66. Jakobus

66. Jakobus · uit de ‘Synopsis’ deel 8 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

De brief van Jakobus is niet aan de gemeente gericht. De schrijver stelt zich ook niet op het standpunt van een apostel die gezag heeft over de personen aan wie hij schrijft. Het is een praktische vermaning, die de twaalf stammen nog steeds erkent, en ook de verbinding van de joodse christenen met hen. Evenzo richtte Jona zich tot de Volken, hoewel het joodse volk zijn eigen plaats voor God innam. Zo erkent de Geest van God hier nog de betrekking van Israël tot God, zoals in het andere geval die van de Volken. De rechten die God heeft, zijn onveranderlijk, welke bijzondere voorrechten ook respectievelijk de gemeente of Israël mogen ten deel vallen. We weten, dat de joodse christenen, voor zover het de geschiedenis betreft, Joden bleven tot het einde van de geschiedenis van het Nieuwe Testament. Zij waren zelfs ijveraars voor de wet – iets dat ons vreemd voorkomt; maar God verdroeg het een tijd lang met geduld.

De christelijke leer is niet het onderwerp van deze brief. Hij wijst de plaats aan die God in het geweten heeft, en ten opzichte van alles wat ons omringt. Zodoende worden door deze brief de lendenen van de christenen omgord, terwijl ook de aanstaande komst van de Heer wordt voorgesteld, evenals de tucht die Hij nu uitoefent. De gemeente van God behoort inzicht te bezitten in deze tucht, en op grond daarvan werkzaam te zijn. Ook de wereld, en alles wat daarin een rol speelt, wordt in deze brief beoordeeld vanuit het gezichtspunt van God.

Enige opmerkingen over de positie van de christen (dat wil zeggen: over de manier waarop die positie hier wordt gezien met betrekking tot Israël) zullen ons helpen om dit gedeelte van het Woord te verstaan.

Israël wordt nog steeds als het volk van God beschouwd. Voor het geloof van Jakobus heeft het volk nog altijd de betrekking tot God die God het had gegeven. De christenen onder hen worden aangesproken als mensen die nog deel uitmaken van een volk waarvan de banden met God nog niet door het oordeel verbroken waren; maar alleen de christenen onder hen bezaten het geloof in de ware Messias dat de Geest gaf. Alleen zij onder het volk erkenden, met de schrijver, Jezus als de Heer der heerlijkheid. Met uitzondering van de verzen 14 en 15 van Jakobus 5 bevat deze brief geen enkele vermaning die in geestelijke hoogte verder gaat dan wat tot een godvrezende Jood gericht zou kunnen worden. De brief veronderstelt wel dat de personen tot wie hij spreekt geloof hebben in de Heer Jezus; maar hij roept hen niet op tot wat uitsluitend bij het Christendom hoort en van zijn voorrechten afhangt. De vermaningen komen voort uit die hogere bron en ademen een meer hemelse sfeer, maar wat zij willen bewerken, zijn werkelijke bewijzen van godsdienst hier beneden; het zijn vermaningen zoals men ze zou kunnen horen in de belijdende christenheid – een groot geheel zoals Israël, waarin zich enkele christenen bevonden.

De brief is niet gegrond op de christelijke betrekkingen hier op aarde. Hij erkent ze wel, maar alleen als één feit te midden van andere, die rechten hebben op het geweten van de schrijver. Hij veronderstelt dat zij tot wie hij zich richt in een betrekking tot God staan die bekend is, onbetwist en van oude datum, en waarin het Christendom is ingevoerd.

Het is belangrijk te letten op de zedelijke maat van het leven die deze brief voorstelt. Zodra we de positie begrijpen waarin de brief de gelovigen ziet, is het niet moeilijk de waarheid op dit punt te onderscheiden. Het is dezelfde maat die Christus voorstelde toen Hij in het midden van Israël wandelde en Zijn discipelen het licht en de betrekkingen met God voorhield, die voor hen uit Zijn tegenwoordigheid voortkwamen. Nu was Hij wel afwezig; maar dat licht en die betrekkingen blijven de maat van de verantwoordelijkheid. En de terugkomst van de Heer zou dat rechtvaardigen door het oordeel over hen die weigerden het aan te nemen en erin te wandelen. Tot die dag moesten de getrouwen geduld hebben te midden van de verdrukking die zij te lijden hadden van de kant van de Joden, die de heilige naam waarnaar zij genoemd waren nog steeds lasterden.

Wat hun betrekking tot het joodse volk betreft, is het het omgekeerde van de brief aan de Hebreeën; niet zedelijk, maar omdat het oordeel nabij was toen de brief aan de Hebreeën werd geschreven.

De grondbeginselen van de positie waarover we gesproken hebben, zijn de volgende: de wet in haar geestelijkheid en volmaaktheid, zoals Christus haar heeft uitgesproken en samengevat; een meegedeeld leven, dat de zedelijke beginselen van de wet heeft en zelf een Goddelijk leven is; de openbaring van de Naam van de Vader. Dit alles was waar toen de Heer op aarde was, en het was de grond waarop Hij toen Zijn discipelen plaatste (hoe gebrekkig zij het ook begrepen). Hij zei hun dat zij daarvan na Zijn dood getuigen zouden zijn, evenals van alles wat Hij had gezegd, en Hij onderscheidde dit getuigenis van dat van de Heilige Geest.

Dit is wat Jakobus hier leert, met daarbij wat de Heer ook had gezegd: dat Hij terug zou komen. Het is de leer van Christus over de wandel te midden van Israël, overeenkomstig het licht en de waarheden die Hij had ingevoerd; en – daar Hij nog afwezig was – een aansporing tot volharding en geduld in die wandel, in afwachting van het ogenblik waarop Hij, door middel van het oordeel over hen die hen verdrukten, de beginselen zou rechtvaardigen waarnaar zij wandelden.
Hoewel het oordeel dat uitgeoefend is over Jeruzalem, de positie van het overblijfsel van Israël in dit opzicht wijzigde, blijft toch het leven van Christus altijd ons voorbeeld: en wij moeten met volharding wachten tot de Heer komt.

