21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150) · uit de ‘Synopsis’ deel 3 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Derde boek
Het derde boek houdt zich met een breder terrein bezig dan de toestand van het overblijfsel van de Joden in de laatste dagen, hetzij in Jeruzalem, hetzij daaruit verdreven. Dit heeft tot gevolg, dat we veel minder lezen over de persoonlijke omstandigheden, gevoelens en verbindingen van de Heer, Die, toen Hij op aarde was, in het midden van het overblijfsel wandelde.
De algemene belangen van Israël worden hier voorgesteld, en zo komen we ook op het terrein van hun geschiedenis. De gehele nationale positie is voor ons, hoewel altijd een getrouw, oprecht overblijfsel onderscheiden wordt.
Wij moeten er wel op letten, dat dit boek slechts één Psalm van David bevat. De andere worden toegeschreven aan Asaf, aan de kinderen van Korach en aan Ethan. En ik zou niet weten op grond waarvan we de aanwijzingen, die ons over die verschillende schrijvers gegeven worden, zouden moeten verwerpen. Ook in dit boek gaat het over Israël in de laatste dagen. Maar nu worden de algemene feiten vermeld in verband met het hele volk en niet de bijzonderheden van het Joodse overblijfsel, en van Christus die een plaats in hun midden inneemt. Het is veel meer Israël in algemene beginselen. Daarom vinden we veel meer een teruggrijpen op hun geschiedenis in het verleden en Gods handelingen met hen.
Psalm 73-76
De eerste van deze nieuwe reeks, is daarvan een duidelijk bewijs. “Ja, God is goed voor Israël, voor hen die zuiver van hart zijn” (vers 1). Maar de heilige was verslagen over de voorspoed van de goddelozen en zijn voeten waren bijna afgeweken. Die voorspoedige goddelozen worden dan beschreven. De massa van het volk had zich met hen verbonden en de Allerhoogste wordt veracht en bespot. De godvruchtige daarentegen wordt de gehele dag geplaagd. Tevergeefs heeft hij zijn handen gereinigd. Maar door zo te spreken zou hij ontrouw geworden zijn aan het geslacht van Gods kinderen (vers 15). Deze gang van zaken was voor de mens te moeilijk om te begrijpen. Maar alles werd helder en klaar in Gods heiligdom. Want daar wordt Gods gedachte geopenbaard.
Als een droom na het ontwaken, zo zullen alle aanmatigingen van de goddelozen verdwijnen als God opwaakt.
De gelovige klaagt over zijn gebrek aan goddelijk inzicht in deze gedachten en gevoelens (verzen 21-22). Maar ondanks alles is hij tenslotte altijd met God. God heeft zijn rechterhand gegrepen. En door Zijn raad geleid in die tijd van duisternis, zal hij opgenomen worden, nadat de heerlijkheid geopenbaard zal zijn. (Lees: “En na de heerlijkheid zult Gij mij opnemen”. Vergelijk Zacharia 2:8.) Het resultaat is gezegend. Hij heeft buiten de Heer niemand in de hemel. Daarom begeert hij ook niets op aarde buiten de Heer. Dat is het gevolg van de beproeving. Zijn vlees en zijn hart bezwijken: dat is de natuur! Het moet ook zo zijn, maar God is de kracht van zijn hart en zijn deel voor eeuwig.
De twee laatste verzen vermelden het resultaat: zij, die ver van Jahweh zijn en de afvalligen, zullen vergaan. Maar voor de Godvrezende is het goed tot God te naderen. Hij vertrouwde op God, toen Deze Zich nog niet openbaarde, opdat hij al Zijn werken zou kunnen vertellen als de verlossing gekomen was. Want zij die later gezegend zullen worden, zonder door beproevingen te zijn gegaan, zullen die kennis van God niet hebben.
