27. Jeremia

27. Jeremia · uit de ‘Synopsis’ deel 4 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

Het boek van de profeet Jeremia heeft een ander karakter dan dat van Jesaja. Men vindt er dan ook niet dezelfde uiteenzetting in over de raadsbesluiten van God met betrekking tot deze aarde. Het is waar, dat er veel dingen in verteld worden in verbinding met de volken. Maar het grootste gedeelte van het boek bestaat toch uit een rechtstreeks, tot het geweten van het volk gericht, getuigenis, in verband met hun zedelijke toestand, op het ogenblik dat de profeet tot het volk spreekt, en met het oog op het oordeel, waardoor het bedreigd wordt.
Juda had Jahweh verlaten, want zijn berouw onder de regering van Josia was slechts een uiterlijke zaak geweest, terwijl onder de volgende koningen zijn verwording volkomen werd. Het hart van de profeet was met smart overladen, omdat hij het volk liefhad en omdat hij een diep gevoel had van de betrekking, waarin het volk tot Jahweh stond. Dit veroorzaakte een voortdurende strijd in zijn ziel, tussen de gedachte aan de waarde van het volk als het volk van God, en een heilige jaloersheid voor de heerlijkheid en de rechten van God over Zijn volk; rechten die door het volk met voeten werden getreden. Deze wond in zijn hart was ongeneeslijk. Hij had voor het volk gepleit. Hij had voor hen in de bres gestaan bij Jahweh. Maar hij zag dat alles nutteloos was; het volk verwierp God en het getuigenis, dat Hij hen zond. God Zelf wilde nu niet meer naar gebeden voor Israël luisteren. Deze indrukken heeft de profeet te verwerken en in deze omstandigheden profeteert hij. Inderdaad een treurige taak, die van de profeet een ware man van smarten maakt. En hoewel hij nog steeds kon zeggen, dat, indien het volk zich bekeerde, het in genade zou worden aangenomen, wist hij toch al te goed, dat het er helemaal niet aan dacht zich te bekeren. Twee dingen hielden de profeet staande bij zo’n moeilijke dienst, want wat is er pijnlijker, dan een door God geliefd volk te moeten aanzeggen, dat het wegens zijn ongerechtigheden geoordeeld zal worden? In de eerste plaats de kracht van de Geest van God, die zijn hart vervulde en hem dwong het oordeel van God aan te kondigen, ondanks de tegenspraak en de vervolging, waaraan hij blootstond. En ten tweede: de openbaring van de eindzegening, waarmee het volk, naar de onveranderlijke raadsbesluiten van God, gezegend zou worden. Na zo in het kort de geest van het boek Jeremia te hebben weergegeven, waarvan wij de bewijzen en bijzonderheden bij het overdenken van zijn profetieën zullen vinden, willen wij nu deze laatste achtereenvolgens onderzoeken.
Het is algemeen bekend, dat de Septuaginta1 niet dezelfde volgorde van de profetieën heeft als de Hebreeuwse Bijbel. Ik zie evenwel geen enkele reden deze laatste niet te aanvaarden. Ongetwijfeld is hierin de chronologische volgorde niet in aanmerking genomen. De namen van de koningen 2 in de achtereenvolgende hoofdstukken zijn er het klaarblijkelijke bewijs van. Maar het lijkt me, dat zelfs daar waar chronologische verwarring is, toch een indeling naar de onderwerpen bestaat en dat deze rangschikking naar de gedachte van de Heilige Geest is.
De eerste vierentwintig hoofdstukken bezitten een karakter, dat verschilt van dat van de hoofdstukken die volgen. Tot aan het eind van hoofdstuk 24 vinden we een redeneren, een zedelijk pleiten met het volk. In hoofdstuk 25 een uitdrukkelijke profetie, dat door Nebukadnezar een oordeel zal komen over verscheidene volken. Dan profetieën die veel van elkaar verschillen en in verband staan met geschiedkundige bijzonderheden.
De hoofdstukken 30-33 bevatten beloften van zekere zegeningen in de laatste dagen. Vanaf hoofdstuk 39 wordt de geschiedenis gegeven van de gebeurtenissen die gevolgd zijn op de inname van Jeruzalem, en de mededeling van het oordeel, dat over Egypte en Babel zal komen. Laten wij nu de verschillende profetieën die het boek van Jeremia omvat, afzonderlijk opnoemen:

hoofdstuk 1; 2-6; 7-10; 11-13; 14-15; 16-17; 18-20; 21-24; 25; 26; 27 (lees in vers 1: Zedekia in plaats van Jojakim);
hoofdstuk 28; 29; 30-31; 32; 33 (verbonden met het voorgaande hoofdstuk); 34; 35; 36; 37-38; 39; 40-44;
hoofdstuk 45; 46; 47; 48; 49:1-6; 49:7-22; 49:23-27; 49:28; 49:29; 49:30-33; 49:34-39; 50-51; 52.

Dit laatste hoofdstuk is niet van Jeremia zelf.

Wanneer het gaat om droefheid, dan is niets meer treffend dan de droefheid van de profeet. Hij is beangst; zijn hart is gebroken. Men ziet tevens hoe God een van nature zwak hart heeft uitgekozen; een hart dat gemakkelijk neergedrukt en ontmoedigd is (zelfs dan als het met Zijn kracht gevuld wordt). Maar God doet dit opdat de angst, de klachten, de droefheid van de ziel, de verontwaardiging van een zwak hart, dat de benauwenis voelt zonder zich ervan te kunnen ontdoen of het te overwinnen, maar dat toch al deze dingen voor Hem uitstort, een getuigenis zou zijn tegen het volk, wiens ingewortelde slechtheid om Zijn wraak riep. De smart van Christus, Wiens Geest Jeremia’s smart werkte, was oneindig dieper. Maar Zijn volmaakte gemeenschap met Zijn Vader maakte, dat de noden, (in het geval van Jeremia tot uitbarsting gekomen in klachten), slechts in het geheim tussen Hem en Zijn Vader tot uitdrukking kwamen. Men vindt zeer zelden de uitdrukking ervan in de Evangeliën. We zien Hem volkomen ongedeeld in genade voor anderen 3.
In de psalmen zien we nog meer wat in Zijn hart omging. In het geval van Jeremia was het gepast deze angst van het getrouwe overblijfsel voor het aangezicht van God tot uitdrukking te brengen. Maar wat de Heer betreft, Zijn absolute volmaaktheid en de kalmte, die door de tegenwoordigheid van God Zijn volmaaktheid op al Zijn wegen vergezelde (wat ook overigens de innerlijke noden van het hart mochten zijn), stonden niet toe, dat Hij zich voor de mensen in klachten zou uitstorten. Hij dankt op hetzelfde ogenblik, waarop Hij verwijten kan. Medegevoel voor anderen paste bij de positie van Jezus. We zien dat onze dierbare Heer hierin nooit tekort is geschoten.
Maar het was ook betamelijk, dat de Heilige Geest ons de uitstorting zou voorstellen van het hart van de gelovige, die aan zulk een medeleven behoefte heeft. Het is natuurlijk niet zo, dat er geen zwakheid was in het hart, dat zich uitstortte. Maar als de Geest het hart opent, dan is het duidelijk, dat Hij het tot uitdrukking moet brengen, zoals het is. Anders zou het nutteloos en verkeerd zijn. Jeremia treedt daarom veel meer persoonlijk in de profetieën op, dan welke andere profeet ook 4. Hij vertegenwoordigt het volk in hun ware positie voor God. Dus de zodanige, die God kon erkennen als zijnde in dit karakter voor Zijn aangezicht, om te zien of het mogelijk was het geweten te treffen en het hart van het volk te winnen, terwijl hij van God ontving wat betrekking heeft op die positie, en uitdrukking gaf aan de gevoelens, die door zulk een positie werden ingegeven. Wij moeten er wel aan denken, dat het tot uitdrukking brengen van deze gevoelens naar de Geest was en dat het gepaard ging met de meest rechtstreekse en stellige profetieën, betreffende datgene wat God over het volk zou brengen.
Het is ook goed om op te merken, dat een groot gedeelte van de inhoud van dit boek zich tot God richt en niet tot het volk. Deze positie van Jeremia als vertegenwoordiger voor God van de ware belangen van het volk of van het overblijfsel, maakt, dat hij nu eens wordt gezien alsof hij Jeruzalem zelf is en dan weer als een overblijfsel, dat van Jeruzalem gescheiden is en voor God afgezonderd.

Maar deze punten zullen beter begrepen worden als we de Schriftplaatsen onderzoeken, die mij tot deze gedachten brachten. De periode waarin Jeremia heeft geprofeteerd, was erg lang. Het omvat de gehele tijd van het verval van Israël; vanaf het jaar na dat waarin Josia begon Jeruzalem en het gehele land te reinigen, tot aan de volledige vernietiging van de stad door het leger van de Chaldeeën. Ja, zelfs verder tot aan de tijd waarin de profeet in Egypte was. Deze periode, die meer dan veertig jaar geduurd heeft, was van het begin tot het einde een periode van ellende en nood. Want ondanks de ware vroomheid van Josia was de omkeer bij het volk slechts een uiterlijke zaak, zoals we dit nog zullen zien. Deze uiterlijke schijn van vroomheid, maakte de kommer en angst van hem, die alles bezag vanuit de zijde van God, des te groter. “En Jahweh keerde Zich niet af van Zijn grote toorn, waartoe de zonden van Manasse aanleiding hadden gegeven”. Toch maakt de profetie onderscheid tussen de tijd van de regering van koning Josia en die van zijn opvolgers.

Er is geen datum aangegeven voor de eerste twintig hoofdstukken. Waarschijnlijk is het grootste aantal hiervan onder de regering van Josia ontstaan. Zedelijke betogen, de zielsmart van de profeet en ernstige waarschuwingen voor de inval die uit het noorden zou komen, zijn de onderwerpen ervan. De hoofdstukken 21-24 bezitten geen chronologische volgorde en bestaan uit profetieën die waarschijnlijk in verschillende tijdvakken zijn gegeven. Zij bevatten het oordeel dat achtereenvolgens over de verschillende geslachten van het huis van David, maar ook over de valse profeten die het volk misleiden, zou komen. Ze eindigen, met ons het zo verschillende lot mee te delen, van hen, die als gevangenen naar Babel werden weggevoerd, en van hen, die met Zedekia in Jeruzalem achterbleven.