We vinden in deze brief niet de vereniging van de christen met de verheerlijkte Christus in de hoge, en daarom evenmin de gedachte dat we Hem tegemoet zullen gaan in de lucht, zoals Paulus leerde. Maar wat deze brief bevat, blijft altijd waar: “wie zegt dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf <zó> te wandelen als Hij gewandeld heeft” (1 Johannes 2:6).

Het naderende oordeel maakt het ons duidelijk waarom Jakobus op zo’n manier over de wereld spreekt, over de rijken die zich verheugen over de rijkdom die hun ten deel is gevallen, en over de positie van het gelovige overblijfsel dat wordt verdrukt en lijdt te midden van het ongelovige volk. Het maakt ons duidelijk waarom hij begint met te spreken over beproevingen en verzoekingen, en waarom hij er zo dikwijls op terugkomt; ook waarom hij aandringt op praktische bewijzen van het geloof. Hij ziet nog steeds heel Israël in zijn geheel samen; maar sommigen hadden het geloof aangenomen in de Heer der heerlijkheid, en dezen kwamen nu in de verleiding om de rijken en groten in Israël bijzonder te achten. Ze waren allemaal nog Joden; terwijl sommigen werkelijk geloofden en hun geloof beleden dat Jezus de Christus is. Maar daar deze christenen de joodse inzettingen hielden, kunnen we gemakkelijk begrijpen dat zij die alleen maar belijders waren precies hetzelfde konden doen, zonder dat die werken een bewijs waren van de geringste verandering in hun leven. Het is duidelijk, dat zo’n geloof geen enkele waarde heeft. Het is precies het geloof van de mensen die in onze tijd luid roepen om werken – het is niets dan een dode belijdenis van de waarheid van het Christendom. Voortgebracht te zijn door het woord van de waarheid is hun even vreemd en onbekend als het voor de Joden was over wie Jakobus spreekt.

De gelovigen bevonden zich zodoende te midden van het volk Israël met sommigen die het geloof alleen maar beleden. Daarom kunnen we meteen begrijpen, dat de apostel het geheel toespreekt als mensen die deel hadden aan de voorrechten die in hun midden voorhanden waren; dat hij de christenen toespreekt als mensen die hun eigen bijzondere plaats hadden; en dat hij hen waarschuwt die zich gelovigen in Christus noemden. De praktische toepassing van deze brief op alle tijden is volkomen duidelijk en eenvoudig. Vooral wanneer een grote menigte mensen zich aanmatigt, dat zij door overerving recht hebben op de voorrechten van het volk van God. Behalve dit is de brief bijzonder van kracht voor het geweten van de enkeling; hij beoordeelt de positie waarin iemand zich bevindt, en ook de gedachten en overleggingen van het hart.

Hoofdstuk 1

De brief begint met een vermaning aan de broeders om zich te verheugen in de beproevingen, want ze zijn een middel om volharding te bewerken. Dit is hoofdzakelijk het onderwerp tot aan het eind van vers 20; daarna gaat het er meer over hoe nodig het is alles ten onder te houden dat zich verzet tegen volharding en dat ingaat tegen het ware karakter van iemand die in de tegenwoordigheid van God verkeert. Deze aanspraak in zijn geheel genomen eindigt met het laatste vers van dit hoofdstuk. Het is niet altijd even gemakkelijk om het verband te zien in de redenering. De sleutel hiervoor is de zedelijke toestand, waarmee de apostel zich in gedachten bezighoudt. Ik wil proberen het verband duidelijker te maken.

Het onderwerp is in hoofdzaak dit: wij behoren te wandelen voor het aangezicht van God en te laten zien dat onze belijdenis werkelijkheid is, in tegenstelling tot een verbinding met de wereld; dus: praktische godsdienst. Daartoe moet de volharding een volmaakt werk hebben; op die manier wordt de eigenwil ten onder gehouden en nemen we de gehele wil van God aan. Bijgevolg ontbreekt het praktische zielsleven dan aan niets. Misschien zal de gelovige lijden; maar hij wacht met volharding op de Heer. Dat deed Christus; het was Zijn volmaaktheid. Hij wachtte op de wil van God, en deed nooit Zijn eigen wil: zodoende was de gehoorzaamheid volmaakt, en werd de mens volkomen beproefd. Maar in feite ontbreekt het ons vaak aan wijsheid om te weten, wat wij moeten doen. Hier staat, dat het hulpmiddel voor de hand ligt: we moeten wijsheid vragen aan God. Hij geeft mild aan iedereen; alleen moeten we rekenen op Zijn trouw en op een antwoord op onze gebeden. Anders is ons hart verdeeld en zijn we wankelmoedig doordat we van iets anders afhankelijk zijn dan van God alleen; ons verlangen heeft dan een ander voorwerp. Als wij alleen zoeken wat God wil en wat God doet, vertrouwen we zeker op Hem, dat Hij Zijn wil zal vervullen. En wat de omstandigheden van deze wereld betreft, die iemand misschien zouden doen menen dat het geen zin heeft om op God te vertrouwen: ze zullen als een bloem van het gras vergaan. Wij moeten ons ervan bewust zijn, dat de plaats die wij in overeenstemming met Gods gedachten innemen, niet die van de wereld is. Wie een onaanzienlijke plaats inneemt hoort zich erin te verheugen dat het Christendom hem verhoogt; de rijke moet erin roemen dat het hem vernedert. Niet over rijkdom moeten we ons verheugen, (die vergaat), maar over de oefeningen van ons hart, waarvan de apostel had gesproken. Want nadat wij beproefd zijn zullen we de kroon van het leven ontvangen.