Psalm 74 klaagt over de verwoesting door de volken in het heiligdom aangericht, nadat het in het land herbouwd was. De vijanden van God – zo ziet het geloof hen – brullen in de vergaderplaatsen (synagogen). De tekenen van de mensen en niet die van God zijn de tekenen van de macht. Alle openbare Joodse eredienst is onderdrukt. Maar dat niet alleen: juist wat in zo’n tijd troost kon geven ontbreekt. Er zijn geen tekenen van Gods zijde om de getrouwen te midden van hun moeilijkheden te bemoedigen. Geen profeet, niemand die weet hoe lang dit zal duren. Niemand, die door het onderwijs van God weet, wanneer Hij in macht tussenbeide zal komen. Toch vinden we ook hier het geloof dat God Zijn volk niet verlaten zal. En dat woord: “tot hoe lang” gaat, als het geen antwoord ontvangt, over in een smeekroep. God zal de Zijnen niet eeuwig verlaten. Zij bouwen op Zijn trouw. God had voorheen Egypte geslagen en Zijn volk verlost door het door de gedeelde zee te voeren. Alle macht in de schepping behoort Hem. De vijand had de Naam van Jahweh gelasterd. Israël moet in het overblijfsel nog aangezien worden als Gods tortelduif. Ze smeken God of Hij het verbond wil erkennen, want de duistere plaatsen van het land (of “de aarde”) zijn vol woningen van geweld. Zo, als altijd, worden de verdrukten, de ellendigen en armen aan het oog en het hart van God opgedragen. We vinden ze telkens opnieuw als degenen in het land aan wie God denkt en in wie Christus Zijn welbehagen heeft. En dat is zelfs zo met de geest die wij moeten hebben. De psalmist smeekt God op te staan om Zijn rechtsgeding te voeren. Het getier van degenen, die tegen Hem opstaan, wordt voortdurend groter. Het is merkwaardig om te zien hoe het geloof de belangen van het getrouwe overblijfsel wat betreft hun armoede en verdrukking, vereenzelvigt met de belangen van God, en zó hun zaak bij God bepleit. Er wordt gesproken alsof de psalmist erbuiten staat. God wordt aangeroepen: alleen, God wordt eraan herinnerd, dat de naam die Hij onder Israël aangenomen heeft (verzen 18-20) gelasterd wordt. Die naam herinnert aan de verbondsrelatie die Jahweh heeft met Zijn volk, en aan de tedere liefde, die Hij het toedraagt.
In Psalm 75 spreekt de Messias, hoewel de Psalm begint met lofzangen, die het overblijfsel aan God brengt voor al volbrachte wonderen. Vervolgens wordt de Messias door de oordelen van God tot het Koninkrijk gebracht. Hij ontvangt de vergadering van Israël, en zal dan een rechtvaardig gericht uitoefenen (vers 3). De aarde en haar bewoners zijn in grote schuld en verwarring verzonken, maar de Messias heeft haar pilaren vastgezet. In de volgende verzen waarschuwt Hij de goddelozen en de verachters van God om zich niet te verheffen want “God is Rechter: Hij vernedert de een en verhoogt de ander”. De goddelozen zullen de beker van het oordeel tot op de droesem moeten drinken. Maar de verachte Messias zal de God van Jakob verhogen en de hoornen van de goddelozen afhouwen, en de hoornen van de rechtvaardigen zullen verhoogd worden.
Psalm 76 is zeer eenvoudig in zijn toepassing op het oordeel over de koningen, die in hun hoogmoed optrekken tegen Jeruzalem en er onverwachts de Heer Zelf ontmoeten (vergelijk Micha 4:11-13 en Zacharia 12:2 en 14:3-4). Er wordt over dat oordeel gesproken en de psalmist looft nu God als Degene die Zijn woning in Sion heeft. Hij is de God van Jakob en bekend in Juda; Zijn oordeel was gehoord vanuit de hemel. Het lang verachte Sion is nu heerlijker dan het roofgebergte, de hoge plaatsen van het menselijke geweld. De aarde vreesde en werd stil, toen God opstond om te oordelen en alle zachtmoedigen op de aarde te helpen.
Psalm 77-79
Psalm 77 stelt ons de geestelijke verlossing voor en het herstel van het vertrouwen. De getrouwe heeft tot God geroepen en Hij heeft Zijn oor tot hem geneigd. Met de stem tot God roepen wil meer zeggen dan iets van Hem wensen. Het roepen tot God is de uitdrukking van zwakheid en afhankelijkheid en het verlangen om de toevlucht te nemen tot Hem, ja, ook van de oprechtheid van het hart. In de benauwde tijd werden er niet alleen klachten gehoord, was er niet alleen geprikkeldheid, boosheid, maar ook dit: “ik heb de Heer gezocht” (Adonai en niet Jahweh), zijn eerste gedachte was, of de Heer hem in eeuwigheid verstoten had (verzen 8-10). Want hier gaat hij, zoals we al vaak in de Psalmen hebben gezien, door een weg, die leidt tot dat wat in de eerste verzen uitgedrukt is 35.
In vers 11 en volgende veroordeelt hij zijn gedachten van kleingeloof en herinnert hij zich de jaren, waarin de macht van Jahweh, de Verbondsgod van Israël, Die aan de vaderen bekend was als de Allerhoogste, Zich manifesteerde (vers 6). De weg van God is altijd onveranderd in overeenstemming met Zijn heilige en gezegende natuur. En men kan die slechts begrijpen in het heiligdom, de verborgen plaats, waar Hij Zijn geheimen bekendmaakt aan hen die met Hem in gemeenschap zijn. Zijn wegen zijn in volkomen overeenstemming met die plaats, waar Hij Zijn volk oordeelt naar de betrekking waarin Hij op dat ogenblik tot hen staat. (Daarom de plaats van de uitlegger, één onder duizend, Job 33.) Ze zijn de toepassing van de Goddelijke beginselen van Zijn heilige natuur, voorzover Hij Zich, volgens die natuur in verbinding stelt met Zijn volk. En deze verbinding moet in overeenstemming met deze beginselen onderhouden worden. Dat is Zijn heiligdom; daar kan men tot Hem naderen.
