15. 2 Kronieken
15. 2 Kronieken · uit de ‘Synopsis’ deel 2 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Hoofdstuk 1-7
In het tweede boek van de Kronieken zien we de regering van de zoon van David en van het huis van David. Het uitgangspunt van dit boek is niet het geloof van David bij de ark, maar de tabernakel, die Mozes, de dienstknecht van God, had opgericht, en het koperen altaar waar de koning en de vergadering de eredienst hielden. De koninklijke macht is verwezenlijkt in verbinding met Israël, het volk van God, dat Mozes uit Egypte heeft geleid 1.
De koninklijke macht is het middel waardoor de goddelijke voornemens ten opzichte van dat volk, worden vervuld. Ze is het voorwerp van de zegen voor Israël, maar zeker niet een nieuw verbond, door een nieuwe kracht gevestigd. Hoewel Boaz en Ruth nieuw leven geven aan de familie, wordt toch gezegd dat aan Naomi een zoon is geboren. Dat wil dus zeggen: door soevereine genade en door een verlosser “in wie kracht is”. Want dit is de betekenis van de naam Boaz. Hij, die geen enkel recht had, (en Israël had geen enkel recht meer) wordt ingevoerd in het genot van de beloften. Israël, dat lang gekend is als “de aangename” (Naomi betekent “aangename”) voor God, is het volk waaraan de zoon geboren is. Zij zeggen dan ook: “een Kind is ons geboren” (Jesaja 9:5). Bij het altaar, dat voor Jahweh stond in de tent der samenkomst, erkent Salomo zijn positie. Hij moet het volk van God richten. Dit alles zal later in kracht worden vervuld.
Dit boek toont ons ook het koningschap in verbinding met de aarde, en de regering van het volk op aarde. Aan wat Salomo vraagt, worden heerlijkheid en rijkdom toegevoegd. Er is hier geen sprake van de energie van het geloof of van vijanden.
De positie van de koning is het gevolg van de overwinning, die dat geloof heeft behaald. Salomo regeert en is in heerlijkheid en eer gevestigd. Hij begint het huis te bouwen. Hiram erkent Jahweh als de Schepper van hemel en aarde. De vreemdelingen, die in het midden van Israël wonen, zijn de slaven van de koning en voeren zijn werk uit. In de tempel hebben de Cherubim hun aangezichten naar het huis gericht, dat wil zeggen: naar buiten.2 De zinnebeelden van Gods regering zien nu niet alleen op het verbond, om dat te handhaven ondanks alles, maar ze zien eveneens naar buiten om te zegenen. Het is de tijd van het duizendjarig rijk. Maar we zien dat de voorhang zich weer in de tempel bevindt. Want hoe groot de zegen van de regering van de ware Salomo ook is, Israël en de aarde hebben geen rechtstreekse en onmiddellijke toegang tot Hem, die in de hemelen verborgen is. Dat is ons deel. Wij mogen nu al met vrijmoedigheid binnengaan door de gescheurde voorhang heen. Wij vinden geen voorhang in de hemel. Zijn naam zij geprezen! Daar is geen tempel. Want de Almachtige God en het Lam zijn daar de tempel.
De bestendigheid van een goddelijke regering is aan de aarde gegeven 3, alsook de zegen van een God, Wiens aangezicht naar de aarde gewend is. Maar zij, die gezegend zijn, zien dat aangezicht niet en komen niet in de onmiddellijke nabijheid ervan. In die tijd van zegen is er ook een altaar voor de eredienst. Het altaar en de voorhang worden in het boek van de Koningen niet genoemd, omdat daar de bouw van de tempel het beeld is van onzichtbare dingen, en de tempel ons daar in z’n geheel wordt voorgesteld als de woonplaats en de openbaring van God. Er was daar voor de aanspraakplaats een gouden deur, die in tweeën werd geopend, terwijl er niets van het koperen altaar wordt gezegd.
Zo zien we, dat in de Kronieken alles in de juiste orde is gerangschikt, overeenkomstig de toestand van de dingen, die dit boek ons voor ogen stelt, dat wil zeggen: overeenkomstig de toestand van het heerlijke koninkrijk van Christus. Er is een voorhof voor de priesters en de grote buitenste voorhof met deuren. Alles is gerangschikt (hoofdstuk 4:6-10) met het oog op de relaties, zoals we ze nu bespreken.
Zo is het ook als er over de openbaring van de heerlijkheid gesproken wordt. Dan wordt er in het boek van de Koningen niets gezegd over de openlijke aanneming van het offer. Ze wordt slechts genoemd als de ark in het heiligdom is gedragen; als de priesters zijn uitgegaan nadat de handbomen uit de ark zijn genomen, zodat de woonplaats van Jahweh daar definitief is gevestigd en de heerlijkheid van Jahweh het huis vervult. Het is daar de woonplaats van God. Een beeld van de hemelse woningen, die ons wachten: het Vaderhuis.