Hoofdstuk 1-9

Hoofdstuk 1. Hier zien we hoe de profeet in zijn ambt wordt bevestigd. Al vóór zijn geboorte was hij door Jahweh bestemd om Zijn Woord tot de volken te brengen. Maar al in het begin worden de klachten van Jeremia openbaar. Jahweh bemoedigt hem door hem te verzekeren, dat Hij met hem zal zijn. Jahweh legt hem Zijn woorden in de mond en stelt hem als profeet over de volken aan, opdat hij zou uitroeien en planten.
Twee visioenen worden hem getoond, die in het kort de profetische opdracht, die hem is gegeven, samenvatten en bovendien aankondigen, dat Jeruzalem spoedig door de volken uit het noorden zou worden omsingeld. In deze omstandigheden wordt hij voor een opstandig volk geplaatst dat tegen hem strijden zal. Toch zal hij alles tot hen moeten spreken wat God hem gebieden zou. En Jahweh voegt er – om de bemoediging die Hij aan de profeet had gegeven, nog meer te laten voelen – deze bedreiging aan toe, voor het geval hij ongehoorzaam mocht zijn: indien hij door vrees zou terugdeinzen voor Zijn opdracht, dan zou de Heer een grotere oorzaak van vrees voor hem worden en hij er nog verschrikkelijker aan toe zijn dan zijn tegenstanders; de Heer zou hem verbrijzelen in tegenwoordigheid van hen, voor wie hij vreesde. Maar Hij zegt ook, dat Hij met hem zou zijn, indien hij de taak die hem was toevertrouwd, zou volbrengen.

In verzen 6-8 en 17-18 zien we de vreesachtige geest van de profeet, die het nodig had zo door Jahweh gesterkt te worden.

Hoofdstuk 2. Hier zien we het meest treffende beroep, dat tot het volk in Jeruzalem gericht wordt. Een verklaring hiervan is overbodig. Maar wel verdient het de ernstige aandacht van ons hart. Het getuigt op de meest treffende wijze van de goedheid en tederheid van de Heer. Alleen zien wij hier slechts de vergelijking tussen de tegenwoordige toestand van het volk en wat het als door Jahweh en Zijn wegen van liefde geplant, van het begin af was, maar zonder dat de komst van de Heer ook maar enigszins genoemd wordt. Christus wordt hier niet gezien, noch de voornemens van God, zoals bij de profeet Jesaja, hoewel wij deze later wel zullen aantreffen. Hier wordt veeleer de verantwoordelijkheid van het volk onder de roerende wegen van de Goddelijke genade, die op een volkomen wijze in het daglicht zijn gesteld. En in het volgende hoofdstuk gaat het om de eindzegening.

Hoofdstuk 3 heeft hetzelfde karakter. In wezen is het een voortzetting van hetzelfde betoog. Maar het bevat bijzonderheden over het gedrag van Israël en Juda en kondigt het herstel van Israël aan, dat zou plaatsvinden door de soevereine goedheid, en de zegening van de laatste dagen, als Israël weer tot God teruggekeerd zal zijn. Laten we alleen nog opmerken, dat, voordat de Heer Zijn pleitrede met Israël begint met het oog op hun dwaasheid, Hij eerst opmerkt, dat er niemand was die Hem zocht; niemand die naar Hem verlangde. Noch het volk, noch de priesters zeiden: “Waar is Jahweh?” Want nu het oordeel over Israël is uitgevoerd, kan God Zijn hart in betuiging van genade uitstorten. En dit geeft noodzakelijkerwijze ook een plaats aan Juda, aangezien die twee verenigd moeten worden. Het slot van het hoofdstuk weidt in de meest aangrijpende bewoordingen uit over de geest die door de genade in Israël zal worden voortgebracht, als het volk weer zal zijn teruggekeerd, en over de wijze, waarop God het zal ontvangen. In verzen 23-25 belijdt de profeet de toestand van het volk op het ogenblik, dat hij spreekt. Het is dit hoofdstuk, dat de ernstige mededeling bevat, dat de verandering onder Josia bewerkt, wat het volk betreft, slechts huichelarij was. Deze twee hoofdstukken vormen een soort van algemene inleiding, die de wegen en het oordeel over Israël en over Juda, en hun herstel door de genade, doet uitkomen. In hoofdstuk 1 hebben wij gezien, dat Jeremia in zijn functie van profeet werd bevestigd.

Hoofdstuk 4 neemt het onderwerp van de hoofdstukken 2-3 weer op en past het toe op het volk van die tijd. Het zegt hun, dat, als het terug wil keren, dit naar Jahweh Zelf moet zijn, en dat noch vormelijkheden noch halve maatregelen het volk van enig voordeel zullen zijn. Na vers 4 kondigt de profeet het zekere oordeel van God aan. Het zal uit het noorden komen en met vernietigende werking op Jeruzalem vallen.

Hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk wordt aangetoond, dat de zonde en de ongerechtigheid algemeen zijn: armen en rijken, allen zijn gelijk. Zou Jahweh over die dingen geen bezoeking doen? Toch zal Hij niet algeheel vernietigen. De bron van het kwaad, of ten minste wat dit kwaad onderhoudt, wordt aangewezen. De profeten profeteren vals en de priesters heersen door hun toedoen.

Hoofdstuk 6 zet dit getuigen tegen het kwaad voort. Tegelijkertijd laat het zien, wat de positie van Jeremia was te midden van al deze ongerechtigheden. In verzen 11-26 wordt het oordeel op duidelijke wijze aangekondigd. Het gedrag van de valse profeten wordt opnieuw in het licht gesteld. De komst van Nebukadnezar wordt in deze twee hoofdstukken op duidelijke wijze als een oordeel voorzegd.

Hoofdstuk 7 begint met een nieuwe profetie, in het bijzonder de tempel betreffende, die, in plaats van een bescherming te zijn, (zoals het volk zonder geweten dat wilde), nog een verder bewijs was geworden van zijn ongerechtigheid. Het volk moest maar aan Silo denken, want het huis van God zou ook worden omgekeerd. Juda zou geheel worden afgesneden, zoals dat met Efraïm was geschied, en God wilde niets horen van bemiddeling ten gunste van Zijn volk. Hij wilde gehoorzaamheid en geen offerande. Een volk dat zich aan afgoderij overgaf, maakte alleen maar dat Zijn huis bezoedeld werd, als het er binnenging.

Hoofdstuk 8-9. Maar Israël had nog minder verstand, dan de vogels die tenminste hun gezette tijden kenden, terwijl Israël van het oordeel van Jahweh onkundig was. Van vers 18 tot hoofdstuk 9:2 betuigt de profeet zijn diepe smart. Vanaf het volgende vers kondigt hij het oordeel aan, een oordeel waardoor ook de nabuurvolken getroffen zullen worden. Met het oog op dit oordeel vermaant hij dan ieder zich niet in de mens, maar in het kennen van God te beroemen (hoofdstuk 9:23-24).

Hoofdstuk 10-14

Hoofdstuk 10. In dit hoofdstuk worden de afgoden en de ijdelheden van de volken tegenover Jahweh gesteld. De verzen 19-25 tonen ons de droefheid van de profeet, die van de verwoesting van Jeruzalem spreekt, alsof hijzelf de verwoeste stad was. Hij bidt God of Deze alleen maar kastijden wil en niet afsnijden.
De lezer zal er goed aan doen op te merken, dat, als God Zijn besprekingen met Israël steeds weer opneemt (in hun vorm zijn ze verschillend, maar ze geven geen aanleiding tot veel opmerkingen om ze te kunnen verstaan), dit het meest treffende bewijs is van de goedheid van God, Die herhaaldelijk een beroep doet op een wederstrevend opstandig volk, “vroeg op zijnde”, zoals Hij het Zelf zegt, om het volk Zijn stem te laten horen.

Hoofdstuk 11. Ten aanzien van hoofdstuk 11 moeten we nog enkele opmerkingen maken. God spreekt opnieuw tot Israël op grond van hun verantwoordelijkheid. Hij herinnert hen aan de uitnodiging om Hem te gehoorzamen die sinds hun verlossing uit Egypte telkens opnieuw tot hen gericht is. Hij staat op het punt over het volk het kwaad te laten komen, waarmee Hij het bedreigd heeft. Hij wil niet dat Jeremia tussenbeide zal treden. Toch noemt Hij Israël nog Zijn beminde. Maar waar het nu verdorven is, wat heeft het dan in Zijn Huis te doen? Wat het dan ook voor Hem geweest mag zijn, het oordeel ging komen. Aan het slot van het hoofdstuk neemt Jeremia de plaats in van het getrouwe overblijfsel, dat het getuigenis van God heeft. De positie doet ons voortdurend denken aan die van Christus in de psalmen. We zien de werking van de Geest van Christus dikwijls op duidelijke wijze uitgedrukt, maar naar mijn gevoelen, soms in bewoordingen die meer vermengd zijn met Jeremia’s persoonlijke omstandigheden. Hierdoor zijn ze niet zo diep en benaderen ze de gevoelens van Christus niet op dezelfde wijze als in de psalmen, hoewel het beginsel hetzelfde is. Jeremia was door zijn getrouwheid en getuigenis blootgesteld aan de samenzweringen van de bozen. De Heer openbaart hem deze dingen, en in overeenstemming met de gerechtigheid, waardoor de toestand van het overblijfsel wordt gekenmerkt, roept Jeremia de wraak van God 5 in. Dat zal het middel zijn waardoor het overblijfsel wordt bevrijd. Hij kondigt door het Woord van Jahweh het oordeel over deze boze mensen aan. In Psalm 83 vinden we dezelfde beginselen en dezelfde boosheid in de vijanden van God, alleen zijn daar de vijanden, heidenen (volken) en de gedachtegang gaat wat verder. Israël en het kennen van Jahweh zijn het onderwerp van het gebed in deze psalm. Vergelijk ook hoofdstuk 9 en Psalm 64. Bij Jeremia zien we meer plaats ingeruimd voor de bemiddeling, terwijl de psalm van het oordeel spreekt. Vergelijk ook Psalm 69:7-8 en Jeremia 15:15. Omdat de woorden van de psalm uit de mond van Christus Zelf voortkomen, betreft het verzoek anderen en is oneindig aangrijpender. Als wij deze Schriftplaatsen met elkaar vergelijken, dan zal ons dat helpen het verband te zien, dat bestaat tussen de positie van Jeremia en die van het overblijfsel in de psalmen. We kunnen ook Psalm 73 vergelijken met het begin van hoofdstuk 12. Dit laatste hoofdstuk maakt deel uit van dezelfde profetie als het voorgaande. Jeremia pleit met God ten aanzien van Zijn oordelen, maar op een nederige en onderworpen wijze, wat God ook aanvaardt. God doet dit door hem het kwaad, waarin het volk was gestort, dieper te laten voelen. Een pijnlijke noodzakelijkheid! Maar tegelijkertijd ondersteunt Hij het geloof van de profeet door de persoonlijke belangstelling die Hij voor hem aan de dag legt. Hij doet hem verstaan, dat Hij Zijn erfdeel had verlaten. Daarom moest hij zich niet verwonderen als de dingen zich op die wijze ontwikkelden. Tegelijk openbaart Hij Zijn zegenende bedoelingen met betrekking tot Zijn volk en zelfs tot de volken 6 onder wie zij zouden worden verstrooid, als deze volken de wegen van Jahweh zouden leren.