Van daaruit handelt Hij dan ook met Zijn volk, niet alleen door het op uiterlijke wijze te leiden, maar door in Zijn majesteit de beginselen van Zijn natuur (voorzover die geopenbaard zijn) te verwerkelijken in de verborgen mens des harten 36. Hij handelt met ons in de heilige plaats van Zijn natuur en majesteit; in de waarheid van onze toestand – onze waarachtige, zedelijke, innerlijke toestand.
Van deze wegen wijkt Hij niet af, noch stelt Hij Zijn Majesteit in de waagschaal, die Hij door deze wegen openbaart. Maar, hoewel in overeenstemming met Zijn natuur, handelt God toch in een geopenbaarde verhouding. Zijn wegen openbaren Zijn natuur en Zijn Majesteit maar verzwakken ze nooit. De mens die met Hem in gemeenschap gebracht is, moet zich hierbij aanpassen. Hij moet in het innerlijke van z’n hart met Hem daarin wandelen. Maar als God in overeenstemming hiermee handelt, reinigt Hij de mens daarvoor. God wijst dan het kwaad aan. Hij ontdoet de mens van zijn hoogmoed met het doel hem te zegenen. Bij dit alles handhaaft Hij echter Zijn Majesteit. Daarom herinnert de mens die zich in het midden van het kwaad bevindt, zich wat de betrekking in verlossing tot stand bracht (verzen 15-19).
Israël, of het getrouwe overblijfsel, is hier niet in het genot van de zegeningen, die hen in het verbond zijn beloofd. Integendeel: zij bevinden zich in benauwde omstandigheden. Maar daarin zien ze in het geloof terug op een tijdperk, dat aan de macht herinnert van Hem, Die niet veranderen kan. De ziel vindt troost in het feit, dat Gods weg in het heiligdom is, overeenkomstig de natuur en de wegen van God Zelf, voorzover Hij Zich heeft geopenbaard.
Als ik naar de mens oordeel dan is Zijn weg in de zee (vers 20), dan kan ik Zijn spoor niet volgen: “Zijn voetstappen werden niet bekend”. Ja, wie zou in staat zijn Hem te volgen, die met één enkele gedachte alle dingen regelt? Door het geloof kennen wij de ware natuur en het ware karakter van God in Zijn betrekking tot ons. Wij kunnen daarop bouwen, zoals op alles wat Hij als trouwe en onveranderlijke God doet. Maar Zijn wegen op zichzelf kunnen wij niet kennen, noch er over oordelen. De ongelovige is dan ook ontevreden en hij maakt God verwijten. Maar de gelovige is gelukkig, omdat hij de sleutel heeft op alles, waarin de God die hij kent is, en omdat hij rekenen kan op Zijn regeling van alle dingen. Het moet in overeenstemming zijn met dat wat God is. Hij regelt niet alle dingen op een wijze die in strijd is met wat Hijzelf is. Maar Hij is voor ons en regelt daarom alles in ons voordeel: maakt dat alle dingen medewerken ten goede. Hij leidt Zijn volk als een kudde.
In Psalm 73 leert de beproefde gelovige het einde kennen van de vijanden van buitenaf, die voorspoed hadden, terwijl hij getuchtigd werd. Hier leert hij de wegen van God met hemzelf beter begrijpen.
Voor het praktische leven is deze Psalm zeer interessant en leerzaam. De ziel die het genot van de goddelijke zegening mist, is door de genade opgewekt tot God te roepen, omdat het verlies van deze zegeningen hem zeer drukt. Hij zoekt de Heer, en zoals altijd, laat dat hem de moeilijkheid nog meer voelen. Hij voelt waar hij is, en zijn ziel weigert getroost te worden. De gedachte aan God is een bron van onrust voor hem. Want hoewel het geloof ontwaakt is, is het geweten dat ook! En dit, samen met het gemis van de zegeningen, maakt dat de geest overweldigd is. De ziel wordt in het levendig bewustzijn van waar het is gehouden. Hij denkt aan de heerlijke dagen van vroeger, toen het licht van de Heer hem bescheen. Had God hem dan opgegeven, vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Was het mogelijk, dat God hem, één van Zijn volk, had opgegeven? Dat leidt zijn gedachten weer naar God Zelf. Hoe zou alles voorbij kunnen zijn met hem? Nee, het is zijn eigen gebrek; en hij gaat terug naar de jaren van de rechterhand van de Allerhoogste. Hij denkt terug aan de daden van Jahweh. En als hij met zijn eigen verootmoedigde geest Jahweh bereikt heeft, heeft hij Iemand bereikt die altijd vóór Zijn volk was, en die van ouds voor hen gewerkt had en hen verlost had. Hij, hun God, wordt nu de bron van zijn gedachten, en niet meer zijn eigen positie tegenover God. Want dat Hij hun God was, maakte alles zo verschrikkelijk. Nu kan hij ook Zijn wegen juist overdenken en beoordelen. Zij zijn in de zee en geen mensenvoet kan ze volgen. Maar in het heiligdom zijn ze altijd in overeenstemming met Zijn natuur en Zijn karakter, en vervullen Zijn bedoelingen om goed te doen.