Het leven van iemand die zo beproefd wordt bevonden, en in wie dit leven zich ontwikkelt in gehoorzaamheid aan de hele wil van God, is zeker wel het leven waard van iemand, die in weelde al de wensen van zijn hart kan bevredigen.

Met betrekking nu tot dergelijke verzoekingen, waartoe de begeerten van het hart de mens verlokken, mag men nooit zeggen, dat deze begeerten van God komen: het hart van de mens is de bron ervan. De begeerten van het hart leiden tot zonde en de zonde voert tot de dood. Laat niemand zich op dit punt bedriegen. Wat het hart innerlijk tot kwaad verleidt, komt uit de mens zelf voort. Alle goede en volmaakte gaven komen van God, en Hij verandert nooit, Hij doet alleen maar wat goed is. In overeenstemming hiermee heeft Hij ons een nieuwe natuur gegeven. Deze nieuwe natuur is de vrucht van Zijn eigen wil, die in ons werkt door middel van het woord van de waarheid. Hij heeft dit gedaan opdat wij als het ware de eerstelingen van zijn schepselen zouden zijn. Hij is de Vader der lichten: wat duisternis is kan nooit van Hem afkomstig zijn.

Door het woord van de waarheid heeft Hij ons voortgebracht, opdat wij de eerste en meest voortreffelijke getuigen zouden zijn van de macht van het goede, die eenmaal heerlijk openbaar zal worden in de nieuwe schepping, waarvan wij de eerstelingen zijn. Dit is er het tegenovergestelde van, dat men de bron is van verdorven begeerten. Het woord van de waarheid is het goede zaad van het leven. Onze eigen wil is de bakermat van onze begeerten, en de kracht van onze eigen wil kan nooit de vruchten van de Goddelijke natuur voortbrengen, evenmin als de toorn van een man Gods gerechtigheid bewerkt. Daarom worden wij geroepen zachtmoedig te zijn, snel om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn. We moeten alle onreinheid van het vlees en alle werking van ongerechtigheid afleggen en met zachtmoedigheid het woord ontvangen. Dit woord is het woord van God, en het wordt vereenzelvigd met de nieuwe natuur die in ons is, die in ons geplant is. Immers, het woord vormt en ontwikkelt de nieuwe natuur overeenkomstig de volmaaktheid van het woord zelf. En verder vindt deze natuur haar oorsprong in God, door het woord. Dit woord is niet als een wet die zich ergens buiten ons bevindt en die ons veroordeelt omdat hij tegenover onze zondige natuur staat. Nee, dit woord behoudt de ziel, het is levend en levenwekkend. Dit levende woord werkt in de natuur die het vormt en verlicht en die uit het woord zelf voortkomt.

Maar het is nodig daders van het woord te zijn en niet alleen hoorders met het oor. Het woord moet de praktische vruchten voortbrengen, die bewijzen dat het woord werkelijk, levend, in ons hart werkt. Anders is het woord alleen maar als een spiegel, waarin we onszelf misschien even zien, en waarna we meteen vergeten wat we gezien hebben. Wie inziet in de volmaakte wet, dat is de wet van de vrijheid, en daarbij blijft, door het werk te doen, dat deze wet voorstelt, zal de zegen ontvangen van het ware werk en van de gehoorzaamheid die zich in hem ontwikkelt.

Deze wet is volmaakt; want het woord van God, alles wat de Geest van God heeft gesproken, is de uitdrukking van de natuur en het karakter van God, van wat Hij is en wat Hij wil. Want: wanneer God volkomen is geopenbaard, (en eerder kan de mens Hem niet volkomen kennen), wil Hij datgene wat Hij is, en dit is noodzakelijkerwijs zo.

Deze wet is: de wet van de vrijheid, omdat hetzelfde woord dat openbaart wat God is en wat Hij wil ons door genade deelgenoten heeft gemaakt van de Goddelijke natuur. Niet te wandelen in overeenstemming met dat woord zou zodoende betekenen niet te wandelen in overeenstemming met onze nieuwe natuur. Maar te wandelen in overeenstemming met onze nieuwe natuur, dat is de natuur van God, geleid door zijn woord, dat is ware vrijheid.

De wet die op de Sinaï werd gegeven was niet in het hart geschreven, maar op stenen tafelen buiten de mens. Deze wet gaf er uitdrukking aan wat het hart en het gedrag van de mens behoort te zijn overeenkomstig de wil van God. Al de neigingen van de natuurlijke mens worden onderdrukt en veroordeeld door deze wet, die de natuurlijke mens ook niet kan toestaan een eigen wil te hebben, want hij behoort de wil van God te doen. Maar hij heeft een andere wil, en daarom is de wet voor hem slavernij, een wet van veroordeling en dood. Nu God ons door het woord van de waarheid heeft voortgebracht, bezit de natuur die wij als uit God geborenen hebben, verlangens, en smaak voor dingen die in overeenstemming zijn met het woord. De natuur is zelf uit dat woord. Het woord in zijn eigen volmaaktheid ontwikkelt, vormt en verlicht deze natuur, zoals we al gezegd hebben. Maar de natuur zelf vindt haar vrijheid hierin, dat ze het woord navolgt. Zo was het met Christus; als Zijn vrijheid weggenomen had kunnen worden (wat geestelijk onmogelijk was), had dit moeten plaatsvinden doordat men Hem had belet de wil van God de Vader te doen.

Het is precies zo met de nieuwe mens in ons (deze nieuwe mens is Christus als leven in ons) die naar God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid. Deze eigenschappen worden in ons tevoorschijn gebracht door het woord dat de volmaakte openbaring is van God – van de hele Goddelijke natuur in de mens. In Christus, het levende Woord, het beeld van de onzichtbare God, is dit zichtbaar geworden; Hij is het voorbeeld ervan. De vrijheid van de nieuwe mens is de vrijheid om de wil van God te doen, om als een geliefd kind van God Zijn karakter na te volgen, zoals dat karakter aan ons wordt voorgesteld in Christus (Efeze 5:1-2). De wet van de vrijheid is dit karakter, zoals het geopenbaard is in het woord, waarin de nieuwe natuur haar blijdschap en bevrediging vindt. De nieuwe natuur ontleent immers haar bestaan aan het woord dat Hem openbaart en aan de God die daarin geopenbaard wordt.

