50. Handelingen

50. Handelingen · uit de ‘Synopsis’ deel 6 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

De Handelingen van de apostelen zijn wezenlijk verdeeld in drie delen: hoofdstuk 1; 2-12; en 13 tot het eind. Hoofdstuk 11-12 kunnen misschien overgangshoofdstukken genoemd worden, die gegrond zijn op de gebeurtenis die in hoofdstuk 10 verhaald wordt. Hoofdstuk 1 deelt ons mee wat verband houdt met de opstanding van de Heer. Hoofdstuk 2-12 dat werk van de Heilige Geest waarvan Jeruzalem en de joden het middelpunt vormden, maar dat zich vertakt tot de vrije werkzaamheid van de Geest van God, onafhankelijk van – maar niet gescheiden van – de twaalven en Jeruzalem als het middelpunt. Hoofdstuk 13 en volgende het werk van Paulus, dat voortvloeit uit een meer bijzondere zending vanuit Antiochië. Terwijl hoofdstuk 15 beide verbindt om de eenheid te bewaren in de hele ontwikkeling.

We hebben inderdaad de toelating van de volken in het tweede deel. Maar het is in verband met het werk dat doorgaat onder de joden, die het getuigenis van de Heilige Geest aangaande een verheerlijkte Christus verworpen hadden, zoals ze ook de Zoon van God in Zijn vernedering verworpen hadden. En God bereidde een werk buiten hen, waarin de apostel van de volken grondslagen legde die het onderscheid tussen jood en niet-jood tenietdeden en beiden verenigden – als in zichzelf even dood in misdaden en zonden – met Christus, het Hoofd van Zijn lichaam, de gemeente, in de hemel 1.

Hoofdstuk 1

Laten we nu de hoofdstukken in hun volgorde onderzoeken. Hoofdstuk 1 geeft ons het verslag van de dingen met betrekking tot Jezus als opgestaan uit de doden, en de daden van de apostelen vóór de uitstorting van de Heilige Geest. De mededelingen van de Heer brengen meerdere zeer belangwekkende punten onder de aandacht. Jezus, de opgestane Mens, handelt en spreekt door de Heilige Geest na Zijn opstanding evenals daarvoor. Kostbaar bewijs van onze positie, dat ons eraan herinnert dat we de Heilige Geest ook na onze opstanding zullen bezitten. En dat Zijn Goddelijke kracht in ons niet langer bezig zal zijn met het tegenstaan en doden van het vlees, maar volkomen aan de eeuwige vreugde en aanbidding zal zijn gewijd en aan de dienst door God aan ons toevertrouwd. De opgestane Heer geeft Zijn discipelen dan bevelen in verband met de nieuwe positie die Hij inneemt. Hun leven en dienst moet gevormd en geleid worden met het oog op Zijn opstanding – een waarheid waarvan ze de onweerlegbare bewijzen bezaten. Ze waren nog op aarde, maar ze waren daar pelgrims, terwijl hun oog gericht was op Hem die hun was voorgegaan en was opgewekt vanuit de doden. Hun relatie tot Hem houdt nog verband met hun positie op aarde. Hij spreekt met hen over het koninkrijk en de dingen die het koninkrijk betreffen. Jeruzalem was het uitgangspunt van hun dienst, zelfs nog meer dan van Zijn eigen dienst. Want Hij had de armen van de kudde bijeen vergaderd waar Hij ze gevonden had, vooral in Galilea 2.

Maar nu de opstanding Hem in kracht de drager van de “betrouwbare gunstbewijzen aan David” had gemaakt, roept Hij Israël opnieuw op Hem als Vorst en Verlosser te erkennen waar ze Hem als de levende Messias op aarde verworpen hadden. De brieven van Petrus houden verband met het evangelie in dit opzicht. Maar om die dienst uit te oefenen moesten ze wachten op de vervulling van de belofte van de Vader, de Heilige Geest waarmee ze zouden worden gedoopt, volgens het getuigenis van Johannes. En de Heer verzekert hen dat dat spoedig zou gebeuren. De zending van de Heilige Geest leidde hen tegelijk ook uit het joodse terrein van zuiver tijdelijke beloften. De belofte van de Vader van de Heilige Geest was iets heel anders dan het herstel van het koninkrijk voor Israël door de kracht van Jahweh, de God van oordeel. Het kwam hun niet toe de tijden en gelegenheden van dit herstel te kennen. De kennis daarvan hield de Vader in Zijn eigen bezit. Maar zij zouden de kracht van de Heilige Geest ontvangen die op hen zou neerdalen. En zij zouden, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het einde van de aarde getuigen van Jezus zijn, zoals ze Hem gekend hadden en in overeenstemming met Zijn openbaring van Zichzelf na Zijn opstanding. Zo maakte Hij Jeruzalem tot uitgangspunt en eerste doel, overeenkomstig de opdracht in Lukas 24:47.

Niettemin was hun getuigenis gegrond op het feit dat ze zagen hoe hun Meester en hun Heer werd weggenomen uit hun midden en werd opgenomen in de wolken van de hemel die Hem onttrokken aan hun ogen. Terwijl ze naar de hemel staarden toen dit plaatsvond, kwamen er twee boodschappers uit de hemel om hen te zeggen dat Hij op dezelfde wijze zou terugkomen. Zijn verschijning op deze aarde, beneden de hemel, wordt hier dus bedoeld. Hij zal op aarde terugkomen om gezien te worden door de wereld. We hebben hier niet de opname van de gemeente en evenmin de verbinding van de gemeente met Hem terwijl Hij afwezig is. Met deze wetenschap dat Jezus is opgenomen uit de wereld en zal terugkomen op aarde als het begin- en eindpunt en het onderwerp van al hun onderwijs, keren ze terug naar Jeruzalem om daar te wachten op de Heilige Geest die hun beloofd was. Ze gaan niet naar Galilea. Ze moeten in Jeruzalem de getuigen zijn van de hemelse rechten van die Christus die op aarde verworpen was door Jeruzalem en de joden. In deze zin is het geen voortzetting van Christus’ zending op aarde, die wordt voortgezet in de opdracht in Mattheüs 28 vanuit Galilea.

Dit alles toont duidelijk de positie waarin ze geplaatst waren en de opdracht die hun was toevertrouwd. Maar voordat ze de Heilige Geest ontvangen voor de uitvoering ervan, hebben enkele andere kenmerkende omstandigheden hun plaats in dit hoofdstuk. Ze handelen onder de leiding van Petrus met inzicht in het Woord, vóór ze bekleed worden met kracht uit de hoge. Deze beide dingen verschillen dus van elkaar.

Hoewel Petrus niet rechtstreeks geleid werd door de Heilige Geest, schijnt het dat de Geest Zijn zegel hechtte aan wat gedaan werd in overeenstemming met het woord in het Oude Testament dat de apostel begreep. We hebben al eerder gezien dat Christus na Zijn opstanding het verstand van Zijn discipelen opende opdat ze de Schriften begrepen. Ze handelen nu volgens een joods beginsel, omdat ze de Heilige Geest nog niet ontvangen hebben. Ze werpen het lot voor het aangezicht van de Heer, opdat Hij beslissen zal. Niettemin was het lot niet alles, en ze wierpen het ook niet zonder onderscheid te maken. Apostolisch gezag vloeide voort uit de aanstelling van Christus Zelf. Inzicht in de Schriften doet hen begrijpen wat er moest gebeuren. Het doel dat de Heer had toegekend aan hun dienst, beperkte de keuze tot de kleine kring van hen die dat doel konden verwezenlijken. Hun geschiedenis maakte hen geschikt om Zijn getuigen te zijn, zoals Jezus gezegd had. Want ze waren vanaf het begin bij Hem geweest en konden nu getuigen dat deze Jezus, die door de joden verworpen en gekruisigd was, inderdaad was opgestaan vanuit de doden.

Apostolisch gezag wordt dus uitgeoefend in Jeruzalem volgens joods principe, vóór de gave van de Heilige Geest. Hierbij werden ze niet geleid door onderzoek of werkzaamheid van de menselijke geest. Het woord “Laat een ander zijn opzienerschap nemen” bepaalde hun gedrag. De bekwaamheid om van Jezus te getuigen, van Zijn leven op aarde en nu van Zijn opstanding en hemelvaart, besliste wat betreft de vereiste eigenschappen. En het lot van Jahweh wees de persoon aan die de plaats van Judas moest innemen. Er worden er twee gekozen die voldoen aan deze eisen die nodig zijn, en het lot valt op Matthias, die dan tot de elf apostelen wordt gerekend. Maar ze waren nog steeds zonder de kracht die beloofd was.

Hoofdstuk 2

Dit hoofdstuk verhaalt de vervulling van deze belofte, in antwoord op de geest van afhankelijkheid die zich openbaarde in hun gemeenschappelijke gebeden. De Geest daalt van boven neer, in Zijn eigen kracht, om de woonplaats die voor Hem was bereid, in bezit te nemen en te vervullen.

Deze gebeurtenis, die belangrijker is dan alle andere met betrekking tot de toestand van de mens hier beneden, heeft hier een heel eenvoudig karakter. Want het gaat hier niet om de oorzaken van deze wonderbare gave, om het werk waarvan ze afhankelijk is, of om de heerlijkheid waarmee ze verbonden is en die ze openbaart en waarvan ze het onderpand is. We hebben hier alleen het feit van de kracht ervan. De discipelen werden “bekleed met kracht uit [de] hoogte”.

Maar de vorm van de verschijning ervan is kenmerkend. Op Jezus daalde de Heilige Geest neer in de gedaante van een duif, omdat Hij Zijn stem niet zou doen horen op de straten, en het geknakte riet niet zou verbreken en de walmende vlaspit niet zou uitblussen. Maar hier was het de kracht van God in getuigenis, het woord; dat was als verterend vuur, dat alles oordeelt wat het ontmoet. Toch was het in genade en zou het zich uitstrekken buiten de nauwe grenzen van de joodse inzettingen, om de wonderbare werken van God aan elke taal en elk volk onder de zon te verkondigen. Het was die geweldige wind uit de hemel, die zich aan de discipelen openbaarde en op hen kwam in de vorm van tongen als van vuur, waarvan ieder in meerdere verdeeld was.

Dit wonder trekt de menigte aan. En de realiteit van dit Goddelijk werk wordt bewezen door het feit dat personen uit talrijke landen horen hoe deze arme Galileeërs hun de wonderbare werken van God verkondigen, een ieder in de taal van het land waaruit hij was opgegaan naar Jeruzalem. De rationalistische opvatting dat het een soort opgewonden wartaal was, juist zoals de ongelovige joden dachten, is buitengewoon absurd. Denkt u zich eens in dat Paulus God zou danken dat hij meer soorten wartaal sprak dan zij allen, en dat God een gave zou geven voor het uitleggen van wartaal! De joden, die deze talen niet verstonden, spotten. Maar Petrus verklaart hun in hun eigen taal, en volgens hun eigen profetieën, het ware karakter van wat had plaatsgevonden. Hij baseert zich op de opstanding van Christus, voorzegd door de profeet – koning, en op Zijn verheerlijking door de rechterhand van God. Deze Jezus, die zij gekruisigd hadden, had daar de belofte van de Vader ontvangen en had dat uitgestort wat de gevolgen voortbracht die ze hoorden en zagen. Ze werden daarom opgeroepen zeker te weten, dat God Hem zowel tot Heer als tot Christus gemaakt had, deze zelfde Jezus die zij verworpen hadden.

Het karakter van dit getuigenis zal hier worden opgemerkt. Het is in wezen dat van Petrus. Het gaat niet verder dan de bevestiging van het feit dat Hij die verworpen was door de joden, in de hemel tot Heer en tot Christus gemaakt is. Het begint met Jezus zoals de joden Hem op aarde kenden en stelt de waarheid vast van Zijn opwekking en verhoging tot de positie van Heer. God heeft dit gedaan. De apostel verkondigt Hem zelfs niet als de Zoon van God. We zullen zien dat, als het niet gedaan wordt door Petrus in de Handelingen, Paulus het daarentegen vanaf het eerste ogenblik van zijn bekering doet. Petrus noemt het resultaat op dat moment in kracht, en spreekt niet over het koninkrijk. Hij herinnert hen alleen eraan dat de Geest beloofd was in de laatste dagen, en zinspeelt op de vreselijke dag van het komende oordeel die door alarmerende tekenen en wonderen zou worden voorafgegaan.

Zonder te spreken over de vervulling van de belofte van het koninkrijk, waarvan de Vader de tijd verborgen gehouden had, brengt hij het feit van de gave van de Heilige Geest in verband met de verantwoordelijkheid van Israël. God handelde nog in genade ten opzichte van hen, door hun een verheerlijkte Christus te prediken en bewijzen te geven van Zijn heerlijkheid in de gave van de Heilige Geest, die voor allen merkbaar waren gemaakt. Dit is de tegenwoordigheid van de Heilige Geest volgens Johannes 15:26-27. Het getuigenis in z’n geheel is echter gegrond op de opdracht van Lukas 24 en voert die uit. In Lukas lezen we alleen niets over dopen. Zie Lukas 24:47-49 waaraan dit volkomen beantwoordt. Het getuigenis werd gericht tot de joden. Niettemin werd het niet tot hen beperkt. Het drukt zich uit in bewoordingen die, hoewel ze betrekking hebben op joden, daar en verstrooid in het buitenland, toch de deur openden voor de volken in de soevereiniteit van God: “Allen die veraf zijn, zovelen [de] Heer onze God ertoe zal roepen”. God is nog steeds de God van de mens; maar Hij roept wie Hij wil.

Bovendien bewerkte het getuigenis afzondering: “Laat u behouden van dit verkeerde geslacht”. Deze afzondering was gegrond op een reëel en moreel werk van bekering: “Bekeert u”. Het verleden moest helemaal geoordeeld worden en in het openbaar moest dit getoond worden door hun opneming in het midden van de christenen door middel van de doop, om vergeving van hun zonden te ontvangen en deel te krijgen aan deze hemelse gave van de Heilige Geest: “Bekeert u, en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden, en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen”. Dit werk is persoonlijk. Er was veroordeling van heel het verleden, de toelating in hun midden door de doop, en het daarna deelhebben aan de Heilige Geest, die woonde waar zij kwamen. We zien onmiddellijk het verschil tussen de morele verandering die al bewerkt was, de bekering die hun oprechte droefheid bewerkt, en het ontvangen van de Heilige Geest. Dit volgde op de vergeving van hun zonden waartoe ze gebracht waren. Deze gave was op een regelmatige wijze afhankelijk van hun toelating onder christenen, het huis waar Hij woonde, gebouwd in de Naam van Jezus. Daarna wordt verklaard dat de belofte toekwam aan hen en hun kinderen – aan het huis van Israël als zodanig – aan hen en aan hun kinderen na hen. Maar ze ging buiten de grenzen van Gods oude volk. De belofte was ook voor hen die veraf waren. Want ze werd vervuld, in verbinding met geloof in Christus, aan allen die door genade zouden komen in het nieuwe huis – allen die de Heer, de God van Israël, zou roepen. De roeping van God kenmerkte de zegen. Israël, met haar kinderen, werd erkend, maar een overblijfsel werd uitgeroepen vanuit hun midden. De volken, die geroepen werden, deelden in de zegen.

Het resultaat van deze onuitsprekelijke gave wordt ons verhaald. Het was niet alleen een morele verandering, maar een kracht die alle motieven terzijde stelde die hen die deze gave ontvangen hadden individueel kenmerkten, door hen te verenigen als één ziel en in één geest. Ze bleven volharden in de leer van de apostelen. Ze waren in gemeenschap met elkaar en de apostelen. Ze braken brood. Ze besteedden hun tijd in gebed. Het bewustzijn van Gods tegenwoordigheid was machtig onder hen; en veel tekenen en wonderen gebeurden door de handen van de apostelen. Ze waren verenigd door de nauwste banden. Niemand noemde iets zijn eigendom, maar allen deelden hun bezittingen met hen die gebrek hadden. Ze waren dagelijks in de tempel, de openbare gelegenheid in Israël voor godsdienstige bezigheden, terwijl ze apart daarvan hun eigen samenkomsten hadden – ze braken dagelijks brood in de huizen. Ze aten met vreugde en blijdschap van hart, prezen God, en hadden gunst bij het hele volk rondom hen.

Zo was de gemeente gevormd. En de Heer voegde er dagelijks het overblijfsel van Israël aan toe, hen die gered moesten worden van de oordelen die zouden komen over een volk dat de Zoon van God, hun Messias, verworpen had – en, God zij geprezen, van een nog dieper verderf. God bracht in de gemeente – als zodanig door Hem erkend door de tegenwoordigheid van de Heilige Geest – degenen die Hij spaarde in Israël. Dit is de kracht van “hen die behouden moesten worden” (vers 47). Een nieuwe orde van zaken was begonnen, die gekenmerkt werd door de tegenwoordigheid van de Heilige Geest. God woonde nooit bij de mens dan alleen op de grondslag van verlossing, dus niet bij Adam, noch bij Abraham; vergelijk Exodus 29:46. Hier werd de tegenwoordigheid en het huis van God gevonden, hoewel de oude orde van zaken nog steeds bestond tot de voltrekking van het oordeel daarover.

De gemeente was dus gevormd door de kracht van de Heilige Geest die uit de hemel was neergedaald, op het getuigenis dat Jezus, die verworpen was, was opgewekt en opgenomen in de hemel en door God gemaakt zowel tot Heer als tot Christus. Ze was samengesteld uit het joodse overblijfsel dat gespaard moest worden, met het voorbehoud uit de volken binnen te brengen wanneer God hen ook maar zou roepen. Vooralsnog was ze gevormd in verbinding met Israël, in Gods lankmoedigheid, maar toch afgezonderd in kracht, als de woonplaats van God.

Hoofdstuk 3

In dit hoofdstuk richt de Geest door de mond van Petrus Zijn getuigenis tot het volk. God handelde nog in geduld tegenover Zijn dwaze volk, ja met meer dan geduld. Hij handelt in genade ten opzichte van hen, als Zijn volk, uit kracht van de dood en de voorbede van Christus. Helaas was het tevergeefs! Hun ongelovige leiders brachten het woord tot zwijgen. Het is treffend Gods raadsbesluiten en hun vervulling in genade, voor zover ze nu vervuld waren, zo duidelijk onderscheiden te zien van de verantwoordelijkheid van hen met wie God Zich bezighield. In hoofdstuk 2 zegt Petrus: “Laat u behouden van dit verkeerde geslacht”. God vergaderde, naar Zijn eigen kennis van wat zou gebeuren. In hoofdstuk 3 zegt hij: “Tot u in de eerste plaats heeft God, … Hem gezonden, om u te zegenen door ieder [van u] af te brengen van uw boosheden”. Dat had God gedaan en Zijn geduld wachtte nog, hoewel Hij handelde in huidige genade volgens het resultaat dat Hem bekend was. In Jeremia zien we dat ook vaak. Als ze zich bekeerd hadden, dan was God zeker van het oordeel teruggekomen, zoals dit ook gezegd wordt in Jeremia.

De aandacht van het volk wordt getrokken door een wonder dat een arme kreupele, die bekend was bij allen die de tempel bezochten, weer oprichtte. En als de menigte samenstroomt om hem te zien, predikt Petrus hun Christus. De God van hun vaderen, zei hij, had Zijn Knecht Jezus verheerlijkt, die zij verloochend hadden toen Pilatus Hem wilde loslaten. Zij hadden de Heilige en Rechtvaardige verloochend, een moordenaar begeerd, en de Vorst van het leven gedood. Maar God had Hem opgewekt uit de doden. En Zijn Naam had, door het geloof, deze krachteloze man genezen. Genade kon hun daad beschouwen als in onwetendheid gedaan, en dat ook wat betrof hun oversten. We zien hier hoe de Heilige Geest gevolg geeft aan de voorbede van Christus: “Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen”. Tienduizend talenten waren ze schuldig. Maar de grote Koning scheldt ze hun kwijt en zendt de boodschap van genade die hen oproept tot bekering. Hiertoe nodigt Petrus hen uit: “Hebt dan berouw en bekeert u … opdat 3 [de] tijden van verkwikking komen van [het] aangezicht van de Heer, en Hij … Christus, Jezus, zendt”. Hij zegt hen dat de hemel Hem moest opnemen tot de tijd die God bepaald had voor het herstel dat alles zou vervullen wat de profeten voorzegd hadden. Dat wil zeggen, hij predikt bekering aan de joden als volk en verklaart dat op hun bekering de ten hemel opgevaren Jezus zou terugkomen; terwijl dan de vervulling van alle zegeningen waarvan de profeten gesproken hadden ten behoeve van hen zou plaatsvinden. De terugkeer van Jezus met dit doel hing af (en hangt nog steeds af) van de bekering van de joden. In de tussentijd blijft Hij in de hemel.

Bovendien was Jezus de Profeet die Mozes had aangekondigd. Ieder die niet naar Hem zou horen, zou worden uitgeroeid uit het volk. Zijn stem klonk nog steeds in bijzondere genade door de mond van Zijn discipelen. Alle profeten hadden van deze dagen gesproken. Zij waren de kinderen van de profeten, de natuurlijke erfgenamen van de zegeningen die zij voor Israël hadden aangekondigd, zowel als van de beloften die aan Abraham waren gedaan, van een Zaad (nageslacht) waarin alle volken gezegend zouden worden. Als gevolg daarvan had God hun dan ook Zijn Knecht Jezus gezonden, nadat Hij Hem verwekt had. Dit slaat op de tijd van Zijn leven op aarde, hoewel er op grond van Zijn voorbede een hernieuwing van de genade was in het getuigenis van een verheerlijkte Christus, die zou terugkomen als ze zich bekeerden. Het was Gods bedoeling hen te zegenen, door een ieder van hen af te brengen van zijn boosheden. Kortom, ze worden uitgenodigd terug te keren door bekering, en al de beloften aan Israël gedaan te genieten. De Messias Zelf zou terugkomen uit de hemel om hun zegen te vestigen. Het hele volk wordt hier aangesproken als de natuurlijke erfgenamen van de beloften die aan Abraham waren gedaan.

Hoofdstuk 4

Maar terwijl ze spraken, kwamen de priesters, de hoofdman van de tempel en de sadduceeën om hen gevangen te nemen, omdat ze verontwaardigd waren over de prediking van de opstanding, die hun ongeloof en hun dogmatisch stelsel niet aannam. Ze zetten hen in de gevangenis, want het was avond. De hoop van Israël was terzijde gesteld. De genade van God – hoe groot en geduldig die ook was – had tevergeefs gesproken. Toch geloofden velen hun woord. Al vijfduizend personen beleden de Heer Jezus.

We hebben gezien hoe God Zich in Zijn genade tot Israël richtte en het volk door de mond van Petrus toesprak. We zullen nu niet alleen de reactie daarop zien van de kant van de oversten van het volk (die we al hebben waargenomen), maar het weloverwogen antwoord uit het diepste van hun hart. Zo kunnen we het noemen. De volgende dag vergaderen de oversten, de oudsten en de schriftgeleerden in Jeruzalem, samen met Annas en zijn verwanten. Nadat ze de apostelen in hun midden gesteld hebben, vragen ze door welke kracht of door welke naam ze dit wonder hebben gedaan aan de man die kreupel was. Petrus, vervuld met de Heilige Geest, verklaart – en hiermee verkondigt hij het aan het hele volk Israël, en dat met de grootste bereidwilligheid en met volkomen vrijmoedigheid – dat het gebeurd was door Jezus, die zij gekruisigd hadden en die God had opgewekt uit de doden. Op die manier werd de kwestie tussen God en de oversten van Israël heel formeel gesteld; en dat door de Geest van God. Jezus was de steen die door hen, de bouwlieden, was verworpen, maar die nu tot een hoofd van de hoek was geworden. De behoudenis was in niemand anders te vinden.

Petrus gebruikt tegenover de tegenstanders en de oversten geen voorzichtigheid om hen niet te beledigen. Maar tegenover het volk, dat als zodanig onwetend en misleid was, doet hij alles om hen te winnen. De raad herkende hen als vroegere metgezellen van Christus en de man die genezen was stond bij hen. Wat konden ze zeggen of doen voor de ogen van de menigte die getuige was geweest van het wonder? Ze konden alleen een wil tonen die lijnrecht tegenover de Heer en Zijn getuigenis stond, en toegeven aan de openbare mening, wat voor hun eigen aanzien nodig was en waardoor ze ook beheerst werden. Onder bedreiging bevalen ze de apostelen niet meer in de naam van Jezus te leren. We kunnen hierbij nog opmerken dat satan de sadduceeën als zijn instrumenten gebruikte tegenover de leer van de opstanding, terwijl hij de farizeeën als geschikte werktuigen gebruikte tegenover een levende Christus. We moeten de goed georganiseerde tegenstand van satan tegen de waarheid verwachten.

Maar Petrus en Johannes laten er geen twijfel over bestaan wat hun gedrag zou zijn. God had hen bevolen om Christus te prediken en het verbod van mensen had geen waarde voor hen. “Want ons is het onmogelijk”, zeggen ze, “niet te spreken over wat wij hebben gezien en gehoord”. In wat voor positie waren de oversten van het volk! Een dergelijk getuigenis laat heel duidelijk zien dat de leiders van Israël de plaats van uitleggers van Gods wil verloren hadden. De apostelen verdrijven hen niet en vallen hen niet aan. God zou hen oordelen. Maar ze handelen onmiddellijk namens God en negeren hun autoriteit volkomen in verbinding met het werk dat God hen had opgedragen. Het getuigenis van God was te vinden bij de apostelen en niet bij de oversten van de tempel. En de tegenwoordigheid van God was in de gemeente en niet in de tempel.

Petrus en Johannes gaan terug naar “de hunnen”. Want er was een afgezonderd volk gevormd dat elkaar kende. En allen – gedreven door de Heilige Geest, want daar woonde God door Zijn Geest, en niet meer in de tempel – verheffen hun stem tot God, de Bestuurder van alle dingen. Ze erkennen dat deze tegenstand van de oversten alleen maar de vervulling was van het woord en de raad en de bedoelingen van God. Hun bedreigingen waren alleen maar de aanleiding om God te vragen Zijn kracht te openbaren in verbinding met de naam van Jezus. Kortom, de wereld – en de joden daarbij inbegrepen, die er deel van uitmaakten in hun tegenstand – was opgestaan tegen Jezus, de Knecht van God, en verzette zich tegen het getuigenis dat van Hem werd afgelegd. De Heilige Geest is de kracht van dit getuigenis, hetzij in de moed van hen die getuigden (vers 8), hetzij in Zijn tegenwoordigheid in de gemeente (vers 31), hetzij in de kracht om te dienen (vers 33). Of in de vruchten die opnieuw onder de gelovigen gewerkt worden, met een kracht die het duidelijk maakt dat de Heilige Geest heerschappij heeft in hun harten over alle motieven die de mens beïnvloeden, door hen te doen wandelen door die motieven waarvan Hij Zelf de bron is. We vinden hier de kracht van de Geest tegenover tegenstand, terwijl we eerder de natuurlijke vrucht van de Geest zagen in hen, onder wie Hij woonde. Andere personen verkopen hun bezittingen en leggen de opbrengst neer aan de voeten van de apostelen. Tot hen behoort een man die de Heilige Geest hier apart noemt – zoals het Hem behaagt – namelijk Barnabas van het eiland Cyprus.

Samengevat laat dit hoofdstuk dus aan de ene kant de toestand van de joden zien, hun verwerping van het getuigenis dat in genade tot hen werd gericht; en aan de andere kant de kracht van de Heilige Geest en Gods tegenwoordigheid en leiding niet meer onder de joden maar in het midden van de discipelen.

Deze drie hoofdstukken 2-4 laten dus het begin van de vorming van de gemeente zien en haar heerlijke karakter door de inwoning van de Heilige Geest. Ze laten ons haar eerste schoonheid zien, zoals door God gevormd, en als Zijn woonplaats.

Hoofdstuk 5

Helaas! Het kwaad openbaart zich ook in de gemeente. De machtige Geest van God is er, maar het vlees is er ook. Er zijn enkele personen die de eer willen hebben van de toewijding die de Heilige Geest werkt, hoewel ze verstoken zijn van dat geloof in God en die zelfverloochening, die zich openbaren in de weg van de liefde en al de waarde en waarheid van die toewijding vormen. Maar dit is alleen maar een nieuwe aanleiding voor de openbaring van de kracht van de Geest van God, de tegenwoordigheid van God binnen de gemeente, tegen het kwaad. Zoals het vorige hoofdstuk Zijn kracht toonde buiten de gemeente, en de kostbare vruchten van Zijn genade. Als de eenvoudige vrucht en de vrucht van het goede – zoals al beschreven – er niet is, is er toch de kracht van het goede tegenover het kwaad. De huidige toestand van de gemeente in haar geheel wordt echter gekenmerkt door de kracht van het kwaad over het goede. God kan geen kwaad verdragen op de plaats waar Hij woont, nog minder dan daar waar Hij niet woont. Hoe groot de kracht van het getuigenis ook mag zijn dat Hij richt tot hen die buiten zijn, Hij oefent daarbinnen alle geduld totdat er geen redmiddel meer is. Hoe meer Zijn tegenwoordigheid gerealiseerd en geopenbaard wordt – en zelfs naarmate dat het geval is – des te meer toont Hij Zijn onverdraagzaamheid ten opzichte van het kwaad. Het kan ook niet anders. Hij oordeelt te midden van Zijn heiligen, waar Hij heiligheid wil zien, en wel in overeenstemming met de mate waarin Hij Zich openbaart. Ananias en Saffira die de tegenwoordigheid van de Heilige Geest geringschatten, terwijl ze voorgaven Zijn aandrang te volgen, vallen dood neer voor de God die ze in hun verblinding probeerden te bedriegen doordat ze Hem vergaten. God was in de gemeente!

