04. Leviticus
04. Leviticus · uit de ‘Synopsis’ deel 1 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Inhoud
- Leviticus (Inleiding)
- Hoofdstuk 1
- Hoofdstuk 2
- Hoofdstuk 3
- Hoofdstuk 4-7
- Hoofdstuk 8
- Hoofdstuk 9
- Hoofdstuk 10
- Hoofdstuk 11
- Hoofdstuk 12
- Hoofdstuk 13
- Hoofdstuk 14
- Hoofdstuk 15
- Hoofdstuk 16
- Hoofdstuk 17
- Hoofdstuk 18
- Hoofdstuk 19
- Hoofdstuk 20
- Hoofdstuk 21
- Hoofdstuk 22
- Hoofdstuk 23
- Hoofdstuk 24
- Hoofdstuk 25
- Hoofdstuk 26
- Hoofdstuk 27
Leviticus.
Inleiding
Het boek Leviticus leert ons hoe men tot God kan naderen; tot God, Die gezien wordt als wonend in het heiligdom. Het geeft ons de middelen aan waardoor men kan naderen, en de positie waarin men zich moet bevinden, om dat te kunnen doen.
Dit boek houdt zich dus in het bijzonder bezig met het priesterschap, dat wil zeggen met de middelen, die God heeft ingesteld, opdat zij die zich buiten het heiligdom bevinden, tot God kunnen komen. Maar het houdt zich ook bezig met het onderscheiden van de verontreinigingen, die hun, die zo in verbinding staan met God, niet betamen. De taak om, als dit nodig was, de verontreinigingen en bezoedelingen te onderscheiden, behoorde tot de dienst van het priesterschap. Verder vindt men in dit boek, hoe het volk verschillende keren wordt uitgenodigd tot de feesten van Jahweh. Door deze feesten worden de bijzondere omstandigheden voorgesteld, waarin het bijeengeroepen Israël tot Hem kwam. Ten slotte zien we in het boek Leviticus de rampzalige gevolgen van het overtreden van de beginselen, die God heeft geopenbaard als voorwaarde voor Zijn relaties met Zijn volk.
De mededelingen van God zijn hier verbonden met Zijn tegenwoordigheid in Zijn tabernakel. Dit laatste is de grondslag van alle relaties, waarover we zojuist gesproken hebben. Het is hier niet meer de Wetgever, Die vanuit de Hoge (de berg Sinaï), wettelijke voorschriften geeft om zo een geordend bestel te scheppen. Nee, God begeeft Zich te midden van Zijn volk, en maakt hun de voorwaarden van hun relaties met Hem bekend. Dat is het karakter, waarin God Zich met hen in verbinding stelt.
Daarom veronderstellen de meeste voorschriften, die in dit boek gegeven zijn, dat zij, op wie de voorschriften van toepassing zijn, al met God in betrekking staan als een volk, dat door Hem als Zijn volk erkend is. Maar het volk is zelf nog niet werkelijk in Zijn tegenwoordigheid toegelaten en de tabernakel stelt dus de positie voor, waarin God Zich heeft geplaatst, opdat men tot Hem zou kunnen naderen. Uit dit alles blijkt, dat verschillende van de voorschriften, in dit boek vervat, aan hen die buiten de gemeenschap van God staan, de middelen verschaffen om tot God te komen, hoewel ze voorheen niet met Hem in betrekking stonden. Het is zeer belangrijk dit op te merken, want het is in Romeinen 3 de grondslag van het betoog van de Apostel Paulus voor de toelating van de volkeren, en zo voor elke zondaar. Het blijft niet minder waar, dat de meeste richtlijnen van toepassing zijn op hen, die al met de troon in betrekking staan. Overigens hebben alle mensen, buiten hun eigen wil, met de troon te maken, ook zij, die niet tot de troon naderen. En dit vooral, nu het bloed op het verzoendeksel is, als getuigenis van de genade; nu ook de openbaring en het getuigenis van de heerlijkheid zonder voorhang (als gevolg van de genade en de verlossing) hun lichtglans hebben verspreid. God – Die met Zijn schepselen in betrekking wil staan – toont in dit boek, onder welke voorwaarden zij met de troon, die Hij heeft opgericht, in verbinding gebracht kunnen worden. Dit sluit de bijzonderheden van de relaties, die Hij met Zijn volk onderhoudt, in zich.
Wat de toelating tot Gods tegenwoordigheid betreft, is het van belang, op te merken, dat de positie van de Christen een geheel andere is dan die van de Jood. Voor de Jood was de weg tot het heiligdom nog niet geopenbaard (Hebreeën 9). Niemand – zelfs de priester niet – kon in de tegenwoordigheid van God, binnen de voorhang ingaan, en in de offers was een gedachtenis van zonden (Hebreeën 10:3). Nu het werk van Christus volbracht is, is de voorhang gescheurd. De Christenen vormen niet een volk, dat slechts tot op zekere hoogte met God in betrekking staat, en dat altijd buiten Zijn tegenwoordigheid blijft en op zijn hoogst tot het reukofferaltaar nadert. Wat thans gebeurt, is dat de volle genade aan de wereld wordt aangeboden. Bovendien heeft elke gelovige op grond van de volbrachte verlossing, en als rechtvaardig voor God, de volle vrijheid in het Heilige der heiligen in te gaan. Dus stelt het onderwerp, dat ons bezighoudt, niet de wijze voor, waarop men tot God nadert, maar het type van de middelen waardoor wij tot God kunnen naderen, om gemeenschap met Hem te hebben. Ik hoef er nauwelijks aan toe te voegen, dat het hier niet gaat om de liefde van de Vader. Het was een troon van oordeel, die zich in het heiligdom bevond, en wie kon tot die troon naderen?
Maar al mocht het volk in de nabijheid van God verkeren en van de voorrechten van de priesterlijke positie, die het innam, genieten, het is altijd het offer van Christus, dat de mogelijkheid tot dit alles schept en de grondslag ervan vormt. Daarom begint dit boek met de offeranden, waardoor dit niet te vergelijken en volmaakte offer van Christus wordt voorgesteld. Omdat zij het werk van Christus, in zijn verschillende karakters en in diverse toepassingen op ons, voor onze aandacht plaatsen, zijn die offeranden van zo’n betekenis, dat ze door niets in waarde kunnen worden overtroffen. We zullen ze daarom enigszins uitvoeriger bestuderen.
De typen, die ons in de Schrift getoond worden, bezitten verschillende kenmerken. Nu eens zijn ze het beeld van het een of andere grote beginsel van de wegen van God, zoals Sara en Hagar – typen van de twee verbonden – dan weer laten ze ons de Heer Jezus Zelf zien in verschillende karakters, zoals: offerande, priester, enzovoort. Soms zijn ze schaduwen van zekere handelingen van God in Zijn wegen ten opzichte van de mensen onder andere bedelingen. Andere keren laten ze ons toekomstige grote daden van de Godsregering zien.
Hoewel men geen nauwkeurige regel kan vaststellen, kunnen we in het algemeen toch zeggen, dat het boek Genesis ons de voornaamste voorbeelden van de eerstgenoemde typen geeft. Het boek Leviticus verschaft ons voorbeelden van de tweede klasse, hoewel het boek Exodus er ook enkele zeer opmerkelijke bevat. Het boek Numeri laat ons de voorbeelden van de derde klasse zien, terwijl voorbeelden van de laatste soort meer verspreid in de Schrift gevonden worden.
Het gebruik van typen in het Woord van God is iets zeer belangrijks in deze kostbare Openbaring en mag zeker niet veronachtzaamd worden. Het schenkt ons een bijzondere genade. Wat in onze relaties met God het meest verheven is, gaat in werkelijkheid nagenoeg ons bevattingsvermogen en de draagwijdte van ons inzicht te boven. Toch leren we God erdoor kennen en genieten dit door de Heilige Geest. Het moet ook wel ons begrip en inzicht te boven gaan – want deze dingen zijn – als ik me zo mag uitdrukken – in overeenstemming met de eigenschappen van God. Ten opzichte van God is alles werkelijkheid en voor Hem moet deze werkelijkheid eerst bestaan, wil ze ons baten. Al deze grote en oneindige voorwerpen van ons geloof (oneindig in hun waarde voor God of in de ontvouwing van de beginselen, waarnaar Hij tegenover ons handelt) komen door de typen nader tot ons en worden voor ons tastbaar, bevattelijk. De bijzonderheden van alle genade en alle volmaaktheden, die in de werkelijkheid – het antitype (tegenbeeld) – bestaan, worden ons in het type met een nauwkeurigheid, die van God Zelf is, dicht voor ogen gesteld. Maar dit gebeurt op een wijze, die aangepast is aan ons inzicht en bevattingsvermogen, en met het doel, onze gedachten tot de hoogte van wat God bezighoudt te verheffen. Het is Christus in al Zijn heerlijkheid, Die ons op deze wijze naar de gedachten van God wordt geschilderd. En we hebben in het Woord alle karaktertrekken en verklaringen van wat in het type begrepen is, – van Hem, Die de grote werkelijkheid ervan uitmaakt. Gezegend zij Zijn Naam hiervoor!
Laten we nu overgaan tot de toepassing van deze beginselen op de offeranden, die we in het begin van het boek Leviticus vermeld vinden. De oprichting van de tabernakel kan men van twee geheel verschillende zijden bezien. Allereerst de ontvouwing van de genadeplannen van God 1, en de plaats waar men tot Hem kan naderen, en dan in de tweede plaats de middelen om te voorzien in de behoeften, die door de zonde ontstaan waren; behoeften, die gelegenheid gaven om die genade in het heden uit te oefenen.
De gehele samenstelling van de tabernakel was naar het voorbeeld, dat aan Mozes – op de berg – gegeven was. Het was een voorbeeld van hemelse dingen, die tevens de verbinding tussen de hemel en de aarde omvatten. Dit voorbeeld moest laten zien, hoe de vervulling zou zijn in de betere tabernakel, die niet met handen is gemaakt. De “bedeling” van de tabernakel begon in werkelijkheid echter pas na de zonde van het gouden kalf, toen de toorn van God tegen de zonde al was ontbrand en Zijn genade vanaf de troon van het heiligdom had geschitterd, doordat de offers werden ingesteld. Deze vormden het antwoord op de overtreding; de overtreding, die het te allen tijde ingaan van de priesters in het heiligdom belette (Leviticus 10). De genade schonk alles, wat aan de behoeften van een zondig volk beantwoordde.
Het is dan ook daarom dat de tabernakel voor het eerst genoemd wordt bij gelegenheid van de zonde van het gouden kalf, toen de toorn van Mozes ontbrandde tegen de goddeloosheid en de waanzin, die God had verworpen, al voordat het volk de bijzonderheden en de voorschriften van de wet van Mozes had ontvangen, ja zelfs vóór het de tien geboden ontving. Bij die gelegenheid nam Mozes “een tent”, spande haar ver buiten de legerplaats en noemde haar: “de tent der samenkomst”, hoewel deze in werkelijkheid nog niet was opgericht. En allen, die Jahweh ZOCHTEN, gingen uit tot de tent der samenkomst, die buiten de legerplaats was. Dat was de plaats waar God en zij, die uit het volk Hem zochten, elkaar ontmoetten. In de wet is van het zoeken van God geen sprake. Zij vormde de bekendmaking van de wil van God aan een al verzameld volk, in wiens midden God Zich openbaarde, volgens zekere eisen van Zijn heiligheid.
Maar toen het kwaad zijn intrede had gedaan en het volk – als lichaam – afvallig geworden was en hét verbond had verbroken, toen werd de plaats van samenkomst, waar men God moest zoeken, gevestigd. En dit, voordat de werkelijke tabernakel – waarvan het voorbeeld op de berg aan Mozes was getoond – werd opgericht. Maar deze voorlopige tent illustreerde zeer treffend het beginsel op grond waarvan ze opgericht zou worden.
De dienst van de tabernakel, zoals hij oorspronkelijk was ingesteld, is nooit uitgeoefend geworden, zoals dit evenmin het geval is geweest met de wet, in haar oorspronkelijk karakter. Nadab en Abihu offerden op de eerste dag met vreemd vuur, en het ingaan in het Heilige der heiligen werd aan Aäron verboden, behalve op de grote verzoendag en dit dan nog op een bijzondere wijze. De tabernakel zelf werd naar het voorbeeld, dat God gegeven had, opgericht, maar de ingang tot het binnenste heiligdom was afgesloten. Dit alles was in overeenstemming met de zondige toestand van het volk, om voorlopig te voorzien in wat de zonde eiste. Toch was het niet een volbracht werk, zoals wij het nu bezitten.
Deze ontmoeting van Jahweh met het volk, of met de middelaar, had een dubbel karakter: een apostolisch en een priesterlijk. Aan de ene kant was God daar om Zijn wil bekend te maken en aan de andere kant bevond Hij Zich op die plaats om het volk in zijn eredienst, in zijn gebreken of zijn noden te ontvangen. Zo is ook Christus de Apostel en de Hogepriester van onze belijdenis. Dit zijn uitdrukkingen, die verband houden met het onderwerp, waarmee we ons bezighouden. Dat Jahweh tegenwoordig is in de tabernakel om Zijn wil mee te delen, vinden we in hoofdstuk 25 + 29 van het boek Exodus vermeld. We hebben met dit onderwerp hier alleen maar te maken voor zover wat ons bezighoudt er een voorbeeld van is (want de profetie is iets op zichzelf). In hoofdstuk 25 wordt gezegd, na de beschrijving van de bouw van de ark en van zijn toebehoren in het Heilige der heiligen: “Vervolgens moet u het verzoendeksel op de ark leggen, en in de ark moet u de getuigenis leggen, die Ik u geven zal. Dan zal Ik u daar ontmoeten en van boven het verzoendeksel, van tussen de twee cherubs, die zich op de ark van de getuigenis zullen bevinden, zal Ik met u spreken over alles wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal” (Exodus 25:21-22). Dit werd tot de middelaar gezegd, die met Jahweh alleen was op de berg. In hoofdstuk 29 lezen we: ‘Het moet een voortdurend brandoffer zijn, al uw generaties door, bij de ingang van de tent van ontmoeting, voor het aangezicht van de HEERE. Daar zal Ik u ontmoeten om daar met u te spreken. Daar zal Ik dan de Israëlieten ontmoeten’ (Exodus 29:42-43a). Daar zou Jahweh het volk ontmoeten, al moest het nu door een middelaar, omdat de wet verbroken was. Daar ontmoette Jahweh het volk, en niet Mozes alleen, met wie Hij sprak van tussen de cherubs in het Heilige der heiligen.
Welnu, op dit terrein begint het boek Leviticus.
God spreekt niet vanaf de Sinaï, maar vanuit de tabernakel, waar men Hem gaat zoeken. Daar, waar Hij, naar het voorbeeld van Zijn heerlijkheid, maar ook in overeenstemming met de behoeften van hen, die Zijn tegenwoordigheid zoeken, door de middelaar en het offer, in verbinding staat met Zijn volk. Op Sinaï, in een verschrikkelijke heerlijkheid, eiste God en stelde voorwaarden van gehoorzaamheid, terwijl Hij het volk Zijn gunst beloofde, als het aan die voorwaarden voldeed. Daar, op Sinaï, stond God in directe verbinding met het volk, maar zij konden het niet dragen. Hier, in de tabernakel, is God toegankelijk voor de zondaar en de heilige, maar door een bemiddeling en een priesterschap, door Hemzelf ingesteld. Het middelpunt en het fundament van onze toegang tot God is dan alléén de gehoorzaamheid van Christus en Zijn offer. Dat wordt ons dus eerst voorgesteld, als God “spreekt vanuit de tent der samenkomst”, zoals we dit lezen in hoofdstuk 1:1.
Laten we eerst de volgorde van deze offers eens bezien. De volgorde, waarin ze toegepast worden is volkomen tegengesteld aan die, waarin ze zijn gegeven. Er zijn vier grote klassen van offers: 1e het brandoffer – 2e het spijsoffer – 3e het dank (vrede) -offer en 4e het zondoffer. Ik noem ze in de volgorde, waarin ze zijn ingesteld. Want in hun toepassing – als ze gezamenlijk worden geofferd – komen de zondoffers altijd het eerst, omdat het dan gaat om de terugkeer tot God 2.
En als de mens – door het offer – tot God nadert, moet hij naderen op grond van de werkzaamheid van het offer, dat zijn zonden wegneemt, door het feit dat deze zonden door een ander gedragen zijn. Maar in het aanbieden van de Heer Jezus Zelf als het grote offer, is Zijn “tot zonde gemaakt zijn” een gevolg van het volmaakt Zichzelf opofferen aan God. Hoewel Hij zonde voor ons gemaakt werd, gaf Hij Zich toch in Zijn eigen volmaaktheid aan God, en voor de goddelijke heerlijkheid, die de heerlijkheid van Zijn Vader was. Dit is een grote, maar gezegende verborgenheid. Hij heeft Zichzelf overgegeven toen Hij kwam om de wil van Zijn Vader te doen en Hij, Die geen zonde heeft gekend, is voor ons zonde gemaakt en heeft de dood ondergaan.
Bovendien, nu onze zonden zijn weggedaan, wordt de bron van de gemeenschap in de volmaaktheid van Christus Zelf gevonden, en in het feit, dat Hij Zichzelf onberispelijk Gode heeft opgeofferd. Hij verheerlijkte God door de dood, toen de zonde en de dood voor de zonde daar voor Hem stonden, en Hij gaf Zich geheel en al over om God te verheerlijken met het oog op deze toestand en om ons vervolgens voor Gods aangezicht te stellen, overeenkomstig de kostbaarheid van dit offer, hoewel het werkelijk dragen van onze zonden noodzakelijk was, om ons in deze gemeenschap in te voeren. Het moet opgemerkt worden, dat we vóór de wet geen werkelijke zondoffers aantreffen. De kleren, die God voor Adam maakte, zouden het kunnen doen vermoeden en men zou hetzelfde kunnen zeggen ten opzichte van Genesis 4:7. Maar deze offeranden zijn niet openlijk als een offer gebracht, in tegenstelling tot de brandoffers, die dikwijls als zodanig gebracht werden. Deze laatste veronderstellen zonde en dood, en dat er geen toegang tot God en geen verzoening met Hem mogelijk is, dan door het offer en de dood. Maar dit brandoffer wordt gezien in het vrijwillige en volmaakte offer van Christus, met het oog op de volmaakte verheerlijking van God in alles, wat in Zijn ogen kostbaar is en in alles, wat Hij is: gerechtigheid, liefde, majesteit, waarheid, voornemen. Dit alles is verheerlijkt in Christus’ dood, zodat God vrijelijk in Zijn genade kon handelen. In het brandoffer wordt de zonde verondersteld, en we zien er de volmaaktheid van de vrijwillige zelfopoffering van Christus aan God, daar waar de zonde is. Alleen, we zien hier meer dat God verheerlijkt wordt, dan dat de zonden van de enkeling gedragen worden. Daarom vloeit de aanbidding, overeenkomstig de welriekende reuk van het offer, eruit voort. Omdat ik een mens ben – ver van God verwijderd – kan ik op geen andere grond dan deze, tot God naderen. En het zal zijn waarde behouden tot in alle eeuwigheid en alle dingen zekerstellen. Hierdoor is het zeker dat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, de woonplaats van de gerechtigheid zullen zijn en blijven. Het wegnemen van mijn persoonlijke zonden is geheel iets anders. Bij het brandoffer gaat het om de betrekking van de mens, ja, zelfs om de betrekking van alle dingen tot God. Bij het zondoffer gaat het om mijn persoonlijke zonden. Elke welaangename offerande behoort dus tot de eerste soort (de brandoffers): het waren offeranden voor zonden nadat de betrekking van een volk met God al gevestigd was en waar elke handeling plaatsvond met het oog op Zijn persoonlijke tegenwoordigheid.
Er is hier een verschil met de Grote Verzoendag. Daar werd het bloed gesprenkeld op de genadetroon in het Heilige der heiligen. De toegang tot het heiligdom werd verleend op grond van een volmaakte reiniging door een offer van oneindige waarde. Maar het sprenkelen van dit bloed was met het oog op aanwezige zonden en verontreinigingen, en niet de welriekende reuk van het offer in zichzelf voor God. Het veronderstelde dat er zonde was. Alleen hierdoor had dat offer zijn eigen karakter en waarde. Maar hier, in de offerande aan het begin van Leviticus wordt Christus voorgesteld, en onze toenadering tot God, nadat volledig met de zonde afgerekend is, en heiligheid is verkregen. Daarom worden hier het brandoffer, het spijsoffer en het dank- of vredeoffer (in dit laatste wordt onze gemeenschap met God voorgesteld) het éérst genoemd (hoofdstuk 1-3) en daarna komen dan de zondoffers (hoofdstuk 4-5). Deze zondoffers hebben we nodig, ja ze zijn een alleréérste behoefte voor ons, maar ze zijn niet de uitdrukking van de persoonlijke volmaaktheid van Christus, maar van het dragen van de zonde door Hem, al was er volmaaktheid vereist om dit te kunnen doen.
Na wat ik gezegd heb, is het duidelijk, dat we Christus gaan beschouwen in de offeranden, die nu voor onze aandacht zullen staan. Christus in al de verschillende vormen van waarde en kracht, die aan Zijn enig en volmaakt offer verbonden zijn. Het is waar, we kunnen vanuit een ondergeschikt gezichtspunt hier ook de Christen zien, want hij moet zijn lichaam tot een levende offerande stellen, en door de vruchten van de liefde, welriekende offeranden offeren, die door Jezus Christus aangenaam zijn voor God. Maar nu is ons onderwerp Christus erin te zien.
Ik heb al gezegd, dat er vier grote groepen van offers zijn: de brandoffers, de spijsoffers, de dank- of vredeoffers en de zondoffers. We kunnen ze zo in de brief aan de Hebreeën, hoofdstuk 10, gerangschikt vinden. Maar we vinden een wezenlijk verschil, dat deze vier verdeelt in twee onderscheiden afdelingen: aan de ene kant zien we de zondoffers en aan de andere kant de drie overige offers. De zondoffers als zodanig hadden niet het kenmerk van vuuroffers, Gode tot een liefelijke reuk, hoewel bij het grootste deel van deze offeranden, het vet op het altaar werd verbrand. In dit opzicht was de liefelijke reuk er wel, zoals dat eenmaal in hoofdstuk 4:31 wordt gezegd. Want de volmaaktheid van Christus werd erin gevonden, hoewel Hij daar was als dragende onze zonden. Maar de drie andere offers hadden het kenmerk van vuuroffers tot een welriekende reuk. Het waren positieve zonden die in de zondoffers werden gezien: ze waren met zonden beladen. De persoon die met offers in aanraking kwam, die dit karakter ten volle droegen, zoals bijvoorbeeld dat voor het gehele volk (Leviticus 16; Numeri 19), werd erdoor verontreinigd. (In deze gevallen werd het offer buiten de legerplaats verbrand; zo was het ook met de bok voor Azazel, die direct met de rest van het werk verbonden was.)
Toch wordt bij het brandoffer wel verondersteld, dat er zonde is, al wordt het niet geofferd voor positieve zonden. Het bloed werd gestort, en het was tot verzoening, maar het werd verbrand op het altaar, en alles was een welriekende reuk voor God. Het was de algehele zelfopoffering van Christus aan God en als offer in alle opzichten volmaakt, al was het dan dat de zonde als zodanig de aanleiding ertoe was. Het resultaat van het brandoffer is, dat de zonde voor eeuwig van voor Gods aangezicht zal verwijderd worden – wat een vreugde! Zie Johannes 1:29 en Hebreeën 9:26.
Maar wij, wanneer we ons bewust geworden zijn van onze zondige toestand, zeggen: Hij werd zonde gemaakt voor ons, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem. Dit is een gevolg, maar de grondslag van alles is dat Hij, behalve het dragen van onze zonden, God volmaakt verheerlijkte juist toen Hij zonde gemaakt was. Juist op de plaats van de zonde, was Zijn gehoorzaamheid volmaakt en werd God volmaakt verheerlijkt in alles wat Hij is (Johannes 13 en 17). Inderdaad is er in het Hebreeuws maar één woord voor “zonde” en voor “zondoffer”. Deze offeranden werden verbrand, maar niet op het altaar; het vet, behalve in één enkel geval (hoofdstuk 4) – waarvan we later zullen spreken – werd wél op het altaar verbrand. De andere offers waren vuuroffers tot een welriekende reuk voor Jahweh. Ze stelden Christus’ volmaakte en vrijwillige opoffering van Zichzelf aan God voor; dus niet het leggen van de zonden op Hem als plaatsvervanger door de Heilige, de Rechter.
Deze twee gezichtspunten van het offer van Christus moeten goed onderscheiden worden en zijn zeer kostbaar. Hem, Die geen zonde gekend heeft, heeft God tot zonde gemaakt voor ons. Maar het is eveneens waar, dat Hij Zich door de eeuwige Geest Gode onberispelijk heeft opgeofferd. Laten we dus beginnen dit laatste punt te beschouwen, dat ons – en dit is natuurlijk – het allereerst in het boek Leviticus wordt getoond.
Hoofdstuk 1
Het brandoffer
De eerste soort van offerande, de meest volmaakte en karakteristieke van de klasse van vuuroffers tot een welriekende reuk, was het brandoffer. Hij die het offer bracht, moest het om voor God aangenaam te zijn, brengen aan de deur van de tent der samenkomst en het slachten voor het aangezicht van Jahweh.
Deze brandoffers werden vrijwillig door de offeraar gebracht. Toch lijkt het mij, dat het Hebreeuwse woord “ratzon”, dat men heeft vertaald: “naar zijn welgevallen”, beslist die betekenis niet heeft, maar dat het in verbinding staat met de aanname van de offeraar, om in de Goddelijke gunst te zijn. Tegelijkertijd blijft het als leer altijd waar, dat Christus, door de eeuwige Geest, Zichzelf onberispelijk Gode opofferde.
Laten we eerst spreken over de plaats, over het gehele toneel van de plechtigheden van de tent der samenkomst. De tent bestond uit drie delen, waarvan het eerste “het Heilige der heiligen” was. Dit was het binnenste deel van de ruimte, die door planken gevormd en met dekkleden bedekt werd. Het was van het overige deel afgescheiden door een voorhang. Hierin was de ark van het verbond met de cherubs, die het verzoendeksel overschaduwden. Verder was daar NIETS ANDERS. Dit was de troon van God, en ook het beeld van Christus, in Wie God Zich geopenbaard heeft, de ware ark van het verbond met het verzoendeksel erop. De apostel zegt ons, dat de voorhang déze betekenis heeft, dat de weg naar het “Heilige der heiligen” nog niet geopenbaard was, zolang de oude bedeling duurde (Hebreeën 9). Dit is er een prachtig voorbeeld van, dat de dienst in de woestijn niet de werkelijkheid voorstelde, maar slechts een schaduw was van de dingen, die zouden komen. Want de ongescheurde voorhang verbood de toegang, de gescheurde voorhang geeft ons, door het kruis, volle vrijmoedigheid in te gaan. Wat een tegenstelling in de verhouding tot God, vroeger en nu! Onmiddellijk buiten de voorhang bevond zich het gouden reukofferaltaar. De kracht die ervan uitging, drong door tot binnen de voorhang. Het leverde bij zekere gelegenheden de wierook, die men in een wierookvat deed, en binnen de voorhang offerde. In hetzelfde voorvertrek van de tabernakel, genaamd het heilige, om haar te onderscheiden van het Heilige der heiligen, waren aan de ene zijde: de toonbroden en aan de andere: de gouden kandelaar. De toonbroden waren een beeld van de vleesgeworden Christus, het ware Brood van het leven, verbonden met en als Hoofd van de twaalf stammen. De kandelaar was het beeld van de volmaaktheid 3 van de Geest, Die licht geeft en Die ook – ik twijfel er niet aan – in verbinding staat met Israël, in de laatste dagen. De Gemeente kent Christus op deze wijze en de Heilige Geest woont in haar. Maar wat haar als Gemeente kenmerkt, is, dat ze een hemelse en verheerlijkte Christus kent; en dat de Heilige Geest in goddelijke gemeenschap, in eenheid in haar woont. Deze beelden stellen ons, aan de andere kant, Christus voor in Zijn aardse verbinding en de Heilige Geest in Zijn verschillende openbaringen van kracht, als het aardse systeem van God zal zijn gevestigd. Vergelijk Zacharia 4 en Openbaring 11, waar het getuigenis in verbinding met de kandelaar is, al is het daar niet de volmaaktheid van de kandelaar, Gods getuigenis op aarde. De brief aan de Hebreeën verschaft ons al het licht dat we nodig hebben, om te zien in hoeverre en met welke veranderingen deze beelden nu kunnen worden toegepast. Maar de Hebreeënbrief spreekt nóóit over de relaties en voorrechten, die het speciale deel zijn van de Gemeente en de Christenen. Die worden beschouwd als pelgrims op aarde, een aards volk. Er is geen vereniging met Christus. Hij is in de hemel en wij zijn in nood op de aarde. Er is geen enkele vermelding van de Vadernaam, maar des te meer kostbare verzekeringen over de toegang die we hebben tot God, en van overvloedige stromen van genade voor ons pad hier beneden. De brief spreekt tot Christenen; we zijn deelgenoten van de hemelse roeping; maar hij reikt tevens verder en geeft wat het overblijfsel van Israël nodig heeft, dat zoveel zal moeten lijden nadat de Gemeente is opgenomen. Alle priesters – en dus niet alleen de hogepriester – gingen doorlopend het Heilige binnen, maar zij alleen. We weten, wie nu zo voor het aangezicht van God kunnen verschijnen. Het zijn degenen die tot koningen en priesters zijn gemaakt, de ware heiligen van God. Maar we kunnen eraan toevoegen, dat de voorhang, die het Heilige der heiligen verborg en zijn ingang afsloot, thans gescheurd is, van boven naar beneden, om nooit weer tussen ons en God te worden geplaatst. We hebben nu volle vrijmoedigheid, in het heiligdom in te gaan. De voorhang, “dat is Zijn vlees” is gescheurd. Christus is niet alleen het Brood uit de hemel, dat wil zeggen in het vlees gekomen, maar we zien Hem ook als ter dood gebracht, wat aangegeven wordt door het vlees en bloed. De deur is nu wijd voor ons geopend om in de geest binnen te gaan daar waar Christus is. Ons gemeenschappelijk recht en voorrecht is in het heilige, dat een beeld is van de geschapen hemelen, zoals het Heilige der heiligen een beeld is van de “allerhoogste hemel” zoals ze genoemd wordt. In zekere zin is er, wat onze geestelijke toegang en omgang betreft, beslist geen afscheiding tussen deze twee plaatsen, omdat de voorhang gescheurd is. God blijft evenwel in het ontoegankelijk licht, waartoe geen mens kan naderen. Thans zijn we als priesters in de hemelse gewesten, maar alleen in de geest.
Als men op deze wijze, van buiten af, tot God naderde, kwam men eerst in de voorhof van de tent der samenkomst 4. Het eerste wat men er aantrof was het brandofferaltaar. Tussen dit altaar en de tabernakel, stond het wasvat, waarin de priesters zich wasten 5, als ze in de tabernakel gingen, of als ze voor het altaar bezig waren hun dienst te vervullen. Het is duidelijk, dat wij alleen door het offer van Christus kunnen naderen, en dat het nodig is, dat we gewassen worden met water, dat is, door het woord, voordat we in het heiligdom kunnen dienen. Wij – als priesters – hebben eveneens nodig, dat ten minste onze voeten gewassen worden door de Voorspraak, Die we hierboven bezitten, om onze dienst daar voortdurend te kunnen uitoefenen (zie Johannes 13) 6. Christus naderde ook op deze wijze, maar dit was in het volmaakte offer van Zichzelf, dus niet door het offer van een ander. Niets moet ons meer aangrijpen en niets is onze diepe aandacht meer waard, dan de wijze waarop Jezus zó Zichzelf aanbiedt. Geheel vrijwillig, opdat God in Hem volkomen verheerlijkt zou worden. In het lijden heeft Hij Zijn mond niet opengedaan. Zwijgend leed Hij, en Zijn zwijgen was het resultaat van een vast en volmaakt besluit Zichzelf in gehoorzaamheid – ter verheerlijking van God – over te geven. En deze dienst – geloofd zij Zijn Naam – heeft Hij volmaakt vervuld, zodat de Vader rust in Zijn liefde voor ons.
Deze toewijding aan de heerlijkheid van de Vader kon zich op twee manieren tonen en kwam ook werkelijk op deze twee manieren tot uitdrukking. In de eerste plaats in de dienst, dat wil zeggen in de absolute toewijding aan God, met al de krachten en bekwaamheden van een mens, die hier beneden leeft. Een toewijding, die beproefd werd door het vuur, zelfs tot in de dood. In de tweede plaats, in het offer van Zijn Leven. Christus gaf Zichzelf over; gaf Zijn leven over in de dood, ter verheerlijking van God, want de zonde was daar. Het brandoffer laat ons de tweede zijde zien, het spijsoffer de eerste. Maar beide offers tonen ons, in beginsel, een volmaakt menselijke toewijding aan God: 1e. de toewijding van de mens, die leeft en handelt, en 2e. de overgave van het leven in de dood.
In het brandoffer offert hij, die het offer brengt, dit geheel en al aan God, en wel aan de ingang van de tent der samenkomst. Zo heeft ook Christus Zichzelf aangeboden voor het vervullen van Gods raadsbesluiten en om God te verheerlijken, in een wereld waar de zonde was. In het type waren het offer en de offeraar noodzakelijkerwijs onderscheiden, maar Christus was zowel het een als het ander. De handen van de offeraar werden op het hoofd van het offer geplaatst als teken, dat ze één waren.
