16. Ezra

16. Ezra · uit de ‘Synopsis’ deel 2 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

De gebeurtenissen, die we aan het slot van de boeken KONINGEN en KRONIEKEN aandachtig hebben bekeken, waren van een bijzonder grote betekenis. De troon van God was niet meer in Jeruzalem. God had gedreigd, de stad, die door Hem was verkoren, te verwerpen en deze bedreiging was vervuld. De troon van de aarde had Hij overgedragen aan de volkeren (Daniël 2:37). Niet alleen was Israël onder het oude verbond tekort geschoten en had God verworpen (1 Samuel 8:7), zodat God niet meer hun Koning was, maar zelfs, nadat de genade het huis van David had verhoogd, om de relaties van het volk met God te versterken, was onder de regering van dit huis alles door de zonde volkomen bedorven. Er was geen genezing meer mogelijk en “Lo-Ammi” (niet mijn volk) was op het voorhoofd van een volk geschreven, dat God had verlaten.

De raadsbesluiten van God kunnen niet falen, maar de toestand van de relaties waarin het volk met God stond, was zeer treurig. Ten minste als men – na zo’n oordeel – nog kan spreken van het handhaven van die relaties. Voor zover het van Israël afhing, of van de mens, was alles verloren. De gevolgen van dit alles waren – wat de wegen van God betreft – van het grootste belang. Ze hielden niets minder in, dan dat Zijn troon van de aarde werd weggenomen, Zijn volk tijdelijk terzijde gesteld wat Zijn aardse regering betreft, en de macht overgedragen aan de volkeren. Op de proef gesteld door de wet, had de mens gefaald en was hij geoordeeld. Hij had nog steun ontvangen in de weg van de genade, door middelen die God in het huis van David had gegeven, om hem zó in staat te stellen van de hem gegeven zegeningen te blijven genieten. Maar de mens faalde weer en daardoor was het koningschap overgegaan in de handen van de volkeren en het volk was in overeenstemming met het oude verbond onder het oordeel.

Maar nu brengt God een klein overblijfsel terug, opdat de ware Koning aan hen kon worden voorgesteld en de tempel op zijn plaats herbouwd; dit in overeenstemming met de beloften, gegeven door de mond van Jeremia en op het gebed van Zijn dienstknecht Daniël.

Deze laatste – die nog steeds in Babylon was – had een dieper gevoel van de werkelijke toestand van het volk, dan zij die meewerkten aan de wederopbouw van de tempel. Hij ontving dan ook ten aanzien van de toekomstige bestemming van Israël en de plannen van God, die daarmee in verband stonden, mededelingen van veel grotere draagwijdte. Maar toch is een juiste waardering van deze terugkeer uit de gevangenschap niet zonder belang. Want het is duidelijk, dat het verstaan van de handelingen van God ten aanzien van Israëls herstel en de komst van de Messias Zelf in het midden van hen op de aarde, met die gebeurtenis verbonden zijn. Het was de wil van God dat er enig uitstel zou zijn. Maar de loop van Zijn raadsbesluiten ten aanzien van de tijden van de volkeren en de positie van Zijn volk, was niet veranderd. De kinderen Israëls bleven aan de volkeren onderworpen 1.

Hoofdstuk 1-2

Het is Cyrus, de koning van Perzië, die het volk beveelt naar Jeruzalem terug te keren en de tempel te herbouwen. Hijzelf – in sommige opzichten het beeld van een veel glorierijker Bevrijder – erkent Jahweh, de God van Israël, als de ware God. Hij is de man, die verwekt is uit het Oosten, en die “de vorsten als slijk zal vertreden.” Door Jahweh bij name tot dit doel geroepen, begunstigt hij Israël en eert de Heer. Hoewel zijn gedrag en houding zeker onder de leiding van God stond en hij door de gunst van de Almachtige onderscheiden en gezegend werd, belette zijn persoonlijk karakter niet, dat het de tijd van de volkeren was, hoewel God in het hart van één uit deze volkeren gewerkt had ten gunste van Zijn volk. Het Woord van God, door Jeremia uitgesproken, werd vervuld. Babylon is geoordeeld, een kenmerkende gebeurtenis van het grootste belang. Maar wat nog bestaat is in werkelijkheid een voortzetting van zijn macht. De zetel van het koninklijk gezag – door God aan de mens gegeven – is een stad, die niet de stad van God is. Ze is niet het aardse Jeruzalem, noch het hemelse. Het huis van David bezit niet meer de scepter, die hem was toevertrouwd.