Hoofdstuk 13 herinnert eraan, op welke wijze God Israël op Zijn hart had gedragen en kondigt het verschrikkelijke oordeel aan, waardoor het volk als het ware dronken zou worden. Tegelijkertijd wordt het door de dreiging van dit oordeel uitgenodigd zich te bekeren. Hij noemt hun wanhopige ongerechtigheid en de diepe smart van de profeet bij het zien van hun hardnekkigheid. (Vergelijk Lukas 19:41). Deze ijver van de profeet voor de heerlijkheid van Jahweh, en tegen het kwaad en het volk, dat Hem onteerde; die aandoenlijke genegenheid voor Israël als het volk van Jahweh, is overal een treffend kenmerk van de werking van de Geest van Christus. Vergelijk Mozes (Exodus 32:27,28,31 en vv.); en Paulus (Romeinen 9 en 10:1; 1 Thessalonika 2:15-16): alleen wordt hier – onder de genade – het oordeel niet ingeroepen. Vergelijk ook Christus Zelf (Mattheüs 23:31-37).

Hoofdstuk 14 heeft betrekking op een hongersnood, die in het land was. De verwoesting van Jeruzalem door honger en zwaard wordt er ook in aangekondigd. Maar let hier op de treffende bemiddeling in verzen 7-9. En ook in verzen 17-22 op de diepe smart van de Geest van Christus, die tot uitdrukking komt door de mond van de profeet. “In al hun benauwdheid was Hij benauwd” (Jesaja 63:9). Let bovendien nog op een ander element van de toestand van het volk, waarnaar de apostel Petrus heenwijst en ook de Heer Zelf met betrekking tot de laatste dagen, namelijk op de valse profeten.

Hoofdstuk 15

Het begin van hoofdstuk 15 is een antwoord op het slot van hoofdstuk 14, maar het bevat een opmerkelijke les en zeer leerzame beginselen. Jahweh zegt, dat al stonden Mozes en Samuel – deze twee geliefde leiders van het volk – voor Zijn aangezicht, Hij het volk toch niet zou kunnen aannemen. Nu, niemand onder al de dienstknechten van God, die voor Zijn aangezicht hadden gestaan ten behoeve van het volk, hadden zo’n grote liefde en geloof om voor Israël te bemiddelen dan deze twee. Wie zou zich thans over het volk erbarmen? Jahweh Zelf zou het verlaten.

Van vers 20 af vinden wij de ware positie van het overblijfsel in een dergelijk geval. Een wel zeer treffende les voor onszelf! De arme Jeremia klaagt over zijn lot te midden van een volk, wiens moeite en nood hij op zijn hart droeg en wiens haat hem tegelijkertijd onophoudelijk en hardnekkig vervolgde. Wij zien in verzen 11-14 dat hij het volk voor God vertegenwoordigt, maar ook dat het getrouwe overblijfsel van de massa van de goddelozen gescheiden is. Van vers 15 af stellen zij zich in deze afgezonderde positie aan God voor, terwijl zij tegelijkertijd al de smart dragen van de wond van het volk, zelfs terwijl het vraagt om het oordeel over de goddelozen, de tegenstanders van de waarheid. Als antwoord worden nauwkeurige aanwijzingen gegeven voor de wandel, die de getrouwe in een dergelijke positie past. Het Woord van God, dat gegeten en in het hart verteerd wordt, is de bron van deze positie (vers 16).

In plaats van de profeet deelgenoot te maken van de geest van de vijanden en spotters, die zich verheugen in de afschuwelijke en huichelachtige toestand van hen, die de naam van “het volk van God” droegen, was de uitwerking van het Woord in zijn hart ongetwijfeld, hem van die toestand van het volk af te scheiden, maar ook om door de liefde, die hij het volk toedroeg, hem af te zonderen alsof hijzelf onder de verontwaardiging van God besloten was, dus alsof hijzelf het volk was. Het Woord, dat de relaties tussen God en het volk openbaarde en hun hun voorrechten en plichten toonde, noodzaakte de getrouwe de toestand van het volk te veroordelen en er al de gevolgen van te voelen, in het bewustzijn, dat het een oordeel van Jahweh zou zijn. Voor zijn hart was dit een des te verschrikkelijker oordeel, omdat hij voelde hoe een nauwe band van liefde en zegening van God de normale toestand van het volk was. “U hebt mij met gramschap vervuld”, is de taal van de profeet (verzen 17-18).

In verzen 19-21 worden nauwkeurige voorschriften van God gegeven ten aanzien van die toestand. God richt Zich ook tot Jeremia, alsof deze het volk was, dat hij zó in de geest voor Zijn aangezicht vertegenwoordigde en tegelijkertijd naar zijn persoonlijk geloof. Hij zegt allereerst: “Als u terugkeert, laat Ik u terugkeren, u zult voor Mijn aangezicht gaan staan”. Zo’n geopende deur, (open totdat de mens haar sluit) zien wij altijd in de wegen van God, hoewel Hij heel goed weet, dat de mens er geen gebruik van zal maken.

Is dan alles wat gedaan moet worden: het opstandige volk uitnodigen terug te keren? Terwijl het woord “heden” (Psalm 95) nog van kracht is en de deur geopend is? Nee, er is nog iets anders voor de getrouwe te doen en dat is het tweede leidende beginsel: “Als u wat kostbaar is, afscheidt van wat waardeloos is, zult u als Mijn mond zijn”.
Zie hier, te midden van het verval, veroorzaakt door de opstandigheid van het volk van God, het zeer bijzondere werk van de getrouwe, die doordrongen is van het Woord. Als het verlangen van zijn ziel de weergave is van dat Woord en van de genegenheden van God, die erin geopenbaard worden, kan hij dan het volk in zijn geheel als boos verwerpen? Dat is onmogelijk! Kan hij het volk in zijn staat van opstandigheid (wat zoveel erger is, omdat het aan God toebehoort) aannemen? Evenmin. Hij moet leren datgene te doen wat God doet: rekening te houden met alles wat goed is, en, als het al te laat is om alles te behouden, nooit te veroordelen dat wat van God is. Het allesdoordringende oog van God verliest dit nooit uit het gezicht. De genegenheden van de profeet gaan ook naar deze dingen uit.

Maar God heeft Zijn eigen gedachten en Hij handelt in overeenstemming met Zijn eigen wil. Hij legt beslag op dat wat kostelijk is, erkent het en scheidt het af van wat verachtelijk is. Dit is niet bepaald het oordeel van God ten opzichte van het kwaad. Maar als het oordeel dreigt met het oog op het kwaad, brengen de energie van de Geest en de kracht van het Woord ons ertoe ons met het goede bezig te houden, het te onderscheiden, het van het kwaad te scheiden, voordat het oordeel komt. Satan zal, als hij kan, het goede met het kwade vermengen. Zij die weten hoe het te scheiden zullen als de mond van God zijn. God zal de scheiding door het oordeel tot stand brengen door het kwade te slaan. In de gelovige zal de Geest van God het doen, door wat kostelijk is te scheiden van het snode.

Er is nog een derde beginsel. Als men eenmaal door geestelijk inzicht het pad van opstand verlaten heeft, mag men er geen enkel ogenblik aan denken weer tot hen terug te keren. “Laten zíj terugkeren naar u, maar ú mag niet terugkeren naar hen”. God zal de getrouwe in deze positie als een koperen muur stellen. De opstandigen, die zich beroemen op de naam van “volk van God”, zullen strijden tegen Gods trouwe dienstknecht, maar zullen niet overwinnen, want Jahweh is met de getrouwe. Aan Jeremia wordt zijn bevrijding beloofd.

Al deze dingen, waarvan de directe toepassing de profeet betreft, houden voor ons de meest kostbare lessen in. Ze bevatten het beginsel, waardoor wij in soortgelijke omstandigheden geleid kunnen worden. Geduld is noodzakelijk, maar de weg is op duidelijke wijze aangegeven. Van de zijde van God is er altijd een open deur. Als wij wat kostelijk is afscheiden van het snode, dan maakt ons dat tot de mond van God. Er is een absoluut verbod weer tot de ontrouwen terug te keren. Dat zijn de beginselen die God hier stelt. Het Woord, dat in het hart opgenomen is, is hun bron. Maar tevens zien we, hoe deze beginselen in het geheel niet het verachten van het volk in verval tot gevolg hebben. Integendeel, het hart van de getrouwe neemt alle smart op zich van de positie waarin zich het volk van God, of zij die officieel die plaats innemen, bevinden.

Hoofdstuk 16-18

Hoofdstuk 16. In dit hoofdstuk onderwijst Jahweh Jeremia om elke familierelatie met het volk te vermijden en elk medeleven ten opzichte van wat in het midden van dit volk voorviel na te laten. Want Hijzelf had volkomen met Israël gebroken. Hij zou elk bewijs van medeleven ten aanzien van het volk doen ophouden en hen uit zijn land drijven. Maar uiteindelijk zou Hij, wegens de grootte van het kwaad, dat Hij over het volk zou brengen, de bevrijding uit Egypte doen vergeten door de nog veel grotere bevrijding van dit kwaad zelf. Want uiteindelijk zal God in genade handelen en Zijn volk troosten. Maar eerst zal Hij hen hun ongerechtigheden vergelden. Uiteindelijk zullen de volken zelf komen en de ware God, de God van Israël erkennen.

