64. Filémon

64. Filémon · uit de ‘Synopsis’ deel 8 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

De zeer mooie en belangwekkende brief aan Filémon vereist niet veel bespreking. Deze brief geeft uitdrukking aan de liefde, die door de Geest in de gemeente van God werkzaam is, in al de omstandigheden van het persoonlijk leven.

Het doel van de brief was, om bij Filémon gevoelens wakker te maken, die door bepaalde gebeurtenissen wel eens zouden kunnen worden uitgeblust in zijn hart. Daardoor is deze brief veeleer geschikt om die gevoelens bij de lezer wakker te roepen, dan dat hij om verklaring vraagt. We krijgen hier een mooie schildering van de manier waarop de teerheid en de kracht van Gods liefde, die in het hart werkt, zich bezighoudt met alle bijzonderheden, die deze liefde pijn zouden kunnen doen, of die juist aanleiding zouden kunnen zijn tot groei en openbaring van die liefde. In dit opzicht is de brief even belangrijk als mooi. Want de ontwikkeling van zulke tere en fijngevoelige overwegingen, te midden van al het reusachtige werk van de apostel, en van al die uitgestrekte waarheden die de grondslag vormden van de verhoudingen tussen alle schepselen en God in Christus, kenmerkt op heel bijzondere wijze het Christendom en laat de Goddelijke aard ervan zien. Immers, Hij die de diepzinnigste waarheden openbaart, en ze elk hun eigen plaats toekent in de kring van Gods gedachten, doet dit als Iemand, die spreekt over bekende dingen, die Zijn eigen gedachten meedeelt. Omdat Hij de Geest van de God van liefde is, kan Hij ook het hart vervullen met overwegingen die alleen de liefde in kan geven. En Hij doet dit met een waardigheid die duidelijk maakt wat de bron is van zulke overwegingen. En de fijngevoeligheid waarmee dit wordt toegepast bewijst, dat Hij volkomen vrij is om overal op te letten, welke hoge vlucht Zijn gedachten ook nemen.

Wanneer de menselijke geest zich bezighoudt met verheven onderwerpen, voelt hij het gewicht en gaat gebukt onder de zware last; de geest wordt geheel in beslag genomen. De mens moet zich van andere dingen en gedachten losmaken, om de aandacht op één punt te kunnen richten. God openbaart Zijn eigen gedachten; en hoe uitgestrekt deze voor de menselijke geest ook mogen zijn, er is een heldere stroom van gedachten en een onderling verband dat voor Gods gedachten vanzelfsprekend is, als Hij ze meedeelt aan de werktuigen, die Hij heeft uitgekozen. Zijn instrumenten zijn vrij om lief te hebben; want de God die hen gebruikt en inspireert is liefde. Het is nog meer een wezenlijk onderdeel van hun taak om Hem zo voor te stellen dan om zelfs over de diepe dingen te spreken. Wanneer die Goddelijke liefde hen dan beweegt komt aan het licht wat Hem kenmerkt die hen zendt, zij tonen een volmaakte teergevoeligheid voor anderen en de tederste aandacht voor de dingen die hun hart bezighouden. De God die de bron van liefde is bewijst zo dat Hij hun Zender is.

Bovendien ontwikkelt deze liefde zich in de verhoudingen die de Heilige Geest Zelf gevormd heeft, tussen de leden van het lichaam van Christus, dat wil zeggen, tussen mensen. De christelijke genegenheden ontspringen uit een Goddelijke bron, ze worden altijd gevoed uit dezelfde bron, en worden zichtbaar en voelbaar in zorg voor een medemens. Liefde wordt openbaar en het tegengestelde van zelfzucht, en deze drukken op de christelijke genegenheden het stempel van hun afkomst. Onbaatzuchtige liefde kan denken en denkt ook aan alles wat voor anderen van belang is en begrijpt wat hun hart bezighoudt.