Dat is de wet van de vrijheid – het karakter van God Zelf, dat in ons ontstaat door de werking van een natuur, die voortgebracht is door het woord dat Hem openbaart, en dat gevormd wordt naar het woord.

De belangrijkste en meest nauwkeurige aanwijzing van het innerlijk van de mens, geeft ons de tong. Iemand die de schijn wekt in betrekking te staan tot God en Hem te eren, en evenwel zijn tong niet in toom kan houden, misleidt zichzelf, en zijn godsdienst is waardeloos.

Reine en onbesmette godsdienst voor God en de Vader is: zorg te hebben voor hen die in hun tederste relaties getroffen zijn door het loon van de zonde, en nu hun natuurlijke steun moeten missen; en verder: zichzelf onbevlekt van de wereld te bewaren. In plaats van dat we ernaar streven om onszelf te verhogen en een naam te maken in een wereld van ijdelheid ver van God, richt onze werkzaamheid – zoals God ook doet – zich op hen die in smart leven, die in hun verdrukking hulp nodig hebben. En we bewaren onszelf van een wereld waarin alles ons kan verontreinigen en waarin alles strijdt met de nieuwe natuur die ons leven is, en met het karakter van God zoals wij dat door het Woord kennen.

Hoofdstuk 2

De apostel gaat nu spreken over hen die beleden te geloven dat Jezus de Christus was, de Heer. Tevoren, in hoofdstuk 1, had hij gesproken over de nieuwe natuur in verbinding met God. Hier wordt voor de belijdenis van het geloof in Christus dezelfde toetssteen aangelegd: zijn de vruchten die dit geloof voortbrengt echt, en in tegenstelling tot deze wereld? Al deze beginselen – de waarde van Jezus Naam, het wezenlijke van de wet zoals Christus het heeft voorgesteld, en de wet van de vrijheid – worden ter sprake gebracht, om de echtheid te beproeven van het geloof dat ze beleden, of om de belijder ervan te overtuigen, dat hij het geloof niet bezat. Hij keurt twee dingen af: aanzien des persoons, letten op het uiterlijk; en het ontbreken van goede werken als bewijs voor de oprechtheid van de belijdenis.

In de eerste plaats dan, berispt hij hen omdat ze ontzag hebben voor de persoon van de mensen. Zij belijden het geloof in de Heer Jezus, en houden het toch bij de geest van de wereld. Hij antwoordt, dat God de armen heeft uitverkoren, en hen rijk heeft gemaakt in het geloof, en tot erfgenamen van het koninkrijk. Deze belijders hadden hen veracht. Die rijken lasterden de naam van Christus en vervolgden de christenen.

Vers 8. In de tweede plaats beroept Jakobus zich op de praktische samenvatting van de wet, waarover Jezus had gesproken – de koninklijke wet. Zij braken diezelfde wet door de rijken voor te trekken. Maar de wet liet geen enkele inbreuk toe op de geboden, omdat het gezag van de wetgever daarmee gemoeid was. Wanneer men nu de armen verachtte en oneer aandeed, had men zijn naaste zeker niet lief als zichzelf.

Vers 12. In de derde plaats hoorden zij te wandelen als mensen van wie de verantwoordelijkheid werd afgemeten aan de wet van de vrijheid. Zij bezaten immers een natuur die de dingen van God liefhad en genoot; ze waren vrijgemaakt van alles wat met Hem in strijd was, zodat ze zich niet konden verontschuldigen als ze beginselen toelieten die niet de beginselen van God Zelf waren. De apostel voert zo het onderwerp in van de Goddelijke natuur, en dit brengt hem ertoe om te spreken over de barmhartigheid waardoor God Zichzelf verheerlijkt. Iemand die geen barmhartigheid bewijst zal ervaren, dat hij zelf het voorwerp wordt van het oordeel dat hij heeft liefgehad.

Het tweede deel van dit hoofdstuk staat hiermee in verband. Want de apostel begint zijn betoog over de werken, als bewijzen van geloof, door over deze barmhartigheid te spreken. Deze barmhartigheid beantwoordt aan de natuur en het karakter van God. De ware christen is uit Hem geboren en is zodoende deelgenoot geworden van die natuur en dat karakter. Het kan niemand baten te belijden dat hij geloof heeft zonder dat hij dit leven heeft – het leven waarvan de werken bewijzen dat het aanwezig is. Dit is duidelijk genoeg. Ik zeg: te belijden het geloof te hebben, omdat de brief dat zegt: “Als iemand zegt dat hij geloof heeft”. Dit is de sleutel voor dit gedeelte van de brief. Hij zegt het: waar is het bewijs ervan? Werken zijn het bewijs; en op deze manier gebruikt de apostel ze. Iemand zegt dat hij geloof heeft. Dat is niet iets wat ik kan zien. Daarom vraag ik terecht: “Toon het mij”. De werken zijn het bewijs van het geloof, en dit bewijs is noodzakelijk tegenover mensen – alleen door de vruchten van het geloof kunnen we het geloof aan de mensen laten zien; want het geloof zelf is onzichtbaar. Maar als ik deze vruchten voortbreng, dan heb ik zeker de wortel, zonder welke er geen vruchten zouden kunnen zijn. Zo kan het geloof voor anderen niet blijken, en kan ik het ook niet erkennen, als er geen werken zijn. Maar werken, de vruchten van het geloof, bewijzen dat er geloof aanwezig is.

