreden zijn met de buit, die ze vinden bij het achtervolgen van de vijand. Ze willen een overwinning maken voor zichzelf. Maar het zij hun toegestaan. Want in feite zijn ze nuttig geweest voor het werk van Jahweh, hoewel ze er laat aan toe kwamen. Ze zijn gekomen toen ze geroepen werden; en gewillig naar het scheen. Ze volgden de richtlijnen die Gideon hen gaf, en brachten hem, toen ze terugkwamen, de hoofden van de vijandige koningen.
Maar het geheim van het geloof en van Jahweh was met Gideon, en het was nutteloos er met hen over te spreken. Het volk kende zijn eigen zwakheid niet. Gideon moest voor Jahweh sterk zijn ten behoeve van Israël, omdat het volk niet met Hem sterk kon zijn. Om diezelfde reden konden ze ook niet begrijpen, waarom ze tevoren niet geroepen waren. De zaak moest zonder uitlegging blijven, en dit bewijst wel de treurige toestand van Israël. Maar het gevaar is afgewend en de moeilijkheid opgelost doordat Gideon zich er wijselijk mee vergenoegt, hen te kalmeren, en niet ingaat op zijn eigen belangrijkheid. Dit gevoelen vloeide voort uit een geloof waarvan ze de onmogelijkheid voor zichzelf niet aanvoelden, en waarvan ze de moeilijkheden niet konden begrijpen. Want zij bezaten dat geloof niet. We moeten in de nabijheid van God verkeren, om een recht begrip te hebben van wat er ontbreekt in de betrekking tussen Zijn volk en Hem. Want in Hem vinden we de bekwaamheid, om Zijn kracht en de vereisten voor onze relaties met Hem te verstaan.
Gedurende het leven van Gideon woonde Israël in vrede. Hoewel de bijzonderheden van deze verlossing bijzonder interessant zijn, schijnt het me toch toe, dat het volk in een slechtere toestand is dan in de voorafgaande perioden. Toen scheen het zeer natuurlijk, dat een dienstknecht van Jahweh, die op Hem vertrouwde, het volk verloste van het juk, dat hen drukte. Of ook, dat het volk, opgewekt door het woord van een profetes, zichzelf bevrijdde en de overwinning op zijn vijanden behaalde. Maar hier moest het bewustzijn van de betrekking van Jahweh met Zijn volk worden opgewekt. Dit doet God met Gideon, en wel, zoals we gezien hebben in een treffende neerbuigendheid en tederheid. Maar het was nodig dat Hij dit deed. En daarom voltooide God in dit geval alleen de verlossing van Zijn volk. Het volk kon hierin niet betrokken worden uit vrees, dat zij de overwinning aan zichzelf zouden toeschrijven. Want hoe verder we van God verwijderd zijn, des te meer zijn we geneigd om een groot deel van het werk, wat Hem alleen toebehoort, aan onszelf toe te schrijven.
Hoofdstuk 9
Na de dood van Gideon, zien we de gevolgen van deze verwijdering van God, in de onderlinge twisten, die er in het midden van de kinderen van Israël waren. Ze zijn ondankbaar tegenover het geslacht van Gideon, en er breekt een oorlog onder hen uit door de leider, die ze zich gekozen hadden, en die, in plaats van te strijden tegen de vijanden van God, slechts over het volk, dat in feite in rust is, zoekt te heersen.
Hoofdstuk 10-12
De nederlaag van de mannen van Sichem en van Abimelech wordt gevolgd door een tijdelijke vrede, waarna Israël weer in afgodendienst vervalt. Jahweh verkoopt hen nu in de handen van de volken, waarvan ze de afgoden dienen. Zeer onderdrukt door hun vijanden, roepen de kinderen Israëls weer tot Jahweh. Deze berispt hen vanwege hun gedrag en verwijst hen naar de afgoden die ze dienden. Dan doet het volk de vreemde goden uit zijn midden weg en Jahweh wordt met ontferming bewogen (10:16).
Dan neemt Israël, zonder een hoofd, de toevlucht tot een hoofdman van “ijdele mannen”. Ze beloven hem gehoorzaamheid als hij zich tot een hoofd over hen stelt. Jefta stemt toe. Maar hoewel dit een verlossing is, zien we wel, hoe diep Israël gevallen is. Jefta heeft zelf smartelijk moeten boeten voor zijn haastig afgelegde belofte. En als bovendien de Efraïmieten gekrenkt in hun trots, zich beklaagden, omdat men hen niet met behoorlijke achting behandeld had, vindt men bij hem niet de rust en de wijsheid van iemand die zo dicht bij God was als Gideon. Wat een verschil tussen deze dagen en die van Jozua! God vermenigvuldigt Zijn verlossingen, maar dit heeft geen uitwerking op het ongeloof van het volk en hun toestand wordt steeds slechter.
Na de dood van Jefta geniet Israël weer van een tijdperk van vrede onder de leiding van verscheidene richters die God verwekt. Maar spoedig keren ze zich weer tot hun vorige zondige weg en Jahweh levert hen over in de handen van de Filistijnen. De geschiedenis van Simson geeft ons het beginstadium te zien van de betrekking van Israël met deze bittere vijanden, die pas door David zouden worden onderworpen. In deze tijd waren de Filistijnen op het toppunt van hun macht. Maar de belangrijkste zaak hier is de geschiedenis van Simson.