Hoofdstuk 17. In deze ernstige omstandigheden was het van het allergrootste belang vertrouwen te hebben in Jahweh. Hij die dat vertrouwen miste en daarom op de arm van het vlees zou steunen zou het niet zien als het goede kwam. Voor het ogenblik was de toorn van God ontbrand en zou niet meer geblust worden. Hoe kon men op een bedrieglijk en boos hart vertrouwen? Jahweh doorgrondt alles om elkeen naar zijn werken te vergelden. De profeet werpt zich, in de naam van het volk, in de armen van Jahweh, en met het oog op de boosheid van de tegenstanders, die het getuigenis van God bespotten, doet hij een beroep op God. Hij had de vreselijke dag, die hij aankondigde, niet gewenst. Evenmin had hij uit eigen beweging de vreedzame zorgen, die hij aan het volk verschuldigd was, nagelaten om God in dit getuigenis te volgen. Hij vraagt aan God, Wiens verschrikkelijk oordeel het volk moest verstrooien, dat dit oordeel voor hemzelf geen schrik moge zijn. God was al zijn hoop in de dag van het onheil. Wat een beeld van de toestand van het overblijfsel in de laatste dagen; en in alle tijden van het deel van hem die getrouw is, terwijl het volk niet naar zijn getuigenis wil luisteren. Toch opent God in Zijn grote geduld voor het volk en zijn koning de deur tot berouw, indien zij nog oren hebben om te horen, omdat het nog steeds het “heden” van de genade is.

Hoofdstuk 18. Deze geopende deur tot berouw wordt in hoofdstuk 18:1-10 volkomen bewezen. Maar het volk, dat aan God wanhoopt en stoutmoedig is in het kwaad, veracht de wonderbare lankmoedigheid van God en geeft zich over aan het kwaad waardoor satan hen van hun hoop in God berooft. God kondigt door de profeet Zijn oordeel aan en door diens getuigenis openbaart zich het vertrouwen, dat een verhard geweten gevoelt in de zekerheid en onveranderlijkheid van de voorrechten en zegeningen, verbonden aan de verordeningen, waarmee God Zijn volk had begiftigd en waarmee Hij uiterlijk deze zegeningen had verbonden, die de relaties van dit volk met Hem in stand hielden. Wat een verschrikkelijk tafereel van verblindheid! De kerkelijke invloed is altijd het grootst op het ogenblik van de verharding van het geweten tegen het getuigenis van God, omdat het ongeloof, dat uiteindelijk beeft, zich verschuilt achter de vermeende stevigheid van wat God heeft gevestigd. Het richt uit de afvallige vormen een muur op tegen de God, Die door deze vormen verborgen wordt, terwijl ze aan deze voorschriften de onveranderlijkheid van God Zelf toeschrijven. Het geweten spreekt te duidelijk om aan het ongeloof de hoop te laten, dat het tussen hem en God nog wel goed is, zelfs dan als God Zijn hart voor hem opent. Er is geen hoop meer, zegt het ongeloof en het gaat dan voort om kwaad te doen. Ja, het zegt: “Het onderwijs in de wet verdwijnt niet met de priester, evenmin het geven van raad met de wijze”, en waar het volk naar de valse profeten luistert, wordt er nog aan toegevoegd: “noch het woord van de profeet”.
Ik vind de waarschuwing van dit hoofdstuk zeer ernstig. Het is nauwelijks mogelijk een meer verschrikkelijk tafereel van de toestand van het belijdende volk voor te stellen. De profeet roept om het oordeel over hen. Hij spreekt in de geest van het overblijfsel, dat met voeten getreden wordt door de boosheid van de tegenstanders van de Heer.

Hoofdstuk 19-23

Hoofdstuk 19-20 beschrijven ons het oordeel over Jeruzalem in bewoordingen, die niet veel verklaringen behoeven. Hoofdstuk 20 geeft ons een voorbeeld van de tegenstand van de priesters en van het lijden van Jeremia. Maar dit belet Jeremia niet, om wat hij had gezegd van Jeruzalem, de priesters zelf aan te zeggen en het te herhalen. Toch zien we de uitwerking van dit lijden op zijn hart. Hij werd als door Jahweh gedwongen dit getuigenis te geven. Hij heeft, evenmin als het overblijfsel, de gewillige geest zich door de macht van de Heilige Geest in het lijden te verblijden. Hij is het voorwerp van voortdurende spotternijen. Men bespiedde hem om hem maar iets te kunnen verwijten, zodat hij niets liever wilde dan maar zwijgen. Maar het Woord van Jahweh was als een vuur in zijn beenderen.

Helaas! Wij begrijpen alles: de grote ongerechtigheid van de mensen, die de naam van “volk van God” dragen; de wijze waarop een zwak hart terugdeinst voor deze ongerechtigheid, die noch hart noch geweten heeft; en hoe in die omstandigheden het Woord te sterk is in ons dan dat men het in zijn eigen hart opgesloten zou kunnen houden. Maar bij al zijn vrees had Jeremia toch het bewustzijn, dat Jahweh nog steeds met hem was en hij vraagt om wraak (die in feite bevrijding is en wel de enige bevrijding van hen, die het getuigenis van Christus in een dergelijke situatie bezitten). Deze bevrijding wordt in vers 13 bezongen, maar in verzen 14-18 zien wij, hoe ver de persoonlijke droefheid de zielen kan drijven, die een soortgelijke beproeving moeten ondergaan.

Hetzelfde zien we bij Job – een beeld van dezelfde toestand, namelijk de toestand van een ziel, die door al de boosheden van satan beproefd wordt, zonder de volle kennis van de genade in het bewustzijn, dat zij zelf niets is, en het vergeten van zichzelf. Precies dezelfde toestand zal in de laatste dagen bij het overblijfsel gevonden worden. Christus is het voorbeeld van de volmaaktheid, in dat wat beantwoordt aan deze omstandigheden van beproeving, waarvan Hij de werkelijkheid volkomen ondervond en voelde, toen Hij voor anderen moest ondergaan wat de grondslag werd van de genade voor hen.

Hoofdstuk 21-22. Toen Zedekia liet vragen, of de Heer ten gunste van het volk zou ingrijpen tegen Nebukadnezar, heeft de Geest van God de getuigenissen verzameld die gegeven waren ten aanzien van al de leden van het geslacht van David, die om zo te zeggen bij de ondergang van Jeruzalem een leidende rol hadden: Joahaz (hoofdstuk 22:10); Jojakim (verzen 13-19); Jechonia (verzen 20-30). Het oordeel over Zedekia was in hoofdstuk 21 uitgesproken en nadat er, zoals we op een andere plaats gezien hebben, aangekondigd is dat de deur voor berouw altijd open was, en de zegen altijd afhankelijk was van de wandel met God (21:12; 22:1-5), wordt het oordeel opnieuw uitgesproken en de vonnissen over de verschillende koningen van de zijde van God meegedeeld.

Hoofdstuk 23. Ten slotte zien wij (hoofdstuk 23) hoe de verontwaardiging van Jahweh tegen deze slechte herders aanleiding geeft tot de mededeling, dat Hij een Herder zal verwekken, Die naar Zijn hart zal zijn, de ware Zoon van David, de Messias. De gerechtvaardigde verontwaardiging en het oordeel van God worden in de meest krachtdadige bewoordingen tot uitdrukking gebracht.

Hoofdstuk 24-25

Hoofdstuk 24. In dit hoofdstuk trekken twee dingen onze aandacht. Ten eerste: onderwerping aan het oordeel als God dit uitvoert, is het bewijs van inzicht in Gods Woord; een bewijs van ware geestelijkheid. Als er geen geloof is, steunt men niet op de onveranderlijkheid van de beloften, maar (onder het voorwendsel van de beloften) op de onveranderlijkheid van de verordeningen en geboden en op de betrouwbaarheid van de mensen die ze genieten. Zij die zich aan dit oordeel van God over de ontrouw van de mens onderwerpen, zullen van de volle en volkomen uitwerking van deze beloften genieten, want het is onmogelijk, dat God ten opzichte daarvan ontrouw zou zijn. Bovendien is het duidelijk, dat het oordeel waarvan hier sprake is leidt tot het genieten van deze beloften en het terzijde stellen van de verordeningen en geboden, waarvan God niet had gezegd, dat ze van blijvende aard zouden zijn, maar wel, dat, indien de mens zich aan die geboden zou houden en dus getrouw was, hij ook van de beloften zou genieten.

Het tweede dat hierop te merken valt is, dat, als God het geloof wil bemoedigen van hen, die zich aan Zijn oordeel onderwerpen (en door deze onderwerping komen zij tot de heilige overtuiging, dat de mens het oordeel heeft verdiend), Hij niet eerder rust, dan wanneer de beloften geheel en al zijn vervuld. Deze vervulling nu hangt van Zijn getrouwheid af, hoe ontrouw de mens ook moge geweest zijn. En de mens kan en zal er slechts van genieten door een werk van God in hem, waardoor hij in een toestand wordt geplaatst, die bij de vervulling van deze beloften past (zie verzen 6-7).
De positie van het volk, in de tijd dat Jeremia profeteerde, verschafte een prachtige gelegenheid voor het ontwikkelen van deze twee beginselen. Want het volk alsmede het huis van David hadden volkomen gefaald in hun getrouwheid tegenover God. Het is zeer bedroevend en zeer vernederend als men moet erkennen, dat de vijanden van God gelijk hebben. De enige troost is, dat God gelijk heeft (Ezechiël 14:22-23), en dat Hij ten slotte onmogelijk kan tekortschieten in het vervullen van de beloften van Zijn genade.