Het is waar, de staf van de stam van Juda wordt bewaard, opdat “een scheut uit de wortel van Isaï” aan die stam zou worden aangeboden. Maar de macht van de volkeren bleef bestaan. Zelfs in de tijd, toen de Messias op aarde was, en toen de Joden op het hart gedrukt moest worden de Keizer te geven wat van de Keizer was. Als Jezus, de ware Messias, aan de Israëlieten wordt voorgesteld, is dit alleen maar de gelegenheid, door hun geroep: “Wij hebben geen koning dan de keizer” goed te laten uitkomen, dat de tijden van de heidenen nog voortduren.
Toch geeft God aan het volk, dat schuldig is onder de wet, gelegenheid het geloof in beoefening te brengen. Laten we de grondbeginselen nagaan, waardoor de kracht van de Heilige Geest in het volk wordt gekenmerkt, tijdens de terugkeer uit de gevangenschap.
Het eerste wat we moeten opmerken is, dat de kinderen van de gevangenschap besluiten, dat Israël waarlijk een onvermengd Israël zal zijn, en dat dit moet worden getoetst. Tot dit besluit kwamen zij, nadat ze hadden gevoeld wat het betekent met de volkeren te doen te hebben en nadat ze de macht en boosheid hadden ervaren van hen, bij wie ze voorheen hulp hadden gezocht (in dit opzicht had de onreine geest hen verlaten).

Ze besteedden grote zorg aan het onderzoek van de geslachtsregisters van het volk en van de priesters, opdat niemand behalve Israël bij het werk betrokken zou worden. Voorheen volgde de ene priester de andere op, zonder voorafgaand onderzoek. Het geslachtsregister werd niet nagegaan en de kinderen namen – in het genot van de voorrechten, door God aan hun vader geschonken – de plaats van deze laatste in. Nu gaat het er voor Israël om, door de grote genade van God, zijn positie te herwinnen. Dit was noch het begin van Israëls geschiedenis, noch de macht, die passend was voor het begin. Het was een terugkeer, en voortaan mocht de door de zonde veroorzaakte wanorde niet worden geduld. De kinderen Israëls ontkwamen – ten minste gedeeltelijk – aan de gevolgen van de zonde. Niemand anders dan Israël had daar te maken. De meest belangrijke zaak was nu, hen die deel uitmaakten van de familie van God aan te wijzen. Bevrijding van Babylon, was hun bevrijding. Het was deze familie, of een klein overblijfsel daaruit, dat God uit Babylonië had uitgeleid, of uitleidde. Op deze wijze werd ieder – zelfs uit het midden van hen, die in Judea waren teruggekomen – die zijn afkomst niet kon bewijzen, ter zijde gesteld. En elke priester, die zich in dezelfde omstandigheid bevond, werd als onreine van het priesterschap geweerd, hoe werkelijk ook zijn recht schijnbaar mocht zijn. Misschien zouden zij en hun rechten later door het Goddelijk onderscheidingsvermogen erkend worden. Maar het volk, dat uit de gevangenschap was teruggekeerd, kon dit niet doen. Het was een geteld en erkend volk. Ieder woonde in zijn eigen stad. Het was zwakheid, want ze hadden geen priester met Urim en Tummim (hoofdstuk 2:63). Maar het was toch getrouwheid.