Maar in de Kronieken zien we de verbinding van God met het volk van Israël in de laatste dagen. En dit voorgesteld in de regering van Salomo. Toen de trompetters en de zangers hun stem verhieven als één machtig akkoord om Jahweh te prijzen, toen ze zongen: “Zijn goedertierenheid is voor eeuwig”, werd het huis met een wolk vervuld. Als alles voor Israël zal zijn vervuld, zullen, zoals we gezien hebben, deze woorden de onvermoeide ontferming van God bezingen, waarvan de zegen van Israël in die dagen het bewijs zal zijn. De verlossing en de zegen van dat volk zullen de waarheid van deze woorden bewijzen. Er komt voor Israël een tweede fase van genade. Dit zal zijn als zij na hun zonde, aangenomen zullen worden als aanbidders. Dit hebben we al gezien in de vestiging van de ark op de berg Sion en alles, wat daarop volgde, namelijk het offer, de vergeving, en de aanbidding op de berg Moria, de dorsvloer van Ornan de Jebusiet.
Nadat Salomo zijn gebed heeft gedaan, waarin hij Jahweh gevraagd heeft Zijn ogen over dat huis open te houden en het gebed te horen, dat in die plaats zal worden opgezonden (hij haalt hier de vraag van David in Psalm 132 aan en gebruikt de barmhartigheden van God voor David als pleitgrond), daalt het vuur neer en verteert het brandoffer en de offeranden, terwijl de heerlijkheid van Jahweh het huis vervult. En nu kunnen niet alleen de priesters niet binnentreden maar de kinderen van Israël zien de heerlijkheid, die op het huis rust. Ze buigen zich neer en aanbidden. Het was de zichtbare aanneming van het offer, die hen in een openlijke verbinding met God stelde en hen tot de erkenning bracht “dat Jahweh goed is en Zijn goedheid tot in eeuwigheid voortduurt” (vergelijk Leviticus 9:24). Maar in deze laatste passage is de erkenning van de oneindige goedheid van God het punt van overdenking niet.
In het gedeelte, dat we nu overdenken, ligt nog een ander beginsel, namelijk de openlijke en blijde vergadering van het gehele volk: het loofhuttenfeest, of wel: de grote gemeente (Psalm 22:26) en de inwijding van het altaar. Dit zijn de twee dingen, die de deelname van Israël in de zegen kenmerken: het altaar en het loofhuttenfeest. Na hun val en ondergang zien we de herstelde eredienst gegrond op de aanneming van het offer, en het genot van de uitwerking van de beloften, als het volk niet meer in nood is 4.
Hier vinden we ook weer de muziekinstrumenten van Jahweh, die David ingevoerd had om Jahweh te prijzen “dat Zijn goedertierenheid voor eeuwig is” toen hij “door hun dienst prees” (7:6). Gezegende gedachte! Want wie is deze David? (zie Psalm 22:23). Geheel Israël is blij en gelukkig vanwege de goedheid van Jahweh voor David, Salomo en Zijn volk Israël. (7:10). Hierna stelt de Heer Salomo de voorwaarden waaronder Hij hem en het volk had gesteld voor ogen. Deze voorwaarden dienden om zich in de zegen te verheugen, of deze terug te krijgen. Dit huis van het gebed had Hij verkoren. Als zij getuchtigd werden, en zich dan zouden verootmoedigen, zou er een uitstel van het oordeel zijn, want de ogen en het hart van Jahweh waren voortdurend op dit huis gericht. De zegen van het volk zou vervolgens geheel afhankelijk zijn van de trouw van Salomo en het nageslacht van David in het algemeen. Keerde daarentegen het huis van David zich van God af, dan zou Israël uit het land worden geworpen en het huis, dat door de aanbidding van Jahweh geheiligd was, zou een aanfluiting worden voor alle volken en een getuigenis zijn van het rechtvaardig oordeel van God.
Hoofdstuk 8-12
Hoofdstuk 8 geeft ons nog enkele bijzonderheden over de toestand van Israël. Het is een afschaduwing van de laatste dagen. Salomo brengt alles tot onderwerping, wat het volle genot van het beloofde land in zijn gehele uitgestrektheid zou kunnen verhinderen, hetzij van de kant van Tyrus of van Syrië. De vreemdelingen in het land blijven schatplichtig, en de kinderen van Israël zijn hoofden en krijgslieden. Sion is geheel geheiligd, en de eredienst van Jahweh wordt door de koning geëerd en gehandhaafd. De dienst van het huis van God, de lofzangen, en de gehele daarmee verbonden orde van zaken worden geregeld naar de instelling van David. Het gebod van de koning was in alle zaken het absolute richtsnoer. Edom was ook in zijn bezit en tot aan de Rode Zee was alles aan de koning onderworpen. De koning van Tyrus, die de wereldse heerlijkheid van de heidenen voorstelt, voorziet hem van alles wat voor de voltooiing van zijn plannen nodig is.
Maar niet alleen binnen de grenzen van het land zijn de kracht en de heerlijkheid van Salomo bekend. Zijn vermaardheid dringt tot ver onder de heidenen door, tot in ver verwijderde landen. De koningin van Scheba komt, en haar bewondering kent geen grenzen. Zij brengt hem de schatten van de heidenen, die op deze wijze ook bijdragen tot de luister en de heerlijkheid van de plaats, die door God was verkoren, waarvan het licht had geschenen en waarover de heerlijkheid van Jahweh was opgegaan. (Zonder twijfel nu nog slechts in het type maar toch volgens het beginsel van de genade en door dezelfde macht, die al deze dingen overeenkomstig de raadsbesluiten van God ten volle zal vervullen). Het is een heerlijkheid waarvan het gerucht de heidenen aantrekt, maar waarbij het zien daarvan alles wat men ervan kon zeggen, overtreft, en die men slechts kan waarderen als men ze van nabij kent. Het is een heerlijkheid, die alles overtreft wat de wereld tot nu toe heeft gezien en een ongeëvenaarde wijsheid, die alle koningen van de aarde aantrok. Deze koningen brachten elk jaar hun offeranden en hun geschenken aan de koning, die op aarde op de troon van Jahweh was gezeten. Terwijl hij dus regeert tot aan de verst verwijderde grenzen van het beloofde land, is hij de oorzaak dat Israël de overvloed en de zegen kan genieten, die God over Zijn volk heeft uitgestort.