Hoofdstuk 13
Als type stelt Simson ons het beginsel van het nazireeërschap voor ogen. De gehele afzondering voor God is de bron van kracht in de strijd met onze vijanden, gezien als vijanden, die de overhand trachten te krijgen over het volk van God; zelfs in het eigen land en in de eigen harten van dit volk.
De Filistijnen waren geen tuchtroede of straf die van buitenaf was gezonden. Integendeel. Ze woonden binnen de grenzen van Israël, in het land van de belofte. Vroeger waren ongetwijfeld andere volken, die door de ontrouw van het volk in Kanaän gebleven waren, een strik voor hen geweest, doordat deze hen gebracht hadden tot huwelijken met afgodendienaars en tot het aanbidden van valse goden. Daarom had God hen toen in de handen van die vijanden overgegeven. Maar nu maakten zij, die in het veroverde land overgelaten waren, aanspraak op de macht over Israël. Wat hier slechts de overwinning en vrede kan geven aan de erfgenamen van de belofte is de kracht, die de afzondering veroorzaakt van alles, wat de natuurlijke mens toebehoort, en gehele toewijding aan God, voor zover dit laatste verwezenlijkt kan worden. Dit nazireeërschap is geestelijke kracht, of beter gezegd, datgene wat deze kracht kenmerkt als de vijand in het land is. Want Simson richtte Israël tijdens de overheersing van de Filistijnen (15:20). In later tijden hebben Samuel, Saul, en vooral David de stand van zaken geheel veranderd.
Als de Kanaäniet, de macht van de vijand, in het land heerst, kan alleen het nazireeërschap, aan iemand die trouw is, de kracht tot de overwinning geven. Het is een geheim, dat aan wereldse mensen onbekend is. Christus was er het volmaakte voorbeeld van. Het kwaad heerste onder het volk. De wandel van Christus was een afgezonderde wandel; gescheiden van het kwaad. Hij was iemand uit het volk, maar zoals Levi, was Hij niet van hen (Deuteronomium 33:9). Hij was een Nazireeër. Maar we moeten in dezen toch een onderscheid maken. Zedelijk was Christus op aarde evenzeer van de zondaars gescheiden als dat Hij dat nu is. Maar uiterlijk was Hij in hun midden; en als Getuige en uitdrukking van de genade, was Hij ook geestelijk in hun midden. Na Zijn opstanding is Hij volkomen van de zondaars gescheiden. De wereld ziet Hem niet en zal Hem niet meer zien, dan alleen als Hij komt om te oordelen.
In deze laatstgenoemde positie, is de Gemeente, zijn de christenen, als zij hetzelfde karakter van algehele afzondering hebben aangenomen in verbinding met Hem. “Zo’n Hogepriester paste ons”. De gemeente (de ware christenen) bewaart haar kracht slechts, voor zover zij blijft in deze toestand van volledige afzondering. De wereld begrijpt deze positie niet en kan er niet aan deelnemen. Menselijke vreugde en gemeenschapsgevoel kunnen daarin niet delen. Want daar is de goddelijke vreugde en de kracht van de Heilige Geest aanwezig. Het leven van onze gezegende Heer werd gekenmerkt door ernst: Hij was altijd ernstig en in het algemeen beklemd. Niet in Zichzelf, want Zijn hart was altijd een levende bron van liefde, maar door het kwaad, dat Hem aan alle kanten bedrukte. Ik spreek hier nu van Zijn leven en van wat in Zijn hart aanwezig was. Ten opzichte van anderen werd Zijn sterven de open sluispoort, waardoor deze liefde zich in volle stromen kon laten gaan over arme verloren zondaars.
Maar wat ook het gewone leven van afzondering van onze Heer geweest is, Hij kon zeggen in betrekking tot Zijn discipelen: “Deze dingen spreek Ik in de wereld, opdat zij Mijn blijdschap volkomen hebben in zichzelf.” Dit was wel de allerbeste wens voor de Zijnen: goddelijke blijdschap in plaats van menselijke. De dag zal komen, dat deze twee sferen van vreugde verenigd zullen zijn, als Hij weer wijn zal drinken, nieuw met de Zijnen in het koninkrijk van Zijn Vader, en allen Zijn volk zullen zijn. Maar dat is nu niet mogelijk. Het boze heerst in de wereld. Het heerste in Israël, waar gerechtigheid moest zijn geweest. Het heerst ook in het Christendom, waar heiligheid en genade in al hun schoonheid geopenbaard hadden moeten worden.
De afzondering voor God, waarvan we nu spreken, is onder deze omstandigheden het enige middel om de kracht van God te genieten. Het is de werkelijke positie van de Gemeente. Toen ze hierin faalde, heeft ze opgehouden het wezenlijke karakter van haar Hoofd te openbaren, in verbinding met Hem, die “gescheiden van de zondaars en hoger dan de hemelen geworden” is. De Gemeente is nu een valse getuige. In het midden van de Filistijnen bewijst ze, dat Dagon sterker is dan God. Ze is slechts een blinde gevangene.