In Psalm 78 overweegt de wijsheid het gedrag van Israël. Er wordt een historisch overzicht in verbinding met het gehele volk gegeven, maar in verbinding hiermee komen zeer belangrijke beginselen naar voren. Niet alleen dat er vroeger een verlossing tot stand was gekomen, waarop het geloof bouwt, maar ook is er een getuigenis gegeven en een wet om te leiden op de weg die Israël moest gaan, opdat deze aan de kinderen bekend gemaakt zou worden. Maar de vaderen waren een hardhorend en weerspannig geslacht geweest. Nu, de wet en het getuigenis waren gegeven, opdat de kinderen niet zouden worden als hun vaders (vers 8). Maar zij waren wel zo geworden en hun geschiedenis wordt hier openbaar gemaakt. Vanwege die ontrouw heeft God hen getuchtigd; er was een rechtstreekse en openlijke regering met het oog op hun wegen. Desondanks gingen zij door met zondigen. Toen de straf op hen neerkwam keerden zij terug tot God! Maar zij vleiden Hem alleen met hun mond, hun hart was niet oprecht voor Hem en zij waren ontrouw aan het verbond (verzen 32-37). Maar God in Zijn barmhartigheid, had medelijden met hen en vergaf de ongerechtigheid. Hij dacht eraan dat zij vlees waren. Zelfs na de wonderen in Egypte vergaten zij Hem. In het land gekomen gaven zij zich aan afgoderij over. Toen God dit hoorde, werd Hij zeer verbolgen en versmaadde Hij Israël (vers 59). Op grond van deze regering, onder de wet en het getuigenis, samengaand met medelijden en genade, werd Israël geheel en al terzijde gesteld: de tabernakel werd verlaten, de ark overgegeven in gevangenschap en de handen van vijanden. Ook het volk zelf kwam onder het oordeel.
Maar de liefde van Jahweh voor Zijn volk, die voortkomt uit genade, was niet verminderd. Juist de ellende waarin het volk gebracht was, maakte dat die liefde zich moest openbaren. De Heer ontwaakte als iemand die uit de slaap wakker wordt en sloeg Zijn vijanden, zodat hun eeuwige smaad werd aangedaan (verzen 65-66). Maar dit was een tussenkomst uit genade, op grond van Zijn liefde tot Zijn volk. Het waren niet de zegeningen van Gods regering, maar de tussenkomst van genade, toen ongehoorzaamheid op grond van regering een volledig oordeel gebracht had, ondanks medelijden en barmhartigheid. Maar nu openbaarde Zijn vrijmachtige genade zich. Vroegere zegeningen hadden Jozef tot natuurlijk erfgenaam gemaakt: hij had het rijke en dubbele deel gehad. Maar God verkoos Juda. Hij verkoos de berg Sion. Dit gaf deze plaats zijn bijzondere betekenis. Het is de plaats van liefde in genade, als daar alles onder de wet gefaald heeft, zelfs toen die wet gepaard ging met de uitoefening van de volkomenste barmhartige lankmoedigheid. Hij bouwde Zijn Heiligdom. Dat wordt hier niet rechtstreeks voorgesteld als het voorwerp van de uitverkiezende genade, maar God verkoos David toen hij in de nederigste omstandigheden was, die toen Zijn volk weidde.
In deze heerlijke Psalm vinden we allerbelangrijkste beginselen. Israël, gezien als op de bodem van de regering van God bij de Sinaï, op de bodem van een wet, die met barmhartigheid was gemengd, had geheel en al gefaald. Het was een voorwerp van afschuw geworden en verworpen. Er was sprake van een totale breuk: de ark van het verbond, die de band vormde tussen Israël en God, de plaats van verzoening en tegelijk Zijn troon, was in de handen van de vijand overgegeven. Maar God was uit soevereine liefde tot Zijn volk op machtige wijze tussenbeide gekomen om het te bevrijden. Hij had Juda, Sion en David verkozen en door bevrijding een band van genade gelegd, nadat alles gefaald had. Het geloof kan teruggrijpen op Gods werk in verlossing, maar niet op het gedrag van mensen onder de wet. Psalm 78 is de tegenstelling van Psalm 77.
Dit alles wordt in Israël meegedeeld om wat de genade in de laatste dagen zal bewerken tevoorschijn te roepen, namelijk de waardering van de wet in hun harten, die er hen toe brengen zal om deze aan hun kinderen te onderwijzen. (Vergelijk Genesis 18:17-19; zie Exodus 34.) Barmhartigheid plaatste Israël nogmaals onder de voorwaarden van de gehoorzaamheid. Hier verlost de macht van God, nadat het volk zelfs hier gefaald had en het oordeel gekomen was. God handelt overeenkomstig Zijn gedachten van liefde. In feite is Israël nooit onder uitsluitend de wet geplaatst; de stenen tafelen zijn nooit in het leger gekomen (vergelijk 2 Korinthe 3).