Laten we enkele van de Schriftplaatsen aanhalen, die ons Christus in dit opzicht voorstellen. Eerst in het algemeen, om God te verheerlijken, hetzij in het leven, hetzij in de dood. Als Hij gezien wordt, op een volkomen wijze de plaats van die offeranden innemend, dan spreekt de Geest (door Psalm 40 aan te halen) in Hebreeën 10 van Hem: “Toen zei Ik: zie, Ik kom (in [de] boekrol is over Mij geschreven) om Uw wil te doen, o God” “Ik vind er vreugde in, Mijn God, om Uw welbehagen te doen; Uw wet draag Ik diep in Mijn binnenste”. Het is dus Christus, Die door Zich geheel en al aan de wil van God over te geven – deze offeranden vervangt. Hij is het tegenbeeld van de schaduw van de toekomende goederen.
Maar over Zijn leven op zichzelf, spreekt de Heer aldus (Johannes 10:18): “Niemand neemt het van Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af; Ik heb macht het af te leggen en heb macht het weer te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen”. Dat was gehoorzaamheid, maar gehoorzaamheid in het offeren van Zichzelf. En zo zegt de Heer, als Hij over Zijn sterven spreekt: “De overste van de wereld (Satan) komt en heeft in Mij helemaal niets; maar opdat de wereld weet dat Ik de Vader liefheb, doe Ik ook zo als de Vader Mij heeft geboden” (Johannes 14:30-31). Dan lezen we nog in Lukas 9:51: ‘Het gebeurde nu, toen de dagen van Zijn opneming in vervulling gingen, dat Hij Zijn gezicht vastbesloten wendde om naar Jeruzalem te gaan’. ‘Die door [de] eeuwige Geest Zichzelf vlekkeloos aan God heeft geofferd’ (Hebreeën 9:14). Hoe volmaakt en vol genade is toch de weg, die de Heer is gegaan! Hij was even onveranderlijk en toegewijd om tot God te naderen, toen God op deze wijze verheerlijkt moest worden, en om Zich aan de gevolgen van Zijn toewijding te onderwerpen (gevolgen, die Hem door de omstandigheden, waarin wij zijn, werden opgelegd), als de mens ijverig was zich van God te verwilderen, om zijn eigen genot te zoeken. Christus vernederde ZICHZELF tot de dood, opdat de majesteit en de liefde van God, Zijn waarheid en Zijn gerechtigheid tot volle vervulling zouden komen, door de uitoefening van Zijn toegewijde liefde. Zo wordt de mens in Zijn Persoon en door Zijn werk met God verzoend en in een ware en juiste verhouding tot God gebracht. God is in Hem volmaakt verheerlijkt wat de zonde betreft, ja (wat een wonder!) op de plaats waar de zonde is, en dit alles overeenkomstig de waarde van wat Christus heeft gedaan om God te verheerlijken. Het was daar waar de zonde was, dat Hij tot zonde voor ons gemaakt werd, want juist daar moest God verheerlijkt worden. Juist daar is aan de dag getreden, als nooit ergens anders, alles wat God is. Daar straalde volmaakt uit, wat God is, in liefde, licht, gerechtigheid, waarheid, majesteit, alles wat door de zonde van de mens was onteerd. Maar nu schitterde dit alles in oneindige waarde; het was God Zelf, en niet maar menselijke schending van Gods heerlijkheid. Ik zeg niet van de mensen, maar van de mens. En wat was het gezegende resultaat? Niet alleen maar vergeving, maar invoering in de heerlijkheid van God.
Het slachtoffer moest zonder gebrek zijn. De toepassing hiervan op Christus spreekt zó vanzelf, dat een nadere toelichting overbodig is. Hij was het Lam “vlekkeloos en onbesmet” 1 Petrus 1:19. De offeraar 7 moest de jonge stier voor het aangezicht van Jahweh slachten. Dit maakt de gelijkenis met Christus volledig, want, hoewel Christus vanzelfsprekend niet Zichzelf kon slachten, legde Hij Zijn leven af; niemand nam het van Hem. Hij deed dit voor het aangezicht van Jahweh. Volgens de voorschriften van het offeren, was dit het aandeel van hem, die het slachtoffer offerde, de dienst van de enkeling, en dus ook van Christus als mens. De mens zag in het sterven van Christus het oordeel van de mens: de macht van Kajafas of de macht van de wereld. Maar als het offer, offerde Christus Zichzelf voor het aangezicht van Jahweh.
En nu komt het deel van Jahweh en dat van de priester. Het was nodig, dat het offer aan het vuur van het altaar van God werd overgegeven. Men sneed het offerdier aan stukken, wies het en vervolgens werd het in overeenstemming met de reiniging van het heiligdom, onderworpen aan de beproeving van het oordeel van God. Want het vuur als symbool betekent altijd de proef van het oordeel van God. Wat het wassen met water betreft, het maakte – in type – het offer rein, wat Christus in werkelijkheid was. Maar het wassen heeft deze belangrijke betekenis, dat de heiliging van het offer en de onze volgens hetzelfde beginsel en naar dezelfde maatstaf plaatsvinden. Christus is in deze zin onze heiligmaking. We zijn geheiligd tot gehoorzaamheid. Christus kwam om de wil van Zijn Vader te doen en zo leerde Hij – volmaakt als Hij van het begin af was – gehoorzaamheid door wat Hij geleden heeft. Hij was altijd volmaakt gehoorzaam, maar Zijn gehoorzaamheid werd al sterker en sterker beproefd, zodat ze voortdurend dieper en vollediger werd, hoewel te allen tijde volmaakt. Hij leerde gehoorzaamheid; Hij leerde wat het wil zeggen te gehoorzamen. En dit leerde Hij door het steeds toenemend lijden en door het gevoel van wat rondom Hem was, en ten slotte door het kruis 8. Voor Hem als goddelijk Persoon, was gehoorzaamheid iets nieuws en Hij leerde haar in haar volle omvang. Voor ons is het een nieuwe zaak, omdat wij van nature opstandig zijn tegen God.
Dit wassen met water geschiedt bij ons door het Woord, en Christus getuigt van Zichzelf, dat de mens zal leven van alle Woord, dat uit de mond van God uitgaat. Maar er is duidelijk en noodzakelijk dit verschil, dat, terwijl Christus het leven in Zichzelf had en Hijzelf het Leven was (Johannes 1:4 en 1 Johannes 1:1 en 2), wij het leven van Hem ontvangen. En bovendien, terwijl Hij altijd Zelf gehoorzaam was aan het geschreven Woord, waren de woorden die uit Zijn mond voortkwamen, de uitdrukking van Zijn leven, en zijn ze voor ons leven het richtsnoer.
Laten we ons onderzoek over het gebruik van dit reinigingswater wat voortzetten. Door dit water wordt ook de kracht van de Geest voorgesteld, die uitgeoefend wordt door het Woord en door de wil van God 9; de kracht die ook het begin van het leven in ons werkt: “Naar Zijn wil heeft Hij ons voortgebracht door [het] Woord van [de] waarheid, opdat wij in zekere zin een eersteling van Zijn schepselen zouden zijn” (Jakobus 1:18). Zo ook in 1 Petrus 1:23, we zijn wedergeboren door het onvergankelijk zaad van het Woord. Maar dit vindt ons wandelend en levend in zonden, of uit een ander gezichtspunt, dood in de misdaden. Deze twee gezichtspunten geven ons eigenlijk dezelfde zaak te zien. Want leven in de zonde betekent geestelijk dood zijn voor God. Het laatste demonstreert onze gehele toestand. Het eerste raakt onze verantwoordelijkheid. In Efeze worden we beschouwd als dood in de zonden; in Romeinen leven we erin; in Kolosse voornamelijk het laatste, maar het eerste wordt toch aangeroerd. De reiniging moet daarom geschieden door de dood en de opstanding van Christus; dood voor de zonde en levend voor God in Hem. Daarom komt er bij het sterven van Christus water en bloed uit Zijn doorstoken zijde, als teken van reinigende zowel als van verzoenende kracht. De dood is dus tegelijkertijd de enige reiniging en de enige verzoening voor de zonde. “Want wie gestorven is, is gerechtvaardigd 10 van de zonde” (Romeinen 6:7).
Het water wordt dus het teken van de dood, omdat deze alleen reinigt. Deze waarheid van een werkelijke heiliging, was gedurende de bedeling van de wet verborgen. In beeld was ze evenwel aanwezig, want de wet werd op de levende mens toegepast en eiste zijn gehoorzaamheid op. De dood van Christus heeft die waarheid geopenbaard. In ons – dat wil zeggen in ons vlees – woont niets goeds. Daarom wordt ons – als het bij de doop gaat om het symbolische gebruik van het water – gezegd, dat, zo velen wij tot Christus Jezus gedoopt zijn, wij tot Zijn dood gedoopt zijn (Romeinen 6:3). Maar het is duidelijk, dat we niet kunnen eindigen met de dood. Hij zou in ons de heraut, en de getuige zijn van het oordeel. Nu we echter leven in Christus bezitten, betekent de dood in Hem voor ons: de dood van ons leven van zonden en misdaden. Het is de gift van het leven van Christus, dat ons in staat stelt de oude mens voor dood te houden en onszelf te zien als voorheen dood in misdaden en zonden. “Maar als Christus in u is, dan is het lichaam wel dood vanwege [de] zonde, maar de Geest is leven vanwege [de] gerechtigheid” (Romeinen 8:10). Zó wordt ons geleerd, wat de waarheid is over onze natuurlijke toestand, (dus niet wat het geloof denkt van de oude mens, als Christus in ons is): ‘En u, toen u dood was in de overtredingen en in de onbesnedenheid van uw vlees, u heeft Hij mee levend gemaakt met Hem’ (Kolosse 2:13). “Toen ook wij dood waren in de overtredingen, levend gemaakt met Christus” (Efeze 2:5). En als er gesproken wordt over de doop tot Zijn dood, voegt de Schrift er nog aan toe: “opdat, zoals Christus uit [de] doden is opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen” (Romeinen 6:4). Slechts in de kracht van een nieuw leven, kunnen we ons voor de zonde dood houden. En alleen als we weten, dat we verlost zijn, kunnen we zo spreken. Daarom kunnen we alleen dan, als we de kracht van de dood van Christus en Zijn opstanding aangegrepen hebben en weten, dat we door de Heilige Geest in Hem zijn, zeggen: “Ik ben met Christus gekruisigd”; “ik ben niet meer in het vlees” (Galaten 2:20; Romeinen 8:9). We weten dat deze reiniging voor de Jood alleen maar een zedelijke uitwerking had. Omdat ons het leven van Christus is meegedeeld, zijn wij erdoor geheiligd in overeenstemming met de kracht van Zijn dood en opstanding. De zonde, die als wet in onze leden werkt, is geoordeeld. De eerste Adam, als een levende ziel, verdierf zichzelf. De laatste Adam, als levendmakende geest, deelt ons een nieuw leven mee.
Het uitgangspunt van dit oordeel over de zonde is de mededeling aan ons van het leven van Christus, door de verlossing. Welnu, daaruit is het duidelijk, dat dit leven in Christus volstrekt rein was; bij ons niet: het vlees begeert tegen de Geest. Hij was, zelfs naar het vlees, uit God geboren. Maar Hij moest toch een doop ondergaan. Niet zozeer om alle gerechtigheid te vervullen als mens, – hoewel volmaakt rein – een doop in water. Maar een beproeving van al wat in Hem was door een vuurdoop. “Ik moet”, zegt Hij, “met een doop worden gedoopt, en hoe benauwt het Mij, totdat het is volbracht” (Lukas 12:50).
We zien hier dus Christus, Die Zich geheel en al Gode offert om Gods heerlijkheid ten volle te openbaren, de volledige beproeving van het oordeel ondergaan. Het vuur beproeft, wat Hij is. Hij is “met vuur gezouten” (Markus 9:49). De volmaakte heiligheid van God, beproeft, in de kracht van het Goddelijk oordeel, tot het uiterste alles wat in Hem is. Het zweet als bloeddruppels, het ontroerende smeken in de hof van Gethsemane, Zijn diepe smart op het kruis, in het zó aangrijpend bewustzijn van Zijn rechtvaardigheid, als Hij roept: “Waarom hebt U Mij verlaten?” (een kreet, die, wat een verlichting van de beproeving betreft, onbeantwoord bleef) – dit alles duidt op de volledige beproeving van de Zoon van God. De afgrond riep tot de afgrond (Psalm 42:8). Alle golven en baren van Jahweh kwamen over Hem heen. Maar omdat Hij Zichzelf in Zijn volmaaktheid offerde, om volledig de proef te doorstaan, bracht dit verterend vuur en dit oordeel van Zijn innerlijkste gedachten (zou het anders kunnen?) louter een liefelijke reuk voor God. Het is opmerkelijk, dat het Hebreeuwse woord, dat door “verbranden” wordt vertaald, bij het brandoffer niet hetzelfde is, dat gebruikt wordt bij het zondoffer, maar het woord dat gebruikt wordt voor het verbranden van reukwerk.
We zien dus in het brandoffer: het Zich volmaakt en vrijwillig offeren van Christus, en ook de beproeving van de innerlijkste delen van Zijn wezen door het vuur van het Goddelijk oordeel. Het brandoffer van Zijn leven was een offer tot een liefelijke reuk en geheel oneindig aangenaam voor God. Er was geen enkele gedachte en niet de geringste uiting van een wil, die niet de beproeving doorstond, die Zijn leven verteerde; en dat zonder een merkbaar antwoord van God om Hem te ondersteunen. Bij Hem werd alles aan God geofferd. Alles was een liefelijke reuk voor Hem. Maar er was nog meer. Het grootste deel van wat we zojuist hebben gezegd, zou ook toegepast kunnen worden op het spijsoffer. Maar het brandoffer was er om verzoening te doen; een uitdrukking die in het tweede hoofdstuk niet gebruikt wordt. In het spijsoffer wordt de persoonlijke, innerlijke volmaaktheid van Christus op de proef gesteld en de wijze van Zijn vleeswording – wat Hij als mens hier beneden was – ontvouwd. In het brandoffer echter was de dood het eerste element en de dood was door de zonde. Christus moest God daar verheerlijken, waar de mens zich bevond, (anders kon het niet voor de mens zijn), daar, waar de macht van Satan was in de dood, daar, waar het onvermijdelijke oordeel van God was. De heerlijkheid van God kon op geen andere wijze geopenbaard worden. De liefde, de rechtvaardigheid, de majesteit van God werden daar geopenbaard, waar zonde en dood waren. Christus, Die de zonde niet kende, werd zonde gemaakt voor ons en ging in volmaakte gehoorzaamheid en liefde tot Zijn Vader in de dood. God werd verheerlijkt en Satans macht (in de dood) vernietigd. God werd ten volle in de Mens verheerlijkt, in alles wat Hij is. Deze verheerlijking geschiedde in gehoorzaamheid en liefde, daar waar de zonde binnengedrongen was. Christus kwam daar, waar de zonde was; en God werd in Hem – in Zijn kruislijden – verheerlijkt zoals de schepping en de staat van onschuld (waarin Adam leefde) het nooit hadden gekund. Alles was een liefelijke reuk op dat kruis en beantwoordde aan alles wat God was in gerechtigheid en liefde.
Toen Noach zijn brandoffer offerde, “de HEERE rook die aangename geur, en de HEERE zei in Zijn hart: Ik zal de aardbodem voortaan niet meer vervloeken vanwege de mens; de gedachtespinsels van het hart van de mens zijn immers slecht, van zijn jeugd af” (Genesis 8:21). Het had Jahweh berouwd dat Hij de mens had gemaakt en het smartte Hem aan Zijn hart. Maar nu, na de geur van het offer, zegt Hij: “Ik zal niet meer vervloeken”. Zodanig is de volmaakte en oneindige waarde van het vrijwillig offer van Christus voor God.
Niet in het brandoffer laat de Schrift ons zien, dat de zonden op Christus zijn gelegd, maar in het zondoffer. Het brandoffer is de uitdrukking van de volmaaktheid van het slachtoffer, de reinheid, de toewijding van Zichzelf, (maar dit in het tot zonde gemaakt worden) en dit alles opstijgende tot een liefelijke reuk voor God. In de waarde en liefelijke reuk van dit offer, zijn we aan God voorgesteld en voor Hem aangenaam gemaakt. We zijn door Hem aangenomen naar de overvloed van welbehagen, die Hij in de geur van dit offer vindt. Gelukkige gedachte! Is God in dit offer volmaakt verheerlijkt in alles wat Hij is? Dan is Hij ook verheerlijkt, toen Hij ons aannam. Hij neemt ons aan als de vrucht en het getuigenis van dat waarin Hij volmaakt verheerlijkt is, en wel zoals Hij geopenbaard is in de verlossing, waarin alles wat Hij is in Zijn openbaring tot uiting komt. Vindt God Zijn welbehagen in alles wat Christus is – in Zijn daad, die de meest volmaakte is? Dan vindt Hij op precies dezelfde wijze Zijn lust in ons. Blijft het offer van Zijn Zoon altijd voor Zijn aandacht als een eeuwige herinnering van het welbehagen van de Vader? Dan zijn wij ook aan Hem voorgesteld in de kracht van datzelfde offer. In zekere zin zijn wij die herinnering. Niet alleen zijn de zonden door het verzoenende werk uitgewist, maar de volmaakte aanneming van Hem, Die het werk volbracht en God daarin volmaakt verheerlijkte, de liefelijke geur van Zijn offer zonder zonde, zijn de onze en vormen onze aangename reuk voor het aangezicht van God. De aanneming van de offerande van Christus is onze aanneming. We zijn één met Hem.
We moeten evenwel opmerken, dat, hoewel het brandoffer iets anders is dan het leggen van onze zonden op Christus, de dood toch zonde veronderstelt. Het offer van Christus als brandoffer droeg het karakter, dat voortvloeide uit zonde, die door God behandeld wordt, namelijk van de dood. Dat maakte de beproeving en het lijden des te vreselijker. De gehoorzaamheid van Christus werd op deze plaats van de zonde door God beproefd, en Christus was gehoorzaam tot de dood. Dus niet in de zin van de zonden te dragen en weg te nemen, hoewel dat in dezelfde handeling ook plaatsvond, maar in de volmaaktheid van de offerande van Zichzelf aan God en de beproeving van Zijn gehoorzaamheid.
Christus werd beproefd door behandeld te worden als zonde, en daarin was Hij volmaakt gehoorzaam, en een liefelijke reuk voor God. Vandaar was het verzoening; en in zekere zin was deze verzoening van een diepere aard dan het dragen van de zonden, omdat zij het resultaat was van gehoorzaamheid en verheerlijking van God. Wanneer we vrede gevonden hebben door vergeving, kunnen we niet te veel het brandoffer bestuderen. Het is die ene daad in de geschiedenis van de eeuwigheid, die de grondslag is van alles, waarin God Zichzelf zedelijk verheerlijkt heeft, omdat Hij Zich openbaarde zoals Hij is. Deze daad is ook de grondslag van alles waarin ons geluk is gefundeerd, en zij is de sfeer van ons geluk. Geprezen zij God, dat deze beide grondslagen één zijn. Ze zijn gelegd op zo’n wijze, dat Christus kon zeggen: Daarom heeft Mijn Vader Mij lief. En dat in algehele zelfofferande, tot zonde gemaakt voor God (wat een wondere gedachte!) en voor ons. Het betaamde Hem. Waar is Gods gerechtigheid tegenover de zonde bekend geworden? waar Zijn heiligheid? waar Zijn oneindige liefde? waar Zijn zedelijke majesteit? waar Zijn waardigheid? waar Zijn waarheid? waar de zonde van de mensen? waar Zijn volmaaktheid? en waar in absolute zin Satans macht, en tevens de nietigheid daarvan? Alles op het kruis, en zeer bijzonder in het brandoffer. Het is niet als zondedragend, maar als absoluut aan God geofferd en in verzoening – bloedstorting in verband met zonde.
Nog een ander punt is op te merken, waarin dit offer verschilt van de andere. Het was geheel voor God en Hem gewijd; zonder twijfel was het voor ons, maar toch geheel voor God. Van andere offeranden, die na het Brandoffer volgen, hadden mensen in een of andere vorm een aandeel. (Een uitzondering zijn de eerste twee zondoffers van Leviticus 4:1-21, die buiten de legerplaats verbrand werden.) Maar aan het Brandoffer had de mens geen deel; het was geheel voor God en op het altaar. Het was dus het grote, absolute wezenlijke offer; wat het resultaat betreft, met ons verbonden, omdat het gepaard ging met bloedstorting (Hebreeën 9:26; Johannes 1:29, het Lam van God. Vergelijk Efeze 5:2). Vandaar dat het, hoewel het karakter van zonde eraan verbonden is door bloedstorting en verzoening, absoluut en geheel ten liefelijke reuk was, geheel voor God.
Hoofdstuk 2
Het spijsoffer
Laten we nu overgaan tot het Spijsoffer. Dit stelt ons de mensheid van Christus voor: Zijn genade en Zijn volmaaktheid als levend mens, maar toch als aan God geofferd en ten volle op de proef gesteld.
Het Spijsoffer was van fijn meelbloem, ongezuurd, vermengd met olie en wierook. De olie werd op twee manieren gebruikt; ze werd vermengd met het meel en men bestreek (zalfde) ermee. Het zich persoonlijk als offer zelfs tot in de dood, aan God voorstellen van Christus, en Zijn werkelijk sterven en het storten van Zijn bloed 11 moesten eerst komen.
Want zonder de volmaakte toewijding van Zijn wil, zelfs tot in de dood, en die bloedstorting, waardoor God volmaakt verheerlijkt werd daar waar de zonde was, zou God niets hebben kunnen aannemen. En dan, Christus’ volmaaktheid als mens hier beneden moest beproefd worden, en wel door de toetssteen van de dood en het vuur van God. Maar nu het verzoeningswerk was volbracht en het bleek, dat Zijn gehoorzaamheid van het begin af volmaakt was (Hij kwam om de wil van Zijn Vader te doen) nu was Zijn gehele natuur als mens volmaakt aangenaam voor God, een liefelijke reuk onder de beproeving door God. 12.
Abel werd aangenomen door bloed. Kaïn die in de weg van de natuur tot God wilde naderen door Hem de vruchten van zijn moeiten en werk aan te bieden, werd verworpen. Alles wat onze natuurlijke harten kunnen aanbieden is: “het slachtoffer van de zotten” (Prediker 4:17) en komt uit een totaal bedorven bron voort: uit de zonde, uit de hardheid van het hart, dat onze toestand – onze zonde – ons verwijderd zijn van God – niet erkent. Kon men nog een duidelijker bewijs geven van deze verhardheid van het hart, dan Kaïn deed door een offerande te komen aanbieden, dat het resultaat was van eigen zwoegen, een gevolg van de vloek, die door de zonde was veroorzaakt? De mens was immers – nadat hij uit de hof van Eden was verdreven – onderworpen aan de uitwerking en gevolgen van de zonde, en Kaïn deed alsof er in het geheel niets gebeurd was! Dit was wel het toppunt van blinde verharding van het hart. De eerste handeling van Adam was, terwijl hij in een plaats van zegen was, dat hij zijn eigen wil zocht. Door deze ongehoorzaamheid werd hij, evenals zijn nakomelingen (die aan hem gelijk waren) in deze wereld van ellende, een vreemdeling ten opzichte van God. Adam was door zijn eigen toestand en wil van God gescheiden. Christus daarentegen heeft Zichzelf in deze armzalige wereld in liefde opgeofferd om de wil van Zijn Vader te volbrengen. Hij heeft Zichzelf vernietigd. Hij kwam naar deze aarde, door een daad van volkomen toewijding aan Zijn Vader, opdat God – ten koste van het offer van Zichzelf – verheerlijkt zou worden. In de wereld was Hij de gehoorzame Mens, Wiens wens het was de wil van Zijn Vader te doen; de eerste grote daad en de oorsprong van alle menselijke gehoorzaamheid en – daardoor – van de heerlijkheid van God. Zijn wil om te gehoorzamen en toegewijd te zijn aan de heerlijkheid van Zijn Vader, verspreidde een liefelijke geur over alles wat Hij deed. Al Zijn handelingen waren van deze geur doortrokken.
Het is onmogelijk het Evangelie van Johannes 13 te lezen – waarin wat Jezus was, Zijn Persoon, op een zó bijzondere wijze schittert – zonder er elk ogenblik de kostbare geur van liefhebbende gehoorzaamheid, en zelfverloochening in te vinden. Het is geen geschiedenis; het is Christus Zelf en het is onmogelijk, dat we Hem er niet in zien. Maar het is ook de boosheid van de mens, die zich met geweld een weg gebaand heeft door de sluier en heilige schuilplaats heen, waarmee de liefde Hem had omgeven. Zó werd Hij Die met nederigheid bekleed was. Hij de Goddelijke Persoon, de Zachtmoedige, Die door deze wereld ging en door haar werd verworpen, gedwongen Zich te vertonen. Het geweld van de mens deed op deze wijze alleen maar de waarde en de prijs van de vrijwillige vernedering van Hem, Die nooit wankelde, volledig uitkomen, zelfs toen Hij gedwongen werd Zijn Godheid te belijden. De “Ik Ben” was daar, maar in vernedering en afzondering, naar de meest volmaakte vrijwillige gehoorzaamheid. Bij Hem was geen verborgen wens aanwezig om in Zijn vernedering aan de Hem toekomende plaats vast te houden. De volmaakte wens van Zijn hart was: door die vernedering Zijn Vader te verheerlijken. Het was waarlijk de “Ik Ben” Die daar was, maar dan in de volmaaktheid van menselijke gehoorzaamheid. En dit openbaart zich in alle dingen. “Er staat geschreven”, antwoordt Hij aan de vijand, “niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle Woord dat door [de] mond van God uitgaat” (Mattheüs 4:4). “Er staat geschreven”, was voortdurend Zijn antwoord. Tot Johannes de Doper zegt Hij: “Laat [Mij] nu [begaan]; want zo past het ons alle gerechtigheid te vervullen” (Mattheüs 3:15). “Geef het hun”, zegt Hij tot Petrus, hoewel “de zonen vrij zijn”, “voor Mij en jou” (Mattheüs 17:27). Zie, dit is wat de geschiedenis betreft. Maar in het Evangelie van Johannes waar – zoals we al gezegd hebben – de Persoon van de Heer Jezus uitstraalt in goddelijk licht, zegt Hij de dingen rechtstreeks: “Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen”…,en Ik weet, dat Zijn gebod het eeuwige leven is” (Johannes 10:18; 12:50). ‘doe Ik ook zo als de Vader Mij heeft geboden’ (Johannes 14:31). “de Zoon kan niets doen van Zichzelf, tenzij Hij de Vader iets ziet doen” (Johannes 5:19). ‘zoals Ik de geboden van Mijn Vader heb bewaard en in Zijn liefde blijf’ (Johannes 15:10). En “Als iemand overdag wandelt, struikelt hij niet” (Johannes 11:9).
Veel van deze aanhalingen zijn uitgesproken bij gelegenheden waarbij het oplettende oog door de gezegende vernedering van de Heer heen de goddelijke natuur ziet – God, de Zoon – alleen nog stralender en gezegender, omdat ze zo verborgen is; zoals de zon, waarin het oog van de mens niet kan kijken, de kracht van haar stralen bewijst doordat ze vol licht geeft door de wolken heen die haar kracht verbergen en verzachten. Als God Zich vernedert, is Hij nog altijd God; het is altijd Hijzelf Die het doet. “Hij kon echter niet verborgen blijven” (Markus 7:24). Deze volstrekte gehoorzaamheid gaf aan alles wat Hij deed volmaakte genade en een volmaakte geur. Hij trad altijd op als Iemand Die gezonden was. Hij zocht de eer van de Vader, Die Hem gezonden had. Hij behield ieder die tot Hem kwam, omdat Hij niet gekomen was om Zijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem Die Hem gezonden had; en omdat zij niet zouden komen zonder dat de Vader hen trok, was hun komen voor Hem de grond om hen te behouden, want Hij moest zonder voorbehoud de wil van de Vader doen. Maar welk een geest van gehoorzaamheid zien we hier! Wie behoudt Hij? Ieder die de Vader Hem geeft – Hij is de Dienaar van Zijn wil. Belooft Hij heerlijkheid? Dat “is niet aan Mij om <dat> te geven, maar is voor hen wie het door Mijn Vader is bereid” (Mattheüs 20:23). Hij moet belonen naar de wil van de Vader. Hij is niets, behalve om alles te doen en alles te volbrengen wat Zijn Vader behaagde. Maar wie had dit kunnen doen, behalve Hij Die het kon, en Die tegelijk in zulk een gehoorzaamheid op Zich wilde nemen alles te doen wat de Vader gedaan wilde hebben? De oneindigheid van het werk en de bekwaamheid ervoor gaan samen met de volmaaktheid van de gehoorzaamheid, die geen andere wil had dan die van een Ander te doen. Toch was Hij een eenvoudig, nederig, gering Mens, maar Gods Zoon, in Wie de Vader welbehagen had.
Laten we nu zien hoe deze mensheid in genade voor dit werk geschikt was. Dit spijsoffer van God, genomen van de vrucht van de aarde, was van de fijnste tarwe; wat rein, afgezonderd en lieflijk is in de menselijke natuur, was in Jezus onder al haar smarten, maar in al haar voortreffelijkheid, en voortreffelijk in haar smarten. Er was in Jezus geen ongelijkheid, geen overheersende eigenschap die Hem een bijzonder karakter gaf. Hij was, hoewel veracht en door de mensen verworpen, de volmaaktheid van de menselijke natuur. De gevoeligheid, de vastheid, de beslistheid (hoewel die ook verbonden was met het beginsel van de gehoorzaamheid), de verhevenheid en de kalme zachtmoedigheid die bij de menselijke natuur horen, vonden alle in Hem hun volmaakte plaats. Bij een Paulus vind ik energie en ijver; bij een Petrus vurige genegenheid; bij een Johannes tedere gevoelens en een in zichzelf gekeerd denken, verenigd met een verlangen om op te komen voor wat hij liefhad, dat nauwelijks grenzen kende. Maar de eigenschap die we bij Petrus opmerkten, overheerst en kenmerkt hem. Paulus, hoe gezegend een dienaar hij ook was, heeft geen berouw, hoewel hij berouw had gehad. Hij had geen rust in zijn geest toen hij Titus, zijn broeder, niet vond. Hij vertrekt naar Macedonië, hoewel er in Troas een deur geopend was. Hij wist niet dat het de hogepriester was. Hij is genoodzaakt zich te beroemen. Bij hem, in wie God krachtig werkte voor de besnijdenis, zien we de vrees voor mensen door de trouw van zijn ijver heen breken. Johannes, die in zijn ijver voor Jezus zou zijn opgekomen, wist niet van welke geest hij was, en zou de heerlijkheid van God hebben verhinderd, omdat iemand niet met hen meeging. Zo waren Paulus, Petrus en Johannes.
Maar in Jezus was, ook als Mens, niets van deze ongelijkheid. Er was niets dat in Zijn karakter uitstak, omdat alles in Zijn mensheid in volmaakte onderworpenheid aan God was en zijn plaats had, en keurig zijn dienst deed, waarna het verdween. God werd erin verheerlijkt en alles was in harmonie. Als zachtmoedigheid op zijn plaats was, was Jezus zachtmoedig. Als verontwaardiging gebruikt moest worden, wie kon dan het verpletterende en vernietigende van Zijn berisping weerstaan? Teder voor de grootste van de zondaren in de tijd van genade. Ongevoelig voor de harteloze en koude Farizeeërs, met hun gevoel van meerderwaardigheid, wie het alleen maar te doen was te beoordelen wie Hij was. Als de tijd van het oordeel gekomen is, doen de tranen van hen die over Hem treuren, geen andere woorden uitspreken, dan deze: “Weent evenwel over uzelf en over uw kinderen” (Lukas 23:28). Woorden vol van diep medelijden, maar ook van diepe onderworpenheid aan het rechtvaardig oordeel van God. Het dorre hout was slechts voor het vuur geschikt. Op het kruis – als Zijn dienst geëindigd is – is Hij teder voor Zijn moeder en vertrouwt haar, menselijk zorgend, toe aan hem, die – om zo te zeggen – Zijn vriend was geweest en aan Zijn borst had gelegen. Maar toen de dienst van God Hem in beslag nam, had Hij geen oor voor haar woorden en eisen. Hij stelde alles Goddelijk op zijn plaats, toen Hij aantoonde, dat Hij ook vóór Zijn openlijke zending de Zoon des Vaders was, maar hoewel Hij dit was, Zich in menselijke volmaaktheid onderwierp aan de moeder die Hem had gebaard en aan Jozef, die – uit wettelijk oogpunt – Zijn vader was.
Zijn tegenstanders werden in verwarring gebracht door Zijn kalmte en rust. En naast de zedelijke kracht, die hen meermalen beangstigde, toonde Hij een zachtheid, waardoor alle harten, die niet door een opzettelijke tegenstand verhard waren, aangetrokken werden.
En dan, wat een vlijmende scherpte, als het erom ging het goede van het kwade te scheiden!