Hoofdstuk 3

In de zevende maand 2 verzamelden zich de kinderen Israëls in Jeruzalem. Ieder kwam op van de plaats, waar hij woonde. Het eerste wat ze daar doen, is, onder de leiding van Jesua en Zerubbabel, het altaar bouwen. Ze plaatsen zich onder de vleugels van de God van Israël, Die de enige Hulp en Beschermer van Zijn volk is, want ze waren bevreesd voor de volken van het land. Hun toevlucht is God. – Prachtig getuigenis van het geloof! – Kostbaar gevolg van de beproeving en vernedering, waarin ze zich bevonden! Omringd door vijanden wordt Jeruzalem – dat zonder muren is – beschermd door het altaar van zijn God, dat door het geloof van het volk van God is opgericht. En de stad is veiliger en bevindt zich in een grotere zekerheid, dan toen haar koningen en haar muren er nog waren. Het geloof, dat nauwkeurig is in het volgen van het Woord, vertrouwt zich toe aan de goedheid van zijn God. En door deze nauwkeurigheid in het opvolgen van het Woord, werden de Joden van die tijd in verschillende opzichten gekenmerkt. We hebben het gezien in hoofdstuk 2:59-63, waar enkelen hun afkomst niet konden bewijzen. We vinden het hier weer terug in hoofdstuk 3:2 en ook in vers 4, bij gelegenheid van het Loofhuttenfeest. Gewoonten en overleveringen waren alle verloren. Ze waakten er zorgvuldig voor de gebruiken van Babylonië niet na te volgen. Wat bleef hun over dan het Woord? En zo’n toestand gaf aan het Woord alle kracht.
Dit alles vond plaats, voordat het huis gebouwd was. Het was geloof, dat de wil van God zocht te doen, hoewel het nog lang niet alle dingen had geordend. We vinden hier dus niet de aanmatiging, zonder God de dingen te doen, die een onderscheidingsvermogen vroegen dat men niet bezat. Maar met een treffend geloof beoefenen deze Joden vroomheid ten aanzien van God. Ze aanbidden Hem en plaatsen Hem, om zo te zeggen, in hun midden, door aan Hem te geven, wat de plicht eiste. Ze erkenden God door het geloof. Maar zolang de Urim en Tummim er nog niet waren, plaatsten ze niemand namens God in een positie, die de uitoefening van Goddelijk gezag vereiste, met het doel deze enige bevoegdheid te geven om namens Hem te handelen.

Na ten slotte het materiaal te hebben verzameld, dat de koning van Perzië hen had toegestaan, beginnen de Joden met de tempel te bouwen en leggen er de fundamenten van. De vreugde van het volk was in het algemeen groot. Dat was natuurlijk en gerechtvaardigd. Ze loven Jahweh, zoals David dit had ingesteld, en zingen (hoe juist was het dit op dat ogenblik te doen): “Zijn goedheid blijft tot in eeuwigheid.” De ouderen huilden echter, want zij hadden het eerste huis gezien; het huis, dat onder de geïnspireerde leiding van God gebouwd was. We kunnen dit – helaas – begrijpen. Hij die er vandaag aan denkt, wat de Gemeente van God in het begin was, zal het huilen van deze ouderen begrijpen (zie Handelingen 2 en 4). Het was het bewijs, dat deze ouden in nauwe gemeenschap met God leefden. Maar verder weg was het juist, dat deze vreugde, of ten minste het verwarde geluid, dat de openbare gebeurtenis alleen maar bekendheid gaf, gehoord werd, want God was inderdaad ten gunste van Zijn volk tussenbeide gekomen.
De blijdschap werd in Zijn tegenwoordigheid geuit en ze was Hem aangenaam. Het huilen was een belijdenis van de waarheid en getuigde van een juist gevoel van wat God voor Zijn volk was geweest en van de zegeningen, die het volk eens onder Zijn hand had genoten. De tranen waren de erkenning, van wat het volk van God helaas voor God was geweest, en dit huilen was Hem aangenaam. Men kon het geluid van het gejuich niet onderscheiden van het geluid van het huilen; een waarachtig resultaat, natuurlijk en treurig, maar passend voor het aangezicht van God. Want Hij verblijdt Zich in de vreugde van Zijn volk en verstaat hun tranen. Het was inderdaad de ware uitdrukking van de stand van zaken.