Uit wat volgt blijkt, dat Jakobus spreekt over het belijden van een leer, die misschien op zichzelf waar is – over bepaalde waarheden die men erkent.

Want hij wijst erop dat de boze geesten echt geloven, zeker weten en er vast van overtuigd zijn, dat God één is. Zij twijfelen niet aan de eenheid van de Godheid; maar er is volstrekt geen verbinding van hun hart met God door middel van een nieuwe natuur – het is er wel heel ver van.

Maar de apostel versterkt dit nog, door het geval te noemen van mensen in wie de tegenstand tegen de Goddelijke natuur niet zo duidelijk is. Het geloof, de erkentenis van de waarheid met betrekking tot Christus, is zonder werken dood; dat wil zeggen: een geloof dat geen vruchten voortbrengt is dood.

In vers 16 zien we, dat het geloof waarover de apostel spreekt een belijdenis is die elke echtheid mist. Vers 19 laat zien, dat het een ongeveinsde zekerheid kan zijn, dat wat men gelooft waar is. Maar het leven, voortgebracht door middel van het woord, zodat een betrekking wordt gevormd tussen de ziel en God, ontbreekt volledig. Juist omdat dit plaatsvindt door het woord, is het geloof; doordat wij uit God geboren zijn bezitten wij een nieuw leven. Dit leven is werkzaam, dat wil zeggen, het geloof werkt, overeenkomstig de betrekking tot God, door werken, die er natuurlijkerwijs uit voortvloeien. En die werken getuigen van het geloof dat ze heeft voortgebracht.

Vanaf vers 20 tot aan het eind van het hoofdstuk geeft Jakobus voor zijn leerstelling nog een bewijs, dat berust op het laatstgenoemde beginsel. Nu hebben deze bewijzen volstrekt niets te maken met vruchten (want die zijn er) van een beminnelijke aard, die wel bij ons als schepselen horen, maar niet bij dat leven dat z’n oorsprong heeft in het Woord van God, waardoor Hij ons voortbrengt. De vruchten waarover de apostel spreekt, getuigen, juist door hun aard, van het geloof dat ze heeft voortgebracht. Abraham offerde zijn zoon; Rachab nam de boden van Israël op, en verbond zich met het volk van God, toen alles tegen hen was, en ze scheidde zich door het geloof van haar eigen volk af. Alles werd opgeofferd aan God, alles werd opgegeven voor Zijn volk, voordat ze ook maar één overwinning behaald hadden, en terwijl de wereld nog in onverminderde kracht was: dat waren de vruchten van het geloof. Abraham zag op tot God; hij geloofde Hem volstrekt, tegenover alles wat in de natuur is of waarop de natuur kan rekenen. Rachab erkende het volk van God, toen alles tegen hen was. Maar in geen van beide gevallen was het de vrucht van een beminnelijke aard of van natuurlijke goedheid: wat de mensen goede werken noemen. De ene keer was het een vader die zijn zoon ter dood ging brengen; de andere keer een slechte vrouw die haar land verraadde. Zeker, de Schrift werd vervuld, die zegt, dat Abraham God geloofde. Hoe had hij kunnen handelen zoals hij deed, als hij Hem niet geloofd had? Werken bezegelden zijn geloof en geloof zonder de werken is slechts zoals het lichaam zonder geest, een uiterlijke vorm zonder het leven dat bezielt. Het geloof handelt in de werken (zonder het geloof zijn de werken van geen enkele waarde, het zijn niet de werken van het nieuwe leven) en de werken volmaken (vers 22) het geloof dat in die werken handelt. Want ondanks de beproeving, en in de beproeving, is het geloof werkzaam. De werken van de wet hebben hier geen deel aan. De uitwendige wet, die eisen stelt, is niet een leven dat (buiten deze Goddelijke natuur om) deze heilige en liefdevolle gezindheid voortbrengt, die God en Zijn volk als voorwerp heeft en al het andere van geen waarde acht.
Let erop dat Jakobus nooit zegt, dat werken ons rechtvaardigen voor God, want God kan het geloof zien ook zonder dat Hij de werken ziet. Hij weet, dat er leven is. Dit leven uit zich met betrekking tot Hem en tegenover Hem door vertrouwen op Zijn Woord, op Hemzelf, door Zijn getuigenis aan te nemen ondanks alles binnen en buiten ons. Dit ziet God en Hij weet het. Maar als het om onze medeschepselen gaat, wanneer er gezegd moet worden: “Toon mij”, dan blijkt het geloof, het leven, uit werken.

Hoofdstuk 3

In dit hoofdstuk komt de apostel terug op de tong, die het duidelijkste aangeeft wat er in het hart is. De tong bewijst, of de nieuwe mens werkzaam is, en of de natuur en de eigenwil in toom worden gehouden. Maar er is hier bijna niets wat een opmerking nodig heeft, hoewel er veel is dat een horend oor vereist. Waar het Goddelijke leven aanwezig is, openbaart de kennis zich niet alleen maar in woorden, maar in een wandel en door werken waarin men de zachtmoedigheid van de ware wijsheid kan zien. Bittere naijver en twistzucht zijn geen vruchten van een wijsheid die van boven komt, maar ze zijn aards, van de menselijke natuur, en van de vijand.

Vers 17. De wijsheid die van boven komt, en haar plaats heeft in het leven en het hart, wordt door drie dingen gekenmerkt. Het allereerste kenmerk is reinheid, want het hart is in gemeenschap met God – het heeft vertrouwelijke omgang met Hem; daarom is deze reinheid noodzakelijk. Vervolgens is ze vreedzaam, inschikkelijk, en gezeglijk, bereid om aan de wil van een ander tegemoet te komen. Verder: vol goede werken; en daar deze wijsheid handelt uit een beginsel waarvan de oorsprong en drijfveren van boven komen, doet ze goed zonder partijdig te zijn. Dat wil zeggen: de werkzaamheid van deze wijsheid wordt niet bestuurd door de omstandigheden die het vlees en de hartstochten van de mens beïnvloeden. Om dezelfde reden is ze oprecht en ongeveinsd. Reinheid, de afwezigheid van de eigenwil en zelfverloochening, werkzaamheid in het goede: zijn de kenmerken van de hemelse wijsheid.