Hoofdstuk 25 sluit, om zo te zeggen, dit gedeelte van de profetie af, door een algemene samenvatting te geven van de oordelen van God over de aarde, door het in de hand van Nebukadnezar te geven. De directe toepassing op de gebeurtenissen die al vervuld zijn, biedt geen grote moeilijkheid. Moeilijker wordt het, als men er ook een zinspeling op de laatste dagen in zoekt. In de eerste plaats wordt Israël, voor wie de deur nog steeds geopend was geweest, geoordeeld. Het hoofdstuk begint met de aankondiging van het oordeel van God over Jeruzalem, omdat het geen gevolg had willen geven aan de uitnodiging tot berouw, die gedurende drieëntwintig jaar tot haar was gekomen. Men bemerkt hier ook hoe verhard het hart van het volk is, dat blijft volharden in het kwaad en weigert zijn hoofd te buigen voor het getuigenis van God, hoewel God Zich alle moeite getroost heeft (als men het zo mag zeggen) om het te waarschuwen. En inderdaad, het zijn Gods eigen woorden: “Ook heeft de HEERE tot u al Zijn dienaren, de profeten, vroeg en laat gezonden, maar u hebt niet geluisterd” (25:4; zie 2 Kronieken 36:15).
Jahweh had het volk altijd een volledige en overvloedige zegen aangeboden als het zich maar bekeerde, maar het wilde niet. De profeet kondigt aan, dat Jahweh al de volken van het noorden – onder leiding van Nebukadnezar – zal laten optrekken tegen Jeruzalem en tegen de buurlanden, die de beker van het oordeel – door Jahweh voor hen gemengd – zeker geheel en al zouden hebben te drinken. Jeruzalem zou de koning van Babel zeventig jaar dienen en hierna zou de koning van Babel zelf geoordeeld en gestraft worden, zoals Jeremia tegen al deze volken had geprofeteerd. Want het oordeel dat bij Jeruzalem moest beginnen zou een oordeel voor alle volken zijn. Wat direct gebeuren moest was het oordeel over de volken, die rondom Palestina gelegerd waren en vervolgens dat over Babylon, dat het werktuig was van dat oordeel. Want het feit, dat de stad die naar de Naam van Jahweh genoemd was, verwoest moest worden, hield in zich, dat alle volken geoordeeld zouden worden.

Wij zien dus, dat volgens de zinnebeeldige handeling van de profetie alle volken die in verbinding waren met Israël, dus alle volken die in die tijd bekend waren, genoodzaakt worden de beker te drinken. Maar de uitdrukkingen die de profeet gebruikt sluiten al de volken van de aarde in. De geschiedkundige toepassing van vers 26 gaat niet verder dan tot wat plaatsvindt door Nebukadnezar, koning van Sesach, die de beker moest drinken na de anderen. Het hoofdstuk bevat echter een beginsel van algemeen oordeel. Het kwaad, dat allen zal treffen, wordt ons in verzen 29-38 uiteengezet. De enige vraag die nog zou kunnen opkomen is deze: heeft bij deze latere verwoesting van alle koninkrijken van de aarde, de uitdrukking “koning van Sesach” betrekking op een volk, dat hetzelfde gebied bezit, als eenmaal Nebukadnezar, of wordt uitsluitend Nebukadnezar ermee bedoeld? Ik twijfel eraan of die uitdrukking wel betrekking heeft op anderen dan op deze koning 7. Het tafereel van algemeen oordeel sluit het eerste deel van de profetie af. Wat volgt, geeft ons details en bijzondere gevallen 8.

Hoofdstuk 26-29

Hoofdstuk 26 begint deze series van bijzonderheden door een profetie, die verband houdt met het begin van de regering van Jojakim. Het volk, dat al in de zonde leeft, wordt gewaarschuwd, dat het nog ontkomen kan, als het zich maar bekeert. Wij hebben voortdurend gezien, hoe de profetieën van Jeremia hierdoor worden gekenmerkt. Het was alsof God zei: “Heden, als u Mijn stem hoort”. De omstandigheden maakten deze oproep tot berouw dringend noodzakelijk. Want het was inderdaad zo, dat, als Israël zich niet zou bekeren, het huis van Jahweh als Silo zou worden. We vinden hier wat God waarschuwend tot de profeet had gezegd. Men strijdt tegen hem, maar, zoals Jahweh hem had beloofd, men zou hem niet overweldigen.

Men ziet hier, dat het de kerkelijke partij is, die het volk ophitst tegen het getuigenis van God, dat Hij door de mond van de profeet geeft. Maar God doet het hart van de vorsten en van het volk ten gunste van hem keren. Er waren er ook nog, die rekening hielden met de wegen van Jahweh. Hun inzicht was niet erg groot, maar genoeg voor redding. Ze vreesden God. Men kan hier opmerken, dat het geweten het Woord van God in zijn directe toepassing had begrepen. Ongetwijfeld zou het kwaad steeds groter vormen gaan aannemen en, als het eenmaal tot rijpheid kwam, zou het oordeel zich voltrekken, want God slaat niet voordat de ongerechtigheid haar hoogtepunt heeft bereikt. Dan, op dat tijdstip, zou de profetie tot vervulling komen. Maar het geweten neemt, onder de invloed van het Woord, kennis van de beginselen die erdoor geoordeeld worden, zelfs dan als nog niet alles rijp is voor het oordeel en daarom dit laatste voor het ogenblik wordt uitgesteld (zie verzen 18-19).

De hoofdstukken 27-28 behoren bij elkaar. Het hoofdonderwerp is de onderwerping aan het hoofd van de volken (heidenen) die God van de Joden verlangde. Maar voordat ik hierbij stilsta, wil ik wijzen op de zorgen die God voor Zijn volk heeft. Hij waarschuwt Israël op elke nieuwe schrede, die het in de richting van het oordeel doet.
Men zal zich herinneren, hoe Zedekia dit oordeel over zich gehaald heeft door tegen de koning van Babel op te staan. In het begin van zijn regering, zendt Jahweh door Jeremia, Zijn Woord aan al de koningen van de nabuurlanden, evenals aan Zedekia zelf, om ze te waarschuwen dat zij zich hadden te onderwerpen. Als zij zich onderwierpen, zouden zij in vrede in hun landen kunnen blijven. In het tegenovergestelde geval zouden zij worden verdreven en omkomen.
Laten wij thans eens zien, welke plaats God, als Schepper van de aarde, mensen en beesten, aan de koning van Babel geeft. God heeft voor een bepaalde tijd de volken, en zelfs de beesten van het veld, in de hand van Nebukadnezar overgegeven. Hij vestigt deze macht, die bestemd was om over alles te heersen en het middelpunt van allen te vormen. Daarom zou elk land, dat zich niet onderwierp, zich tegen God Zelf verheffen en verpletterd worden. Vergelijk Daniël 2:38, waar de vogels van de hemel nog aan zijn gezag zijn toegevoegd. Alles wat op aarde was, werd aan deze koning van de aarde, het keizerlijke hoofd uit de volken genomen, onderworpen. Het was een door God gewilde regering. God had Jeruzalem verlaten en beschermde het niet langer, tenzij het zich aan die regering zou onderwerpen.

Het schijnt alsof de koningen van de omliggende landen een of andere samenzwering met Zedekia hadden gesmeed om het juk van de koning van Babel af te werpen. Het zenden van hun gezanten was de gelegenheid waarbij de profetie wordt gegeven, waarin God Zijn wil bekend maakt, dat allen zich aan dat juk hadden te onderwerpen, want Hijzelf legde hun dit juk op.

Het feit, dat God de macht in deze wereld aan een mens heeft toevertrouwd, is wel zeer merkwaardig. In het geval van Israël is de mens op de proef gesteld op grond van gehoorzaamheid aan God. Hij bleek niet bekwaam, te genieten van de zegen die op gehoorzaamheid gevolgd zou zijn. Nu geeft God deze rechtstreekse regering van de wereld op, hoewel Hij de soevereine Heer in de Hoge blijft. Hij verwerpt Israël, die Hij gekozen had uit de volken, die rondom dat volk en de troon die Hij in haar midden had gesteld, gegroepeerd had en onderwerpt de wereld aan één hoofd. Op deze wijze vertrouwt Hij de macht toe aan de mens en stelt hem opnieuw op de proef om te zien of hij die God zou willen erkennen, Die hem macht had gegeven, en of hij de mensen die aan hem onderworpen waren, gelukkig zou maken, als hij in deze wereld kon doen wat hij ook maar wilde.

Ik wil hier niet op de bijzonderheden van de geschiedenis van deze beproeving van de mens ingaan. Ze behoren tot de studie van het boek Daniël. Wij weten dat de mens gefaald heeft. Onverstandig en vermetel als hij was, heeft hij de wereld verwoest en het volk van God onderdrukt, Zijn Heiligdom met voeten getreden en voor zichzelf een oordeel bereid, dat des te verschrikkelijker zal zijn, omdat satan hem zal aanzetten het te weerstaan en hem in zijn opstand zal bijstaan. Nebukadnezar alleen beantwoordt in elk opzicht aan het voorgaande beeld. Hij is het hoofd van goud. God had hem rechtstreeks de regering over de wereld toevertrouwd. Cyrus nam persoonlijk een bijzondere en in zekere opzichten eervollere plaats in. Maar het keizerrijk van de Perzen had alleen maar te vervangen wat al bestond. De oorsprong en het karakter van de macht worden steeds meer bedorven, naarmate men zich van God en van Zijn gave verwijdert.
De valse profeten verzetten zich evenals de valse leraars tegen de waarheid, en juist in dat punt waardoor God Zijn volk op de proef stelt. Zij kunnen zich van al de andere delen van de waarheid bedienen om te misleiden en doen het voorkomen, alsof zij daarin toenemend geloof hebben. Het is duidelijk, dat de verborgenheid van de Heer niet met hen is. Maar wat de uiterlijke schijn ook mag zijn, zij kunnen God niet tegenhouden, noch Hem van de weg die Hij gaan wil, doen terugkeren. De positie van de ware profeet is ondertussen moeilijk geworden. Het mag lijken, dat hij voor het ogenblik tot zwijgen is gebracht, want de populaire leugen heeft het hart van het volk in bezit genomen. Jeremia is verplicht geworden heen te gaan. Gedurende de strijd tussen de waarheid en de leugen komt God evenwel dikwijls tussenbeide door bijzonder duidelijke getuigenissen. En zo is het hier. De taak van de profeet met betrekking tot de regering van de wereld en de wandel van het volk, is altijd het brengen van het getuigenis, dat ongerechtigheid met het oordeel bestraft zal worden.