Het is waar, later werkte de kracht van de Geest in dezelfde zin door de mensen te roepen en hen samen te brengen in een openbaar belijden. Maar de Persoon en het karakter van Jezus deden dat in zedelijk opzicht. Er werd — ik spreek hier niet van het werk van de verzoening – een machtig werk verricht door Hem, Die naar het uiterlijke resultaat te oordelen, tevergeefs arbeidde (Jesaja 49). Overal waar een oor was om te luisteren, sprak de stem van God – door middel van wat Jezus als mens was — tot hart en geweten van Zijn schapen. Hij ging in door de deur, de deurwachter deed Hem open en de schapen hoorden Zijn stem. De volmaakte mensheid van Jezus, die in al Zijn wegen tot uitdrukking kwam, en door de wil van God een doordringende kracht had, oordeelde alles wat in de mens en in elk hart was. Maar dit voert ons af van het onderwerp, waarmee we op dit ogenblik bezig zijn. In één woord, de mensheid van Christus was volmaakt en geheel en al onderworpen aan God. Ze beantwoordde aan Gods wil en was daar de uitdrukking van, en zo was alles noodzakelijk in harmonie. De hand, die de snaren bespeelde, vond dat deze snaren zuiver gestemd waren. Alles was in overeenstemming met het hart van Hem, Wiens gedachten van genade en heiligheid, van goedheid, ja ook van oordeel over het kwaad, Wiens volheid van zegening in goedheid als zoete akkoorden weerklonken in de oren van elke vermoeide ziel, in Christus hun enige uitdrukking vonden. Ieder vermogen, ieder element van Zijn mensheid beantwoordde aan de drang, die de Goddelijke wil in Hem werkte, en keerde vervolgens terug in een rust, waarin voor het “ik” geen plaats was. Zo was Christus in Zijn menselijke natuur. Als het nodig was, vastberaden en standvastig, maar wat Hem in wezen, in tegenstelling met anderen, karakteriseerde was Zijn zachtmoedigheid. Want Hij was in de tegenwoordigheid van God, van Zijn God: en dat alles te midden van het kwaad.
Hij verhief Zijn stem niet op de straten. Maar eenmaal zal de vreugde hoog opschallen, als alles de uitroep zal herhalen: “Looft Zijn Naam, prijst Zijn heerlijkheid!”
De reinheid van de menselijke natuur van onze Heer kwam evenwel uit nog dieper en belangrijker bronnen voort. Deze bronnen worden in ons beeld op negatieve en positieve wijze voorgesteld. Als elk van Zijn vermogens gehoorzaamde aan de Goddelijke drang, dan is het duidelijk, dat de wil van Christus rechtvaardig en goed moest zijn. De Geest en het beginsel van gehoorzaamheid moesten er de drijfveer van zijn. Want de werkzaamheid van een onafhankelijke wil is het beginsel van de zonde. Christus had als Goddelijk Persoon recht op een onafhankelijke wil: “zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil”. Maar Hij kwam om de wil van Zijn Vader te doen. Zijn wil was gehoorzaamheid, dus zondeloos en volmaakt.
Het zuurdeeg is in de Schrift het zinnebeeld van het bederf: “het zuurdeeg van slechtheid en boosheid” (1 Korinthe 5:8). Daarom kwam in het spijsoffer, dat tot een lieflijke reuk aan God werd geofferd, géén zuurdeeg. Wat zuurdeeg bevatte, kon niet aan God geofferd worden tot een lieflijke reuk. Deze waarheid wordt door het tegenovergestelde dat we eveneens in het beeld vinden, duidelijk naar voren gebracht: er waren in twee gevallen koeken, die met zuurdeeg gemaakt waren, en het was verboden deze als een vuuroffer tot een lieflijke reuk te offeren. Het ene geval, dat het meest belangrijke en het meest betekenende is, vinden we in het hoofdstuk behandeld, waarmee we thans bezig zijn, en is duidelijk genoeg om het beginsel vast te leggen.
Als men de eerstelingen tot God bracht, voegde men er twee broden bij, die met zuurdeeg gebakken waren. Maar deze broden waren geen offer tot een lieflijke reuk. Men offerde op die dag ook brand- en spijsoffers. Dit waren wel offers tot een lieflijke reuk, maar het offer van de eerstelingen, – niet (zie verzen 11-12 en hoofdstuk 23:15-21). Wat stelden deze eerstelingen voor? De Gemeente, afgezonderd door de Heilige Geest.
Want dit feest en dit offer van de eerstelingen was het welbekende beeld van Pinksteren – in feite was het, het Pinksterfeest. “Wij zijn”, zegt de Apostel Jakobus, ‘in zekere zin een eersteling van Zijn schepselen’ (Jakobus 1:18). In Leviticus 23:10 zullen we zien, dat op de dag van Christus’ opstanding, een garf van de eerstelingen van de oogst gebracht werd: korenaren die niet gebroken, niet gemalen waren. Het is duidelijk, dat daarin geen zuurdeeg aanwezig was. Christus is opgestaan, zonder het verderf gezien te hebben. Met deze korenaren offerde men geen zondoffer, terwijl men dat wel deed met de broden, die zuurdeeg bevatten. De zuurdesem – koeken stellen de Gemeente voor, afgezonderd voor God door de Heilige Geest, maar waarvan de leden nog aan de verdorven menselijke natuur verbonden zijn. Want het offer van Christus voor ons heeft in Gods ogen het zuurdeeg van onze verdorven natuur weggedaan en geoordeeld. En deze natuur – hoewel ze nog bestaat – is door de werking van de Heilige Geest overwonnen. Omdat deze natuur – in zichzelf verdorven – nog in ons is, kunnen wij geen lieflijke reuk, geen vuuroffer zijn, als we door het oordeel van God beproefd zouden worden. Maar door middel van het offer van Christus – dat aan het kwaad beantwoordde en voldeed – kan die natuur aan God aangeboden worden als een levende offerande, zoals Romeinen 12 zegt. Daarom wordt er niet alleen gezegd, dat Christus voor onze zonden heeft geboet, maar ook dat “wat voor de wet onmogelijk was, doordat zij door het vlees krachteloos was – God heeft, doordat Hij Zijn eigen Zoon in een [gedaante] gelijk aan [het] vlees van [de] zonde en voor [de] zonde heeft gezonden, de zonde in het vlees veroordeeld” (Romeinen 8:3). God heeft de zonde in het vlees veroordeeld.
Maar Hij heeft haar veroordeeld in de verzoening, die door Christus tot stand gebracht is, toen Hij het oordeel over de zonde onderging; toen Hij voor ons tot zonde werd gemaakt, maar zodoende voor ons stierf, opdat wij ons – in Hem – voor dood houden. Het oordeel over de zonde is voltrokken in Zijn dood, maar daardoor kunnen wij ons “dood voor de zonde” houden (Romeinen 6:11).
Voor een verontrust maar teer en oprecht geweten, is het belangrijk eraan te denken, dat Christus niet alleen voor onze zonden 14 gestorven is, maar ook voor de zonde. Want de zonde verontrust een oprecht geweten heel wat meer dan de begane zonden uit het verleden. Terwijl de broden, die de Gemeente voorstellen, gebakken werden met zuurdeeg en dus niet tot een lieflijke reuk geofferd konden worden, was het spijsoffer, waardoor Christus wórdt afgebeeld, zonder zuurdesem, dus een vuuroffer tot een lieflijke reuk voor Jahweh.
De vuurproef van Gods oordeel vond in Christus een volmaakte wil en de afwezigheid van alle kwaad, van elke geest van onafhankelijkheid. “Uw wil geschiede”, ziedaar wat de menselijke natuur van de Heer karakteriseerde. Hij was vervuld met en bezield door de volheid van de Godheid, maar de Mens Jezus, het offer van God.
Er is – ik merk dit in het voorbijgaan op – nog een ander voorbeeld, dat ons het tegenovergestelde van een ongezuurd offer laat zien, en wel bij de dank- of vredeoffers. Bij deze offers had Christus Zijn aandeel en de mens eveneens. Daarom trof men in deze offers gezuurde koeken en tegelijkertijd offeranden zonder zuurdeeg aan. Het vredeoffer (Leviticus 3 en 7:11 en volgende), dat de gemeenschap van de Gemeente verbonden met het offer van Christus voorstelt, moest noodzakelijkerwijze de mens invoeren. Daarom wordt het zuurdeeg er gevonden, als zinnebeeld van dat zuurdeeg, dat nog steeds in ons aanwezig is. De Gemeente is tot heiligheid geroepen. Het leven van Christus in ons is “heiligheid den Heere”. Maar het blijft altijd waar, dat in ons, dat is in ons vlees, geen goed woont.
Dit leidt ons tot een ander groot beginsel, dat in dit type getoond wordt: het spijsoffer moest met olie vermengd worden. “Wat uit het vlees geboren is, is vlees”. En in onszelf – voor zover we alleen maar uit het vlees geboren zijn – zijn we natuurlijk niets dan verdorven en gevallen vlees; uit “de wil van het vlees geboren”. Al zijn we, als gelovigen, geboren uit de Geest van God, door dit feit wordt de oude natuur niet ongedaan gemaakt. De werkzame kracht van deze natuur kan tot de kleinste verhouding teruggebracht worden; de werkingen ervan mogen worden beheerst en ten onder gebracht 15, maar de natuur verandert niet. De natuur van Paulus had evengoed de neiging zich te verheffen, nadat hij opgetrokken was geweest tot in de derde hemel, als toen hij de brieven van de hogepriester bij zich droeg om – indien dat mogelijk geweest zou zijn – de Naam van Christus uit te roeien. Ik zeg niet, dat de neiging tot het kwaad bij hem in beide gevallen dezelfde kracht had, maar op zichzelf was ze even slecht, of zelfs slechter, omdat ze zich tegenover zoveel hogere en betere dingen bevond.
Bij de geboorte van Christus had de wil van het vlees echter niet het minste aandeel. Zijn menselijke natuur vloeide evengoed uit de Goddelijke wil voort, als de aanwezigheid van de Goddelijke natuur op aarde. Maria onderwerpt zich in eenvoudigheid van het geloof en voortreffelijke gehoorzaamheid aan deze wil, en laat ons daarmee treffend schoon haar onderworpenheid zien en haar nederigheid van hart en verstand tegenover de openbaring van God. “Zie, de slavin des Heren (Jahweh)” zei ze, “moge met mij gebeuren naar uw woord” (Lukas 1:38). Christus kende geen zonde; Zijn menselijke natuur zelf, was van de Heilige Geest ontvangen. Dat Heilige, geboren uit de maagd, zou “Zoon van God” genaamd worden (Lukas 1:35). Hij was werkelijk en waarachtig een mens, geboren uit Maria, maar Hij was een mens, geboren uit God. Deze titel “Zoon van God” zie ik op drie verschillende wijzen op Christus toegepast.
- In de brieven aan de Kolossers en aan de Hebreeën, en ook in andere Schriftplaatsen die erop zinspelen, is Hij als Schepper, de Zoon van God.
- In Lukas 1 en Psalm 2 is Hij de Zoon van God, als in de wereld geboren.
- Romeinen 1 laat ons Hem zien, verklaard als de Zoon van God in kracht, door de opstanding van de doden.
Het spijsoffer 16 werd gemengd met olie, precies zoals de menselijke natuur van Christus Zijn wezen, karakter en aard, ontving van de Heilige Geest, van welke olie steeds het bekende zinnebeeld is. Maar reinheid is geen kracht. Daarom wordt die geestelijke kracht, die in de menselijke natuur van Jezus werkte, in een ander beeld voorgesteld.
De koeken moesten met olie bestreken (gezalfd) worden. Zo staat er geschreven, dat God Jezus van Nazareth – Die het land doorging, goeddoende en allen genezende, die door de duivel overweldigd waren (Handelingen 10:38) – heeft gezalfd met [de] Heilige Geest en met kracht. Dat wil niet zeggen, dat er iets ontbrak aan de Heer Jezus. In de eerste plaats, als God zou Hij alle dingen hebben kunnen doen, maar Hij had Zich vernederd en was gekomen om te gehoorzamen. Daarom vertoont Hij Zich niet eerder in het openbaar, dan nadat Hij geroepen en gezalfd is, hoewel Zijn verbinding met de Vader van het begin af bleek uit het gesprek met de Schriftgeleerden in de tempel.
We vinden hier een zekere overeenkomst met ons. “Geboren zijn uit God” en “verzegeld en gezalfd zijn met de Heilige Geest” zijn twee verschillende dingen. De Pinksterdag, de hoofdman Cornelius, de gelovigen te Samaria, op wie de Apostel de handen legde, evenals verscheidene andere Schriftplaatsen, die op dit onderwerp betrekking hebben, zijn er het bewijs van. Wij zijn allen “zonen van God, door het geloof in Christus Jezus”. Maar “omdat u zonen bent”, wordt er gezegd, “heeft God de Geest van Zijn Zoon in onze harten uitgezonden” (Galaten 4:6). “In Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte, Die [het] onderpand is van onze erfenis, tot [de] verlossing van de verkregen bezitting” (Efeze 1:13,14). “Dit nu zei Hij”, zegt Johannes, “van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen” (Johannes 7:39). De Heilige Geest kan door een nieuwe natuur heilige verlangens en liefde tot Jezus bewerkt hebben, zonder dat de gelovige zich bewust is van de bevrijding en de kracht, of zonder dat hij zich in de kennis van het volbrachte werk van Christus verheugt over Zijn tegenwoordigheid.
Wat de Heer Jezus betreft, weten wij, dat deze tweede handeling (die van de zalving met de Heilige Geest) tot stand kwam in verbinding met de volmaaktheid van Zijn Persoon, wat mogelijk was, omdat Hij in Zichzelf rechtvaardig was. Immers, Hij Die zonder zonde was, werd na door Johannes 17 gedoopt te zijn – gezalfd door de Heilige Geest, die in lichamelijke vorm als een duif op Hem neerdaalde. Daarna werd Hij voor ons door de Geest in de strijd geleid, waaruit Hij in de kracht van de Geest als overwinnaar tevoorschijn is gekomen, om – in de kracht van dezelfde Geest – naar Galilea te gaan.
Ik zei: overwinnaar door de kracht van de Geest. Want als Jezus eenvoudig door Zijn Goddelijke kracht als zodanig, de aanvallen van Satan had afgewezen, dan is het duidelijk, dat er geen strijd was geweest. En ten tweede lag er dan ook geen voorbeeld of bemoediging in voor ons. Maar de Heer dreef Satan terug door een beginsel, dat voor ons de plicht is van elke dag. Dit beginsel is: gehoorzaamheid, en wel een gehoorzaamheid vol inzicht, die zich van het Woord van God bedient en die Satan met verontwaardiging afwijst, zodra hij zich als zodanig vertoont 18. Al begon Christus Zijn loopbaan met het getuigenis en de vreugde van een Zoon, het was een loopbaan van strijd en gehoorzaamheid. (Hij mocht de kracht hebben om de sterke te binden, maar Hij moest het ook doen).
Hetzelfde geldt voor ons. Wij bezitten blijdschap, bevrijding, liefde, overvloedige vrede, de Geest van zoonschap, we zijn zeker van onze aanneming door de Vader. Zo beginnen we de christelijke loopbaan. Maar deze loopbaan is een weg van strijd en gehoorzaamheid.
Houden we op te gehoorzamen, dan houden we op te overwinnen. Satan poogde deze twee dingen in Jezus te scheiden. “Als u de Zoon van God bent, gebruik dan uw macht. Maak dat deze stenen brood worden. Handel naar – en door uw eigen wil”. Het antwoord van Jezus – met andere woorden gezegd – is: ‘Ik ben hier om te gehoorzamen. Ik ben hier als een knecht en heb geen gebod ontvangen om van deze stenen brood te maken. Er staat geschreven: “De mens zal van alle Woord leven dat door de mond van God uitgaat”. Ik blijf volharden in Mijn toestand van afhankelijkheid’. Dit was kracht, maar een kracht, die werd uitgeoefend in een toestand van, en ter verwezenlijking van afhankelijkheid en gehoorzaamheid. De enige daad van ongehoorzaamheid die Adam kon bedrijven, heeft hij ook bedreven. Maar Hij – Die macht had alles te doen – bediende Zich van Zijn macht alleen, om nog volmaakter te dienen en Zich nog vollediger te onderwerpen.
Hoe schoon is de schildering van de wegen van onze Heer!
En dat te midden van de smarten en de gevolgen van de ongehoorzaamheid van de mens; wiens natuur Hij had aangenomen in elk opzicht, uitgezonderd de zonde. “Want het paste Hem”, (gezien de toestand, waarin wij ons bevonden) “om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te leiden, de overste Leidsman van hun behoudenis door lijden volmaakte” (Hebreeën 2:10).
Zó heeft de Heer Jezus in de kracht van de Heilige Geest gestreden. Zó was Hij gehoorzaam in dezelfde kracht. En het was ook door de kracht van de Geest, dat Hij duivelen uitdreef en al onze krankheden droeg. Evenzo was het in de kracht van de Geest, dat Hij Zich onberispelijk Gode opofferde. Maar dit is meer het brandoffer. In alles wat Hij deed, maar ook in alles wat Hij niet deed, handelde Hij door de kracht van de Geest van God. Daarom is Hij ons Voorbeeld. Wij volgen Hem met gemengde krachten, doordat onze natuurlijke kracht zich vermengt met de kracht van de Heilige Geest. Maar toch volgen wij Hem met een kracht, waardoor wij – als het Zijn wil is – niet alleen de werken doen, die Hij gedaan heeft, maar nog grotere dan deze (Johannes 14:12) – niet volmaaktere, maar grotere –; en in zedelijk opzicht, zoals de apostel het zegt, alle dingen (Filippi 4:13). Jezus was op aarde absoluut volmaakt gehoorzaam. Maar juist daarom deed Hij veel dingen niet (en in zedelijk opzicht kon Hij deze ook niet doen) die Hij nu door Zijn apostelen en dienstknechten kan doen en openbaren. Want nu Hij verheerlijkt is en gezeten aan de rechterhand van God, openbaart Hij – zelfs als Mens – kracht en niet gehoorzaamheid: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie in Mij gelooft, de werken die Ik doe zal hij ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, omdat Ik heenga naar de Vader” (Johannes 14:12).
Dit plaatst ons in een positie van gehoorzaamheid, want door de kracht van de Heilige Geest, zijn we dienstknechten van Christus. “Er is verscheidenheid van bedieningen, en het is dezelfde Heer” (1 Korinthe 12:5). De apostelen deden dus grotere werken, maar wat hun persoonlijke wandel betreft, waren deze werken met allerlei onvolmaaktheid vermengd.
Met wie heeft de Heer ooit getwist, ook al stond Hij in Zijn recht? Toonde de Heer ooit mensenvrees? Heeft Hij ooit spijt gehad over een van Zijn daden, zelfs als er (2 Korinthe 7:8) later geen reden bleek te zijn voor zo’n berouw? Nee! Zoals Jezus had beloofd, was er een grotere ontplooiing van kracht in de dienst van de apostelen. Maar deze kracht ontplooide zich in werktuigen, waarvan de zwakheid aantoonde, dat alle kracht aan een Ander toebehoorde, aan Wie dan ook alle lof toekwam. Bovendien gehoorzaamden zij, ondanks de tegengestelde wil, die in hen aanwezig was. Dat maakte het grote verschil uit tussen hen en de Heer. De Heer Jezus had geen doorn in het vlees nodig, opdat Hij Zich niet zou verheffen. Gezegende Meester! U sprak van wat U wist en U getuigde van wat U gezien had. Maar om dat te doen, hebt U Uzelf vernietigd, Uzelf vernederd, en de plaats van een slaaf ingenomen, opdat wij door Uw vernedering verhoogd zouden worden!
De hoogte, of beter gezegd, het bewustzijn van de hoogte vanwaar Hij neerdaalde, de volmaaktheid van Zijn wil in Zijn gehoorzamen daar waar Hij was, maakten, dat Hij geen enkele behoefte had om verhoogd te worden. Toch zag Hij op de vreugde, die voor Hem lag en werd niet beschaamd, want Hij werd zo diep vernederd, opdat Hij Zich zou verblijden over de beloning. God heeft Hem dan ook uitermate verhoogd. “Uw zalfoliën zijn heerlijk van geur, Uw Naam is een uitgegoten zalfolie” (Hooglied 1:3). Er was inderdaad in het spijsoffer wierook, de lieflijke reuk van alle deugden van Christus.
Hoe dikwijls worden onze deugden of genadegaven aan de goedkeuring van de mens voorgesteld! En hoe dikwijls wordt, als gevolg daarvan, het vlees verward of vermengd met de genade en volgens menselijk oordeel beoordeeld! In Jezus waren al de verschillende uitingen van genade aan God aangeboden. Ongetwijfeld had de mens ze kunnen en moeten onderscheiden als de lieflijke geur van de wierook, die zich verspreidde, daar waar alles voor God verbrand werd; het werd echter alles als een liefelijke reuk voor God verbrand. En dit is volmaaktheid.
Hoe weinig gelovigen tonen op deze wijze hun liefde tot God, en laten God in hun liefde toe, en doen alles – hoewel ten behoeve van de mensen – toch uitsluitend voor Hem en met het oog op Hem. En hoe weinigen volharden erin, al zouden ze ook door meer lief te hebben, minder geliefd worden (2 Korinthe 12:15). Maar voor zover ze dit doen voor God, is hun dienen werkelijk een liefelijke reuk voor Hem. Het is evenwel iets moeilijks en het eist van ons een leven, waarin we dicht bij God zijn. Dit was bij Christus op een volmaakte wijze het geval. Hoe getrouwer Hij was, des te meer werd Hij veracht en tegengesproken. Hoe zachtmoediger Hij was, hoe minder men Hem waardeerde. Maar de wijze waarop Hij ontvangen werd, veroorzaakte bij Hem geen enkele verandering, omdat Hij alles uitsluitend voor God deed.
Als Hij Zich voor de menigte bevond, of met Zijn discipelen, of eindelijk voor Zijn onrechtvaardige rechters, niets veranderde de volmaaktheid van Zijn wandel, omdat Hij in alle omstandigheden, alles alleen voor God deed. De wierook van Zijn dienen, van Zijn hart en van Zijn genegenheden, was voor God bestemd en steeg voortdurend op voor God alleen. En waar was ooit een overvloediger en zoeter geurende wierook dan in het leven van Jezus? “God rook een liefelijke geur”, en in plaats van de vloek, kwamen zegeningen op ons neer. De wierook werd aan het spijsoffer toegevoegd want het was in werkelijkheid een vrucht, door de Geest in het leven van Christus voortgebracht en steeg voortdurend op tot God. Hetzelfde kan ook gezegd worden van de voorspraak van Christus, want zij was de uitdrukking van Zijn heilige liefde.
Zijn gebeden, een uitdrukking van Zijn heilige afhankelijkheid, waren oneindig kostbaar en aantrekkelijk voor God. Ze stegen alle als een wierook van aangename geur tot Hem omhoog. “En het huis werd met de geur van de balsem vervuld” (Johannes 12:3).
De zonde stelt zichzelf op de plaats van God, maar de Heer stelde God op de plaats van Zichzelf, en dit is volmaaktheid. Het is ook kracht, omdat de omstandigheden dan geen macht over ons hebben. En dat is volmaaktheid in een gaan door de wereld. Jezus was altijd Zichzelf in alle omstandigheden. Daarin zien we juist, dat Hij altijd in overeenstemming met God was. We mogen toevoegen, dat, zoals Satan de mens tot zich en zo tot slavernij onder hem leidt, zo de Heer in de kracht en leiding van de Heilige Geest Zijn weg ging.
Behalve het zuurdeeg had God ook de honing bij de offers verboden. Honing is zeer zoet en aangenaam voor de natuurlijke smaak, zoals bijvoorbeeld ook aangename en gelukkige relaties met onze medemensen kunnen zijn; genegenheden tot hen, die ons naar het vlees liefhebben en meer dergelijke dingen. Het is echter niet zó, dat deze dingen slecht zijn.
“Hebt u honing gevonden”, zegt de wijze, “eet dan tot u genoeg hebt, anders raakt u er oververzadigd door en spuwt u het uit” (Spreuken 25:16). Toen Jonathan een beetje honing genomen had, die hij op de dag van zijn strijd – toen hij in de kracht van zijn geloof voor Israël streed – in het bos vond, werden zijn ogen verlicht. Maar de honing kon in een offer niet opgenomen worden. Hij Die tot Zijn moeder kon zeggen: “Vrouw, zie, uw zoon”, en tot de discipel: “Zie, uw moeder”, – juist op het verschrikkelijkste ogenblik van het kruis, toen Hij Zijn werk volbracht had – heeft ook kunnen zeggen: “Wat heb Ik met u te doen, vrouw?” 19 op het ogenblik, dat Hij met de eenvoudigste vervulling van Zijn dienst bezig was. Hij was een vreemde voor de zonen van Zijn eigen moeder, zoals Levi in de zegening van Mozes, de man Gods, het was. Deze Levi, die als een offerande van de zijde van het volk aan God werd aangeboden (Numeri 8:11) en die tot zijn vader en moeder zei: “Ik zie hen niet. Hij herkende zijn broers niet, en zijn zonen kende hij niet. Zij hielden namelijk Uw woord, en namen Uw verbond in acht” (Deuteronomium 33:9).
Er blijft ons nu nog één ding over om op te merken. In het brandoffer werd alles verbrand voor God, want Christus offerde Zich geheel en al aan God op. Maar de menselijke natuur van Christus is het voedsel van de priesters van God.
Aäron en zijn zonen moesten dat gedeelte van het spijsoffer eten, dat niet op het altaar verbrand werd. Christus was het ware Brood, dat uit de hemel was neergedaald, om aan de wereld het leven te geven, opdat wij, – die door het geloof koningen en priesters zijn – van dat Brood zouden eten en niet sterven. Dit spijsoffer was heilig, want alleen Aäron en zijn zonen mochten ervan eten. En wie anders mogen zich thans met Christus voeden, dan degenen, die geheiligd zijn door de Heilige Geest, het leven van het geloof leven en zich voeden met het voedsel van het geloof? En is niet Christus, Die geheiligd is voor God, het voedsel voor onze zielen, ja, heiligt Hij ons ook niet altijd voor God? Ontdekken onze zielen niet in Hem, Die zachtmoedig en nederig van hart is – in Hem Die als het licht van menselijke volmaaktheid en Goddelijke genade schijnt te midden van zondige mensen, wat voedt, onderhoudt en heiligt? Kunnen onze zielen niet voelen, wat het zeggen wil als offerande aan God te worden geofferd, wanneer we door het medegevoel van de Geest van Jezus in ons, het leven van Jezus voor God en voor de mensen hier beneden naspeuren? In de Heer Jezus zien we het voorbeeld van een mens, die voor God leefde en ons achter Zich aantrekt, door de aantrekkingskracht van wat Hij was. Want Hijzelf is immers de kracht, die ons draagt op die weg, die ook Hij ging, en op die weg vinden ook wij onze genietingen en blijdschap.
Worden onze harten er niet door in beslag genomen en aan Hem verbonden, als ze zo – met blijdschap – genieten van wat de Heiland hier beneden was? We bewonderen Hem, we worden ootmoedig en door genade worden we Hem gelijkvormig. Hij is het Hoofd en de Bron van het leven in ons en daardoor wordt de ontvouwing ervan in ons voortgezet en wordt een middel om de kracht en de ootmoed van dit leven in ons te werken en te ontwikkelen. Wie zou hoogmoedig kunnen zijn, als hij in gemeenschap met de nederige en ootmoedige Jezus zijn weg gaat? Ootmoedig als Hij is, zou Hij ons willen onderwijzen de laagste plaats in te nemen, maar die heeft Hij Zelf al ingenomen, omdat dit het voorrecht is van Zijn volmaakte genade. Aanbiddenswaardige Heer! Mochten we tenminste dicht bij U en verborgen in U zijn!
Dit is waar, maar er moet hier een onderscheid gemaakt worden. Bij het vredeoffer werd er ook gegeten van het vlees van het offer buiten het deel dat de priester ontving.
De Israëlieten, die rein waren, mochten het eten en zij aten tezamen als een vrolijk feest. Er was een gemeenschappelijke vreugde, een gemeenschap, die gegrond was op het offeren van het bloed en van het vet aan God, dat is van Christus als Gode geofferd in de dood voor ons – de zondoffers zijn in dit laatste daaraan gelijk (Leviticus 4:10,26,31,35) – en het deelnemen van hen, die meeaten bij het feest, was nauwlettend met deze grondslag verbonden. Dit was een gewone en rechtmatige vreugde, deze vreugde bij het dank- of vredeoffer; dankzegging voor ontvangen zegeningen, of ook wel vrijwillig als uiting van blijdschap in de genade van de Heer, het was “Sjalom”, vrede, en de gemeenschap trad sterk naar voren; de vrucht van verlossing en genade. Het geval van het spijsoffer echter was van iemand, die zichzelf aan God wijdde, ingaande op en genietende van de volmaaktheid van Christus Zelf als Zichzelf aan God opofferende! Alleen de priesters mochten hiervan eten.
Hoe oneindig groot is toch de genade, die ons in zo’n innige gemeenschap met Hem gebracht heeft, die ons in de kracht van levendmakende genade tot priesters heeft gemaakt, opdat wij deel zouden hebben aan wat de vermakingen van God, onze Vader, zijn; aan dat wat Hem als een liefelijke reuk is geofferd, een vuuroffer voor Jahweh; om te delen in de rijkdommen en kostbaarheden van Gods tafel! En dit alles wordt door een verbond bekrachtigd tot ons eeuwig, onwankelbaar deel. Daarom wordt er gezegd: “Het zout van het verbond met uw God mag u aan uw graanoffer niet laten ontbreken”, (vers 13). Ja, in geen enkel offer mocht het vergeten worden. De vastheid, de duurzaamheid, de bewarende en beschermende kracht van wat Goddelijk was, was aanwezig, hoewel het misschien niet altijd aangenaam of zoet voor ons is. Het zout was het zegel van God, om ons te betuigen, dat het welbehagen en de welriekende reuk van het offer niet voor een korte duur – voorbijgaand maar van blijvende, van eeuwige aard is. Alles wat van de mens is, gaat voorbij. Alles wat van God is blijft eeuwig bestaan; het leven, de liefde, de Goddelijke natuur en de genade zijn blijvend. Deze heilige afzonderende kracht – die ons gescheiden houdt van het verderf – is van God en maakt deel uit van de standvastigheid van Zijn natuur. Ze verbindt ons met God en dit niet door onze eigen wil, maar door de zekerheid, die de Goddelijke genade geeft. Die genade is werkzaam en rein en heiligt ons. Maar het is genade en de kracht van de Goddelijke wil.
De belofte van God – die ons aan Hem vérplicht – verbindt ons aan Hem, maar dit gebeurt dan door Zijn eigen kracht en Zijn eigen getrouwheid, en niet door de onze. Die kracht is onafscheidelijk van en gegrond op het offer van Christus. God heeft nu door dit offer Zijn verbond verzegeld en onwrikbaar vastgelegd. Anders zou Christus ook niet geëerd zijn. Het is het verbond van God. Het zuurdeeg en de honing (onze zonde en natuurlijke genegenheden) kunnen in het offer van God geen plaats vinden. Maar de energie van Zijn genade, die het kwaad niet spaart, maar het goede bevestigt, is er. En deze genade waarborgt ons een onfeilbaar genot van de uitwerkingen en vruchten van dat offer. Het zout maakte geen deel uit van de offerande, maar mocht er nooit in ontbreken. Het mocht niet ontbreken in wat van God was. Het had zijn plaats in elk offer.
Men moet er wel aan denken, dat het kenmerkende karakter van het spijsoffer, alsook van het brandoffer – en in wezen van alle offers – was, dat men het aan God offerde. Dit kan men niet van Adam zeggen, want in zijn staat van onschuld genoot hij van de gunsten die God hem schonk. Hij bracht daarvoor dank, of had dit tenminste moeten doen. Maar in zijn geval was er alleen sprake van genieten en dankbaarheid. Adam was zelf geen offerande aan God. Dit was echter het wezen van het leven van Christus. Het was een offerande aan God en daardoor was het ook beslist gescheiden en volstrekt afgezonderd van alles, waardoor het werd omgeven 20. Christus was dus heilig en niet alleen onschuldig. Want onschuld is de afwezigheid, het niet kennen van het kwaad, maar niet de afzondering van het kwaad.
God, Die oneindig ver boven het kwaad verheven is, kent het goed en het kwaad, maar is afgezonderd van het kwaad, dat vijandig tegenover Hem staat, want God is heilig. Christus was heilig en dus niet alleen onschuldig. Wat Zijn wil betreft, was Hij geheel en al aan God gewijd. Hij was afgezonderd van het kwaad en leefde in de kracht van de Geest van God.
De wezenlijke bestanddelen van het spijsoffer zijn dan ook: fijn meelbloem, olie en wierook, die achtereenvolgens de menselijke natuur, de Heilige Geest en de welriekende reuk van de genade voorstellen. Negatief mocht de offerande géén zuurdeeg, noch honing bevatten. Wat de manier van toebereiding betreft, ze werd met olie gemengd en met olie bestreken. Vervolgens mocht bij geen offer het zout van het verbond van God ontbreken. Dit laatste wordt hier bijzonder genoemd, omdat, wat de genade van Zijn menselijke natuur betreft, wat de mens aangaat (een Mens, Die Zichzelf aan God offert en dit niet in Zijn dood, maar in Zijn leven, hoewel beproefd zelfs tot de dood) men zou kunnen denken, dat het zout wel mocht ontbreken. Maar dat dit op het altaar aan God gebracht werd, verbrand ten liefelijke reuk, en de drie dingen, die het eerst genoemd zijn: fijn meelbloem, olie en wierook; deze vier dingen maakten de inhoud en het wezen van het spijsoffer uit.