Het aangezicht van Mozes glinsterde, nadat hij God had gezien, toen hij voor de tweede maal de berg beklommen had en in genade aangenomen werd. Maar voor Israël was dit, teruggebracht te worden onder de wet. Het is genade en de wet daarbij gevoegd, en dat betekent dood en verdoemenis. Dit laatste is onmogelijk met plaatsvervanging; maar deze plaats kon Mozes vanzelfsprekend niet innemen. “Misschien zal ik verzoening kunnen bewerken voor uw zonde” (Exodus 32:30). “Schrap mij alstublieft uit Uw boek”. Maar het antwoord was: “Nee, de ziel die gezondigd heeft die zal Ik uitdelgen.” Dat was wet, en – zoals we hier zien, en zoals in 2 Korinthe 3 uitdrukkelijk vastgesteld wordt – dat betekende dood en verdoemenis.
Psalm 79 slaat op de inval van de volken, voornamelijk het noordelijke leger, dat Jeruzalem en de tempel verwoest en het bloed van de aanbidders van God vergoten had (Joël 2, dat over een tweede aanval spreekt, vermeldt de verhoring van de smeekbede van deze psalm; Jesaja spreekt van beide aanvallen). In deze Psalm worden de vorige zonden beleden en roept men de barmhartigheid en ontferming van God in. De grond die men daarvoor opgeeft vinden we ook in Joël 2, terwijl er in Psalm 42-43 op gezinspeeld werd: “Waarom zouden de heidenvolken zeggen: Waar is hun God?” Zij smeken of God Zich wil laten kennen, door wraak te nemen over het bloed van Zijn knechten. Dan zullen Zijn volk en de schapen van Zijn weide Hem voor eeuwig loven. De toorn van Jahweh wordt gezien en er is geloof om te zeggen: “Hoe lang, HEER?”
Dus, hoewel het overblijfsel niet geniet van de zegeningen van het verbond – juist het tegengestelde – ziet het geloof toch naar deze zegeningen en ziet, dat Jahweh verbolgen is op Zijn volk. Maar als dat zo is, en Jahweh dus met hen in verbinding staat, kan Hij hen niet verlaten. Er komt een eind aan de toorn. Het is alleen: “Hoe lang nog?” Toch roepen zij tot God, zelfs op deze plaats, en niet tot Jahweh. Israël is namelijk nog niet hersteld tot de plaats, die het volgens het verbond inneemt. Als het daar is gekomen, dan is het in bewuste verbondsbetrekking en wel in genade, en dat zal nooit meer uit het oog verloren worden. Hier is dit nog niet zo. Israël is verjaagd van de woning van Jahweh, omdat het gefaald heeft onder een voorwaardelijk verbond. Hoewel het geloof zich aan de beloften vasthoudt, bevindt het zich nog niet onder het nieuwe verbond. Ze zijn nog buiten de zegeningen; zien terug en vooruit, maar hebben op het ogenblik niets.
Dit kan nooit het christelijke standpunt zijn. Door zich op dit standpunt te plaatsen en de taal van deze Psalm voor zichzelf te gebruiken, maakt men zich tot een Jood. Want terwijl Christus voor Israël in de hemel verborgen is, is de Heilige Geest tot ons neergekomen, terwijl Christus in de hemel is. En wij weten, dat Hij als onze Plaatsvervanger aangenomen en verheerlijkt is, en dat wij in Hem zijn.
Psalm 80-84
Psalm 80 toont ons het volk Israël op een merkwaardige wijze, hun geschiedkundige verbindingen, zowel wat het verleden, als wat de toekomst betreft. Hoewel alles natuurlijk van Hem afhankelijk is, wordt Christus hier niet voorgesteld en ook niet de gelovige Joden in het midden van de afvallige vergadering. We zien een veroverd Jeruzalem, bondgenootschappen, herinneringen aan de vorige verlossingen. Dus de geschiedenis van het volk, of profetie ten opzichte van nationale gebeurtenissen, maar alles is uiterlijk. We vinden geen innerlijke beproevingen, zodat we Christus persoonlijk voorgesteld zouden zien, behalve als Hij de vergadering ontvangt (Psalm 75:3 vertaling Darby), hoewel de getrouwen in Israël apart gezien worden. Ook wordt Jahweh niet genoemd (behalve dan wat de toekomst betreft, als Israël in het nieuwe verbond zal treden) tot het oordeel over het laatste volkerenverbond, waardoor Jahweh als de Allerhoogste over de gehele aarde bekend wordt.