Hoofdstuk 4

Maar in een dergelijk geval komen de moeilijkheden niet alleen voort uit de zwakheid van het overblijfsel. Ze worden ook veroorzaakt door elementen, waarmee het overblijfsel uiterlijk in verbinding staat, maar die tegelijkertijd vreemd zijn aan de relaties van het volk van God met Hemzelf. In het geval met Israël, was er werkelijk zwakheid, omdat God hoewel ten opzichte van Zijn volk getrouw in overeenstemming met de behoeften van dit volk, toch in werkelijkheid niet tussenbeide kwam om het volk op de oude voet te bevestigen. God kon dit in zedelijk opzicht ook niet doen. Noch ten opzichte van de positie, waarin het volk met God stond. Noch ten aanzien van de macht die God, door Israël ter zijde te stellen, in het midden van de volkeren had gesteld. En evenmin met het oog op het onderwijzen van de Zijnen in alle tijden ten aanzien van de regering van God. De relaties met God worden nooit straffeloos veracht.
Maar bovendien, bij zo’n toestand, waarbij de macht van de wereld al zoveel grond heeft verkregen in het land van de belofte, zelfs onder het volk aan wie de belofte toekomt, ontstaan er moeilijkheden, doordat mannen die zich, als gevolg van de tussenkomst van de burgerlijke autoriteiten binnen de grenzen van het land van belofte bevonden, met de Joden wilden deelnemen aan het bouwen van de tempel. Zij beweerden, ter staving van hun aanspraak, dat ze net als de Joden God aanriepen en dat ze Hem geofferd hadden, sinds Esar-Haddon hen in het land gebracht had. Dit was geen vijandschap. Waarom zou men zo’n wens afwijzen? Maar de Geest van God noemt die mannen de tegenstanders van Juda en van Benjamin.
Het volk van God – de Gemeente van God – moet zich bewust zijn van haar eigen speciale voorrechten, en dat ze de Gemeente van de Heer is. Jahweh had Juda en Benjamin lief. Uit Zijn genade ten aanzien van dit volk, vloeiden alle zegeningen voort, waarvan de kinderen Israëls het voorwerp waren. Het volk was gehouden, deze genade ten volle te erkennen. Dit niet te doen stond gelijk met het verachten. Nu, deze genade was de soevereine goedheid van God. Vreemden toe te laten, betekende ongevoelig te zijn voor die genade als de enige bron van het goede. Hierdoor zou men haar verliezen en zeggen, dat men niet haar voorwerp was naar de soevereine goedheid van God, meer dan andere personen van de wereld. Maar door de getrouwheid en het inzicht van Israëls oversten wordt deze valstrik opgeruimd. “Wij alleen,” zeggen ze, “zullen het bouwen voor de HEERE, de God van Israël” (vers 3). “Het is niet aan u en aan ons om samen een huis voor onze God te bouwen.” Inderdaad, het zou de loochening geweest zijn, dat Hij hun God, de God van Israël, was. Dit is speciaal het geval met de Gemeente, als ze geroepen wordt, zich haar voorrechten te herinneren, na deze lang vergeten te hebben en smartelijk gekastijd te zijn.