Deze aanwijzingen, tot het in toom houden van de tong, als de eerste uiting en beweging van de wil van de natuurlijke mens, gelden ook voor gelovigen. Er moeten er (wat betreft de innerlijke neigingen van de mens) niet velen leraars willen zijn. We struikelen allemaal; en wanneer we anderen onderwijzen en zelf struikelen, verzwaart dit slechts ons oordeel. Want heel gemakkelijk kan de ijdelheid gevoed worden, wanneer we anderen onderwijzen, en dat is heel iets anders dan dat het leven versterkt wordt door de kracht van de waarheid. De Heilige Geest verleent Zijn gaven zoals Hij wil. De apostel spreekt erover dat iemand een voorliefde heeft om onderwijs te geven; hij spreekt niet over de gave die iemand kan hebben ontvangen om leraar te zijn.

Hoofdstuk 4

In heel het gedeelte dat volgt vinden we steeds het oordeel over de onbeteugelde natuur, over de wil in zijn verschillende vormen. Jakobus spreekt over twisten die voortkomen uit de begeerten van het natuurlijke hart; over gebeden tot God die uit dezelfde bron voortkomen; over de begeerten van het vlees en van de gedachten die zich ontwikkelen tot vriendschap met de wereld, waar ze thuishoren: en zodoende tot vijandschap tegen God. De natuur van de mens begeert met naijver, is vol jaloezie met betrekking tot anderen. Maar God geeft meer genade: er is een kracht die juist tegengesteld werkt als wij ons er tevreden mee stellen klein en nederig te zijn, als niets te zijn in de wereld. De genade en gunst van God zijn met zulke mensen; want Hij weerstaat de hoogmoedigen en geeft genade aan de nederigen.

Vervolgens ontvouwt de apostel de werkzaamheid van een ziel die geleid wordt door de Geest van God, te midden van de ongelovige en zelfzuchtige massa van de Joden met wie hij verbonden was (verzen 7-10). Want Jakobus gaat aldoor van de veronderstelling uit dat de gelovigen, tot wie hij zich richt, in verbinding waren met de wet (vers 11). Indien zij kwaad spraken van een broeder, aan wie de wet een plaats gaf voor het aangezicht van God, dan spraken zij kwaad van de wet 1, die zo’n grote waarde toekende aan die broeder.

Het oordeel behoorde God toe, die de wet had gegeven. Hij zou Zijn eigen gezag handhaven en ook bevrijding en heil geven.

Vers 13-16. Dezelfde eigenwil en de neiging om God te vergeten worden berispt. Hij keurt het valse vertrouwen af dat hieruit voortvloeit, dat men erop rekent te kunnen doen wat men graag wil – dus het ontbreken van afhankelijkheid van God. Vers 17 is een algemene gevolgtrekking, die berust op het beginsel dat in hoofdstuk 3:1 al naar voren is gebracht, en ook op wat gezegd is met betrekking tot het geloof.

Kennis van het goede, zonder het in praktijk te brengen, maakt zelfs het uitblijven van het werk dat men had kunnen doen, tot een directe zonde. De werkzaamheid van de nieuwe mens is er niet; die van de oude mens is er wel; want het goede staat ons duidelijk voor ogen. We weten wat we behoren te doen, en we verkiezen het niet te doen. Er is geen neiging aanwezig om het te doen – we willen het niet doen.

Hoofdstuk 5

De twee groepen mensen in Israël worden in dit hoofdstuk duidelijk aangegeven en in tegenstelling tot elkaar geplaatst; hier wordt nog aan toegevoegd: de wandel die de christen behoort te vervolgen wanneer hij door de Heer getuchtigd wordt.

De apostel geeft de komst van de Heer aan als eindpunt van de toestand waarin zij verkeerden: dit geldt zowel voor de ongelovige rijke onderdrukkers in Israël, als voor het arme gelovige overblijfsel. De rijken hebben schatten verzameld in de laatste dagen. De onderdrukte armen moeten geduld hebben tot de Heer Zelf zal komen om hen te bevrijden. Bovendien, zegt Jakobus, deze bevrijding zal niet uitgesteld worden. De landman wacht op de regen en de oogsttijd; de christen wacht op de komst van zijn Meester. Dit geduld kenmerkt, zoals we gezien hebben, de wandel van het geloof. Zij hadden hiervan voorbeelden in de profeten; en in het geval van anderen achten wij hen gelukkig, die verdrukkingen verdragen ter wille van de Heer. Job laat ons de wegen van de Heer zien: hij moest geduld hebben, maar het einde van de Heer was voor Job zegen en teder medegevoel met hem.

Deze verwachting van de komst van de Heer hield een ernstige waarschuwing in en tegelijkertijd de krachtigste bemoediging. Maar deze bemoediging handhaafde het ware kenmerk van de praktische wandel van de christen. Ze liet ook zien waarin de zelfzuchtigheid van de menselijke wil zou eindigen, en beteugelde alle werkingen van die wil in de gelovigen. Ook de gevoelens van de broeders voor elkaar werden onder de bescherming van deze waarheid geplaatst. Zij moesten niet toegeven aan een geest van ontevredenheid, of tegen anderen mopperen die misschien in gunstiger uiterlijke omstandigheden verkeerden: “de Rechter staat voor de deur”.

Vers 12. Het zweren van eden bewees nog duidelijker dat men God niet in gedachten hield, en bij gevolg bleken de werkingen van de eigenwil van de menselijke natuur. “Ja” moet ja zijn, en “nee” nee.