Hoofdstuk 29. Aan de andere kant vertroost de profeet hen, die door het oordeel van God onderworpen zijn aan het juk, dat Hij hun heeft opgelegd. De Joden in Babel moeten in vrede wonen en de vrede en welvaart van de stad zoeken, waarin zij als gevangenen leven. De tijd van de bevrijding zal komen, maar de geest van opstand zal worden gestraft. Ten slotte zien we, dat, nadat bij het volk wordt aangedrongen om zich aan het oordeel te onderwerpen, God Zijn eigen gedachten van genade bekend maakt. Deze onderwerping was noodzakelijk, gezien de zonde van Israël, want God moest Zijn eigen karakter handhaven en kon Zich niet één maken met de gedragingen van een opstandig volk. Maar het was nodig, dat Hij Zich openbaarde in Zijn genade, zoals Hij was. De uitvoering van het oordeel en de staat van verval waarin Israël zich bevond, deed de gehele waarheid en al de glans van de genade van God zoveel te meer uitkomen.
Enige bijzonderheden van de omstandigheden die de uitvoering van het oordeel begeleiden en de omvang van zijn uitwerking verdienen onze aandacht, alsmede het karakter dat God hierin ontplooit.

Hoofdstuk 30-38

Hoofdstuk 30. In dit hoofdstuk draagt God aan Jeremia op om de woorden van het oordeel, die hij had gehoord, in een boek te schrijven, want God wilde het volk weer herstellen. Als deze bevrijding komt, zal Israël zich in het diepst van de ellende bevinden. Dit is het eerste dat aan de profeet getoond wordt. Geen enkele dag is met deze dag van de verdrukking van Jakob te vergelijken. Het is de dag waarvan Mattheüs 24 en Markus 13 spreken. Maar als de nood het hoogst is, komt God Zijn volk te hulp en zal het bevrijden. En nu, nadat God Zijn oordeel heeft uitgevoerd, en in overeenstemming met Zijn eigen raadsbesluiten in genade handelt, zal de bevrijding van het volk geheel volkomen zijn. Israël zal Jahweh, zijn God, en David, zijn koning, dienen. Het verval was volledig en de wond ongeneeslijk (vers 12). Er was geen middel, dat deze wond kon genezen. Het was God, Die Zijn volk geslagen had wegens de veelheid van zijn zonden. Evenwel is Hij met Zijn volk om het te redden en daarom zullen al de volken, die van de toorn van God voordeel hebben getrokken om Israël te verscheuren, zelf verteerd worden. Sion zal weer op zijn oude fundament opgebouwd worden. Blijdschap en vrede zullen in zijn woningen heersen. De regeerders van het volk zullen uit zijn eigen kinderen voortkomen.

Israël zal het volk van Jahweh zijn en Jahweh zal zijn God zijn. En ten slotte vinden wij hier een beginsel, dat we al op duidelijke wijze bij Jesaja hebben gezien, namelijk dat het oordeel over de bozen zou komen. Dat wil zeggen dat dit oordeel allereerst zou plaatsvinden om het volk van God te slaan, omdat het boos was en het de gevolgen daarvan moest ondergaan. Maar waar de bozen zich ook zouden bevinden, dit oordeel zou hen treffen. Daar waar het dode lichaam zou zijn, daar zouden ook de arenden vergaderd worden.

Hoofdstuk 31. Maar het was niet alleen Juda (tot wie Jeremia zijn profetieën richtte) die hersteld moest worden. Al de geslachten van Israël zouden van deze zegening genieten. Jahweh zou hun God zijn en zij zouden Zijn volk zijn. Enkele woorden zullen voldoende zijn om de aandacht van de lezer op de voornaamste punten van deze heerlijke profetie te vestigen. Alle stammen horen erbij, maar dan staande in een vernieuwde betrekking met Sion. Dit is een bevrijding door Jahweh gewerkt en daarom een volledige verlossing. Het genot ervan wordt niet gehinderd door zwakheid. Het is een bevrijding, die het hart doet smelten en tranen en smekingen voortbrengt, maar die elke oorzaak tot wenen zal wegnemen. Er blijven alleen maar de tranen van blijdschap over, die de genade gewerkt heeft. De Israëlieten zullen niet meer kwijnen. Hun ziel zal zijn als een bevochtigde hof. Zij zullen met de goedheid van Jahweh verzadigd worden. Efraïm heeft berouw gevonden en God wil hem laten voelen, dat Hij hem nooit vergeten heeft. De Heer heeft altijd aan Zijn afgedwaald kind gedacht. Juda zal de woonplaats van gerechtigheid zijn en de berg van Zijn heiligheid. Dit alles zal op grond van een nieuw verbond plaatsvinden en dus niet naar het verbond, dat gegeven werd bij het verlaten van Egypte. De wet zal in hun harten geschreven worden. Allen zullen Jahweh kennen en aan geen van hun zonden zal in eeuwigheid meer gedacht worden. Als God de verordeningen van de schepping zou omverwerpen, dan zal ook Israël verworpen worden wegens alles wat het heeft gedaan. Ten slotte kondigt de Heer in bijzonderheden het herstel van Jeruzalem aan.

Ik wil er nog aan toevoegen, dat ik in vers 22 niets anders kan zien dan de uitdrukking van zwakheid. Israël zwak als een vrouw, zal alle kracht bezitten en erboven uitgaan, ziende dat kracht zich openbaart in dat wat de uiterste zwakheid is.

Hoofdstuk 32. De hoofdstukken 30 en 31 geven in het algemeen het profetische getuigenis van het herstel van Israël. Hoofdstuk 32 past het toe op de omstandigheden van de in Jeruzalem belegerde Joden en neemt aanleiding uit de aanstaande ondergang die hen bedreigt door de aanwezigheid van Nebukadnezar om de onveranderlijke raadsbesluiten van God in genade, tegenover hen aan te kondigen. Jeremia had gezegd, dat de stad ingenomen zou worden en Zedekia als gevangene weggevoerd. Maar Jahweh had hem gezegd een akker te kopen, als bewijs, dat het volk zeker zou terugkeren. De ongerechtigheid van het volk en van de stad, vanaf het begin, wordt in het daglicht gesteld. Nu echter de wanhoop van de zonde heel goed zijn ondergang voorziet, kondigt Jahweh niet alleen een terugkeer uit gevangenschap aan, maar bovendien de volkomen algenoegzaamheid van Zijn genade. Hij zal het volk één hart geven om Hem voor altijd te dienen. Hun betrekking met God, als Zijn volk, zal volkomen hersteld worden in de kracht van een eeuwig verbond. Jahweh zal er Zijn welbehagen in vinden hen goed te doen. Hij zal het met heel Zijn hart en met heel Zijn ziel in het land planten. Hij is het, Die het kwaad – door het oordeel – liet komen; Hij is het ook, Die al het goede gaat doen, dat Hij heeft aangekondigd.

Hoofdstuk 33 bepaalt zich – hoewel het getuigenis van deze zegeningen erin wordt herhaald – voornamelijk bij de aanwezigheid van de Messias. Het kondigt aan, dat aan David een Spruit van gerechtigheid zal opkomen, Die gerechtigheid en oordeel op aarde zal uitvoeren. Juda zal verlost worden en Jeruzalem zal onbezorgd wonen. De naam van Jeruzalem zal zijn: Jahweh, onze gerechtigheid. Geen zoon zal aan David op de troon van het huis van Israël (dus niet alleen op die van Juda) ontbreken, noch aan het huis van Levi priesters. Eerder zou het verbond van Jahweh met de hemelen en de aarde verbroken worden, dan dit verbond met David. Wat de wanhoop van het volk ook mocht zijn, Jahweh zou Jakob nooit verwerpen, noch David Zijn dienstknecht. Hij zal Zijn gevangenen doen terugkeren en barmhartigheid over hen hebben.

De lezer zal opgemerkt hebben hoe volledig deze bekendmaking van de verlossing in haar onderdelen is: eerst wordt Juda (om wie het toen voornamelijk ging) genoemd, daarna geheel Israël, vervolgens het land, en dan de Messias en het priesterschap. Als een troost voor hen die te Babel zijn, worden de Joodse gevangenen bemoedigd met een zekere hoop op hun berouw (hoofdstuk 29); maar in het algemeen zien we, dat Juda met Israël verenigd wordt in dezelfde verlossing. Zij worden als één geheel gezien. Met uitzondering van hoofdstuk 31:23-24, nadat Efraïm al in de voorgaande verzen in het bijzonder was onderscheiden, en hoofdstuk 33:7,10,16, waar het gaat om de aanwezige genade ten gevolge van het beleg, wordt Israël na hoofdstuk 29 steeds het eerst genoemd, als er sprake is van deze twee volken, en God roemt Zich in de naam van “God van Israël”.

Jeremia spreekt niet van de verwerping van de Messias. Hij houdt zich bezig met de toen aanwezige zonden en met de raadsbesluiten voor de toekomst, waarin de Messias op het toneel komt.

Met dit hoofdstuk eindigt het tweede deel van het boek Jeremia, waarin ons dus de uitwerking van de volkomen genade van God tegenover het in verval geraakte Israël wordt meegedeeld; een uitwerking die naar de raadsbesluiten van liefde verwezenlijkt zal worden en die in overeenstemming met die raadsbesluiten volmaakt zal zijn.

Hoofdstuk 34. Ter gelegenheid van een hernieuwde openbaring van ongerechtigheid, kondigt de profeet het zekere verderf van het volk aan. Zedekia echter zal – ofschoon hij als gevangene naar Babel is weggevoerd – daar in vrede sterven 9. In de hoofdstukken die volgen, vinden wij enkele bijzonderheden over de hardnekkige opstand, die geleid heeft tot de verwoesting van Jeruzalem en van geheel Juda.

Hoofdstuk 35. De gehoorzaamheid van de Rechabieten wordt hier in het daglicht gesteld om nog meer de zonde van Juda te doen uitkomen, dat volhardde in de ongehoorzaamheid, ondanks de vermaningen en het geduld van God. God vergeet niet de gehoorzaamheid, die Zijn Naam verheerlijkt. De familie van de Rechabieten zal nooit ophouden te bestaan.