Als God dit toelaat om Zijn volk op de proef te stellen, of het te kastijden, is het mogelijk dat het werk tot stilstand komt door de kwade praktijken en boosheden van hen, die de grote en vermaarde Asnappar bij de aardse machten zullen prijzen, voor wie ze dan ook in hun waar aards karakter verschijnen, precies zoals ze de schijn van vroomheid hadden aangenomen, toen ze trachtten in het midden van het overblijfsel van Israël in te dringen. De macht, die ten tijde van zijn vroegere onafhankelijkheid aan het volk van God behoorde, verschrikt hem, die – omdat hij niet op God vertrouwt – ten aanzien van zijn eigen gezag de uitwerking vreest van de kracht, door de Geest van God in het volk van God gewerkt, onafhankelijk van dat gezag, in welke mate het volk hieraan ook onderworpen mocht zijn. Israël handelde hier naar het bevel van koning Cyrus zelf. Maar dat heeft geen waarde. Wat van God afhangt is absoluut, wat niet van Hem afhangt is willekeurig. De getrouwen hebben evenwel met dit alles niets te doen. God mag zien dat beproeving en kastijding voor hen nodig zijn. Wat ook gebeurt, zij moeten door datgene heen gaan wat het geloof op de proef stelt. Maar hun weg wordt door de wil van God geregeld, en hun geloof vertrouwt op Hem. In dit geval moeten ze wachten; maar Gods tijd zou komen; en dit zeker niet door enkel een bevel van de heidense koning.

Hoofdstuk 5-6

God geeft aan de kinderen Israëls, vanuit een andere richting, een veel kostbaarder bemoediging. Was het volk ook onderworpen aan de volkeren, God bleef altijd soeverein. Zijn Woord is altijd van een absoluut gezag voor Zijn volk, als Hij Zich verwaardigt tot hen te spreken. Als het nodig is, kan Hij over de harten van de koningen beschikken om dit gezag te handhaven. Maar hoe de omstandigheden ook zijn: Gods volk is gehouden Zijn Woord te volgen, zonder een andere beweegreden of hulp te zoeken. Haggaï en Zacharia worden door God gezonden en profeteren te midden van het volk.

Deze rechtstreekse mededelingen van God waren bijzonder kostbaar, zoals Zijn Woord dat altijd is. En hoewel deze mededelingen geen verandering brachten in de positie van het volk ten opzichte van de volkeren, ze waren toch een treffend bewijs, dat God belangstelde in Zijn volk en dat, wat hun moeilijkheden ook mochten zijn, de God van Israël verheven was boven alles wat de macht had, de kinderen Israëls te onderdrukken.
Ik zei al, dat de Israëlieten moesten wachten. Dit was het geval, toen hun verboden werd met het bouwen voort te gaan. Maar vele jaren waren voorbijgegaan, voordat dit verbod kwam. En als we de profetieën – die zoveel licht werpen over de geschiedenis van dezelfde tijd – bestuderen en de gegevens ervan vergelijken, dan schijnt het me volkomen duidelijk, dat het ontbreken van geloof bij het overblijfsel de ware verhindering was. In het land zelf waren er tegenstanders, die de kinderen Israëls vrees aanjoegen en hun zo het bouwen beletten. Het blijkt, dat de Joden het werk niet durfden voort te zetten. De vijanden kochten raadslieden aan het Perzische Hof om, met het doel, het werk van de Joden te verhinderen. Maar de eerste uitwerking is, dat zij de handen van het volk verzwakken. Het bouwverbod kwam eerst twee regeringen later. De Joden waren evenwel met het bouwen opgehouden, uit angst voor hun tegenstanders (vergelijk hoofdstuk 4:4,21 en 5:1 met Haggaï 1:1, 2, 4 en 2:15). Evenmin begonnen ze weer te bouwen omdat het bevel van Artahsasta tot hen kwam, maar omdat ze Jahweh en niet het gebod van de koning vreesden, “als ziende de Onzienlijke” (Haggaï 1:12-13). God was onder de regering van Darius niet meer te vrezen, dan onder die van Cyrus of Artahsasta. Maar de oorzaak van hun zwakheid was, dat ze God vergeten hadden. Dit doet de grote genade van God uitkomen in het hen laten wekken door de mond van Haggaï. Tot dit tijdstip hadden de kastijdingen van God het volk bezocht (Haggaï 1:10, 11). Dit alles laat ons zien, dat Israël niet goed handelde, toen het met het bouwen van de tempel ophield. Het blijkt uit Haggaï 2:15, dat ze geen enkele vordering hadden gemaakt. De angst voor de tegenstanders had hen doen ophouden. Ze waren niet te verontschuldigen, omdat zelfs het bevel van de koning aan hun kant stond. Wat hun ontbrak was geloof in God. We hebben gezien, dat, toen er geloof was, ze weer durfden bouwen, hoewel er een verbod was. Het resultaat van dit geloof was, dat de tussenkomst van hun tegenstanders zelfs de aanleiding wordt tot een bevel in hun voordeel. Het is goed zijn vertrouwen op God te stellen. Geprezen zij Zijn heerlijke Naam!