De schrijver van deze brief verlangt voor de gelovigen, dat de Goddelijke natuur werkzaam is in het bewustzijn van de tegenwoordigheid van God, en dat alle menselijke wil en de zondige natuur ten onder wordt gehouden.

Vers 13. Er zijn in het Christendom hulpbronnen zowel voor blijdschap als voor smart. Lijdt iemand? Laat hij bidden (God staat klaar om te luisteren). Is iemand blij? Laat hij lofzingen. Is iemand ziek? Laat hij om de oudsten van de gemeente sturen, die zullen bidden voor hem die lijdt en hem zalven. Dan zal de tuchtiging weggenomen worden, en de zonden, waarvoor hij, volgens de regering van God, zo getuchtigd werd, zullen vergeven worden, wat betreft die regering. Want daar gaat het hier alleen om.

De toerekening van zonden die tot eeuwig oordeel zou leiden komt hier in het geheel niet ter sprake.

De kracht van het gebed van het geloof wordt ons voor ogen gesteld; maar dit gebeurt in verbinding met het feit dat men de oprechtheid van hart bewaart. De regering van God wordt uitgeoefend ten opzichte van Zijn volk. Hij tuchtigt hen door middel van ziekte; en het is belangrijk dat de waarheid in het binnenste blijft gehandhaafd. De mensen verbergen hun tekortkomingen: ze willen verder wandelen alsof er niets aan de hand is; maar God oordeelt Zijn volk. Hij toetst hart en nieren. Zij worden vastgehouden met banden van ellende. God laat hen hun fouten zien, of hun ongebroken eigen wil. De mens wordt “gestraft met pijn op zijn slaapplaats, en de strijd in zijn beenderen is er voortdurend” (Job 33:19). En nu komt de gemeente van God in liefde en erbarmen tussenbeide, en wel in overeenstemming met de orde die haar eigen is, door middel van de oudsten van de gemeente. De zieke vertrouwt zich toe aan God, en belijdt zijn hulpbehoevende toestand. De liefde van de gemeente is werkzaam en brengt hem die getuchtigd wordt, in overeenstemming met deze betrekking, voor het aangezicht van God – want daar bevindt zich de gemeente. Het geloof pleit op deze genadebetrekking; de zieke wordt genezen. Indien zonden – en niet alleen de noodzaak van tucht – de oorzaak zijn van zijn kastijding, dan zullen die zonden niet verhinderen dat hij geneest: ze zullen hem vergeven worden.

De apostel stelt dan het beginsel in het algemeen voor als gedragslijn voor allen. Namelijk: ons hart voor elkaar te ontsluiten, om wat onszelf aangaat, de waarheid in het verborgene in stand te houden; en voor elkaar te bidden opdat de christelijke liefde volkomen uitgeoefend kan worden met betrekking tot de fouten van anderen. Zodoende krijgen genade en waarheid op geestelijke wijze gestalte in de gemeente, en ontstaat een volmaakte eenheid van hart onder de christenen. Zelfs hun fouten immers zijn aanleiding om liefde te bewijzen (zoals God ons liefde bewees). Er ontstaat ook een volledig vertrouwen in elkaar, in overeenstemming met die liefde, zoals wij volmaakt vertrouwen stellen in God die ons herstelt en vergeeft. Wat een prachtige schildering wordt ons hier gegeven van Goddelijke beginselen die mensen bezielen kunnen, en die hen ertoe brengen overeenkomstig de natuur van God Zelf te handelen, en in overeenstemming met de invloed die Zijn liefde heeft op ons hart.

We kunnen opmerken dat er geen sprake is van belijdenis tegenover de oudsten. Dat zou vertrouwen in mensen zijn geweest – vertrouwen op iemands ambt. God wil dat de Goddelijke liefde in allen werkzaam is. Het wederkerig belijden van misdaden geeft de toestand van de gemeente aan. God wil, dat de gemeente in een zodanige toestand is, dat er liefde heerst, dat iedereen zo dicht bij God is, dat hij de overtreder kan helpen in overeenstemming met de genade die hij in Hem weet. En Hij wil, dat deze liefde zo wordt verwerkelijkt, dat volmaakte innerlijke oprechtheid het gevolg is van het vertrouwen en de werking van de genade. Een officiële “biecht” doet dit alles teniet – is er lijnrecht mee in strijd. Hoe groot is de wijsheid van God om de belijdenis achterwege te laten als er gesproken wordt over de oudsten; en om de belijdenis van misdaden te bevelen als de levende en vrijwillige uitdrukking van het hart!

Dit leidt ons ook tot de waarde die het krachtige gebed van de rechtvaardige heeft. Deze leeft dicht bij God, en heeft bijgevolg een juist besef van wat God is, en dat verleent hem (door genade en de werking van de Geest) die kracht. God houdt rekening met de mensen, overeenkomstig de oneindigheid van Zijn liefde. Hij houdt rekening met het in Hem gestelde vertrouwen, met het geloof in Zijn woord, dat iemand aan de dag legt die denkt en handelt volgens een juist inzicht in wat Hij is. Dat is altijd het geloof, dat voor ons tastbaar maakt wat we niet zien:
God Zelf, die handelt in overeenstemming met de openbaring die Hij van Zichzelf gegeven heeft. Welnu, iemand die door genade in zijn praktische wandel rechtvaardig is, leeft dichtbij God. Daar hij rechtvaardig is, hoeft hij niet voor zichzelf tot God te gaan met het oog op zonden. Zonden zouden zijn hart op een afstand houden; maar nu is zijn hart vrij om ten behoeve van anderen tot God te naderen in overeenstemming met Zijn heilige natuur. Hij wordt gedreven door de Goddelijke natuur, die hem bezielt en in staat stelt God te begrijpen; en hij streeft ernaar, dat, in overeenstemming met de werkzaamheid van die natuur, zijn gebeden bij God de overhand nemen. Hij kan dan bidden voor het welzijn van anderen of voor de eer van God Zelf in zijn dienst. En God antwoordt, overeenkomstig diezelfde natuur doordat Hij dit in Hem gestelde vertrouwen zegent en eraan beantwoordt. Daardoor maakt Hij duidelijk wat Hij is voor het geloof, en Hij bemoedigt de gelovige doordat Hij Zijn goedkeuring hecht aan de werkzaamheid van het geloof en doordat Hij Zijn zegel drukt op de mens die door het geloof wandelt 2.