Toch is het merkwaardig dat altijd, wanneer de wereld door haar verleidingen zich meester maakt van datgene wat God van haar voor Zichzelf had afgezonderd, dit het oordeel van God over de wereld uitlokt en tot haar ondergang leidt. Zo bijvoorbeeld Sara in het huis van Farao, en hier Simson blind en gevangen in de handen van de Filistijnen; en ook Sara weer in het huis van Abimelech, hoewel God de laatste slechts berispte omdat Hij rekening hield met de oprechtheid van zijn hart.
De nazireeër is dus een beeld van Christus, zoals Hij hier beneden werkelijk en noodzakelijk was, en zoals Hij ook nu is, volledig en in Zijn volle recht, gezeten aan de rechterhand van God in de hemel; in God verborgen, waar ook ons leven is verborgen met Hem. Verder stelt de nazireeër de Gemeente voor, of ook een individuele gelovige, voor zover deze afgezonderd van de wereld en toegewijd aan God, het geheim van deze afzondering bewaart.
Dit is de positie van de Gemeente, de enige die God kan erkennen. De Gemeente, verenigd met Christus, Die afgescheiden van de zondaars en hoger dan de hemelen geworden is, kan op geen andere wijze Zijn eigendom zijn. Zij kan ontrouw zijn in haar openbaring, maar dit is de betrekking waarin ze met Christus geplaatst is. In geen enkele andere positie kan ze door God worden erkend.
Simson laat ons ook de neiging van de Gemeente en van de christenen zien om deze plaats te verlaten; een geneigdheid, die niet altijd in dezelfde mate zijn kwade vruchten voortbrengt, maar die de innerlijke en praktische verloochening van het nazireeërschap tot gevolg heeft en spoedig leidt tot het verlies van alle kracht, als de Gemeente zich aan de wereld overgeeft. God kan Zich nog wel van haar bedienen. Hij kan Zich verheerlijken door de vernieling die zij in het land van de vijand aanricht, (wat haar land behoorde te zijn). Hij kan haar zelfs bewaren voor de zonde, waarheen het glibberig pad, waarop zij zich bevindt, heenleidt. Maar de neiging, die haar daar heeft gebracht, leidt ertoe, haar nog dieper mee te slepen.
Hoofdstuk 14-15
God maakt van Simsons huwelijk met een Filistijnse vrouw gebruik om dat volk te straffen. Nog in de frisheid van zijn kracht, zijn hart dicht bij de HEER, en door de Heilige Geest bewogen, handelt hij door de aanwezigheid van deze kracht te midden van de vijanden, die hij zich had gemaakt. En in feite heeft hij deze vrouw nooit bezeten.
Ik heb gezegd, dat God deze omstandigheden gebruikt. Evenzo kan God de geestelijke kracht van de Gemeente gebruiken, zolang haar hart met Hem verbonden is, al zou haar wandel niet trouw zijn en zo dat Hij deze niet kan goedkeuren. Want het is duidelijk, dat het huwelijk van Simson met deze dochter van Timnath een positieve zonde was. Het was een in het oog lopende overtreding van de geboden van Jahweh, en op geen enkele wijze gerechtvaardigd door de zegen die God hem gaf, toen hij door de Filistijnen verongelijkt was. In zijn huwelijk heeft hij geen zegen gevonden, maar wel het tegenovergestelde.
Ook zien we, dat Simson Israël niet met zich had in de strijd, die hij door zijn huwelijk had opgewekt. De Geest van God werkt niet op het volk in, zoals het was in de dagen van Gideon, Jefta of Barak.
Als het om het nazireeërschap gaat, moet men de tegenstand van het volk van God verwachten. Men is nazireeër in het midden van het volk, omdat het volk zelf het niet meer is. En omdat het volk het niet meer is, is het zonder kracht, en staat het de wereld toe over hen te heersen, op voorwaarde dat de uiterlijke vrede hen wordt gelaten. Ze willen niet, dat iemand door het geloof handelt, omdat dit de wereld verontrust en tegen hen opzet. “Weet gij niet” zegt Israël, “dat de Filistijnen over ons heersen?” (15:11). En terwijl de Israëlieten Simson als een van hen erkennen, willen ze hem toch aan de Filistijnen overleveren om hun vrede te handhaven.
Maar in dit eerste deel van het leven van Simson, zijn enkele bijzonderheden, die nog wat meer aandacht vragen.
Zijn huwelijk was een zonde. Maar de afzondering van het volk van God had niet langer die mate van praktische toepassing, die God bedoeld had dat ze zou hebben. De daad was niet te verontschuldigen, omdat deze zijn beweegreden had in de eigen wil van Simson en hij aan God geen raad had gevraagd. Maar als gevolg van de omstandigheden, had Simson op dat ogenblik geen bewustzijn van het kwaad dat hij deed. En God stond hem toe, dat hij, in plaats van oorlog te maken, vrede en vriendschap zocht bij de Kanaänitische wereld, (dat wil zeggen de wereld binnen de begrenzing van het volk van God). En ten opzichte van de twisten die volgden stond Simson dan ook in zijn recht.