Wat een machtig maar pijnlijk getuigenis van Zijn tegenwoordigheid! Vrees vervult ieder hart, zowel binnen als buiten. Gods tegenwoordigheid is in feite een ernstige zaak, hoe groot de zegen ervan ook mag zijn. Het gevolg van deze openbaring van de kracht van een God die woont bij hen die Hij erkent als de Zijnen, was erg groot. Menigten voegden zich door het geloof bij hen die de Naam van de Heer beleden – tenminste vanuit het volk, want de anderen durfden niet. Hoe meer en hoger onze positie in de wereld is, des te meer vrezen we de wereld die ons die positie gaf. Dit wonderbare getuigenis van de kracht van God werd ook nog op een meer opmerkelijke wijze geopenbaard, zodat de mensen van ver kwamen om er nut van te hebben. De apostelen waren voortdurend bijeen in de galerij van Salomo.

Maar helaas! De openbaring van de kracht van God in verbinding met de verachte discipelen van Jezus, die werkte buiten het veel betreden pad waarop de eigendunk van de hogepriester en van hen die met hen waren zich bewoog, wekt de tegenstand en de jaloersheid van de oversten op. Daarbij kwam nog de snelle groei van de leer die ze verwierpen en de aandacht die de apostelen trokken door de wonderen die gebeurden. Vervuld met jaloersheid werpen ze de apostelen in de gevangenis. In deze wereld werkt het goede altijd in de tegenwoordigheid van de macht van het kwaad.

Maar nu zien we de openbaring van een andere kracht dan die van de Heilige Geest in de gemeente. De voorzienigheid van God die waakt over Zijn werk en handelt door de dienst van engelen, verijdelt alle plannen van de ongelovige leiders van Israël. De priesters sluiten de apostelen in de gevangenis. Een engel van de Heer opent de deuren van de gevangenis en geeft de apostelen te kennen dat ze moeten doorgaan met hun gewone werk in de tempel. De dienaars die door de raad naar de gevangenis worden gezonden, vinden die gesloten en alles in orde; maar geen apostelen.

Ondertussen krijgt de raad bericht dat ze in de tempel zijn en het volk leren. Verward en verschrikt stuurt de raad er mensen heen om ze te halen. Maar de dienaars brengen ze zonder geweld, want ze vrezen het volk. Want God houdt alles in toom, totdat Zijn getuigenis is afgelegd, als Hij wil dat het afgelegd wordt. De hogepriester vermaant de apostelen op grond van het verbod dat hij al eerder gegeven had. Het antwoord van Petrus is beknopter dan de vorige maal. Het is meer de aankondiging van een vast doel dan het geven van een getuigenis door te redeneren met personen die niet willen luisteren en die zelf toonden tegenstanders te zijn. Het is in wezen hetzelfde als wat hij had gezegd toen hij de vorige maal voor de oversten gebracht was. Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. Omdat ze zich verzetten tegen God waren de leiders van Israël alleen maar mensen. Door dit te zeggen werd alles beslist. Het was duidelijk dat de oversten tegenover God stonden. De God van hun vaders had Jezus opgewekt, die de oversten van Israël gekruisigd hadden. De apostelen waren Zijn getuigen, evenals de Heilige Geest, die God gegeven heeft aan hen die Hem gehoorzaamden. Alles was gezegd, het standpunt was duidelijk aangegeven. Petrus neemt het namens de apostelen formeel in uit naam van God en van Christus en in overeenstemming met het zegel van de Heilige Geest. Want de Geest – gegeven aan gelovigen – gaf getuigenis uit naam van de Heiland. Toch is er geen trots, geen eigenwil. Hij moet God gehoorzamen. Hij neemt nog steeds zijn plaats in Israël in (“de God”, zegt hij, “van onze vaderen”). Maar het is de plaats van getuigenis voor God in Israël. Het advies van Gamaliël heeft zoveel overwicht dat de plannen van de raad verijdeld worden. Want God heeft altijd Zijn instrumenten klaar – al zijn ze misschien onbekend voor ons – waar wij Zijn wil doen. Toch laten ze de apostelen geselen en bevelen hen niet meer te prediken. Dan sturen ze hen weg. Ze waren ten einde raad wat ze moesten doen. Ze maakten de tegenstand van hun wil alleen maar des te duidelijker. Aan de andere kant zien we hoe eenvoudig de weg is als God ons zendt en we bewust Zijn wil doen. We moeten God gehoorzamen.

Het doel van dit laatste deel van het hoofdstuk is te tonen dat de zorg van God in Zijn voorzienigheid, hetzij door een wonder door middel van engelen of door de harten van mensen zo te beïnvloeden dat Zijn plannen uitgevoerd werden, werd uitgeoefend ten behoeve van de gemeente. Terwijl de Geest van God getuigde in de gemeente en daar Zijn kracht openbaarde. De apostelen, die totaal niet bang geworden waren, gaan vol vreugde weg dat ze waardig geacht waren voor de Naam smaadheid te lijden. En ze houden niet op elke dag in de tempel of van huis tot huis de blijde boodschap te leren en te prediken dat Jezus de Christus is. Hoe zwak ze mochten zijn, God Zelf handhaaft Zijn getuigenis.

Hoofdstuk 6

Maar ander kwaad valt ongelukkigerwijs de gemeente aan. Het vlees begint zich te openbaren, te midden van de kracht van de Heilige Geest. Het probleem komt voort uit de verschillende levensomstandigheden van de discipelen, en wel in die dingen waarin de genade speciaal geopenbaard was, waar die verband hielden met het vlees. De Grieken (in Griekenland of heidense landen geboren joden) morren tegen de Hebreeën (geboortig uit Judea). Omdat de weduwen van de Hebreeën bevoorrecht werden – naar de mening van de Grieken – bij de verdeling van de goederen die de gemeente kreeg van haar rijkere leden. Maar hier wordt de moeilijkheid opgelost door de wijsheid die de Geest geeft, die van de gelegenheid gebruik maakt om uitbreiding te geven aan het werk in overeenstemming met de behoeften die ontstonden. En zeven personen worden benoemd om dit werk op zich te nemen, waarvoor de apostelen hun eigen werk niet in de steek wilden laten. We zien ook in het geval van Filippus en Stefanus de waarheid van wat Paulus zegt: “Want zij die goed gediend hebben, verwerven zich een goede positie en veel vrijmoedigheid in [het] geloof dat in Christus Jezus is” (1 Timotheüs 3:13).

Het is opmerkelijk dat de apostelen hier als hun werk eerst het gebed noemen en dan de prediking. Hun strijd met de macht van het kwaad werd meer speciaal in het gebed gevoerd. Ook verwerkelijkten ze daarin de kracht van God voor de kracht en de wijsheid die ze nodig hadden. En om rechtstreeks namens God te kunnen handelen was het nodig dat genade en zalving bewaard bleven in hun harten.

Let ook op de genade die zich openbaart onder invloed van de Geest van God in deze kwestie: alle namen zijn die van Grieken, voor zover we kunnen zien.

De invloed van het woord breidde zich uit en veel priesters werden aan het geloof gehoorzaam. Zo zien we hoe tot nu toe de tegenstand van buiten en het kwaad van binnen alleen maar bijdroegen tot de groei van het werk van God, door de openbaring van Zijn tegenwoordigheid te midden van de gemeente. Neem vooral notitie van dit feit. Het is dus niet alleen zo dat de Geest goed doet door Zijn getuigenis, maar dat hoewel er kwaad is van buiten en van binnen, dit kwaad alleen maar getuigenis aflegt van de krachtdadige werkzaamheid van Zijn tegenwoordigheid, waar zich tegenover het kwaad toch Zijn kracht openbaart. Er was kwaad, maar er was kracht om het te weerstaan. Maar het toonde wel dat er zelfs in het Pinksterbrood zuurdeeg was.

De energie van de Geest openbaart zich vooral in Stefanus, die vol van genade en kracht is. De Griekse joden weerstaan hem en omdat ze niet in staat zijn hem te antwoorden, beschuldigen ze hem voor de raad. Ze beschuldigen hem vooral ervan dat hij in de Naam van Jezus de verwoesting van de tempel en van de stad en de verandering van de zeden van hun wet predikte. Let erop dat we hier in Stefanus de vrije werking van de Heilige Geest zien, zonder dat hij van iemand anders opdracht krijgt voor zijn werk, zoals we in de apostelen de aanstelling zien door Christus Zelf. De Geest gebruikt hier geen gezag van de apostelen, geen joden uit Palestina. Hij deelt aan een ieder toe zoals Hij wil (1 Korinthe 12:11). Het is juist de vrome en toegewijde Griek die het laatste getuigenis aflegt tegenover de leiders van het volk. Als aan de ene kant priesters geloven, zijn het aan de andere kant joden van buiten Judea die getuigenis afleggen en de weg bereiden voor een nog uitgebreider getuigenis. Maar tegelijk ook voor de definitieve verwerping – zedelijk gezien – van de joden als de basis en het centrum van het getuigenis en van het werk van bijeenvergadering. Want tot nu toe was Jeruzalem het middelpunt van getuigenis en bijeenvergadering. Petrus had getuigd van een verheerlijkte Christus die beloofde dat Hij zou terugkomen als ze zich bekeerden, maar ze hadden Zijn getuigenis afgewezen. Nu wordt het oordeel over hen uitgesproken door de Heilige Geest door de mond van Stefanus, tegenover wie ze bewijzen uitgesproken vijanden van dit getuigenis te zijn. Het zijn dus niet de apostelen die – met officieel gezag – de band met Jeruzalem verbreken. De vrije werking van de Heilige Geest loopt vooruit op een breuk, die niet plaatsvond om beschreven te worden in de Schrift. Deze zaak gebeurt door Gods kracht. En de opname in de hemel van de getuige die de Heilige Geest verwekte om de joden als vijanden te veroordelen en hun gevallen toestand te bewijzen, plaatste het centrum van bijeenvergadering in de hemel, in overeenstemming met de Geest. Die hemel waarheen de trouwe getuige, die vervuld was met de Geest, was opgevaren. Terwijl hij op aarde was had hij al het voorkomen van een engel in de ogen van de raad die hem veroordeelde. Maar de hardheid van hun hart liet niet toe dat ze halt zouden maken op de weg van vijandschap ten opzichte van het getuigenis dat van Christus werd afgelegd – een getuigenis dat hier op een bijzondere manier naar voren komt als het getuigenis van de Heilige Geest.

Hoofdstuk 7

Stefanus is de uitdrukking van de kracht van de Heilige Geest die getuigt van de verheerlijkte Christus, die nu zó aan Israël werd voorgesteld, nadat ze Hem al verworpen hadden in Zijn vernedering. Vanaf de val tot de zondvloed werd de mens, hoewel hij niet zonder getuigenis werd gelaten, overigens aan zichzelf overgelaten. Er waren geen bijzondere wegen en instellingen van God. Het resultaat was de zondvloed, die om zo te zeggen kwam om de aarde van haar verschrikkelijke verontreiniging en geweldpleging te zuiveren. Op de nieuwe aarde begon God Zich met de mens bezig te houden. Bij Noach zien we hoe de regering werd opgedragen aan de mens. Maar bij Abraham dat iemand door verkiezende genade werd uitgeroepen en Gods beloften ontving, toen de wereld de demonen diende. Dat was het begin van de geschiedenis van Gods volk. Maar de vraag naar gerechtigheid werd nog niet gesteld. Dat deed de wet, die gerechtigheid eiste van de mens. Toen kwamen er profeten in lankmoedige genade. Tenslotte werd de Zoon gezonden als laatste oproep om vruchten te ontvangen en als laatste getuigenis van genade. Maar Hij was nu verworpen en op grond van Zijn voorbede had de Heilige Geest getuigd van Zijn heerlijkheid door middel van Petrus (Handelingen 3) om hen tot bekering te brengen; daarover spreekt de Geest nu tot hen door de mond van Stefanus. Deze had de Heer niet gekend tijdens Zijn leven op aarde, voor zover we weten tenminste. In elk geval was hij niet, zoals de apostelen, aangesteld om van dat leven te getuigen. Hij was eenvoudig het instrument van de Heilige Geest die toedeelt aan wie Hij wil.

Hij begint dus met hun geschiedenis vanaf het begin van Gods weg, namelijk vanaf Abraham, die werd uitgeroepen door de openbaring van de God der heerlijkheid. Abraham was wel traag om te gehoorzamen, maar hij werd ten slotte door Gods geduldige genade in Kanaän gebracht. Niettemin was hij een vreemdeling in het beloofde land; en slavernij zou het deel van zijn nakomelingen zijn, totdat God in genade tussenbeide kwam. Het deel van de gezegende patriarch was dus niet dat hij de beloften bezat, maar dat hij een vreemdeling was. Terwijl het deel van zijn nakomelingen gevangenschap zou zijn, totdat God hen met een sterke arm zou verlossen. Niets is zo treffend als de kalme verhevenheid boven omstandigheden die Stefanus openbaart. Hij vertelt de joden een geschiedenis die ze niet konden ontkennen, een geschiedenis waarop ze zich beroemden. Maar die geschiedenis veroordeelde hen geheel en al. Ze deden precies zo als hun vaders. Maar twee personen treden vooral op de voorgrond in dit verslag van Stefanus, in verband met de goedheid van God ten opzichte van Israël in deze periode: Jozef en Mozes. Israël had hen beiden verworpen. Jozef hadden ze overgeleverd aan de volken. Mozes hadden ze verworpen als rechter en leider. Dit waren voorbeelden, die de joden niet konden ontkennen, van de geschiedenis van Christus, die ook werkelijk op de tijd door God bepaald de Verlosser van Israël zal zijn. Dit is de kern van het betoog van Stefanus. De joden hadden altijd verworpen degenen die door God gezonden waren en in wie de Heilige Geest gewerkt had. Zoals ze ook altijd het getuigenis van dezelfde Heilige Geest verworpen hadden dat tot hen kwam in de profeten, die gesproken hadden van de Christus die ze nu verraden en gedood hadden. Bovendien hadden ze volgens Mozes de afgoden aangebeden, al vanaf de tijd van hun verlossing uit Egypte, een zonde die ondanks Gods grote lankmoedigheid tot gevolg zal hebben dat ze zouden worden weggevoerd, nu ze de maat van hun ongerechtigheid hadden vol gemaakt, nog verder dan het Babylon dat al eens hun straf geweest was. Merk hier ook op dat hoelang Gods geduld ook had geduurd, als dat geen bekering tot resultaat heeft, de eerste zonde, de eerste afwijking van God uiteindelijk toch zijn straf krijgt.

De rede van Stefanus is een bijzonder treffende opsomming van hun hele geschiedenis, de geschiedenis van de mens voorzien van alle middelen tot herstel. De volle maat van hun schuld wordt genoemd. Ze hadden de wet ontvangen en die niet gehouden, de profeten verworpen die van Christus getuigd hadden en Christus Zelf verraden en gedood. Zo hadden ze altijd de Heilige Geest weerstaan. Waarop ze vertrouwden, de tempel, was door God verworpen. God Zelf was als het ware een Vreemdeling in het land Kanaän geweest. Salomo had wel een huis voor Hem gebouwd, maar dat was opdat de Heilige Geest later zou verklaren dat Hij die de hemel als troon had en de aarde als voetbank voor Zijn voeten en die universele heerschappij bezat, niet in huizen van steen wilde wonen die de schepping van Zijn eigen hand waren. We vinden hier dus de volledige opsomming van hun geschiedenis, verbonden met de laatste dagen van hun oordeel. Ze weerstonden altijd de Heilige Geest, zoals ze altijd de wet ongehoorzaam geweest waren. Het judaïsme was geoordeeld, nadat Gods lankmoedigheid en al Zijn wegen van genade met de mens als middelen uitgeput waren. Want Israël was de mens onder de speciale bemoeiingen en zorg van God. De schuld van de mens is nu niet alleen zonde, maar zonde ondanks alles wat God gedaan heeft. Het was het keerpunt van de geschiedenis van de mens. De wet, de profeten, Christus, de Heilige Geest – alle middelen waren geprobeerd, maar de mens had bewezen een vijand van God te zijn. Het kruis had dit werkelijk aangetoond, maar de verwerping van het getuigenis van de Heilige Geest aangaande een verheerlijkte Christus was er nog bij gekomen. Alles was voorbij met de mens, en begon opnieuw met de tweede Mens steeds in verbinding met de hemel.

De leden van de raad waren overtuigd in hun geweten. Maar hun hart was verhard en hun wil ongebroken. Ze werden vervuld met woede en knarsten de tanden tegen Stefanus. Maar Stefanus moest niet alleen dit definitieve getuigenis tegenover Israël afleggen, maar het ook zelf in de juiste verhouding plaatsen wat de positie ervan betreft, doordat hij het levende bewijs was van wat een gelovige was krachtens de tegenwoordigheid van de Heilige Geest hier beneden die in hem woonde. In de geschiedenis van Israël zien we hoe de mens altijd de Heilige Geest weerstaat, terwijl we in Stefanus een mens hebben die vol van de Heilige Geest is ten gevolge van de verlossing.

Dit zijn de bestanddelen van dit ontroerende en treffende toneel, dat een belangrijke periode vormt van de geschiedenis van de gemeente. De leiders van Israël knarsetanden van woede tegen het machtige en overtuigende getuigenis van de Heilige Geest waarmee Stefanus vervuld was. Ze hadden een verheerlijkte Christus verworpen, zoals ze een vernederde Christus gedood hadden. Laten we de uitwerking hiervan nagaan wat Stefanus zelf betreft. Hij hield zijn ogen gericht op de hemel, die nu volkomen open is voor het geloof. Daarheen richt de Geest de gedachten, doordat we in staat gesteld worden ons te hechten aan wat we daar zien. Hij openbaart aan iemand die zo met Hemzelf vervuld is, de heerlijkheid van God daarboven en Jezus in die heerlijkheid aan de rechterhand van God, dus op de plaats van kracht. Hij is daar als Zoon des mensen op de veel hogere plaats dan die van Psalm 2. Het is de plaats die Psalm 8 laat zien, hoewel alle dingen nog niet aan Hem waren onderworpen (vergelijk Johannes 1:50-51). Later geeft de Heilige Geest de uitwerking van het getuigenis dat wordt afgelegd tegenover de macht van satan, de moordenaar (verzen 59-60).
“Ik zie”, zegt Stefanus, “de hemelen geopend”. Dat is dus de positie van de ware gelovige – hemels op aarde – tegenover de wereld die Christus verwierp, de moorddadige wereld. De gelovige, levend in de dood, ziet door de kracht van de Heilige Geest in de hemel, op de Zoon des mensen aan de rechterhand van God. Stefanus zegt niet “Jezus”. De Geest kenmerkt Hem als de Zoon des mensen! Kostbaar getuigenis voor de mens! Het is ook niet zo dat hij getuigt van de heerlijkheid van God (dit was normaal voor de hemel), maar van de Zoon des mensen in de heerlijkheid. Want de hemel was open voor hem en hij ziet dan op Hem als de Heer Jezus, opdat Hij zijn geest zou ontvangen. Dit is het eerste voorbeeld en een volledig getuigenis van de toestand van de ziel van de gelovige na de dood bij – Christus in de heerlijkheid.

Met betrekking tot de voortgang van het getuigenis betekent dit dat Jezus nu niet gezien wordt als de Messias die zal terugkomen als het volk zich bekeert (hoewel dat waar blijft). Hij wordt gezien als de Zoon des mensen in de hemel, die open is voor de mens die vervuld is met de Heilige Geest – die hemel waarin God de ziel zou invoeren, omdat dit de hoop en het getuigenis is van hen die de Zijnen zijn. Het geduld van God was ongetwijfeld nog werkzaam in Israël. Maar de Heilige Geest opende nieuwe uitzichten en een nieuwe hoop voor de gelovige. Hij opent de hemel voor ons oog en stelt ons in staat te zien wat daar gevonden wordt; en vormt ons op de aarde in overeenstemming met het karakter van Jezus. Wat betreft de verandering die plaatsvond in de voortgang van Gods bemoeiingen, schijnt het me toe dat dit de verwerkelijking was door de Geest van het resultaat van het feit dat de voorhang gescheurd was. Jezus wordt nog gezien als staande aan Gods rechterhand, omdat Hij tot Israëls verwerping van het getuigenis van de Heilige Geest nog niet definitief ging zitten wachten op het oordeel over Zijn vijanden. Liever bleef Hij, in de positie van Hogepriester, staande; de gelovige bij Hem daarboven door de Geest en de ziel nu al met Hem verenigd daar in de hemel; want door het bloed van Jezus, die nieuwe en levende weg, kon die nu ingaan binnen de voorhang. Maar aan de andere kant – nu de joden hetzelfde gedaan hebben met het getuigenis van de Heilige Geest als ze met betrekking tot Jezus deden, en in Stefanus Hem als het ware een boodschapper nazonden om Hem te zeggen: “Wij willen niet dat deze over ons regeert” – neemt Christus definitief Zijn plaats in, gezeten in de hemel, totdat Hij Zijn vijanden zal oordelen die niet wilden dat Hij over hen zou heersen. In deze laatste positie wordt Hij gezien in de brief aan de Hebreeën; waarin ze dan ook vermaand worden uit te gaan uit de legerplaats van Israël en het Offer te volgen waarvan het bloed gebracht was in het heiligdom; zo zouden ze vooruitlopen op het oordeel dat op voorlopige wijze over Jeruzalem kwam door middel van de Romeinen, om de natie terzijde te stellen, zoals het uiteindelijk door Jezus Zelf zal worden uitgevoerd. De positie van Stefanus lijkt dus op die van Jezus, terwijl het getuigenis dat van de Geest is aangaande Jezus in heerlijkheid. Dit maakt het grote principe van de brief aan de Hebreeën heel duidelijk. De leer van de gemeente, verkondigd door Paulus na de openbaring die hij kreeg op weg naar Damaskus, gaat verder dan dit beginsel. Want die maakt de eenheid bekend van christenen met Jezus in de hemel; niet alleen maar hun ingaan in het heiligdom door de gescheurde voorhang, waar vroeger alleen de priester mocht ingaan, achter de voorhang die God verborg voor het volk.

Maar merk hier op dat Stefanus als gevolg van het zien van Jezus in de hemel, volkomen lijkt op Jezus op aarde. Dit feit is kostbaar in genade voor ons. Het is alleen zo dat voor de heerlijkheid van Zijn Persoon in alle gevallen zorgvuldig gewaakt wordt. Hoewel de hemel geopend was voor Jezus, was Hij Zelf het Voorwerp waarop de hemel neerzag en werd Hij openlijk erkend en verzegeld door de Vader. Hij had geen gezicht nodig om een voorwerp aan Zijn geloof voor te stellen. Bij Hem was er dan ook geen verandering naar hetzelfde beeld door openbaring van de heerlijkheid. Maar het “Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn Geest” vinden we terug in de woorden “Heer Jezus, ontvang mijn geest”. En de liefde voor Israël die zich uitte in de voorbede “Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen”, vinden we terug in het gebed “Heer, reken hun deze zonde niet toe”. Behalve dat hier de Heilige Geest nu niet bevestigt dat ze onwetend zijn.

Maar het is goed een ogenblik stil te staan bij dat wat duidelijker de bijzondere positie doet uitkomen van Stefanus, het vat van het getuigenis van de Geest, zo definitief verworpen door de joden; en het Goddelijke karakter en de Persoon van Jezus, zelfs waar Zijn discipel het meest op Hem lijkt. De hemel is open voor Jezus, de Heilige Geest daalt op Hem neer en Hij wordt erkend als de Zoon van God. De hemel opent zich boven Jezus en de engelen dalen neer op de Zoon des mensen. Maar er wordt geen Voorwerp aan Hem voorgesteld. Hij is Zelf het Voorwerp waarop de hemel vol bewondering neerziet. De hemel zal zich eens openen aan het einde van de eeuw en Jezus Zelf zal verschijnen op het witte paard, dus in oordeel en overwinning (Openbaring 19:11). Hier opent de hemel zich ook en de discipel, de christen, vol van de Heilige Geest, ziet in de hemel en ziet daar Jezus aan de rechterhand van God. Jezus is nog steeds het Voorwerp, eerst van de hemel, maar nu van de gelovige die vervuld is met de Heilige Geest. Zodat dit toneel wat betreft het Voorwerp van het geloof en de positie van de gelovige definitief het karakter daarvan aangeeft. Jezus heeft geen Voorwerp, maar is Zelf het Voorwerp van de hemel als die opengaat. De gelovige heeft een Voorwerp en het is Jezus Zelf in de hemel als die open is. Verworpen, en verworpen door de joden zoals Jezus, deelhebbend aan Zijn lijden en vervuld met Zijn Geest van genade, zijn de ogen van Stefanus vast naar boven gericht, naar de hemel die de Heilige Geest voor hem opent; en hij ziet de Zoon des mensen daar klaar om zijn geest te ontvangen. De rest zal later komen.

Maar hier hebben we al dat de hemel niet alleen Jezus moest opnemen tot de tijd van het herstel van alle dingen, maar ook de zielen van de Zijnen die in Hem geloven tot het ogenblik van de opstanding; en dat de hele gemeente, in de geest, losgemaakt van de wereld die Hem verworpen heeft en van het judaïsme dat het getuigenis van de Heilige Geest weerstond. Het laatste, het judaïsme, wordt helemaal niet meer erkend. Er is geen enkele plaats meer voor Gods lankmoedigheid ten opzichte daarvan. De plaats van het judaïsme wordt ingenomen door de hemel en door de gemeente die, voor zover ze consequent is, haar Meester daar volgt in de geest, terwijl ze wacht op Zijn wederkomst. We kunnen hier opmerken dat het heiligdom om zo te zeggen open is voor alle gelovigen. De voorhang was inderdaad gescheurd door de dood van Christus, maar de genade van God was nog bezig met de joden als zodanig en stelde hen de terugkeer van Jezus naar de aarde voor; dat wil zeggen buiten de voorhang, als ze zich zouden bekeren, zodat de zegen dan op de aarde geweest zou zijn – de tijden van verkwikking door de komst van Christus, die de profeten hadden aangekondigd. Maar nu is het niet langer een Messias, de Zoon van David, maar een Zoon des mensen in de hemel; en door de Heilige Geest hier beneden wordt een geopende hemel gezien en gekend, en de grote Hogepriester (nu nog staande) aan de rechterhand van God is niet verborgen achter een voorhangsel. Alles is open voor de gelovige; de heerlijkheid en Hij die is ingegaan daarin voor Zijn volk. En dit lijkt me de reden te zijn waarom Hij nog staande gezien wordt. Hij had niet definitief Zijn plaats ingenomen als gezeten (voor altijd) op de hemelse troon, totdat het getuigenis van de Heilige Geest aan Israël van Zijn verhoging definitief verworpen was op aarde. Het vrije getuigenis van de Geest dat hier en later aan het licht komt is van het hoogste belang, zonder dat daardoor het apostolische gezag op zijn plaats wordt uitgeschakeld, zoals we zullen zien. Wat de joden betreft, totdat de Hogepriester verschijnt kunnen ze niet weten dat Zijn werk is aangenomen voor het volk; zoals ze op de grote Verzoendag moesten wachten totdat hij naar buiten kwam opdat ze het zouden weten. Maar voor ons is de Heilige Geest naar buiten gekomen terwijl Hij binnen is en we weten dat het werk is aangenomen. Dit is het eind van de eerste periode van de gemeente van God: haar geschiedenis in onmiddellijke verbinding met Jeruzalem en de joden, als het middelpunt waarop het werk van de apostelen betrekking had, “te beginnen bij Jeruzalem”, dat echter werd voortgezet in een gelovig overblijfsel, maar dat Israël als zodanig uitnodigde zich te voegen bij de gemeente, omdat het als volk het voorwerp van Gods liefde en zorg was, maar het wilde niet.