Maar weldra verandert het toneel. Om redenen die we al hebben genoemd, worden de fouten van Salomo hier niet vermeld. Maar de geschiedenis van Rehabeam laat ons de onmiddellijke val zien van het koningschap, dat God had gevestigd. De dwaasheid van de koning was hiervoor de aanleiding, maar het was slechts de vervulling van het woord, dat Jahweh door Ahia had gesproken.
De oorlog, die Rehabeam begon tegen de opstandige stammen, werd voorkomen. Rehabeam onderwerpt zich aan de waarschuwing van de profeet. Hij wordt gezegend en versterkt zich in Juda. De Levieten komen naar Jeruzalem, en eveneens een groot aantal getrouwen, die de ware eredienst van Jahweh niet willen verlaten om de gouden kalveren te dienen, die men met Zijn naam verbonden had. Zo wordt Juda bevestigd en versterkt, want gedurende drie jaren wandelt de koning in de wegen van David en Salomo. Maar weldra verliet hij de wet van Jahweh. Omdat hij aan de kant van het opstandige Israël beschermd was, wordt hij door onverwachte vijanden getuchtigd, en alle door Salomo verzamelde schatten worden hem ontnomen. Dan verootmoedigt hij zich, en de toorn van God keert zich van hem af.
Hoofdstuk 13-18
In de geschiedenis, die we nu zullen overdenken, zullen we de wegen van God meer onmiddellijk verbonden zien met hen, die in directe gemeenschap met Hem staan en door Hem, overeenkomstig de aan David bewezen genade, worden erkend, en die tevens in betrekking staan met het huis, dat aan Zijn naam was gewijd. Als de koningen trouw waren, ging alles goed.
In zijn oorlogen tegen Jerobeam plaatst Abia zich geheel op deze grondslag en wordt dienovereenkomstig gezegend.
Asa wandelt ook in dit voetspoor en hetzij in vrede of in strijd met de Moren, geniet Israël voorspoed onder zijn regering. Hij neemt de vreemde goden weg, die er steeds nog werden gevonden. Om hen uit te werpen en hun terugkeer te beletten is geestelijke kracht nodig. Zelfs de moeder van de koning wordt, vanwege haar afgoderij, van haar koninklijke positie beroofd. Maar de hoogten worden niet weggenomen.
Hoewel Asa verder trouw was, faalde toch later zijn geloof. Als de afgunstige Baësa een stad bouwt om te verhinderen dat de Israëlieten naar Juda trekken, verbindt Asa zich met de koning van Syrië, in plaats van op Jahweh te zien. Dit verbond gaf hem het gewenste resultaat, maar zette de heidenen op tegen Israël. En dit was nog niet alles: want een verbond met de wereld verhindert ons die wereld te overwinnen. Zonder deze handeling zouden de Syriërs in de handen van Asa gevallen zijn, want: “De ogen van de HEERE trekken over de hele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan hen van wie het hart volkomen is met Hem” (16:9). Ernstig en kostbaar woord! In zijn eigenliefde gekrenkt, en geërgerd, dat hij zo’n mooie gelegenheid heeft laten voorbijgaan, zet Asa hem, die hem dat getuigenis geeft, in de gevangenis en verdrukt het volk. Hij wordt getuchtigd door God, maar helaas zoekt hij God niet in deze kastijding. Maar uitgezonderd dit ene geval, is Asa trouw geweest en geëerd.
Hij wordt opgevolgd door Josafat, die zijn regering begint met trouw met God te wandelen. Hij versterkt zijn koninkrijk tegen Israël, dat vanwege zijn voorbeeld een gevaarlijker vijand is dan vanwege zijn kracht. Wanneer iets aanspraak maakt op het hebben van een betrekking met God, en het erkennen van Hem, is er maar één veilige weg. Men moet met een geestelijk oordeel, (dat men zich niet kan vormen als men geen juist begrip heeft van de eer van God), zich streng gescheiden houden van wat het voorgeeft te zijn, en het als een vijand beschouwen. Dit heeft Josafat in het begin gedaan. Omdat hij niet wandelde in de wegen van Israël, bevestigde God het koninkrijk in zijn hand. Gezegend door Jahweh, nam hij de bossen en de hoogten weg, en liet met veel trouw en ijver het volk onderwijzen in de ware kennis van Jahweh, Die hem voor alle strijd bewaarde, en enige volken zijn aan hem schatplichtig vanwege zijn macht.
In veel opzichten is dit een mooi tafereel, mooier dan enig ander, dat we in de geschiedenis van de koningen gezien hebben. Maar deze voorspoed wordt een strik voor hem, en draagt de bitterste vruchten als zijn werkelijke vroomheid niet als een tegenwicht aanwezig is.