Vóór zijn huwelijk, had Simson de leeuw verslagen en later in het dode lichaam honing gevonden. Toen hij in zijn afzondering wandelde bezat hij de kracht van God. Dit is het raadsel van het volk van God, zijn geheim. De leeuw heeft geen kracht tegen iemand, die Christus toebehoort. Christus heeft de kracht vernietigd van hem die de macht van de dood bezat. Door de macht van de Geest van Christus, is onze strijd overwinning, en honing zal daaruit voortvloeien. Maar dit wordt volbracht in het geheim van de gemeenschap met Jahweh. In de eenvoud van de plicht, heeft David deze positie beter bewaard.
Simson heeft zichzelf niet bewaard voor de verbindingen met de wereld, en de toestand van het volk gaf daartoe gemakkelijk aanleiding. Dit is altijd een gevaar voor de christen. Maar hoe onwetend men ook mag zijn, als de kinderen van God zich op enigerlei wijze verbinden met de wereld en een gedragslijn volgen, die tegengesteld is aan hun ware karakter, zal de teleurstelling niet uitblijven. Ze bewaren zich niet in afzondering voor God. Ze bewaren hun geheim met God niet, want dat wordt slechts in Zijn gemeenschap gekend. Hun wijsheid gaat verloren, de wereld verleidt hen, en hun verbindingen met de wereld worden slechter dan ooit tevoren. Daarna veracht de wereld hen en gaat haar eigen weg, onverschillig voor hun verontwaardiging over haar gedrag tegenover hen.
Wat had Simson daar te maken, toen hij zijn vrouw ging bezoeken? (15). We zien hier, dat zijn eigen wil werkzaam is en zich vermengt met het gebruik van de kracht, die God hem gegeven had. (Evenals Mozes toen deze de Egyptenaar versloeg). We zullen altijd iets van de wereld met ons meedragen als we ons als kinderen van God met haar vermengd hebben. Maar God maakt hiervan gebruik om ons met kracht, en totaal, van haar te scheiden, en onze verbindingen met haar onmogelijk te maken. Dit doet Hij dan, door ons in direct conflict met de wereld te brengen, en dat juist in die dingen waarin we met haar verbonden waren. We hadden beter afgezonderd kunnen blijven. Maar deze handelingen van God zijn noodzakelijk als de vereniging van de gemeente met de wereld een gewone zaak is en door de gemeente wordt erkend 5. Men geeft zich geen rekenschap van de smadelijkste omstandigheden. Men denke zich in: een nazireeër gehuwd met een Filistijnse! God moet zo’n verbinding wel verbreken, door vijanden en vijandschap te laten komen, omdat er geen kennis meer is van die zedelijke nabijheid van God, die van de wereld afzondert en rust geeft aan de ziel; die, omdat ze haar kracht in God vindt, elke vijand weet te overwinnen en te verdrijven, wanneer God ons door de duidelijke openbaring van Zijn wil in de strijd voert.
Maar als we met de wereld verbonden zijn, zal ze altijd over ons heersen. We hebben niet het recht om ons te onttrekken aan verplichtingen die door verbindingen, die we zelf hebben gemaakt, op ons rusten. We kunnen ons tot de wereld wenden, omdat het vlees in ons is. Daarentegen kan de wereld nooit de kinderen van God benaderen, want zij heeft slechts haar eigen, gevallen, zondige natuur. De toenadering is altijd van één kant, en altijd ten kwade, hoe de dingen ook mogen schijnen. Maar een getuigenis te midden van de wereld dragen, is heel wat anders.
En daarom kan men zich dan ook niet beroepen op het geheim met Jahweh; op de intieme relaties van het volk van God met Hem, en op de gevoelens, die ze teweegbrengen. Want het geheim en de kracht van Jahweh is uitsluitend het recht en de kracht van Zijn verlost volk. Hoe kan dat aan een Filistijnse vrouw verteld worden? Welke invloed zouden de voorrechten, die uitsluitend voor het volk van God zijn, uitoefenen op iemand, die daar niet bij hoort? En hoe zouden we kunnen spreken van deze voorrechten, als we ze verloochenen door de positie, waarin we ons bevinden? En we verloochenen ze inderdaad, als we het geheim prijsgeven, want dan houdt onze afzondering en toewijding aan God in een vertrouwen, dat op geen ander dan op Hem kan rusten, op. Deze ervaring had voor de toekomst, Simson voor een gelijksoortige wandel moeten bewaren. Maar in vele opzichten is ervaring in de dingen van God nutteloos, omdat we op zo’n ogenblik geloof nodig hebben. God Zelf hebben we nodig. Toch houdt hier de kracht van Simson stand. De soevereine wil van God voltrekt zich in deze zaak, ondanks de vele en ernstige fouten, die het gevolg waren van de algemene toestand, waarin Simson verkeerde. Eenmaal in de strijd, openbaart hij de kracht van Jahweh die met hem was. En in antwoord op zijn klacht, voorziet Jahweh hem van water om zijn dorst te lessen (15:17-19).