Hoofdstuk 36 geeft ons nog een voorbeeld van de hardnekkigheid waarmee de koningen van Juda het getuigenis en de roepstem van God verachten. Jeremia is van zijn vrijheid beroofd, maar God faalt nooit in de middelen om Zijn getuigenis tot de mensen te richten, hoe zij ook pogen daaraan te ontkomen. Baruch wordt gebruikt om de profetie van Jeremia op te schrijven en voor te lezen. In de eerste plaats aan het volk, daarna aan de vorsten en ten slotte aan de koning zelf. De koning echter, in zijn slechte wegen verhard, vernietigt de rol. Jeremia laat dan, op aanwijzing van God, dezelfde woorden neerschrijven met nog andere woorden erbij, want God, in Zijn goedheid, verzuimt geen enkel middel om het geweten van het volk te treffen, indien dat mogelijk is. Maar alles is vruchteloos.

Hoofdstuk 37 toont ons Zedekia in dezelfde toestand van ongehoorzaamheid. De uiterlijk godsdienstige schijn wordt gehandhaafd. Nu er een ogenblik van verademing is die hem enige hoop geeft, laat de koning – door de profeet – aan Jahweh om de antwoorden op zijn verzoeken vragen. Maar de gunstige omstandigheden, waardoor het schijnt dat de goddeloze aan het oordeel kan ontsnappen, veranderen niets aan de zekerheid van het Woord. Jeremia wilde van de gelegenheid gebruik maken om zich aan het oordeel, dat tegen de opstandige stad uitgevoerd moest worden, te onttrekken. Maar dit heeft alleen maar tot gevolg, dat de haat van het hart tegen het getuigenis van God, wordt geopenbaard. En op grond van hun beschuldiging dat Jeremia de vijanden begunstigt (omdat hij het oordeel had aangekondigd, dat door die vijanden zou worden uitgevoerd) laten de vorsten van het volk hem in de gevangenis werpen. Zedekia schijnt nog enigszins een geweten te hebben, als hij Jeremia verlichting laat geven. 10 In het algemeen is er bij Zedekia persoonlijk meer geweten dan bij enkele andere van de laatste koningen van Juda (zie vers 21 en hoofdstuk 21; hoofdstuk 38:10,14,16). Misschien was dit de reden dat hem in hoofdstuk 34:5 enige woorden van gunst en barmhartigheid werden toegevoegd. Maar hij was te zwak om zijn geweten toe te laten hem in de weg van gehoorzaamheid te leiden (Vergelijk 38:2-12). De geschiedenis van deze zwakheid wordt ons in dit laatste hoofdstuk gegeven. Evenwel vindt men te midden van dit tafereel van ellende en ongerechtigheid enige zeldzame voorbeelden van rechtvaardige mensen. God gedenkt aan hen, hoe verschrikkelijk Zijn oordeel ook is, want dit is verschrikkelijk, omdat Hij rechtvaardig is. Ebed-Mélech, die Jeremia had bevrijd, wordt gespaard (hoofdstuk 39:16). Baruch behoudt ook het leven. Zelfs Zedekia wordt, zoals we gezien hebben, door enige bemoedigende woorden getroost, hoewel hij de gevolgen van zijn fouten moest ondergaan. De wegen van God zijn altijd volmaakt. En als Zijn oordelen, wat de mens betreft, als een verwoestende bergstroom zijn, dan belet dit volstrekt niet, dat alles tot in de kleinste bijzonderheid door Zijn hand geleid wordt en de rechtvaardige ontkomt. Juist de gevangenis wordt voor Jeremia een plaats van veiligheid. En Jahweh spaart niet alleen Ebed-Mélech, maar verwaardigt Zich ook hem door de mond van Zijn profeet een rechtstreeks bewijs te geven van Zijn gunst, opdat hij de goedheid van God in Wie hij had vertrouwd zou begrijpen.

Hoofdstuk 39-49

Hoofdstuk 39. Hierna geven hoofdstuk 39 en volgende, de geschiedenis van de verwarring en de ongerechtigheid, die heersten bij het overblijfsel dat niet naar Babel weggevoerd werd, opdat het verstrooid zou worden en alles op een volkomen wijze het oordeel zou ondergaan, dat God had uitgesproken. Maar indien dit overblijfsel zich zelfs op dit laatste ogenblik had onderworpen aan het juk van Nebukadnezar, dan zou er vrede in het land geheerst hebben en deze weinige overgeblevenen zouden er in alle rust van genoten hebben. Sommigen kwamen echter in opstand en de anderen vreesden voor de gevolgen van hun dwaasheid. Er is geen enkele gedachte om in Jahweh vertrouwen te stellen. Zij raadplegen Jeremia, maar weigeren het woord, dat Jahweh door de mond van de profeet tot hen zegt, te gehoorzamen. Ze vluchten naar Egypte om Nebukadnezar te ontkomen, maar vallen daar door het zwaard, dat hen in Juda gespaard zou hebben, als zij er in onderwerping aan de koning van Babel gebleven waren. In Egypte geven ze zich aan de afgodendienst over, opdat de toorn van God tot het einde toe over hen zou komen. Maar God wilde ook van dezen een klein overblijfsel sparen. Farao Hofra echter, op wie ze vertrouwden, zou in handen van Nebukadnezar gegeven worden zoals dat met Zedekia was geschied.

Hoofdstuk 45 geeft ons de profetie ten aanzien van Baruch, waarover we al gesproken hebben.

Hoofdstuk 46-49. De volgende hoofdstukken, bevatten de profetieën tegen de volken rondom Judea en tegen Babel zelf. De profetieën die de nabuurvolken van Judea betreffen, worden door het volgende gekenmerkt: het oordeel heeft geen betrekking op de laatste dagen, zoals bij Jesaja, maar ziet, in overeenstemming met het algemeen karakter van het boek, op de vernietiging van de verschillende volken, om plaats te maken voor de heerschappij van één enkel rijk. Daarom wordt in het geval van Judea het oordeel nu al uitgevoerd.

Maar er is een onderscheid met betrekking tot het herstel van deze volken in de laatste dagen. Egypte, Elam, Moab en Ammon zullen dan worden hersteld. Edom, Damaskus, de Filistijnen en Hazor echter niet. De reden van dit verschil ligt voor de hand: Egypte en Elam maken geen deel uit van het land van Israël. God in Zijn goedheid zal medelijden hebben met deze landen. Ze zullen onder Zijn regering bewoond en gezegend worden. Toen Israël het land Kanaän binnentrok, moesten de Ammonieten en de Moabieten gespaard worden. Zij waren geen Kanaänieten die onder de vloek stonden. Hoe treurig hun afkomst ook mocht zijn, zij waren verwant met het geslacht van Israël. Hun land werd voor hen bewaard hoewel zij tot op het tiende geslacht niet tot de vergadering van het volk van God toegelaten konden worden (Deuteronomium 23:3).

Als God een einde zal maken aan het gezag dat Hij aan Nebukadnezar heeft toevertrouwd, en aan de macht van de volkeren, dan zullen deze volken terugkeren naar de grondgebieden die hun zijn toegewezen. Maar hoewel de Edomieten gespaard zijn gebleven en zij zelfs in de derde generatie in Israël toegelaten moesten worden, zullen zij, omdat hun haat tegen Israël grenzeloos is geweest, in het oordeel van die dagen volkomen vernietigd worden. Vergelijk geheel Obadja en vers 18 in het bijzonder. Hun land zal deel uitmaken van Israëls grondgebied en het maakte er inderdaad een deel van uit, ofschoon de Edomieten zelf – als broeders van Israël – in het begin gespaard waren. Maar helaas, zij hebben alleen maar misbruik gemaakt van deze genade, zodat het oordeel over hen nog verschrikkelijker zal zijn dan over de anderen. Damaskus, Hazor en de Filistijnen maakten een deel uit van het gebied, dat aan Israël beloofd was. Als afzonderlijke volken verdwijnen deze landen, wat hun grondgebied betreft. Zodra het oordeel over Egypte beëindigd is, richt God woorden van bemoediging tot Israël. De Israëlieten hadden op Farao gesteund, toen Nebukadnezar Jeruzalem aanviel. De macht van Egypte scheen de enige te zijn die opgewassen was tegen die van Babel. Maar God had bepaald, dat Egypte vallen zou. Het had graag de eerste plaats ingenomen, maar die was aan Babel voorbehouden. Het land, waaruit Israël getrokken was (namelijk uit de wereld, gezien als de mens in zijn natuurlijk, onafhankelijk karakter, die in zijn eigen kracht organiseert), had graag de overhand gehad over het afgodische verderf en de Babylonische beginselen. Maar deze laatste moesten van kracht blijven tot het door God bepaalde tijdstip, waarop God hen zal oordelen. Nu Israël op Egypte vertrouwd had moest het ook voor allen zichtbaar delen in zijn ondergang. God waakt echter over Israël. Het zal terugkeren uit zijn gevangenschap en in vrede wonen. God zal de volken oordelen en Israël met mate kastijden. Zijn volk zal niet met de wereld veroordeeld worden. Het is ook hier de moeite waard om te letten op de wijze waarop God regeert. Het misbruiken van de genade brengt de verschrikkelijkste oordelen met zich mee. Zo is het met Edom gegaan.

Hoofdstuk 50-51

Hoofdstuk 50. Babel blijft nog over. Bij Jeremia worden alle oordelen gezien in verband met de terzijdestelling van de onafhankelijke volken. De vestiging van het éne wereldrijk van de volkeren, is het voornaamste onderwerp van deze profetie. Daarom houdt de profeet zich in het bijzonder bezig met het geschiedkundig lot van het wereldrijk, zoals het door God in zijn dagen was gevestigd. Het voorwerp van zijn profetie is Babel in het land van de Chaldeeën. Het is het oordeel over dit rijk als wraakneming over de onderdrukking van Israël door Nebukadnezar, die Israël de beenderen heeft verbrijzeld, (hoofdstuk 50:17). De bevrijding van Israël na de verwoesting van Babel, wordt ons echter voorgesteld als een onderpand en voorsmaak van zijn volledige en eindverlossing (hoofdstuk 50:4-19,20,34 – zie ook 51:19-21). Want de verwoesting van Babel is het oordeel over wat God Zelf als wereldrijk van de volken had gevestigd. Daarom ging zelfs in geschiedkundige zin dit oordeel gepaard met de verlossing van Israël en de vernietiging van de afgodendienst, door een man die verwekt was om de gerechtigheid van God te vervullen. Dit was geenszins het geval met de andere rijken die volgen zouden, hoewel ook zij vanzelfsprekend door de voorzienigheid van God bestonden. Maar in hun geval ging het niet om de vestiging van de macht door God Zelf, Die deze macht onder de verantwoordelijkheid van de mens plaatste. De mens in deze positie geplaatst, faalde volkomen. Hij tiranniseerde het volk van God, stelde een verplichte afgodendienst in en verdierf hierdoor de wereld. Gezien als de wereldmacht bezittende, die hem was toevertrouwd, moet hij geoordeeld worden en Babel is gevallen. Het is van groot belang deze waarheid ten aanzien van dit eerste rijk goed te begrijpen. In beginsel is de verlossing van Israël er het gevolg van, wat de wegen van God vervolgens ook geweest mogen zijn. Zie ook het karakter van dit oordeel, hoofdstuk 50:28,33,34.