De voorspoed, waarmee God hem gezegend had vanwege zijn trouw, had tot gevolg, dat men het de moeite waard achtte zich met hem te verbinden, omdat een aanval tegen hem steeds moeilijker werd. Als Josafat van zijn kant rust heeft, verbindt hij zich met Israël. Zijn voorspoed stelde hem in de gelegenheid dit op een wijze te doen, die deze verbinding zeer eerbaar maakte. Als het menselijk hart niet door God wordt bewaard, kan het grootmoedig handelen ten opzichte van een kwaad, dat het niet vreest, maar dit is geen liefde. Uiterlijk is Josafat trouw aan Jahweh maar Jahweh Zelf is vertoornd op hem.
Hoofdstuk 19-23
Toch, als hij met vrede in zijn huis is teruggekeerd, houdt hij zich bezig met het terugbrengen van het volk tot de vrees van Jahweh. Hij laat oordeel en gerechtigheid in Israël uitoefenen. Maar de oorlog komt. Hij kon nu niet langer de onvermengde zegen genieten, die hij genoot toen hij zonder beproeving met God alleen te doen had. De inmenging van de vijand was nu, overeenkomstig de regering van God, voor zijn welzijn een noodzaak geworden, hoewel hij in de beproeving, die hij moest doormaken de volle zegen genoot. Zijn vroomheid was werkelijkheid, en de beproeving toonde dat aan. Hij beroept zich op de betrekking van God met Abraham en op Zijn beloften aan Salomo, toen deze het huis had gebouwd. Hij verstaat ook de verhouding waarin zijn vijanden staan ten opzichte van Israël, en in dit verband met de wegen van God (20:10-11). God antwoordt hem en de koning kan het volk bemoedigen. Want hij is erkentelijk voor de stem van de profeten, en stelt zangers aan, die God prijzen, nog voor de zegen aanwezig is, en deze zingen door het geloof dat Zijn goedertierenheid tot in eeuwigheid is. Op een bijzondere wijze verhoort God zijn gebed. Israëls vijanden verslaan elkaar en er is niets anders meer te doen dan de buit bijeen te brengen. God geeft de koning rust en het koninkrijk is in vrede.
Maar hoewel Josafat zich nu niet meer verbindt met de koning van Israël om oorlog te voeren, verbindt hij zich met hem om zaken te doen. Maar God Zelf maakt aan deze onderneming een eind.
Ondanks sommige fouten is het karakter van Josafat mooi, en het hart wordt erdoor verkwikt. Maar spoedig rijpen de droevige vruchten van zijn verbinding met Achab. Joram, zijn zoon, de schoonzoon van Achab, wandelt in de wegen van de koningen van Israël. Edom komt in opstand, en Libna, een stad van Juda doet hetzelfde. De koning bouwt de hoogten weer op en noodzaakt Juda daar te aanbidden. Het oordeel van God wordt spoedig openbaar. De profeet, die God als een getuigenis tegen de zonden van het huis van Achab had verwekt, had deze bittere vruchten in Juda voorzien en zo wordt er een schrijven van Elia 5 die hem bedreigt met verschrikkelijke oordelen van God, tot de koning gebracht. Ook wordt Juda door zijn vijanden aangegrepen. Deze plunderen het land, verwoesten zelfs het huis van de koning, en doden op één na alle zonen. Dit oordeel kwam van Jahweh. We zien hier Zijn regering, want Hij regeert over hen, die tot Hem in verbondsbetrekking staan; die Zijn huis zijn.
Ten slotte sterft de koning, naar de voorzegging van Elia. Ramp op ramp komt over Juda, als gevolg van deze verbinding met het huis van Achab. God kan niet verdragen dat men zich verbindt met datgene, wat aanspraak maakt van God te zijn, maar dit niet is. De enige zoon, die Joram nog overbleef is door Jehu gedood als een deelnemer aan de ongerechtigheid van het huis van Achab. Athalia, die tot deze familie behoort, neemt bezit van de troon, terwijl ze al het koninklijke zaad (nageslacht) ombrengt, uitgezonderd een kind waarvoor God in Zijn genade zorg droeg. Want hoewel Hij het huis van David kastijdde, wilde Hij niet dat de lamp van David in Jeruzalem werd uitgeblust. De zuster van Ahazia, de vrouw van de hogepriester, bewaarde het kind door het gedurende zes jaren in het huis van God verborgen te houden.
Hoofdstuk 24-25
Alles was in een zeer slechte toestand, en uiterlijk scheen het met het huis van David te zijn gedaan. Maar de trouw van God faalde niet. Hoewel de kracht van het koningschap absoluut vernietigd, en het huis van David terzijde gesteld was, verwekte God in de persoon van de hogepriester een man van het geloof om alles weer te herstellen. De kastijding van God was volkomen. De gehele orde van het koningschap was door de oordelen omver geworpen en niets dan alleen de trouw van God bleef bestaan. De mens was geoordeeld en had geen enkel middel om zich weer op te richten. Maar God heeft alles tot Zijn beschikking: het hart van Josabath en het geloof van Jojada. Deze laatste neemt de nodige maatregelen en de koning wordt op zijn troon geplaatst. Daarna gebeurt weer hetzelfde als wat we al eerder hebben gezien. De koning regelt alles om de orde in het huis van God weer te vestigen.