Hoofdstuk 3
Het dank- of vredeoffer
Nu komt in hoofdstuk 3 het dank- of vredeoffer. Het is het type van de gemeenschap van de heiligen in overeenstemming met de krachtdadige werking van het offer. Het is de gemeenschap met God, maar ook met de priester, die het voor ons offert, de gemeenschap met elkaar, en ook met het gehele lichaam van de heiligen, als priesters voor God. Het vredeoffer komt na de offeranden, die ons de Heer Jezus Zelf voorstellen in een toewijding, die Hem Zichzelf doet overgeven in de dood (brandoffer) en in een toewijding en genade in Zijn leven, maar toch tot in de dood en tot in de vuurproef (spijsoffer), opdat wij zouden verstaan, dat elke gemeenschap gebaseerd is op de aannemelijkheid en de liefelijke reuk van het offer van Christus. Niet alleen, omdat dit offer noodzakelijk was, maar omdat God er al Zijn welbehagen in had.
Ik heb al opgemerkt, dat als een zondaar, een schuldige, tot het altaar naderde, het zondoffer eerst kwam. Want de zonde moest gedragen worden en weggedaan, zou de zondaar tot God kunnen naderen en daartoe bevoegd zijn. Maar als hij eenmaal gereinigd en rein is, nadert hij, zoals hier in overeenstemming met de aangename geur van de offerande aan God, naar de volmaakte aannemelijkheid van Christus. Deze, Die geen zonde kende, heeft Zich Gode gewijd in een zondige wereld, om God op een volmaakte wijze te verheerlijken. Hij gaf Zijn leven, opdat ook alles wat God in het oordeel was, zou worden verheerlijkt. En wel door de mens – in de Persoon van Christus – met het doel, op deze wijze een oneindige genade te doen neerkomen op hen, die aangenomen zouden worden, en door Hem tot God zouden naderen.
“Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem” (Johannes 10:17). De Heer zegt hier niet: “omdat Ik Mijn leven heb afgelegd voor de schapen”, want dat zou meer het zondoffer geweest zijn. Hij spreekt van de voortreffelijkheid van Zijn werk en de positieve waarde van Zijn daad. Want in deze Mens werkte alle volmaaktheid. Alle Majesteit en waarheid van God, Zijn gerechtigheid ten opzichte van de zonde en Zijn liefde werden oneindig in de mens verheerlijkt; in Hem Die zoveel méér was dan een mens, Die voor ons tot zonde werd gemaakt en wel voor ons, arm en door de zonde van God vervreemd. “Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt” (Johannes 13:31). “Want waar [de] dood is door een mens, is ook [de] opstanding van [de] doden door een Mens” (1 Korinthe 15:21). Het kwaad, dat Satan had veroorzaakt, was veel meer dan hersteld en wel op hetzelfde toneel waar hij de val had veroorzaakt. Ja, het kwaad werd door hetzelfde middel hersteld, als waardoor het was gekomen. Als God in en door de mens onteerd is, dan is God in zekere zin een schuldenaar van de mens in Jezus, voor de volle openbaring van Zijn grote en uitnemende rijkdom van heerlijkheid.
En hoewel dit alles Zijn gave aan ons is, is het de vrucht van het werk van Christus, Die voor dit doel mens is geworden. Alles wat Christus was en alles wat Hij heeft gedaan, was voor God in oneindige mate aangenaam. En hierin vinden we de grondslag van onze gemeenschap. Dus niet in het zondoffer 21. Daarom volgt het dankoffer hier onmiddellijk op het brandoffer en spijsoffer, hoewel – zoals ik al opgemerkt heb – het zondoffer het eerst van alle komt zodra het gaat over de toepassing van het offer op de mens.
De eerste handeling bij het dankoffer was het aanbieden en het doden van het slachtoffer voor de deur van de tent der samenkomst en het sprenkelen van het bloed, dat de grondslag vormde van elk dierlijk offer. Hij, die het offer offerde, maakte zich ermee één, doordat hij zijn handen op het hoofd van zijn offerande legde (verzen 1-2) 22 Vervolgens werd al het vet – vooral dat van de ingewanden – op het brandofferaltaar voor de Heer verbrand. Het eten van het vet was, evenals dat van het bloed, verboden. Het bloed is het leven, en kon dus alleen aan God toebehoren, want het leven kwam op een bijzondere wijze hem toe. Maar ook het vet mocht nooit gegeten worden. Het moest verbrand en aan God worden geofferd. Het gebruik van het vet als zinnebeeld is in de Schrift voldoende bekend. “Hun hart is zo ongevoelig als vet” (Psalm 119:70). ‘Maar toen Jesjurun vet werd, trapte hij achteruit’ (Deuteronomium 32:15). ‘Met hun vet hebben zij hun hart afgesloten, met hun mond hebben zij trotse taal gesproken’ (Psalm 17:10). Het vet is het zinnebeeld van de energie en de kracht van de innerlijke wil, het innerlijke van het hart van de mens. Vandaar, dat, als Christus uitdrukking wil geven aan Zijn vernedering en ontlediging, Hij in Psalm 22:18 zegt, dat Hij “al zijn beenderen zou kunnen tellen”. En in Psalm 102:6 ‘Mijn beenderen kleven aan mijn vlees door mijn luide zuchten’.
Maar wat in Jezus aan energie en kracht in Zijn natuur gevonden werd – Zijn gehele innerlijke wezen – was een brandoffer, dat zonder enig voorbehoud tot een liefelijke reuk aan God werd geofferd en aangeboden. Dat was Gods spijze van de offerande: “een spijze des vuuroffers voor Jahweh”. Hierin vond Jahweh Zijn welbehagen. Zijn ziel rustte erin, want het was zeker zeer goed. Goed te midden van het kwaad – goed in de energie van de overgave aan Hem – goed in volmaakte gehoorzaamheid.
Als het oog van God – evenals de duif van Noach – op deze door het oordeel over de zonde gereinigde aarde neerzag, dan zou het nergens met welbehagen en vrede op kunnen rusten, totdat Jezus daar gezien werd. Alleen in Hem zou Zijn oog een rustpunt vinden. Wat ook de raadsbesluiten van God geweest mogen zijn, de hemel bleef – wat de uitdrukking van Zijn welbehagen betreft – gesloten en wel tot op het ogenblik, dat Jezus op aarde kwam, Hij, de tweede en volmaakte Mens, de Heilige, Hij Die Zich Gode offerde om Zijn wil te doen. Op het ogenblik, dat Hij Zich aanbood om Zijn openbare dienst te beginnen, opende zich de hemel. De Heilige Geest daalde neer om op Hem te blijven, als de enige plaats waar Hij hier beneden kon wonen. En de stem van de Vader, die door niets meer kon worden tegengehouden, verklaarde van de hemel: “Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen gevonden heb”. Zou dit voorwerp, dat te groot en te voortreffelijk was dan dat de hemel en de liefde van de Vader hadden kunnen zwijgen, te midden van een zondige wereld Zijn voortreffelijkheid en Zijn liefelijke geur verliezen? Juist het tegendeel. Het was juist daar, dat Zijn voortreffelijkheid bewezen zou worden.
Toen Jezus gehoorzaamheid leerde door wat Hij leed, was elke aandoening van Zijn hart aan God gewijd. Hij wandelde in Zijn gemeenschap, eerde Zijn Vader in alle dingen, zowel in Zijn leven als in Zijn sterven. Jahweh vond in Hem Zijn voortdurend welbehagen en bovenal was in Zijn dood “de spijze des offers” in Hem aanwezig.
Zodanig was het grote beginsel van het vredeoffer, maar de gemeenschap die onze zielen ermee hebben, wordt ons hierna getoond. Als het vet als een vuuroffer verbrand werd, werd de wijding aan God voortgezet tot de hoogste graad van aanneming en genade.
Als we de wet van het offeren onderzoeken (Leviticus 7), vinden we dat de rest van het offerdier gegeten werd. De borst was voor Aäron en zijn zonen, die een type zijn van de gehele Gemeente. De rechterschouder was voor de priester, die het bloed sprenkelde (verzen 32-33), wat meer een bijzonder beeld is van Christus als de offerende Priester. De rest van het dier werd gegeten door hem, die het dier gebracht had en door hen, die deze uitgenodigd had.
Op deze wijze was er dus eenheid en gemeenschap met de heerlijkheid en met het welbehagen, met het genot van Hem, aan Wie het offer was gebracht. Maar ook met het priesterschap en het altaar, de instrumenten en middelen die nodig waren bij het offeren. En tevens was er gemeenschap met alle priesters van God en tussen hen, die er rechtstreeks aan deel namen.
Een zelfde gewoonte bestond ook onder de heidenen. Vandaar de bewijsvoering van de apostel ten aanzien van het offeren aan afgoden. Zo spreekt hij in 1 Korinthe 10:18 van het avondmaal van de Heer, waarvan de betekenis op nauwe wijze verbonden is met het beeld, dat ons thans bezighoudt en zegt: “Kijkt u naar Israël naar [het] vlees. Hebben niet zij die de offers eten, gemeenschap met het altaar?” Deze gemeenschap met het altaar werd zo sterk doorgevoerd, dat in de woestijn – waar dat mogelijk was – niemand het vlees van welk dier ook mocht eten, voordat het als een offerande voor de tent der samenkomst was gebracht. En een dergelijke verordening, die nodig was om het beginsel te handhaven, werd in het land Kanaän ingesteld 23. Wij als gelovigen moeten in de naam van de Heer Jezus eten en Hem de offerande van dankzegging, dat is de varren van onze lippen, brengen. En we wijden zo alles waaraan we deel hebben, alsook onszelf, aan Hem.
En dit alles in gemeenschap met de Gever en met Hem Die ons in die gemeenschap bewaart. Intussen gaat het in dit hoofdstuk eigenlijk om een offerande.
Het offer van Christus, als brandoffer, is dus voor God Zijn hoogste genot. Zijn ziel verkwikt zich en vindt er welbehagen in. Het is een liefelijke reuk voor Hem. Als de aanbidders – om zo te zeggen – plaats nemen aan Zijn tafel, dan naderen ze ook door dit volmaakt offer voor Zijn aangezicht en voeden zich met dit offer. Ze hebben dan volmaakte gemeenschap met God, in hetzelfde welbehagen in het volmaakte offer van Jezus. Dus in de Persoon van de Heer Jezus Zelf, Die geofferd is en Zichzelf zó opgeofferd heeft 24. Ze bezitten een zelfde voorwerp van volmaakte blijdschap met God in de volmaaktheid van het verlossingswerk, dat door Christus is volbracht. Zoals bij ouders die gezamenlijk van hun kinderen genieten, de blijdschap groter wordt, omdat ze samen genieten, zo is het ook met de aanbidders. Ze zijn vervuld met de Geest en vrijgekocht door Christus en hebben met de Vader één gemeenschappelijke gedachte ten opzichte van de voortreffelijkheid van een geofferde Christus. Zou dan alléén de priester, die al deze dingen bedient, van de blijdschap, door dit alles veroorzaakt, buitengesloten zijn? Nee, ook hij heeft er deel aan. Hij – Christus – Die de offerande heeft geofferd, deelt in de blijdschap van de verlossing. En ook de gehele Gemeente van God behoort erin te delen.
Zo vindt Jezus, als Priester, Zijn welbehagen in de blijdschap van de gemeenschap, die bestaat tussen God en het volk: dat zijn de aanbidders, de vrucht van Zijn werk, door en van welke gemeenschap Hijzelf het voorwerp is. Wat zou de blijdschap van een Verlosser anders zijn, dan de blijdschap en de gemeenschap, het geluk van Zijn verlosten? Zo nu is elke ware eredienst van de heiligen. Het is een zich in God verblijden door middel van de verlossing en de offerande van Jezus; ja, één en dezelfde gedachte met God hebben; met Hem vinden ze hun vreugde in de voortreffelijkheid van dit reine en vlekkeloze slachtoffer 25 en van Zijn vrijwillige toewijding. Van dat Offer, Dat hen vrijkocht, verzoende en in deze gemeenschap gebracht heeft. En ze hebben de zekerheid, dat deze blijdschap waarvan ze genieten, de blijdschap van Jezus Zelf is; van Hem Die er de bewerker van is en Die ze hun gegeven heeft. In de hemel zal Hij Zich omgorden en de Zijnen aan de tafel doen neerzitten. Dan zal Hij naderbij komen en hen dienen.
Het kan niet anders, of deze blijdschap van de eredienst strekt zich uit tot het gehele lichaam van de verlosten, als in de hemelse gewesten gezien. Aäron en zijn zonen moesten ook hun deel hebben. Deze zijn altijd het beeld van de Gemeente, niet als het lichaam van Christus (dat was in het Oude Testament geheel verborgen) maar gezien als het geheel van Zijn leden, allen, die het recht hebben in de hemelse plaatsen in te gaan en wierook te offeren. Ze zijn immers tot Gods priesters gemaakt. Voor dezen waren de voorbeelden van de hemelse dingen en zij, die deel uitmaken van de Gemeente, vormen het lichaam van de hemelse priesters voor God. Daarom kan eredienst voor God, ware eredienst, niet afgescheiden worden van het gehele lichaam van ware gelovigen. Ik kan niet waarlijk tot de tabernakel van God naderen met mijn offer, zonder daar noodzakelijkerwijze de priesters van de tabernakel te vinden. Zonder de ene Priester is alles tevergeefs; want wat hebben wij zonder Jezus? Welnu, ik kan Hem niet vinden, zonder tegelijkertijd het gehele lichaam van Zijn geopenbaard volk te ontmoeten. De belangstelling van Zijn hart gaat naar hen allen uit. God heeft Zijn priesters en ik kan niet anders tot Hem naderen, dan in de weg, die Hij heeft voorgeschreven. En dan nader ik als één, die verbonden is met hen, die Hij rondom Zijn Huis geplaatst heeft en die ik erken als het grote lichaam van hen, die in Christus geheiligd zijn. Hij die niet in deze geest wandelt is in conflict met de verordeningen van God en heeft geen waar vredeoffer volgens de instelling van God.
Laten we nog even stilstaan bij enkele andere bijzonderheden. Alleen zij die rein waren, konden in het voorrecht van de feestdis delen. We weten, dat thans de zedelijke reiniging de plaats van de ceremoniële heeft ingenomen. In Johannes 15:3 lezen we: ‘U bent al rein om het Woord dat Ik tot u heb gesproken’ en in Handelingen 15:9 ‘en Hij heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons en hen, daar Hij door het geloof hun harten heeft gereinigd’. Het waren de Israëlieten, die voorheen deel hadden aan de dankoffers. En als een Israëliet naar de wet van God verontreinigd was door iets onreins, mocht hij niet van het offer eten, zolang zijn verontreiniging duurde. Daarom kunnen alleen Christenen – dat zijn zij van wie de harten gereinigd zijn door het geloof, doordat ze het Woord met blijdschap ontvangen hebben – werkelijk eredienst houden voor het aangezicht van God. Zij kunnen deel hebben aan de gemeenschap van de heiligen. Maar als het hart bezoedeld is, is de gemeenschap onderbroken. Geen enkele persoon, die openlijk verontreinigd is, heeft het recht deel te nemen aan de eredienst, of aan de gemeenschap van de Gemeente van God.
Merk op, dat “geen Israëliet zijn” of “niet rein zijn”, twee geheel verschillende dingen zijn. Hij die geen Israëliet was, kon nooit een aandeel in de vredeoffers hebben. Hij kon niet tot de tabernakel naderen. “Niet rein zijn” bewees echter niet, dat iemand geen Israëliet was. Integendeel, de tucht waarvan we spreken, was alleen van toepassing op de Israëlieten. Maar de verontreiniging ontnam aan de Israëliet de bekwaamheid met hen, die rein waren, deel te nemen aan het voorrecht van de gemeenschap. Want hoewel de offeraars en genodigden van deze vrede-offers genoten, behoorden de offers toch aan de Heere (hoofdstuk 7:20,21). Hij die verontreinigd was had geen enkel recht. “De ware aanbidders moeten de Vader in geest en waarheid aanbidden, want de Vader zoekt ook dezulken die Hem alzo aanbidden” (Johannes 4:23). Als aanbidding en gemeenschap door de Geest gewerkt worden, dan is het duidelijk, dat alleen zij die de Geest van Christus bezitten en die ook die Geest niet bedroefd hebben, eraan kunnen deelnemen. Immers, de bezoedeling van de zonde zou de gemeenschap die door de Geest is, onmogelijk maken.
Er is nog een ander deel van de voorschriften met betrekking tot het vredeoffer, dat schijnbaar het zojuist opgemerkte tegenspreekt, maar in werkelijkheid dit onderwerp nog scherper belicht. Er was voorgeschreven om met de offeranden, die dit dankoffer vergezelden, ook gedesemd brood te offeren (hoofdstuk 7:13). Want zelfs dan, als dat wat onrein is – dat wil zeggen wat als zodanig erkend is – verwijderd is, blijft er toch altijd een vermenging met het kwaad in ons en dus ook in onze aanbidding. Het zuurdeeg is aanwezig, want een mens zonder zuurdeeg is niet denkbaar. De hoeveelheid ervan kan gering zijn en niet opgemerkt worden, wat het geval zal zijn als de Geest niet bedroefd is, maar het bevindt zich overal waar de mens is. Men offerde tegelijkertijd ook broden zonder zuurdeeg, want Christus is aanwezig. De Geest van Christus is in ons in wie zuurdeeg is, omdat we mensen zijn.
Er was in verband met de eredienst die ons nu bezighoudt, nog een ander belangrijk voorschrift 26. Ging het om een gelofte, of vrijwillig offer (7:16), dan mocht het vlees van het offerdier gegeten worden op de tweede dag, nadat men het vet als een spijs van het vuuroffer voor Jahweh had verbrand. Maar als men het offer als een lofoffer aanbood, moest het dezelfde dag gegeten worden. De reinheid van de dienst van de aanbidders werd dus nauw verbonden met de offerande van het vet aan God. Zo is het onmogelijk ware geestelijke aanbidding en gemeenschap te scheiden van het volmaakte offer van Christus aan God.
Zodra onze eredienst gescheiden wordt van het offer, van de krachtdadige werking ervan, van het bewustzijn hoe volkomen welgevallig het offer van Christus voor God is 27, dan wordt die eredienst vleselijk en alleen maar een vorm, of de bevrediging van het vlees. Als het dankoffer gegeten zou worden gescheiden van het offeren van het vet, dan was de feestdis van zuiver vleselijke aard. Het zou een vorm van aanbidden zijn, die – omdat het geen enkele gemeenschap met het welbehagen en de blijdschap van God heeft – voor God niet alleen slecht en onaanvaardbaar, maar zelfs een ware ongerechtigheid zou zijn.
Als de Heilige Geest ons tot ware geestelijke aanbidding voert, dan leidt Hij ons in de gemeenschap met God, in Zijn tegenwoordigheid. En het kan niet anders, of de oneindig grote waarde, die het offer van Zijn Zoon voor Hem heeft, wordt ook aan onze geest voorgesteld. We zijn ermee verbonden en het vormt een overwegend en onontbeerlijk deel van onze gemeenschap en eredienst. We kunnen niet in de tegenwoordigheid en in de gemeenschap van God zijn, zonder dit offer daar te vinden. Het is de grondslag van onze aanneming, zowel als van onze gemeenschap.
Gescheiden van het offer, wordt onze eredienst een vleselijke. Onze gebeden, of de bron van onze gebeden, worden dan wat soms een “gave des gebeds” genoemd wordt, en er is weinig dat treuriger is. Het wordt een vloeiende opsomming van bekende waarheden en beginselen, in plaats van gemeenschap en door de zalving van de Geest de uitdrukking van lof en dankzegging in de vreugde van de gemeenschap of ook maar het uitspreken van onze behoeften en verlangens. Onze liederen zijn dan niets anders dan strelingen voor het oor. Muzikale smaak, genot dat dichterlijke woorden ons geven – dit alles wordt een vleselijke vorm, in plaats van gemeenschap in de Geest. Dit is boos. De Geest van God erkent het niet.
Het is niet in geest en in waarheid, het is werkelijk ongerechtigheid.
Er bestond een verschil in de waarde van de verschillende soorten van het vredeoffer.
Als het als een gelofte, of vrijwillig offer geofferd werd, mocht het vlees op de eerste en op de tweede dag gegeten worden. Als het een lofoffer was, alleen op de eerste dag.
Dit stelt verschillende trappen van geestelijke kracht voor. Als onze aanbidding de spontane vrucht is van een eenvoudige en oprechte toewijding, dan kan hij zich langer handhaven. Want omdat we vervuld zijn met de Geest, bevinden we ons in de werkelijkheid van een ware gemeenschap en onze eredienst is op deze wijze aannemelijk voor God. De reuk van dit offer blijft zo langer gehandhaafd voor het aangezicht van God, Die in de blijdschap van Zijn volk deelt. Want de kracht van de Geest handhaaft Gods vreugde in Zijn volk in een gemeenschap, die aangenaam is voor Hem. Is daarentegen ons aanbidden het natuurlijke gevolg van al verkregen zegeningen, dan is dit zeker ook aangenaam en aannemelijk voor God, maar daar is niet dezelfde kracht van gemeenschap. Het offer van de dankzegging wordt ongetwijfeld in gemeenschap met God aan Hem gebracht, maar deze gemeenschap houdt op tegelijk met de dankzegging, die Hem gebracht werd.
Laten we ook opmerken, dat we de eredienst met de Geest kunnen beginnen en met het vlees eindigen. Als ik bijvoorbeeld doorga met zingen, verder dan wat werkelijk door de Geest gewerkt is — iets wat maar al te dikwijls gebeurt — dan zal mijn lied, dat in het begin een ware melodie van het hart voor de Heer was, ten slotte eindigen in aangename gedachten en muziek en zodoende eindigen in het vlees. De geestelijke Christen, de aanbidder met geestelijk inzicht, zal deze verandering op het ogenblik dat ze zich voordoet voelen.
Wanneer het voorkomt, wordt de ziel er steeds door verzwakt, en gewent zich snel aan een vormendienst en aan geestelijke zwakheid. En zo kan het kwaad op zeer snelle wijze door de vijand in het midden van de aanbidders indringen. Dat de Heer ons dicht bij Zich mag houden, opdat we alle dingen in Zijn tegenwoordigheid kunnen oordelen. Want buiten Zijn tegenwoordigheid zijn we niet in staat ook maar iets te oordelen.
Het is goed, dat we grote aandacht schenken aan de uitdrukking: “het vlees van het dankoffer, dat van Jahweh is” (Leviticus 7:20). De eredienst behoort aan God, want wat in onze harten tijdens de eredienst omgaat, behoort niet aan ons toe. God heeft het in onze harten gelegd, tot onze blijdschap, opdat we deel zouden hebben aan het offer van Christus; aan Zijn eigen blijdschap in Christus.
Zodra we ons de eredienst gaan toe-eigenen, ontwijden we Hem. Daarom moest wat van het vlees van het offerdier overbleef, met vuur verbrand worden. En daarom ook mocht niets dat onrein was te maken hebben met de eredienst (hoofdstuk 7:19-21). Vandaar ook de noodzakelijkheid de eredienst te verbinden met het vet, dat op het altaar voor Jahweh verbrand werd, opdat het werkelijk zou zijn; Christus in ons. Opdat zo ware gemeenschap met God tot uitdrukking zou komen; het aanbidden van Christus (met Wie onze zielen zich voeden) aan God.
Laten we niet vergeten, dat onze gehele eredienst aan God toebehoort; dat het de uitdrukking is van de voortreffelijkheid van Christus in ons en zo onze vreugde voor God, als door een Geest. Christus in de Vader, wij in Hem en Hij in ons — dat is de wondere keten, die ons in genade net zoals in heerlijkheid verbindt: onze eredienst door Christus tot God, is het uitvloeisel en de vreugde van het hart, gegrond op deze eenheid. Zo zegt de Heer dan ook, wanneer Hij in dit opzicht in ons midden Zijn dienst verricht: “Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen, in [het] midden van [de] Gemeente zal Ik U lofzingen” (Psalm 22:23; Hebreeën 2:12). Zeker. Hij Die weet, dat de verlossing volbracht is, verblijdt Zich. Mochten onze stemmen en onze harten meer onze hemelse Leidsman volgen! Waarlijk, Hij zal onze lofzangen leiden en begeleiden zo dat het de Vader welgevallig is. En hoe zal het oor van de Vader opmerken, wanneer Hij hoort dat deze stem onze lofzang leidt; de stem die voor Hem zo kostbaar is!
Welke volmaakte en diepe ervaring van wat aangenaam is voor God moet Hij toch hebben, Die in het werk van de verlossing alles heeft uitgevoerd naar Gods gedachten! Zijn gedachten zijn de uitdrukking van alles wat de Vader aangenaam is. Welnu, Hij leidt ons en Hijzelf onderwijst ons. Weliswaar zijn we zwak en onvolmaakt, maar Hij leidt ons zó, dat onze lofprijzing evenals de Zijne door de Vader wordt aangenomen. “Wij hebben [het] denken van Christus” (1 Korinthe 2:16).
De ‘varren van onze lippen’ (Hebreeën 13:15 en Hosea 14:3) is de uitdrukking van dezelfde Geest, waardoor we onze lichamen stellen als een levende offerande, heilig en welbehaaglijk voor God en waarbij we dan beproeven, wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is. En dat is nu onze eredienst en ons dienen. Want onze dienst zou – in zeker opzicht – onze eredienst moeten zijn.
Aan de voorschriften met betrekking tot het vrede-offer is de bepaling toegevoegd, dat het eten van het vet of van het bloed verboden is (hoofdstuk 7:22-27). Deze bepaling heeft blijkbaar hier haar plaats gevonden, omdat de vredeoffers offeranden waren, waarvan een groot deel door de aanbidders werd gegeten. Maar door wat we hiervoor al hebben gezegd, is de betekenis van dit verbod wel duidelijk: het leven en de innerlijke kracht van het hart behoren immers geheel en al aan God. Het leven is van Hem en moet aan Hem worden gewijd. Het behoort Hem toe en kan alleen Hem toebehoren.
Een leven te verkwisten of een schepsel het leven te benemen, was hoogverraad ten opzichte van de rechten van God.
Hetzelfde geldt voor het vet. Het kenmerkt geen enkele gewone functie van het lichaam – zoals de bewegingen van de ledematen of iets dergelijks – maar het is de uitdrukking van de energie van de natuur zelf en behoort dus uitsluitend aan God toe. Christus alleen gaf het aan God terug, omdat Hij alleen Gode offerde wat Hem verschuldigd was. Het verbranden van het vet – in dit en in andere offers – stelt ons dan ook Christus voor, Die Zichzelf offert tot een liefelijke reuk voor God. Maar het is niet minder waar, dat alles aan God toebehoorde én toebehoort. De mens kon het vet niet voor eigen gebruik aanwenden. Hij kon zich ervan bedienen, als het afkomstig was van een dier, dat vanzelf stierf of verscheurd was. Maar zodra de mens opzettelijk een dier het leven had ontnomen, moest hij de rechten van God erkennen en zijn wil onderwerpen, erkennende, dat alleen de wil van God recht heeft.
Hoofdstuk 4-7
Het zond- en schuldoffer
We komen nu tot de offers die geen offers tot een liefelijke reuk waren: de zond- en schuldoffers, in het grote beginsel gelijk, hoewel verschillend in karakter en bijzonderheden; op dat verschil zullen we letten.
Laten we allereerst op een zeer belangrijk beginsel wijzen.
In de offers, waarvan we tot nu toe gesproken hebben – dus de offers tot een liefelijke geur – zagen we de eenmaking van de offeraar met het offerdier. Deze eenmaking werd tot uitdrukking gebracht door het leggen van de handen van de offeraar op het hoofd van het offerdier. Bij deze offers kwam de aanbidder als een offeraar. Of het nu Christus Zelf was, of een mens die door de Geest van Christus geleid werd, en zo één gemaakt met Christus, als hij zich aan God voorstelde, zo’n offeraar kwam uit vrije wil en werd, als aanbidder, één gemaakt met de aannemelijkheid en aanneming van zijn offer.
Hetzelfde beginsel van vereenzelviging met het offerdier door het opleggen van de handen vinden we terug in het zondoffer. Maar hier naderde hij die het dier offerde, niet als aanbidder, maar als zondaar. Dus niet als iemand, die rein was om gemeenschap met de Heer te kunnen hebben, maar als iemand, die schuldig was. En in plaats dat hij één gemaakt werd met de aannemelijkheid van het offerdier – hoewel dit later ook waar werd – werd dit dier vereenzelvigd met de zonde en met de niet-aannemelijkheid van hem, die het dier offerde. Het offerdier droeg zijn zonden en werd dienovereenkomstig behandeld. Dit was volledig het geval, als het eenvoudig om een zondoffer ging. Ik zei: “hoewel dit later ook waar werd”, omdat bij verscheidene zondoffers een bepaald deel de offeraar één maakte met de aanneming van Christus. Een aanneming, die in Hem, Die in Zijn eigen Persoon de waarde van alle offers verenigde, nooit uit het oog verloren mag worden. Het onderscheid tussen de eenmaking van het offerdier met de zonde van de schuldige, en de eenmaking van de aanbidder met het voor God aangename offerdier, laat het verschil zien, dat tussen deze offers bestaat en laat het tweevoudige aspect van het werk van Christus duidelijk uitkomen.
En nu kom ik tot de bijzonderheden. Er waren vier gewone soorten van zond- en schuldoffers en bovendien twee speciale offers, die zeer belangrijk waren en waarover we later zullen spreken.
De eerste klasse omvat de zonden, die het natuurlijke geweten kwetsen (Leviticus 4). De tweede (tot Leviticus 5:13), welke klasse verband houdt met de eerste, de dingen, die op grond van de bepalingen van Jahweh tot zonde werden, zoals bijvoorbeeld verontreinigingen, waardoor de aanbidder niet tot God kon naderen, en nog andere dingen. Deze klasse had een gemengd karakter: er wordt gesproken over zond- en schuldoffers. In de derde klasse (Leviticus 5:14-19) overtredingen in de heilige dingen van de Heer; de vierde klasse (Leviticus 6:1-7) overtredingen tegen de naaste door misbruik van vertrouwen en dergelijke.
De twee andere opmerkelijke voorbeelden van zondoffers waren: de grote verzoendag (Leviticus 16) en de rode vaars (Numeri 19). Deze offers vereisen een speciaal onderzoek.
De begeleidende omstandigheden van het zondoffer zijn eenvoudig. Het is duidelijk, dat, als de hogepriester of het gehele volk (Leviticus 4:3,13) gezondigd had, elke gemeenschap met Jahweh onderbroken was. Het ging dan niet maar om het herstel van gemeenschap van een enkeling, maar om het herstel van gemeenschap tussen God en het gehele volk. Het betrof hier niet het tot stand brengen van een betrekking met God (dat gebeurde op de grote verzoendag), maar het herstel van de onderbroken gemeenschap. Daarom werd het bloed zevenmaal voor de voorhang gesprenkeld, om zo een volmaakt herstel van deze gemeenschap te verkrijgen. Bovendien werd het bloed op de hoornen van het reukaltaar gedaan.
Als het om een persoonlijke zonde ging, was de gemeenschap van het volk in het algemeen niet onderbroken, maar hij, die gezondigd had, verloor het genot van de zegening. Daarom werd het bloed niet op het reukaltaar gesprenkeld (de plaats waar alleen de priester naderde), maar op het brandofferaltaar, waar de eenvoudige Israëliet toegang had (Leviticus 4:22 en 25).
De krachtdadige werking van het offer van Christus voor de zonde is noodzakelijk, maar deze offerande is eens voor altijd gebracht voor elke zonde. Maar de gemeenschap van de Gemeente, als het lichaam van aanbidders, wordt door de zonde van de enkeling niet onderbroken, al wordt ze wel gebrekkig en belemmerd. Toch wordt, zodra de zonde bekend is, het herstellen van de gemeenschap noodzakelijk en is het offer vereist 28.
We weten, dat de Heer soms de gehele vergadering straft, als de zonde van een enkeling verborgen blijft, zoals we dit zien bij Achan. Dat wil zeggen: de kracht die hoort bij een toestand waarin God niet bedroefd wordt, is verzwakt en verloren; en waar het geweten wakker is en het hart belang stelt in de zegen van Gods volk, leidt dit ertoe de oorzaak op te sporen. Maar dit houdt verband met de regering van God. De toerekening van zonde als schuld is een andere zaak; maar zonde in zichzelf heeft steeds zijn eigen karakter ten opzichte van God. “Israël heeft gezondigd”, zegt Jahweh (Jozua 7:11) maar het is alleen Achan die gestraft wordt als de zonde is ontdekt en geoordeeld. Dan keren de zegeningen weer terug, hoewel met veel meer moeilijkheden gepaard, dan voorheen.
De waarheid is, dat Hij Die het algemeen bestuur in de Gemeente met het bijzondere oordeel (over de enkeling) weet te verenigen, als er nog algemene getrouwheid is – de zonde van de enkeling in het daglicht stelt, of – wat verhevener en kostbaarder is – haar niet toelaat. En dat Hij aan de andere kant de zonde – als middel – dienstbaar maakt om Zijn volk in zijn geheel te kastijden.