Hoofdstuk 8

Saulus was aanwezig bij de dood van Stefanus en stemde ermee in. Dan volgen enkele bijkomende gebeurtenissen, die de sfeer van het werk uitbreiden en de eenheid van het geheel bewaren, vóór de openbaring van de roeping van de volken als zodanig en van de gemeente als één lichaam, onafhankelijk van Jeruzalem en gescheiden van de aarde. Deze gebeurtenissen zijn: het werk van Filippus in de bekering van Samaria en van de Ethiopiër. De bekering van Cornelius en het gezicht dat Petrus kreeg, wat plaatsvond na de roeping van Saulus, die zelf in de gemeente wordt gebracht door een jood die een goede reputatie had onder de joden als zodanig. De arbeid van Petrus in het hele land Kanaän; en ten slotte de verbinding die gelegd wordt tussen de apostelen in Jeruzalem en de bekeerde gelovigen uit de volken in Antiochië. De tegenstand van Herodes, de valse koning van de joden, en de zorg die God nog voor Petrus heeft, en het oordeel van God over de koning. Daarna komt vanaf hoofdstuk 13 het rechtstreekse werk onder de volken met Antiochië als uitgangspunt, dat al was voorbereid door de bekering van Paulus, door middelen en met een openbaring die heel bijzonder waren. Laten we nu de bijzonderheden van deze hoofdstukken nagaan.

Na de dood van Stefanus breekt er vervolging uit. De overwinning die behaald was door de haat – die zijn doel vervuld zag onder de toelating van de Voorzienigheid – opent alle sluizen voor het geweld van de joodse leiders, die vijanden van het evangelie waren. Nu de barrière die hen eens in bedwang hield verbroken is, stromen de golven van de hartstocht aan alle kanten over. De mensen worden vaak weerhouden door een kleine rest van hun geweten, door gewoonten, door een bepaald idee van de rechten van anderen. Maar als de dijken eenmaal zijn doorgebroken, bevredigt de haat (de geest van moordlust in het hart) zichzelf als God het toelaat – door daden die tonen wat de mens is als hij aan zichzelf wordt overgelaten.

Maar al die haat volbrengt de wil van God, waarin de mens anders misschien zou hebben gefaald en die hij in sommige opzichten niet zou kunnen of zelfs niet zou mogen uitvoeren, dat wil zeggen de wil van God in soeverein oordeel. De verstrooiing van de gemeente betekende het oordeel van Israël. Het zou voor de discipelen moeilijk geweest zijn dit oordeel uit te spreken en uit te voeren doordat ze meer licht ontvingen. We zien hier dus dat de wegen van God in het besturen van alle dingen in Zijn eigen hand zijn, hoe groot de zegen en de kracht ook mag zijn in de sfeer waar de genade van God werkt. Ons deel in Zijn wegen met betrekking tot hen die buiten zijn is alleen genade te openbaren.

De hele gemeente wordt dus verstrooid, behalve de apostelen. Het is de vraag of de apostelen er goed aan deden om te blijven en of een eenvoudiger geloof hen niet had doen weggaan, waardoor aan de gemeente heel wat conflicten en moeilijkheden bespaard zouden zijn gebleven in verbinding met het feit dat Jeruzalem het middelpunt van gezag bleef. Dit verhindert op geen enkele manier de openbaring van de soevereine wijsheid van God. De ontwikkeling van de leer van de gemeente in haar eenheid, en als het lichaam van Christus, was alleen maar des te vollediger en zuiverder, zoals we die door Paulus onderwezen vinden; die uit het judaïsme werd geroepen door de openbaring van een hemelse Christus. Ook brengen deze wegen van Gods soevereine wijsheid geen enkele verandering in de verantwoordelijkheid van de mens. De uiterlijke eenheid van de gemeente bleef ook hierdoor bewaard, doordat er een band bleef bestaan tussen de andere plaatsen en Jeruzalem, totdat het werk onder de volken buiten het judaïsme deze verbindingen buitengewoon moeilijk en precair maakte. Maar dit deed de genade en de wijsheid van God alleen maar des te meer uitkomen.

De Heer had gezegd met het oog op Israël: “Wanneer zij u nu in deze stad vervolgen, vlucht in de andere”. En na Zijn opstanding geeft Hij hun bevel uit te gaan en alle volken tot discipelen te maken. Deze laatste opdracht vinden we niet uitgevoerd in de geschiedenis van de Handelingen en het werk onder de volken. En zoals we in Galaten 2 zien kwam die opdracht door een speciale overeenkomst die in Jeruzalem gesloten werd, in handen van Paulus. Zo werd ze op een totaal nieuwe grondslag geplaatst. Het Woord vertelt ons niets van de uitvoering van deze zending door de twaalven met betrekking tot de volken, of het moest de kleine, algemene aanduiding aan het eind van Markus zijn.

God werkt machtig in Petrus ten opzichte van de besnijdenis en in Paulus ten opzichte van de volken. Misschien kunnen we zeggen dat de twaalf apostelen niet vervolgd werden. Het is mogelijk, maar ik zeg niets definitiefs over dit punt. Maar het is duidelijk dat de gedeelten die ik heb aangehaald niet vervuld zijn in de Bijbelgeschiedenis en dat een andere regeling, een andere orde van zaken de plaats innam van wat de Heer had voorgeschreven. En dat joodse vooroordelen in feite, als gevolg van deze concentratie in Jeruzalem, een invloed hadden waarvan zelfs Petrus de grootste moeite had zich los te maken.

Zij die verstrooid waren predikten het woord overal, maar alleen aan de joden, voordat sommigen van hen in Antiochië kwamen (11:19). Maar Filippus daalde af naar Samaria en predikte hun Christus en deed wonderen. Ze luisteren allemaal naar hem en worden zelfs gedoopt. Zelfs iemand die hen tot dan toe in vervoering gebracht had door toverij, zodat ze zeiden dat hij de grote kracht van God was, onderwerpt zich aan de kracht die zijn schijnwonderen overtrof. Hij was des te meer overtuigd van de realiteit van deze kracht, waar hij zich bewust was van de onechtheid van zijn eigen kracht. De apostelen maken geen bezwaar met betrekking tot Samaria. De geschiedenis van Jezus moest hen in dit opzicht licht verschaft hebben. Bovendien waren de Samaritanen geen heidenen. Toch was het een Griek die daar het evangelie predikte.

Een nieuwe waarheid komt hier naar voren in verbinding met de regelmatige voortgang van de gemeente, namelijk dat de apostelen de Heilige Geest meedeelden door middel van gebed en oplegging van de handen. Dit is een heel belangrijk feit in de geschiedenis van Gods wegen. Bovendien was Samaria een overwinning waartoe al de energie van het jodendom niet in staat was geweest. Het was een nieuwe en prachtige overwinning voor het evangelie. Geestelijke energie om de wereld te onderwerpen was het eigendom van de gemeente. Jeruzalem was terzijde gesteld, haar tijd was in dat opzicht voorbij.

De aanwezigheid van de kracht van de Heilige Geest die werkt in Petrus, bewaart de gemeente vooralsnog voor het binnenkomen van huichelaars, de instrumenten van satan. Het grote en machtige feit dat God daar was manifesteerde zich en bracht de duisternis aan het licht die door omstandigheden verborgen was gebleven. Meegetrokken door de sterke stroom had Simon zich, wat zijn verstand betrof, overgegeven aan het gezag van Christus wiens Naam verheerlijkt was door de dienst van Filippus. Maar de ware toestand van zijn hart, het verlangen naar zijn eigen eer, de totale tegenstelling tussen zijn zedelijke toestand en alle beginsel, alle licht van God – dit alles verraadt zichzelf als het feit gezien wordt dat een mens de Heilige Geest kan meedelen. Hij wil deze macht kopen met geld. Wat een gedachte! Op die manier verraadt het ongeloof zich. Het scheen te zijn verdwenen, zodat de dingen van God uiterlijk aangenomen waren. Maar het komt nu aan het licht door iets dat voor iemand die de Geest heeft zo verschrikkelijk met God in strijd is dat het ware karakter ervan duidelijk is, zelfs voor een kind dat door God Zelf geleerd is.

Zo wordt Samaria in verbinding gebracht met het centrum van het werk in Jeruzalem, waar de apostelen nog waren. Het feit dat de Heilige Geest aan de Samaritanen gegeven werd, was al een enorme stap in de ontwikkeling van de gemeente. Ongetwijfeld waren ze besneden, ze erkenden de wet, hoewel de tempel in zekere mate zijn betekenis verloren had.

Maar we zien dat het geheel van de gelovigen hechter werd. En voor zover ze nog vasthielden aan Jeruzalem was dit tot positief nut. Want Samaria kwam door het aannemen van het evangelie in verbinding met haar oude rivale, net zoals de apostelen daarmee verbonden waren, en onderwierp zich aan haar. Waarschijnlijk gingen de apostelen in die tijd van vervolging niet naar de tempel. God had hun een wijd open deur daarbuiten gegeven en gaf hun op die manier ruimschoots vergoeding voor de overwinning die de leiders van Israël behaald hadden door het werk in Jeruzalem te doen ophouden.

Want de kracht van de Geest was met hen. Samengevat wordt hier dus voorgesteld hoe de Geest vrij is om te werken in anderen dan de apostelen, en buiten Jeruzalem, dat deze vrije werking van de Geest verworpen had. En verder hoe de verbinding met de apostelen en met Jeruzalem gehandhaafd blijft door de werkzaamheid van de apostelen vanuit Jeruzalem als middelpunt, en het gezag en de kracht waarmee ze bekleed waren.

Nadat Petrus en Johannes hun werk gedaan hebben en zelf verscheidene dorpen van de Samaritanen bereikt hebben met het evangelie, gaan ze terug naar Jeruzalem. Het werk daarbuiten gaat door en wel door middel van anderen. Filippus, in wie we een voorbeeld hebben van onmiddellijke, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid in eenvoudigheid van hart, wordt geroepen om zijn gezegende werk te verlaten, terwijl daarmee juist al zijn persoonlijke belang (als hij dat gezocht had) verbonden was en hij daarin met achting en liefde omringd werd. “Ga”, zegt de engel van de Heer, “zuidwaarts de weg op die afdaalt van Jeruzalem naar Gaza”. Het was een woestijn. Filippus’ bereidwillige gehoorzaamheid denkt niet aan het verschil tussen Samaria en Gaza, maar aan de wil van de Heer; en hij gaat.

Het evangelie breidt zich nu uit tot de proselieten vanuit de volken en vindt zijn weg naar het middelpunt van Ethiopië. De opperschatbewaarder van de koningin wordt toegelaten te midden van de discipelen van de Heer door de doop, die zijn geloof in het getuigenis van de profeet Jesaja bezegelde. En hij zet zijn reis voort met blijdschap over de verlossing, die hij na een vermoeiende reis uit een ver land in Jeruzalem gezocht had, in plichten en ceremoniën volgens de wet, maar met geloof in Gods Woord. Prachtig beeld van de genade van het evangelie! Hij neemt met zich mee naar huis wat de genade hem gegeven had in de woestijn – wat zijn vermoeiende reis naar Jeruzalem hem niet verschaft had. De arme joden, die het getuigenis verdreven hadden uit Jeruzalem, staan overal buiten. De Geest van de Heer voert Filippus ver weg en hij wordt gevonden in Azote. Want alle kracht van de Heer staat ten dienste van de Zoon des mensen voor de vervulling van het getuigenis van Zijn heerlijkheid. Filippus verkondigt het evangelie in alle steden tot Cesaréa.

Hoofdstuk 9

Nu beginnen een werk en een arbeider van een ander karakter zich op het toneel af te tekenen. We hebben de felle tegenstand gezien van de leiders van Israël tegen het getuigenis van de Heilige Geest, hun hardnekkige verwerping van de lankmoedige genade van God. Israël verwierp al het werk van de God van de genade ten behoeve van Zijn volk. Saulus werpt zich op als de apostel van hun haat tegen de discipelen van Jezus, tegen de dienstknechten van God. Hij is niet tevreden met de opsporing van de discipelen in Jeruzalem. Daarom vraagt hij brieven van de hogepriester, opdat hij ook naar buitenlandse steden kan gaan om hen gevangen te nemen. Israël is in totale opstand tegen God, maar Saulus is de vurige zendeling van hun boosheid – in onwetendheid ongetwijfeld, maar toch de gewillige slaaf van zijn joodse vooroordelen.

Hiermee bezig nadert hij Damaskus. Daar, op het hoogtepunt van zijn loopbaan, gedreven door zijn ongebroken wil, roept de Heer Jezus hem een halt toe. Een licht uit de hemel omstraalt hem en hult hem in zijn verblindende glans. Hij valt ter aarde en hoort een stem tegen hem zeggen: “Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?” De heerlijkheid die hem ter aarde geworpen had, liet er geen twijfel aan bestaan – samen met de stem die ermee gepaard ging – dat de autoriteit van God erin geopenbaard werd. Zijn wil is hierdoor gebroken, zijn trots ten val gebracht, zijn geest onderworpen en hij vraagt: “Wie bent U, Heer?” Het gezag van de Persoon die sprak was onloochenbaar. Het hart van Saulus onderwierp zich aan dat gezag. Maar het was Jezus! Zijn loopbaan van eigenwil was voor altijd afgelopen. Bovendien was de Heer der heerlijkheid niet alleen Jezus. Hij erkende ook de arme discipelen die Saulus als gevangenen naar Jeruzalem wilde voeren als één met Hemzelf: “Waarom vervolg je Mij?”

Hoeveel dingen werden er in die paar woorden geopenbaard! De Heer der heerlijkheid verklaarde dat Hij Jezus was, die door Saulus vervolgd werd. De discipelen waren één met Hem. De joden waren openlijk in staat van oorlog met de Heer Zelf gewikkeld. Het hele systeem dat ze handhaafden, heel hun wet, heel hun officieel gezag, al Gods inzettingen – dat alles had niet verhinderd dat ze openlijk streden tegen de Heer. Saulus zelf, die gewapend was met hun gezag, zag nu dat hij bezig was met het uitroeien van de aardbodem van de Naam van de Heer en de Zijnen. Dit was een verschrikkelijke ontdekking voor hem, die zijn ziel volledig overweldigde en alomvattende gevolgen voor hem had. Geen enkel zedelijk element van zijn ziel hield stand voor de kracht van deze ontdekking. Het was vruchteloos het kwaad te verzachten. IJver voor het jodendom betekende ijver tegen de Heer. Zijn eigen geweten had die ijver alleen maar gestimuleerd. De overheden die door God waren ingesteld, die omgeven waren met de krans van eeuwenlang eerbetoon, nog vermeerderd door de huidige rampspoed van Israël dat nu niets anders dan zijn godsdienst bezat – deze overheden hadden zijn inspanningen tegen de Heer alleen maar gewettigd en bevorderd. De Jezus die ze verwierpen was de Heer. Het getuigenis dat ze probeerden te onderdrukken was Zijn getuigenis. Wat een verandering voor Saulus! Wat een nieuwe situatie, zelfs in de ogen van de apostelen die in Jeruzalem bleven toen allen verstrooid werden – trouw inderdaad ondanks de tegenstand van de leiders van Israël, maar zelf in verbinding met de natie.

Maar het werk ging nog dieper. Ongetwijfeld was hij misleid. Maar zijn eigen geweten – want hij dacht dat hij veel vijandigs moest doen tegen de Naam van Jezus van Nazareth – maakte hem heel duidelijk dat hij een vijand van de Heer was. Zijn onberispelijke gerechtigheid volgens de wet, voor zover de mens daarover kon oordelen, had alleen tot resultaat gehad dat hij zich verhardde en openlijk streed tegen de Heer. Zijn oversten en de autoriteiten van de oude religie, alles waarop hij zich zedelijk en godsdienstig baseerde, alles werd voor altijd in hem verbrijzeld. Zijn hele wezen werd voor God verbroken. Er bleef niets van hem over dan dat hij een verklaarde vijand van God was, afgezien daarvan dat zijn eigenwil door dit gebeuren ook gebroken werd. Dat was nu degene die een uur geleden nog als een gewetensvol, onberispelijk, godsdienstig mens zijn weg ging! Vergelijk ook, hoewel deze openbaring van Christus hem veel verder bracht, Galaten 2:20; Filippi 3; 2 Korinthe 1:9; 4:10 en nog veel meer plaatsen.

Nog andere belangrijke punten worden hier naar voren gebracht. Saulus had Jezus niet op aarde gekend. Hij ontving geen getuigenis als de andere apostelen dat Hij tot Heer en tot Christus gemaakt was, want hij had Hem niet vanaf het begin gekend. Hij ziet Jezus niet opvaren naar de hemel waar Hij uit het gezicht verdwijnt. Maar hij ziet de Heer die hem voor het eerst verschijnt vanuit de hemel, en die zegt dat Hij Jezus is. Een verheerlijkte Heer is de Enige die hij kent. Zijn evangelie, zoals hij het zelf uitdrukt, is het evangelie van de heerlijkheid. Als hij Christus al naar het vlees gekend had, dan nu toch niet meer.

Maar we vinden hier nog een ander belangrijk principe. De Heer der heerlijkheid heeft leden op aarde: “Ik ben Jezus, Die jij vervolgt”. Saulus vervolgde Hem Zelf. De arme discipelen waren been van Zijn benen en vlees van Zijn vlees. Hij zag op hen en koesterde hen als Zijn eigen vlees. Zo zien we dus dat de heerlijkheid en de eenheid van de gelovigen met Jezus, hun Hoofd in de hemel, de waarheden zijn die verbonden zijn met de bekering van Saulus, met de openbaring van Jezus aan hem, met het geloof dat in zijn hart gewerkt werd. En dat op een wijze die het judaïsme van alle kanten ten val bracht in zijn ziel – en dat in een ziel waarin het judaïsme een integraal deel van haar bestaan vormde en heel haar karakter bepaalde.

Nog een punt ontlenen we aan zijn verslag van dit gezicht dat we later in de Handelingen vinden. Dit is opmerkelijk in verband met zijn loopbaan. De Heer zegt tegen hem: “Ik neem u uit het volk en uit de volken en zend u tot hen” (Handelingen 26:17). Dit morele doel van de dienst van Paulus zonderde hem af van zowel de joden als de volken – natuurlijk van de joden, maar het maakte ook geen heiden van hem – en verenigde hem met een verheerlijkte Christus. Hij was noch jood noch heiden wat zijn geestelijke positie betrof. Heel zijn leven en heel zijn dienst vloeide voort uit zijn vereniging met een hemelse, verheerlijkte Christus.

Niettemin komt hij in de gemeente langs de gebruikelijke weg – evenals Jezus in Israël – en neemt hij nederig zijn plaats in daar waar de waarheid van God door Zijn kracht gevestigd was. Drie dagen was hij blind en totaal overweldigd door zo’n ontdekking – wat begrijpelijk was – zodat hij niet at en niet dronk. Naderhand wordt (buiten het feit van zijn blindheid, die een rustig, voortdurend en ondubbelzinnig bewijs was van de waarheid van wat met hem gebeurd was) zijn geloof bevestigd door de komst van Ananias. Ananias kan hem in opdracht van de Heer zeggen wat er met hem gebeurd was, hoewel hij niet buiten de stad geweest is. Deze omstandigheid is des te treffender omdat Saulus al in een gezicht gezien had dat Ananias zou komen en zijn gezichtsvermogen zou herstellen. En dit doet hij dan ook, zodat Saulus weer kan zien. Hierop laat hij zich dopen, neemt voedsel en voelt zich sterker worden.

Het gesprek van Jezus met Ananias is opmerkelijk, omdat het toont met welke duidelijke bewijzen de Heer Zich in die tijd openbaarde. Terwijl we bovendien de heilige vrijheid en het vertrouwen zien waarmee de ware en trouwe discipel met Hem sprak. De Heer spreekt zoals een man spreekt tegen zijn vriend. Hij noemt bijzonderheden van plaats en omstandigheden en Ananias spreekt met volkomen vertrouwelijke openheid met de Heer over Saulus. Jezus antwoordt hem niet met streng gezag, hoewel Ananias natuurlijk moest gehoorzamen, maar Hij geeft een geduldige verklaring. Hij spreekt tegenover Ananias als iemand die Zijn vertrouwen waard is, door te verklaren dat Saulus een uitverkoren vat is om Zijn Naam te dragen zowel voor volken als koningen en zonen van Israël; en dat Hij hem zal tonen hoeveel hij voor Zijn Naam zal moeten lijden.

Saulus aarzelt niet zijn geloof te belijden en uit te dragen; en wat hij zegt is bij uitstek onze aandacht waard. Hij predikt in de synagoge dat Jezus de Zoon van God is. Het is de eerste keer dat dit gebeurt. Dat Hij verhoogd was aan Gods rechterhand – dat Hij Heer en Christus was – was al gepredikt. De verworpen Messias was verheerlijkt in de hemel. Maar hier is het de eenvoudige leer met betrekking tot Zijn persoonlijke heerlijkheid: Jezus is de Zoon van God.

In de woorden van Jezus tot Ananias, komen de zonen van Israël het laatst. Saulus begint nog niet met zijn openbare dienst. Dit is om zo te zeggen alleen een uiting van zijn persoonlijke trouw, zijn ijver, zijn geloof, te midden van hen die hem omringden, met wie hij van nature verbonden was. Het duurde niet lang voor de tegenstand zich openbaarde, in het volk dat geen Christus wilde hebben, tenminste niet een Christus naar Gods gedachten. Maar de discipelen laten hem ontkomen, door hem in een mand langs de muur naar beneden te laten zakken. Door bemiddeling van Barnabas – een goed man en vol van de Heilige Geest en van geloof, die door genade geleerd was de waarheid met betrekking tot de nieuwe discipel te waarderen – neemt de gevreesde Saulus zijn plaats in onder de discipelen zelfs in Jeruzalem. Dit gebeurde, naar het schijnt, pas later. Maar het feit wordt hier genoemd om hem als het ware zijn plaats onder de christenen te laten innemen.

Wonderbare overwinning van de Heer! Unieke positie voor Saulus zelf, daar te midden van de discipelen te zijn, als hij niet volkomen in beslag genomen zou zijn door de gedachte aan Jezus. In Jeruzalem redetwist hij met de Griekse joden. Hij was een van hen. De Hebreeën waren niet zijn normale terrein. Ze proberen hem te doden, maar de discipelen brengen hem naar de kust en sturen hem naar Tarsus, zijn geboorteplaats.

De overwinning van de genade heeft, door de hand van God, de tegenstander tot zwijgen gebracht. De gemeenten hebben vrede en worden opgebouwd. Ze wandelen in de vrees van de Heer en in de vertroosting van de Heilige Geest, de twee grote elementen van zegen; en ze nemen toe in aantal. De vervolging vervult de plannen van God. De vrede die Hij geeft biedt gelegenheid om te groeien in de genade en de kennis van Hemzelf. We leren de wegen en de regering van God te midden van de onvolmaaktheid van de mens.

Nu er vrede heerst door Gods goedheid – de enige hulpbron van hen die werkelijk op Hem wachten in onderworpenheid aan Zijn wil – reist Petrus door alle delen van Israël. De Geest van God vermeldt deze omstandigheid hier tussen de bekering van Saulus en zijn apostolische werk. Dit is ongetwijfeld om ons te laten zien dat de apostolische kracht van Petrus werkzaam was juist op het moment dat de roeping van de nieuwe apostel nieuw licht zou brengen, en een in veel belangrijke opzichten nieuw werk.

Op die manier bekrachtigde God het werk dat al gedaan was als Zijn werk en wettigde Hij de plaats ervan, welke groei er ook mocht zijn in de vervulling van Zijn raadsbesluiten. Bovendien zien we hieruit dat de volken een plaats krijgen in de gemeente zoals die in het begin door Gods genade gegrond was. Hierdoor bleef de eenheid van de gemeente bewaard en drukte Hij Zijn zegel op dit werk van hemelse genade.

Hoofdstuk 10

De gemeente bestond. De leer van haar eenheid als het lichaam van Christus, buiten de wereld, was nog niet bekend gemaakt. De toelating van Cornelius maakte die niet bekend, hoewel ze de weg ervoor baande. De onverminderde kracht van Petrus, zijn apostolisch gezag, in verbinding waarmee de toelating van Cornelius tot het geestelijke huis van God plaatsvindt, samen met de dienst van Petrus, en dat na de roeping van Saulus die nieuwe perspectieven opende – al die feiten samengenomen bevestigden wat voorafgegaan was. Het oorspronkelijke werk werd helemaal niet terzijde gesteld om een ander werk te kunnen invoeren. Niettemin openbaarde noch het gezicht van Petrus, noch de toelating van Cornelius de gemeente als het lichaam van Christus. Ze bewezen alleen dat in elke natie, wie Hem vreest, Hem aangenaam is. Kortom, dat Gods gunst niet beperkt was tot de joden en dat het niet nodig was een jood te worden om deel te krijgen aan de behoudenis die in Christus is. De eenheid van het lichaam verenigd met het Hoofd in de hemel kwam niet aan het licht door deze gebeurtenis. Maar hierdoor werd de weg bereid voor de verkondiging van die waarheid, omdat in feite iemand uit de volken op aarde werd toegelaten zonder dat hij jood werd. Het vond individueel plaats op aarde, hoewel de leer zelf niet werd onderwezen. De bekering tot het eeuwige leven werd gegeven aan de volken als zodanig. De Heilige Geest – het zegel van de christelijke zegen onder de joden, de vrucht van het verlossingswerk dat Jezus volbracht had – werd evengoed aan de volken als aan de joden gegeven. Misschien tot verbazing van de joden. Maar het was onmogelijk om God te weerstaan. Door genade konden ze Hem ervoor danken.

Vanaf hoofdstuk 9:32 tot 11:18 zien we dus de kracht van Gods Geest die met Petrus is te midden van Israël, en de toelating van de volken in de gemeente zoals ze op aarde was, zonder dat ze joden werden of zich onderwierpen aan de oude orde die ging verdwijnen. Verder dat het zegel van de Geest op hen gezet wordt; en dat de leiders van de gemeente in Jeruzalem en de vurigste gelovigen uit de besnijdenis het feit aannemen als de wil van God en Hem ervoor danken, terwijl ze zich eraan onderwerpen ondanks hun vooroordelen. De deur staat dus open voor gelovigen uit de volken. Dit was een enorme stap. De kostbare leer van de gemeente moest nog bekend gemaakt worden.

Petrus had de roeping van de volken aangekondigd in zijn eerste rede. Maar om die uit te voeren en vorm te geven aan de voorwaarden ervoor, in verbinding met wat historisch al bestond, was de tussenkomst, het gezag en de openbaring van God nodig. De ontwikkeling is duidelijk dankzij de geduldige genade van God; want het was niet de wijsheid van de mens. Volkomen joods bij het begin, werd het volk van Jeruzalem geleerd dat Jezus zou terugkomen als ze zich bekeerden. Dit getuigenis van genade wordt verworpen, en in de persoon van hem die het getuigenis aflegde worden de eerstelingen van de gemeente vergaderd in de hemel. De Heilige Geest werkt in Zijn soevereine vrijheid in Samaria en onder de proselieten. Als de gemeente verstrooid wordt door de vervolging, wordt Saulus eraan toegevoegd door de openbaring van een verheerlijkte Christus en door een getuigenis uit Zijn mond, dat de eenheid inhoudt van de gelovigen op aarde met Hemzelf in één lichaam, als hun Hoofd in de hemel. Daarna wordt iemand uit de volken, een vrome heiden, toegelaten. Hij was wel bekeerd, maar hij was een heiden, totdat hij in Christus geloofde en de Heilige Geest ontving. Op grond van dit kenmerk, dit getuigenis – dit zegel van God Zelf op zijn geloof – wordt hij door de apostel en de discipelen die het meest aan het jodendom gehecht waren toegelaten. Petrus doordat hij hem doopt en de anderen doordat ze de daad van Petrus aanvaarden.

Hoofdstuk 11

Laten we hier opmerken dat de behoudenis niet alleen bestaat uit het feit dat iemand levend gemaakt en godvruchtig is, maar uit de volle verlossing om ons in gerechtigheid voor God Zelf te plaatsen. Deze verlossing geeft God aan ieder die leven heeft door de werking van God. Cornelius was vroom en hij was dat oprecht en ernstig. Maar hij hoort woorden over een werk dat voor hem verricht is waardoor hij kon worden en (zoals we weten) werd behouden. Uiteindelijk is het zegel van de Heilige Geest, op grond van het geloof in Jezus, 4 de basis waarop zij die God toelaat erkend worden. Dat wil zeggen, het is het volledige bewijs voor de mens.

Met hoofdstuk 11:19 begint het verslag van de nieuwe orde van zaken waardoor de dienst van Paulus gekenmerkt wordt. Onder hen die verstrooid werden naar aanleiding van de dood van Stefanus, en die de Heer Jezus predikten zelfs tot aan Antiochië, waren er enkelen die van huis uit meer vertrouwd waren met de Grieken, omdat ze uit Cyprus en Cyrene kwamen. Daarom spraken ze ook tot de Grieken in deze oude hoofdstad van de Seleuciden en velen namen hun woord aan en bekeerden zich tot de Heer. De gemeente in Jeruzalem, die al was voorbereid door de bekering van Cornelius, waardoor God de toelating van de volken toonde, accepteert deze gebeurtenis ook en stuurt Barnabas – die zelf ook uit Cyprus kwam – naar Antiochië. Omdat hij een goed man is en vol van de Heilige Geest, is zijn hart vol vreugde bij het zien van dit werk van Gods genade; en een grote schare wordt de Heer toegevoegd.