Maar hoe dikwijls vestigt de energie van het geloof, om zo te spreken, een koninkrijk, en ontbreekt er toch tegelijkertijd een handhaven van de gewone plichten bij hen, die met de dienst van God verbonden zijn! Hoewel Joas aan het begin van zijn regering trouw was, wandelde hij toch meer door het geloof van Jojada dan door zijn eigen geloof. Na de dood van de hogepriester zien we dan ook dat hij zijn oor leent aan de vorsten van Juda en de afgoden dient. Hij doodt zelfs de zoon van Jojada door wie de Heilige Geest tegen hem getuigd had. Joas werd door God verlaten en door de Syriërs geslagen. Daarna werd hij zwaar ziek en werd later door zijn eigen knechten gedood.
In deze gehele geschiedenis zien we de onmiddellijke regering van een God van oordeel, omdat degenen, die Hij oordeelde, in nauwe betrekking met Hem stonden.
Amazia wandelt tot op zekere hoogte met God, maar het is in zwakheid en zeer besluiteloos. Hij stelde vlees tot zijn arm, maar luisterde toch naar de stem van de profeet, wat hem voor vallen behoedde. Niettemin leden de steden van Juda ten gevolge van zijn ontrouwe wandel en werden door het leger van Israël, dat Amazia had weggezonden, geplunderd. Maar zijn hart verhief zich vanwege de overwinning, die hij op de Edomieten had behaald. Hij nam de goden van Seïr, die hun eigen volk niet hadden kunnen redden, en boog zich daarvoor neer. Dan weigert hij te luisteren naar de profeet, die hem berispt. De hoogmoed komt voor de verbreking, en een hoogmoedige geest vóór de val. En als hij later strijd voert tegen Israël wordt hij eerloos verslagen en als een gevangene meegevoerd. In Jeruzalem worden zelfs vernielingen aangericht.
We moeten in dit gedeelte van de geschiedenis de goedheid van Jahweh opmerken, die steeds door middel van de profeten tussenbeide treedt.
Hoofdstuk 26-28
Uzzia, zijn zoon, wandelt lange tijd met Jahweh en het gaat hem voorspoedig. De macht van Juda breidt zich weer uit, en alles, wat de koning onderneemt, gelukt. Maar toen hij sterk was geworden verhief zich zijn hart (26:16). Hij eigende zich de hogepriesterlijke functie toe en werd daarvoor door de hand van Jahweh met melaatsheid geslagen.
We treden nu een tijdperiode in, waarover de profeet Jesaja veel licht geeft ten opzichte van de toestand van het volk. Gedeeltelijk is deze toestand al gezien onder de regering van Joas, die, zodra hij naar de vorsten luistert, tot afgoderij vervalt. Maar als we de eerste twee hoofdstukken van Jesaja lezen, en ook nog de profeet Hosea, dan zien we de verschrikkelijke toestand van het volk, het grote geduld van God, en de wijze waarop de afgoderij overal toenam als de koning niet trouw en doortastend was 6.
Jotham, de zoon van Uzzia, wandelt in oprechtheid, en vermijdt de fout van zijn vader. Maar het volk gaat voort zich te verderven (27:2). Maar niettemin was de trouw van Jotham de oorzaak van zegen en voorspoed voor dat volk, want de toestand van de koning is altijd het voorwerp van de beoordeling van God. Zoals we hebben gezien, had het volk als zodanig al lang tevoren gefaald.
De regering van Achaz vormt een tijdperk van bijzondere betekenis. Hij verloochent Jahweh en wijdt zich geheel aan de dienst van de afgoden. Hoe meer hij van God wordt verlaten, des te erger zondigt hij tegen Hem. Hij wordt overgegeven in de handen van de Syriërs en in de handen van Pekah, de koning van Israël. Bij dit laatste voorval echter treedt God tussenbeide om ten minste de gevangenen te sparen. Later vallen ook de Edomieten en de Filistijnen Juda binnen. Al deze moeilijkheden drijven Achaz ertoe hulp te zoeken bij de koning van Assyrië, die hem ten slotte in nog grotere moeilijkheden brengt (vergelijk Jesaja 7:17; 8:7 en Hosea 5:13-15).
Hoofdstuk 29-32
Zoals de vroomheid niet van vader op zoon overgaat, zo kan de genade ook handelen in het hart, en de voetstappen richten, van een zoon, die een zeer boze vader heeft. Dit gebeurt met de zoon van Achaz. Hizkia zoekt de heerlijkheid van zijn God, en we zien bij hem een opmerkenswaardig geloof en een vaste energie. In vroeger dagen van het koninkrijk hadden ware vroomheid en werken van gerechtigheid zich geopenbaard in Josafat. Hier in Hizkia zien we een grote energie van het geloof op de voorgrond treden, en straks zullen we bij Josia een diepe eerbied voor de Schriften, voor het boek der wet vinden.