In het geval, waarvan we zojuist spraken, schijnt het me duidelijk te zijn dat, al was klaarblijkelijk de zonde van Achan de reden voor de kastijding, Israël toch op menselijke macht vertrouwd had. En om dit vleselijk vertrouwen moest het volk worden gekastijd en de ijdelheid van dit vertrouwen moest hun voor ogen worden gesteld. Wat de uitkomst betreft, bleek het steunen op die macht even nutteloos te zijn, als de Goddelijke macht had getoond toereikend te zijn bij Jericho. Hoe het ook zij, uit de bijzonderheden van het zondoffer blijkt duidelijk, dat God geen enkele zonde ongestraft laat voorbijgaan. Hij kan alles vergeven en alles reinigen, maar Hij kan niet de zonde laten voorbijgaan. De zonde, verborgen voor hem die haar bedreef, is niet verborgen voor God. En waarom is ze voor de mens verborgen? Wel, omdat de onachtzaamheid – een vrucht van de zonde – zijn geestelijk verstand en zijn waakzaamheid verduisterd heeft. God oordeelt de zonden naar de verantwoordelijkheid van hen, die geoordeeld worden. Maar in het soevereine werk van de genade oordeelt God de zonde in hen, die tot Hem naderen, niet naar wat voor de mens betaamt, maar naar wat Hem betaamt. Hij woonde in het midden van Israël. Israël moest dus geoordeeld worden, naar wat voor Zijn tegenwoordigheid betaamde. Want de voorrechten die we bezitten, zijn de maatstaf voor onze verantwoordelijkheid. De mensen laten in hun gezelschap alleen personen toe die hun passen; ze laten geen laagstaande en verdorven mensen toe, want dan laten ze ook hun boosheid toe, die past bij hun manier van handelen. Zou God dan alleen Zijn tegenwoordigheid moeten ontwijden door op een andere wijze te handelen? Zou al het kwaad, waarin de verdorvenheid van de mens hem brengt, voor het aangezicht van God goedkeuring kunnen vinden? Nee! God moet – om ons door Zijn tegenwoordigheid gelukkig te maken – het kwaad, ja al het kwaad, in overeenstemming met Zijn tegenwoordigheid, oordelen; dat wil zeggen, Hij moet het geheel en al van Zich verwijderen. Als de afgestomptheid, die het gevolg is van de zonde, ons zover heeft gebracht dat we niet meer weten, dat de zonde in ons aanwezig is, moet God dan blind worden, omdat de zonde ons blind gemaakt heeft? Moet God Zichzelf onteren, anderen ongelukkig maken, elke heilige vreugde waar dan ook onmogelijk maken, zelfs in Zijn eigen tegenwoordigheid, opdat het kwaad maar ongestraft zou blijven? Nee, dat is onmogelijk. God oordeelt alles. In de gelovige is de zonde geoordeeld overeenkomstig de plaats, waar de genade hem gebracht heeft. God weet alle dingen. Het kwaad, hoe goed verborgen voor ons, is voor Hem altijd kwaad. “Alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem, met Wie wij te doen hebben” (Hebreeën 4:13). Hij kan medelijden hebben. Hij kan door Zijn Geest licht schenken en een middel bereiden, opdat de grootste zondaar tot Hem kan komen. Hij kan de ziel herstellen, die afgedwaald is; Hij kan rekening houden met de kleinste hoeveelheid geestelijk licht, als dit licht oprecht gezocht is. Maar dat alles verandert Zijn oordeel over het kwaad niet. “De priester zal zo verzoening voor hem doen voor zijn zonde, die hij zonder opzet en zonder het te weten gedaan heeft, en het zal hem vergeven worden. Het is een schuldoffer, want hij heeft zich zeker schuldig gemaakt tegenover de HEERE” (Leviticus 5:18-19).
Nu moeten we de lezer op bepaalde verschillen tussen de zondoffers wijzen, want deze zijn van groot belang voor ons.
De lichamen van de offerdieren, die gebracht werden voor het gehele volk of voor de hogepriester – wat op hetzelfde neerkomt, want zowel in het ene als in het andere geval, was de gemeenschap van het gehele volk onderbroken – werden buiten de legerplaats verbrand (Leviticus 4:1-21). Dit werd niet gedaan met de zondoffers voor afzonderlijke personen, noch bij vuuroffers ten liefelijke reuk, hoewel het geheel werd verbrand (4:22-35). Maar die voor de hogepriester of voor het gehele volk werden wél buiten de legerplaats verbrand; zij werden tot zonde gemaakt en als zodanig weggedaan tot buiten de legerplaats. Het offerdier, dat voor het zondoffer gebruikt moest worden, was zonder gebrek en het vet ervan werd op het altaar verbrand. Maar nadat hij, die gezondigd had, zijn zonden beleden had terwijl hij zijn handen op het hoofd van het dier legde, werd dit dier beschouwd als dragende deze zonden, en door God tot zonde gemaakt en buiten de legerplaats gebracht.
“Daarom heeft ook Jezus”, zegt de Apostel, “opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden” (Hebreeën 13:12). Dit was altijd het geval, als het bloed voor de zonde in het heiligdom werd gebracht (Leviticus 4:6 en 17).
Eén offer, dat ik later in bijzonderheden zal behandelen, het offer van de rode vaars (Numeri 19), werd abstract en in zijn geheel gezien uit het oogpunt van de zonde. Het werd buiten de legerplaats geslacht en nadat een klein deel van het bloed aan de deur van de tabernakel was gesprenkeld, werd het geheel, zelfs met het vet en bloed buiten de legerplaats verbrand.
Bij de drie andere offers, die het gehele volk betroffen (Leviticus 4:1-21; 16:3-28), werden inderdaad de lichamen van de offerdieren ook buiten de legerplaats verbrand. Maar de verbinding met de volkomen aangenaamheid van Christus in Zijn werk als Degene, Die Zichzelf ten offer bracht, werd gehandhaafd door het verbranden van het vet op het brandofferaltaar. Tevens wordt ons door deze laatste handeling getoond, op welke wijze Hij voor ons tot zonde gemaakt werd: namelijk als Degene Die geen zonde heeft gekend en Wiens offerande – in de meest innerlijke gedachten van Zijn wezen en natuur – onder de beproeving van het oordeel van God, volkomen aangenaam bevonden werd. Maar hoewel het vet op het altaar werd verbrand, om die verbinding en de eenheid van het offer van Christus te handhaven en zo het algemeen karakter en het doel van deze verscheidenheid in de typen te tonen, wordt dit offer toch gewoonlijk niet een offer “tot een liefelijke reuk voor Jahweh” genoemd. De enige uitzondering hierop is Leviticus 4:31.
Er was echter enig verschil tussen het offer van de grote verzoendag en de twee, die in het begin van Leviticus 4 genoemd worden. Bij het offer van de grote verzoendag, werd het bloed binnen de voorhang gedragen, omdat dit de grondslag was van al de andere offeranden. Het was de basis van elke betrekking tussen God en Israël. Het maakte mogelijk, dat God in het midden van het volk woonde, en dat Hij de andere offers aannam. De krachtdadige werking ervan duurde het gehele jaar. (Voor ons eeuwig zoals de apostel in de brief aan de Hebreeën zegt.) Op dit offer waren alle relaties van God met het volk gebaseerd. Daarom werd het bloed ervan op het verzoendeksel gesprenkeld, opdat het altijd voor de ogen van Hem zou zijn voor Wie het verzoendeksel hierdoor de troon van genade en ook de troon van gerechtigheid werd. Op grond van de waarde van dit bloed woonde God in het midden van het volk, hoe lichtzinnig en opstandig het ook was.
Zodanig was dus de krachtdadige werking van het bloed van Jezus. Het is voor altijd op het verzoendeksel en behoudt zijn krachtdadige werking als grondslag van onze relaties met God. De andere zondoffers waren bestemd de gemeenschap van hen, die zich in die relaties met God bevonden, te herstellen. Daarom besprenkelde men in Leviticus 4:1-21 het reukofferaltaar met bloed, een altaar dat een zinnebeeld is van de uitoefening van deze gemeenschap. De rest van het bloed werd – zoals dit gebruikelijk was bij de offers – aan de bodem van het brandofferaltaar uitgegoten. Dit was de plaats van het aanvaarde offer. Het lichaam werd – zoals we hebben gezien – verbrand. Bij de zond- of schuldoffers van de enkeling, ging het niet direct om een al of niet verbroken gemeenschap van het volk, maar wel werd de persoon in kwestie van het genot van deze gemeenschap beroofd. Daarom werd het reukaltaar niet verontreinigd, of – om zo te zeggen – voor het gebruik ongeschikt gemaakt. Integendeel, het werd voortdurend gebruikt. Het bloed van deze offers werd daarom op de hoornen van het brandofferaltaar aangebracht, dat altijd de plaats was van persoonlijke toegang tot God.
Daar op die plaats kan elke afzonderlijke ziel, door Christus en door de krachtdadige werking van Zijn éénmaal gebrachte offerande, tot God naderen.
En zo aangenomen, geniet hij van alle zegeningen en van alle voorrechten, die de Gemeente als geheel, voortdurend bezit. Voor ons is de voorhang gescheurd en wat het bewustzijn van zonden betreft, zijn we voor eeuwig volmaakt geworden. Als we in onze wandel verontreinigd worden, herstelt de wassing van het water – door het Woord – onze ziel in de gemeenschap, en wel met de Vader en met Zijn Zoon.
Door te spreken van een opnieuw besprengen met het bloed krijgt men als logisch gevolg: het omverwerpen van de ware positie van de Christen; het werpt hem terug in zijn eigen onvolmaakte toestand van niet-aangenomen zijn en van ongerechtigheid. Ook al is er dan een middel, dat telkens herhaald kan worden – hij, die op deze bodem staat, kent niet de kwestie van heiligheid, en maakt de voortdurende gerechtigheid in Christus onzeker. Het woord: “Welzalig de mens wie de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent”, is in zulke gevallen onbekend; en eveneens, dat de aanbidder die eens gereinigd is geen geweten van zonden meer heeft. Als telkens bloedstorting nodig was, dan zou, zoals de apostel zegt, Christus dikwijls hebben moeten lijden. Zonder bloedstorting is er geen vergeving.
Een andere bijzonderheid bij de offers voor de persoonlijke zonden, was, dat de priester die het bloed offerde, van het offerdier at. Zo bestond dus de meest volmaakte eenmaking tussen de priester en het offerdier, dat de zonde van de offeraar voorstelde. Christus is tegelijkertijd de Priester en het Slachtoffer; en de handeling van de priester als hij het zondoffer eet, stelt ons voor hoe Christus de zonde tot de Zijne heeft gemaakt. Alleen, wat ons in dit beeld wordt voorgesteld, werd eerst in Christus als slachtoffer tot werkelijkheid gemaakt. Zijn priesterschap, nu voor ons uitgeoefend in de hemel, volgt daarna.
Intussen toont dit eten van het offer ons het hart van Christus, Die, als wij vallen, onze zaak tot de Zijne maakt.
Niet alleen kwamen onze zonden op Hem als Plaatsvervanger, maar Hij bekommerde Zich ook over Zijn schapen. De priester had de zonde niet bedreven. Integendeel, hij had er verzoening voor gedaan door het bloed, dat hij gesprenkeld had. Maar toch vereenzelvigde hij er zich volledig mee. Zo heeft ook Christus ons de meest volmaakte troost bereid; – Hijzelf onberispelijk en Die de verzoening bewerkte, maakte Zich toch één met al onze gebreken en zonden, op dezelfde manier als de offeraar van het vredeoffer één gemaakt werd met de aangenaamheid van het offer. Alleen, thans is Hij – nu Zijn éne offerande eens voor altijd geschied is – wanneer er bij ons sprake van zonde is, als Voorspraak bij de Vader werkzaam. Nu is Hij werkzaam in verband met gemeenschap; niet met verzoening. Er is niets meer te doen wat offeren of bloedstorting betreft. Zijn tegenwoordige dienst is daarop gegrond.
Het vet wordt op het altaar verbrand, waar de priester vereenzelvigd werd met de zonde. Met de zonde, die drukte op hem, die het offerdier bracht, maar die op dit dier werd overgebracht. De zonde ging – om zo te zeggen – verloren en werd verteerd in het offer. Hij die tot God kwam, naderde met schuldbelijdenis en ootmoed. Maar met betrekking tot de schuld en het oordeel, nam de priester de zonde op zich door middel van het offer. En waar de verzoening zo tot stand was gekomen, kwam de zonde niet tot voor de rechterstoel van God, om op deze wijze de betrekking tussen God en hem, die gezondigd had, aan te tasten. Hier echter – onder de wet – was een voortdurende herhaling van het offer nodig. De gemeenschap werd hersteld door de aanneming van het offer. De zonde, die de gemeenschap onmogelijk maakte, werd volkomen weggedaan. En ze diende er alleen toe, de gemeenschap die op de genade gegrond is, kostbaarder te maken voor het hart, dat immers tot in het stof neergebogen en zich tegenover de goedheid van God als vernietigd voelde. Ze is ons nu oneindig kostbaarder geworden, en steunt op het vernieuwde bewustzijn van de rijkdommen en zekerheid van de bemiddeling, die hier – in het type – wordt voorgesteld. Deze bemiddeling heeft Christus als offer – eens voor altijd, tot in alle eeuwigheid – voor ons tot stand gebracht. Met het oog op de zegeningen die eruit voortkomen, neemt de Heer Jezus ze in de hemel voortdurend op een heilzame, krachtdadige wijze waar. Niet om de gevoelens van God tegenover ons te veranderen, maar om onze tegenwoordige gemeenschap en blijdschap te verzekeren, ondanks onze ellende en fouten en deze verzekering ontvangen we in de tegenwoordigheid, de heerlijkheid en de liefde van Hem, Die niet verandert 29.
Er rest ons nog op enige interessante omstandigheden te wijzen. Het is merkwaardig, dat niets zo door heiligheid, zo door een volledig en werkelijke afzondering voor God gekenmerkt werd, als het zondoffer. In de andere offers vinden we een volmaakte aanneming, een liefelijke reuk en soms zijn er ook onze gezuurde koeken mee verbonden. Alles had evenwel – om zo te zeggen – plaats, naar het welbehagen dat God gevonden had in wat volmaakt en oneindig voortreffelijk was. Hoewel verondersteld werd, dat er zonde en oordeel aanwezig was. Maar hier bij het zondoffer werden de merkwaardigste en nauwkeurigste bepalingen over de heiligheid ervan ingevoegd (Leviticus 6:26-29). Niets in het gehele werk van Jezus droeg zozeer het karakter van een besliste heiligheid, van een volkomen en volmaakte afzondering voor God, als Zijn dragen van de zonde. Alleen Hij Die geen zonde gekend heeft, kon tot zonde worden gemaakt. En de handeling zelf, dat Hij tot zonde werd gemaakt, was de meest volstrekte afzondering voor God, die men zich kan indenken. Ja, het was een handeling, die door de gedachten van niemand van ons omvat kan worden – alles te dragen, en tot Gods heerlijkheid. Het was – wat het dan ook kostte – de totale toewijding van Zichzelf aan de heerlijkheid van God, Die inderdaad niets anders kon aannemen. En het offer moest even volmaakt zijn, als de daad van het offeren vrijwillig was.
Als een offer voor de zonden en als tot zonde gemaakt, is Christus op een bijzondere wijze heilig. En nu als Priester voor God, terwijl Hij voor ons tussenbeide treedt, in de kracht van Zijn offer, is Hij “heilig, onschuldig, onbesmet, gescheiden van de zondaars en hoger dan de hemelen” (Hebreeën 7:26). Het feit van het wegdragen van de zonden was zó werkelijk dat hij die in Leviticus 16 de bok wegleidde, voordat deze werd losgelaten, en hij die in Numeri 19 de as verzamelde van de rode vaars en het water der afzondering sprenkelde, verontreinigd waren tot de avond, en dat ze zich moesten wassen om in de legerplaats te kunnen komen. Zo worden deze twee grote waarheden in het zondoffer van Christus duidelijk aan ons voorgesteld in deze offeranden. Want inderdaad, hoe kunnen we ons een grotere afzondering voor God in Christus indenken dan Zijn offeren van Zichzelf, als een offer voor de zonde? En aan de andere kant, had Christus niet werkelijk al onze zonden in al hun boosheid gedragen, dan zou Hij ze ook niet werkelijk weggedaan kunnen hebben in het oordeel van God.
Geprezen zij voor eeuwig de Naam van Hem, Die het gedaan heeft! En mochten we steeds meer Zijn volmaaktheid in het volbrengen van dit werk leren kennen!
We vinden dus in deze offeranden in hoofdstuk 1, Christus in Zijn toewijding tot in de dood; in hoofdstuk 2, Christus in de volmaaktheid van Zijn leven van toewijding aan God; in hoofdstuk 3, Christus de grondslag van de gemeenschap van het volk met God, Die als ’t ware aan dezelfde tafel met hen eet; en ten slotte in hoofdstuk 4 tot 6:7: Christus tot zonde gemaakt voor hen die schuldig waren en in Zijn eigen lichaam hun zonden dragende op het hout. In de offervoorschriften gaat het er vooral om welke delen van deze offers gegeten moesten worden en door wie, en onder welke voorwaarden zij gebracht moesten worden.
Het brandoffer en het spijsoffer voor een priester (hoofdstuk 6:23) moest volkomen verbrand worden. Dat is Christus, Die Zichzelf volledig aan God geofferd heeft.
Een bijzondere omstandigheid bij het brandoffer was nog, dat het vuur de gehele nacht op het altaar brandde en het offerdier verteerde. De liefelijke geur van dit offer steeg op deze wijze op tot God, zelfs in de duisternis waarin de mens, ver van God, in zijn slaap als begraven was.
Ik twijfel er niet aan, of dit is ook op het Israël van heden van toepassing. God bewaart de liefelijke reuk van het offer van Christus bij Zichzelf, terwijl het volk Hem vergeet. Hoe het ook zij, het oordeel van de heilige majesteit van God, het vuur van Jahweh, heeft – nu Christus Zich heeft geofferd – voor ons slechts dit ene resultaat, dat de liefelijke geur van dit kostbare offer tot God opstijgt.
Van de andere offers: het spijsoffer en het zondoffer, aten de priesters. Het eerste stelt ons de gelovige voor in zijn priesterlijk karakter, zich voedende met de volmaaktheid van Christus. In het zondoffer maken Christus, en ook de Zijnen als priesters, in toegewijde liefde en medegevoel met anderen, zich één met de zonde van die anderen en met het werk van Christus voor die zonde. Het was natuurlijk alleen Zijn werk, die zonde te dragen. Maar gegrond op Zijn werk kunnen onze harten dit op een priesterlijke wijze opnemen voor God. Ze zijn er dan in genade mee verbonden overeenkomstig de krachtdadige werking van het offer van Christus. Ze genieten daarin de genade van Christus. Christus heeft Zich rechtstreeks voor ons in dit werk begeven. Wij mogen in genade ingaan in wat Hij gedaan heeft. Maar het is een ernstige zaak ons bezig te houden met de zonde. Dit kunnen we alleen in het karakter van priesters, en als we ons ervan bewust zijn, wat het betekent.
Het volk at van de dankoffers. En hoewel deze offers heilig waren, vereisten ze toch niet hetzelfde dicht bij God zijn. Het was de vreugde van de gemeenschap van de heiligen, die gebaseerd is op de verlossing en op het feit, dat Christus door God is aangenomen. Daarom komen de voorschriften die deze offers betreffen, na die, welke betrekking hebben op de zond- en schuldoffers, hoewel het vredeoffer naar de volgorde bij de offers aan het zondoffer voorafgaat. Bij de zond- en schuldoffers moest men inderdaad priester zijn om van het vlees van de offerdieren te kunnen eten. Er zijn dingen die we als priesters doen en andere, die we als eenvoudige gelovigen doen.
Hoofdstuk 8
De wijding van de priesters.
Nu de offers zijn ingesteld en de voorschriften betreffende het deelnemen daaraan zijn gegeven, wordt het priesterschap naar de voorschriften gevestigd.
Aäron en zijn zonen worden gewassen. Aäron wordt met het hogepriesterlijk gewaad bekleed. De tabernakel met alles wat erin is en ook Aäron worden gezalfd, en wel zonder bloed. We zien – naar het me voorkomt – een schitterend beeld van de wijze, waarop het heelal met heerlijkheid vervuld wordt. Als Aäron alleen gezalfd wordt zonder bloed, dan gebeurt dit ook met de tabernakel. De volheid van de goddelijke kracht, geestelijke genade en heerlijkheid in Christus, vervult het gehele toneel van het geschapen getuigenis met de heerlijkheid van God. Of anders gezegd, de kracht van de Heilige Geest vervult haar met de rechten, als ook met de bewijzen van de voortreffelijkheid van Christus. Als de schepping erbij betrokken is, dan is het duidelijk, dat alles door bloed gereinigd en verzoend moet worden, zoals op de grote verzoendag (Leviticus 16:15-20). Maar dit doet de persoonlijke rechten van Jezus in genade en in goddelijke voortreffelijkheid, geenszins teniet. Ook in dit opzicht, omdat Hij de Schepper van het heelal is, behoort alles Hem toe. De schepping is nu verontreinigd. De verzoening is de grond van het herstel van alle dingen, en de schepping zal bevrijd worden van de slavernij der verderfelijkheid. Maar omdat het Zijn schepping is, behoort alles aan God. De normale orde is, dat al het door Hem geschapene toegewijd is aan God (Zie ook Kolosse 1:16 en 21).
Als de zonen van Aäron op het toneel verschijnen, wordt het altaar door bloed gereinigd, omdat het hier niet meer alleen om de persoonlijke voortreffelijkheid en rechten van Christus gaat. Daarna, als de zonen van Aäron met hun priesterlijke kleren bekleed zijn, worden offeranden geofferd, beginnend met de var, voor het zondoffer. Dan doet Mozes van het bloed van het vuloffer op het rechteroorlapje van Aäron en op die van zijn zonen, en ook op de duim van hun rechterhand en op de grote teen van hun rechtervoet. Ten slotte besprenkelt hij Aäron en zijn kleding en de zonen van Aäron en hun kleding, met de zalfolie en het bloed. Dit alles volgens de aanwijzingen die in Exodus 29 gegeven zijn. Het bloed van Christus en de Heilige Geest vormen de grondslag, waarop wij – met Hem verbonden – onze plaats bij God hebben.
Hoofdstuk 9
Op de achtste dag zou Jahweh verschijnen en blijk geven, dat Hij de offers, op die dag aangeboden, had aangenomen. Tegelijkertijd zou Hij dan Zijn tegenwoordigheid in heerlijkheid in het midden van het volk openbaren. De volgende handelingen vonden hierbij plaats: Eerst zegent Aäron het volk, staande bij het offer. Daarna gaan Mozes en Aäron in de tabernakel en nadat ze weer naar buiten gekomen zijn, zegenen ze het volk. De betekenis van deze twee zegeningen is deze: in de eerste plaats, dat Christus hen als priester zegent, op grond van het aangeboden offer. Dit is te allen tijde de grondslag van de zegeningen van Israël en wat zijn bestaan als volk handhaaft, totdat het in het openbaar gezegend zal worden. In de tweede plaats, dat Christus als Koning en Priester, nadat Hij de tabernakel is ingegaan en Zich daar een ogenblik verborgen heeft gehouden, er weer uitkomt en in dit tweevoudige karakter het volk zegent. Deze tweede zegening zal bij de wederkomst van Christus plaatsvinden, als de aanneming van Zijn offer ten aanschouwen van allen geopenbaard wordt. De heerlijkheid van Jahweh zal dan aan het volk verschijnen en daardoor zal Israël een volk van ware aanbidders worden (9:23,24).
Het toneel, dat we hier aanschouwen, is van het grootste belang, maar er valt hier toch een opmerking te maken. De Gemeente wordt hier niet gevonden, tenzij in de personen van Mozes en Aäron. Wel treft men hier algemene beginselen aan, die van toepassing zijn op alle gevallen, waarbij sprake is van de betrekking van God tot de mensen. De zegening komt en wordt openbaar. Dat wil zeggen, de aanneming van het offer wordt openbaar, als Mozes en Aäron voor het volk verschijnen, als ze uit de tabernakel komen. Zó zal het voor Israël zijn. Als de Heer Jezus zal verschijnen, en Hij herkend zal worden door hen, die Hem doorstoken hebben, dan zal de krachtdadige werking van dit offer ten gunste van dit volk openbaar worden. De hele aarde zal het bij de openbaring van Christus zien.
Wij kennen de krachtdadige werking van dit offer nu al, nu Christus nog binnen de voorhang, of liever gezegd, in de hemel zélf is, want de voorhang is nu gescheurd. Israël zal de aanneming van het offer niet eerder erkennen, dan wanneer Christus als Koning zal verschijnen. Voor ons is de Heilige Geest gekomen, terwijl Christus nog binnen de voorhang is. Wij bezitten dus al vóór de tijd de zekerheid van de aanneming van Zijn offer en zijn met Hem verbonden daar waar Hij is. En dit feit geeft aan de Christen zijn eigenlijk karakter.
Hier heeft de openbaring plaats in de voorhof, waar het offer gebracht was, en nadat Mozes en Aäron zich naar de plaats begeven hadden, waar God Zich met het volk onderhield. Dus niet naar de plaats, waar Hij met de middelaar alleen had gesproken, dat wil zeggen voor de ark van de getuigenis, waar het deksel weggenomen was van het aangezicht van hem, die zo met God sprak. Daarom hebben we hier een openbaring van Gods heerlijkheid, die overeenstemt met de plaats, waar ze gegeven werd. Aan de dienst die op deze dag gehouden werd, was nog een heel bijzonder onderdeel verbonden. Er was hier geen offer, waarvan het bloed in het heiligdom gedragen werd, al werd het lichaam van de var buiten de legerplaats 30 verbrand.
Er werd wel een zondoffer geofferd, maar een, waarvan het vlees door de priester gegeten had moeten worden (zie hoofdstuk 10:17-18). Het waren vergelijkenderwijze uiterlijke relaties, die hier gevestigd waren. De zonde en de verontreiniging werden in hun geheel buiten de legerplaats gedragen en weggedaan. Maar van een toegang tot binnen de voorhang was geen sprake, noch van een ontmoeting met God.
Hoofdstuk 10
Ten slotte zien we wat er, helaas! altijd bij de mens gebeurt. Op dezelfde dag, dat het priesterschap wordt ingesteld, blijft het ten aanzien van de heerlijkheid van God in gebreke. Nadab en Abihu offeren vreemd vuur. Ze handelen, in hun omgang met God, als natuurlijke mensen, in plaats van hun dienst op het altaar van de offeranden te baseren, en ze sterven. Wat er ook gebeurt, de priesters mogen hun wijding nooit opgeven (verzen 6-7). Ze moeten Nazireeërs zijn (vers 9), gescheiden van alles wat het vlees kan opwinden.
Ze moeten afgezonderd zijn voor God en zich vreemd houden voor alles wat hun natuur de vrije loop zou laten in Zijn tegenwoordigheid; van alles, wat hen zou verhinderen de kracht van Zijn tegenwoordigheid te voelen – een toestand van afzondering, waar voor het vlees geen plaats was.
De tegenwoordigheid van God moet haar volle kracht uitoefenen en het vlees moet volkomen voor Hem zwijgen. Alleen op deze voorwaarde zouden de priesters bekwaam zijn het onreine te onderscheiden van het reine, en het heilige van het onheilige. Er zijn dingen die geoorloofd zijn – werkelijke vreugden – maar die niet met het priesterschap verbonden zijn. Ze komen voort uit de zegeningen van God, maar houden het vlees niet in bedwang, zoals Gods tegenwoordigheid dat doet. Want door de tegenwoordigheid van God wordt er altijd een zekere beheersing van het hart, van de natuur en haar activiteit gewerkt. Welnu, priesterschap wordt voor Zijn aangezicht uitgeoefend.
Hoofdstuk 11
Nu het priesterschap is ingesteld, volgt het onderscheid tussen wat heilig en onheilig is en het oordeel over de verontreinigingen, en wat er gedaan moest worden voor de reiniging van verontreinigde personen. Maar we kunnen alleen onderscheiden, als we in Zijn nabijheid verkeren doordat we voor Hem zijn afgezonderd. En zodanig is de dienst en de altijd blijvende plicht van de priesters.
Wat de voedingsmiddelen betreft, zien we eerst wat men mag eten. Het algemene beginsel schijnt te zijn, dat het toegestaan is, van alles wat rein is, te eten. Dat wil ten eerste zeggen, dat het, naar de Goddelijke orde, volkomen in harmonie is met haar element, (hier ongetwijfeld in beeld voorgesteld) zoals de vissen die schubben hebben. Ten tweede, dat het een volkomen spijsvertering verenigt met de afwezigheid van zo’n wilskracht, die zich door niets laat tegenhouden, maar door alles heengaat. De vereniging van deze twee voorwaarden was noodzakelijk. De grofheid die overhaast de dingen, zoals ze zijn, naar binnen slokt, of het gebrek aan rustige standvastigheid, maken onrein. Rein zijn wil zeggen: herkauwen en tegelijkertijd gespleten klauwen hebben. Onder de vogels waren de vleesetende nachtvogels en die, welke niet getemd konden worden, verboden. Hetzelfde gold ook voor het kruipend gedierte. Deze verbodsbepalingen riepen de Israëliet op te onderscheiden wat onrein was, opdat hij zich alleen maar zou voeden met wat rein was. Want Jahweh was de God van Israël. “U moet heilig zijn, want Ik ben heilig”.
Hoofdstuk 12
Hoofdstuk 12 toont ons het oordeel van God, over wat voor de niet-gevallen mens blijdschap en zegening geweest zou zijn. De geboorte van een man, nu verbonden met zonde, maakt de moeder onrein. Als er een vrouw geboren wordt, maakt dit haar nog meer onrein, want de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest 31.
Hoofdstuk 13
Aan de “melaatsheid” moeten we een beetje meer aandacht besteden. Het werd gevonden in personen, kledingstukken en huizen. Het is de zonde die in het vlees werkt. De geestelijke mens, de priester, onderscheidt hoe het met deze ziekte staat. Als levend vlees zich vertoont (beter: wild vlees), dan is de mens onrein, want de kracht van het vlees werkt. Als de mens geheel wit is, dan is het nog slechts de uitwerking van de volkomen beleden zonde, die opgehouden heeft te werken, zodat de mens rein is. Als het kwaad nog in het vlees is, breidt de melaatsheid zich uit. De eerste stap is het kwaad te belijden en deze belijdenis met het volledig geestelijke onderscheid en onder het oordeel van God te doen; van Hem Die, wat in de natuur van de mens werkte, openbaar deed worden. De mens onderwerpt zich, als iemand die geoordeeld en ontdekt is. Hij heeft geen deel meer aan de vergadering van God, hoewel hij er – in zekere zin – toch toe behoort. Hij wordt weggedaan buiten de legerplaats.
De melaatsheid (de zonde) openbaart zich in onze omstandigheden, in dat wat ons omgeeft en evenzeer in ons persoonlijk gedrag. Als er op de kleding van een Israëliet een vlek voorkwam, waarvan men vermoedde, dat hij door de melaatsheid was veroorzaakt, werd het kleed gewassen en was rein (13:58). Was integendeel de aangetaste plek uitgebreid, dan moest het gehele kledingstuk verbrand worden (verzen 50-52). Wanneer de plaag zich niet uitbreidde maar toch na het wassen onveranderd bleef, moest eveneens het geheel verbrand worden (verzen 53-55). Was de plek veranderd, ingetrokken en niet uitgebreid, dan werd dat gedeelte er afgescheurd (vers 56).
Als wij door onze omstandigheden bezoedeld zijn en deze verontreiniging niet in onze algemene toestand zelf is, dan hoeven we alleen maar gewassen te worden en we kunnen blijven, waar we ons bevinden. Als een deel van deze omstandigheden werkelijk boos is, zodat het uitgebreid is en onze hele toestand verontreinigt, dan moet dat gehele deel van ons uitwendig leven opgegeven worden. En wanneer dan, nadat we gewassen zijn, de zonde nog precies als tevoren daar aanwezig blijkt, zodat we daarin niet met God kunnen wandelen, dan moet zo’n toestand gehéél opgegeven worden, wat het ook mag kosten. Als de wassing door het Woord heilzaam heeft gewerkt en het kwaad zich niet verder heeft uitgebreid, zodat de algemene toestand niet aangetast is, dan moet men die ene zaak, die de verontreiniging heeft doen ontstaan, opgeven.
Hoofdstuk 14
Wat de reiniging betreft, de melaatse werd eerst als buiten de legerplaats zijnde beschouwd. Hij had er geen deel meer aan. Als het kwaad had opgehouden in hem te werken, dan was hij genezen, maar nog niet gereinigd. Dit beeld wil dus zeggen, dat het vlees in plaats dat het werkt en de toestand van de mens karakteriseert, geoordeeld en in zijn werkzaamheid tegengehouden wordt. Wat nu hersteld moet worden is het genot van een erkende betrekking met God 32.
Het eerste onderdeel van de reiniging slaat op deze toestand van gemeenschap met God. Nu Christus gestorven en opgestaan is, is de mens die met Zijn bloed besprenkeld is, in staat wat de relaties met God en Diens eisen betreft – in de legerplaats van Gods volk in te gaan. En daar kan hij deel hebben aan de heilzame werking van de middelen, waarvan men in de legerplaats gebruik kan maken, van dat wat “binnen” is, om zich voor de tabernakel van God als aangenaam te kunnen voorstellen.
Men moest twee vogels nemen. Eén daarvan moest, op aanwijzing van de priester, door iemand gedood worden.
Want de dienst van de priester begon toch eigenlijk nooit voordat er bloed geofferd of gesprenkeld moest worden, hoewel de hogepriester Israël vertegenwoordigde op de grote verzoendag 33. De twee vogels worden evenwel met elkaar vereenzelvigd, zodat we niets meer van de vogel horen die geslacht is, hoewel het in het werk van de reiniging steeds gaat om de krachtdadige werking van het bloed. De tweede vogel werd in het bloed van de eerste gedoopt.