Hoofdstuk 51. Dit hoofdstuk (51) geeft ons ook belangrijke beginselen in verband met deze vernietiging van Babel.

Hoofdstuk 51:6 openbaart de onwankelbare trouw van God tegenover Israël, ondanks de zonden van het volk. Het was de tijd van de wraak van Jahweh. Het kennen van deze tijd die door God aangeduid werd, was alleen voor hen wiens geestelijk onderscheidingsvermogen hen in staat stelde om de profetie, waarvan de grondbeginselen op voldoende duidelijke wijze door deze twee hoofdstukken werden gegeven, toe te passen. In het bijzonder zouden wel de aanvallen, die de volken zouden doen op de stad, voor hen die oren hebben, het teken zijn haar te verlaten. Maar er is nog meer. De val van Babel was een oordeel, dat uitgesproken werd over de afgodendienst. Het deel van Jakob, Jahweh, mocht Zijn volk wel kastijden, maar Hij was niet als de ijdelheden van de heidenen. Na het volk getuchtigd te hebben zou Hij Zijn gerechtigheid doen uitkomen tegen de volkeren die hen onderdrukten en Zich ten slotte van Zijn volk als een oorlogswapen bedienen. Vanaf vers 25 zien we, dat het ‘het Babel’ uit die tijd is, waarom het gaat. Vanaf vers 29 wordt ons hiervan een geheel bijzonder bewijs gegeven, door de geschiedkundige omstandigheden, die erin vermeld zijn.

Hoofdstuk 52

Dit hoofdstuk maakt eigenlijk gezegd geen deel uit van het boek Jeremia. Men vindt er de feiten in vermeld, met betrekking tot de verwoesting van Jeruzalem en de tempel. Na wat al gezegd is, zal wat van Babel wordt meegedeeld, gemakkelijk begrepen worden.

Omdat de beginselen van dit boek zo belangrijk zijn, wil ik ze hier nog even samenvatten. Aan het Babylonische wereldrijk dat door God Zelf gevestigd was wegens de ontrouw van het huis van David, werd het wereldbestuur toevertrouwd. Maar Babel onderdrukte niet alleen Israël, maar voerde ook de afgodendienst in en verdierf de wereld. Hij die een aanbidder had moeten zijn van de ware God en een werktuig van Zijn macht, vestigde, voor zover het in zijn vermogen lag, de invloed van de vijand. God oordeelde hem, en het rijk, dat door God Zelf was gevestigd, werd volkomen omvergeworpen. Dit oordeel werd uitgevoerd tegen de hoogmoed van de mens en tegen de afgodendienst. Tegelijkertijd was het de bevrijding van Israël. Dit laatste gaf God aanleiding te verklaren wat Israël voor Hem was en wat het zou zijn in de laatste dagen. Maar het onderwerp waarom het gaat, is het Babylon van die tijd. Sinds die tijd stond God toe, dat andere machten het wereldbestuur als wereldrijk zouden bezitten, tot aan de eindvervulling van al Zijn raadsbesluiten. Deze verschillende rijken hebben naar Zijn wil moeten bestaan en werden, zoals Hij het goed vond, vernederd of verhoogd. Maar geen van deze machten heeft zo’n plaats ingenomen als Babel. Geen van hen was op zo’n nadrukkelijke wijze gevestigd om de plaats van Israël in te nemen, en geen van hen werd vernietigd om daardoor gelegenheid te geven, dat het volk zou worden hersteld. Het woord van de profetie geeft ons te verstaan, dat aan het einde van de dagen het oordeel over het laatste wereldrijk die uitwerking zal hebben. Het oordeel over Babel is er een soort voorafschaduwing van geweest, zoals ook het zedelijk karakter van Babel het begin was van de droevige geschiedenis van deze alleenheerschappijen en hun in zeer veel opzichten tot voorbeeld heeft gediend ten aanzien van het kwaad, dat zich tot aan het einde moest ontwikkelen. Maar om de grondbeginselen van deze geschiedenis en de wegen van God te begrijpen, is het nodig, dat men duidelijk en helder de plaats in het oog houdt, die dit eerste rijk in Zijn wegen heeft ingenomen. Behalve het ontzaggelijk grote feit, dat de wereldmacht in de handen van de mens wordt gelegd voor de rechtstreekse uitoefening van de regering van God op de aarde, is het in dit boek ook zeer treffend, het aanhoudende getuigenis te zien, dat God verwekt, alsmede de waarschuwingen, die Hij tot de ene koning na de andere en tot het volk en de priesters richt, en ten slotte het geduld van Gods liefde en belangstelling.

EINDE BOEK JEREMIA

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 4.2

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!

1 Zo wordt de zeer oude Griekse vertaling van het Oude Testament genoemd, die ten tijde van de Heer algemeen in gebruik was (Opmerking van de vertaler).


Voetnoten:

1 In hoofdstuk 27 lezen wij van “Jojakim”, terwijl dit “Zedekia” moet zijn. (Zie vers 12 en hoofdstuk 28:1).

2 Vergelijk Mattheüs 26, waar dit op de meest treffende manier gezien wordt. Het is zeer kostelijk, in Christus die volmaakte uitwerking te zien en tegelijkertijd alles wat in Zijn hart als mens omging, beide, als gevoelig voor de uiterlijke omstandigheden en daarbij op zo grondige wijze innerlijk geoefend in Zijn ziel. Het volmaakte innerlijke werk veroorzaakt een volmaakte rust in de wandel naar buiten, omdat God in beide gevallen erbij wordt betrokken. Als wij, in welke zaak ook, vermijden tot het uiterste toe met God te gaan, dan is het hart niet in staat voor Hem te handelen, alsof alles in orde was. Slechts in dit laatste geval gaan onze daden en handelingen met vrede gepaard. Hoe kostelijk is het toch de werkelijkheid van de menselijke natuur van Christus in alle innerlijke oefeningen van Zijn Geest te zien.

3 Bij Jona zien we iets dergelijks. Maar daar vormen de omstandigheden van de profeet slechts een episode op zichzelf en staan niet in verbinding met het getuigenis waarmee hij belast was, met uitzondering dan van het eenvoudige beginsel van genade.

4 De gelovige wordt niet alleen door liefde gekenmerkt, maar ook door gerechtigheid, wat ook passend is waar er tegenstanders zijn van die liefde en van de zegeningen van het geliefde volk. Het gaat hier niet om het evangelie, om de tegenwoordige wegen van de soevereine genade van God. Het is de Geest van de profetie omdat de profetie verbonden is met de regering van God. Daarom roepen de heiligen in de Openbaring om wraak.

5 We zien tegelijkertijd de onveranderlijke liefde van God voor Zijn volk en de band van Zijn getrouwheid, die niet gebroken kan worden. Hij noemt de volken, die het land dat Hij Zijn volk gegeven had omringen, Zijn naburen. We zien ook hoe dit systeem van volken, waarvan Israël van Godswege het middelpunt was, terzijde wordt gesteld en hoe het bezwijkt, als Israël – de sluitsteen van het gewelf – wordt weggenomen (vers 14). Vervolgens zullen deze volken, evenals Israël, hersteld en gezegend worden, op voorwaarde dat zij de God van Israël erkennen. Christus zal de twee systemen in Zijn Persoon verenigen, namelijk de vereniging van de volken rondom Israël, als hun middelpunt, en het universele hoofdschap van de mens. Hij zal de éne Mens zijn aan Wie al het gezag wordt toevertrouwd. Israël en ook de verschillende volken met hun koningen zullen worden hersteld, ieder in zijn eigen land en zijn eigen erfdeel (zoals het was in de tijd vóór Nebukadnezar). Met uitzondering van Edom, Damaskus, Hazor en Babel zelf, dat wil dus zeggen, uitgezonderd de volken die zich op het grondgebied van Israël bevinden en Babel, dat al de anderen heeft opgeslokt en vervangen, en dat door het oordeel van God moet verdwijnen om voor de oude volken plaats te maken. (Vergelijk hoofdstuk 46 en de volgende).

6 In elk geval lijkt mij, dat het oordeel niet verder zal gaan dan tot het onderdrukken van de volken door de koning van de volken, die oprijst in de plaats van de troon van God in Jeruzalem en tot de ondergang van deze koning zelf aan het einde van zijn loopbaan van ongerechtigheid.

7 De verwoesting van Babel is van bijzonder belang. Allereerst wel, omdat Babel door God Zelf als de plaatsvervanger was aangesteld van Zijn troon in Jeruzalem. En dan omdat Babel de enige macht uit de volken is, die op rechtstreekse wijze door Hem is bevestigd, al komt dan ook alle gezag van Hem. De andere koninkrijken vervingen Babylon door de voorzienige leiding van God. Daarom wordt Jeruzalem – al zien wij het beginsel slechts gedeeltelijk – tijdens de verwoesting van Babel weer hersteld; en dezelfde macht die Babel oordeelt, herstelt opnieuw het volk van God in de heilige stad. Babel, zijn bevestiging, gezag en verwoesting omvatten gezamenlijk de rechtstreekse wegen van God tegenover de volken (niet Israëlieten) en tegenover Zijn volk in macht. Al het andere kwam slechts ten tonele als een bijkomstige verlenging.

8 Dat God op een nauwgezette wijze regeert blijkt hier wel op een opmerkelijke wijze. Zedekia had bij de naam van Jahweh gezworen en zijn eed verbroken, en wordt daarom als een heiligschenner geoordeeld. Maar men ziet in hoofdstuk 38:5,19,25, dat hij naar Jeremia had willen luisteren, maar dat hij het niet gedurfd heeft. God houdt hiermee rekening en er wordt hem barmhartigheid bewezen.

9 Zie noot 8.

10 Zie noot 8.