Onder de invloed van de profetieën van Haggaï en Zacharia wordt het huis voltooid (hoofdstuk 6:15).

Deze grote genade van Jahweh is een ware reden tot blijdschap. De priesters worden in hun diensten bevestigd en de Levieten in hun afdelingen, in overeenstemming met de wet van Mozes. We vinden nu meer getrouwheid, dan in de beste dagen van de koningen (vergelijk hoofdstuk 6:20 met 2 Kronieken 29:34). Maar we horen niets van de instellingen van David. En een nog grotere leemte zien we bij de viering van het feest van de Inwijding. Ze eten het Pascha, een bewijs, dat de verlossing van het volk in het land herdacht kon worden. Heerlijk voorrecht van het herstelde overblijfsel! Velen komen ook tot hen en scheiden zich af van de bezoedelingen van de heidenen van het land. Jahweh had hun oorzaak tot blijdschap gegeven. Maar geen vuur komt van de hemel om blijk te geven van de Goddelijke aanneming van het offer, dat geofferd was voor de inwijding van het huis. (Vergelijk 2 Kronieken 7:1). Weliswaar is dit een verschil van negatieve aard, maar dan toch van een zeer grote betekenis. En zelfs dat wat het voorwerp van hun blijdschap was, verried de toestand waarin ze zich bevonden: “Jahweh had het hart van de koning van Assyrië in hun voordeel gewend om hen te bemoedigen bij het werk aan het huis van God, de God van Israël”. Dit was een grote goedheid en een treffend bewijs van genade van Gods zijde. Maar wat een verandering!

Hoofdstuk 7-10

Helaas, dit was niet het einde van de geschiedenis. God in Zijn goedheid moet voortgaan te waken over de ontrouw en het falen van Zijn volk, zelfs dan, als ze maar een klein overblijfsel zijn dat door Zijn genade aan het verval ontkomen is. Hij geeft Ezra – een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes – in het hart, aan het overblijfsel te Jeruzalem te denken, de wet van Jahweh te onderzoeken en te doen en haar te onderwijzen. Hier opnieuw is het nog steeds de heidense koning, die hem met dit doel naar Jeruzalem zendt. Alle zegening is van God, maar op het gebied van het gezag komt niets rechtstreeks van God (behalve dan de profetie, waarin God soeverein was, zoals we dit al gezien hebben in het boek Samuel, tijdens de achteruitgang van het volk). God kon niet anders dan de troon erkennen, die door Hemzelf in het midden van de volken op aarde was gesteld. En Israël was een aards volk.