Hier eindigt de algemene geschiedenis van Simson. We hebben gezien, dat het volk van God, zijn eigen broeders, tegen hem waren. Dat is de algemene gang van zaken in zulke omstandigheden. Het is de geschiedenis van de macht van de Geest van Christus, die in het nazireeërschap, de afzondering van de wereld, werkzaam is. En dit te midden van een toestand van zaken, die geheel tegengesteld is aan deze afzondering. Degene, die ondersteund wordt door de kracht van deze Geest, en zich weer in de sfeer van zijn gewoonten ziet geplaatst, is in deze omstandigheden steeds in gevaar om ontrouw te worden; en dit des te meer (tenzij hij dicht bij God in de kalmte van de gehoorzaamheid leeft) als hij weet, dat de kracht van God bij hem aanwezig is.
Christus was onder soortgelijke omstandigheden het volmaakte voorbeeld van een goddelijke wandel. Niemand heeft de bron van Zijn kracht of van Zijn gezag begrepen. Hij moest alle hoop opgeven om de mensen te bevredigen ten aanzien van de beginselen, waardoor Hij werd geleid. Om Hem te kunnen begrijpen, had men Hem gelijk moeten zijn. En in dat geval zou men niet overtuigd hoeven te worden. Handelen voor God, en Hem Zijn gerechtigheid weergeven, was alles wat er te doen was. Hij bracht Zijn vijanden tot zwijgen door de beginselen, die door God en door elk goed geweten erkend werden. Maar Hij kon het geheim dat tussen Hem en Zijn Vader bestond, het beginsel van Zijn leven en de oorsprong van al Zijn handelingen, niet openbaren. Toen de waarheid zich baan brak, toen satan de dingen zo op de spits dreef, dat men alleen maar de waarheid kon zeggen, noemden zijn vijanden Hem een lasteraar en maakte Hij hen openlijk bekend als kinderen van satan. We vinden dat in bijzonderheden in het Evangelie van Johannes (hoofdstuk 8). Maar toen had de Heer Jezus Zijn eigen betrekking al niet meer met het volk, dat in feite vanaf het begin van dit Evangelie als verworpen wordt gezien, terwijl de persoon van de Zoon van God naar voren wordt gebracht.
Vanaf het begin van Zijn dienst nam Hij de plaats in van een gehoorzame dienstknecht. Hij betrad Zijn openbare loopbaan niet, dan nadat Hij door God werd geroepen, en na in de doop van Johannes de laagste plaats te hebben ingenomen. Dit was het betwiste punt, waarop Hij in de woestijn werd verzocht. De verzoeker wilde Hem zijn plaats als gehoorzame mens doen verlaten, omdat Hij de Zoon van God was. Maar daar werd de sterke man gebonden. Het blijven in de weg van gehoorzaamheid is het enige middel om de tegenstander te binden.
Christus heeft altijd in deze volmaakte innerlijke afzondering gewandeld; in gemeenschap met Zijn Vader, in volkomen afhankelijkheid van Hem en in gehoorzaamheid aan Hem, zonder ook maar een enkel ogenblik van eigenwil te hebben. Daarom was Hij de genadigste en toegankelijkste van alle mensen. We zien in Zijn handelingen een zachtheid en goedheid, die nooit in enig ander mens te zien is geweest. Maar men bemerkt altijd weer, dat Hij een vreemdeling was, hoewel Hij niet gekomen was om een vreemdeling te zijn in Zijn verbinding met de mensen. Maar diep in Zijn hart, (en dit vormde Zijn natuur zelf en bepaalde bijgevolg Zijn weg door de kracht van Zijn gemeenschap met de Vader) was Hij geheel vreemd aan de motieven, die de mens beïnvloeden.
Hij was werkelijk afgezonderd. Het is wel treffend, dat niet één van Zijn discipelen heeft begrepen, wat Hij zei. Maria van Bethanië is het enige voorbeeld van een hart dat Hem begreep, en wat deze vrouw heeft gedaan zou dan ook in de gehele wereld verkondigd worden. Zijn hart was vol medeleven met elke smart, maar er was niemand die de Zijne verstond of met Hem meevoelde.
Deze geest van zelfverloochening, van gehele verzaking van eigen wil, van gehoorzaamheid en afhankelijkheid van de Vader, werd steeds in het leven van de Heer Jezus gezien. Toen Hij, na de doop van Johannes, de Heilige Geest ontving, bad Hij. Voordat Hij Zijn Apostelen riep, bracht Hij de gehele nacht door in gebed. Na het wonder van de broden, waarmee Hij 5000 mensen voedde, bracht Hij ook de nacht in gebed door op de berg. Toen men Hem de vraag stelde over het zitten aan Zijn rechter- en linkerhand, zei Hij, dat dit niet aan Hem stond te geven, maar dat het door Zijn Vader gegeven zou worden aan hen, voor wie het bereid was. Bij Zijn worsteling in de hof van Gethsemane, legde Hij Zijn verwachting van en Zijn angst voor de dood geheel voor Zijn Vader neer. “Zou Hij de beker, die de Vader Hem gaf te drinken, niet drinken?” Hoe rustig is dan ook alles in de tegenwoordigheid van de mensen! Hij is de Nazireeër, die van de mensen afgezonderd is door Zijn volkomen gemeenschap met Zijn Vader, en door de gehoorzaamheid van een Zoon, die geen andere begeerte had dan het welbehagen van de Vader te doen en Zijn werk te volbrengen. Het was Zijn spijze, de wil te doen van Hem, door Wie Hij was gezonden, en Zijn werk te volbrengen.