Voorlopig staat alles in verbinding met het werk in Jeruzalem, hoewel het zich nu uitbreidt tot de volken. Barnabas is kennelijk niet meer opgewassen tegen het werk en gaat – in elk geval onder Gods leiding – op zoek naar Saulus, die naar Tarsus gegaan was toen men hem zocht te doden. Daarop vergaderen ze beiden een jaar lang in de gemeente Antiochië en onderwijzen een grote schare. Maar alles vindt nog plaats in verbinding met Jeruzalem, vanwaar enkele profeten komen die een hongersnood aankondigen. De banden tussen de kudde en Jeruzalem als centrum blijken en worden versterkt door het zenden van ondersteuning naar die godsdienstige hoofdstad van het jodendom en van het christendom, gezien vanuit zijn uitgangspunt in het joodse overblijfsel dat geloofde in Jezus als de Christus.

Barnabas en Saulus worden zelf belast met deze dienst en gaan op naar Jeruzalem om deze taak te volbrengen. Dit voorval brengt ons terug naar Jeruzalem, waar de Geest ons nog iets wil tonen van de wegen van God.

Hoofdstuk 12

Herodes begint de gemeente in die stad te vervolgen, om de joden een genoegen te doen. We zien hier dat het geheel van de gelovigen in Antiochië ook de gemeente genoemd wordt (11:26), wat tot nu toe nergens het geval was. Allen werden gezien als integraal deel uitmakend van het werk in Jeruzalem,5 evenals de joden in verbinding stonden met dit centrum van hun godsdienstige systeem, hoe groot hun synagogen of de invloed van hun rabbi’s ook mocht zijn. Iedere jood als zodanig vond zijn oorsprong in Jeruzalem. Barnabas en Saulus komen samen met de gemeente in Antiochië. Er is nu een plaatselijke gemeente gevormd die zich bewust is van haar bestaan en die, hoewel ook ermee verbonden, apart van Jeruzalem gezien wordt; en gemeenten zonder hoofdstad beginnen nu te verschijnen.

Maar om terug te gaan naar Jeruzalem. Herodes, een goddeloze koning en in sommige opzichten een type van de antichrist, de koning van het einde, begint het trouwe overblijfsel in Jeruzalem te vervolgen. Niet alleen de joden zijn hun tegenstanders. De koning, die ze als joden verafschuwden, verbindt zich met hen door zijn haat ten opzichte van het hemelse getuigenis. Hij denkt dat hij door dit middel hun gunst zal kunnen winnen. Hij doodt Jakobus en neemt verder ook Petrus gevangen. Maar God bewaart Zijn dienstknecht en verlost hem door Zijn engel in antwoord op de gebeden van de gelovigen. God laat toe dat sommigen gedood worden (gelukkige getuigen van hun hemelse deel in Christus), terwijl Hij anderen bewaart om het getuigenis op aarde verder uit te dragen, ondanks alle – schijnbaar onweerstaanbare – macht van de vijand. Een macht die de Heer teniet doet door de manifestatie van wat Hem en alleen Hem behoort, en waarvan Hij gebruik maakt op Zijn tijd en Zijn wijze. De arme gelovigen kunnen ondanks hun vurig gebed (in die tijd had men dus bidstonden) nauwelijks geloven dat God hun gebed verhoord heeft, als Petrus op de deur klopt. De wens werd oprecht aan God voorgelegd, maar het geloof durfde bijna niet op Hem te rekenen.

Herodes die verbijsterd is door de macht van Hem die hij weerstond, veroordeelt de werktuigen van zijn haat ter dood en vertrekt naar Cesaréa, de zetel van zijn gezag op het terrein van de volken. Omdat hij daar zijn heerlijkheid laat zien en het kruiperige eerbetoon van het volk aanneemt alsof hij een god zou zijn, slaat God Zelf hem en betoont hem dat Hij de Heerser van deze wereld is, hoe groot de trots van de mens ook mag zijn. Maar het woord van God breidt zich uit door Zijn genade; en Barnabas en Saulus gaan, nadat ze hun dienst volbracht hebben, terug naar Antiochië, terwijl ze Johannes met zich meenemen die de bijnaam Markus heeft.

Hoofdstuk 13

We komen nu bij het begin van de rechtstreekse geschiedenis van het werk dat in enkele belangrijke opzichten nieuw is, namelijk in verband met de zending van Paulus door de onmiddellijke tussenkomst van de Heilige Geest. Hier zien we geen Christus op aarde, die door Zijn persoonlijk gezag de twaalf apostelen uitzendt, die later bekleed worden met de kracht van de Heilige Geest uit de hoge om Zijn verhoging in de hemel en Zijn wederkomst te verkondigen en hen die in Hem zouden geloven onder de banier van het kruis te vergaderen. Paulus heeft Christus in de heerlijkheid gezien en heeft zich daarom gevoegd bij de gemeente die al vergaderd was. Maar hier is Christus niet persoonlijk aanwezig om hem uit te zenden als getuige van Zijn tegenwoordigheid op aarde of van Zijn verwerping als een Persoon die Paulus gekend had op aarde. De Heilige Geest Zelf zendt hem uit. Niet vanuit Jeruzalem, maar vanuit een Griekse stad, waarin Hij in vrije en soevereine kracht personen uit de volken, evenals ongetwijfeld enkele joden, had bekeerd en bijeenvergaderd. Maar de gemeente die Hij hier had gevormd had als bijzonder kenmerk dat het evangelie hier voor het eerst aan de Grieken werd gepredikt.

In hoofdstuk 13 bevinden we ons dus weer in de gemeente in Antiochië, te midden van de onafhankelijke werking van de Geest van God. De werking van de Geest is altijd onafhankelijk. Maar mijn bedoeling is hierom aan te geven dat het buiten het gezag van de apostelen was. Dat gezag was niet de bron van wat hier gebeurt. En er is evenmin een verwijzing naar dat gezag door dit gebeuren zelf. Er zijn daar bepaalde profeten, waaronder Saulus. Ze vastten en waren bezig met de dienst van de Heer. De Heilige Geest beveelt hen Barnabas en Saulus voor Hem af te zonderen voor het werk waartoe Hij hen geroepen had. Dat was de bron van de dienst van deze beide mannen. Ongetwijfeld getuigde deze dienst van Hem in wie ze geloofden en die Saulus in elk geval gezien had; en hun werk deden ze onder Zijn gezag. Maar de rechtstreekse, duidelijke oorsprong van hun opdracht was de Heilige Geest. De Heilige Geest riep hen voor dit werk. Ze werden door Hem uitgezonden (vers 4). Dit is een buitengewoon belangrijk principe met betrekking tot de wegen van de Heer op aarde. We verlaten Jeruzalem en het jodendom. We verlaten het rechtsgebied van de apostelen die de Heer had aangesteld toen Hij op aarde was. We kennen Christus nu niet meer naar het vlees, zoals Saulus het uitdrukt (toen hij Paulus geworden was).

Ze hebben te strijden tegen de joodse geest – er begrip voor te tonen voor zover hij oprecht is. Maar de bronnen van hun werk staan nu niet in verbinding met het systeem dat door dit werk niet langer als uitgangspunt gekend wordt. Een verheerlijkte Christus in de hemel, die Zijn discipelen erkent als leden van Zijn lichaam, als Zichzelf daarboven; een zending door de Heilige Geest op aarde die alleen de kracht van de Geest kent als de bron van werkzaamheid en gezag (getuigend natuurlijk van Christus): dat is het werk dat nu begint en aan Barnabas en Saulus wordt toevertrouwd.

Het is waar dat Barnabas een schakel vormt tussen het nieuwe en het oude werk. Hij was zelf een Griek afkomstig uit Cyprus. Juist hij stelde Saulus aan de apostelen voor na zijn bekering bij Damaskus. Barnabas had een ruimer hart en stond meer open voor de bewijzen van goddelijke genade, dan zelfs de apostelen en de anderen die in een streng judaïsme waren opgevoed. Want God in Zijn genade voorziet overal in. Er is altijd een Barnabas, zowel als een Nicodémus, een Jozef en zelfs een Gamaliël, als ze maar nodig zijn. Gods daden in dit opzicht zijn in heel deze geschiedenis opmerkelijk. Hadden we maar meer vertrouwen in Hem die alle dingen beschikt, terwijl we door de Geest Zijn wil doen!

Niettemin wordt zelfs deze schakel al gauw verbroken, omdat die nog verbonden was met het “oude kleed”, de “oude zakken”, hoe gezegend Barnabas zelf ook was. Want de Heilige Geest gaf een prachtig getuigenis van hem en we zien dat hij een voortreffelijk karakter had. Hij besloot om ook zijn bloedverwant Markus mee te nemen (zie Kolosse 4:10). Markus gaat terug naar Jeruzalem bijna vanaf het begin van het evangelisatiewerk onder de volken. En Saulus zet zijn werk voort met werktuigen zoals God die vormde door zijn hand, of zoals Silas die liever in Antiochië bleef toen de speciale taak die hem in Jeruzalem was opgedragen beëindigd was en hij uiteraard met Judas had kunnen teruggaan naar Jeruzalem.

Op deze wijze uitgezonden door de Heilige Geest gaan Barnabas en Saulus, met Johannes Markus als hun dienaar, op weg naar Seleucië en dan naar Cyprus. Terwijl ze in Salamis zijn, een stad op dat eiland, prediken ze het Woord van God in de synagogen van de joden. Hoe de kracht van de Geest zich ook mocht openbaren, Hij doet Zijn werk in verbinding met de raadsbesluiten en de beloften van God – en dat met volmaakt geduld. Tot het eind van zijn leven gaat de apostel – zoals de wegen en de raadsbesluiten van God in Christus bevolen hadden – eerst naar de joden en dan naar de volken. Ondanks de tegenstand van de joden, hoe hinderlijk en onverzoenlijk die ook mocht zijn. Zodra ze in de gemeente van God gebracht waren, waar genade en waarheid volledig geopenbaard waren, was er geen verschil tussen joden en volken. God is één in Zijn karakter en Hij is volkomen geopenbaard en de voorhang is gescheurd. De zonde is één in haar karakter en verzet zich tegen God. Het fundament van de waarheid verandert niet en de eenheid van de gemeente heeft te maken met de hoogte van Gods genade die zich neerbuigt tot de diepte van de totaliteit van de zonde, ten aanzien waarvan die genade zich heeft geopenbaard. Maar met betrekking tot de wegen van God op aarde hadden de joden de eerste plaats. En de Geest, die boven alles staat, kan dus in volle vrijheid te werk gaan, terwijl Hij al de wegen van Gods soevereiniteit erkent. Evenals Christus, die Zelf een Dienstknecht werd in Zijn genade, Zich onderwierp aan al die wegen en nu – verhoogd daarboven – al die verschillende wegen en bedelingen in Zich verenigt als Hoofd en Middelpunt van een heerlijkheid waarvan de Heilige Geest getuigt om die hier beneden, voor zover mogelijk, door genade te verwerkelijken.

Maar dit verhindert de apostel niet een duidelijk en beslist oordeel uit te spreken met betrekking tot de toestand van de joden, als de gelegenheid dat vereist. Zelfs hier bij het begin van zijn dienst worden beide dingen samen voorgesteld. We hebben al gezien dat hij begint bij de joden. Na het eiland doorgereisd te hebben bereikt hij de zetel van de regering. Daar verlangt de stadhouder, een wijs en verstandig man, het evangelie te horen. Hij laat Barnabas en Saulus komen. Hij had al een valse profeet bij zich die gebruik maakte van de behoefte die zijn ziel voelde. Hij was wel onwetend maar verlangde oprecht naar iets dat de leegte kon vullen die hij voelde bij de onbenulligheid van de heidense ceremoniën en de afschuwelijke immoraliteit ervan. Elymas weerstaat hen. Dat was begrijpelijk, want hij zou zijn invloed verliezen op de stadhouder als die de waarheid aannam die Paulus predikte. Elymas nu was een jood. Saulus, die voortaan Paulus genoemd wordt, spreekt – vervuld met de Heilige Geest – het oordeel over hem uit namens God. Een tijdlang zou hij blind zijn. Dit oordeel wordt onmiddellijk uitgevoerd door de machtige hand van God. De stadhouder is verslagen door de kracht die met de prediking van het woord gepaard gaat en onderwerpt zich aan het evangelie van God.

Ik twijfel er niet aan of we zien in deze rampzalige Bar-Jezus een beeld van de joden in de tegenwoordige tijd. Ze zijn voor een tijd met blindheid geslagen, omdat ze jaloers zijn op de invloed van het evangelie. Om de maat van hun ongerechtigheid vol te maken verzetten ze zich tegen de prediking van het evangelie aan de volken. Hun toestand is geoordeeld. Hun geschiedenis wordt weergegeven in de zending van Paulus. Ik weet niet of de verandering in zijn naam waarop hier gewezen wordt, niet eenvoudig een wijziging is waardoor de joodse vorm verloren ging, zodat zijn naam een Romeinse of een Griekse vorm aannam. De betekenis hiervan heeft de nieuwsgierigheid van etymologen opgewekt. Omdat de joden de genade weerstaan en de uitwerking ervan op de volken proberen teniet te doen, zijn ze met blindheid geslagen – maar alleen voor een tijd.

Ze varen af van Pafos en komen in Klein-Azië. En nu krijgt Paulus zijn bijzondere plaats in de ogen van de geschiedschrijver van de Geest. Het hele gezelschap van Paulus wordt omschreven als “zij die met hem waren”. Dit is een uitdrukking in het Grieks die Paulus alles maakt (Paulus’ gezelschap. Letterlijk “zij rondom Paulus”). Als ze Perge bereiken verlaat Johannes Markus hen om terug te gaan naar Jeruzalem. Hier zien we een mildere en meer gematigde vorm van de joodse invloed, die wel geen tegenstand teweegbracht, maar in elk geval de kracht wegnam die nodig was voor het werk van God zoals het zich nu onder de volken uitbreidde. Maar Barnabas zet de reis voort en gaat met Paulus door in het werk. Zodra ze in Antiochië in Pisidië komen begint Paulus opnieuw het eerst bij de joden. Hij gaat op sabbatdag naar de synagoge en verkondigt, op uitnodiging van de oversten, het evangelie. Hij predikt Jezus, verworpen door de joden in Jeruzalem en gekruisigd, maar weer opgewekt door de kracht van God. Door Hem konden ze gerechtvaardigd worden van alle dingen waarvan ze niet gerechtvaardigd konden worden door de wet van Mozes. Hier lijkt het getuigenis van Paulus veel op dat van Petrus en is het heel speciaal verbonden met het begin van de brief aan de Hebreeën, wat betreft het karakter van het getuigenis. Vers 33 is precies het getuigenis van Petrus in Handelingen 3. In vers 31 geeft hij de twaalf apostelen een aparte plaats als getuigen tegenover Israël, omdat ze Hem persoonlijk vergezeld hadden en Hem na Zijn opstanding gezien hadden: “… die <nu> Zijn getuigen zijn bij het volk”. Het getuigenis van Paulus gaat, wat de vervulling van de beloften betreft door de komst van Christus en de bevestiging van de gewisse weldadigheden van David en door Zijn opstanding, terug naar het karakter van de prediking van Petrus. Maar op een belangrijk punt wijkt het ervan af. Want hij zegt niets over het feit dat God Hem tot Heer en tot Christus gemaakt heeft. Hij verkondigt dat vergeving van zonden gepredikt wordt in Zijn Naam, terwijl hij zijn hoorders vermaant dit grote heil niet te verachten. Beide apostelen volgen, zoals we gezien hebben, hoofdzakelijk de opdracht in Lukas 24.

Velen volgen Paulus 6 en Barnabas als gevolg van deze verkondiging, en ze worden vermaand te blijven bij de genade die hen bekendgemaakt was. De volgende sabbat komt bijna de hele stad samen om het woord van God te horen. Want de Grieken hadden gevraagd dat dit evangelie van genade nog eens aan hen zou worden gepredikt. Hun zielen hadden meer waarheid gevonden in de leer van de ene ware God, die de joden beleden, dan in de redeloze godsdienst van de heidenen. Het heidendom kon een ontwaakt en onbevredigd hart niet langer voedsel geven waarmee het tevreden was. Zo iemand was te nadenkend om zijn verbeelding tevreden te stellen met ceremoniën die alleen bekoring hadden voor iemand die onwetend was, die geboeid kon worden door de praal van feesten waaraan hij gewend was en die het godsdienstig element van het vlees bevredigden. Maar toch kon de nuchtere erkenning van de leer van de ene ware God de ziel niet zo voeden als het evangelie. Het jodendom verloste de geest wel van alles waaraan men zich kon ergeren in de redeloze en immorele mythologie van het heidendom. Maar het kon de ziel absoluut niet zo voeden als het machtige getuigenis van een God van genade, dat door de Heilige Geest werd afgelegd bij monde van boodschappers die Hij gezonden had. Dit getuigenis was wel trouw aan de beloften gedaan aan de joden, maar richtte zich als “het woord van deze behoudenis” (vers 26) aan allen die God vreesden. Maar de joden die jaloers waren op de uitwerking van het evangelie, dat zo voorzag in de behoeften van de ziel op een manier waartoe hun systeem niet in staat was, weerstaan Paulus en lasteren de leer van Christus. Daarom wenden Paulus en Barnabas zich vrijmoedig tot de volken.

Dit was een beslissend en belangrijk ogenblik. Deze beide boodschappers van de Heilige Geest halen het getuigenis van het Oude Testament aan met betrekking tot Gods plan ten opzichte van de volken voor wie Christus het Licht zou zijn – een plan dat ze uitvoeren overeenkomstig het inzicht dat de Heilige Geest hun daarin gaf en door Zijn kracht. Het is een gedeelte uit Jesaja 49. De tegenstand van Israël, dat het getuigenis van Christus ijdel maakte voor zichzelf, was daar voor God aanleiding om te verklaren dat dit werk onder Israël maar een geringe zaak was; en dat Christus een Licht zou zijn voor de volken en groot zelfs tot aan het einde van de aarde.

Het is goed aandacht te besteden aan deze laatste omstandigheid, namelijk de kracht om te handelen die men ontvangt door geestelijk inzicht. En daarbij de manier waarop profetische uitspraken een bron van licht en gezag worden om te handelen, als de Geest van God de ware praktische betekenis – de toepassing – ervan geeft. Iemand anders zou het misschien niet begrijpen. Maar de geestelijke mens bezit de volle garantie voor zijn eigen geweten in het woord dat hij begrepen heeft. Hij laat de rest aan God over.

De volken verblijden zich over het getuigenis en de uitverkorenen geloven. Het woord verbreidt zich door het hele gebied. De joden tonen nu hun ware karakter. Ze zijn vijanden van de Heer en van Zijn waarheid. Met betrekking tot hen schudden Paulus en Barnabas het stof van hun voeten tegen hen af. De discipelen waren geen verhindering voor dit getuigenis, welke problemen ze ook mochten hebben. De houding die de joden hier innemen, die we trouwens overal vinden, doet ons begrijpen wat een bron van moeite en leed ze voor de apostelen geweest moeten zijn.

Hoofdstuk 14

Hun zendingswerk wordt voortgezet in Iconium, waar we dezelfde tegenwerking van de joden vinden, die zelf niet in staat zijn om onder de volken te werken. Daarom stoken ze deze op tegen hen die dit werk doen. Zolang het alleen maar tegenwerking was, was dit alleen maar een reden om te volharden. Maar als ze op tijd gewaarschuwd worden voor een aanslag die men op hen wilde plegen, vertrekken ze naar Lystre en Derbe. Doordat ze daar iemand die kreupel was genezen, wekken ze het afgodische ontzag van deze arme heidenen op. Maar vol afgrijzen brengen ze hen van deze dwaling af door de kracht van de Heilige Geest – trouw aan het getuigenis van hun God.

Maar ook hierheen zijn de joden hen gevolgd. We zien nu dat de kracht van hun getuigenis uiteindelijk de haat van de harten opwekt, omdat ze zich niet willen verbinden met afgoderij en geen verheerlijking van mensen willen aannemen. Het was begonnen met bewondering voor de kracht van dit getuigenis van de apostelen. Maar dit duurde alleen maar zolang deze heidenen in de mening waren dat ze de mens konden verheerlijken en zelf meer aanzien konden krijgen doordat hun vleierijen aanvaard werden. De joden stoken het volk op en brengen deze haat tot leven. Paulus wordt gestenigd en men laat hem buiten de stad liggen in de mening dat hij dood is. Maar hij staat op en gaat de stad weer binnen. Daar blijft hij rustig nog een dag en gaat dan de volgende dag met Barnabas naar Derbe.

Daarna brengen ze opnieuw een bezoek aan de steden waar ze doorgegaan waren. Zo versterken ze in Lystre, Iconium en Antiochië de discipelen in het geloof en leren hen dat ze door verdrukking moeten gaan om het koninkrijk te beërven. Ze kiezen oudsten voor hen. Nadat ze door enkele andere steden gereisd zijn naar de plaats waar ze aan land gegaan waren, gaan ze terug naar Antiochië. Vanuit deze plaats waren ze aan de genade van God opgedragen voor het werk. Ze bereiden de discipelen daar grote blijdschap omdat de deur van het geloof voor de volken geopend was. Dit is de eerste officiële zending onder de volken waarbij gemeenten worden gevormd, oudsten door de apostelen worden aangesteld, en de vijandschap van de joden ten opzichte van de genade van God – buiten hun volk en onafhankelijk van hun wet – duidelijk naar voren komt. Het Woord krijgt een bepaalde plaats onder de volken en de kracht van de Heilige Geest ontplooit zich met dit doel. Hierdoor worden er gemeenten gevormd en plaatselijke leiders aangesteld, buiten en onafhankelijk van de werkzaamheid van de apostelen en de gemeente in Jeruzalem en de verplichting de wet te onderhouden, die daar nog gehandhaafd werd.

Een vraag in verband hiermee, namelijk of dit kon worden toegestaan, komt al gauw naar voren in Antiochië. Het is niet langer het verzet van de joden die vijanden waren van het evangelie, maar de dweepzucht van hen die het wel hadden aangenomen maar die de wet wilden opleggen aan de gelovigen uit de volken. Maar de genade van God voorziet ook in deze moeilijkheid.

Hoofdstuk 15

Dit hoofdstuk bevat het verslag hiervan. Er komen bepaalde personen uit Jeruzalem, waar alles nog doorging in verbinding met de eisen van de wet. Zij willen deze eisen opleggen aan de gelovigen uit de volken in dit nieuwe centrum en uitgangspunt van het werk dat in Antiochië gevormd was. Het was de wil van God dat deze kwestie niet door het apostolisch gezag van Paulus of door de werking van Zijn Geest in Antiochië zelf zou worden opgelost. Dit zou de gemeente misschien verdeeld hebben. De oplossing komt door middel van een conferentie in Jeruzalem, om op die manier de eenheid te bewaren, welke vooroordelen de joden ook mochten hebben. Gods wegen in dit opzicht zijn opmerkelijk. We zien hierdoor op welke wijze Hij in genade soevereine zorg heeft voor de gemeente.

Als we de brief aan de Galaten lezen zien we dat er in werkelijkheid dingen op het spel stonden die de kern van het christendom raakten. Juist de grondslagen van het christendom waren in het geding, de grote beginselen van de genade, van de rechten van God, van de zondige toestand van de mens – beginselen waarop het hele gebouw van de eeuwige relaties van de mens met God gegrond is. Als iemand besneden was dan was hij onder de wet, hij had de genade prijsgegeven en hij was van Christus vervallen. Maar toch wordt Paulus – hoewel hij apostel was en vol geloof, vol energie en brandende ijver – verplicht om op te gaan naar Jeruzalem om deze zaak te regelen. Hij had dit zelf niet gewenst. Hij had in Antiochië gewerkt, maar het werk in die stad was niet zijn werk. Hij was niet de apostel in Antiochië zoals hij de apostel van Iconium en van Lystre was en later van Macedonië en van Griekenland. Hij vertrok uit Antiochië, uit de schoot van de gemeente die daar al gevormd was. Het was de zaak van de gemeente om deze kwestie te regelen, buiten het apostolisch gezag van Paulus om. De apostel moest wijken voor God en Zijn wegen.

Paulus redetwist met de mannen uit Judea, maar het doel wordt niet bereikt. Er wordt besloten om enkele leden van de gemeente naar Jeruzalem te sturen, samen met Paulus en Barnabas die zoveel belang hadden bij deze zaak. Bovendien kreeg Paulus een openbaring dat hij moest gaan. God leidde zijn stappen. Maar het is goed als men soms verplicht is zich te onderwerpen, ook al heeft men gelijk en is men nog zo vol geestelijke energie.

De kwestie wordt dan besproken in Jeruzalem. Het was al heel wat dat de onderwerping van de volken aan de wet bestreden zou worden in Jeruzalem. Maar het was nog mooier dat men daar het besluit nam hen niet aan de wet te onderwerpen. We zien de wijsheid van God hierin om het zo te regelen dat zo’n besluit zijn oorsprong had in Jeruzalem. Als daar geen dweepzucht geweest was, dan zou deze kwestie overbodig zijn. Maar het is helaas zo dat het goede gedaan moet worden ondanks al de zwakheid en al de tradities van de mensen. Een besluit in Antiochië genomen zou heel iets anders zijn dan een besluit zoals dat nu in Jeruzalem werd genomen. De joodse gemeente zou de waarheid niet hebben erkend en het apostolisch gezag van de twaalven zou er zijn sanctie niet aan hebben verleend. De gedragslijn van Antiochië en van de volken zou een aparte koers zijn geweest. Er zou een voortdurende strijd zijn begonnen met aan de ene kant (schijnbaar tenminste) het gezag van de oorspronkelijke, apostolische gemeente, en aan de andere kant de kracht en de vrijheid van de Geest met Paulus als de vertegenwoordiger daarvan. De Judaïstische tendens van de menselijke natuur is altijd bereid om het niveau van de kracht van de Geest prijs te geven en terug te keren tot de wegen en de gedachten van het vlees. Deze tendens die gevoed werd door de tradities van een oud geloof, had al genoeg moeite en leed veroorzaakt aan de apostel die speciaal onder de volken werkte volgens de vrijheid van de Geest, zonder daarbij de steun te hebben van de apostelen en van de gemeente in Jeruzalem. De koers die zij volgden steunde zijn gedragslijn niet.

Na veel discussie in Jeruzalem, waarvoor alle vrijheid werd gegeven, neemt Petrus de leiding en vertelt het geval van Cornelius. Daarna verhalen Paulus en Barnabas hoe God zich op wonderbare wijze geopenbaard heeft onder de volken door de kracht van de Heilige Geest. Daarop vat Jakobus samen wat het oordeel van de gemeente is, waarmee allen instemmen. De volken zullen niet worden verplicht zich te laten besnijden of de wet te gehoorzamen, maar ze zullen zich alleen moeten onthouden van het bloed, van het verstikte, van hoererij en van vlees dat aan de afgoden is geofferd. Het is nuttig de aard en de bepalingen van dit besluit te overwegen.

Het is een voorschrift dat zegt wat passend was voor de kwestie die zich hier voordoet. Het gaat hier niet om de abstracte vraag van goed of kwaad. Het waren noodzakelijke dingen die vermeden moesten worden, maar er wordt niet gezegd dat dit rechtvaardig voor God was. Misschien waren het echt boze dingen, maar zo worden ze hier niet bezien. Er waren bepaalde dingen waaraan de volken gewend waren, waarvan het gepast was dat ze zich zouden onthouden, opdat de gemeente voor het aangezicht van God, in vrede zou kunnen wandelen zoals ze behoorde. Maar aan de andere bepalingen van de wet zouden ze niet onderworpen worden. Want Mozes had overal personen die hem predikten. Deze dingen waren voldoende. De gelovigen uit de volken werden niet gedwongen zich te onderwerpen aan de wetten van Mozes als ze zich voegden, niet bij de joden, maar bij de Heer.