Ik geloof, dat de Joden in deze Psalmen ingesloten zijn: ze maken deel uit van Israël, en Jahweh zal Zich immers in Juda openbaren. Alleen, historisch wordt heel Israël, Jozef incluis, voorgesteld – de natie. God wordt aangeroepen als de Herder van Israël, die Jozef als een kudde leidt en die gezeten is tussen de Cherubim. Ook hier wordt van Israël gesproken in historische zin. Het is niet God die vanuit de hemel roept of komt. Hij wordt door het geloof alleen gezien als Hij hier is, als Hij Zijn plaats in Israël heeft ingenomen.
De psalm, waarmee we ons bezighouden is zeer merkwaardig. God is in Israël – Zijn troon van recht. De psalmist verwacht, dat Hij Zijn glans opnieuw zal laten schijnen, dat Hij Zijn macht zal aanwenden om Zijn volk te hulp te komen. Hij herinnert Hem aan vroegere tijden, toen in de woestijn Efraïm, Benjamin en Manasse zich onmiddellijk achter de ark bevonden en het heiligdom onmiddellijk vóór hen ging als het leger optrok (Numeri 10). Dat was Jahweh, de God van de legermachten. Het geloof ziet uit naar Zijn tegenwoordigheid in macht met Zijn volk, zoals het in die vroegere tijd was. De roerende en dringende vraag van het geloof is: “Hoelang zal Uw toorn branden tegen het gebed van Uw volk?” Dat wordt ook in het geloof gezien. De wijnstok, die uit Egypte overgebracht was, is verwoest. Zijn muren zijn doorgebroken, zoals Jesaja al gedreigd had. Tranen zijn de drank van het volk van Jahweh. Zij smeken God om uit de hemel neer te zien en de wijnstok te bezoeken: de stam, die Hij geplant en de tak, die Hij gesterkt had.
Naar ik veronderstel, ziet dit laatste op het geslacht van David. Toch moet de toestand van Israël als een straf van God beschouwd worden. Bovendien verwacht het geloof, dat de man, die recht heeft op de macht, de Zoon des mensen, die God voor Zichzelf sterk gemaakt had, met Goddelijke macht bekleed wordt (vers 18). Door deze tekst, en niet alleen uit Daniël 7, die slechts een bijzondere plaats van de Zoon des mensen vermeldt, kunnen wij begrijpen, waarom de Heer Jezus Zich gewoonlijk Zoon des mensen noemt. Hoewel toen verworpen, is Hij Degene, waarop Gods rechterhand in macht zal zijn. Hier gaat de Heer van uit in Lukas 22:69. Hij was in genade neergekomen, maar nu was Zijn zending beëindigd. Van nu aan zouden ze Hem alleen kennen in Zijn verheven oordelende macht. Het geeft grote betekenis aan de naam (Zoon des mensen) en brengt, doordat het Psalm 8 insluit, de bevrijding van het overblijfsel van Israël in het grote gebied van Zijn macht. Want als Zoon des mensen neemt Hij, naar het raadsbesluit van God, in Zijn eigen Persoon mensheid op; alleen is Hij boven al de werken van Gods hand. Hij is Heer van alles, maar als zodanig, en op grond van Zijn eigen werk voor hen, brengt Hij deze bevrijding van het overblijfsel van Israël tot stand. Op deze wijze zou het volk van God bewaard worden.
Het smeekgebed in deze Psalm heeft het volgende tot doel: de tussenkomst in macht van Jahweh, de God van Israël, en die macht gegeven in handen van de Zoon des mensen. Het gebed wordt veroorzaakt door de grote droefheid van Israël. Maar door het geloof wacht men op Jahweh en ziet men Hem reeds in Israël. En als Hij zo tot hen gekomen is, zullen zij niet meer van Hem afwijken. Als hij hen uit het stof levend gemaakt zal hebben, zullen zij Zijn Naam aanroepen. Vergelijk wat in Psalm 2 over de Messias gezegd wordt.
De verzen 4,8 en 20 tonen aan wat men begeert: toch is het een uiterlijke verlossing, waarnaar men uitziet. Vers 18 vereist onze bijzondere aandacht vanuit het reeds vermelde oogpunt. Het wijst er voornamelijk op wat in de gedachten van de Heer was toen Hij aan de Zijnen deze oneindige tegenstrijdigheid meedeelde, dat deze Zoon des mensen moest lijden. Natuurlijk geeft Psalm 8 de sleutel hiervan in Gods raadsbesluiten, beide wat betreft de vernedering en de verhoging, alsook wat betreft de plaats van de mens. Het was deze vernedering waarop de Heer telkens de nadruk legde tegenover Zijn discipelen. Nu verwachten zij, dat de Goddelijke macht zich in Hem zal ontvouwen. De gemeente en haar eenheid met Christus en de persoonlijk gekende aanneming tot zonen is het enige wat ik in het Oude Testament niet geopenbaard vind. Alles wat Christus betreft was geopenbaard, met uitzondering misschien van de tegenwoordige positie van Christus als Hogepriester. Deze titels worden niet vermeld onder de namen die aan Christus gegeven worden in het eerste hoofdstuk van het Evangelie van Johannes, evenmin als gezegd wordt, dat Hij de Christus is.