Ik wil hier het grote beginsel in herinnering brengen waarvan de uitwerking telkens naar voren treedt in het boek, dat we overdenken, namelijk de regering van God, die elke handeling zijn onmiddellijke gevolgen doet dragen; een regering, die altijd betrekking heeft op het gedrag van de koning. Maar ondanks sommige opwekkingen en tijden van herstel, door de genade tot stand gebracht, (hoewel het volk zich geheel verdorven had), heeft het koningschap, dat het enige was wat het volk kon herinneren aan zijn plichten, niet beantwoord aan de heerlijkheid van God. Ten slotte is de eed, in de naam van Jahweh gedaan, geschonden en de maat van de zonden vol. Het oordeel over Israël moet komen en de tijden van de heidenen beginnen. Hizkia erkent de zondige toestand van het volk, en hij maant het aan zich te reinigen. Een ware aanbidding, die treffend is in haar karakter, wordt weer ingesteld (2 Kronieken 29:25-29) en de dienst van Jahweh wordt weer geregeld.
Maar de ijver van Hizkia strekt zich tevens uit tot geheel Israël, en hij zendt brieven door middel van lopers door het gehele land. En hoewel velen deze trouwe boden uitlachen en bespotten, brengen ze toch vele trouwe zielen terug tot de eredienst van Jahweh in Jeruzalem. En hoewel alles niet als één geheel hersteld wordt, is er toch overal waar het geloof handelt en waar een eenvoudig hart God zoekt te verheerlijken, oorzaak voor de getrouwen om zich te verblijden in de handelingen van God. God vergeeft datgene wat ontbrak aan de noodzakelijke reiniging om aan de dienst van het heiligdom deel te nemen en het gebed om zegen, dat opsteeg tot Zijn heilige woning in de hemel, wordt verhoord.
Door de gemeenschap met Jahweh gesterkt, gaan alle Israëlieten, die daar aanwezig waren geweest, uit, en vernietigen de bossen en de beelden niet alleen in Juda, maar ook in Efraïm en Manasse. De toestand van wanorde, waarin Israël zich bevond, gaf aan God de gelegenheid, Zijn trouw te tonen en Zijn toewijding aan en verbondenheid met Zijn volk te openbaren. Overvloed en zegen worden in Juda gevonden en het huis van Jahweh wordt met bewijzen van Zijn goedheid vervuld, die daar overeenkomstig de instelling van de wet door erkentelijke harten werden gebracht. Zelfs in de steden van de priesters wordt alles volgens de wet geregeld en alles geniet voorspoed 7.
God beantwoordt ten volle het geloof van de koning, maar de ongerechtige harten van het volk zijn slechts weinig veranderd, zodat de wegen van God kenbaar worden in de oordelen, die komen. Dit gebeurt op een wijze, die het duidelijk maakt dat, te midden van Zijn oordelen en bij de grootste openbaring van de macht van de vijand, het trouwe zaad van David het onfeilbare redmiddel van het volk zal zijn. Dit is de lering die we vinden in hoofdstuk 32. Deze man is de vrede van het volk als de Assyriër het land binnentrekt. Dit zien we in Jesaja 8, als de Assyriër het land binnentrekt, dat reeds het land van Immanuël wordt genoemd door de profetische openbaring der geboorte van de Zoon van de maagd; een openbaring, die aan Achaz, de ontrouwe koning werd gericht. In ditzelfde hoofdstuk zien we tevens de verschrikkelijke nood van het volk, totdat het tot de erkenning komt dat de Zoon aan hen is geboren. In deze nood is de wet verzegeld en aan het overblijfsel toevertrouwd, dat Christus als Profeet wilde volgen. In hoofdstuk 22 van dezelfde profeet zien we ook het oordeel van de Geest over de zedelijke toestand van het volk ter gelegenheid van de gebeurtenissen, die in 2 Kronieken 32 zijn genoemd. Hizkia zelf is Jahweh niet erkentelijk geweest voor de zegen, die hij ontvangen had, maar is hoogmoedig geworden. Maar als hij zich verootmoedigt, is God hem genadig en de vrede van Jeruzalem blijft tijdens zijn leven verzekerd.
Hoofdstuk 33-35
Manasse, de zoon, die zich ondanks de waarschuwingen van de profeten geheel aan de ongerechtigheid overgeeft, brengt over zichzelf, en later ook over geheel Israël, droefheid en verwoesting. Als hij schuldig is aan zonden, die God niet kan vergeten, komt hij in gevangenschap. Door de barmhartigheid van God heeft daar zijn persoonlijk berouw hem persoonlijk herstel en vrede aangebracht. Na zijn terugkeer in Jeruzalem handelt hij trouw en ijvert voor de heerlijkheid van God. Want de tijd van het oordeel over Juda was nog niet gekomen. Zijn zoon Amon volgt hem in zijn ongerechtigheid, maar helaas niet in zijn berouw en sterft door de hand van zijn eigen knechten.
In Josia zien we een gevoelig hart, dat onderworpen is aan het Woord, en een geweten, dat rekening houdt met de gedachten en de wil van God. Aan het eind van zijn leven heeft hij alleen te veel vertrouwen in de gevolgen van deze wandel om zich de zegen van God te verzekeren, zonder dat hij in het bezit is van een geloof, dat inzicht heeft in de wegen van God om daaruit de positie van het volk te verstaan. (35:20-25). Maar God maakt van dit vertrouwen gebruik, en neemt hem weg voordat het voorbereide kwaad komt in de oordelen over Juda. Had Josia van deze dingen kennis gehad, dan zou hij in zijn wandel meer ootmoed geopenbaard hebben. Toen hij 16 jaar oud was begon hij, door de genade van God, Jahweh te zoeken. Toen hij twintig was had hij de geestelijke kracht verworven, die noodzakelijk was om met kracht tegen de afgodendienst op te treden, en vernietigde deze zelfs tot in het land van Naftali. We zien hier hoe de soevereine genade tussenbeide komt, want zowel Hizkia als Josia waren zonen van zeer boze vaders.