Dit voorschrift doet dus geen uitspraak over de aard van de dingen die verboden waren, maar over de gepastheid ervan. Want de volken hadden werkelijk de gewoonte al deze dingen te doen. We moeten ook opmerken dat niet alleen de wet deze dingen verbiedt. Ze waren in strijd met de orde die God als Schepper had ingesteld en met een verbod dat God aan Noach had gegeven toen Hij hem zei dat hij vlees moest eten. De vrouw zou alleen met de man verbonden zijn in de heiligheid van het huwelijk, en dit is een heel grote zegen. Het leven behoorde God toe. Alle gemeenschap met afgoden was een aantasting van het gezag van de ware God. Laat Mozes zijn eigen wetten onderwijzen. Maar deze dingen waren in strijd met de inzichtsvolle kennis van de ware God. Het gaat hier dus niet om een nieuwe wet die door het christendom is opgelegd. Evenmin is het een aanpassing aan de vooroordelen van de joden. Het heeft niet dezelfde soort geldigheid als een zedelijk gebod dat op zichzelf al verplichtend is. Het is de uitdrukking van de voorwaarden van de ware verhoudingen van de mens tot God in de dingen van de natuur, zoals het christelijk denken ze ziet. Door de goedheid van God worden deze inzichten door middel van de leiders in Jeruzalem aan onwetende christenen gegeven. Daardoor worden dezen verlost van de wet en ontvangen licht met betrekking tot de relaties tussen God en mens en tot de dingen die gepast waren voor de mens, waarvan ze als afgodendienaars onwetend geweest waren. Ik heb gezegd dat deze voorschriften zich richten tot het inzicht dat de christen heeft. Het is dus helemaal niet inconsequent om iets te eten dat in de vleeshal verkocht wordt. Want ik erken God die het gaf en niet een afgod. Maar als mijn daad zou inhouden dat ik gemeenschap met de afgod heb, zelfs al is dat alleen maar zo voor het geweten van een ander, dan zou ik God tot jaloersheid verwekken. Ik zondig tegen Hem of tegen mijn naaste. Ik weet niet of een dier verstikt is of niet. Maar als mijn handelwijze zou inhouden dat het me onverschillig laat of het leven God toebehoort of niet, dan zondig ik weer. Ik ben niet verontreinigd hierdoor, maar ik faal in christelijk inzicht met betrekking tot de rechten van God als Schepper. Wat de hoererij betreft, dit valt in de categorie van christelijke reinheid, behalve dat het al in strijd is met de orde van de Schepper. Dit is dus rechtstreeks een vraag van goed of kwaad en niet alleen maar van de rechten van God zoals die geopenbaard zijn aan ons inzicht. Dit was belangrijk als een algemeen principe, meer dan de details van de dingen zelf.

Samengevat worden dus de volgende principes vastgesteld. Reinheid door het huwelijk in overeenstemming met Gods oorspronkelijke instelling. Het leven behoort God toe. En de eenheid van God als de ene, alleen ware God. Dus de Godheid, het leven en de inzetting die God in het begin aan de mens heeft gegeven. Hetzelfde geldt van de motieven die de gemeente aan haar besluit ten grondslag legt: “Want de Heilige Geest en wij hebben gedacht dat het goed was”.

De Heilige Geest had Zichzelf geopenbaard in het geval van Cornelius en van de bekering van de volken, waarvan Petrus en Paulus en Barnabas verslag hadden gedaan. Aan de andere kant waren de apostelen de bewaarders van het gezag van Christus, de personen aan wie het bestuur van de gemeente was toevertrouwd – de gemeente zoals ze gegrond was in verbinding met het ware joodse geloof. Zij vertegenwoordigden het gezag van Christus die was opgevaren ten hemel, juist zoals de kracht en de wil van de Heilige Geest zich openbaarden in de gevallen die ik zojuist heb genoemd. Dit gezag werd uitgeoefend in verbinding met dat wat in zekere zin de voortzetting was van een jodendom dat verruimd was door nieuwe openbaringen. Het middelpunt hiervan was Jeruzalem en de opgevaren Jezus, die door het volk was verworpen, werd erkend als Messias. Christus had hun het gezag toevertrouwd dat nodig was om de gemeente te besturen. Bovendien waren ze verzegeld op de Pinksterdag om deze taak uit te voeren.

We zien in hun optreden werkelijk de geest van genade en wijsheid. Ze geven hun volledige sanctie aan Paulus en Barnabas en ze sturen personen die aanzien hadden in de gemeente in Jeruzalem met hen mee. Want die konden er niet van worden verdacht dat ze een antwoord meebrachten ter ondersteuning van hun eigen beweringen, zoals in het geval van Paulus en Barnabas misschien verondersteld kon worden. De apostelen en de oudsten komen bijeen voor overleg, maar de hele kudde handelt in overeenstemming met hen.

Zo heeft Jeruzalem nu besloten dat de wet niet bindend was voor de gelovigen uit de volken. Als dezen dit horen zijn ze erg blij dat ze vrij zijn van dit juk. Ze zijn oprecht in hun verlangen om met Christus te wandelen. Judas en Silas, die profeten zijn, vermanen en versterken hen. Daarna laten de broeders hen gaan in vrede. Maar Silas is voor zichzelf van mening dat het goed is om te blijven. Hij heeft die overtuiging door de invloed van de Geest. Hij geeft de voorkeur aan het werk onder de volken, boven Jeruzalem. Maar Judas verlaat het en gaat terug.

Het werk in Antiochië gaat verder door middel van Paulus en Barnabas en anderen. In Antiochië zien we opnieuw de volle vrijheid van de Heilige Geest. Paulus stelt Barnabas voor om te vertrekken en opnieuw een bezoek te brengen aan de gemeenten die door hun dienst al waren gevormd in Klein-Azië. Barnabas stemt toe, maar hij besluit Johannes Markus mee te nemen die hen eerder had verlaten. Maar Paulus wenst iemand die zich niet had onttrokken aan het werk en de plaats van een vreemdeling ter wille van het werk had opgegeven om terug te gaan naar zijn eigen huis. Barnabas houdt vol en deze beide waardevolle dienstknechten van God gaan uit elkaar. Barnabas neemt Markus mee en gaat naar Cyprus. Merkwaardig dat Markus zijn bloedverwant was en Cyprus zijn eigen land! Paulus neemt Silas mee die de voorkeur gaf aan het werk boven Jeruzalem in plaats van aan Jeruzalem boven het werk, en vertrekt. Uit zijn naam kunnen we opmaken dat Silas een Griekse jood was. Gelukkig zien we later dat Paulus met alle liefde over Barnabas spreekt en wenst dat Markus bij hem zal komen, omdat hij van veel nut voor hem is in de dienst. Bovendien wordt Paulus door de broeders opgedragen aan de genade van God in zijn werk.

De titel die de apostelen aan Paulus en Barnabas geven toont ook het verschil tussen het apostolisch gezag dat door Christus persoonlijk was ingesteld en dat wat als zodanig werd gevormd door de kracht van de Heilige Geest. Ongetwijfeld werden ze door Christus Zelf gezonden, maar in feite gingen ze uit onder de leiding van de Heilige Geest en werd hun zending gewaarborgd door de kracht van de Geest. Bij de apostelen hebben Paulus en Barnabas geen andere titel behalve hun werk. Ze zijn “mensen die hun leven hebben overgegeven voor de Naam van onze Heer Jezus Christus”. Ze zijn dat wat de Heilige Geest hen gemaakt heeft. De apostelen zijn de twaalven.

Paulus wordt gekenmerkt door de vrijheid en de kracht van de Geest. Hij is dat wat de Geest van hem maakt. Al is het zo dat Jezus hem verschenen is (Ananias kan ervan getuigen), in werkelijkheid moet hij het bewijzen door de kracht van zijn dienst. De gevolgen van die dienst zowel als het karakter ervan worden verhaald in hoofdstuk 16-20. De werking en de vrijheid van de Heilige Geest worden daar op een opmerkelijke wijze beschreven.

Hoofdstuk 16

Er is misschien geen merkwaardiger voorbeeld hiervan dan dat wat Paulus doet met betrekking tot Timotheüs. Hij gebruikt de besnijdenis in alle vrijheid om joodse vooroordelen te overwinnen. Het is erg twijfelachtig of hij volgens de wet besneden moest worden. Ezra en Nehemia laten zien dat de vreemde vrouwen werden weggezonden. Maar hier laat Paulus, omdat de moeder een jodin is, het kind uit een gemengd huwelijk onderwerpen aan het voorschrift van de joden. Christelijke vrijheid erkent de wet volledig op zijn plaats, hoewel ze zelf vrij is, en verklaart anderzijds ter geruststelling van de volken duidelijk dat er totaal geen aanspraken bestaan van de kant van de joodse christenen om de wet aan de volken op te leggen. Paulus besnijdt Timotheüs, maar hij onderwerpt zich geen ogenblik aan hen die wilden dat Titus besneden zou worden. Uit liefde wilde hij de joden een jood worden. Maar de joden zelf moeten afzien van alle aanspraken om de wet aan anderen op te leggen. De verordeningen die in Jeruzalem waren bepaald werden achtergelaten in de gemeenten – een duidelijk antwoord voor iedere jood die de gelovigen uit de volken wilde onderwerpen aan het jodendom. Het waren de besluiten, zoals we hier nog kunnen opmerken, van de apostelen en de oudsten.

De Heilige Geest alleen leidt de apostel. Hij verhindert hem te prediken in Asia (de provincie). Hij laat hem niet toe naar Bithynië te gaan. Door een gezicht dat Paulus ’s nachts krijgt worden ze geroepen naar Macedonië te gaan. Hier ontmoet de geschiedschrijver Lukas hen. De Heer roept hen om naar Macedonië te gaan. Het is goed op te merken dat hoewel het evangelie door de dienst van Paulus gepredikt werd in de hele schepping onder de hemel, er toch een bepaalde leiding is met betrekking tot de weg die we hebben te gaan.

Hier gaat de apostel eerst naar de joden, zelfs al zijn het alleen enkele vrouwen die bijeenkwamen aan de rivieroever – een plaats die naar het schijnt gebruikelijk was als er geen synagoge was. Een Griekse vrouw, die de God van Israël diende, komt door genade tot bekering. Zo wordt de deur geopend, en ook anderen geloven (vers 40). Hier probeert satan zich met het werk te bemoeien door een getuigenis af te leggen van de dienaars van het woord. Niet dat deze geest Jezus erkende! Dan zou het geen boze geest zijn geweest en zou de slavin niet bezeten zijn geweest. Deze geest spreekt over de werktuigen van God, om te delen in de eer, en over God de Allerhoogste. Misschien werd hij hiertoe gedwongen door de tegenwoordigheid van de Geest, zoals dat bij anderen gebeurd was door de tegenwoordigheid van Jezus, toen Zijn kracht voor hun ogen werkzaam was. Maar het getuigenis van satan kon niet zover gaan dat hij Jezus als een Heer erkende. En als Paulus niet trouw geweest was, dan zou dit het werk van de vijand vermengd hebben met het werk van de Heer. Maar Paulus zocht geen getuigenis over zichzelf, noch een getuigenis dat werd afgelegd door een boze geest, welke schijn dit getuigenis ook mocht hebben. Het bewijs dat de boze geest moest geven van de aanwezigheid van Gods kracht, was dat hij zich onderwierp aan die kracht en werd uitgedreven. Zijn getuigenis kon het werk van God niet steunen. We zien bij deze gebeurtenis de belangeloosheid van de apostel, zijn geestelijk inzicht, de kracht van God die met hem was en een geloof dat alleen op God steunde.

Het zou nuttig voor Paulus zijn geweest als er een getuigenis van zijn dienst werd afgelegd. Het vlees zou hebben kunnen redeneren: “Ik heb er zelf niet om gevraagd”. Bovendien zou de vervolging dan vermeden zijn. Maar God wil geen ander getuigenis hebben dan dat wat Hij van Zichzelf aflegt. Geen enkel ander getuigenis kan van Hem komen, want Hij openbaart Zichzelf waar men Hem niet kent. Het geloof wacht alleen op Hem om het af te leggen. Paulus ging door zonder zich te bekommeren om deze boosaardige aanslag van de vijand.

Misschien was het wijs om dit te doen en conflicten te vermijden, omdat dit getuigenis toch geen vrucht voor de Heer opleverde. Maar dit duurt zolang, totdat de apostel door de volharding van deze boze geest gedwongen wordt er aandacht aan te besteden. De Geest van God kan de aanwezigheid van een boze geest niet verdragen als die actief werkzaam is voor Zijn aangezicht. Hij laat zich niet gebruiken voor de plannen van deze boze geest, door hem een bepaald aanzien te geven door zijn vrijwillige tussenkomst toe te laten. Want Hij heeft Zijn eigen werk en Hij laat Zich niet daarvan afbrengen, om Zich bezig te houden met de vijand. Hij houdt Zich – in liefde – bezig met mensenzielen. Maar als satan op Zijn weg komt om deze zielen in verwarring te brengen, dan openbaart de Geest Zich in Zijn kracht en de vijand gaat voor Hem op de vlucht.

Maar satan heeft geen gebrek aan hulpmiddelen. Als hij zijn macht niet rechtstreeks kan uitoefenen gebruikt hij zijn kracht om de hartstochten en begeerten van de mensen op te roepen om die kracht te bestrijden waartegen hij zelf niet bestand is en die zich niet met hem wil verbinden noch hem erkent. Evenals de Gadarenen wilden dat Jezus zou vertrekken toen Hij Legioen genezen had, staan de Filippiërs met geweld tegen Paulus en zijn metgezellen op, op aansporing van de mannen die hun oneerlijke winst verloren hadden. Maar God gebruikt dit alles om de voortgang van Zijn eigen werk te leiden en het de vorm te geven die Hem behaagt. De gevangenbewaarder moet nog bekeerd worden en de overheidspersonen moeten zelf hun ongelijk bekennen met betrekking tot Gods boodschappers.

De gemeente wordt vergaderd uit Filippi, een kudde vol liefde en toegenegenheid. De brief die aan hen gericht is getuigt daarvan. De apostel gaat elders werken. We zien hier een actiever en energieker getuigenis dan in het soortgelijke geval dat Petrus overkwam. De tussenkomst van God is treffender in het geval van Petrus. Daar is het in het oude Jeruzalem dat in geen enkel opzicht nog bloeide, behalve in haat. We zien dat God trouw is aan degene die op Hem vertrouwt en dat de haat teleurgesteld moet wijken.

Maar Paulus en Silas zingen in plaats van rustig te slapen. De deuren slaan plotseling open en de gevangenbewaarder zelf komt tot bekering met zijn gezin. De overheidspersonen zijn verplicht als smekelingen naar Paulus te komen. Dat is het resultaat van alle opschudding. De vijand heeft zich hier vergist. Al slaagt hij erin het werk van de apostelen in Filippi te doen ophouden, het gevolg is alleen dat ze ergens anders naartoe gestuurd worden om daar te prediken overeenkomstig de wil van God.

We moeten niet stilzwijgend voorbijgaan aan deze kracht die hele huisgezinnen omsloot en tot het christelijk geloof bracht.

Maar dit is alleen zo als het gaat om de bekering van gelovigen uit de volken. In het geval van Lydda en Saron zien we echter iets dat meer overeenkomt met de bekering van een volk. Ze hoorden van het wonder dat met Enéas gebeurd was en de stad en de omgeving bekeerde zich tot de Heer (Handelingen 9). Saron is een gebied langs de kust. Maar zowel Cornelius als Lydia en de gevangenbewaarder van Filippi zijn getuigen van deze kracht.

In het laatste geval werd de vervolging van de apostelen veroorzaakt door de macht die de vijand uitoefende over de hartstochten van mensen uit de volken.

Hoofdstuk 17

Maar in Thessalonika vinden we opnieuw de oude, universele vijandschap van de joden. Niettemin nemen veel joden en proselieten het evangelie aan. Nadat daar ook een opschudding ontstaat, vertrekken de apostelen naar Berea. De joden daar zijn edeler, want ze onderzoeken wat ze horen aan de hand van het Woord van God. Hierdoor komt een groot aantal onder hen tot geloof. Maar de joden uit Thessalonika – jaloers op de groei die het evangelie maakte – komen naar Berea. Paulus verlaat de stad en reist door naar Athene. Silas en Timotheüs blijven voorlopig in Berea. Want Paulus is het speciale doel van de achtervolging van de joden. Hoewel hij in Athene de synagoge bezoekt, redetwist hij toch dagelijks in het openbaar met de filosofen in deze ijdele stad. Want de algemene afgoderij prikkelt zijn geest. Als gevolg van deze gesprekken verkondigt hij de ware God aan de voornaamste mannen van deze intellectuele hoofdstad. Hij had Silas en Timotheüs laten weten dat ze zich daar bij hem moesten voegen.

Bij mensen als de Atheners moet hij neerdalen tot de laagste sport van de ladder van de waarheid. Dat is het resultaat van intellectuele beschaving zonder God. Hij zet de eenheid van God, de Schepper, uiteen; en de relatie van de mens tot Hem. Bovendien verklaart hij dat Jezus de wereld zal oordelen, waarvan God het bewijs gegeven heeft door Hem uit de doden op te wekken. Met uitzondering van het feit dat hier het oordeel over deze wereld wordt aangekondigd in plaats dat er beloften met betrekking tot de terugkeer van Jezus worden gedaan, zouden we kunnen denken dat we Petrus hoorden spreken tegen de joden. We moeten ons niet voorstellen dat de geschiedschrijver alles vermeldt wat Paulus zei. Wat we hier hebben is zijn verdediging, niet zijn prediking. De Heilige Geest geeft ons dat wat kenmerkend was voor de manier waarop de apostel tegemoet kwam aan de omstandigheden van zijn toehoorders. Wat bewaard blijft in de herinnering van zijn eerste luisteraars was dat hij Jezus predikte en de opstanding. Het schijnt zelfs dat sommigen ook de opstanding als een god opvatten, zowel als Jezus (vers 18). De opstanding is inderdaad de basis van het christendom, dat gegrond is op Jezus persoonlijk en het feit van Zijn opstanding. Maar de opstanding is alleen de basis.

Ik heb gezegd dat we hier herinnerd worden aan de prediking van Petrus. Ik bedoel wat betreft de graad van de hoogte van zijn leer met betrekking tot Christus. Tegelijk kunnen we ook opmerken hoe passend in beide gevallen de feiten worden toegepast op de mensen die worden toegesproken. Petrus zet uiteen dat de verworpen Christus ten hemel is opgevaren en klaarstaat om terug te komen als de joden zich bekeren. Bij Zijn komst zou Hij alle dingen herstellen. De profeten hadden daarvan gesproken. Maar Paulus stelt deze geleerde mannen en het weetgierige volk het oordeel voor dat over deze wereld zal komen. Dit oordeel is voor het natuurlijke geweten het bewijs van de waarheid. We horen hier niets wat van interesse kon zijn voor hun filosofische geesten. Het is alleen een eenvoudig en overtuigend getuigenis aangaande de dwaasheid van hun afgodendienst. En dat getuigenis stemde zelfs overeen met de erkenning van het natuurlijke geweten van hun eigen dichters.

Hoofdstuk 18

In Filippi ontmoette het evangelie op zijn weg het oneerlijke winstbejag, waarvoor satan gelegenheid gaf. In Athene ontmoette het de verharding en de morele onverschilligheid van de wetenschap die de menselijke ijdelheid streelde. In Thessalonika de aanslagen van de jaloezie van de joden. Maar het evangelie zet zijn weg voort. Het zegeviert over de ene aanval van de vijand en wijkt voor het gevolg van een andere aanval. En nadat het voor de ogen van de geleerde Atheners alles heeft blootgelegd wat hun toestand toelaat, verlaat het hen en vindt het te midden van de weelde en de slechte zeden van de rijke stad Korinthe een talrijk volk om aan de gemeente toe te voegen. Zo zijn Gods wegen en de ervaringen van Zijn toegewijde dienstknecht geleid door de Heilige Geest. Het is goed om op te merken dat deze energie die de volken zoekt, nooit de gunst van God ten opzichte van Zijn uitverkoren volk uit het oog verliest – een gunst die hen zocht totdat ze haar verwierpen.

In Thessalonika ontving Paulus tweemaal ondersteuning uit Filippi. Maar in Korinthe, waar geld en handel in overvloed was, neemt hij geen steun aan. Hij werkt rustig samen met twee landgenoten die hetzelfde beroep hebben als hij. Hij begint opnieuw bij de joden met zijn prediking, die zijn leer echter tegenspreken en lasteren. De apostel kiest zijn weg met de moed en de vastberadenheid van iemand die werkelijk door God geleid wordt, kalm en welbewust, om niet van zijn doel afgebracht te worden. Hij schudt zijn kleren af als bewijs dat hij rein is van hun bloed, en hij verklaart dat hij nu tot de volken gaat in overeenstemming met Jesaja 49. Hij beschouwt die profetie als een bevel van God.

In Korinthe heeft God “veel volk”. Daarom gebruikt Hij de ongelovige onverschilligheid van Gallio om de boosaardige plannen van de joden te verijdelen, die, zoals altijd, jaloers zijn op een godsdienst die hun aanzien in de schaduw stelde, hoe groot de genade ervan ook mocht zijn ten opzichte van henzelf. Nadat Paulus daar lang heeft gewerkt, vertrekt hij in vrede. Zijn joodse vrienden, Priscilla en Aquila, gaan met hem mee. Hij was zelf op weg naar Jeruzalem. Hij had ook een gelofte op zich genomen. De tegenstand van de joden neemt niet weg dat hij gehecht is aan zijn volk. Zijn trouw blijkt uit het feit dat hij het evangelie altijd eerst aan hen brengt. Hij erkent alles wat door genade hun deel was voor Gods aangezicht. Hij onderwerpt zich zelfs aan joodse inzettingen. Misschien had de macht der gewoonte invloed op hem. Dat was niet van de Geest. Maar in overeenstemming met de Geest dacht hij er niet aan de voorrechten te ontkennen die Gods lankmoedige genade Zijn volk gaf. Hij richt zich tot de joden in Efeze. Ze zijn geneigd om naar hem te luisteren, maar hij wil het feest bijwonen in Jeruzalem. Hier is hij nog een jood met zijn feesten en geloften.

De Geest heeft deze omstandigheden kennelijk vermeld om ons een juist en volledig beeld te geven van de verhouding die tussen beide systemen bestond: de mate van vrijheid van de invloed van het ene, zowel als de energie die het andere grondde. Het eerste blijft vaak tot op zekere hoogte, terwijl de energie voor het andere in heel hoge mate aanwezig is. De vrijheid die afdaalt tot vooroordelen en gewoonten is niet hetzelfde als persoonlijke onderwerping aan die vooroordelen. In onze zwakheid worden beide vaak vermengd, maar in feite zijn ze tegengesteld aan elkaar. Als men eerbied heeft voor wat God eerbiedigt, zelfs al heeft het systeem alle werkelijke kracht en waarde verloren, als men geroepen wordt om te handelen in verbinding met dit systeem als het werkelijk niets meer dan bijgeloof en zwakheid is – dat is toch heel iets anders dan dat men zichzelf onder het juk van bijgeloof en zwakheid plaatst. Het eerste is het gevolg van de Geest, maar het laatste van het vlees. In ons is het één helaas vaak verward met het ander. De liefde wordt dan zwakheid, die het getuigenis onzeker maakt.

Paulus gaat op reis en gaat op naar Jeruzalem. Daar groet hij de gemeente, vertrekt dan naar Antiochië en bezoekt opnieuw alle gemeenten die hij het eerst gevormd had. Zo bindt hij zijn hele werk samen – Antiochië en Jeruzalem. In hoever zijn oude gewoonten invloed uitoefenden op zijn handelwijze laat ik aan het oordeel van de lezer over. Hij was een jood. De Heilige Geest wil ons laten zien dat elke gedachte aan enige verachting voor het oude volk van God ver van hem was. De gunst van God voor Zijn volk zal nooit veranderen. Dit besef was zeker juist. In een ander gedeelte krijgen we de indruk dat hij de grenzen van de Geest en van de juiste geestelijke gezindheid overschreed. Hier hebben we alleen de feiten. Misschien had hij een bepaalde persoonlijke reden die geldig was als gevolg van de positie die hij innam. Men kan zich in omstandigheden bevinden die in strijd zijn met de vrijheid van de Geest, maar die niettemin – als we ons erin bevinden – een bepaald recht op ons hebben of een invloed uitoefenen die noodzakelijkerwijs de energie van die vrijheid in de ziel verzwakt. Misschien was het fout in zulke omstandigheden te komen, maar als men eenmaal zover is kan men zich niet onttrekken aan de invloed die wordt uitgeoefend en de rechten die hun aanspraak laten gelden. Iemand die geroepen wordt om God te dienen en uit het huis van zijn vader verjaagd wordt wandelt in de vrijheid van de Geest. Zonder dat zijn vader veranderd is, gaat hij terug naar het ouderlijk huis. De rechten van zijn vader herleven. Waar is nu zijn vrijheid? Of iemand met een veel helderder geestelijk inzicht omringt zich met vrienden die geestelijk totaal beneden hem staan. Dan is het bijna onmogelijk voor hem om een geestelijk oordeel te bewaren. Hoe het in dit geval ook mag zijn geweest, de band wordt nu vrijwillig gelegd, door Paulus die de plaats van vrijheid en genade innam. En de christenen in Jeruzalem blijven op het niveau van hun vroegere vooroordelen en eisen geduld en toegeeflijkheid van hem die het vat en de getuige van de vrijheid van de Geest van God was.

Dit, met de aanvulling van zijn werk in Efeze, vormt de kring van actieve werkzaamheden van de apostel in het evangelie, om ons in hem de wegen van de Geest met de mensen te tonen. Vanaf hoofdstuk 18:24 tot 19:7 hebben we een soort samenvatting van de voortgang van de leer van Christus en van de kracht die ermee gepaard ging. Apollos kende alleen het onderwijs van Johannes. Maar – oprecht van hart – beleed en predikte hij in het openbaar wat hij wist. Het was het geloof van een wedergeboren ziel. Aquila en Priscilla brengen hem volledig op de hoogte van de betrekking tot de feiten van het evangelie en de leer van een gestorven en verheerlijkte Christus. In Korinthe wordt hij een krachtig prediker van het evangelie van de Heer onder de joden. Zo versterkt hij het geloof van de discipelen. De energie van de Heilige Geest openbaart zich in hem zonder enige tussenkomst van de apostel of van de twaalven. Hij werkt onafhankelijk, dat wil zeggen de Geest werkt onafhankelijk in hem. De mensen konden zeggen: “Ik ben van Apollos”. Het is belangwekkend deze verschillende openbaringen van de kracht en de vrijheid van de Geest te zien. En hierbij te bedenken dat de Heer overal boven staat en dat Hij, al werkt Hij op bijzondere wijze door middel van een Paulus, ook werkt in wie Hij wil.

Hoofdstuk 19

In wat nu volgt vinden we aan de andere kant de voortgang van de Goddelijke openbaring in verbinding met de apostolische kracht van Paulus, die heel sterk op de voorgrond treedt door het vermogen de Heilige Geest mee te kunnen delen. Twaalf personen waren tot geloof gekomen, maar zonder enig ander onderwijs dan dat van Johannes. Hun doop stond hiermee in verbinding. Ze zagen uit naar een Christus die nog moest komen en een Heilige Geest die Hij zou meedelen. De doop van Johannes vereiste inderdaad bekering, maar hij voerde in geen enkel opzicht buiten de grenzen van het jodendom, hoewel hierdoor het uitzicht op iets nieuws geopend werd, in overeenstemming met de soevereiniteit van God en als gevolg van de komst van Christus. Maar deze doop was een doop tot bekering voor de mens op deze aarde, en niet de dood en opstanding van Christus. De genade werkte in een overblijfsel. Maar Jezus was een Metgezel daarvan op aarde. Maar het christendom (want de zonde van de mens heeft zich volledig gemanifesteerd) is gegrond op dood en opstanding. In de eerste plaats op de dood en de opstanding van Christus, waardoor het verlossingswerk volbracht werd. En verder op onze dood en opstanding met Hem, waardoor we in Hem en aan Hem gelijk voor Gods aangezicht geplaatst zijn in een zondeloos leven, leven van Zijn leven, en we in Zijn bloed gewassen zijn van al onze zonden. Maar de doop van Johannes leerde in feite alleen maar bekering hier beneden om Christus te ontvangen. Terwijl het christendom de kracht van de dood en opstanding van een verworpen Christus leert, op grond waarvan de Heilige Geest ontvangen wordt, de Trooster die uit de hemel is neergedaald.

Hoewel Johannes had aangekondigd dat de doop met de Heilige Geest het gevolg zou zijn van de tussenkomst van Christus, wisten deze twaalf mannen niet of er al een Heilige Geest was 7.

Dit was een duidelijk bewijs dat ze nog niet in het huis van God gekomen waren waarin Hij woonde. Paulus legt dit uit aan de discipelen en ze worden gedoopt in de Naam van Jezus. Paulus legt hun in zijn apostolische bevoegdheid de handen op, en ze ontvangen de Heilige Geest en spreken in talen en profeteren.

Deze kracht van de Heilige Geest en Paulus die het werktuig ervan was, moesten nu duidelijk op de voorgrond treden. De hoofdstad van Asia, de Romeinse provincie die zo heette, is het toneel waarop dit zou gebeuren. We zullen zien hoe in deze plaats een kracht ontplooid wordt, die onafhankelijk van alle traditionele vormen werkzaam is en die alles beheerst waardoor het omringd wordt, hetzij de mens, het geweten, of de vijand. Het is een kracht die organiseert, die uit zichzelf en voor zichzelf de instellingen en het lichaam vormt die passend zijn voor haar, en dié de hele situatie beheerst. De kracht van de werkzame genade heeft zich ontplooid in het werk van Paulus, van Antiochië af. Deze kracht had zich op verschillende manieren geopenbaard. Maar hier hebben we enkele details van de formele vestiging ervan in een groot centrum.