Zo wordt ook de gestorven Christus niet meer gevonden. Maar wel de opgestane Christus, Die als Priester Zijn bloed op de onreine zondaar sprenkelt. Het aarden vat met levend water stelt ons de krachtige werking van de Heilige Geest voor, naar de almachtige werkzaamheid in Christus als mens, waarmee het werk van het sterven van Jezus werd volbracht.
‘Die door [de] eeuwige Geest Zichzelf vlekkeloos aan God heeft geofferd’. ‘De God nu van de vrede, Die uit [de] doden heeft teruggebracht de grote Herder van de schapen, onze Heer Jezus, door [het] bloed van [het] eeuwig verbond’ (Hebreeën 13:20). Hij, de zondaar, bevond zich onder de krachtdadigheid van Christus’ werk. Maar voordat hij kan offeren, moet er nog iets met hem zelf gebeuren. De reiniging moet toegepast worden. Hij, die gereinigd werd, moest zich wassen. Dit was een reiniging door water, die men evenals reiniging door bloed, altijd weer terugvindt. Het is zedelijk oordeel van de zonde, die gezien wordt als datgene, wat ons uitsluit van de tegenwoordigheid van God. Na dit oordeel is de zondaar in beginsel en door het geloof, zedelijk zowel als rechterlijk gereinigd.
Van dit laatste is het bloed het symbool. Maar het water is het zien van de zonde, zoals die getoond wordt in Christus’ dood, en het verlaten zijn van God. Het is in de kracht van de dood van Christus, gezien als Zijn werk voor ons, want het water kwam uit Zijn doorstoken zijde. Hij kwam door water en bloed.
Bovendien waste de melaatse zijn kleren en schoor al zijn haar af. Dat wil zeggen, hij ontdeed zich van alles, waarmee de onreinheid zich zou hebben kunnen verbinden, of wat maar vatbaar voor een dergelijke besmetting was. Nadat dit alles geschied was, ging de gereinigde weer in de legerplaats. En dan begon in zijn geweten het werk, dat ten doel had hem in gemeenschap met God te brengen 34.
Dit laatste vindt plaats door realisering van de algenoegzaamheid van het werk van Christus, met betrekking tot het geweten zelf. Het is niet voldoende zich te realiseren, dat men aangenomen is volgens de kennis die God heeft van deze aanneming; nee, het gaat om de reiniging van het geweten en om een kennen van God, dat gegrond is op een zedelijke waardering van het werk van Christus in al zijn aspecten, en op het uitnemende werk van de kracht van Gods Geest. Dit is het tweede deel van de reiniging van de melaatse, dat plaatsvond als hij weer in het leger gekomen was.
Het is van belang deze twee gezichtspunten van het werk van Christus goed te verstaan. Dus aan de ene kant: Zijn innerlijke algenoegzaamheid om de persoon van de zondaar te kunnen aannemen.
En aan de andere kant: de reiniging van het geweten zelf, opdat er gemeenschap met God kan zijn, in overeenstemming met de waarde en volmaaktheid van het werk van Christus, dat aan het geweten geopenbaard is als het middel om tot God te naderen en als voorwaarde om in die nabijheid met God te kunnen verkeren.
Laten we thans de handelingen nagaan die plaatsvonden. Het eerste is het brengen van een schuldoffer. Het geweten moet door het bloed van Christus gereinigd worden van alles, waarmee het zich belast voelde, of waarmee het belast zou kunnen worden in de oordeelsdag. Maar ook moet de mens aan God gewijd worden met een inzicht, dat de waarde van dit bloed toepast op zijn gehele wandel, zijn hele gedrag alsook op al zijn gedachten, en op het beginsel van de volmaakte gehoorzaamheid. Dit is de gerechtelijke reiniging van de gehele mens, naar het beginsel van inzichtsvolle gehoorzaamheid. Het is een reiniging, die werkt op zijn geweten. Dus niet alleen maar een uitwendige regel voor een mens, die van de tegenwoordige macht van de zonde bevrijd is. Maar het is een reiniging van zijn geweten, die gevoeld wordt in de kennis van goed en kwaad, terwijl het bloed van Christus de maatstaf ervan is voor God. Omdat de mens een zondaar is, aangezien hij gefaald heeft, is het nodig, dat in het geweten een werk plaatsvindt, wat een vernederende kennis van zichzelf bewerkt. En terwijl het geweten door de kostbare en krachtige werking van het bloed van Christus gereinigd wordt, buigt het zich diep neer door de smart die het voelt over alles wat in tegenstelling is met de volmaaktheid van dat bloed, en over alles wat de storting van dat bloed noodzakelijk maakte.
Op deze wijze wordt de mens gewijd. Het hart wordt allereerst in het geweten gereinigd. Alle dingen die het toegelaten heeft, worden als het ware tot het geweten gebracht en dit neemt er smartelijk kennis van, overeenkomstig de waarde van het kostbare bloed van het Lam van God. Het Lam, Dat vlekkeloos en volmaakt in gehoorzaamheid was, heeft het oordeel moeten ondergaan, dat veroorzaakt werd door de zonde, waarvan wij – ellendige schepsels als we zijn – gereinigd moesten worden.
Later maakt het hart vorderingen in de kracht van zijn gemeenschap, en wel hierdoor, dat het de voorwerpen, die het meest kostbaar zijn voor het geloof, leert kennen. Gemeenschap is door water (zie Johannes 13 en 1 Johannes 2) en staat apart van het bewustzijn van de toerekening (zie Hebreeën 10). Dit werk moet van tijd tot tijd weer voortgang vinden in het geweten als er iets in onze natuur is dat niet aan Christus onderworpen is, dat niet gevangen genomen is tot de gehoorzaamheid van Christus.
Het bloed werd gedaan op zijn rechteroorlel, op zijn rechterhand en op zijn rechtervoet. Hierdoor werd aangegeven, dat zijn gedachten, werken en wandel gereinigd waren, op grond van het beginsel van gehoorzaamheid, naar de waarde van Christus’ dood en de aanspraken van de liefde, die daarin ontvouwd werd. Op dat bloed werd dan olie gedaan, wat voorstelt de tegenwoordigheid en heiligende invloed van de Heilige Geest, Die ons geschonken is.
Door de Heilige Geest zijn wij gezalfd en verzegeld – niet gewassen, want dit werd typisch voorgesteld door het water, wat de toepassing is van het Woord door de Heilige Geest. Deze zalving was gegeven om te heiligen in kennis en in kracht van voornemen, zich aan God te wijden, ongeacht welke gaven Hij dan later mocht toevoegen. Zo werd de mens geheel en al aan Hem gewijd in overeenstemming met het inzicht en de toewijding aan God, door de Heilige Geest gewerkt. Daarna werd de olie over zijn hoofd gegoten en zo werd zijn gehele persoon aan Jahweh gewijd. Het werk was voltooid over hem die gereinigd moest worden 35. Hierna werd het zondoffer gebracht, dat hier ten doel heeft tot uitdrukking te brengen, dat het bloed van Christus niet alleen het geweten in praktische zin reinigt van zijn werkelijk begane fouten, maar ook, dat de zonde in al zijn omvang voor God geoordeeld moet worden. Want Christus heeft niet alleen onze zonden gedragen, maar Hij is ook zonde gemaakt voor ons. Omdat Hij onze zonden gedragen heeft, werkt Hij ook – met betrekking tot deze zonden – op onze gewetens. Hij maakt, dat wij de zonde onderscheiden, zoals ze in zichzelf is, gezien in het offer van Christus.
Ten slotte werden het brand- en spijsoffer gebracht. Het brandoffer stelde de waardering voor van de volmaaktheid van de dood van Christus, gezien als een toewijding van Zichzelf aan God tot in de dood, om aan al de rechten van Zijn majesteit te voldoen, en de zonde weg te doen door de offerande van Zichzelf – met het oog op het bestaan van de zonde.
In het tweede, het spijsoffer, zien we de absolute zondeloosheid van Christus voorgesteld, Zijn volmaaktheid, en de werkzame kracht van de Heilige Geest in Hem, zelfs tot in de dood, en in die dood de volle beproeving ervan. Deze dood was, als werk, van oneindige volmaaktheid in zichzelf, want daarvan kon gezegd worden:
“Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem” (Johannes 10:17). In het spijsoffer wordt Christus niet voorgesteld als dragende onze zonden, maar Hij wordt gezien vanuit het oogpunt van Zijn toewijding aan God en Zijn heerlijkheid, in de toestand waarin de zonde ons had gebracht en waarin Hijzelf – door genade – gekomen is, opdat God volkomen in Hem verheerlijkt zou worden.
In het spijsoffer werd, behalve alle volmaaktheid van genade, die men in het leven van Christus aantrof, mensheid gevonden, zonder twijfel rein, maar met olie vermengd. Een mensheid, die in zichzelf – in haar natuur – alle kracht, aangename geur en smaak van de Heilige Geest bezat. Want de mensheid van Christus wordt ons hier van die zijde getoond. Dus niet als gezalfd met olie 36 – als kracht – maar het geheel met olie gemengd (14:20 en 10).
Hierna was de mens, die verontreinigd was geweest, rein.
Hoe groot is de betekenis en de werkelijkheid van de verzoening van een ziel met God, als deze verzoening verbonden is met alle gezichtspunten van het werk van Christus en hun toepassing op de ziel. En inderdaad is het waar: zonder dat heeft geen verzoening plaats. Helaas! onze lichtvaardige harten gaan misschien gemakkelijk over dit alles heen; evenals over de daden van Gods hand, die wondere dingen doet met de vredige rust die het gevolg is van volmaakte genade en kracht. In sommige zielen ziet men echter – naar de wijsheid van God – dat dit werk gepaard gaat met pijn en smart. Het is als het geweten zich gaat realiseren, wat de dingen voor het aangezicht van God in werkelijkheid zijn en dan – door Christus – kennis neemt van de toestand van het zondige hart. De mens is immers van nature zondaar en ver van God verwijderd.
Zo wordt de ziel van de zijde van God hersteld. Alles wordt gewerkt door de Goddelijke macht. Dus niet alleen wat het werk en de opstanding van Christus betreft, maar ook wat de ziel zelf aangaat. Want het gaat hier om een mens, die in wezen al gereinigd is. De priester verklaarde hem al rein. Maar de melaatse zelf was in zijn geweten nog niet hersteld ten opzichte van God 37. De Geest van God brengt dan – om deze gemeenschap weer te herstellen – het werk van Christus voor de aandacht en laat zien, hoe dit werk toegepast moet worden op de ziel zelf en laat de betrekkingen zien, die het werk van Christus heeft op het werk en de tegenwoordigheid van de Heilige Geest; hetzij dat dit werk is in verband met de reiniging van de zondaar, of met de wijding van de mens aan God.
Dat onze genadige God ons hierop opmerkzaam mag maken! Gelukkig, dat dit werk Zijn werk is, hoewel het evenzeer in ons als voor ons plaatsvindt.
Laten we nu nog spreken over de melaatsheid als deze in een huis gevonden wordt.
In het geval van de melaatse persoon stonden alle voorgeschreven ceremoniën in verband met de tabernakel. Men was nog in de woestijn. Het ging dus om de wandel van de gelovige in de wereld. Maar hier in het geval van een melaats huis wordt verondersteld, dat men in het land van de belofte is. Dit beeld wil ons dan ook niet de reiniging van een persoon voorstellen, maar het is meer typisch de reiniging van een vergadering. Blijkt dat het huis op een bepaalde plaats verontreinigd is, dan neemt men de stenen en het leem weg: de uitwendige wandel is geheel veranderd, en de personen, die deze wandel verdorven hebben, zijn weggedaan en bij de onreinen geworpen. Als hierna het geheel hersteld is, blijft het huis bestaan. Maar zo niet, dan wordt het huis in zijn geheel verwoest; het kwaad is in de gehele vergadering aanwezig en het was openbaar, zoals dat het geval was met de melaatse man. Wanneer de oorsprong van het kwaad in de stenen lag, die weggenomen waren, als dit de enige oorzaak was, dan was de reiniging tot stand gebracht door het uitbreken van de stenen, andere stenen in te metselen en die plaats opnieuw te bepleisteren; zodoende werd de gehele uitwendige wandel hervormd. De reiniging bestond hierin, dat de bozen, die het openbaar getuigenis (de openbaring van de toestand naar buiten) verdierven, weggedaan werden. Het ging er dus niet om, het geweten te herstellen; het geheel berust opnieuw op de oorspronkelijke werkzaamheid van het werk van Christus, dat de vergadering voor God aangenaam maakt.
De apostel Paulus zegt in zijn brieven, die tot de Gemeente gericht zijn: “Genade en vrede!” Als hij echter aan personen schrijft, voegt hij eraan toe: “Barmhartigheid”. De brief aan Filémon schijnt hierop een uitzondering te maken. Maar bij Filémon was de gemeente erbij inbegrepen.
Als de kleren met melaatsheid besmet zijn, dan is er geen sprake van de reiniging van een persoon, maar dat men zich van de omstandigheden bevrijdt, die de verontreiniging hebben veroorzaakt. Het huis, dat door melaatsheid verontreinigd is, wordt ons apart voorgesteld, als zijnde in het land van de belofte en dus niet tijdens de woestijnreis. Ik twijfel er niet aan of we vinden dezelfde waarheid in de toepassing. De Gemeente wordt in het land van de belofte gezien; de enkeling wandelt in de woestijn. Echter kunnen er stenen gevonden worden, die het huis bederven.
Hoofdstuk 15
Dan worden er andere gevallen aangehaald, die in verband staan met de zwakheid van de natuur. Ze laten ons zien, dat, nu de zonde ingekomen is, alles wat van de natuur, van het vlees is, verontreinigt. Het verontreinigt, wat men dan ook mag aanvoeren als verontschuldiging voor zwakheid en het onvermijdelijk karakter van de zaak. Kan het niet voorkomen worden, het is toch de openbaring, of althans het onmiskenbaar bestanddeel van wat schandelijk is, omdat het een gevallen en zondige natuur is.
Toch ziet men, dat, hoe schandelijk dit geval ook mag zijn, het in zedelijk opzicht voor minder ernstig wordt gehouden dan de melaatsheid. In de melaatsheid kwam een werkelijk verderf tot openbaring, dat voorheen in de natuur bestond en in het hart werd toegelaten. Een langdurige handeling was nodig het geweten te reinigen. Hier moest men zich slechts één maal baden, en men bracht eenvoudig een zondoffer. Was dit gebeurd, dan was men in staat, doordat men dan zijn brandoffer offerde, in de gemeenschap te komen door de liefelijke geur van Christus.
Hoofdstuk 16
Nadat zo voorziening getroffen was voor de verontreinigingen, die onder het volk konden voorkomen, wordt ons ten eerste geopenbaard de algemene voorziening voor de reiniging van het heiligdom. Het volk had het heiligdom, dat in hun midden was, verontreinigd. Ten tweede wordt ons de algemene voorziening voor de verzoening van de zonden van het volk zelf geopenbaard.
In het algemeen zijn er twee grote gedachten. De eerste is, dat de verzoening als doel had, de betrekking die het volk met God had, te handhaven, ondanks hun zonden. De tweede gedachte ligt in de moeilijkheden, waarmee het binnengaan van Aäron in het heiligdom was omgeven. Het getuigenis was er (in overeenstemming met de brief aan de Hebreeën zelf), dat onder de toenmalige bedeling, de weg in het heiligdom nog niet ontsloten was.
Het is van belang hoofdstuk 16 vanuit deze twee gezichtspunten te bestuderen. Het staat geheel op zichzelf. Nergens anders, waar dan ook, wordt melding gemaakt van wat er op die plechtige dag gebeurde. Het offer van Christus als beantwoordende aan de gerechtigheid van God tegenover de zonde, als de grondslag van de verlossing, werd door het Pascha afgebeeld. Maar hier ging het erom tot God te naderen, tot God, Die Zich op Zijn troon openbaarde. Het ging erom, te reinigen van bezoedelingen; om hen, die tot Hem wilden naderen, van de zonden te ontdoen en hun gewetens te reinigen. Welnu, hoewel ons door dit beeld Gods middelen daartoe worden voorgesteld, laten de bijzonderheden op voldoende wijze zien, dat het doel toen niet werd bereikt. Wat de algemene gedachte van zijn algenoegzaamheid betreft, de hogepriester naderde persoonlijk en vulde het Heilige der Heiligen met wierook. Zo ook treedt Christus persoonlijk binnen met de kostelijke reuk van wat Hij voor God is. De plaats van de tegenwoordigheid van God was ermee vervuld.
De woorden: “hij niet zal sterven” drukken uit, dat alles wat in Christus vervuld is, absoluut noodzakelijk dat karakter moest dragen. Persoonlijk verschijnt Hij voor God als een olie, die uitgestort wordt (Hooglied 1:3), een liefelijke reuk, verbonden met het vuur van het altaar. Dat wil zeggen, gegrond op oordeel en dood, maar die alleen maar een volmaakt aangename geur voor God teweegbracht. Het is geen bloed voor anderen, maar vuur ter beproeving van Zijn volmaaktheid. Hier niet om te reinigen, maar om een reuk van deze goede olie te doen uitkomen. Dan nam de priester bloed, waarvan hij op en voor het verzoendeksel sprenkelde. De verzoening (atonement of propitiation) werd naar de eis van de natuur en de majesteit van de troon van God Zelf gemaakt.
De volkomen voldoening, die aan Zijn majesteit werd geschonken, maakte de troon van de gerechtigheid tot een troon van genade. Het werd een plaats van aanneming. De genade had haar vrije loop en de aanbidder vond, als hij naderde, het bloed op de troon en zelfs – als een getuigenis – vóór de troon.
Daarna reinigde de hogepriester de tabernakel, het reukaltaar (vers 18) en alle voorwerpen, die zich in de tabernakel bevonden. Maar het ging alleen om alles wat binnen in het heiligdom was.
Er waren dus twee dingen: ten eerste het bloed, dat aan God was aangeboden; en als gevolg was de troon nu, gegrond op gerechtigheid, een troon van genade; en het geweten is gereinigd, zodat we met vrijmoedigheid kunnen toegaan. Ten tweede werd het heiligdom, met alles wat ertoe behoorde, gereinigd, in overeenstemming met de natuur en de tegenwoordigheid van God, Die er woonde.
Op grond van het storten van Zijn bloed zal Christus eenmaal alle dingen verzoenen, hetzij de dingen die in de hemelen hetzij de dingen die op de aarde zijn, vrede gemaakt hebbende door het bloed van Zijn kruis (Kolosse 1:20). Maar hier in Leviticus 16 wordt van deze verzoening alleen het hemelse deel (de verzoening van het inwendige van “het Heilige”) getoond.
Er mocht in de tabernakel niets aanwezig zijn wat van schuld sprak, want het was Gods woonplaats. God deed de verontreiniging weg, opdat Hij ze niet voor Zijn aangezicht zou hebben.
In de derde plaats (maar als een aparte dienst): er was geen reiniging van datgene wat buiten was, maar de hogepriester beleed de zonden van het volk over de weggaande bok. Deze werd naar een afgezonderd, niet bewoond, land gestuurd en droeg zo al de zonden ver van God weg, zodat ze niet meer teruggevonden werden. In deze laatste handeling wordt de gedachte van plaatsvervanging op de meest duidelijke wijze voorgesteld.
In het geheel zien we drie waarheden: 1e het bloed op het verzoendeksel – 2e de verzoening van het heiligdom – 3e de zonden, die door een ander beleden en weggedragen zijn.
Dezelfde volgorde vindt men terug in Kolosse 1:20-22. 1e de vrede die gemaakt is – 2e de verzoening van alle dingen door Christus – 3e als er van de gelovigen gesproken wordt, staat er: “u heeft Hij echter nu verzoend in het lichaam van Zijn vlees door de dood”.
Het is duidelijk, dat al werd de bok Azazel levend weggezonden, hij toch wat de waarde van het werk betreft, vereenzelvigd werd met de dood van de andere bok. Het begrip, dat tot in alle eeuwigheid niet meer aan de zonden gedacht zal worden, wordt door die wegzending aan de gedachte van de dood toegevoegd. Aan de ene kant werd de heerlijkheid van God gevestigd door het doen van het bloed op het verzoendeksel. Anderzijds zien we in het beeld van de weggaande bok, hoe de Heer Jezus in Zijn wonderbare genade, de plaatsvervanger werd voor de zondaars, van wie Hij de zaak in handen genomen had. Hij heeft hun zonden gedragen, zodat hun bevrijding volkomen en voor eeuwig is. De eerste bok was het lot voor Jahweh. Het ging hier om Zijn karakter en Zijn majesteit. De tweede bok was het lot voor het volk. Hij stelde het volk in zijn zonden voor.
Het is van belang deze twee zijden van de dood van Jezus goed te onderscheiden, in het zoenoffer dat Hij volbracht heeft. Hij heeft God verheerlijkt en God handelt tegenover allen 38 naar de waarde van dit bloed. Hij heeft de zonden van Zijn volk gedragen en de verlossing van het volk is nu volledig. In zekere zin is het eerste van de twee zijden het belangrijkst. Toen de zonde haar intrede had gedaan, had de gerechtigheid van God zich van de zondaar kunnen ontdoen.
Maar waar zouden dan Zijn liefde en Zijn raadsbesluiten van genade gebleven zijn? Waar zou de vergeving geweest zijn? En waar zelfs de handhaving van Zijn heerlijkheid, overeenkomstig Zijn ware natuur, die liefde is en tegelijkertijd rechtvaardig en heilig?
Ik spreek hier niet over de mensen die gered moesten worden, maar over Gods eigen heerlijkheid. De volmaakte dood van Jezus, Zijn bloed dat op de troon van God is aangebracht, heeft, als geen schepsel het had kunnen doen, alles wat God is, bevestigd en in het volle licht gesteld. Zijn waarheid – want Hij heeft het doodvonnis uitgesproken – is op de meest verheven wijze bevestigd in Jezus; Zijn majesteit, want Zijn Zoon onderwerpt Zich aan alles tot Zijn heerlijkheid; Zijn gerechtigheid tegenover de zonde, Zijn oneindige liefde. God heeft in deze dood het middel gevonden Zijn raadsbesluiten van genade te vervullen, terwijl Hij toch al de majesteit van Zijn gerechtigheid en van Zijn Goddelijke waardigheid handhaaft. Want wat had Hem zo kunnen verheerlijken als de dood van Jezus dat gedaan heeft?
Deze toewijding van de Heer Jezus, Gods Zoon, aan Gods heerlijkheid, Zijn onderwerping zelfs tot in de dood, opdat Gods rechten in volle heerlijkheid gehandhaafd zouden worden, hebben dan ook aan de liefde van God een gelegenheid gegeven, waardoor ze vrijheid van handelen kreeg. Daarom zegt Jezus: “Maar Ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe word Ik gedrongen, totdat het volbracht is” (Lukas 12:50).
Zijn hart, vol van liefde, werd, toen het zich openbaarde, teruggedrongen door de zonde van de mens, die er niet van wilde weten. Maar door de verzoening kon het hart zich onbelemmerd ten aanzien van de zondaar uitstorten in de vervulling van Gods genade en van Zijn raadsbesluiten. Jezus Zelf had – om zo te zeggen – rechten op deze liefde; een positie, waarin wij door genade geplaatst zijn en waar niets bij haalt.
“Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem” (Johannes 10:17).
We spreken met eerbied over zulke dingen. Maar het is goed erover te spreken. Want men vindt de heerlijkheid van onze God en die van Jezus Christus, Die Hij heeft gezonden, erin bevestigd en geopenbaard. Er is geen eigenschap, geen zijde van het Goddelijk karakter, die niet in al zijn voortreffelijkheid volkomen is geopenbaard en verheerlijkt, door wat tussen God en Jezus Zelf plaatsgevonden heeft. Dat door hetzelfde offer wij gered en verlost zijn en onze zonden naar de raadsbesluiten van de genade van God verzoend (atoned) zijn, is (ik durf het te zeggen, hoe kostbaar en belangrijk dit alles voor ons ook mag zijn) het ondergeschikte deel in dit werk. Tenminste, als iets ondergeschikt genoemd kan worden waar alles volmaakt is. Maar het voorwerp – wij zondaren – zijn toch van ondergeschikte orde ten opzichte van de handhaving van het wezen en van de eer van God Zelf.
Toch kunnen deze twee – onze redding en de verheerlijking van God – niet van elkaar gescheiden worden. Want wanneer de zonde er niet geweest was, waar zouden die eigenschappen van God ontvouwd zijn geworden, die Hij nu, door het wegdoen van de zonde, heeft geopenbaard? Ook wordt de volmaaktheid van het werk niet alleen hier op aarde ontvouwd, hoewel we het hier leren kennen; maar we zullen tot in eeuwigheid het bewijs en het levend getuigenis zijn van de algenoegzaamheid van Christus’ werk.
Nu we de grote beginselen een beetje hebben bestudeerd, kunnen we de bijzondere omstandigheden gaan onderzoeken.
Men zal hebben opgemerkt, dat er twee offers waren: het ene voor Aäron en zijn familie, het andere voor het volk.
Aäron en zijn zonen stellen altijd de Gemeente voor. Niet in de betekenis van “één lichaam”, maar als een gezelschap van priesters.
Zo zien we, zelfs op de grote verzoendag, het onderscheid tussen hen die de Gemeente vormen, en het aardse volk dat de legerplaats van God vormt op de aarde. De gelovigen hebben hun plaats buiten het leger, waar hun Hoofd als een offer voor de zonde geleden heeft. Maar als gevolg hiervan hebben de gelovigen nu hun plaats in de tegenwoordigheid van God, in de hemelen, waar hun Hoofd is ingegaan. Buiten de legerplaats zijn hier beneden 39, gaat samen met een hemels deel daarboven. Het zijn twee posities van Christus, Die gezegend is tot in eeuwigheid.
Als de belijdende kerk de positie van de legerplaats hier beneden inneemt, dan is de plaats van de gelovige altijd buiten die legerplaats. Het eerste is inderdaad precies wat de kerk gedaan heeft. Ze beroemt zich erop de legerplaats te zijn, en zo vervalt ze in het Joodse systeem. Israël zal, om gered en door genade binnengebracht te worden, ten slotte moeten erkennen, buiten te zijn. Want de Verlosser, Die zij in hun dagen van verblinding verworpen hebben, heeft al hun zonden als volk in genade gedragen. Hij stierf voor dit volk, door Hem erkend in het overblijfsel. Wij, gelovigen, mogen nu al vooruit die positie innemen, terwijl Christus in de hemel is. Het hart van het overblijfsel van Israël zal inderdaad voor hun herstel teruggebracht worden tot Jahweh. Zij zullen pas ingaan in de kracht van het offer als ze op Christus zullen zien, Die ze doorstoken hebben, en dan zullen ze over Hem rouwklagen (Zacharia 12). Deze dag werd dan ook ingesteld als een dag, waarop ieder zijn ziel moest verootmoedigen, op straffe van uitgeroeid te zullen worden.
Bovendien veronderstelde de grote verzoendag, dat de toestand waarin het volk zich in de woestijn bevond, het onbekwaam maakte, verbinding met een God, Die Zich ten volle openbaarde, te genieten. God had het volk verlost en tot hen gesproken. Maar het hart van Israël, dat wil zeggen, het hart van de meest bevoorrechte mens, was in zijn natuurlijke toestand niet in staat, zich in een dergelijke positie te handhaven.
Israël had een gouden kalf gemaakt en Mozes had een deksel voor zijn aangezicht gedaan. Nadab en Abihu hadden vreemd vuur op het altaar van God geofferd; vuur dat niet van het brandofferaltaar was genomen. De weg naar het Heilige der Heiligen is afgesloten. Het regelmatig binnengaan in dit heiligdom was aan Aäron verboden. Hij is er nooit binnengegaan in zijn kleren tot heerlijkheid en tot sieraad. En als hij er inging, dan was dit niet tot gemeenschap met God maar om het heiligdom te reinigen, dat bezoedeld was door de ongerechtigheden van een volk, in het midden waarvan God woonde. De inleiding op de grote verzoendag is dan ook het verbod om te allen tijde het heiligdom in te gaan, een verbod dat kennelijk gegeven wordt na de dood van de zonen van Aäron. Aäron treedt niet anders het heiligdom binnen, dan omgeven met een wolk van wierook, opdat hij niet zou sterven.
Het was in waarheid een genadige voorziening, opdat het volk ten gevolge van zijn verontreinigingen niet zou vergaan.
Maar de Geest van God gaf hierdoor te kennen, dat de weg naar het heiligdom nog niet geopenbaard was.
Waarin verschilt de positie, waarin wij ons nu bevinden, met die van het volk van Israël? De voorhang is gescheurd en we gaan als priesters met vrijmoedigheid in het heiligdom, door de nieuwe en levende weg, door de voorhang heen, dat is door het vlees van Christus. We gaan er zonder bewustzijn van zonde binnen, omdat de hand, die de voorhang deed scheuren – om de heerlijkheid en majesteit van de troon, alsook de heiligheid van Hem, Die erop gezeten is, te openbaren – tegelijkertijd de zonde heeft weggedaan, die ons onbekwaam zou hebben gemaakt er binnen te gaan, of naar binnen te zien. We zijn daar zelfs gezet in Christus, ons Hoofd, het Hoofd van Zijn lichaam, de Gemeente.
Intussen bevindt Israël zich buiten. De Gemeente wordt gezien in de Persoon van Christus, de Hogepriester. En de gehele bedeling nu, is voor Israël de grote verzoendag. Gedurende deze dag is de hogepriester van Israël binnen de voorhang verborgen. De voorhang – die de betekenis van al deze typen verborg – is thans in Christus weggedaan, zodat wij door de Geest volkomen vrijmoedigheid bezitten. Maar het deksel is op het hart van de kinderen Israëls gebleven. Weliswaar bepleit Christus – binnen de voorhang – hun zaak, door het bloed dat Hij aanbiedt, maar ze hebben erbuiten nog helemaal geen getuigenis van ontvangen. Hun geweten is ook nog niet bevrijd door de wetenschap, dat hun zonden voor altijd in een afgezonderd land zijn weggedragen, waar zij nooit meer zullen worden teruggevonden. Eigenlijk gezegd is onze positie er een van binnen de voorhang in de persoon van Aäron, terwijl het bloed op het verzoendeksel is. We zijn niet alleen gerechtvaardigd door de bok, als buiten zijnde. Dit is alles geschied en wel ééns voor altijd. Want de voorhang bedekt alleen het hart van Israël; tussen ons en God is hij niet meer. Maar wij zijn met de Hogepriester ingegaan tot binnen de voorhang, als met Hem verenigd. Wij wachten niet op verzoening (reconciliation) totdat Hij naar buiten komt. Daarentegen zal Israël de weldaden van de vergeving niet eerder ontvangen, dan bij de wederkomst van de ware Aäron uit het hemelse heiligdom, hoewel er geen verschil is tussen deze vergeving en die, welke ons is verworven.
Daarom werd het offer van Aäron en zijn zonen gekenmerkt door het bloed, dat op het verzoendeksel was aangebracht, en door het persoonlijk ingaan van Aäron tot binnen de voorhang.
De Gemeente bestaat echter uit personen, die hier beneden wonen en die zonden bedreven hebben. Deze personen, dus gezien als zijnde in de wereld, behoren, wat hun geweten betreft, tot de groep mensen die buiten zijn, evenals Aäron zelf persoonlijk gezien en niet als type. Hun geweten wordt gereinigd door de zekerheid, dat Christus al hun zonden in Zijn lichaam op het hout gedragen heeft. Maar in werkelijkheid is onze positie binnen de voorhang, in overeenstemming met de waarde van het bloed van Christus en de volmaakte aanneming van Zijn Persoon.
En zo is het ook gesteld met betrekking tot de verwachting van Christus’ komst. Als ik mij als een verantwoordelijk mens op aarde beschouw, verwacht ik de Heer Jezus, opdat alle dingen bevrijd worden van de slavernij der verderfelijkheid, en opdat aan alle lijden en aan alle macht van het kwaad een einde wordt gemaakt. En zo verwacht ik persoonlijk, als dienstknecht, het bewijs van Zijn goedkeuring, als Meester, te ontvangen, in tegenwoordigheid van de gehele wereld; hoewel, wanneer we alles zouden gedaan hebben wat ons bevolen was, we nog slechts konden zeggen, onnutte slaven te zijn, omdat we slechts onze plicht gedaan hadden (Lukas 17:10). Ik spreek dan ook enkel van het beginsel. Maar als ik op mijn voorrechten zie als lid van Zijn Lichaam, dan denk ik aan mijn vereniging met Hem boven, en dat ik met Hem zal terugkomen als Hij zal komen om Zich in al Zijn heerlijkheid te openbaren. – Het is goed dit onderscheid te maken, want zonder dit onderscheid zou er verwarring ontstaan in onze gedachten, en bij ons gebruik van zeer vele schriftplaatsen.
Hetzelfde is waar met betrekking tot het persoonlijke geloofsleven van elke dag. Ik kan me beschouwen, als in Christus en met Hem verenigd, in Hem in de hemelse gewesten geplaatst, waar ik geniet van al de voorrechten, waarvan Hij Zelf voor het aangezicht van God Zijn Vader geniet. En ik ben ook met Hem, als het Hoofd van het Lichaam, verbonden.