Nadat Josia het land gereinigd heeft, begint hij de tempel te herstellen. Daar wordt dan het boek der wet gevonden. Het geweten en het hart van de koning onderwerpen zich aan de autoriteit van het Woord van God. Hij zoekt het profetisch getuigenis van God in betrekking tot de toestand van Israël, en God maakt hem door middel van Hulda bekend met het oordeel dat over Israël zal komen, maar verzekert hem tegelijkertijd dat zijn ogen het kwaad niet zullen zien. Ten gevolge van deze mededeling had hij met minder haast en met een meer geoefend hart moeten wandelen dan openbaar werd, toen hij optrok tegen de koning van Egypte. Het bewustzijn dat een verdiend oordeel spoedig over Israël zou komen en dat er geen geneesmiddel voor hun zonden was, (hoewel Josia zelf werd gespaard) zou hem hebben weerhouden om tegen Farao op te trekken. En vooral als deze laatste het niet op hem gemunt heeft, en hem zelfs waarschuwt om zich afzijdig te houden. Maar hij luisterde niet naar de woorden van Necho en ging verloren door een dapperheid, die niet uit God was.
Zijn dood opent voor Juda en Jeruzalem de sluisdeuren van de droefheid. Zij waren door hem gezegend. Want ze hadden al de dagen van Josia Jahweh gediend en waren daardoor gezegend. Ook rouwden ze diep bij zijn dood. Als Jeremia (dat wil zeggen: de Geest van God door deze profeet) een klaaglied aanheft over de laatste koning, die de relaties van God met Zijn volk heeft willen handhaven, dan weent hij over het verval en de verwoesting, die de zonde met zich meebrengt over de kudde, die Jahweh liefhad – over de wijngaard, die Hij had geplant met goede wijnstokken.
Maar hoe trouw Josia ook geweest is, het hart van het volk is daardoor niet veranderd. (Vergelijk Jeremia 3:10). Het geloof van Josia was werkzaam, en overheerste de toestand, en zoals we al zo vaak gezien hebben, was de zegen afhankelijk van het gedrag van de koning, hoewel de onderstroom meer en meer naar het verval en de verwerping van het volk neigde.
Ten slotte willen we nog enkele opmerkingen maken over het Pascha. Alles wordt geordend naar de inzettingen van Mozes en David, en dat op een zeer merkwaardige wijze. Het schijnt dat zelfs de ark verplaatst was (35:3). Maar nu de ark weer op de plaats van zijn rust gezet is, houden de Levieten zich intens met hun dienst bezig, en zelfs met datgene wat noodzakelijk was voor de priesters opdat zij het feest zouden kunnen houden. Ze waren allen in hun plaatsen, overeenkomstig de zegen van Israël in de rust, zoals ze die onder Salomo hadden genoten. Zij, die aan Israël onderricht gaven, droegen niet langer de ark, maar dienden God en Zijn volk. Overeenkomstig hun orde waren de zangers er ook, zodat er sinds de dagen van Samuel zo’n Paasfeest niet meer was geweest. Het was als het ware de laatste opflikkering van de lamp, die God in het huis van David aan Zijn volk had gegeven. Ze zou spoedig uitdoven om de wereld in de duisternis van het heidendom dat God niet kende, te laten, en om degenen, die Zijn volk geweest waren, onder het oordeel te brengen, dat in de woorden Lo-Ammi (niet Mijn volk) is uitgedrukt. Maar dit was slechts, om later gelegenheid te geven Zijn oneindige genade voor de heidenen en Zijn onveranderlijke trouw aan Israël te openbaren. Ezechiël dateert zijn profetie vanaf het jaar van dit Pascha, als hij zegt: “het dertigste jaar.” Waarom hij dat doet kan ik u niet zeggen. Was dit jaar een jubeljaar? Of vormde dit Pascha op zichzelf een tijdstip van bijzondere betekenis?
Hoofdstuk 36
De volgende regeringen vragen maar weinig woorden meer. De koning van Egypte neemt het land in bezit en de ongerechtigheid van Jojakim, die hij koning van Jeruzalem gemaakt had, geeft in het geheel geen aanleiding tot herstel. Maar een machtiger koning dan die van Egypte komt op. Een koning, door wie God de tijden van de heidenen zou laten beginnen. Deze kwam op tegen Jeruzalem, en na Jojakim met ketenen gebonden te hebben, stond hij deze toe, na alles wat gebeurd was, zijn regering en zijn leven in Jeruzalem te voltooien. Drie jaren later werd zijn zoon naar Babel gevoerd.
Zedekia, die Nebukadnezar heeft doen zweren bij de naam van Jahweh (waardoor hij het gezag van die Naam over zijn geweten erkent) is in dit opzicht bozer dan Nebukadnezar, want hij veracht zijn eed en de Naam van Jahweh. Na een korte tijd van vruchteloze tegenstand, waarin hij ondanks het getuigenis van Jeremia volhardt, valt hij in de handen van de koning van Babel, die de stad en het heiligdom geheel vernielt. Want het volk en de priesters waren geheel verdorven. Ze onteerden Jahweh en verachtten de profeten, totdat er geen helen aan was, en het land aan haar Sabbatten een welgevallen had.