Drie maanden lang heeft de apostel geduld met de joden. Hij predikt Christus in de synagoge en onderhoudt zich met de joden, in het bewustzijn van Gods kracht en van de waarheid. Hij geeft wat betreft de sfeer van zijn getuigenis de voorrang aan dat wat het instrument en het volk van God geweest was. Het evangelie was “eerst voor de jood”. Er wordt niet meer gezegd: “De behoudenis is uit de Joden”, maar het wordt eerst aan hen gepredikt.

Maar als dit werk zich heeft ontwikkeld en velen openlijk de plaats van vijanden innemen, treedt Paulus op als de fundamentlegger van wat in overeenstemming met God en namens God was. Hij zondert de discipelen af en spreekt over het christendom in het gebouw van een Griek die een openbare school had. Dit duurt twee jaar lang, zodat de leer zich verbreidde door het hele land zowel onder de joden als Grieken. God liet niet na getuigenis af te leggen van het woord van Zijn genade. Zijn kracht werd op een opmerkelijke manier geopenbaard in verbinding met de persoon van de apostel die de drager van het getuigenis was. De openbaringen van de macht van de vijand verdwijnen voor de werking van deze bevrijdende kracht van de Heer, en de Naam van Jezus werd verheerlijkt. De realiteit van deze werking werd nu op een bijzondere manier aangetoond. Namelijk de bron ervan in de persoonlijke, uitdrukkelijke en echte werking van de Heer aan de ene kant, en aan de andere kant de zending van Paulus en het geloof als het instrument waardoor deze bovennatuurlijke kracht werkzaam was. Bepaalde joden wilden daarvan gebruik maken voor hun eigen belang. Omdat ze zelf geen geloof hebben, gebruiken ze de Naam van “Jezus Die Paulus predikt”, alsof dat een soort toverformule was. Maar de boze geest bezat een kracht die even reëel was op zijn manier als de kracht van de Heer, die hij wel moest erkennen als de werking ervan werd uitgeoefend. Deze geest wist heel goed dat dit hier niet het geval was, dat er noch geloof noch kracht aanwezig was. “Jezus ken ik” zei hij, “en van Paulus weet ik; maar u, wie bent u?” En de man die bezeten was viel hen aan en verwondde hen. Dit was een opvallend getuigenis van de werking van de vijand, maar tegelijk ook van die kracht die hem overtrof, van de realiteit van die tussenkomst van God die ten uitvoer gebracht werd door Paulus. Nu, als God Zichzelf openbaart, komt ook altijd het geweten openbaar. En de macht die de vijand uitoefent over het geweten, komt aan het licht en verliest zijn invloed. Joden zowel als Grieken worden vervuld met vrees; en velen die christenen werden brachten de bewijzen van hun toverijen. De machtige werking van de Geest openbaarde zich door de beslissing die ze voortbracht, door de onmiddellijke en besliste uitvoering van de gedachten en besluiten die in het hart gewerkt waren. Er waren geen lange innerlijke overwegingen: de tegenwoordigheid en de kracht van God brachten hun natuurlijke uitwerking voort.

Maar de hulpmiddelen van de vijand waren nog niet uitgeput. Het werk van God was afgedaan, in die zin dat er een getuigenis gevestigd was door de apostolische arbeid van Paulus. En God zond Zijn dienstknecht ergens anders heen. De vijand veroorzaakt zoals gebruikelijk een opschudding onder het volk, door de hartstochten van de mensen op te stoken tegen de werktuigen van het getuigenis van God. Paulus was al van plan geweest om te vertrekken, maar een poosje later. Daarom had hij Timotheüs en Erastus vast vooruit naar Macedonië gezonden, omdat hij het voornemen had Macedonië, Achaje en Jeruzalem te bezoeken en daarna naar Rome te gaan. En hij blijft nog enige tijd in Asia. Maar na het vertrek van deze twee broeders, stookt Demétrius het volk op tegen de christenen. Hij had een diep ingewortelde haat tegen het evangelie, dat het hele systeem deed wankelen waardoor hij fortuin gemaakt had en dat verbonden was met alles wat hem aanzien verschafte. Door die haat gedreven wist hij op de juiste manier gebruik te maken van de hartstochten van de werklieden die hetzelfde beroep uitoefenden. Want hij maakte kleine draagbare zilveren tempels van Artemis. Zijn beroep hield verband met dat wat de hele wereld bewonderde en wat de geesten van de mensen in beslag nam – een grote troost voor de mens die behoefte heeft aan iets wat zeker is. Hun religieuze gebruiken ontleenden hun glans sinds lang hieraan. Een groot gedeelte van de invloed die ervan uitging bleek uit het feit dat ze niet riepen: “Groot is Artemis!”, maar: “Groot is de Artemis van de Efeziërs!” Het was, kortom, de macht van de vijand onder de volken. De joden probeerden kennelijk gebruik hiervan te maken door een zekere Alexander naar voren te duwen. Misschien was dit dezelfde Alexander die zich verzet had tegen Paulus, en veronderstelden ze dat het volk daarom naar hem zou luisteren. Maar het was de boze geest van de afgodendienst die hen in beroering bracht; en de joden werden teleurgesteld in hun hoop. Zowel de broeders als sommige Asiarchen (erevoorzitters uit de notabelen, die de leiding hadden bij de viering van godsdienstige feesten), verhinderden dat Paulus zelf naar het theater ging. De vergadering werd ontbonden door de stedelijke overheid. Nadat Paulus de discipelen had gezien, vertrok hij in vrede 8.

Zijn werk daar was voltooid. Het evangelie was geplant in de hoofdstad van de provincie Asia, en zelfs in de hele provincie. Griekenland en Macedonië hadden het al aangenomen. Rome bleef nog over. Op welke manier zou hij daarheen gaan? Dat is nu de vraag die nog overblijft. Zijn vrije en actieve leven eindigde met de gebeurtenissen die ons nu bezighouden, tenminste voor zover de Heilige Geest het ons beschrijft. Een leven gezegend met een bijna ongeëvenaard geloof en met een energie die alles overtrof wat ooit in mensen gezien is. Die door de Goddelijke kracht die erin werkte vruchten voortbracht ondanks schijnbaar onoverwinnelijke moeilijkheden, ondanks elk soort tegenstand, in verachting en armoede, en zijn stempel drukte op de gemeente die haar bestaan aan hem – als instrument – te danken had. En dat niet alleen ondanks twee vijandige godsdiensten waarin de beschaafde wereld verdeeld was, maar ondanks een godsdienstig systeem dat de waarheid bezat, maar dat die waarheid altijd probeerde te beperken binnen de grenzen van de tradities die het vlees nog een zekere plaats gaven – een systeem dat zich erop kon beroepen prioriteit te bezitten en dat gewettigd werd door de gewoonten van de apostelen die door de Heer Zelf waren aangesteld.

De gemeente keerde inderdaad, zoals Paulus voorzag, al gauw terug naar haar joodse gewoonten, toen de energie van de apostel afwezig was. De kracht van de Heilige Geest is nodig om zich te kunnen verheffen boven de godsdienstigheid van het vlees. Godsvrucht doet dit niet noodzakelijkerwijze. En kracht is nooit een traditie – de kracht van de Geest is zichzelf en daardoor onafhankelijk van de mensen en van hun tradities, zelfs al worden ze in liefde verdragen. Daarom gaat het vlees altijd terug naar het pad van tradities en vormen. Want het vlees is nooit kracht in de dingen van God, hoewel het plichten kan erkennen. Het vlees kan zich dus niet verheffen tot de hemel, het kan de genade niet begrijpen. Het kan wel zien wat de mens zou moeten zijn voor God (zonder echter de gevolgen hiervan te bemerken, als God wordt geopenbaard), maar het kan niet zien wat God in Zijn soevereine genade is voor de mens. Het zal misschien als orthodox vasthouden, waar de Geest heeft gewerkt. Maar het zal de ziel nooit in het bezit ervan brengen. Meer dan het geweld van de heidenen of de haat van de joden was dit de oorzaak van de angst die het hart van de trouwe en gezegende apostel benauwde, die zelf door genade een karakter of beter een positie had, die meer dan bij iemand anders op aarde gelijk was aan die van Christus.

Deze conflicten zullen we in de brieven zien, evenals dat brandende hart van de apostel dat in zijn gedachten al de geopenbaarde raadsbesluiten van God omsloot en elk deel ervan op zijn plaats stelde en dat in zijn gevoelens het hele werk van God en de hele gemeente van God omsloot. Maar dat tegelijk ook de hele kracht van zijn denken kon concentreren op een enkel belangrijk punt, en de hele kracht van zijn liefde op een arme slaaf die de genade hem in zijn banden gegeven had. Als het vat van de Geest straalt Paulus met een hemels licht, heel het werk van het evangelie door. In Jeruzalem is hij neerbuigend, in Galatië toornt hij als de zielen verleid worden. Hij brengt de apostelen ertoe te besluiten voor de vrijheid van de gelovigen uit de volken, terwijl hij zelf alle vrijheid gebruikt om voor de joden een jood te zijn, en als zonder wet voor hen die geen wet hadden; als niet onder een wet, maar altijd onderworpen aan Christus. Maar hoe moeilijk was het om te midden van zoveel tegengestelde tendensen deze hoogte van leven en van geestelijke openbaring te handhaven! Hij was ook onberispelijk, “zonder aanstoot”. Innerlijk was er niets dat zijn gemeenschap met God belemmerde. Daaruit putte hij de kracht om trouw te zijn onder de mensen. Hij kon zeggen: “Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus”. Niemand anders kon dat zeggen. Zo kon hij ook zeggen: “Daarom verdraag ik alles ter wille van de uitverkorenen, opdat ook zij [de] behoudenis verkrijgen die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid”. Zulke woorden zouden we eigenlijk verwachten uit de mond van de Heer. En dat ongetwijfeld in een meer verheven zin, omdat Hij voor Paulus zelf de toorn verdroeg die zijn eeuwige verdoemenis zou hebben betekend. Maar toch tekenen deze woorden de opmerkelijke positie van deze man van God, als het vat van de Heilige Geest die hem gebruikte. “Ik vul in mijn vlees aan” zei hij, “wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus voor Zijn lichaam, dat is de gemeente. Haar dienaar ben ik geworden … om het Woord van God te voleindigen”.

De lezer moet onderscheid maken tussen het lijden van de Heer voor de zonde van Godswege in gerechtigheid en het lijden dat Hij onderging van de kant van de zondige mens ter wille van de gerechtigheid. Wij hebben deel aan het laatste lijden, terwijl Christus ons gered heeft van het eerste. Bij het lijden voor de zonde is er totaal geen sprake van een aandeel van onze kant. Daar gaat het juist om dat Hij plaatsvervangend leed voor ons waar wij het oordeel verdiend hadden als gevolg van de zonde.

Johannes was door zijn innige kennis van de Persoon van Christus, op aarde geboren en Zoon van God, in staat om deze fundamentele en in persoonlijk opzicht vitale waarheid te handhaven, op hetzelfde terrein waarop Paulus werkzaam was. Maar het was het deel van Paulus het actieve werktuig te zijn voor de verbreiding van de waarheid die de ziel behoudt en de gevallen mens met God in verbinding brengt door het geloof; doordat Paulus al Zijn raadsbesluiten van genade meedeelt.

Toch was Paulus een mens, al was hij ook een wonderbaar gezegend mens. De innerlijke kracht van het jodendom in verbinding met zijn verwantschap met het vlees is wonderlijk. Wat het resultaat ervan betreft is het inderdaad in zekere zin beter – als men zich stelt op een plaats die lager is dan de genade en dus lager dan God – onder de wet te zijn dan zonder wet. Een mens zal of het een of het ander zijn. Maar als hij uitsluitend denkt aan plichten vergeet hij God zoals Hij is – want Hij is liefde. Hij vergeet dan ook maar al te vaak de mens zoals hij is – want hij is zonde. Als hij de opvatting van plicht en van zonde met elkaar verbindt, betekent dat voortdurende slavernij. Dat is juist waartoe het christendom in het algemeen wordt gereduceerd. Daar worden dan instellingen aan toegevoegd om het bezwaarde geweten te verlichten, vormen om godsvrucht te scheppen waar geen gemeenschap met God aanwezig is. Dit alles wordt bekleed met de Naam van Christus en met het gezag van de zogenaamde kerk, terwijl het bestaan daarvan in wezen juist steunt op het principe van soevereine genade en gekenmerkt wordt door onderwerping aan Christus alleen (zie Efeze 5:24). Maar laten we teruggaan naar de geschiedenis van Paulus.

Hoofdstuk 20

Nadat de opschudding voorbij is roept Paulus de discipelen bij zich, omhelst hen en vertrekt naar Macedonië. Hij bezoekt dat hele land en komt in Griekenland. Het begin van de tweede brief aan de Korinthiërs noemt de bijzonderheden van dit deel van de geschiedenis. Hij blijft drie maanden in Griekenland, en als de joden op hem loeren maakt hij een omweg door Macedonië, in plaats van rechtstreeks naar Syrië af te varen. In Troas, waar een deur voor hem was geopend toen hij op weg was naar Griekenland, maar waar hij door zijn liefde voor de Korinthiërs niet had kunnen blijven, brengt hij de zondag door en zelfs een hele week om de broeders te ontmoeten. We zien het normale doel van hun samenkomst. Ze “waren vergaderd om brood te breken”. De gebruikelijke gelegenheid om dit te doen was “de eerste [dag] van de week”. Paulus maakt hiervan gebruik door de hele nacht tot hen te spreken. Maar het was ook een buitengewone gelegenheid. De aanwezigheid en het onderwijs van een apostel was toch niet in staat hen allen wakker te houden. Maar het was geen samenkomst die in het geheim of in het donker werd gehouden. Er waren veel lampen om de bovenzaal te verlichten waarin ze samenkwamen. We zien uit deze plaats om samen te komen dat de gemeenten niet uit heel veel personen bestonden. In de bovenzaal in Jeruzalem konden misschien honderdtwintig personen. Uit verschillende groeten blijkt dat ze in particuliere huizen bijeenkwamen, waarschijnlijk in meerdere als het aantal gelovigen dat vereiste. Maar er was maar één gemeente.

Eutychus ondergaat de straf voor zijn onoplettendheid. Maar God legt getuigenis af van Zijn eigen goedheid en van de kracht waarmee Hij de apostel begiftigd had, door hem uit een doodstoestand op te wekken. Paulus zegt dat zijn ziel nog in hem was. Hij moest alleen de verbinding tussen zijn ziel en zijn fysieke organisme hernieuwen. In andere gevallen was de ziel teruggeroepen.

Paulus gaf er de voorkeur aan alleen van Troas naar Assus te gaan. Heel de geschiedenis door zien we hem de bereidwillige dienst van zijn metgezellen regelen, door de invloed die de Geest hem op hen gaf. Ongetwijfeld deed hij dit niet als hun meester, maar toch was dit onbeperkter het geval dan wanneer hij dat was geweest. Hij is (onder Christus) het middelpunt van het systeem waarin hij werkt, het middelpunt van energie. Alleen Christus heeft het recht het Middelpunt van behoudenis en van geloof te zijn. Paulus was alleen het middelpunt van die energie van de Geest omdat hij vervuld was met de Geest van God. Hij was dit, zoals we hebben gezien, door Hem niet te bedroeven en door zich te oefenen een onergerlijk geweten te hebben zowel voor God als voor de mensen.

Paulus stopt niet in Efeze, omdat hij in zo’n centrale plaats enige tijd had moeten blijven. Het is nodig dingen te vermijden die een zeker moreel recht op ons hebben, als we niet willen en mogen worden opgehouden door de verplichting die ze ons opleggen. Paulus doet dit niet uit gebrek aan belangstelling voor de geliefde Efeziërs. Hij had niet de minste gedachte hen te verwaarlozen. Hij laat de oudsten bij zich komen en houdt een toespraak tot hen, die we wat nader moeten onderzoeken, omdat ons hierin de positie van de gemeente op dat tijdstip en het werk van het evangelie onder de volken worden voorgesteld.

De gemeenten waren over een vrij groot gebied bevestigd en hadden in verscheidene plaatsen tenminste de vorm aangenomen van een goed geregelde instelling. Oudsten waren aangesteld en werden erkend. De apostel kon hen bij zich laten komen. Zijn gezag werd van hun kant ook erkend. Hij spreekt over zijn dienst als iets dat voorbij is – ernstige gedachte! Maar hij neemt hen tot getuigenis dat hij hen niet alleen de waarheid gepredikt had, maar een waarheid die tot hun geweten sprak. Zo waren ze aan de ene kant voor Gods aangezicht geplaatst en was aan de andere kant de Persoon aan hen voorgesteld in Wie God Zichzelf had bekendgemaakt en in Wie Hij al Zijn volheid van genade ten behoeve van hen meedeelde – Jezus, het Voorwerp van hun geloof, de Heiland van hun zielen. Paulus had dit gedaan onder moeite en verdriet, tegenover de gewetenloze tegenstand van de joden die de Gezalfde hadden verworpen. Maar in overeenstemming met de genade die zich boven al dit kwaad verhief en de joden het heil verkondigde, die ook buiten deze grenzen ging (omdat het genade was) en zich richtte tot de volken, tot alle mensen, als zondaars en verantwoordelijk voor God. De apostel had dit niet gedaan met de trots van een leraar, maar met de nederigheid en de volharding van de liefde. Hij wenste ook zijn dienst te volbrengen en in niets te falen wat hem door de Heer Jezus was toevertrouwd. En nu ging hij naar Jeruzalem, omdat hij zich in zijn geest gebonden voelde dit te doen. Hij wist niet wat hem daar zou overkomen, behalve dat de Heilige Geest hem waarschuwde dat hem banden en verdrukkingen wachtten. Wat henzelf betrof wist hij dat zijn dienst was afgelopen en dat hij hen niet meer zou zien. Voortaan zou de verantwoordelijkheid speciaal op hen rusten.

De Heilige Geest stelt ons hier dus voor dat hij het werk vaarwel zegt, nu van zijn werk om het evangelie onder de volken te planten in detail verhaald is dat het één groot werk is onder joden en volken. Hij laat de gelovigen die hij bijeen vergaderd had achter in een nieuwe positie. In zekere zin worden ze aan zichzelf overgelaten.

Of Paulus ooit werd vrijgelaten en naar deze streken terugging (hoewel niet noodzakelijk naar Efeze), weten we niet zeker. Filippi en Filémon en misschien 2 Timotheüs kunnen ons tot deze veronderstelling brengen, maar we vinden er geen verslag van in de Schrift.

Deze toespraak geeft het eind aan van de eerste periode van de gemeente, de periode van de apostolische werkzaamheid, en de overgang naar een andere tijd. En verder de verantwoordelijkheid om standvastig te blijven nu deze apostolische arbeid voorbij was, de dienst van de oudsten die de Heilige Geest tot opzieners gesteld had, en tegelijkertijd de gevaren en moeilijkheden die gepaard zouden gaan met het verdwijnen van de apostolische arbeid en die het werk van de oudsten zouden verzwaren, op wie de verantwoordelijkheid nu meer in het bijzonder zou neerkomen.

De eerste opmerking die voortvloeit uit de overdenking van deze toespraak is, dat de apostolische successie hierdoor volkomen ontkend wordt. Als gevolg van de afwezigheid van de apostel zouden zich verschillende moeilijkheden voordoen en er zou niemand in zijn plaats zijn die deze problemen kon oplossen of kon verhinderen. De apostel had dus geen opvolger. In de tweede plaats blijkt het volgende feit. Als deze energie van de apostel die de geest van het kwaad beteugelde eenmaal weg zou zijn, zouden er wrede wolven van buiten binnenkomen, terwijl er van binnen mensen zouden opstaan die verdorven dingen zouden leren. Dit kwaad van buiten en van binnen zou de kop opsteken en een aanval doen op de eenvoudigheid en het geluk van de gemeente, terwijl ze geen apostolische kracht meer bezat om de aanvallen van satan te weerstaan.

Dit getuigenis wat Paulus hier aflegt is van het grootste belang met betrekking tot het hele kerkelijke stelsel. Om de gemeente te bewaren in vrede en te beschermen voor het kwaad wordt de aandacht van de oudsten op iets anders gericht dan op de aanwezigheid van apostolische zorg. Zij zouden belast zijn met de zorg voor de kudde en niet meer kunnen steunen op apostolische hulp of iets dat officieel daarvoor in de plaats kwam. In deze omstandigheden hadden zij de opdracht te zorgen voor de gemeente. Verder zien we wat in hoofdzaak gedaan moest worden om het kwaad tegen te gaan, namelijk de kudde te weiden en met dat doel te waken hetzij over zichzelf of over de kudde. Hij herinnert hen eraan hoe hijzelf hen dag en nacht met tranen vermaand heeft. Daarom moesten ze waken. Dan draagt hij hen op aan God en aan het Woord van Zijn genade. Hij draagt hen niet op aan Timotheüs of aan een bisschop, maar – op een manier die alle officiële hulpmiddelen terzijde stelt – aan God en aan het Woord dat machtig was hen op te bouwen en hen te verzekeren van de erfenis. Hieraan vertrouwde hij de gemeente toe. Wat de gemeente daarna gedaan heeft is nu niet mijn onderwerp. Als Johannes later in deze streken is komen werken, is dat een grote gunst van God geweest. Maar dat veranderde officieel niets aan deze situatie. Het werk van Johannes had (met uitzondering van de waarschuwingen aan de zeven gemeenten in de Openbaring, waar sprake is van oordeel), betrekking op het individuele leven, het karakter ervan en wat het onderhield.

Met diepe en ontroerende liefde neemt Paulus afscheid van de gemeente in Efeze. Wie nam de lege plaats in? Tegelijkertijd beriep hij zich op hun geweten wat betrof de oprechtheid van zijn wandel. De vrije werkzaamheid van de apostel van de volken was voorbij. Ernstige en aangrijpende gedachte! Hij was het instrument geweest dat God had uitverkoren om de wereld Zijn raadsbesluiten in verbinding met de gemeente mee te delen en te midden van de wereld dit kostbare voorwerp van Zijn liefde te grondvesten – de gemeente met Christus verenigd aan Gods rechterhand. Wat zou er hier beneden van terechtkomen?

Hierna moet de apostel zich verantwoorden en op een treffende manier vervullen wat de Heer voorzegd had. Door de boosaardigheid van de joden zou hij voor rechterstoelen worden gebracht. Door hun haat zou hij aan de volken worden overgeleverd. Maar dat alles zou ertoe dienen dat er een getuigenis zou worden afgelegd. Koningen en overheden zouden het evangelie horen, maar de liefde van velen zou verkoelen. Dit is in het algemeen de positie van de apostel. Maar er waren bijzonderheden die hem persoonlijk betroffen.

We mogen hier misschien wijzen op een belangrijke karaktertrek van de Handelingen waaraan men weinig aandacht heeft besteed, namelijk de ontwikkeling van de vijandschap van de joden in de toestand waarin ze zich bevonden die hun uiteindelijke verwerping tot gevolg heeft. Het Boek eindigt met de voorstelling van deze laatste zaak. Het werk te midden van dat volk zelf wordt onvermeld gelaten, terwijl het werk van Paulus alle ruimte inneemt van het historisch verslag dat de Geest geeft.

De vijandschap van de joden richtte zich tegen de openbaring van de gemeente, die hun plaats innam en het onderscheid tenietdeed tussen de joden en de volken. Doordat het nu niet meer ging om de aarde maar om de hemel en om de volledige soevereine genade van God in tegenstelling tot de wet, (die wel universeel was in haar uitspraken, maar aan een bepaald volk gegeven werd). Door het geloof kreeg de zondaar deel aan deze genade. Hiertegen richtte zich de vijandschap van de joden. We zien dat bij elke stap in de loopbaan van de apostel, hoewel hij met de grootst mogelijke voorzichtigheid te werk ging. Maar we zullen nu zien hoe deze haat in al zijn hevigheid wordt opgewekt in Jeruzalem, het natuurlijke middelpunt van deze vijandschap, die zich uit door geweld en door de volken ertoe te bewegen Paulus van de aardbodem uit te roeien. Dit maakte de positie van de apostel erg kritiek met betrekking tot de volken in Jeruzalem – de stad die met des te meer jaloersheid waakte over haar godsdienstige betekenis omdat ze onder het Romeinse juk in feite de realiteit ervan verloren had en die gekenmerkt werd door een geest van verzet tegen het gezag dat haar aan zich onderwierp.

Nadat de Handelingen eerst de geschiedenis van het christendom beschrijven, gezien als verbonden met het jodendom (met betrekking tot de beloften en hun vervulling in de Messias), vinden we de geschiedenis van Paulus. We zien hem in drie verschillende posities. Eerst zien we hem afdalen om rekening te houden met dat wat nog bestond in Jeruzalem, met het doel om verzoening te bewerken. We zien zelfs dat hij zich overal tot de joden richt in hun synagogen, omdat zij in Gods regeringswegen eerst het recht hebben het evangelie te horen. “Eerst voor de Jood, en ook voor de Griek” (Romeinen 1:16). In dit opzicht faalde hij nooit en hij legt deze principes duidelijk en dogmatisch vast in de brief aan de Romeinen. Want Jezus was de dienstknecht van de besnijdenis ter wille van de waarheid van God, om de beloften te vervullen die aan de vaders waren gedaan (Romeinen 15:8). Verder zien we de apostel – in al de vrijheid van de volle waarheid van de genade en van de raad van God – in zijn eigen bijzondere werk. Dit wordt vermeld in de brief aan de Efeziërs. Uit dit werk daalde hij af in genade. In deze beide gevallen gaat hij onder de leiding van de Heilige Geest en vervult hij de wil van de Heer. Daarna zien we hem in de derde plaats in de strijd met het vijandige, wettische jodendom, waarvan hij de gezanten voortdurend ontmoette. We zien dat hij zich ten slotte zelfs in het brandpunt daarvan waagt door op te gaan naar Jeruzalem, in dat deel van zijn geschiedenis dat we nu overdenken. Hoeveel daarbij van God was en hoeveel het gevolg van zijn eigen stappen, is een onderwerp ter overdenking in dit verslag. Het staat buiten alle twijfel dat Gods hand hierin was, tot welzijn van de gemeente en ten slotte van Zijn geliefde dienstknecht zelf. We moeten alleen onderzoeken in hoever de wil en de gedachten van Paulus zelf hier een rol speelden, als middelen die God gebruikte om tot het resultaat te komen dat Hij op het oog had, hetzij voor de gemeente of voor Zijn dienstknecht, of voor de joden. Deze gedachten zijn van het hoogste belang en vereisen nederig onderzoek van dat wat God ons in Zijn Woord voorstelt om ons te onderwijzen op dit punt in de geschiedenis die de Geest Zelf ons van deze dingen gegeven heeft.

Hoofdstuk 21

Het eerste wat ons opvalt bij het begin van deze geschiedenis is dat de Heilige Geest hem zegt niet naar Jeruzalem te gaan (vers 4). Dit woord heeft duidelijk betekenis. Paulus voelde zich gebonden te gaan (20:22). Er was iets in zijn eigen geest dat hem daarheen dreef, een gevoel dat hem drong in die richting. Maar de Geest gaf een nadrukkelijk en openbaar getuigenis om hem te verbieden naar Jeruzalem te gaan.