Het kenmerk van deze tussenkomst van God – in de zending van Ezra – schijnt me een treffend bewijs te zijn van Zijn goedheid. Dit was precies wat nodig was voor de behoeften van het volk. Het was niet macht, want deze was naar elders overgebracht. Het was de kennis van de wil en voorschriften van God – van Zijn gedachten in het Woord. De koning zelf erkent dit (hoofdstuk 7:25). Door de goede hand van zijn God bewaard, gaat deze vrome en toegewijde man, met vele anderen, op naar Jeruzalem. Zodra hij zich ermee kan bemoeien, vindt hij – helaas – de wet al gebroken; het kwaad had al zijn intrede gedaan. Israël had zich niet gescheiden gehouden van de volken van het land. De oversten en overheden waren zelfs de eersten die deze zonde bedreven hadden. Ezra is hierdoor verslagen en blijft de hele dag overweldigd door droefheid. Is het mogelijk, dat dit overblijfsel – door God als uit het vuur gerukt – zo snel de hand vergeten heeft van Hem Die het had bevrijd, en de dochters trouwt van een vreemde god? Terwijl zij, die het Woord van Jahweh vrezen, met Ezra vergaderd zijn, vernedert deze laatste zich over die zonde. Op het tijdstip van het avondoffer stort hij de diepe droefheid van zijn hart voor het aangezicht van God uit. De harten van zeer velen zijn getroffen door de genade. Er is nu geen antwoord van een profeet, zoals dat er in dergelijke omstandigheden zo vaak was geweest, maar er is een antwoord van God in het hart van de schuldigen. “Wij zijn onze God ontrouw geweest”, zegt één van hen, “Evenwel, er is wat dit betreft hoop voor Israël” (hoofdstuk 10:2). Ze zetten zich van harte aan het werk. De kinderen Israëls worden gemaand – ongehoorzaamheid wordt met uitsluiting gestraft – op te gaan naar Jeruzalem. Ze verzamelen zich, terwijl het regent, want de zaak was dringend; en de vergadering erkent, dat het haar plicht is zich naar de wet te voegen. Onder de hand van Ezra en door de zorgen van hen, die daarvoor waren aangesteld, wordt de aangelegenheid in twee maanden geregeld. Wat hen betreft, die zich vreemde vrouwen genomen hadden, deze namen gezamenlijk het besluit die vrouwen weer terug te zenden: ze erkenden hun zonde en offerden een ram voor hun schuld. We zien nogmaals dat wat het werk van Gods Geest en Zijn tussenkomst in het midden van Zijn volk, ten aanzien van zijn wandel en zedelijke toestand kenmerkt, de afzondering is van allen, die niet het volk van God zijn zoals zij. Zij, die van het priesterlijk geslacht waren, en hun afkomst niet hadden kunnen bewijzen, waren als onreinen van het priesterschap uitgesloten. En zij, die van het volk waren, en zich in dezelfde omstandigheid bevonden, werden niet erkend. Verder worden zij, die in het land wonen en willen meehelpen aan de bouw van de tempel, op besliste wijze afgewezen. En, ten slotte, als het gaat om hun eigen vrouwen – van wie er verscheidene kinderen hadden – moeten deze worden weggezonden en moet men zich, tegen elke prijs, afzonderen van wat niet Israël is. En hierdoor wordt de getrouwheid gekenmerkt in een positie als die van de kinderen Israëls. Dat wil zeggen, als die van een overblijfsel, dat uit Babylonië was gekomen en nu bezig is met de wederopbouw van de tempel en van de dienst van God, in overeenstemming met de middelen, die hun waren overgebleven.

Overigens zien we, dat God niet heeft nagelaten, hen door Zijn getuigenis te troosten. Een heerlijke en kostbare troost! Maar de macht van de volkeren was nog steeds aanwezig! Wat tot het gezag en de troon van Jeruzalem behoorde en tot de daarmee verbonden macht om bevelen uit te vaardigen, was niet hersteld. De openbare bekrachtiging van God was niet verleend. Evenwel zegent God het overblijfsel van Zijn volk, als het getrouw is. Maar wat het sterkst in dit alles naar voren komt, en wat onze harten zou moeten bemoedigen, is de genade die, te midden van zo’n verval en in aanwezigheid van de troon van de volkeren – opgericht ten gevolge van de zonde van Israël – het volk nog kon zegenen, hoewel het die troon van de volkeren erkende die God als een oordeel over de kinderen Israëls had ingesteld. De positie van deze laatsten wordt op een duidelijke en treffende wijze in hoofdstuk 9:8-9 omschreven: “Wij zijn wel slaven.”