Droevige en ernstige les van de zonde en de ongerechtigheid van de mens, en van het rechtvaardig oordeel van God. “Alleen u heb Ik gekend uit alle geslachten op de aarde. Daarom zal Ik u vergelden al uw ongerechtigheden” (Amos 3:2). Maar in Zijn oordelen gedenkt God aan Zijn barmhartigheid en in Zijn raadsbesluiten van genade heeft God al een werktuig voorbereid, en dit zelfs door Zijn profeten bij name aangekondigd, om Zijn volk enige verlichting te geven.
Na de zeventig jaren van ballingschap, die Jeremia voor Juda had aangekondigd, doet God in het hart van Kores, de koning van Perzië, het bewustzijn ontstaan dat het Jahweh, de God van de hemel was, Die hem al de koninkrijken van de aarde had gegeven, en dat Deze hem had bevolen een huis in Jeruzalem te bouwen. Hij nodigt het volk van God uit om daarheen te gaan en verzekert hun dat Jahweh, hun God, met hen zal zijn.
Zo wordt dus de geschiedenis van de val van Israël met barmhartigheid besloten. Maar een barmhartigheid, die erkent dat de macht in de handen van de heidenen is gelegd. Het is de geschiedenis van de val van een volk, dat in zeer bevoorrechte omstandigheden was geplaatst, zodat God kon zeggen: “Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard, dan wat Ik eraan gedaan heb?” God had dit volk al eens vergeven. Want nadat het de ark in de handen van de Filistijnen had laten vallen, en nadat God Silo, de plaats van Zijn woning verlaten had, had Hij deze weer gevestigd in zegen. Maar tevergeefs! Het grote geduld van God, het herstel, dat Hij gegeven had, de vestiging van het huis van David door genade, het was alles tevergeefs geweest. De wijngaard (want zij waren mensen) had stinkende druiven voortgebracht. Zijn omheining is neergehaald, hij is verwoest. Voor het ogenblik heeft Jeruzalem opgehouden de troon van Jahweh te zijn, en de regering en de macht op aarde zijn aan de heidenen toevertrouwd.
EINDE 2 KRONIEKEN
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 2.9
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- De rol des boeks (1 en 2 Kronieken), H. Rossier
- Koningen bij de gratie Gods (David en Josia), C.H. Mackintosh
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten:
1 Maar deze verbinding is niet met de ark in Sion. Historisch bezien, begeeft Salomo zich naar de plaats waar het volk zich bevindt.
2 In de Authorised Version staat: naar binnen. Letterlijk is het: naar het huis toe, wat gewoonlijk naar binnen zou betekenen; maar aangezien de cherubim helemaal achter in het huis stonden, was kijken naar het huis in werkelijkheid naar buiten.
3 Deze bestendigheid bestaat uit twee dingen: 1e God zal ze vestigen en 2e In Hem is de kracht. Dit zijn de twee grondslagen van de bestendigheid van de regering van Christus. We zien deze in de twee pilaren Jachin en Boaz.
4 Toch schijnt het dat ze geen hutten van loof hebben gemaakt. Na Jozua hebben ze dit niet meer gedaan tot op Nehemia. In de tijd, waarvan we nu spreken, hadden de vreugde en de voorspoed hen wat onverschillig voor het Woord gemaakt.
5 Enige tijd vóór dit schrijven zijn bestemming bereikt had, was Elia ten hemel opgenomen. Omdat het een profetie is, is er geen enkele moeilijkheid om te geloven dat dit schrijven, zoals elke andere profetie, door Elia is achtergelaten om op de juiste tijd te worden gebruikt. Het was een taak, die, overeenkomstig de wegen van God, aan deze profeet als getuige tegen de ongerechtigheid van Achab, geheel natuurlijk toekwam.
6 Na ons het kwaad en het oordeel, dat er het gevolg van was, te hebben getoond, zien we dat Jesaja direct daarop ons de belofte van de zegen van de laatste dagen voor ogen stelt. In de eerste hoofdstukken laat hij zowel de toestand van het volk, als ook de zegen van de laatste dagen zien. In hoofdstuk 7 wordt het huis van David pas als geoordeeld gezien, en in datzelfde hoofdstuk wordt de Messias, de Zoon van de maagd, ons voorgesteld als de uitkomst en het middel van verlossing en van de genade, naar de raadsbesluiten van God. Het overige gedeelte van de Schriften van deze profeet laten ons van de kant van God de gehele geschiedenis van het volk zien, en ook die van de volken in betrekking tot Israël, tot aan de vervulling van de volle zegen in Christus aan het einde der tijden. Ten slotte zien we nog in dit boek het oordeel over de zonde van Israël in betrekking tot Jahweh (40-48) en tot Christus (49-57).
7 Merk hier op dat, als God zegent en er trouw gevonden wordt, de werktuigen, die Hij in Zijn dienst gebruikt, deel hebben aan de heerlijkheid die met deze zegen verbonden is. Hun namen zijn in de kronieken van de handelingen van God geschreven.