Onésimus, een weggelopen slaaf, was tot bekering gekomen door middel van Paulus in zijn gevangenschap. Filémon, een rijk man, of tenminste iemand in goede doen, ontving de gemeente in zijn huis (zijn vrouw was ook bekeerd) en was naar de hem gegeven maat werkzaam in het werk van de Heer. Archippus was een dienstknecht van de Heer, die in de gemeente diende, misschien een evangelist; in elk geval nam hij deel aan de strijd van hét evangelie, en was zodoende verbonden met Filémon en de gemeente. Wanneer de apostel Onésimus terugstuurt, richt hij zich tot de hele gemeente. Dit is de reden dat we hier “genade en vrede” hebben, zonder de toevoeging “barmhartigheid” zoals het geval is wanneer de apostelen zich alleen tot afzonderlijke personen richten. Hij doet een beroep op Filémon ten behoeve van Onésimus, maar de hele gemeente moet belangstelling tonen voor deze geliefde slaaf, die een kind van God was geworden. Hun christenharten zouden een steun en waarborg vormen voor het gedrag van Filémon; al verwacht de apostel van Filémon zelf, als dienstknecht van God, vergeving en vriendelijkheid voor Onésimus.

Zoals zijn gewoonte was erkent Paulus al het goede dat in Filémon was, en hij gebruikt dit als een beweegreden voor Filémon zelf opdat deze de gevoelens van genade de vrije loop zou geven, want de terugkeer van Onésimus kon op de een of andere manier het vlees van Filémon prikkelen, en de satan zou kunnen proberen zijn ongenoegen opnieuw aan te wakkeren. De apostel verlangde iets voor Onésimus, maar hij wilde dat dit van Filémon zelf uit zou gaan. In dat geval zou de vrijlating van zijn vroegere slaaf, of zelfs het feit dat hij hem vriendelijk ontving als een broeder, een heel andere betekenis hebben, dan wanneer hij die dingen deed omdat de apostel het hem bevolen had; want het was een kwestie van christelijke toegenegenheid en van de banden die de liefde legt. Paulus neemt ten volle in aanmerking, dat hij het recht had om te bevelen, maar hij doet dit alleen om dit recht prijs te geven, en zijn verzoek meer kracht bij te zetten. Tegelijkertijd spreekt hij ook over Filémons gemeenschap in het geloof met de hele gemeente van God, en met de apostel – dat wil zeggen, de manier waarop zijn geloof hem, in al het werk van de christelijke liefde, verbond met de gemeente van God en met degenen die God daarin als arbeiders had aangesteld en met de Heer Zelf. Deze gemeenschap in het geloof had zich in Filémon al geopenbaard op een voor hem eervolle wijze. En nu wijst de apostel erop dat deze gemeenschap zich vrij en krachtig zal ontwikkelen als hij al de rechten erkent die de apostel heeft op zijn hart.

Het is zo mooi om te zien, hoe de liefde die Paulus heeft voor Onésimus, die blijkt uit de bezorgdheid en het verlangen, waarmee hij iedere beweegreden aanvoert, die invloed kon uitoefenen op het hart van Filémon, samengaat met het christelijke gevoelen waardoor Paulus volkomen vertrouwde op de vriendelijkheid en liefde van deze trouwe en uitnemende broeder. Het was toch wel waarschijnlijk dat de terugkeer van zijn weggelopen slaaf het natuurlijke hart van Filémon kon aanzetten. De apostel komt met zijn brief tussenbeide ten behoeve van zijn lief kind in het geloof, dat geboren was in de tijd van zijn gevangenschap. God was tussenbeide gekomen met het werk van Zijn genade en had een geheel nieuwe verhouding tot Onésimus te voorschijn gebracht, en dit moest invloed uitoefenen op het hart van Filémon. De apostel smeekt hem, zijn vroegere slaaf te ontvangen als broeder, maar het is duidelijk (vers 21), dat de apostel verwachtte dat Onésimus vrijgelaten zou worden, al wilde hij dat die vrijlating een spontane daad zou zijn van de verongelijkte meester. Hoe dat ook zij, hij neemt alles op zich voor zijn geliefde zoon. Door genade was Onésimus nu nuttiger voor Filémon, en ook voor Paulus, dan vroeger toen het vlees hem tot een ontrouwe en waardeloze knecht had gemaakt. Hierin moest hij zich verblijden (vers 11). Paulus zinspeelt op de naam “Onésimus”, die “nuttig” betekent. Ten slotte herinnert hij Filémon eraan dat hij aan Paulus zijn eigen behoudenis dankte, en dus zijn leven als christen.