Maar toen de mens Hem niet heeft willen ontvangen, en er geen enkele betrekking meer was tussen de mens en God, nam de Heer Jezus het volledige karakter van een nazireeër aan: gescheiden van de zondaars, en hoger dan de hemelen geworden. Christus in de hemel is de ware nazireeër. Nadat Hij van de Vader de belofte van de Heilige Geest ontvangen had, heeft Hij deze op Zijn discipelen uitgestort, opdat zij door de kracht van de Heilige Geest dezelfde positie op aarde zouden kunnen handhaven, door de gemeenschap met Hem en met de Vader; opdat ze zouden wandelen in de afzondering van deze gemeenschap, en bekwaam zouden zijn om zich van deze goddelijke macht met een goddelijk verstand te bedienen. Want dit goddelijk verstand verlicht en ondersteunt de gehoorzaamheid, waartoe zij afgezonderd zijn met het oog op de heerlijkheid van de Heer Jezus en Zijn dienst. “Als u in Mij blijft” heeft Hij tot Zijn discipelen gezegd, “en Mijn woorden in u blijven, bidt alles wat u wilt en het zal u gebeuren”. Zij waren niet van deze wereld, zoals Hij van deze wereld niet was. De Gemeente, die door Zijn discipelen gevormd is, moet in afzondering van de wereld wandelen in een hemels leven, dat Hem is gewijd.
Wat het beginsel betreft, is dus Christus het tegenbeeld van de geschiedenis van Simson. Maar de bijzonderheden tonen ons, dat dit beginsel van kracht is toevertrouwd aan mensen, die helaas maar al te zeer in staat zijn, in die gemeenschap en gehoorzaamheid te falen en bijgevolg het genot ervan te verliezen.
Hoofdstuk 16
Simson zondigt nogmaals, door zijn verbinding met de “dochter van een vreemde god”. Hij verbindt zich weer met Filistijnse vrouwen, te midden van wie de stam van Dan en het huis van zijn vader was. Maar hij behoudt zijn kracht, totdat de invloed van deze verbinding zo groot wordt, dat hij het geheim van zijn kracht in God openbaart. Zijn hart, nu gescheiden van God, geeft dat vertrouwen aan een Filistijnse vrouw, dat alleen maar tussen zijn ziel en God mocht bestaan.
Een geheim bezitten en bewaren, getuigt van de vertrouwelijkheid van een vriend. Maar het geheim van God, het bezit van Zijn vertrouwen, is het hoogste voorrecht. Het te verraden aan een vreemdeling, wie het ook moge zijn, is de kostbare plaats waarin Zijn genade ons geplaatst heeft, verachten. Het betekent niets minder dan het verliezen. Wat hebben de vijanden van God te maken met datgene wat God aan de Zijnen in vertrouwen meedeelt? Zó gaf Simson zich over aan de Filistijnen, zijn vijanden. Alle middelen tegen hem waren machteloos, zolang hij zijn nazireeërschap bewaarde. Maar toen deze afzondering eenmaal verloren was, was Jahweh niet langer met hem, hoewel hij ogenschijnlijk nog sterk was en zijn uiterlijk geen verandering vertoonde. “Ik zal net als de andere keren vrijkomen en hen van mij afschudden. Hij wist namelijk niet dat de HEERE van hem geweken was.”
Men kan zich nauwelijks een grotere dwaasheid voorstellen, dan het toevertrouwen van zijn geheim aan Delila, nadat hij zo vaak, na door haar gewekt te zijn, door de Filistijnen werd vastgegrepen. Maar evenzo is het met de Gemeente: als zij zich eenmaal door de wereld heeft laten meeslepen, verliest zij alle begrip en zelfs alle gezond verstand. Arme Simson! Hij is voor altijd blind, zelfs als zijn kracht weer terugkomt.
Maar: “Wie heeft zich tegen Hem verhard en vrede gehad?” (Job 9:4).
De Filistijnen schrijven hun succes toe aan hun valse god. God gedenkt echter aan Zijn heerlijkheid en aan Zijn arme dienstknecht, vernederd en gekastijd vanwege zijn zonde. De Filistijnen verzamelen zich om hun overwinning te vieren en hun valse goden te verheerlijken. Maar Jahweh had op al deze dingen het oog gericht. In de vernedering had de gedachte aan de Heer meer vat op het hart van Simson dan voorheen, en het teken van zijn nazireeërschap wordt weer gezien. En dan doet hij zijn treffend beroep op God. Wie zou een blinde en gekwelde gevangene vrezen? Maar welk werelds mens kent het geheim van Jahweh? Als slaaf, en voor altijd van zijn gezichtsvermogen beroofd, geeft zijn toestand hem nu een gunstige gelegenheid, die zijn kracht, voordat hij die door zijn ontrouw verloor, hem nooit had gegeven. Maar hij is blind en gebonden, en moet zelf mee omkomen in het oordeel, dat hij over zijn vijanden brengt. Hij had zich vereenzelvigd met de wereld door naar haar te luisteren. Daardoor moet hij nu delen in het oordeel dat op deze wereld valt 6.