Maar ik kan ook op mijzelf zien als op een arm en zwak schepsel, persoonlijk wandelend op aarde als één, die behoefte heeft, verzoekingen moet overwinnen, en fouten maakt. En terwijl ik hier beneden ben, kan ik Christus in de hemel zien, Die persoonlijk ten behoeve van mij voor de troon verschijnt. En dan ben ik gelukkig, dat ik Iemand bij God heb, Die volmaakt is, maar die ook mijn moeiten en strijd uit eigen ervaring kent. Die niet meer in deze omstandigheden is, maar bij God ten behoeve van mij, die door deze omstandigheden nog heen moet. Dat is de leer van de brief aan de Hebreeën 40; terwijl we de vereniging van de Gemeente met Christus meer in het bijzonder in de brief aan de Efeziërs uiteengezet vinden. In de geschriften van Johannes worden we onderwezen dat de gelovige persoonlijk in Hem is.
Hoofdstuk 17
Na deze zeer bijzondere voorschriften voor de grote verzoendag, vinden we aanwijzingen die niet de reiniging van begane zonden ten doel hebben, maar de bewaring voor verontreinigingen van zowel het volk, als de dienst van de priesters. Het is om Israël als een heilig volk voor God te handhaven en hen te bewaren voor alles wat God zou onteren in hun relaties met Hem, en henzelf in hun relaties met anderen. Het leven behoort aan God.
Als men dus aan een levend wezen het leven ontneemt, moet dit leven als een offer aan God geofferd worden. Vanzelfsprekend aan God. Het bloed moet op het altaar worden besprenkeld en het vet op het altaar verbrand. Op deze wijze werd ertegen gewaakt, dat het hart heimelijk in de richting van demonen zou afdwalen. En de rechten van God op het leven, en de waarheid ten aanzien van het offer (wat grondbeginselen zijn), werden gehandhaafd. Zo werd God en tevens de betrekking van de mens met Hem erkend en geëerd.
Hoofdstuk 18
Het doel van dit hoofdstuk is, te beletten, dat het volk zich zou onteren in de dingen die tot de natuur zelf behoren; in dat wat een mens in zijn natuurlijke relaties behoort te zijn. De mens mocht zichzelf niet onteren. Maar omdat hij God niet heeft geëerd, werd hij overgegeven om zijn eigen lichaam te onteren (vergelijk Romeinen 1). Omdat het volk van God in Zijn nabijheid gebracht is, wordt het over dit onderwerp onderwezen. Het werd van het kwaad van de wereld, waaruit het geroepen was, gescheiden. Maar ook van de schaamteloze losbandigheid waarin de Satan de mens, die zijn speelbal was geworden, had gestort. In vers 6 vinden we het grote beginsel waarom het in dit hoofdstuk gaat. Namelijk de intimiteit van het huwelijk niet te verwarren met de vertrouwelijkheid van natuurlijke relaties. Deze dingen waarin Satan de mens gestort heeft, in de toestand van satanische en onnatuurlijke toegeeflijkheid van het vlees, en tot welke God de mens heeft overgegeven om alle onreinheid met gretigheid te bedrijven, zijn verboden. De bevalligheid van de natuur is gehandhaafd; wat verontreinigt is verboden. De inzettingen en de rechten van Jahweh moesten het volk leiden. De mens, die door deze voorschriften beproefd werd en ze opvolgde, zou het leven hebben.
Hoofdstuk 19
Deze brengen ons een beetje verder. Het volk moest heilig zijn, want Jahweh was heilig. Hoofdstuk 19 beschouwt de dingen eerder van de goede zijde, hoewel het waarschuwt tegen alles wat onheilig is, of de heilige dingen ontheiligt.
Maar we vinden hier wat goed, liefelijk en betamelijk is, met het oog op de verschillende bijzonderheden van hun wandel. Hetzij in de persoonlijke verbindingen van de leden tot elkaar, hetzij betreffende zekere gevaren, waaraan het volk in zijn wandel te midden van de dagelijkse omstandigheden blootstond. Want het volk had het met God te doen en Jahweh was hun God. Het volk van God moest zich in alle opzichten gedragen, overeenkomstig de betrekking die het met Hem onderhield. Het moest zelfs verstaan, wat tegenover de mens betamelijk is volgens de gedachten van God, en dit in elke toestand waarin het zich kon bevinden. Aldus zien we, hoewel hier geen sprake is van het priesterschap, toch de betrekking van de kinderen Israëls met Hem, Die in hun midden woonde, op een praktische wijze gehandhaafd. Ze naderden tot God door zich in acht te nemen voor bezoedelingen, die onwaardig waren voor hen, die in zo’n betrekking stonden. En hier vinden we het voorschrift, onze naaste lief te hebben als onszelf.
Hoofdstuk 20
Hoofdstuk 20 waarschuwt meer tegen het kwaad en verderf, dat in het midden van de volken gevonden werd. In beide hoofdstukken 19 en 20 wordt Israël geroepen heilig te zijn. In hoofdstuk 19 meer in overeenstemming met het karakter van God; in hoofdstuk 20 om zich te onthouden van de afgoden en het kwaad, omdat Jahweh het volk voor Zichzelf had geheiligd. Dit laatste hoofdstuk dringt aan op reinheid in alle verhoudingen.
Hoofdstuk 21
Hoofdstuk 21 laat ons in het bijzonder het gedrag en de voorwaarden zien, die vereist zijn voor de priesters, als degenen die voor Jahweh afgezonderd zijn. Het was een zeer nauwe betrekking, en dit veronderstelde dan ook een gedrag, dat daarmee in overeenstemming was. Alles in hun toestand moest passend zijn voor de tegenwoordigheid van God. En hetzelfde geldt ook voor ons.
Hoofdstuk 22
Hoofdstuk 22. Als er iets door zwakheid of onachtzaamheid veroorzaakt was, wat onverenigbaar was met het feit, dat de priesters dicht in de nabijheid van God verkeerden, dan moesten ze zich daarvan verre houden. Als gevolg daarvan waren er dingen, waarvan alleen de priesters mochten eten en die leden van hun families, die priesterlijk afgezonderd waren. Hetzelfde geldt voor ons. Er is een deel van het geestelijk voedsel (Christus, aan God geofferd), waarmee men zich alleen kan voeden, voor zover het hart door de kracht van de Geest, waarlijk voor Hem is afgezonderd. De offeranden zelf moesten rein zijn en Gode waardig, aan Wie ze werden aangeboden. Ze moesten in overeenstemming zijn met een waarachtig gevoel van Zijn majesteit, maar ook van onze relaties met Hem. En inderdaad vindt men dit alles in Christus. Hardheid van het natuurlijke hart is beslist niet toegestaan; heiligheid is nodig. In wat met onze eigen blijdschap voor het aangezicht van God verbonden is, moet de heiligheid in wat we offeren gehandhaafd worden.
In hoofdstuk 20 wordt aan het volk verboden, de brutale en bijgelovige praktijken van de afgoderij, waarin Satan de mens had gestort, te volgen. Tevens wordt het gewaarschuwd zich te wachten voor de onreinheid die er onvermijdelijk mee verbonden is en waartoe de invloed van de duivel de volle vrijheid gaf. Hier hebben we die mooie en eenvoudige uitdrukking van het beginsel, dat hen in dit opzicht moest leiden: “Heilig uzelf en wees heilig, want Ik ben de HEERE, uw God. Houd Mijn verordeningen en doe ze. Ik ben de HEERE, Die u heiligt” (Leviticus 20:7-8). Ze zijn verplicht heilig te zijn en zich in praktische zin te heiligen. Want ze zijn in het huis en de Meester van het huis is heilig. De heiliging veronderstelde, dat ze in een erkende betrekking met God waren. En God eist, dat de medebewoners van Zijn huis rein zijn, in overeenstemming met Zijn eigen reinheid.
Daarom moest Zijn Woord hun leefregel zijn. Ze moesten Hem in Zijn aanwijzingen gehoorzamen, want Hij was het Die hen voor Zichzelf afzonderde. Hier wordt ons zeer leerzaam onderwijs gegeven, dat ons de maatstaf geeft voor al onze gedachten met betrekking tot dit onderwerp. Als iemand in mijn huis is, dan wil ik dat hij reinheid betracht, enkel en alleen omdat hij bij mij thuis is. Met hen die buiten zijn, heb ik me niet te bemoeien 41. Het was Jahweh, Die hen had afgezonderd voor het doel, waarover wij spraken.
Bovendien zijn er interessante voorschriften ten aanzien van wat de priesters mochten eten. Deze zullen we evenwel in het volgende boek terugvinden en ze daar nader beschouwen.
Hoofdstuk 23
En nu zijn we gekomen tot de feesten. Het is het volle 42 jaar van de raadsbesluiten van God ten aanzien van Zijn volk, en de rust die het einde was van deze raadsbesluiten. Achtereenvolgens waren er zeven feesten (het in de Schrift welbekende getal van volmaaktheid), namelijk: de Sabbat – het Pascha en het feest van de ongezuurde broden – de eerstelingen van de oogst – het Pinksterfeest – het feest des geklanks in de zevende maand – de grote verzoendag en het loofhuttenfeest. Als men de Sabbat apart neemt en als op zichzelf staand wil beschouwen, dan zal men het Pascha van het feest van de ongezuurde broden dienen te onderscheiden. Hierdoor is het getal zeven weer voltallig. Ik zeg dit niet om dit getal te kunnen handhaven, maar omdat het hoofdstuk zelf het ons op deze wijze voorhoudt: nadat de Sabbat eerst onder de feesten is gerekend, gaat het hoofdstuk in vers 4 verder en geeft aan de feesten, zonder de Sabbat, de naam van gezette hoogtijden des Heren. Het is waar, dat de Sabbat in zekere zin een feest was. Maar aan de andere kant was het de vooraf geschaduwde rust, voor de tijd waarin alles voleindigd 43 zou zijn. De feesten laten ons dus in het algemeen het geheel van de grondslagen zien, waarop God Zijn relaties met Zijn volk heeft gevestigd. Het zijn de beginselen, volgens welke Hij het volk rondom Zich heeft verzameld, in Zijn wegen met dit volk, op de aarde. In een ander opzicht was de draagwijdte van deze feesten veel groter, dan wat we zojuist genoemd hebben. Maar hier worden ze vanuit dit oogpunt beschouwd. De omstandigheden en de feiten die ze voorstellen, worden hier vanuit het oogpunt van hun vervulling op aarde gezien.
Men kan de feesten ook op een andere manier indelen, als men de woorden: “De HEERE sprak tot Mozes” 44 als opschrift voor elk gedeelte van dit onderwerp aanneemt. Men krijgt dan:
1e Sabbat, Pascha en feest van de ongezuurde broden (verzen 1-8). 2e Het feest van de eerstelingen en het Pinksterfeest (verzen 9-22). 3e Het feest des geklanks (verzen 23-25). 4e De grote verzoendag (verzen 26-32).
5e Het loofhuttenfeest (vers 33 tot einde).
Deze laatste indeling geeft ons het zedelijk onderscheid van de feesten, namelijk de wegen van God zoals die daarin voorgesteld worden. Maar laten we ze wat meer in bijzonderheden nagaan. Allereerst wil ik echter graag enkele gedachten over het onderwerp van de Sabbat neerschrijven en leg ze graag mijn broeders ter geestelijke overdenking voor. Het is goed ons aan het Woord te onderwerpen. In de eerste plaats wordt Zijn volk gekenmerkt door het deelnemen aan de rust van God, wat hun bijzonder voorrecht is. Aan dit voorrecht houdt het hart van de gelovige uit al zijn macht vast, wat ook het teken mag zijn, dat God ervan gegeven heeft (Hebreeën 4). God had de Sabbat al bij het begin ingesteld, maar klaarblijkelijk heeft de mens er nooit enig aandeel in gehad. De mens werkte niet in de schepping en evenmin was hij in de hof van Eden geplaatst om moeizaam te arbeiden of te zwoegen. Hij moest inderdaad de hof bouwen en bewaren, maar hoefde niets te doen dan zich voortdurend te verheugen. Toch was de rustdag van het begin af geheiligd. Later werd de Sabbat gegeven als een herinnering aan de bevrijding uit Egypte (Deuteronomium 5:15). En de profeten wezen bijzonder op dit punt, dat de Sabbat als een teken van het verbond van God was gegeven (Ezechiël 20; Exodus 31:13). Het was duidelijk, dat het slechts het onderpand was van dit woord: “Ik Zelf zal meegaan en Ik zal u rust geven” 45. (Exodus 31:13; 33:14; Leviticus 19:30). Het was het teken, dat het volk tot God geheiligd was (Ezechiël 20:12,13-16,20; Nehemia 9:14; vergelijk Jesaja 56:2-6; 58:13; Jeremia 17:22; Klaagliederen 1:7 46; Klaagliederen 2:6; Ezechiël 22:8; 23:38; 44:24). Bovendien zien we steeds, dat, als God een nieuw beginsel geeft, of een nieuwe vorm, waarin het volk met Hem in verbinding komt te staan, ook van de Sabbat gesproken wordt. Zo in genade voor Israël (Exodus 16:23); als wet (Exodus 20:10). Zie ook, behalve het vers waar we mee bezig zijn: Exodus 31:13-14; 34:21; als het volk door de lankmoedigheid van God – op grond van de middelaar – hersteld wordt (Hoofdstuk 35:2). En in het nieuwe verbond, in Deuteronomium, zoals al genoemd.
Deze opmerkingen laten ons zien, van wat een werkelijk en radicaal belang de Sabbat was, als de gedachte van God en het teken van de verbinding tussen Zijn volk en Hem, hoewel het slechts een teken, een feest was, en niet in zichzelf een zedelijk verbod of gebod. Want wat de Sabbat aangaf, was de verbinding met God in Zijn rust, en dit staat op de hoogste trap van de waarheden, die het hart met God verbinden. Maar al is dit van het uiterste belang, van even groot, ja zelfs van nog hoger belang is het, eraan te denken, dat het verbond tussen God en het Joodse volk voor ons volkomen terzijde is gesteld en dat het teken van dit verbond ons niet toebehoort. Dat belet ons niet de rust van God even kostbaar te vinden als het voor de Joden was. Ja, zelfs nog kostbaarder! Maar onze rust is niet die in deze schepping, waarvan de zevende dag het teken was. Bovendien – en dit is nog belangrijker – laten we niet vergeten, dat de Heer Jezus Heer is van de Sabbat. Deze uitdrukking heeft ten aanzien van Zijn Persoon een zeer grote draagwijdte. Maar ze zou waardeloos zijn als Hij niets met de Sabbat gedaan zou hebben. Hierbij komt nog het feit, dat de Sabbat in de bergrede helemaal niet wordt genoemd door de Heer Jezus, hoewel Hij in deze rede zo’n kostbare opsomming geeft van de fundamentele beginselen, die bij het koninkrijk behoren. Daar voegde Hij nog bij de naam van de Vader, het feit van een lijdende Messias, en de openbaring, dat er loon zal worden ontvangen in de hemel. Zo heeft de Heer in de bergrede de grondbeginselen van Zijn koninkrijk in hun geheel laten zien. We zien ook, dat Hij voortdurend de gedachten van de Joden ten opzichte van de Sabbat verstoort. Een omstandigheid die ons door schrijvers van de evangeliën – dat wil zeggen door de Heilige Geest – zorgvuldig wordt meegedeeld. Op de Sabbat zelf verkeerde de Heer Jezus in de toestand van de dood – een verschrikkelijk teken van de toestand van de Joden, ten opzichte van hun verbond. Maar voor ons is het een teken, dat veel betere dingen ontstaan zijn.
Men heeft met veel moeite getracht te bewijzen, dat de zevende dag in feite de eerste dag was. Een enkele opmerking vernietigt deze stelling echter volkomen. Namelijk dat het Woord van God deze laatste dag de eerste noemt in tegenstelling met de zevende. Wat is dan de eerste dag? Het is voor ons de dag der dagen; de dag van de opstanding van Jezus, waardoor wij wedergeboren zijn tot een levende hoop, is de bron van al onze blijdschap, van ons heil en wat ons leven kenmerkt. Wij zullen dus de rust van God in de opstanding vinden. Zedelijk beginnen we ons geestelijk leven in deze wereld met de rust, in plaats van haar eerst aan het einde van ons werken te smaken. Onze rust is in de nieuwe schepping. Wij zijn na Christus, Die er het Hoofd van is, het begin van deze nieuwe bedeling.
Het is dus duidelijk, dat de rust van God voor ons niet verbonden kan worden aan het teken van de rust van de schepping hier beneden. Ze is uitsluitend aan de opstanding van Jezus verbonden. Dit is het uitgangspunt van de positie, die Hij als Hoofd van de nieuwe schepping heeft ingenomen. Kunnen we op gezag van het Nieuwe Testament zeggen, dat de eerste dag van de week van de andere dagen te onderscheiden is? Ik persoonlijk twijfel er niet aan.
Het is zeker, dat we op dit punt geen voorschriften hebben, zoals die van de oude bedeling van de wet. Ze zouden geheel in tegenspraak zijn met de geest van het evangelie van de genade. Maar de Geest van God heeft de eerste dag van de week op verschillende manieren op de voorgrond gesteld, hoewel Hij het vieren van deze dag nooit op een manier heeft voorgeschreven, die in tegenspraak zou zijn met de geest van deze bedeling. Op deze dag verschijnt de Heer – nadat Hij die dag in overeenstemming met Zijn belofte was opgestaan – in het midden van Zijn discipelen, die naar Zijn Woord vergaderd waren. Dit feit herhaalt zich op dezelfde dag van de volgende week. In de Handelingen van de Apostelen wordt die eerste dag aangegeven, als de dag waarop men samenkwam om brood te breken.
In 1 Korinthe 16 worden de gelovigen vermaand, op elke eerste dag van de week iets weg te leggen van wat ze verdiend hadden. In de Openbaring wordt deze dag positief de dag van de Heer genoemd. Dat wil zeggen, dat de Heilige Geest deze dag op directe wijze aanduidt door hem met een bijzondere naam te noemen. Ik weet heel goed, dat men ons heeft willen overtuigen, dat Johannes bedoelt, dat hij in de geest in het duizendjarig rijk was. Maar er zijn twee tegenwerpingen, die deze uitleg volkomen van de hand wijzen. In de eerste plaats zegt het Grieks iets heel anders. Het gebruikt hetzelfde woord, dat ook gebruikt is voor ‘des Heren avondmaal’ (1 Korinthe 11:20) “des Heren” of “van de Heer”, des Heren avondmaal, des Heren dag. Wie kan over de betekenis van een dergelijke uitdrukking in twijfel zijn? En wie kan weigeren toe te geven, dat de eerste dag van de week onderscheiden is van de andere dagen, zoals ook het avondmaal van andere maaltijden onderscheiden is. Niet als een voorgeschreven Sabbat, maar als een bevoorrechte dag?
In de tweede plaats rust de redenering, dat de uitdrukking “dag van de Heer” op het duizendjarig rijk slaat, op een totaal foutieve gedachte. Want in de Openbaring spreekt slechts een zeer klein gedeelte over het duizendjarig rijk. Het boek houdt zich bijna helemaal bezig met wat aan dit tijdvak voorafgaat. En in de Schriftplaats, waar men de uitdrukking zelf aantreft, is daarvan beslist in het minst geen sprake. Deze passage heeft betrekking op toen bestaande gemeenten, wat overigens hun profetisch karakter ook mag zijn.
Dus als we ons aan het Woord houden, dan zijn we verplicht te erkennen, dat de eerste dag van de week zich als de dag van de Heer van de dagen die erna komen onderscheidt. We zijn evenzeer gehouden te zeggen, als we tenminste aan het gezag van de Zoon des mensen willen vasthouden, dat Hij boven de Sabbat verheven is, dat Hij de “Heer van de Sabbat” is. Als we dus het gezag van de Joodse Sabbat als zodanig voor ons willen handhaven, lopen we gevaar het gezag, de waardigheid en de rechten van de Heer Jezus Zelf te verloochenen. Tevens loopt men gevaar, het oude verbond weer te willen oprichten, waarvan de Sabbat het bepaalde teken was, en rust te zoeken als resultaat van werken onder de wet.
Hoe meer men de belangrijkheid van de Sabbat – de zevende dag – voelt, hoe meer men er het belang van in zal zien, dat het niet de zevende, maar de eerste dag is, die ONS voorrechten verschaft. Laten we aan de andere kant ervoor waken, dat we, omdat we niet onder de wet maar onder de genade zijn, niet alleen de gedachte van de rust van de mens, maar ook die van de rust van God gaan verzwakken. Want deze gedachte beheerst de gehele openbaring van de verbindingen van God met de mens. De volledige rust voor ons, is de rust van de geestelijke werkzaamheden te midden van het kwaad. Het is niet alleen: “uitrusten van de zonde”. We zullen ervan genieten met Hem Wiens medewerkers we zijn, en Die gezegd heeft: “Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk [ook]” (Johannes 5:17).
De Sabbat wordt in Leviticus 23 eerst genoemd, omdat hij het eindpunt en eindresultaat is, waarop alle wegen van God uitlopen. De belofte is gedaan van in Zijn rust in te gaan. Het is een feest van Jahweh. Maar de feesten die ons meer de wegen van God voorstellen om ons in die rust in te leiden beginnen opnieuw in vers 4. Vergelijk de verzen 37-38. En nu we dit onderscheid gemaakt hebben, kunnen we het onderwerp weer opnemen en de Sabbat, het Pascha en het feest van de ongezuurde broden, als bij elkaar behorend, beschouwen (verzen 1-8). Van de laatste twee, was het feest van de ongezuurde broden eigenlijk “het feest”. Het Pascha was het offer waarop het feest gegrond was, zoals de Apostel het zegt: “ons Pascha, Christus, is geslacht. Laten wij daarom feestvieren, niet met oud zuurdeeg enzovoort” (1 Korinthe 5:7-8). Inderdaad, wat nodig was voor de Sabbat, voor de rust van God, dat was het offer van Christus, en reinheid. En hoewel al deze feesten uitlopen op de rust van God, zijn toch deze twee, het Pascha en de ongezuurde broden, de grondslag van alles en ook van de rust zelf voor ons. Christus’ offer en de afwezigheid van elk beginsel van zonde, vormen de grondslag van het deel dat wij hebben in de rust van God. God is verheerlijkt met het oog op de zonde; de zonde is voor ons weggedaan, van voor Zijn aangezicht, en uit onze harten. De volmaakte afwezigheid van zuurdeeg kenmerkte de wandel en de natuur van Christus hier beneden, en wordt ook in ons vervuld, voor zover als we Christus verwerkelijken in ons leven en voor zover we onszelf erkennen als gestorven en opgestaan met Hem, ook al is het vlees nog steeds in ons 47.
Zo hebben we ook in Exodus 16 gezien, dat het manna in verband gebracht wordt met de Sabbat. De afwezigheid van zuurdeeg was de volmaaktheid van Christus op aarde. En zo wordt in beginsel de wandel op aarde van hem die deel heeft aan Zijn leven. Het spreekt vanzelf, dat, als de ware eind-Sabbat gekomen zal zijn, alle zuurdeeg uit ons verwijderd zal zijn. Het offer van Christus en reinheid van het leven maken ons bekwaam in de rust van God te delen.
Daarna komt kracht, de eerstelingen. Dat wil zeggen, de opstanding van Christus, op de morgen die op de Sabbat volgt: de eerste dag van de week. Dit was het begin van de ware oogst, die door de kracht van God, buiten het natuurlijke leven van de wereld om, ingezameld wordt. Volgens de Joodse wet mocht men van tevoren niet aan de oogst komen. Christus was het begin, de Eerstgeborene uit de doden. Met deze garf van de eerstelingen werden offers tot een welriekende reuk geofferd, maar een zondoffer werd niet gebracht. Het is duidelijk dat dit niet nodig was. Het is Christus aan God geofferd, volmaakt rein, in Gods tegenwoordigheid als beweegoffer bewogen. Op een volkomen wijze voor ons voor Zijn ogen geplaatst, als opgestaan uit de doden, het begin van een nieuwe oogst voor God. We zien hier de mens in een toestand, waarin zelfs de onschuldige Adam niet geweest is: de Man van Gods raadsbesluiten, de tweede Mens, de laatste Adam. Niet zo, dat alles afhangt van gehoorzaamheid, die kon falen (en die ook gefaald heeft). Maar we zien een Mens, Die, nadat Hij God volmaakt had verheerlijkt op het terrein van de zonde, de dood passeerde, de zonde passeerde (want Hij stierf voor de zonde), Satans macht passeerde, het oordeel passeerde. En Die bijgevolg geheel buiten het toneel trad waar de verantwoordelijke mens had gestaan; op een totaal andere grondslag voor God, na Zijn volbrachte werk, terwijl God volmaakt is verheerlijkt. Zo’n werk gaf Hem ook het recht te zeggen:
“Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem”, en maakte het tot een werk van Gods rechtvaardigheid, Hem aan Zijn rechterhand in heerlijkheid te zetten.
Hiermee verbonden komt het spijsoffer aan het einde van de zeven weken, het Pinksterfeest. Hier is het niet meer Christus, maar de Zijnen, de eerstelingen van Zijn schepselen. Ze worden als op de aarde gezien en het zuurdeeg wordt dus nog in hen gevonden. Daarom, hoewel ze aan God geofferd moesten worden, werden ze niet op het altaar tot een liefelijke reuk verbrand (Leviticus 2:12). Maar met de broden werd er een zondoffer gebracht, dat door zijn krachtdadige werking beantwoordde aan het zuurdeeg dat die broden bevatten. Het zijn de heiligen, waarvan de inzameling op het Pinksterfeest begonnen is.
Dit feest van de Weken werd gevolgd door een lange pauze, waarin niets nieuws was in de wegen van God. Alleen was het verboden bij de oogst de hoeken van het veld geheel te maaien en in te zamelen.
Een gedeelte van het goede graan moest op de akker worden gelaten, als de oogst in de voorraadschuur werd bijeengebracht. Maar het was niet de bedoeling, dat dit verloren zou gaan. Het was voor hen, die niet genoten van de rijkdommen die het volk van God bezit, maar die door een uitzonderlijke genade geroepen werden te delen in de voorziening, door God voor hen getroffen. Zij deelden dus zo in de overvloed die God aan het volk had geschonken. En dit zal ook aan het einde van deze eeuw gebeuren.
Nadat het werk van het Pinksterfeest beëindigd is, begint met de woorden: “En Jahweh sprak tot Mozes” (23:23), een andere reeks van gebeurtenissen. De trompet klinkt bij de nieuwe maan. (vergelijk Psalm 81 en Numeri 10:3,10). Israël wordt als een vergadering voor het aangezicht van Jahweh bijeengeroepen. De zegening en de glans en luister van het volk worden vernieuwd. Dit is nog niet het herstel van vreugde en blijdschap, maar op zijn minst straalt hier toch de vernieuwing van het licht en een afschijnsel van de heerlijkheid die verdwenen was. Deze verlicht de verwachtingsvolle ogen van de kinderen Israëls en zij roepen de vergadering tezamen, om de heerlijkheid te herstellen.
Maar Israël moet tenminste zijn zonde voelen, en op het plechtige feest dat volgt, verbindt zich de smart van het volk met het offer van de grote verzoendag. Israël zal Hem aanschouwen, Die het doorstoken heeft en zal weeklagen. Het volk – tenminste het gespaarde overblijfsel, dat het volk wordt – zal delen in de krachtige werking van het offer van Christus. Dit zal hier beneden gebeuren, in een toestand van berouw die door God erkend wordt zodat de tijden van verkwikking dan zullen komen.
Dit feest van de tiende dag van de zevende maand, laat ons dus de bekering van het volk zien, maar verbonden met het verzoenend offer. De algenoegzaamheid ligt in het offer. Het delen van de Israëlieten in deze algenoegzaamheid is verbonden met de verootmoediging van hun zielen (vergelijk Zacharia 12). Maar Israël deed niets – het was een Sabbat. Het volk was in verootmoediging in de tegenwoordigheid van God vergaderd. Ze nemen Hem aan, Die doorstoken is. En ze doen dat in het gevoel van de zonde, waaraan ze zich schuldig maakten door Hem te verwerpen.
Ten slotte komt het loofhuttenfeest. Op dit feest offerden ze gedurende zeven dagen vuuroffers aan Jahweh. Op de achtste dag was er weer een heilige samenroeping. Deze achtste dag was een buitengewone dag, die de grens van een volle periode overschreed, en deel uitmaakte van een andere week. Ik twijfel er niet aan, of deze dag omvatte de opstanding. Dat wil zeggen, deze heilige samenroeping wijst erop, dat zij die opgewekt zijn, delen in de blijdschap van deze dag.
Het was een verbodsdag, deze achtste dag. Het was de grote dag van het feest, waarop de Heer aankondigde, dat er bij hem die in Hem geloofde – stromen van levend water uit zijn binnenste zouden vloeien. Dat is de Heilige Geest, Die een levende kracht zou zijn die in het hart werkt en daaruit voortvloeit en in de innerlijke genegenheden ervan tot uiting komt. De Heer Jezus kondigde dit aan, nadat Hij verklaard had dat op dat ogenblik Zijn uur nog niet gekomen was om Zich te openbaren aan de wereld, want Zijn broeders – de Joden – geloofden ook niet in Hem. Israël had van het levende water uit de rots in de woestijn gedronken. Nu zij die woestijn achter zich had, was het blij dat verblijf in de woestijn te kunnen herdenken en zich te herinneren dat de reis beëindigd was. Dit verhoogde de blijdschap over de rust, waarin het nu was gebracht. Maar de gelovigen nu worden niet alleen geroepen te drinken, want “gelukkig zij die niet gezien en [toch] geloofd hebben”. De stroom zou uit hun eigen hart voortvloeien. Ze zouden – door Christus – de Heilige Geest in kracht ontvangen, voordat de Heer geopenbaard zal worden aan de wereld; nu al hebben ze hun plaats in het hemelse Kanaän.
Zo wordt ons dus in het loofhuttenfeest de blijdschap voorgesteld, die Israël in het duizendjarig rijk zal smaken, als het de woestijn zal hebben verlaten, waarin het nu door hun zonden gekomen is. Aan deze blijdschap zal die van de eerste dag van een andere week worden toegevoegd: de opstandingsvreugde van hen, die met de Heer Jezus zijn opgewekt, waaraan de tegenwoordigheid van de Heilige Geest, nu beantwoordt.
Daarom vond het loofhuttenfeest na de oogst van de vruchten van de aarde plaats en, zoals we het elders lezen, niet slechts de veldoogst, maar ook na de wijnoogst. Dat wil zeggen, na de scheiding door het oordeel en nadat het eindoordeel is uitgevoerd op de aarde, als de hemelse en aardse heiligen allen ingezameld zullen zijn. Israël verheugde zich dan ook zeven dagen voor het aangezicht van de Heer.
Het Pascha heeft zijn tegenbeeld gehad en het Pinksterfeest evenzo.
Het Loofhuttenfeest, deze dag van blijdschap, wacht evenwel nog op zijn vervulling, als Hij, Die er het middelpunt en de bron van zal zijn – de Heer Jezus – Zich in de grote vergadering zal verblijden en zal beginnen met Jahweh te loven in de grote gemeente (Psalm 22). Hij had dit al gedaan in het midden van de vergadering van Zijn broeders. Maar dan zal het gehele geslacht van Jakob worden opgeroepen Hem te verheerlijken en alle einden van de aarde zullen het gedenken.
De uitdrukking ‘verbodsdag’ (vers 36) vindt men alleen voor dit feest gebruikt. Dus niet voor andere feesten, dan voor de zevende dag na het Pascha (zie Deuteronomium 16:8), waar het woord: “plechtig feest” (Statenvertaling: verbodsdag) – naar het me lijkt – nagenoeg in dezelfde betekenis gebruikt wordt.
Het loofhuttenfeest kon niet in de woestijn gevierd worden. Het is duidelijk, dat hiervoor nodig was, dat het volk het land bezat. Het is eveneens waard opgemerkt te worden, dat het feest, van de dagen van Jozua af tot aan Nehemia (Nehemia 8:17) toe, nooit gevierd werd overeenkomstig de voorschriften van de wet. Israël had vergeten, dat ze vreemdelingen waren geweest in de woestijn. Als men hieraan niet denkt, brengt de vreugde ons naar het verval. De blijdschap over de zegeningen zonder meer, leidt naar het verval.
Men moet opmerken, dat eigenlijk al deze feesten – met uitzondering van de achtste dag van het Loofhuttenfeest – voorbeelden zijn van wat op de aarde in verband met Israël gebeurt. De periode van de Gemeente als zodanig, is de tijd die tussen het Pinksterfeest en de zevende maand verloopt. Het is waar dat we de zegeningen van de eerste twee hoogtijden genieten mogen – en we doen dit ook – maar historisch gezien heeft het beeld betrekking op Israël.
De overblijvende hoofdstukken van dit boek hebben, naar het mij lijkt, een bijzondere draagwijdte. De Geest van God heeft in hoofdstuk 23 de geschiedenis laten zien van de wegen van God ten aanzien van Zijn volk op aarde. En wel van het begin tot het einde; van Christus af, tot aan de rust van het duizendjarig rijk.
Hoofdstuk 24
Dit omvat in de eerste plaats, om zo te zeggen, het innerlijke werk, dat alleen tot het priesterschap behoorde en in de tweede plaats de openbare zonde van een afvallige, door wie Jahweh gevloekt werd; een zonde, die het gevolg was van het zich verbinden met een Egyptenaar.