De Geest van God werkt, zoals wij weten, in dit alles. Maar de apostel spreekt hier niet over de Geest, omdat hij zich bezighoudt met de praktische uitwerking van het geloof. Hij stelt de mens voor zoals hij gezien wordt en handelt onder de invloed van de Goddelijke natuur. Die mens handelt in al de kracht van die natuur met het oog op God, en dichtbij God, zodat die natuur, gedreven door de kracht van die nabijheid, in al haar kracht werkzaam wordt. Maar als we de werking van de Geest in aanmerking nemen, worden deze gedachten alleen maar bevestigd. De rechtvaardige bedroeft de Heilige Geest niet, en de Geest werkt in hem overeenkomstig Zijn eigen kracht, daar Hij niet het geweten van die gelovige in orde hoeft te brengen met God, maar in hem werkt overeenkomstig de kracht van zijn gemeenschap.

Ten slotte krijgen we de verzekering dat het vurige en krachtige gebed van de rechtvaardige veel vermag: het is het gebed van het geloof, dat God kent, op Hem rekent en tot Hem nadert.
Het geval van Elia is belangwekkend, daar het ons laat zien (en er zijn nog meer soortgelijke voorbeelden) hoe de Heilige Geest in het verborgene in een mens werkt, bij wie wij de uitwendige openbaring van kracht waarnemen. In de geschiedenis horen we hoe Elia verklaart: “De HEERE … leeft … er zal deze jaren geen dauw of regen komen, behalve op mijn woord!” Dit is het gezag, de kracht die uitgeoefend wordt in de naam van Jahweh. In onze brief wordt ons voorgesteld welke verborgen werkzaamheid er is, wat er omgaat tussen de ziel en God. Hij bad, en God hoorde hem. Wij vinden hetzelfde getuigenis betreffende de Heer Jezus bij het graf van Lazarus. In dit geval hebben we zowel het gebed als het betoon van gezag, behalve dan dat het gebed zelf niet wordt meegedeeld, – tenzij in het onuitsprekelijke zuchten van de geest van Christus.

Wanneer we Galaten 2 vergelijken met de geschiedenis uit Handelingen 15, vinden we een openbaring van Godswege die het gedrag van Paulus bepaalde, welke uiterlijke, aan allen bekende drijfveren er ook geweest mogen zijn voor Paulus om op te gaan naar Jeruzalem. Door zulke voorbeelden, als wat de apostel de gemeenten van Galatië meedeelt, en dat van Elia en de Heer Jezus, wordt aan ons een levende, handelende God geopenbaard, die belangstelt in alles wat onder Zijn volk plaatsvindt.

Vers 19. Dan vinden we hier ook de liefde die werkzaam is ten opzichte van hen die dwalen. Als iemand van de waarheid afdwaalt, en een ander brengt hem door genade terug, dan mag hij weten dat het terugbrengen van een zondaar van zijn dwaalweg – hoe eenvoudig deze daad ook misschien is – het uitoefenen is van de kracht die een ziel verlost van de dood. Dienovereenkomstig worden al die zonden bedekt die daar in hun afschuwelijkheid lagen voor het oog van God, en die Zijn heerlijkheid en Zijn hart beledigen doordat ze in Zijn heelal aanwezig waren. Wanneer de ziel door genade tot God is gebracht, worden al de zonden vergeven; ze zijn niet meer te zien, maar zijn uitgewist voor het aangezicht van God. Zoals in heel de brief, spreekt de apostel hier niet over de kracht die werkzaam is in dit liefdewerk, maar over het feit. Hij past het toe op gevallen die onder hen voorkwamen; maar hij stelt een algemeen beginsel vast met betrekking tot de werkzaamheid van de genade in het hart dat door genade wordt bezield. De dwalende ziel wordt gered; de zonde wordt van voor God weggedaan. Is er liefde in de gemeente, dan worden, om het zo eens te zeggen, de zonden onderdrukt die anders de eenheid zouden verstoren en die liefde in de gemeente zouden overwinnen, terwijl ze in al hun afschuwelijkheid en boosheid open lagen voor God. Als de liefde in de gemeente er daarentegen aan tegemoet komt, gaan deze zonden niet verder, en verdwijnen ze als het ware (wat de stand van zaken in deze wereld betreft voor het aangezicht van God) en worden ze weggedaan door de liefde die ze hadden kunnen overwinnen. De zonde wordt overwonnen door de liefde die zich ermee heeft beziggehouden, de zonde verdwijnt, wordt door de liefde tenietgedaan. Op deze manier bedekt de liefde een menigte van zonden. Hier gaat het om de werkzaamheid van de liefde in de bekering van een zondaar.

EINDE BRIEF VAN JAKOBUS

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 8.6

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoot:

1 Vergelijk 1 Thessalonika 4:8, waar de Geest de plaats inneemt van de wet hier.

2 Het is goed om eraan te denken, dat wat in vers 14 beschreven wordt, gebeurt met het oog op de regeringswegen van God, en zodoende onder Gods titel: Heer; Christus neemt in het bijzonder de plaats van Heer in, hoewel deze titel hier in algemene zin wordt gebruikt. Vergelijk hiermee vers 11, en de geheel joodse verwijzing in deze tekst. Voor ons is er één God de Vader, en één Heer Jezus Christus. Hij is Heer en Christus geworden, en alle tong zal belijden, dat Jezus Christus Heer is.