Psalm 81 gaat, hoewel het figuurlijk het herstel van Israël bezingt, ook terug naar historische grond, door Jozef in te voeren, die de tien stammen vertegenwoordigt (Zie Ezechiël 37:16). Anders zou misschien Juda, dus de Joden, alles hebben opgeëist. Maar hoewel er gebeurtenissen zijn, die op een bijzondere manier met de Joden verband houden (en de Heer Jezus heeft in hun midden gewandeld, waarbij Hij vooral inging op hun omstandigheden in de laatste dagen en zo de verbinding tot stand bracht die zo buitengewoon belangwekkend is, die we in de eerste 2 boeken hebben bestudeerd), toch is het duidelijk, dat in het herstel naar de volle raadsbesluiten van God de staf van Jozef een plaats moet hebben, en één worden met de staf van Juda als geheel Israël, in de hand van die Zoon des mensen. Nu, de nieuwe maan was het symbool van Israëls openbaar herstel in het licht van de zon. Ze werd met blijdschap door het volk begroet en in de gedachten van het geloof met de verlossing verbonden, zie vers 6. In die tijd toen Israël bedroefd was, had het tot God geroepen en Hij had het verlost. Maar dan wordt een ander belangrijk beginsel toegevoegd. Want, weliswaar gaf God het bedroefde volk antwoord, maar Hij beproefde het ook. Zij hadden God verzocht door aan Zijn zorg en macht te twijfelen, en Hij stelde hen op de proef door moeilijkheden, die de schijn wekten, dat Hij Zich niet om hen bekommerde en geen macht had om hen te redden. Toen zeiden ze: “Is Jahweh in ons midden?” Maar de Heer antwoordde met genade te bewijzen (Exodus 17).
Naar deze gebeurtenis wordt hier verwezen, denk ik. En zelfs bij de tweede Meriba (zo genoemd omdat Israël opnieuw twistte met Jahweh), waarbij Mozes (Numeri 20) onbedachtzaam sprak, werd Jahweh geheiligd door hen toch water te geven. Uit genade verhief Hij Zich boven het falen van Mozes, hoewel deze buiten Kanaän moest blijven, want vanaf Sinaï waren ze onder een wettische, hoewel genadige regering. Maar hoewel genade en trouw aan Zijn beloften in Gods regering gevonden werden (Exodus 34:6-7), werd toch het volk op een wettische wijze op de proef gesteld, juist op die voorwaarden van die genade. Het was een regering die op de proef stelde en tegelijk genadig was. En feitelijk is de regering van God in sommige opzichten altijd zo.
God stelt Zijn volk op deze proef: indien zij trouw zijn aan Hem, geen vreemde god in hun midden (Hij was immers Jahweh, hun God, die hen uit het land Egypte had geleid), stond de zegen klaar. Zij hoefden hun mond maar wijd open te doen en Hij zou die vullen. Maar Israël wilde niet luisteren en daarom werden zij aan de lusten van hun eigen hart overgegeven. En toch vinden we ook in deze Psalm de tederheid van Gods liefde voor hen. We lezen van de vreugde, die Hij gehad zou hebben bij het zegenen van hen en bij het vernietigen van hun vijanden. Dan zou Zijn rechtvaardige regering onder hen geopenbaard zijn (Vergelijk Mattheüs 23:37; Lukas 19:42). Och, hadden zij maar geluisterd! Hier hebben we de oorzaak van Israëls verval! Als verlosten uit Egypte werden zij beproefd of ze gehoorzaam en trouw aan God wilden zijn. Zij faalden. Toch zal dit volk opnieuw verschijnen om het licht van Jahweh’s aangezicht te weerkaatsen. Deze liefde van Jahweh schittert zelfs bij hun val.
En hier wordt op een voor ieder belangrijk beginsel gewezen: verlossing, die samengaat met voorwaardelijke zegeningen leidt slechts tot het verlies van de zegeningen, precies zoals bij de schepping. Het is nu hetzelfde als toen. Ja, nog erger! De verantwoordelijkheid om de zegeningen zeker te stellen rust op ons. En nu wij gevallen wezens zijn, in plaats van onschuldige en vrije wezens, zoals Adam in het paradijs, kan genade alleen ons bewaren. En zo zal het ook zijn voor Israël.
In Psalm 81 schitteren Gods gedachten en Gods Wezen van genade en tederheid voor Zijn volk op een buitengewone wijze. De teksten uit de Evangeliën, die ik noemde, laten dezelfde tederheid zien en bewijzen tevens, dat Jezus Jahweh is.