Het genadige licht van de Geest moest door de zorgen van het priesterschap gehandhaafd worden, wat de openbare wegen van God en de toestand van het volk ook mochten zijn. En dat vooral van de avond tot de ochtend; dus gedurende de tijd dat de duisternis op Israël zou drukken. Verder werd de wierook – een gedenkoffer bij de toonbroden, die de twaalf stammen van Israël voorstelden – als een lieflijke geur voor Jahweh verbrand.
De priesters maakten zich één met de stammen, door van dit brood te eten. De handeling van het eten heeft de figuurlijke betekenis van een voortdurende eenmaking.
Zo handhaafde het priesterschap het licht met betrekking tot Israël, als alles in hun midden duisternis was. De gedachtenis aan Israël was in een liefelijke geur voor het aangezicht van God, waar het priesterschap zich met hen één maakte. Zelfs dan als het volk verloren schijnt te zijn in de ogen van de mens, blijft het nog door het priesterschap van Jezus in de hemel als een gedachtenis voor het aangezicht van God bestaan. In een zekere zin heeft de gemeente hieraan deel, zoals leerstellig wordt verklaard in Romeinen 11. Maar dit is slechts voor zover de belofte reikt en wij kinderen van Abraham zijn, niet de verborgenheid waarvan wij deel uitmaken; wij die aangenomen zijn als verloren zondaars, zonder beloften, en door soevereine genade geplaatst in dezelfde heerlijkheid als de Heer Jezus.
In Jesaja 54 zien we, dat de gelovigen in genade tot Jeruzalem gerekend worden, zelfs toen ze weduwe was.
Uitwendig werd het oordeel van afsnijding en dood, zonder ontferming tegen hem die de naam van Jahweh gevloekt had, uitgevoerd.
Hoofdstuk 25
Het land zelf, wordt door de Heere als het Zijne beschouwd en voor Hem bewaard. Het moet genieten van de rust van God. Bovendien, hij die zijn erfelijk deel van dit land verloren had, moest het op de bestemde tijd, naar de raadsbesluiten van God, weer terugvinden. Op het ogenblik dat dé feesttrompet van het jubeljaar zal schallen, zal God ieder weer bevestigen in zijn bezitting, in overeenstemming met de rechten die God op dit land heeft, want het land behoort Hem toe. Dan zullen ook de personen weer vrij zijn, want de kinderen Israëls zijn dienstknechten van God. Dit was niet zo voor hen die geen deel uitmaakten van het volk van God. Maar hoewel Israël zichzelf aan de vreemde verkocht had, heeft Hij Die Zich tot zijn naaste bloedverwant had gemaakt, Israël uit de handen van de vreemde bevrijd. Het jubeljaar zal het volk vrijmaken, hoe sterk de macht ook mag zijn van hen, die het gevangen houden.
Hoofdstuk 26
Hier zien we een treffend schouwspel van de wegen van God, Die in lankmoedigheid handelt, maar ook door kastijding als Israël strijdig met Hem wandelt. Wanneer zij hun schuld erkennen, dan zal God aan het verbond gedenken, dat Hij met hun vaderen Abraham, Izaäk en Jakob had gesloten. Dit was een verbond dat gemaakt was zonder voorwaarde, ook met het land. Hij zou Zich dan het verbond herinneren, dat Hij met hun voorvaderen onder de naam van Jahweh gesloten had, op het ogenblik, dat ze Egypte verlieten 48.
Met het oog op het herstel van Israël zal God deze twee namen aannemen: die van Almachtige, de naam waaronder Hij Zijn relaties met de vaderen onderhield, en die van Jahweh, de naam van Zijn betrekking met het volk, dat Hij voor Zich afzonderde, toen Hij het uit Egypte deed trekken.
Hoofdstuk 27
Het laatste hoofdstuk van Leviticus behandelt de rechten en bepalingen van God, over alles wat betrekking heeft op de dingen die Hem, door bemiddeling van het priesterschap zijn gewijd. Dit alles staat met het priesterschap in verbinding. Maar toch heeft het, naar ik niet betwijfel, een uitgebreidere betekenis. Het gaat hier om hem die zich aan God gewijd heeft, en om het land dat aan God behoort; om de rechten van Israël, wiens bezitting het niet was en om het feit, dat Israël het aan anderen verkocht.
Wat Christus betreft, Hij heeft Zich onberispelijk Gode opgeofferd.
Men heeft Hem een geringe prijs waardig geacht. Israël behoorde rechtens aan Jahweh toe. De Israëlieten genoten van het land, dat Emmanuels land was, zonder er de werkelijke bezitters van te zijn. Ze konden het slechts in pand hebben tot het jubeljaar toe. Dan zou het land terugkeren tot Hem, aan Wie het land van Emmanuel rechtens toebehoort. Als men Israël als de bezitter beschouwt, die het land als een geschenk van de zijde van God ontvangen en het niet gelost heeft, na dat land aan een vreemde verkocht te hebben: als het jubeljaar zal zijn aangebroken zal het land beslist van Jahweh zijn. In Zacharia 11 wordt Christus aldus gewaardeerd, ‘waarop de zonen Israëls Hem gewaardeerd hadden’ (Mattheüs 27:9).
Ik beperk me tot het aanwijzen van het beginsel, dat in dit hoofdstuk te vinden is, zonder me in bijzonderheden van de toepassing van dit beginsel te begeven, want die zullen bij bestudering vanzelf aan de dag komen. Het beginsel is de belangrijke zaak, die we nodig hebben wanneer we de plannen van God willen verstaan. In het geval van een gelofte, al dan niet gelost; of van land, of het al dan niet terugkeert in het jubeljaar, wanneer God weer bezit zal nemen van Zijn rechten op het land Israël en in het bezit zal stellen van degene die er recht op heeft.
Dus wordt de regering van God, die uitloopt op Zijn terugkeer in genade tot Zijn onvoorwaardelijke belofte en (aardse) plannen, ons voorgesteld in hoofdstuk 26, en de absolute rechten van Jahweh in hoofdstuk 27. Hoofdstuk 26 is in feite een tussenzin, die Gods wegen toont, met de terugkeer tot Zijn belofte in genade. Hoofdstuk 25 de lossing van de mens, als hij dit kon, of zijn bloedverwant. Hoofdstuk 27 Gods absolute rechten.
Ook dienen we nog op te merken, dat de beoordeling geschiedt overeenkomstig het oordeel van de priester. Maar, hoewel het aan het oordeel van de priester is overgegeven, wordt het geheel van deze geboden toevertrouwd (vers 34) aan Mozes, de koning in Jeschurun (de rechtvaardige). Dit laat ons duidelijk zien, door wie en in welke waardigheid dit moest geschieden. Ze vond plaats in overeenstemming met het priesterlijk onderscheidingsvermogen, met de genade en de rechten van het priesterschap. Dit wil zeggen, Christus, als Priester, maar dan Christus, als Koning in Israël zal al deze dingen ordenen.
EINDE BOEK LEVITICUS.
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’
- Aantekeningen op Leviticus, C.H. Mackintosh
- Verzoening (Leviticus 16), W. Kelly
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
We mogen beide samen zien, in de wezenlijke, innerlijke werkelijkheid van het karakter, in de openbare wandel, in elk deel van die (aan God geofferde) natuur, die volmaakt was en gevormd door de kracht van de Heilige Geest: er was niets kwaads in, en de kracht van de Heilige Geest werd erin geopenbaard. Toen het offer in stukken gebroken werd, was elk deel met olie gezalfd, om te tonen dat, als het leven van Christus als het ware in stukken verdeeld werd, elke bijzonderheid en elk element ervan door de volmaaktheid van de Heilige Geest gekenmerkt zou zijn.
Voetnoten:
1 Mijn indruk is, dat de tabernakel de toestand tijdens het Duizendjarig Rijk weergeeft, behalve wat op het koningschap betrekking heeft, want met dit laatste staat de tempel in verband met de troon van God in het Heilige der heiligen. Ik zie niet, dat voor de bewoners van de aarde de voorhang dan gescheurd zal zijn, hoewel alles gegrond is op het offer van Christus. Maar de Hogepriester zal te allen tijde in het Heilige der heiligen ingaan en dan bekleed met zijn kleren van schoonheid en heerlijkheid. Zo stellen de toonbroden en de kandelaar met de zeven armen Israël voor, in verbinding met Christus; Israël, dat regering en licht in de wereld openbaart, maar in de plaats van priesterschap voor God is. Voor ons is de voorhang gescheurd en we gaan met volle vrijmoedigheid het heiligdom binnen.
2 Wat zijn aanneming betreft, heeft de Christen geen geweten van zonde meer. Maar de Israëliet kende deze waarheid niet. Daarom dient de wijze waarop hij – door de offeranden – tot God nadert, om ons in beeld te laten zien, hoe de zondaar de eerste keer tot God komt. Al te weinig wordt de waarde van Christus’ offer beseft. De mens moet komen als zondaar, hij moet om zijn zonden komen en deze belijden. Op een andere manier zou hij niet kunnen komen. Maar doet hij het en komt hij in de volle vrede in Gods tegenwoordigheid, dan gaat hij, hoe zwak hij ook is, de dingen zien zoals God ze ziet. Hij gaat dan dagelijks meer zien van de werkelijkheid en waarde van dit grote feit, dat alléén staat in de geschiedenis van de eeuwigheid, en waarop alle zegen tot in eeuwigheid onwankelbaar is gegrondvest. Iedere zijde en iedere kracht van kwaad en goed werd daar tot openbaring gebracht; de absolute vijandschap van ’s mensen hart tegen God, Die Zich in genade openbaarde; de volledige macht van Satan over de mens; de mens (Christus) volmaakt in gehoorzaamheid en liefde tot Zijn Vader, (deze deugden waren vereist juist op de plaats waar Hij zonde gemaakt werd); God volmaakt in gerechtigheid tegenover de zonde (dit betaamt Hem), en volmaakt in liefde tegenover de zondaar. Toen dit alles vervuld was, was de volmaakte grond in gerechtigheid gelegd, en in wat voleindigd en onveranderlijk was voor de tentoonspreiding van Gods liefde en Gods raadsbesluiten, in wat zedelijk niet veranderen kan.
3 Het getal zeven is het getal van de volmaaktheid, evenals het getal twaalf, zoals men dit in vele Schriftgedeelten kan zien. Het eerste is de volstrekte uitdrukking van een absolute volmaaktheid in het kwade, of in het goede. Het tweede, die van de volmaaktheid in het menselijk beheer of bestuur.
4 De deur van de tent der samenkomst was niet de voorhang van het heilige, maar de poort van de voorhof, waar men van buiten inkwam. Het brandofferaltaar bevond zich bij deze ingang van de tent der samenkomst.
5 Het is niet waarschijnlijk, dat het wassen van de priesters bij hun inwijding, in het wasvat gebeurde. Maar hoe het ook zij, het is altijd het Woord, dat door het water wordt afgebeeld.
6 In de eerste uitgave had ik hieraan toegevoegd “[de] vernieuwing van [de] Heilige Geest”, volgens Titus 3. Maar al vernieuwt de Heilige Geest ongetwijfeld het hart voortdurend, ik betwijfel nu of het goed is die Schriftplaats hiertoe te passen, omdat de “vernieuwing” daar meer absoluut schijnt, zoals het Griekse woord “anakainoseos” (vernieuwing) dat wil zeggen. Ik had die woorden eenvoudig kunnen weglaten, maar ik wens de aandacht van mijn lezer te vestigen op het feit, dat “wedergeboorte”, “regeneratie”, in de uitdrukking “wassing van de wedergeboorte” (Titus 3:5) niet hetzelfde grondwoord heeft als “wedergeboorte” (anagennésis) in 1 Petrus 1:3 en 23. In Titus is het “paliggenesia”. Dit woord komt verder alleen voor in Mattheüs 19:28 en wordt daar gebruikt om het Duizendjarig Rijk aan te duiden. De kracht van dit woord is de “wassing met water”, of “geboren zijn uit water”, niet het ontvangen van het leven door de Geest. Water stelt voor verandering in de toestand van iets dat al bestaat. Het is niet het ontvangen van het leven, het “geboren zijn uit de Geest”. Dat is de anakainosis.
7 Dat wil zeggen, dit was nog niet de dienst van de priester. In vers 5 zou men ook kunnen vertalen: “men zal slachten”. Het slachtoffer doden was het offer volledig maken, niet het bloed op een priesterlijke wijze aanbieden.
8 Veel en diep onderricht is hiermee verbonden, maar de ontwikkeling daarvan behoort bij het Nieuwe Testament. Zie Romeinen 12 en 6; en 1 Petrus.
9 Water, aldus als beeld gebruikt, stelt het Woord voor in de aanwezige kracht van de Heilige Geest.
10 U kunt een dode niet van zonde beschuldigen. Merk op, dat het hier niet gaat om “zonden”, maar om “zonde”.
11 En dit om een dubbele reden: ten eerste kwam Hij om in onze toestand te voorzien, en wij waren in de zonde, en de grondslag van alles moest de bloedstorting zijn uit kracht van wat God is. En ten tweede moest Zijn algehele gehoorzaamheid dit volmaakte karakter hebben: tot de dood. Daarom werd het ook niet gegeten. Nu de zonde er was, kwam het brandoffer geheel overeen met wat God is, was ook gehéél voor God. De zonde bevond zich voor God, maar Hij werd ten opzichte daarvan verheerlijkt.
12 Dus het brandoffer geeft wat de zondige toestand van de mens nodig heeft ten opzichte van Gods heerlijkheid. Het spijsoffer, de volmaakte, zondeloze mens in gehoorzaamheid door de kracht van de Geest van God; want Zijn leven was gehoorzaamheid in liefde.
13 Dit geldt ook voor de andere Evangeliën. Maar in Johannes komt het Goddelijke in de Mens Christus Jezus bijzonder naar voren. Daarom heeft zijn Evangelie zo’n aantrekkingskracht op het hart, omdat dit Evangelie het ongeloof aanvalt.
14 Het oordeel voor de grote witte troon is naar de werken, de zonden of zondige daden. Maar door de toestand van zonde zijn we geheel en al verwijderd van God en verloren.
15 We hebben nooit een enkele verontschuldiging voor welke zonde in daad of gedachte dan ook, omdat de genade van Christus voldoende voor ons is; en God is getrouw, Die niet zal toelaten, dat we boven vermogen verzocht worden. Weliswaar kunnen we op een gegeven moment soms zonder kracht zijn, maar dan hebben we een verzuim gepleegd.
16 Dit wordt ons onder verscheidene vormen voorgesteld, die alle de twee beginselen, waarvan ik sprak, bevestigen. Allereerst de grote, algemene waarheid: fijn meel, olie erop gegoten en wierook erop gelegd. Dan was er het gebak van de oven: koeken met olie gemengd en platte koeken met olie bestreken, beide vanzelfsprekend zonder zuurdeeg. Als het spijsoffer in de pan gekookt werd, moest het van ongezuurd meelbloem zijn, gemengd met olie. En als het een spijsoffer van de ketel was, van meelbloem met olie. Zó was er in alle vormen, waarin men Christus als mens kon beschouwen, de zonde afwezig. Zijn menselijke natuur was gevormd in de kracht en het karakter van de Heilige Geest, waarmee ze ook gezalfd was. Want mogen we Zijn menselijke natuur ook als zodanig op zichzelf beschouwen: olie is erover gegoten. Ik mag deze natuur zien als tot het uiterste op de proef gesteld; ik vind altijd reinheid en de genade en de uitdrukking van de Heilige Geest en dit tot in het meest innerlijke toe. Ik mag haar openbaring tegenover de mensen zien; het is in de kracht van de Heilige Geest.
17 Door deze doop, verbond Hij, Die geen zonde kende, Zich met Zijn volk (het toenmalige trouwe overblijfsel van Israël) in de eerste werking van de genade in hun harten. Hij toonde door dat gaan tot Johannes, dat Hij met hen wilde zijn op de weg van de genade, van het begin tot het einde, door beproevingen en smarten heen.
18 De eerste twee verzoekingen (Mattheüs 4) waren listen van de vijand. In de laatste treedt Satan openlijk als satan op.
19 Na dit gezegd te hebben, gaat Hij onmiddellijk weg met Zijn discipelen, en Zijn moeder (Johannes 2:12) en Zijn broeders. Hij kon Zich bevinden te midden van alles wat de natuurlijke mens beïnvloedt, maar toch ervan gescheiden, omdat Hij innerlijk volmaakt was. Al de evangeliën, bijzonder Johannes 19:26 laten zien, dat deze door God gevormde natuurlijke relaties ten volle erkend worden.
20 Dit werd treffend aangeduid door het zout. Iedere offerande moest gezouten worden met zout. Laat uw woord altijd zijn in genade, met zout besprengd. Dit is het wat een goddelijk stempel op alles zet en een getuigenis van God is in elke omstandigheid.
21 Toch is het volmaakte zondoffer de grondslag van alles. Zonder het zondoffer zouden we de gemeenschap niet kunnen genieten, en dit punt werd nauwlettend in acht genomen in het type van het vredesoffer; dit kon alleen aanvaard en gegeten worden in verbinding met wat aan God geofferd werd (Leviticus 7:11 en volgende). Maar het is alleen gemeenschap in de vreugde van het “gemeenschappelijk heil”. Niet speciaal het priesterlijk genot in wat Christus was.
22 Uitzonderingen op deze regel zijn de zondoffers op de grote verzoendag (Leviticus 16) en de rode vaars (Numeri 19). Deze uitzonderingen bevestigen het grote beginsel, of dienen ertoe, enkele onderdelen duidelijk te maken en te versterken. Het sprenkelen van het bloed was altijd het werk van de priester.
23 Het leven behoort aan God. Hij alleen kon het geven. Al werd daarom in Noach’s tijd toegestaan dieren te eten, het bloed was uitgezonderd. Er was vóór de val natuurlijk geen eten dat verbonden was met de dood (zo er niet een waarschuwing was, die het verbood). Evenmin was het toegestaan vóór Noach’s tijd. Vandaar kon er (omdat het leven aan God toebehoorde en de dood door de zonde was ingetreden) niets gegeten worden en als voeding gebruikt, waar de dood in betrokken was, tenzij het leven (het bloed) was geofferd aan God. Als dit gedaan was, kon dé mens zijn levensonderhoud erdoor ontvangen. Het was inderdaad behoudenis door het geloof.
24 Offeren heeft een tweeledig karakter en wordt in het Grieks onderscheiden door: prosphero en anaphero, in het Hebreeuws door: hikrib en hiktir. Christus heeft Zichzelf door de eeuwige Geest Gode onberispelijk opgeofferd. Maar toen Hij dit deed, legde God de ongerechtigheid op Hem, maakte Hem tot zonde voor ons en werd Hij op het kruis geofferd als een werkelijk offer.
25 Deze uitdrukking voert tot op zekere hoogte het spijsoffer in.
26 Het kan goed zijn op te merken, dat het vrede-offer gemeenschap in de aanbidding veronderstelt, hoewel veel beginselen persoonlijk toegepast kunnen worden.
27 Niet het wegdoen van de zonden, want zonder dat zouden we in ’t geheel niet kunnen naderen. Maar Zijn innerlijke uitnemendheid als een brandoffer, alles verbrand voor God als een liefelijke reuk. We kunnen hieraan nog toevoegen de aangenaamheid van Jezus bij de Vader, en dat in betrekking zelfs tot het afleggen van Zijn leven, maar dat is hier niet ons onderwerp (zie Johannes 10:17). Maar merk op, dat het daar niet gedaan wordt als voor zondaars, maar voor God.
28 Laten we er alleen steeds aan denken, dat in Christus het offer eens voor altijd gebracht is. We hebben hier alleen een schaduw van de toekomende dingen en in sommige punten, zoals hier, een tegenstelling; een tegenstelling, die in hoofdstuk 10 van de brief aan de Hebreeën volledig is ontwikkeld. Het gaat evenwel in deze brief niet om het herstel na gefaald te hebben, maar om volmaaktheid voor altijd, een gereinigd geweten, dat in de plaats komt van de herhaling van het offer. Het herstel van gemeenschap na het falen, vindt men in 1 Johannes 2:1-2 beschreven, dat gebaseerd is op de Rechtvaardige, Die voor ons bij God aanwezig is, en ook op het feit, dat de verzoening geschied is.
29 Het is goed hier nog op enige punten, die we in het Nieuwe Testament vinden, te wijzen. De brief aan de Hebreeën laat ons de gelovige zien hier beneden in zwakheid en beproevingen wandelende, maar toch door het werk van Christus voor altijd volmaakt geworden. Hij heeft geen bewustzijn (geweten) van zonden meer, en het priesterschap wordt niet uitgeoefend, om de gemeenschap te herstellen, maar om barmhartigheid en genade te vinden tot tijdige hulp. De eerste brief van Johannes spreekt van gemeenschap met de Vader en de Zoon. Elke zonde onderbreekt deze gemeenschap. En Christus is onze Voorspraak bij de Vader om haar weer te herstellen. De brief aan de Hebreeën behandelt, hoe we tot God naderen tot binnen de voorhang, waar we met vrijmoedigheid binnengaan, met een volmaakt geweten. Hij spreekt dan ook niet van falen, noch van wederoprichting, en ook niet over de Vader. In de brief van Johannes is sprake van gemeenschap en daarom van de praktische toestand van de ziel. En het is zó waar, dat het in de brief aan de Hebreeën om ons standpunt gaat (dus niet over onze praktische toestand), dat, wanneer iemand valt, herstel onmogelijk is. In de tabernakel was geen ingaan tot binnen de voorhang. Dat een mens een dergelijke positie kon innemen, was toen nog niet geopenbaard. Priesterschap en gemeenschap waren met elkaar vermengd, voor zover men er toen van kon genieten. De Vader werd niet gekend.
30 Er wordt niet beslist gezegd, dat de bok voor het volk (9:3) buiten de legerplaats werd verbrand. In Leviticus 10:16 wordt gezegd, dat hij verbrand werd en dat zijn bloed niet voor de zonde in het heiligdom werd gebracht, zodat ze hem hadden moeten eten. Als hij dus buiten de legerplaats verbrand is, was het een fout. Van het kalf voor Aäron wordt het wel gezegd (9:11), hoewel het bloed hiervan niet binnen de voorhang werd gedragen (verzen 16-18). Van de bok (vers 15) wordt eenvoudig gezegd: “Hij bereidde hem ten zondoffer, gelijk het eerste” (zoals het vorige zondoffer, namelijk van Aäron, vers 8). Het offer van Aäron schijnt aan te tonen, dat het karakter van het priesterschap van Christus Israël niet in gemeenschap brengt met wat zich binnen de voorhang bevindt, ook al heeft Christus op het kruis voor hen geleden. Het bloed werd op het altaar in de voorhof gedaan. De zonen van Aäron moesten dat zondoffer eten voor het volk, als met het oog op een bijzondere misstap van het volk, dat al in betrekking stond met God. Dit zijn de offeranden na de wijding van Aäron, niet de offeranden van zijn wijding als hogepriester. Daarbij was natuurlijk geen sprake van een offer voor het volk. Nu was hij gewijd; zijn “handen waren gevuld”. De lezer zal opmerken, dat, wat het overblijfsel van Israël betreft (de honderd vierenveertigduizend, die op de berg Sion zijn met het Lam, de Man van Smarten in Israël, maar Die thans Koning is), dat dit overblijfsel op de aarde is, maar dat zij het lied leren, dat gezongen wordt hoewel ze zelf niet in de hemel zijn om daar te zingen.
31 De zwakheid van de gevallen natuur was hiermee verbonden (vergelijk Genesis 1:28). Alles wat behoorde tot de zwakheid van de natuur, welke het gevolg is van de zonde, maakte onder de wet onrein. Dit is in geestelijk opzicht ook waar. Dit alles was het resultaat van de een of andere openbaring van het leven, dat in het vlees is. Hetzelfde kan gezegd worden van de melaatsheid. Levend vlees maakt onrein, evenals elk ander symptoom, waardoor dit leven, dat door de zonde onrein is geworden en terzijde en onder het oordeel gesteld, zich naar buiten openbaart. Zelfs als zwakheid de enige oorzaak van haar openbaring was.
32 Het verschil is belangrijk. Het eerste is het werk in ons, dat maakt dat de zonde een geoordeeld iets in ons is; de zonde door óns geoordeeld. Het tweede: het werk van Christus, dat veronderstelt, dat het eerstgenoemde geschied is en dat ons nu plaatst in een toestand van gemeenschap met God.
33 Het was de hogepriester die dit deed, maar het was niet een zuiver priesterlijke handeling. Dat wil zeggen, het was niet een handeling die ging tussen individuele personen, of ook tussen het volk en God. Maar de hogepriester vertegenwoordigde het volk als zodanig in zijn eigen persoon: zoals Christus deed met Zijn volk op het kruis.
34 Als het erom ging hen te wijden, die wat hun persoon betreft, erkend waren (de priesters) dan werden ze eerst gewassen (Leviticus 8). Dan was het offer van Christus – in al zijn veelzijdigheid gezien – in ieder opzicht de maatstaf van hun verhouding tot God, en de grondslag van hun gemeenschap door haar innerlijke werking op de ziel. Maar hier (Leviticus 14) wordt de zondaar in zijn zonde buiten het leger gezien. Dus moest begonnen worden de grondslag te leggen voor de mogelijkheid van relaties van een zondaar met God. Welnu, dit is gedaan in de dood en opstanding van Jezus, die in dit voorbeeld door de twee vogels worden voorgesteld. Als de zondaar dan eenmaal gewassen was (dit is het krachtdadige werk van de Geest, door het Woord), kon hij in gemeenschap met God zijn.
35 Let wel, hoe buitengewoon duidelijk hier de grondslag van de ingang in de nieuwe christelijke positie in al haar volkomenheid getoond wordt. Met de schuld is ten volle afgerekend, de zonde weggedaan, de reiniging door het bloed ten opzichte van alle bedreven misdaden is volmaakt, en de Heilige Geest is gegeven, bekwaam makend voor alles wat nog volgen moet. De man stond, om het type toe te passen, persoonlijk op christelijke bodem. Het zondoffer en het brandoffer gaan verder. Daarom wordt hier alleen het schuldoffer gebruikt om de melaatse in de zegen in te leiden en hem te kunnen zalven.
36 De handeling van het zalven van de te reinigen persoon, volgt na het schuldoffer. Maar deze omstandigheid is van belang om te laten zien, dat het Christus is in wat Hij innerlijk was. Het stelt niet voor de tentoonspreiding van macht, zoals Hij eenmaal zei: ‘Als Ik echter door [de] Geest van God de demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God tot u gekomen’. Nee, het stelt voor wat Hij in heel Zijn gezegend leven volmaakt was in liefde en voor God. En dit is het waarvan wij, de gereinigden, genieten. Merk op, dat wat in vers 18 gezegd wordt, niet betekent, naar ik meen, dat de olie op zichzelf verzoening aanbracht, maar het schuldoffer; want het is het bloed dat verzoening doet voor de ziel. Maar het is niet minder waar, dat de man pas was waar hij moest zijn, nadat hij gezalfd was met olie. Zo is ook een mens niet in hart en geweten voor God op de rechte plaats, dan nadat hij de Heilige Geest heeft ontvangen, hoewel de grondslag en maatstaf van alles het bloed is, waarmee hij werd besprenkeld. Zo is het ook in vers 29. Zie ook wat volgt.
37 Dit is een belangrijk verschil. Het toont ons hoe de werkzaamheid van de zonde tot staan gebracht kan zijn en hoe het met de wensen en de wil, en – tot op zekere hoogte – met de neigingen, alles in orde kan zijn, zonder dat dit van het geweten gezegd kan worden. Als gevolg daarvan is de gemeenschap nog niet hersteld, en ook nog niet het gezegende vertrouwen en de toegenegenheden die erop gegrond zijn.
38 Zie Johannes 13:31,32 en Johannes 17:1,4. Hierdoor wordt de mens niet alleen gerechtvaardigd, maar het geeft hem recht op de heerlijkheid.
39 De legerplaats is een aardse godsdienstige verbinding met God buiten het heiligdom; op aarde gevestigd met priesters tussen de mens en God. Zo was het bij de Joden; zij wierpen Christus eruit, en nu is die legerplaats door Hem volkomen verworpen.
40 Het verschil tussen de brief aan de Hebreeën en 1 Johannes 2 is dit: in de brief van Johannes is sprake van gemeenschap en Christus is onze Voorspraak bij de Vader. De zonde onderbreekt deze gemeenschap, maar de bemiddeling van Christus als Voorspraak is gebaseerd op gerechtigheid en verzoening (propitiation). In de brief aan de Hebreeën gaat het om de toegang tot God, en hiertoe zijn we tot in alle eeuwigheid volmaakt geworden en hebben vrijmoedigheid in het heiligdom in te gaan. Er is hier dus geen sprake van zonde, maar van barmhartigheid, en van genade om hulp te ontvangen te rechter tijd.
41 Ik spreek hier niet van verantwoordelijkheid of genade.
42 Om deze uitdrukking beter te doen begrijpen, wil ik er nog aan toevoegen, dat het Hebreeuwse woord dat door feest vertaald is, een vastgesteld of bepaald tijdstip betekent, dat steeds weer terugkeerde bij de kringloop van het jaar. De reeks feesten omvatte het gehele jaar, voor zover ze elk opeenvolgend jaar regelmatig terugkeerden. Dit toont ook het verschil met de Sabbat, de rust van God, bij de schepping. Alleen hier wordt dit aangegeven. En ik kan eraan toevoegen dat ook het feest van de nieuwe maan apart staat, een feest dat, ik twijfel er niet aan, een beeld is van Israëls herstel. De grote nieuwe maan was in de zevende maand.
43 De hoofdgedachte van deze feesten is, dat God het volk rondom Zichzelf verzamelde als een heilige samenkomst, terwijl de onderdelen de manier voorstellen, waarop Hij dit doet. Vandaar dat in dit hoofdstuk onderscheid wordt gemaakt. Het is duidelijk, dat de Sabbat – die de rust van God voorstelt – de grote samenvergadering van het volk van God zal zijn rondom Hem als het middelpunt van vrede en van zegening. Het is dus werkelijk een hoog feest, een heilige samenroeping. Maar het is ook zo, dat dit feest zeer duidelijk apart staat en onderscheiden wordt van de middelen en handelingen die het volk moesten verzamelen. Daarom vinden we de Sabbat in verzen 2-3 opgenomen onder de hoogtijden. Maar in vers 4 begint de Geest van God opnieuw en laat ons de hoogtijden zien als samenvattend al de wegen van God tot het vergaderen van Zijn volk, en laat daarbij de Sabbat weg. Bij het opsommen van de feesten kan men het Pascha en het feest van de ongezuurde broden als één feest beschouwen, want ze werden op dezelfde tijd gevierd en samen behandeld. Maar men kan ze ook als twee afzonderlijke feesten zien, als men de Sabbat apart neemt. Beide manieren vindt men in het Woord.
44 Het is goed in het voorbijgaan op te merken, dat dit opschrift in de gehele Pentateuch de juiste indeling van de onderwerpen aangeeft. Soms zijn de aanwijzingen tot Aäron gericht, wat innerlijke relaties doet onderstellen, die gebaseerd zijn op het priesterschap. Dan weer zijn ze aan Mozes en aan Aäron gezamenlijk gericht. In dit geval zijn het niet zuiver mededelingen en bevelen om relaties te vestigen, maar ook om de uitoefening van al ingestelde functies te regelen. Zo hebben we — meen ik — in hoofdstuk 10 voor het eerst de uitdrukking: “De HEERE sprak tot Aäron”, en in hoofdstuk 11: “De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron”, omdat al bevat dit laatste hoofdstuk inzettingen en voorschriften, die voor het eerst gegeven zijn, het ook een zaak is van onderscheidingsvermogen in de uitoefening van het priesterschap, met het oog op de relaties, die al tussen God en het volk bestonden. Deze algemene beginselen zullen helpen het vervolg te begrijpen van de mededelingen, die God aan Zijn volk gaf (zie hoofdstuk 13). Hoofdstuk 14 tot vers 32, geeft eenvoudig aan, wat de priester doen moest. In vers 33 vinden we weer de dienst van het priesterlijk onderscheidingsvermogen.
45 Noot van de Uitgever: Aldus vertaling J. N. Darby, de Engelse Authorised Version, Elberfelder Bibel enzovoort. Ook Obbink vertaalt in deze geest.
46 Het laatste woord van dit vers, rustdagen, ook vertaald als ondergang of ruïne, bedoeld als “ophouden te werken”, is in het Hebreeuws: Sabbatten. Zie Leviticus 26:43.
47 Wat dit onderwerp betreft, kunnen we hier drie punten opmerken. Ten eerste in Kolosse 3: God rekent ons als gestorven met Christus (in Kolosse ook opgewekt). Ten tweede in Romeinen 6: we houden onszelf dood voor de zonde, en levend, niet in Adam, maar door Christus. Ten derde in 2 Korinthe 4: het wordt praktisch verwerkelijkt; altijd in het lichaam omdragende het sterven van de Heer Jezus, opdat het leven van Jezus openbaar worde in ons vlees. Efeze staat op andere bodem. Daar zijn we niet zulke mensen, die voor de zonde gestorven zijn, maar we waren dood in zonden en misdaden, en toen een hele nieuwe schepping geworden. Soevereine genade heeft ons in Christus gezet, door dezelfde kracht die Christus uit de doden opwekte en in de troon van God zette.
48 Ik beschouw dit als het verbond van Exodus 6, dus niet als het verbond van de wet. Het wordt direct in verbinding gebracht met het verbond gemaakt met Abraham, Izaäk en Jakob, maar waaraan de naam Jahweh wordt toegevoegd, terwijl God het volk aannam onder die naam.