Het is een ernstige tijd, als God in Zijn medelijden het kleine overblijfsel van Zijn volk, in al hun moeilijkheden bemoedigt en staande houdt! En als Hij dit overblijfsel – zover als mogelijk is – erkent, nadat het verval, door de ontrouw van het volk over zichzelf gebracht, zo’n vorm had aangenomen, dat God gedwongen werd te zeggen: “Lo-Ammi” (Niet Mijn volk).

Het is bedroevend te zien, hoe het volk – na zo’n genade – opnieuw ontrouw wordt en zich van God verwijdert. Maar zo is God, en zo is de mens.

Laten we er steeds aan denken, dat Israël een aards volk was en dat zijn werkelijke plaats van zegening nu 3 die is, welke verbonden is aan de zetel van Gods macht in gerechtigheid op aarde. De relaties van het volk met een andere macht – nu gevestigd in het midden van de volkeren – waren dus van bijzondere aard. Maar als men – bij het toepassen van de inhoud van dit boek op andere omstandigheden – daaraan denkt, dan zijn de lessen die ons door dit boek worden gegeven, buitengewoon belangrijk. Want ze laten ons de volgende dingen zien:

  1. de beginselen voor de gedragslijn, waarin het geloof wordt geopenbaard, te midden van de moeilijkheden, die verbonden zijn met een gedeeltelijk herstel van een staat van verval;
  2. de afhankelijkheid van God, waardoor de mens te midden van deze moeilijkheden ondersteund wordt;
  3. de wegen van God, ten aanzien van Zijn dienstknechten;
  4. de afwezigheid van elke aanmatiging om te herstellen, wat niet in macht hersteld kon worden.

Bovendien kunnen we het boek Ezra beschouwen als de openbaring van de barmhartigheid en van de wegen van God, die de scepter van Juda liet bestaan, totdat “Silo” kwam. Er was geen “Shechina” in de tempel, noch Urim en Tummim bij de priester. Maar er was, in die goedheid die blijft tot in eeuwigheid, een soeverein ingrijpen van God, zodat er gelegenheid was gegeven voor de komst van de Messias, naar de beloften aan de vaderen gedaan. Het oordelen van de heidense macht van Babylon bracht het getuigenis van een betere bevrijding met zich. Maar hiervoor moest de tijd afgewacht worden, die God voor de volledige vervulling van Zijn raadsbesluiten had bepaald.

EINDE EZRA

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 2.10

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 De komst van Christus heeft dit niet veranderd. Het herstel van het overblijfsel heeft gelegenheid gegeven om Christus, in overeenstemming met de beloften, aan het volk voor te stellen. Maar Zijn verwerping laat hun huis woest en zij zullen Hem niet meer terugzien, voor hun bekering in de laatste dagen. Gedurende Zijn leven op aarde zien we niet alleen in Lukas het tussentijdvak Goddelijk gedateerd door de regering van de heidense stadhouders. Maar als men bij Hem op dit punt aandringt zinspeelt de Heer op hun positie en beschaamt hun huichelarij – die had willen profiteren van wat de vrucht en het loon van hun eigen zonde was, om Hem in een uiterst netelige situatie te brengen – door hun te zeggen, dat ze aan de Keizer moesten geven wat van de Keizer was en aan God wat van God was. Tegelijkertijd worden in deze periode diepere en kostbaardere raadsbesluiten vervuld.

2 Het was de maand van het feest van het geklank (Leviticus 23:24); een beeld van het herstel van Israël in de laatste dagen.

3 Ik zeg “nu”, omdat tot aan de tijd van Samuel Israël geroepen was in gehoorzaamheid onder het priesterschap gezegend te worden, terwijl God hun Koning was. Maar na Davids tijd werd het volk – vooruitziend op Christus – de zetel van de macht van God in gerechtigheid, voor zover het volk de zegening genoot.