Maar als de ontrouw van de Gemeente aan de wereld de gelegenheid gegeven heeft om macht over haar uit te oefenen, heeft de wereld anderzijds de rechten van God aangetast door de Gemeente van God te verderven. Daardoor brengt zij het oordeel over zichzelf op het ogenblik van haar grootste triomf. Een oordeel dat niet alleen een einde maakt aan het bestaan zowel als de ellende van de nazireeër, maar tegelijkertijd in een gemeenschappelijke ondergang al de heerlijkheid van de wereld vernietigt.
In de bijzonderheden van de profetie, kan dit op het einde van de geschiedenis van het Joodse volk worden toegepast. Alleen vindt daar het overblijfsel een schuilplaats om, ter vervulling van de raadsbesluiten van God, op een nieuwe grondslag gevestigd te worden 7.
Hoofdstuk 17-21
De hoofdstukken, die volgen, zijn niet in de historische volgorde van dit boek begrepen. Ze heffen de sluier op, om ons enige bijzonderheden te tonen uit het interne leven van het volk, dat zo lange tijd door het geduld van God werd verdragen, omdat Hij geroerd was door de moeite van Zijn volk, waarin ze vanwege hun zonden waren gekomen. Als ze gehoorzaam waren geweest toen Jahweh hun Koning was, zouden ze voorspoed gehad hebben.
Maar ze werden door een geest van eigenwilligheid beheerst, en doordat er geen remmende invloed aanwezig was, omdat ze geen koning hadden, gaf dit aan allerlei buitensporigheden de vrije teugel. De laatste gebeurtenis, die in dit boek wordt beschreven, laat ons zien, hoe groot de wanorde in Israël was, en hoe snel ze van God waren afgevallen. Maar tevens houdt het een belangrijke les in. Als door de toestand van het gehele volk van God de ongerechtigheid gelegenheid krijgt zich te openbaren, en als deze ongerechtigheid kastijding noodzakelijk maakt, zien we in de kastijding die volgt, het gehele volk betrokken. Het gevolg daarvan is dat ze opmerkzaam worden gemaakt op hun toestand en deze ter harte nemen. Deze toestand verhinderde weliswaar dat de ongerechtigheid op het moment, dat ze werd bedreven, werd bestraft. Maar het volk wordt in de tegenwoordigheid van God geplaatst, Die de hele zaak oordeelt en het hele volk erbij betrekt.
In het begin vroeg Israël Jahweh zelfs niet om te weten hoe men tegen de zonde moest optreden. Daardoor handelden zij uit natuurlijke verontwaardiging (die op zichzelf genomen zeer juist was) en Jahweh stond dit alles toe om hen te laten zien waar zij zich zedelijk bevonden. Het kwaad, dat bestraft moest worden, had hun geestelijke staat zó verblind, dat ze er in het geheel niet aan dachten om allereerst op Jahweh te wachten, om te weten wat er gedaan moest worden. Voordat ze Hem om raad vragen, is de wijze van handelen al door hen vastgesteld, want ze zijn ver van God verwijderd. Ze vragen slechts, welke stam het eerst moet optrekken. Jahweh wijst Juda aan, maar Juda wordt verslagen. Ze hadden een gemakkelijke overwinning verwacht, maar nu ze tweemaal geslagen zijn, wenden ze zich verootmoedigd en in tranen opnieuw tot Jahweh om te vragen of ze weer moeten optrekken. En dan geeft Jahweh hun de overwinning. Gibea had deze tuchtiging verdiend, maar om ze uit te voeren had Israël zelf eerst tuchtiging nodig. En God liet toe, dat allen eraan deelnamen, opdat het ook op allen zijn uitwerking zou hebben.
Maar in wat voor toestand verkeerden ze, dat de gehele stam van Benjamin zich één verklaarde met de mannen van Gibea, die zich aan zulke gruwelen had schuldig gemaakt! En let erop dat Pinehas, die al in de woestijn de volwassen leeftijd had bereikt, nog hogepriester was! Hoe geduldig handelt God met dit volk, door hen te verlossen als ze zo snel in de zonde, in zo’n afgrond van zonde gevallen zijn. Wat moet God niet aanschouwen in de wereld, en zelfs in het midden van Zijn volk! Het is belangrijk om op te merken, hoe God deze innerlijke toestand van het volk, die in de algemene geschiedenis niet wordt beschreven, toch in het licht stelt.
Hoe werpt dit alles een zee van licht op de wegen van God! Maar men moet wel in overweging nemen, dat deze geschiedenis een inwendige ramp en schande is, en van binnenuit is ontstaan. Het is het gevolg van het verlaten van God, en Zijn tuchtiging moet erop volgen, maar geen oordeel door de vijanden van buiten.