Op dit ogenblik was Paulus te Rome als gevangene. God had Onésimus daarheen gebracht (waar ze allen heen vluchtten) om hem tot het heil te leiden en tot de kennis van de Heer. Wij zouden daardoor onderwezen worden en Onésimus zou een nieuwe plaats krijgen in de christengemeente 1.

Het was blijkbaar tegen het eind van de gevangenschap van de apostel. Hij hoopt tenminste dat hij spoedig zal worden vrijgelaten en hij zegt Filémon hem ook huisvesting te bereiden.

Bijna al de namen uit vers 24 vinden we in de brief aan Kolosse. Daar zegt de apostel: “Onésimus … die [een] van u is”, dus als dit dezelfde is, kwam hij uit Kolosse. Dit lijkt waarschijnlijk, omdat we daar ook Archippus hebben die wordt aangespoord de bediening die hij in de Heer ontvangen had ook te vervullen. Als het zo is, is het feit dat de apostel zo over Onésimus spreekt nog een bewijs van zijn liefhebbende zorg voor deze pasbekeerde. Hij legt hem zodoende aan het hart van de hele gemeente en zendt zijn brief door middel van hem en Tychicus. In de brief aan Efeze vinden we geen groeten; maar dezelfde Tychicus was de drager van die brief. In de adressering van de brief aan Kolosse wordt Timotheüs samengevoegd met Paulus; zo ook in deze brief aan Filémon. Dit was niet het geval in de brief aan Efeze; maar in de brief aan de Filippiërs, tot wie hij Timotheüs spoedig hoopte te zenden, vinden we hun beide namen weer verenigd. Ik maak geen gevolgtrekkingen uit deze laatste bijzonderheden; maar ze geven stof voor nader onderzoek. Elk van deze vier Brieven werd geschreven gedurende de gevangenschap van de apostel te Rome, en toen hij verwachtte uit die gevangenschap ontslagen te zullen worden.

Ten slotte, wat wij vooral moeten opmerken in de brief aan Filémon is de liefde die heerst en vrucht draagt in het intieme middelpunt van deze kring, die aan alle zijden beschermd was door een ongeëvenaarde ontwikkeling van de christelijke leer. De liefde die de leden van Christus samenbond verspreidde de reuk van de genade in al de verhoudingen waarin de mensen tot elkaar stonden. De liefde die zich bezighoudt met alle bijzonderheden van het leven op een volkomen gepaste manier, die ieder recht erkent dat bestaan kan onder de mensen, en ook alles wat een mensenhart kan voelen.

EINDE FILEMON

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 8.4

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


1 Uit de manier waarop de apostel spreekt, meen ik te mogen afleiden dat hij zelfs meende dat Onésimus een werktuig van God zou zijn in de gemeente, nuttig in de dienst van de Heer. Hij had hem bij zich willen houden opdat Onésimus hemzelf zou dienen in de banden van het evangelie. Maar hij eerbiedigt de betrekking van Onésimus tot Filémon. Het was ook veel beter voor de ziel van Onésimus dat hij zich onderwierp waar hij verkeerde dingen had gedaan; en als hij dan vrij zou worden dat hij die vrijlating te danken zou hebben aan de liefde van Filémon.