De bedoeling van de apostel was geweest om naar Rome te gaan (19:21). Als apostel van de volken was hij uitgezonden om het evangelie aan alle schepselen te prediken. Er was dus niets van zijn eigen vlees in dit plan. Alles was in overeenstemming met de genade (Romeinen 1:13-15). Toch had God hem niet toegelaten daarheen te gaan. Paulus was genoodzaakt zijn brief aan hen te schrijven zonder hen gezien te hebben. De hemel is de grote hoofdstad van het christendom. Rome en Jeruzalem moesten geen betekenis voor Paulus hebben, behalve dat hij Jeruzalem in liefde moest verdragen en bereid moest zijn om – zo mogelijk – Rome het evangelie te brengen. Handelingen 19:21, dat vertaald is met “in de geest”, betekent alleen de geest van Paulus. Hij nam zich in zijn eigen geest voor … en hij zei: “Nadat ik daar ben geweest, moet ik ook Rome zien”. Daarna nam hij de taak op zich om de giften van de gelovigen in Macedonië en Achaje over te brengen. Hij wilde zijn liefde tonen voor de armen van zijn eigen volk (Galaten 2:10). Dit was heel mooi. Maar ik weet niet of het een taak was die paste voor een apostel. Het was een duidelijk joods gevoel dat bijzondere waarde hechtte aan de armen van Jeruzalem en in zoverre aan Jeruzalem zelf. Een jood wilde liever arm zijn in Jeruzalem dan rijk onder de volken. Arme christenen waren daar ongetwijfeld vanaf de tijd van hun bekering, maar dat was de oorsprong van dit systeem (vergelijk Nehemia 11:2 en Handelingen 24:17). Dit alles behoorde tot verwantschap met het jodendom. (Romeinen 15:25-28). Paulus had het volk lief waartoe hij behoorde naar het vlees en dat het volk geweest was dat God liefgehad had en dat nog steeds Zijn volk was; hoewel het verworpen was voor een tijd, terwijl het overblijfsel nu het koninkrijk van God moest ingaan door middel van het christendom. Deze gehechtheid van Paulus aan hen was aan de ene kant juist en bijzonder ontroerend, maar aan de andere kant had ze te maken met het vlees. Hierdoor werd hij in het centrum van het jodendom gebracht. Hij was de boodschapper van de hemelse heerlijkheid, die de leer openbaarde van de gemeente, die bestaat uit gelovigen uit de joden en uit de volken die zonder onderscheid verenigd zijn in het ene lichaam van Christus. Hierdoor werd het jodendom tenietgedaan. Maar de liefde voor zijn volk bracht Paulus – ik herhaal het – juist in het centrum van dat vijandige jodendom, dat woedend was over deze geestelijke gelijkheid tussen joden en volken. De Heer had ook tegen Paulus gezegd dat Jeruzalem zijn getuigenis niet zou aannemen. Toch was Gods hand ongetwijfeld hierin. Paulus bereikte persoonlijk de juiste hoogte.

Als het instrument van Gods openbaring verkondigt hij in al zijn uitgestrektheid en al zijn kracht het plan van de soevereine genade van God. De wijn is niet vermengd. Hij stroomt even zuiver naar buiten als hij hem ontvangen heeft. En Paulus wandelde op een opmerkelijke manier in overeenstemming met de hoogte van de openbaring die aan hem was toevertrouwd. Toch is Paulus persoonlijk ook maar een mens. Hij moet geoefend en openbaar gemaakt worden, en wel in die oefeningen waaraan God ons heeft onderworpen. Waar het vlees zijn vermaak heeft gevonden, de sfeer waarin het zichzelf heeft bevredigd, juist daar vindt het – als God werkt – zijn verdriet. Maar al is het zo dat God het nodig vond om Zijn dienstknecht te beproeven en hem aan zichzelf te openbaren, Hij stond hem toch terzijde en zegende hem zelfs door deze beproeving. God veranderde de beproeving in een getuigenis en verkwikte het hart van Zijn geliefde en trouwe dienstknecht. De openbaring van datgene in hem wat niet in overeenstemming met de Geest was of met de hoogte van zijn roeping, gebeurde uit liefde tot zegen van hemzelf en van de gemeente. Gezegend hij die even trouw zijn weg kan gaan en zijn standpunt in dezelfde mate kan hooghouden door genade, op de weg van genade! Niettemin is Christus ons enige Voorbeeld. Maar ik zie niemand die (in een andere loopbaan) zoveel op Hem leek in Zijn openbare leven als Paulus. Hoe meer we de wandel van de apostel onderzoeken, des te meer zullen we deze overeenkomst zien. Behalve dat Christus het Voorbeeld was van volmaaktheid en gehoorzaamheid, terwijl in Zijn dierbare dienstknecht het vlees aanwezig was. Paulus zou de eerste geweest zijn om te erkennen dat volmaaktheid alleen aan Jezus mag worden toegeschreven.

Ik geloof dus dat Gods hand in deze reis van Paulus was. Dat Hij in Zijn soevereine wijsheid wilde dat Zijn dienstknecht ze ondernam en er ook door gezegend zou worden. Maar dat het middel dat hem hiertoe bracht in overeenstemming met die soevereine wijsheid de menselijke liefde van de apostel was voor het volk dat naar het vlees met hem verwant was. De werking van de Heilige Geest uit naam van Christus in de gemeente was dus niet het motief voor deze reis, maar zijn gehechtheid aan zijn volk. Deze menselijke liefde werd gecorrigeerd door de gebeurtenissen die hem overkwamen onder zijn volk. Menselijk gesproken was het een beminnelijk gevoel. Maar het was niet de kracht van de Heilige Geest, gegrond op de dood en opstanding van Christus. Hier was geen sprake meer van jood of Griek. In Christus op aarde was dit gevoel juist. Hij ging Zijn weg tot het eind in die liefde opdat Hij in de dood zou gaan; met dit doel kwam Hij.

De liefde van Paulus was goed op zichzelf. Maar als motief voor zijn handelwijze reikte ze niet tot de hoogte van het werk van de Geest, die hem uit naam van Christus ver weg van Jeruzalem naar de volken gezonden had om de gemeente te openbaren als Zijn lichaam verenigd met Hem in de hemel. We zien dan ook dat de joden hem aanhoorden tot dat woord toe, maar toen begonnen te schreeuwen en de opschudding veroorzaakten naar aanleiding waarvan Paulus gevangen genomen werd.

Het is de moeite waard om aandacht te besteden aan deze omstandigheid (22:21-22). Want het waren de woorden van Christus dat hij naar de volken moest gaan. Hieraan kunnen we nog toevoegen dat deze opdracht toen vergezeld ging van de verklaring: “vertrek snel uit Jeruzalem, want zij zullen je getuigenis van Mij niet aannemen” (22:18). De uitspraak die verklaarde dat zijn getuigenis nutteloos was in Jeruzalem, vormde dus juist de aanleiding dat hij gevangen genomen werd. Volgens de woorden van Christus en zoals Paulus zelf toegaf, was zijn apostolische dienst niet daar maar elders. Hij leed voor de waarheid. Maar hij leed daar waar die waarheid geen ingang vond volgens het getuigenis van Christus Zelf: “Zij zullen je getuigenis van Mij niet aannemen” (22:18). Maar het was aan de andere kant noodzakelijk dat de joden hun haat tegen het evangelie zouden openbaren en dit definitieve bewijs zouden geven van hun hardnekkige tegenstand tegen de wegen van God in genade.

Tegelijkertijd eindigt hier ook de beschrijving die de Geest geeft van het werk van de apostel. De Heilige Geest maakt geen vermelding van latere werkzaamheden. We weten niet of die er geweest zijn. Het laatste wat we horen is dat Paulus de joden in zijn eigen huis ontmoet en allen ontvangt die tot hem komen. Hier eindigt de geschiedschrijving van de Geest. De apostolische zending tot de volken in verbinding met de oprichting van de gemeente is afgelopen. Rome is niet meer dan de gevangenis van de apostel van de waarheid, aan wie de waarheid was toevertrouwd. Jeruzalem verwerpt hem, Rome neemt hem gevangen en brengt hem ter dood. Zo was het ook met Jezus gegaan, op Wie de apostel ook in dit opzicht moest lijken in overeenstemming met zijn wens in Filippi 3. Want Christus en gelijkvormigheid aan Hem was zijn enige doel. Het werd hem gegeven deze gelijkvormigheid die zo sterk in zijn hart en ziel leefde, ook in zijn dienst te bereiken. Met dit noodzakelijke verschil dat er bestond tussen een dienst die het geknakte riet niet verbrak en zich niet liet horen op de straten en een dienst die – in getuigenis – de volken het oordeel verkondigde.

De zending van de twaalf apostelen tot de volken, vanuit Jeruzalem (Mattheüs 28), vond nooit plaats. Tenminste voor zover de Heilige Geest er iets over meedeelt. Markus 16:20 is de enige plaats waarvan men zou kunnen veronderstellen dat ze verwijst naar een eventuele vervulling hiervan. En dan is het nog geen vervulling van deze opdracht als zodanig, want Markus 16:20 en Kolosse 1:6 hebben betrekking op de hele wereld en zijn gegrond op de hemelvaart. Het is geen zending tot de volken die alleen op de opstanding gegrond is. Jeruzalem hield hen vast. Ze bezochten zelfs niet de steden van Israël. Het werk onder de besnijdenis werd aan Petrus toevertrouwd, dat onder de volken aan Paulus – in verbinding met de leer van de gemeente en van een verheerlijkte Christus, een Christus die hij niet meer naar het vlees kende. Jeruzalem, waartoe de apostel zich door zijn liefde voelde aangetrokken, verwierp zowel hem als zijn zending. Zijn dienst onder de volken – voor zover die het vrije resultaat was van de kracht van de Geest – eindigde eveneens. De kerkgeschiedenis kan ons er misschien meer van vertellen. Maar God heeft ervoor gezorgd dat het in diepe duisternis gehuld is. We horen verder niets meer dat door de Geest erkend wordt. We horen niets meer over de apostelen in Jeruzalem. Terwijl Rome – zoals we hebben gezien – nooit een apostel bezat, voor zover de Heilige Geest het ons meedeelt. Behalve dat de apostel van de volken daar als gevangene kwam en ten slotte ter dood gebracht werd. De mens heeft overal op aarde gefaald. De religieuze en politieke centra van de wereld – centra in overeenstemming met God wat betreft de aarde – hebben het getuigenis verworpen en de getuige ter dood gebracht. Maar het resultaat is geweest dat de hemel zijn rechten ongeschonden en in hun absolute reinheid heeft gehandhaafd. De gemeente, de ware hemelse en eeuwige hoofdstad van de heerlijkheid en van de wegen van God, de gemeente die haar plaats had in de raadsbesluiten van God voordat de wereld was, de gemeente die in overeenstemming is met Zijn hart in genade als verenigd met Christus in heerlijkheid – zij blijft het voorwerp van het geloof. Ze is geopenbaard overeenkomstig de gedachten van God en volkomen zoals ze in Zijn gedachten is, totdat ze als het hemelse Jeruzalem in heerlijkheid zal worden geopenbaard – in verbinding met de vervulling van de wegen van God op aarde in het herstel van het aardse Jeruzalem als het centrum van Zijn wegen in genade op aarde, als Zijn troon en Zijn hoofdstad zelfs te midden van de volken, en in het tenietdoen zelfs van de macht van de volken waarvan Rome de zetel en het centrum was.

Laten we nu de gedachten van de apostel onderzoeken en dat wat historisch plaatsvond. Paulus schreef uit Korinthe naar Rome, toen hij van plan was deze reis te maken. Het christendom had zich een weg gebaand naar dat centrum van de wereld, zonder dat ooit een apostel het daar geplant had. Paulus volgt het spoor ervan. Rome is als het ware een deel van zijn apostolisch domein dat hem ontsnapt (Romeinen 1:13-15). Hij komt op dat onderwerp terug in Romeinen 15. Als hij niet in staat was te komen – want God wil niet beginnen met de hoofdstad van de wereld, vergelijk de verwoesting van Hazor in Kanaän, Jozua 11:11 – dan wilde hij tenminste aan hen schrijven op grond van zijn universele apostelschap voor de volken. Er waren daar al enkele christenen. Zo wilde God het hebben. Maar in zekere zin vielen ze onder zijn terrein. Velen van hen waren persoonlijk met hem in aanraking geweest. Zie het aantal en de aard van de groeten aan het eind van de brief. Deze groeten hebben een bijzonder karakter en laten ons de christenen in Rome grotendeels zien als de kinderen van Paulus.

In Romeinen 15:14-29 zet hij uiteen wat zijn positie was als apostel met betrekking tot de Romeinen en anderen. Hij had ook de wens naar Spanje te gaan als hij de broeders in Rome enige tijd had gezien. Hij wenste geestelijke gaven aan hen mee te delen. Maar om vertroost te worden door hun wederzijds geloof, om enigermate van hun gezelschap te genieten. Ze staan in verbinding met hem, maar ze nemen hun plaats als christenen in Rome in zonder dat hij daar ooit geweest is. Als hij hen dus een poosje gezien had, zou hij naar Spanje gaan. Maar hij werd teleurgesteld met betrekking tot deze plannen. Alles wat ons wordt meegedeeld door de Heilige Geest is dat hij een gevangene was in Rome. Er is diepe stilte wat betreft Spanje. In plaats dat hij verder kon reizen nadat hij hen had ontmoet en gaven had meegedeeld, bleef hij twee jaren als gevangene in Rome. Het is niet bekend of hij al dan niet werd vrijgelaten. Sommigen zeggen ja, anderen nee. Het Woord zegt er niets over.

Op dit moment, nadat hij zijn plannen heeft uiteengezet en het karakter van zijn verbindingen in de Geest met Rome en terwijl er een groot arbeidsveld voor hem openligt in het westen, komt zijn oude liefde voor zijn volk en voor Jeruzalem tussenbeide: “Maar nu reis ik naar Jeruzalem, ten dienste van de heiligen” (Romeinen 15:25). Waarom ging hij niet naar Rome in overeenstemming met de energie van de Geest, nu zijn werk in Griekenland was afgelopen (vers 23)? Natuurlijk beschikte God het zo, dat deze gebeurtenissen in Jeruzalem plaatsvonden en dat Rome en de Romeinen zo’n droevige rol speelden met betrekking tot het getuigenis van een verheerlijkte Christus en van de gemeente, dat de apostel voor de wereld aflegde. Maar wat Paulus zelf betrof, waarom plaatste hij het weerspannige Jeruzalem tussen zijn verlangen om het evangelie te prediken en de uitvoering van zijn werk? Zijn liefde was goed en de dienst was op zichzelf ook goed voor een diaken of een boodschapper van de gemeenten. Maar voor Paulus die het hele westen zag openliggen voor zijn evangelisatieplannen?

Voorlopig benam Jeruzalem hem het uitzicht. Daarom waarschuwde de Heilige Geest hem onderweg, zoals we zagen. Hij voorzag zelf ook het gevaar waarin hij zich begaf (Romeinen 15:30-32). Hij was ervan overtuigd dat hij met de volle zegen van het evangelie van Christus zou komen (vers 29). Maar hij was er niet zeker van dat hij met blijdschap zou komen. De zaak waarvoor hij hen vroeg te willen bidden, liep heel anders af dan dat hij wenste. Hij werd verlost (vers 31), maar als een gevangene. Hij vatte weer moed toen hij de broeders zag bij Appiusmarkt en Drie-Tabernen. De reis naar Spanje vond ook niet plaats.

Dit alles is heel ernstig, geloof ik. De Heer, vol van genade en tederheid, was met Zijn arme maar geliefde dienstknecht. In het geval van iemand als Paulus is het een bijzonder treffende geschiedenis en zijn de wegen van de Heer aanbiddelijk en volmaakt in goedheid. De realiteit van het geloof is volledig aanwezig. De wegen van genade zijn volmaakt, volmaakt in tederheid ook, in de Heer. Hij staat Zijn dienstknecht terzijde in de beproeving waarin hij zich bevindt, om hem te bemoedigen en te versterken. Tegelijkertijd wordt hij gewaarschuwd door de Geest, met betrekking tot de wens naar Jeruzalem te gaan, terwijl de gevolgen ervan hem worden voorgesteld. Maar omdat hij niet omdraait ondergaat hij de nodige tucht, waardoor zijn ziel op de juiste plaats komt, een plaats van volle zegen voor God. Zijn wandel bereikt de juiste hoogte wat betreft geestelijke kracht. Hij voelt uiterlijk de macht van het jodendom, waarvan hij de zedelijke kracht had ondervonden tot belemmering van zijn werk. Een keten voor zijn vlees was het resultaat van de vrijheid die hij het vlees gegeven had. Gods wegen waren rechtvaardig. Het kon ook niet anders. Want Zijn dienstknecht was te kostbaar. Verder zien we ook, wat het resultaat en het getuigenis betreft, dat God alles regelde tot heerlijkheid van Hemzelf, en met volmaakte wijsheid wat betreft het toekomstige welzijn van de gemeente. Jeruzalem verwerpt – zoals we hebben gezien – het getuigenis aan de volken, kortom de wegen van God in de gemeente (vergelijk 1 Thessalonika 2:14-16). En Rome wordt de gevangenis van dat getuigenis. Terwijl in overeenstemming met de belofte van de Heer het getuigenis voor oversten en koningen gedragen wordt en voor de keizer zelf.

Ik heb gezegd dat de genade Paulus in de positie plaatste van Christus, die aan de volken werd overgeleverd door de haat van de joden. Dat was een grote gunst. Het verschil – behalve de oneindige liefde van de Heer die Zichzelf overgaf – was dat Jezus daar op Zijn juiste plaats was voor God. Hij was gekomen tot de joden. Dat Hij zou worden overgeleverd was de kroon op Zijn toewijding en Zijn dienst. Het was in feite Zijn overgave van Zichzelf door de eeuwige Geest. Het was het terrein van Zijn dienst als de van God Gezondene. Maar Paulus betrad opnieuw dat terrein, terwijl de energie van de Heilige Geest hem daarbuiten geplaatst had. “Ik neem u”, zei de Heer, “uit het volk en uit de volken en zend u tot hen, om hun ogen te openen” (Handelingen 26:17). Jezus had hem zowel uit de joden als uit de volken genomen om een dienst uit te oefenen die beiden in één lichaam verenigde in Christus in de hemel die hem zo gezonden had. In zijn dienst kende Paulus niemand naar het vlees. In Christus Jezus was er jood noch Griek.

Laten we zijn geschiedenis weer opvatten. De Heilige Geest waarschuwt hem niet op te gaan (21:4). Toch zet hij zijn reis voort naar Cesaréa. Een profeet die Agabus heette kwam uit Judea en maakt bekend dat Paulus zal worden gebonden en aan de volken zal worden overgeleverd. Misschien zal men zeggen dat dit geen verbod was om te gaan. Dat is waar. Maar deze profetie bevestigde alleen maar de waarschuwing die al eerder was gegeven (vers 4). Toen hij in de vrijheid van de Geest wandelde, vluchtte hij voor het gevaar toen hij ervoor gewaarschuwd werd, hoewel hij alle gevaren trotseerde als het getuigenis dat vereiste. In Efeze liet hij zich overtuigen niet naar het theater te gaan.

De Heilige Geest waarschuwt meestal niet voor gevaar. Hij leidt een gelovige in de weg van de Heer en als er vervolging komt, geeft Hij kracht om die te verdragen. Hier zien we dat Paulus voortdurend gewaarschuwd werd. Zijn vrienden smeken hem niet op te gaan, maar hij laat zich niet overtuigen. Ze houden zich stil, hoewel ze niet erg bevredigd zijn, en zeggen: “Moge de wil van de Heer gebeuren”. En ik twijfel er niet aan dat het inderdaad Zijn wil was, maar voor de vervulling van plannen die Paulus niet kende door het inzicht dat de Heilige Geest geeft. Alleen voelde hij zich gebonden in de geest te gaan en was bereid om alles te lijden voor de Heer.

Daarom vertrekt hij naar Jeruzalem, en als hij daar is aangekomen gaat hij naar het huis van Jakobus, waar alle oudsten bijeenkomen. Paulus doet hun verslag van het werk van God onder de volken. Maar zij richten hun aandacht op hun judaïsme, waarvan de menigte vol was. Hoewel ze zich verheugen in het goede dat God bewerkt had door de Geest, verlangen ze dat Paulus toont dat hij gehoorzaam is aan de wet. De gelovigen in Jeruzalem komen noodzakelijkerwijze samen bij de aankomst van Paulus en hun vooroordelen met betrekking tot de wet moeten bevredigd worden. Paulus heeft zichzelf gebracht op de plaats waar de eisen van de mens gelden. Als hij weigerde zich eraan te onderwerpen, zou hij toegeven dat hun gedachten over hem juist waren. Als hij hun verlangen inwilligde, zou hij niet de leiding van de Geest in alle vrijheid van de liefde als regel aanvaarden, maar de onwetende en bevooroordeelde toestand van deze joodse gelovigen. Dit probleem ontstond omdat Paulus daar niet in overeenstemming met de Geest gekomen was als apostel, maar in overeenstemming met zijn gehechtheid aan deze oude dingen. Men moet boven de vooroordelen van anderen staan en vrij zijn van hun invloed, om in staat te kunnen zijn in liefde tot hen af te dalen.

Nu Paulus eenmaal in deze situatie is moet hij wel toegeven aan hun eisen. Maar de hand van God is hierin. Deze daad drijft hem in de macht van zijn vijanden. Door de gelovige joden een genoegen te willen doen komt hij in het hol van de leeuw, in de handen van de joden die vijanden waren van het evangelie. We kunnen hieraan nog toevoegen dat we verder niets meer horen over de christenen van Jeruzalem. Ze hadden hun werk gedaan. Ik twijfel er niet aan dat ze de giften van de volken hebben aangenomen.

Omdat de hele stad in opschudding is en de tempel gesloten wordt verschijnt de overste van de legerafdeling om Paulus te verlossen van de joden die hem wilden doden, terwijl hij hem zelf echter in hechtenis neemt. Want de Romeinen waren gewend aan zulke tumulten en hadden een hartgrondige afkeer van dit volk, dat wel het geliefde volk van God was maar in hun eigen toestand trots en ontaard. Toch dwingt Paulus de eerbied van de overste af door de manier waarop hij hem aanspreekt en hij geeft hem toestemming het volk toe te spreken.

Hoofdstuk 22

Tegen de overste had Paulus Grieks gesproken, maar tegen het volk spreekt hij in het Hebreeuws, dat wil zeggen in hun gewone taal die Hebreeuws genoemd werd. Hij is altijd bereid om anderen door liefde te winnen, speciaal als het gaat om het geliefde maar opstandige volk. Paulus spreekt niet uitvoerig over wat de Heer zei toen Hij Zichzelf aan hem openbaarde, maar hij geeft hun een nauwkeurig verslag van het gesprek dat hij daarna met Ananias had, een trouwe jood die door allen geacht werd. Daarna gaat hij in op het punt dat zijn positie en zijn verdediging noodzakelijkerwijze kenmerkte. Christus was aan hem verschenen en had tegen hem gezegd: “Zij zullen je getuigenis van Mij niet aannemen … Ik zal je ver weg naar [de] volken zenden”. Geloofd zij God! Het is de waarheid. Maar wat voor zin heeft het om dit juist tegen de mensen te zeggen die volgens zijn eigen woorden zijn getuigenis niet zouden aannemen? Het enige dat gezag verleende aan zo’n zending was de Persoon Jezus, en daar geloofden ze niet in.

In zijn getuigenis tegenover het volk legt Paulus tevergeefs de nadruk op de joodse vroomheid van Ananias. Hoe echt die ook mocht zijn, ze was maar een gebroken rietstaf. Toch was dit het enige waarop hij kon steunen, behalve zijn eigen vroomheid. Maar zijn toespraak heeft maar één uitwerking. Ze bracht de hevige en onverbeterlijke haat aan het licht die dit ongelukkige volk bezielde ten opzichte van elke gedachte aan de genade van God. Ze openbaarde de ongebreidelde trots die inderdaad voorafging aan de val die hen verpletterde. De overste die het tumult ziet dat het volk maakt en die totaal niet begrijpt wat er aan de hand was, beveelt met de hooghartige minachting van een Romein dat Paulus moet worden gebonden en gegeseld om hem de eigenlijke reden te laten bekennen. Nu was Paulus zelf een Romeins burger, en als zodanig geboren, terwijl de overste dat burgerschap gekocht had. Paulus maakt dit feit rustig bekend en degenen die hem zouden geselen laten hem met rust. De overste is bang omdat hij hem geboeid heeft, maar omdat het om zijn gezag in deze zaak gaat laat hij hem gebonden. De volgende dag maakt hij hem los en brengt hem voor de joodse raad, het Sanhedrin. Het volk, niet alleen hun oversten, had de genade verworpen.

Hoofdstuk 23

Paulus spreekt de raad toe met de ernst en de waardigheid van een oprecht man, die gewend is met God te wandelen. Het is geen getuigenis dat tot hun zegen wordt afgelegd. Hij doet alleen een beroep op hun geweten, als ze dat nog hadden. Het is het beroep van een goed geweten. Maar het onmiddellijke antwoord is een grove belediging uit naam van de rechter of de overste van de raad. Paulus die geprikkeld is door deze gang van zaken, spreekt het oordeel over hem uit van Godswege. Maar als men hem waarschuwt dat het de hogepriester is (die kennelijk niet zo gekleed was dat men hem herkende), verontschuldigt hij zich op grond van zijn onwetendheid van dit feit. Hij citeert het formele verbod van de wet om de overste van het volk te vloeken. Dit was allemaal juist en op zijn plaats met betrekking tot mensen. Maar de Heilige Geest zou niet kunnen zeggen: “Ik wist niet”. Het is niet de werking van de Geest om het werk van genade en van getuigenis uit te voeren. Maar het is het middel van definitieve oordeel van God over het volk. Dat is het karakter waarin Paulus hier met betrekking tot de joden verschijnt. Paulus maakt een veel betere indruk dan zijn rechters, die zich bijzonder schandelijk gedragen en hun vreselijke toestand openbaren. Maar hij verschijnt niet van Godswege voor hen.

Daarna maakt hij gebruik van de verschillende partijen waaruit de raad bestond, om er verwarring te zaaien. Dit lukt hem volkomen doordat hij verklaart zelf een farizeeër te zijn, een zoon van farizeeën, die terechtstaat vanwege een dogma van die sekte. Dat was wel juist, maar het was beneden het niveau van zijn eigen woorden: “<Maar> wat winst voor mij was, heb ik om Christus’ wil schade geacht” (Filippi 3:7). Maar de joden tonen ten volle wie ze zijn. De woorden van Paulus veroorzaken een opschudding en de overste voert hem weg uit hun midden. God heeft alle dingen tot Zijn beschikking. Een neef van Paulus, die nergens anders genoemd wordt, hoort van een hinderlaag die men hem gelegd heeft en waarschuwt hem daarvoor. Paulus stuurt hem naar de overste, die Paulus dan onder bewaking laat vertrekken naar Cesaréa. God waakte over hem. Maar het lag allemaal op een menselijk vlak. Het zijn de wegen van Gods voorzienigheid. We zien hier geen engel zoals in het geval van Petrus, of een aardbeving zoals in Filippi. We zijn duidelijk op andere bodem.

Hoofdstuk 24

Paulus verschijnt achtereenvolgens voor het Sanhedrin, voor Felix, Festus en Agrippa en later voor de keizer. We zien hier hoe Paulus telkens een treffend beroep doet op hun geweten, als hij daarvoor gelegenheid heeft. En we horen de mannelijke en eerlijke verklaringen van een goed geweten, als hij zich moet verdedigen. Hij staat boven de hartstochten en de belangen waardoor hij omringd werd. Ik ga nu stilzwijgend voorbij aan de wereldse eigenwaan van Lysias en Festus, die zich verraadt door hun aanmatiging van alle mogelijke goede eigenschappen en gedragslijnen – aan de mengeling van een ontwaakt geweten aan de ene kant en beginselloosheid aan de andere kant die we waarnemen bij de stadhouders – aan de wens om de joden een welgevallen te doen ten bate van hun eigenbelang of ter verlichting van hun bestuur over een opstandig volk – en aan het gevoel van minachting van hen die niet zoveel verantwoordelijkheid als Lysias hadden voor de openbare rust. De positie van Agrippa en alle bijzonderheden van de geschiedenis hebben een opmerkelijk waarheidsgetrouw karakter. De stijl van de beschrijving van de verschillende karakters is zo levendig, dat we ons verplaatst voelen in de tonelen die worden beschreven. We zien de personen zich als het ware bewegen. Dat is trouwens een opvallend kenmerk van de geschriften van Lukas.

Hoofdstuk 25

Andere omstandigheden vragen onze aandacht. Festus nam zich voor om Paulus naar Jeruzalem te brengen en zo de joden een welgevallen te doen. Maar Rome zou ook een aandeel hebben in de verwerping van het evangelie van Gods genade en van het getuigenis van de gemeente. Paulus beroept zich op de keizer. Daarom moet Festus hem naar de keizer zenden, hoewel hij geen idee heeft van welke misdaad hij hem dan moet beschuldigen als hij hem zendt. Droevig beeld van de onrechtvaardigheid van de mens. Maar dit alles vervult Gods plannen. Paulus heeft met dit middel even weinig succes als met zijn poging om de joden tevreden te stellen. In het oog van de mens was het misschien het enige hulpmiddel van Paulus, gezien de omstandigheden waarin hij was. Maar de Heilige Geest laat hier optekenen dat hij had kunnen worden vrijgelaten als hij zich niet beroepen had op de keizer.