EINDE RICHTEREN
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 2.2
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- Opwekkingen, H. Rossier (in: Overdenkingen over Jozua en Richteren)
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten
1 Als we de geschiedenis van de mens beschouwen, moeten we telkens weer hetzelfde feit vaststellen. Hij verderft steeds weer het werk dat God op aarde vestigt. De mens at van de verboden boom. Noach dronk zich dronken, de zonen van Aäron brachten vreemd vuur, Israël maakte het gouden kalf, Salomo verviel in afgoderij, en Nebukadnezar richtte zijn afgodsbeeld op en werd een vervolger. En ondanks alles, blijft het geduld van God zich van het begin tot het einde met de zielen bezighouden.
2 Men vindt hier misschien niet de verhevenheid van de beloften zoals ze aan Abraham werden gedaan, maar wel de reddende macht van Jahweh, die Zich in genade aan Israël openbaart. Eenzelfde geval ongeveer als met Mozes, tot wie Jahweh zei: “uw volk”, maar die altijd zelf ook tot Jahweh zei: “Uw volk” (Exodus 32:7-13). Gideon kan zich niet scheiden van Israël als geheel, het volk van God. “De HEERE is met u” zegt de engel, waarop Gideon antwoordt: “Als de HEERE met ONS is, waarom is dit alles ONS dan overkomen? (6:13). En waar zijn al Zijn wonderen, waarover onze vaderen ons verteld hebben, toen zij zeiden: Heeft de HEERE ons niet uit Egypte doen optrekken? Maar nu heeft de HEERE ons verlaten en ons in de hand van Midian gegeven!”
3 We zien bij Eliëzer dezelfde gevoelens (Genesis 24:27). Het is zeer interessant om de verschillende omstandigheden aan te tekenen waarin altaren voor Jahweh werden gebouwd, ik wil hier enkele plaatsen noemen. Genesis 8:20; 12:7, vergelijk 13:4; en zie 21:33; 22:9; 26:25; 33:20; 35:7. Ik wil ook nog wijzen op Exodus 24:4; Jozua 8:30; en hier in Richteren 6. Het schijnt zelfs, alsof Gideon twee altaren heeft gebouwd. Eén voor zichzelf om te aanbidden, en een ander op bevel van God als een getuigenis. Zie ook nog 1 Samuel 7:17; 14:35; 1 Koningen 18:32 en ook nog 2 Samuel 24:25 en Ezra 3:2.
4 Het is leerzaam om hier het verschil op te merken tussen de oefeningen van het hart, die het gevolg zijn van het geloof, en het antwoord van God, op de noden en moeilijkheden die door deze oefeningen veroorzaakt worden. In vers 13 lezen we de uitdrukking van deze oefeningen in een ziel, die leeft onder dezelfde verdrukking als zijn broeders, maar die deze last werkelijk voelt omdat zijn geloof in de Heer werkelijkheid is. En dan lezen we hier het antwoord dat vrede geeft, en met de vrede de aanbidding. We horen hetzelfde van de Heer Jezus die, wanneer Hij gestorven en opgewekt is, Zich aan zijn discipelen openbaart met dezelfde woorden die God hier gebruikt en zo de grondslag legt voor de tot eredienst samen vergaderde gemeente. In Lukas 7 zien we dezelfde ervaringen bij de vrouw die een zondares was. Zij geloofde in de persoon van Jezus. Hij was, door genade, haar alles. Maar ze wist nog niet, dat aan een vrouw zoals zij, alles vergeven was; dat ze gered was en in vrede kon heengaan. Deze verzekering was het antwoord, dat aan haar geloof werd gegeven. En het evangelie geeft dat antwoord nu aan ieder die gelooft. De Heilige Geest verkondigt de Heer Jezus. Dit werkt overtuiging van zonde. De kennis van God in Christus en de kennis van zichzelf werpt terneer (want de zonde is aanwezig en men is vleselijk, en verkocht onder de zonde) en veroorzaakt strijd en angst. Vaak strijdt de ziel tegen de zonde, kan de overwinning niet behalen, en blijft op hetzelfde punt stilstaan (het grootste deel van de toespraken waarvan men licht verwacht, gaan ook niet verder). Maar het evangelie verkondigt de hulpbronnen van God Zelf, om uit deze toestand te geraken. “Vrede zij u”; “uw zonden zijn vergeven”; “uw geloof heeft u behouden” (want zij had geloof) zei Christus tegen de zondares. En DIT wist ze nog niet (vergelijk Handelingen 2:37-38).
5 Als zo’n vereniging plaats heeft tussen de wereld en ware christenen (of tenminste zij die de waarheid belijden) heeft de wereld in die eenheid altijd de dominerende plaats. Wanneer de wereld daarentegen met de hiërarchie verbonden is, regeert een bijgelovige hiërarchie; want dat is noodzakelijk om de wil van de mens in bedwang te houden door religieuze banden die aangepast worden aan het vlees.
6 Iets dergelijks, hoewel in een geheel andere vorm, en op een geheel andere wijze, zien we bij Jonathan. Zijn geloof was niet volkomen. Hij hield met de ene hand de wereld vast, en met de andere David, hoewel hij zich door zijn natuurlijke relaties kon verontschuldigen.
7 Wat het belijdende christendom aangaat, is het iets anders. Dan worden de heiligen opgenomen in heerlijkheid, en het afvallige christendom valt onder het oordeel. Maar het feit van het oordeel over de wereld is zowel in het ene als in het andere geval hetzelfde.