Hoofdstuk 26

Ik geloof dat Agrippa meer uit nieuwsgierigheid belangstelling had voor Paulus, dan dat het een zaak van het geweten was. Hoewel hij misschien de wens had meer te weten te komen van de leer die zoveel invloed uitoefende op de mensen – de drang tot onderzoek die verder ging dan louter nieuwsgierigheid. In het algemeen vat men zijn woorden zo op, dat hij niet ver stond van de overtuiging dat het christendom juist was. Misschien zou dat zo geweest zijn, als zijn hartstochten hem niet in de weg hadden gestaan. Maar ik betwijfel wel of deze gangbare gedachte de betekenis van het Grieks juist weergeeft. Ik geloof dat de uitdrukking “U zou mij bijna bewegen een christen te worden” eerder een gemaakte, spottende opmerking van Agrippa is. Hij zegt dit om voor Festus zijn gevoel van onbehaaglijkheid te verbergen, als Paulus een beroep doet op het joodse geloof dat de koning beleed te bezitten. Een “bijna christen” is een begrip dat volkomen onjuist is; hoewel iemand bepaalde invloeden kan ondergaan die hem tot het christendom zouden moeten brengen, dat hij dan toch blijft afwijzen. Agrippa was blij geweest als Paulus was vrijgelaten. Het was zijn overtuiging dat Paulus vrijuit had kunnen gaan als hij zich niet op de keizer had beroepen. Hij maakt dit als zijn mening kenbaar, als een wijs man die voor rede vatbaar was. Maar in werkelijkheid gaf zijn geweten hem deze woorden in. Hij durfde dit pas te zeggen nadat Festus en alle anderen het erover eens waren dat Paulus niets had gedaan waarop dood of gevangenschap stond.

God wilde dat de onschuld van Zijn geliefde dienstknecht werd aangetoond tegenover de wereld. De toespraak van Paulus heeft die strekking. Hij gaat verder, maar zijn doel is rekenschap af te leggen van zijn gedrag. Zijn wonderbare bekering wordt verhaald om zijn latere loopbaan te rechtvaardigen. Maar deze geschiedenis heeft ook de bedoeling om het geweten van Agrippa te raken. Hij was op de hoogte van de dingen van het jodendom en hij wilde kennelijk meer weten van het christendom, waarvan hij vermoedde dat het de waarheid was. Daarom maakt hij graag gebruik van de gelegenheid die zich voordoet om een uiteenzetting ervan door de apostel te horen. Maar het brengt weinig verandering in zijn positie. De toestand van zijn ziel opent echter de mond van de apostel, die zich rechtstreeks en speciaal tot de koning richt – die hem bovendien gevraagd had te spreken omdat hij kennelijk veel belangstelling had voor het onderwerp. Voor Festus was het allemaal een onbegrijpelijke rapsodie.

De waardigheid van de houding van Paulus voor al deze stadhouders is volmaakt. Hij richt zich tot het geweten met de zelfverloochening van een man die door zijn gemeenschap met God en het bewustzijn van zijn verhouding tot God innerlijk boven alle gevolgen van de omstandigheden staat. Hij spreekt uit naam van God, en terwijl hij de positie van zijn toehoorders volkomen eerbiedigt, zien we toch dat hij moreel ver boven hen staat. Hoe vernederender zijn omstandigheden zijn, des te mooier komt deze verhevenheid tot uitdrukking. Voor de volken is hij een gezant van God. Hij is (geloofd zij God!) weer op de juiste plaats. Alles wat hij tegen de joden had gezegd was juist en terecht. Maar waarom liet hij, die van het volk verlost was, zich onderwerpen aan hun totale gewetenloosheid en hun blinde driften die geen enkel getuigenis toelieten? Toch moest het zo gaan, zoals we al zagen, opdat de joden in elk opzicht de maat van hun ongerechtigheid zouden volmaken en ook opdat de gezegende apostel de voetstappen van zijn Meester zou volgen.

De toespraak van Paulus voor koning Agrippa geeft ons een bijzonder volledig beeld van de hele positie van de apostel, zoals hijzelf erop terugzag in het licht van zijn lange dienst en het licht van de Heilige Geest. Hij spreekt niet over de gemeente – dat was een leer om te onderwijzen en geen deel van zijn geschiedenis. Maar alles wat verband hield met zijn persoonlijke levensloop, in verbinding met zijn dienst, noemt hij in bijzonderheden. Hij was een streng farizeeër geweest. En hier brengt hij de leer van Christus in verbinding met de hoop van de joden. Hij was in gevangenschap om “[de] hoop van de belofte door God aan onze vaderen gedaan”. Ongetwijfeld maakte de opstanding deel daarvan uit. Waarom zou de koning de opstanding onmogelijk achten? Was God niet machtig om doden op te wekken? Dit brengt hem tot een ander punt. Hij had werkelijk bij zichzelf gedacht dat hij veel vijandigs tegen Jezus van Nazareth moest doen, en hij had dat ook gedaan met al de energie van zijn karakter en met de dweepzucht van een vrome jood. Zijn huidige toestand als een getuige onder de volken was te danken aan de verandering, die in hem tot stand gekomen was door de openbaring van de Heer, toen hij bezig was met het uitroeien van Zijn Naam. Bij Damaskus gekomen wierp een licht dat sterker was dan de zon hen allen ter aarde. En hij alleen hoorde de stem van de Rechtvaardige, zodat hij uit Zijn eigen mond hoorde dat Hij Jezus was en dat Hij degenen die in Hem geloofden beschouwde als Zichzelf. Zo’n getuigenis kon hij niet weerstaan. Maar omdat dit de grote grief van de joden was, laat hij zien dat zijn eigen positie formeel bepaald werd door de Heer Zelf. Hij werd geroepen om ooggetuige te zijn van de heerlijkheid die hij gezien had, dat wil zeggen van Jezus in die heerlijkheid – en ook van andere dingen voor de openbaring waarvan Jezus opnieuw aan hem zou verschijnen. Een verheerlijkte Christus gekend (persoonlijk) alleen in de hemel, was het onderwerp van het getuigenis dat aan hem was toevertrouwd. Met dit doel had Hij Paulus afgezonderd van de joden zowel als van de volken, omdat zijn zending rechtstreeks behoorde tot de hemel en daar haar oorsprong vond. En hij was door de Heer der heerlijkheid formeel tot de volken gezonden, om hun positie ten opzichte van God te veranderen door middel van geloof in deze verheerlijkte Jezus. Doordat hun ogen geopend werden en ze vanuit de duisternis in het licht werden gebracht, vanuit de macht van satan tot God en ze een erfenis ontvingen onder de geheiligden. Dit was een duidelijk omschreven werk. De apostel was niet ongehoorzaam geweest aan dit hemelse gezicht en hij had de volken onderwezen zich tot God te bekeren en daarmee in overeenstemming te handelen. Om deze reden probeerden de joden hem te doden.

Niets was eenvoudiger en meer in overeenstemming met de waarheid dan deze geschiedenis. Dit wierp bijzonder duidelijk licht op de zaak van Paulus en de houding van de joden. Als Festus hem tot de orde roept, omdat hij natuurlijk dacht dat het ongerijmde geestdrijverij was, doet hij dan ook met alle waardigheid en vlugge scherpzinnigheid een beroep op Agrippa’s kennis van de feiten waarop dit alles gebaseerd was. Want het was niet in een uithoek gebeurd. Agrippa was bijna overtuigd, maar zijn hart was onveranderd. De wens die Paulus uitspreekt brengt de zaak terug tot de morele werkelijkheid ervan. De bijeenkomst wordt ontbonden. De koning neemt zijn koninklijke positie weer in, hoffelijk en neerbuigend. En de discipel neemt zijn plaats als gevangene weer in. Maar wat zijn positie ook mocht zijn, bij hem zien we een hart dat volkomen gelukkig is en vervuld met de Geest en de liefde van God. Twee jaar gevangenis hadden zijn hart of zijn geloof niet kunnen neerdrukken. Hierdoor was hij alleen maar verlost van zijn kwellende verbinding met de joden en kreeg hij de gelegenheid zijn tijd in gemeenschap met God door te brengen.

Agrippa was verbaasd en onder de indruk van het duidelijke en ongedwongen verslag dat Paulus gaf. En de persoonlijke manier waarop hij hem aansprak oefende een bepaalde druk op hem uit. Hiervan probeert hij zich te ontdoen door te zeggen: “U zou mij bijna bewegen een christen te worden”. Het woord “bijna” is eigenlijk geen juiste vertaling. Agrippa probeert de woorden van Paulus van zich af te zetten door de opmerking: “U zou nog gauw een christen van me maken”. Hij verbergt zijn gevoelens door deze spottende uitdrukking. Maar ik twijfel er niet aan dat zijn geest diep onder de indruk was. Paulus geeft een bijzonder antwoord. Liefde had kunnen zeggen: “Ik wenste wel van God dat u dat werd”. Maar Paulus gaat veel verder. Er is een drijfveer in zijn hart die niet bij die wens blijft staan. “Ik wenste wel van God”, zegt hij, “dat niet alleen u, maar ook allen die mij vandaag horen, zodanig werden zoals ook ik ben, uitgezonderd deze boeien”. Wat een blijdschap en wat een liefde spreken er uit deze woorden! Hij was vol daarvan – en bij God gaan die beide dingen samen. Hij was een arme gevangene, oud en veracht, en hij stond aan het eind van zijn loopbaan. Maar hij is rijk in God! De jaren die hij in de gevangenis had doorgebracht waren gezegende jaren geweest. Hij kon zichzelf een voorbeeld van geluk noemen. Want zijn hart was er vol van. Een ziel kan in een toestand zijn die onmiskenbaar duidelijk is. En waarom zou hij niet gelukkig zijn? De vermoeienissen waren voorbij, zijn werk was in zekere zin afgelopen. Hij bezat alleen Christus en in Hem bezat hij alle dingen. De verheerlijkte Jezus, die hem in moeite en strijd van het getuigenis gebracht had, was nu zijn bezit en zijn kroon. Zo is het altijd. Het kruis in de dienst – uit kracht van wat Christus is – betekent het genot van alles wat Hij is, als de dienst is afgelopen. Het is zelfs tot op zekere hoogte bepalend voor de mate van dat genot. Zo was hét ook bij Christus Zelf, in al Zijn volheid. Zo is het ook bij ons, in onze mate, overeenkomstig de soevereine genade van God. Alleen veronderstelt de uitspraak van Paulus dat de Heilige Geest volkomen beslag legt op het hart opdat niets dat genot in de weg staat, en dat de Geest niet bedroefd wordt.

Een verheerlijkte Jezus, een Jezus die hem liefhad, een Jezus die het zegel van Zijn goedkeuring en liefde aan zijn dienst hechtte, een Jezus die hem tot Zich zou opnemen in heerlijkheid en met Wie hij één was (en waarvan hij zich bewust was overeenkomstig de overvloedige kracht van de Heilige Geest, overeenkomstig Goddelijke gerechtigheid), een Jezus Die de Vader openbaarde en door Wie hij de plaats van zoonschap bezat – deze Jezus was de oneindige vreugdebron voor Paulus, het heerlijke Voorwerp van zijn hart en van zijn geloof. Omdat hij Hem in liefde kende, was zijn hart vol van die liefde die uitstroomde naar alle mensen. Wat kon hij hun beter toewensen dan te worden zoals hij, uitgezonderd zijn boeien? Zou hij, vervuld met die liefde, iets anders kunnen wensen? Hij was vol van deze grote liefde. Jezus was de maatstaf ervan.

Nadat zijn onschuld volledig vaststaat en erkend wordt door zijn rechters, moet de vervulling van Gods plannen nog plaatsvinden. Zijn beroep op de keizer moet hem naar Rome brengen, opdat hij daar ook zal mogen getuigen. In zijn positie hier lijkt hij weer op Jezus. Maar tegelijk vervaagt de dienstknecht ook (al is hij nog zo gezegend), als we hem vergelijken met zijn Heer, en wordt hij overschaduwd door Christus, zodat we niet meer aan hem denken. Jezus offerde Zichzelf op in genade. Hij beriep Zich alleen op God. Hij antwoordde alleen maar om van de waarheid te getuigen – die waarheid was de heerlijkheid van Zijn Persoon, Zijn eigen rechten, hoe Hij ook was vernederd. Zijn Persoon straalde te midden van alle donkere wolken van het geweld van de mens, dat alleen op dat moment macht over Hem had, omdat zó de wil van God volbracht moest worden. Met dat doel geeft Hij Zich over aan de macht die hun van boven gegeven is. Maar Paulus beroept zich op de keizer. Hij is een Romein – een menselijke waardigheid verleend door de mens, een waardigheid die geldig was voor mensen. Hij gebruikt die voor zichzelf, terwijl God zó Zijn plannen vervult. Paulus en zijn dienst zijn gezegend. Maar Christus is volmaakt en het volmaakte onderwerp van het getuigenis zelf.

Maar al kan Paulus dus niet meer het vrije werk van de Heilige Geest uitvoeren, al is hij een gevangene in de handen van de Romeinen – zijn ziel is in elk geval vervuld met de Geest. Tussen hem en God is alles vrijheid en vreugde. Al deze dingen zullen hem tot heil strekken, dat betekent tot zijn definitieve overwinning in de strijd met de satan. Wat heerlijk! Door de bijstand van de Geest van Jezus Christus zal het woord van God niet gebonden zijn. Door zijn gevangenschap zullen anderen kracht en vrijmoedigheid krijgen, al zullen sommigen – in de zwakke toestand van de gemeente – er misbruik van maken. Maar Christus zal gepredikt en groot gemaakt worden. Daarmee is Paulus tevreden. Wat een geweldige waarheid! Wat een volmaakte blijdschap voor het hart, wat er ook mag gebeuren! We zijn onderwerpen van Gods genade – God zij geprezen! – zowel als werktuigen van Zijn genade in de dienst. Christus alleen is het doel ervan en God zorgt dat Hij verheerlijkt wordt. Meer is niet nodig. Dit is zelf ons deel en onze volmaakte vreugde.

Men zal in deze belangwekkende geschiedenis ook hebben opgemerkt dat de Heer juist aan Paulus verscheen op het moment dat hij waarschijnlijk het meest verontrust was (23:11). Toen zijn gedrag misschien het minst duidelijk in overeenstemming met de kracht van de Geest was, toen hij wanorde veroorzaakte in de raad door argumenten te gebruiken die hij later zelf niet helemaal rechtvaardigt (24:20, 21) – juist op dat ogenblik verscheen de Heer vol genade aan hem, om hem te bemoedigen en te versterken. Dezelfde Heer die hem vroeger in Jeruzalem gezegd had de stad te verlaten omdat ze zijn getuigenis niet zouden aannemen, die hem waarschuwingen gezonden had om niet daarheen op te gaan, verscheen nu aan hem om hem te zeggen dat hij in Rome net zo van Hem zou moeten getuigen als hij in Jeruzalem gedaan had. Hij vervulde Zijn eigen plannen van genade ondanks de zwakheid en menselijke liefde van Zijn dienstknecht en zelfs door middel daarvan. Terwijl Hij tegelijk ook Zijn heilzame tucht uitoefende in Zijn Goddelijke wijsheid door deze zelfde middelen.

Hier zien we de genade van de Heer. Dat is de manier waarop Hij in Zijn genade de hele geschiedenis uitlegt, op het moment dat Zijn dienstknecht waarschijnlijk gevoeld heeft hoe pijnlijk zijn positie was. Misschien was hij hierdoor overweldigd en dacht hij terug aan het verbod van de Geest om op te gaan. Als men in beproeving is, is twijfel een kwelling. Daarom komt de trouwe en liefdevolle Heer tussenbeide om Paulus te bemoedigen en Zijn eigen verklaring te verbinden aan de positie van Zijn arme dienstknecht en het karakter van Zijn liefde voor hem aan te geven. Aan de ene kant was het nodig om tucht uit te oefenen vanwege zijn toestand om hem te zegenen en te volmaken, maar aan de andere kant was Jezus bij hem in die tuchtiging. Niets is zo ontroerend als de tederheid en de gepastheid van deze genade. Bovendien vervulde dit alles, zoals we al eerder hebben opgemerkt, de plannen van God met betrekking tot de joden, tot de volken en tot de wereld. Want God kan één zaak zo beschikken dat daardoor de meest uiteenlopende oogmerken bereikt worden.

Hoofdstuk 27

Nadat Paulus zo door genade hersteld en met nieuwe moed bezield is, toont hij op de reis naar Rome dat hij de hele situatie meester is. Hij is degene die raad geeft, in overeenstemming met de mededeling die hij van God ontvangt. Hij bemoedigt, hij handelt in elk opzicht uit naam van God te midden van het toneel dat hem omringt. De beschrijving – vol leven en realiteit – die zijn metgezel Lukas van deze reis geeft, heeft geen commentaar nodig. Ze geeft een bewonderenswaardig levend beeld van de hele situatie. Wat voor ons van belang is, is de houding van Paulus te midden van het valse vertrouwen of de angst van het hele gezelschap.

Hoofdstuk 28

Op Malta zien we hoe hij opnieuw zijn gewone kracht uitoefent onder dat volk van barbaren. Het is duidelijk dat God met hem is. Maar uit het verslag van zijn verblijf daar of van zijn reis blijkt niet dat hij het evangelie gepredikt heeft. Als hij in Italië aan land komt, zien we dat hij terneergeslagen is. Maar de liefde van de broeders bemoedigt hem en bezielt hem opnieuw. Hij reist door naar Rome, waar hij twee jaar woont in een huis dat hij huurt, terwijl er een soldaat bij hem is om hem te bewaken. Waarschijnlijk had men aan hen die hem naar Rome brachten laten weten dat het alleen een kwestie van joodse jaloezie was. Want op de hele reis behandelen ze hem met alle mogelijke respect. Bovendien was hij een Romein.

Als hij in Rome is aangekomen roept hij de joden bij zich. Hier zien we voor de laatste keer wat hun toestand is en het oordeel dat hun al vanaf het moment dat Jesaja zijn profetie uitsprak boven het hoofd hing. Deze profetie hield speciaal verband met het huis van David en Juda. Van dit oordeel dat Jesaja uitsprak, zei de Heer Jezus dat het over hen zou komen omdat ze Hem verworpen hadden. Maar de uitvoering hiervan werd door Gods lankmoedigheid uitgesteld totdat het getuigenis van de Heilige Geest ook verworpen was. Aan dit oordeel herinnert Paulus hier aan het eind van het historische deel van het Nieuwe Testament. Dit is hun definitieve toestand, zoals de dienstknecht van soevereine genade hier ernstig vaststelt. Deze toestand zou voortduren totdat God met kracht tussenbeide kwam om hun bekering te geven en te verlossen en Zichzelf in hen door genade te verheerlijken.

We hebben al eerder gewezen op deze karaktertrek van de Handelingen, die hier op een duidelijke en treffende manier naar voren komt – de terzijdestelling van de joden. Dat wil zeggen, ze stellen zichzelf terzijde door hun verwerping van het getuigenis van God, van het werk van God. Ze plaatsen zichzelf buiten dat wat God begon op te richten. Ze willen Hem niet volgen als Hij Zijn genade uitbreidt. Daarom zijn ze volkomen achtergelaten zonder God en zonder huidige verbinding met Hem. Zijn Woord blijft tot in eeuwigheid en Zijn barmhartigheid ook. Maar anderen nemen de plaats in van een vaste en huidige verbinding met Hem. Enkelingen uit het volk komen op een ander terrein om andere redenen, maar Israël verdwijnt en wordt voor een tijd weggedaan van het aangezicht van God.

Dat laat het Boek Handelingen ons zien. In het begin wordt het geduld van God uitgeoefend ten opzichte van de joden zelf door de prediking van het evangelie en apostolische zending. Maar hun vijandschap groeit langzamerhand en bereikt een hoogtepunt bij de kwestie van Stefanus. Dan verwekt God de apostel Paulus. Hij is ook een getuige van Gods genade ten opzichte van hen als een uitverkoren overblijfsel, want hij was zelf van Israël. Maar hij brengt in verbinding met een hemelse Christus iets totaal nieuws: de leer van de gemeente, het lichaam van Christus in de hemel, en de terzijdestelling van elk onderscheid tussen jood en niet-jood als zondaars, en in de eenheid van dat lichaam.

Dit wordt historisch verbonden met dat wat in Jeruzalem was opgericht, om de eenheid te bewaren en de verbinding van de beloften. Maar op zichzelf, als een leer, was het iets dat in God verborgen was van alle eeuwen. Want het behoorde tot Zijn plannen van genade voordat de wereld was. De vijandschap van de joden ten opzichte van deze waarheid nam nooit af. Ze gebruikten alle mogelijke middelen om de volken op te stoken tegen hen die deze leer brachten en om de vorming van de gemeente zelf te verhinderen. Nadat God met volkomen geduld en genade tot het eind toe te werk was gegaan, geeft Hij de gemeente de plaats van de joden, als Zijn huis en het vat van Zijn beloften op aarde, door haar tot Zijn woonplaats te maken door de Geest.

De joden waren terzijdegesteld. Helaas nam hun geest spoedig bezit van de gemeente zelf! Maar de gemeente en de duidelijke en absolute leer dat er geen onderscheid was tussen de joden en volken (van nature evenzeer kinderen van de toorn) en dat ze dezelfde gemeenschappelijke voorrechten hadden als leden van het ene lichaam – dat alles was volledig bekendgemaakt. Het was het erkende fundament van alle relatie tussen God en elke ziel die geloof bezat. Dit is de leer van de apostel in de brieven aan de Romeinen en de Efeziërs, in Romeinen in hun persoonlijke positie, in Efeze in de gemeenschappelijke positie.

Tegelijkertijd is de gave van het eeuwige leven, als iets dat beloofd was voordat de wereld was, (Titus 1:2) openbaar gemaakt door het opnieuw geboren worden 9– het begin van een nieuw bestaan met een Goddelijk karakter – en het deelhebben aan Goddelijke gerechtigheid. Terwijl deze twee dingen verenigd zijn in onze opstanding met Christus, waardoor we, nadat onze zonden zijn vergeven, voor God geplaatst zijn zoals Christus, die tegelijk ook ons leven en onze gerechtigheid is. Dit leven openbaart zichzelf door gelijkvormigheid aan het leven van Christus op aarde, die ons een voorbeeld heeft nagelaten opdat we Zijn voetstappen zouden navolgen. Het is het Goddelijk leven geopenbaard in de mens – in Christus als het Voorwerp, in ons als getuigenis.

Het kruis van Christus is de basis, het fundamentele middelpunt, van al deze waarheden: de relatie tussen God en de mens zoals hij was, zijn verantwoordelijkheid; genade; verzoening; het eind van het leven wat betreft zonde, de wet en de wereld, het wegdoen van de zonde door de dood van Christus en de gevolgen ervan in ons. Alles is daar beslist en maakt plaats voor de kracht van het leven dat in Christus was, die God daar volmaakt verheerlijkte – voor dat nieuwe bestaan waarin Hij als Mens inging in de tegenwoordigheid van de Vader; door wiens heerlijkheid, zowel als door Zijn eigen Goddelijke kracht en door de energie van de Heilige Geest, Hij werd opgewekt uit de doden.

Dit verhindert niet dat God Zijn regeringswegen met de joden op aarde weer zal opnemen, als de gemeente voltallig en daarboven geopenbaard is; en wat Hij zal doen in overeenstemming met Zijn beloften en de verklaringen van de profetie. De apostel zet dit ook uiteen in de brief aan de Romeinen; maar dit hoort bij de studie van die brief. De wegen van God in oordeel met betrekking tot de volken eveneens in dezelfde periode, zullen we zien in de Openbaring, zowel als in profetische passages in de brieven in verbinding met de komst van Christus, en zelfs met Zijn regering van de wereld in het algemeen vanaf het begin tot het eind. Samen met de waarschuwingen die noodzakelijk waren voor de gemeente, toen de dagen van misleiding begonnen aan te breken en zich zedelijk gingen ontwikkelen in het verval van de gemeente, gezien als Gods getuige in de wereld.

Als onze apostel naar Rome gebracht is verklaart hij (na de openbaring van ongeloof onder de joden, waarop we al hebben gewezen) dat het heil van God naar de volken gezonden wordt. En hij woont twee volle jaren in het huis dat hij had gehuurd, terwijl hij allen ontvangt die tot hem komen, want hij had niet de vrijheid om naar hen toe te gaan. Zo predikt hij het koninkrijk van God en de dingen die de Heer Jezus betroffen, met alle vrijmoedigheid en ongehinderd. Hiermee eindigt de geschiedenis van deze kostbare dienstknecht van God, geliefd en geëerd door zijn Meester, als een gevangene in Rome. In dat Rome dat als hoofd van het vierde wereldrijk de zetel van de tegenstand zou zijn onder de volken – zoals Jeruzalem van de tegenstand onder de joden – tegen het koninkrijk en tegen de heerlijkheid van Christus. De tijd voor de volle openbaring van die tegenstand was nog niet gekomen. Maar de dienstknecht van de gemeente en van het evangelie van de heerlijkheid is daar een gevangene. Zo begint Rome zijn geschiedenis in verbinding met het evangelie dat de apostel predikte. Maar God was met hem.

EINDE HANDELINGEN

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 6.2

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoot:

1 Het is een droevige maar leerrijke zaak in het laatste deel van de Handelingen te zien hoe de geestelijke energie van een Paulus eindigt – wat betreft het resultaat ervan in het werk – in de schaduw van een gevangenis. Toch zien we de wijsheid van God hierin. Het apostolisme waarop Rome zich beroemt, had nooit een apostel, behalve dan als een gevangene; en het christendom was daar al geplant, zoals de brief aan de Romeinen bewijst.

2 De zendingsopdracht die in Lukas 24 gegeven wordt, is de opdracht die in de redevoeringen van Petrus en Paulus in de Handelingen vervuld is, maar speciaal in hoofdstuk 2 en 13. Niet die van Mattheüs 28, die inderdaad alleen tot de volken ging. De opdracht in Lukas gaf Hij bij Zijn hemelvaart vanuit Bethanië, de opdracht in Mattheüs bij Zijn opstanding vanuit Galilea, waar Hij de armen van de kudde had gezocht (vergelijk Mattheüs 4:15).

3 Niet “wanneer”. Er is geen aanleiding om het zo te vertalen.

4 Als we de uitdrukkingen en feiten in de Schrift nauwkeurig onderzoeken blijkt dat naar mijn overtuiging, als het gaat om details, het geloof in het werk van Jezus ter vergeving van zonden het geloof is dat verzegeld wordt.

5 Het is de vraag hoe we Handelingen 9:31 moeten lezen. Maar dit is niet van invloed op de algemene gedachte dat er nu een plaatselijke gemeente gevormd was die onderscheiden wordt van de gemeente in Jeruzalem en die hoofdzakelijk uit gelovigen uit de volken bestond.

6 Hier staat Paulus voorop. In het vorige hoofdstuk heeft Barnabas de eerste plaats.

7 Letterlijk of de Heilige Geest er was. Deze uitdrukking – dezelfde als in Johannes 7 – is een heel treffend getuigenis van de bijzonderheid en het belang van de tegenwoordigheid van de Heilige Geest hier op aarde. Die tegenwoordigheid wordt “de Heilige Geest” genoemd, hoewel we allemaal weten dat Hij altijd bestaan had. Maar wat genoemd wordt de Heilige Geest, dat wil zeggen Zijn tegenwoordigheid hier beneden – dat was er nooit geweest.

8 Misschien interesseert het de lezer en helpt het hem om dit deel van de geschiedenis van het Nieuwe Testament te begrijpen, als ik de tijd aangeef waarop Paulus enkele van zijn brieven schreef. Hij schreef de eerste brief aan de Korinthiërs vanuit Efeze en stuurde die door middel van Titus. Timotheüs stuurde hij via Macedonië. Misschien zou Timotheüs naar Griekenland gaan. “Wanneer nu Timotheüs komt”, zegt de apostel tegen de Korinthiërs. Toen kwam het oproer en juist op dat ogenblik – of ongeveer in die tijd – verkeerde hij in levensgevaar. Hij veronderstelde zelfs niet dat hij het er levend zou afbrengen. Hij was van plan geweest door Griekenland naar Macedonië te gaan en dan terug te gaan naar Griekenland. Maar de toestand waarin Korinthe was verhinderde dat, en hij ging eerst naar Macedonië. Op zijn reis gaat hij naar Troas, maar hij blijft daar niet. In Macedonië heeft hij geen rust in zijn geest, omdat Titus hem geen bericht had gebracht over de Korinthiërs. Maar daar ontmoette Titus hem, en de apostel werd vertroost in zijn droefheid door het goede nieuws dat de Korinthiërs hersteld waren in de juiste gezindheid. Daarop schrijft hij de tweede brief aan de Korinthiërs. En nadat hij de gemeente heeft bezocht, zet hij zijn reis naar Korinthe voort. Vanuit Korinthe schreef hij zijn brief aan de Romeinen. Ik spreek hier alleen over dat wat betrekking heeft op dit deel van de geschiedenis van de apostel en wat licht werpt op zijn arbeid.

9 Het woord “wedergeboorte” wordt in de Schrift niet toegepast op ons opnieuw geboren worden; het is een verandering van positie in ons, verbonden met ons gestorven zijn met Hem en met de opstanding. Het komt tweemaal voor: eenmaal in Mattheüs 19 waar het ziet op het komende koninkrijk van Christus, en eenmaal in Titus. Daar is het de wassing van de doop, als type van het overgebracht worden uit de toestand van de oude Adam in de christelijke toestand, maar onderscheiden van de vernieuwing van de Heilige Geest.