Psalm 82. Deze Psalm vermeldt, dat God de regering in eigen handen neemt. Hij had het gezag op aarde gevestigd, voornamelijk in Israël. De rechters in Israël, die bij hun rechtspreken door Gods Woord geleid werden en met Zijn gezag waren bekleed, hadden de naam van God (Elohim) gedragen. Maar geen van hen wilde begrijpen en rechtvaardig oordelen. Alle fundamenten van de aarde wankelden (vers 5). Alle overheden hadden macht en gezag van God ontvangen. De Joodse rechters hadden ook zelfs Zijn Woord gekregen; maar zelfs zij wilden niets weten of begrijpen. Zij waren mensen en zouden sterven als mensen, zij zouden vallen als een van de onbesneden vorsten van deze wereld. God, die het gezag had gegeven, oordeelt nu in het midden van de goden. Hij moet gerechtigheid uitoefenen. De geest van de profetie in de verstandigen roept om dit oordeel: “Sta op, o God, oordeel de aarde, want Ú bezit alle volken”.
Bij Psalm 83 hoeven wij de aandacht van de lezer alleen te bepalen bij het onderwerp, dat behandeld wordt. Het is het laatste verbond van de volken rondom Kanaän, terwijl Assur hen helpt. Aan het eind van de Psalm vinden we de naam Jahweh, hoewel het volk zich tot God als zodanig richt, want het is nog niet weer hersteld in de zegeningen van het verbond. Het oordeel moet worden uitgeoefend, opdat de opstandige volken de naam van Jahweh zoeken. Het is niet opdat zij de Vader leren kennen, ook niet opdat ze weten, dat er een God is, maar opdat zij Jahweh leren kennen. Als Zijn oordelen over de aarde komen, zullen de bewoners van de aarde gerechtigheid leren (Jesaja 26:9). Dan zullen zij weten, dat Hij alleen, Wiens naam Jahweh is (Die was en Die is en Die komt), de Allerhoogste is over de gehele aarde. Dat wil zeggen, dat Jahweh (de enige, ware God) de God van Israël, boven alles verheven is, de Enige Soeverein over de hele aarde. Onder deze Naam (de Allerhoogste) neemt Hij bezit van de aarde, zoals Melchizédek in de naam van de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit, Abraham zegende. En Nebukadnezar, het vernederde hoofd van de volkeren, loofde en prees de Allerhoogste. Het is Zijn naam in het duizendjarige rijk, in welke naam Hij Zijn grote macht en heerschappij aanvaardt, en de ware Melchizédek is Priester op Zijn troon, en de raad van vrede zal tussen die Beiden zijn (Zacharia 6:13), namelijk tussen Christus en Jahweh. Dit vestigt, profetisch, Jahweh, de God van Israël, als Allerhoogste op de aarde. Zijn volk, nu hersteld in de plaats van verbinding met Hem, verwacht een volle zegen, en de naam van Jahweh wordt opnieuw gebruikt. Tot hiertoe had het volk tot God geroepen, omdat het nog niet in het bezit van de verbondszegeningen was, met uitzondering van die keren dat het terugzag of naar de toekomst.
Psalm 84 geeft een beschrijving van de zegen, die erin gelegen is om de voorhoven van Jahweh binnen te gaan. Toch wordt er op figuurlijke wijze op gewezen, hoe de weg is die tot de zegeningen voert; ze gaat door een tranendal (vers 7). Daarom heeft deze Psalm een grote zedelijke kracht, en is leerzaam zowel voor christenen als Joden. In Psalm 63 smachtte het uitgeworpen overblijfsel naar God Zelf en vond, ondanks alles, zelfs in het dorre en dorstige land vet en merg in Hem. Maar in deze Psalm houdt de ziel van de gelovige zich bezig met de vreugde van Gods huis, want zij gaat in, in de blijdschap van de zegeningen van het verbond. Niet dat naar iets anders verlangd wordt dan naar de levende God, maar Hij is in Zijn woningen. “Welzalig zijn zij die in Uw Huis wonen, zij loven U voortdurend” (vers 5). Daarin gebracht te zijn, dat is de zegen! Zij zullen er niets anders doen dan loven! Dat is het eerste grote deel van de zegen. Het is zegening, geheel en volmaakt in haar natuur. Het is het eind van de weg. Maar wat is de weg die naar dat eind voert? “Welzalig de mens van wie de kracht in U is”, in wiens hart de gebaande wegen zijn die naar het Huis leiden.
Deze uitroep typeert de zielstoestand van de gelovige, die ons hier voor ogen gesteld wordt – zijn kracht is in Jahweh – en zijn hart is op de wegen, die naar Hem voeren (vers 6). Deze weg van zegen gaat door beproevingen, vandaar dat men kracht nodig heeft. Maar hoe de weg ook zijn mag, men heeft hem lief, want hij leidt tot Hem! De heiligen moeten weliswaar door het tranendal, maar het wordt voor hen tot een fontein; want bij deze dingen leeft men en in dit alles is het leven van de geest (Jesaja 38:16). Bovendien komt de zegen van omhoog, die de putten in dit dorstige land vult. De heiligen maken zonder twijfel gebruik van hun kracht. Deze kracht wordt op de proef gesteld, maar telkens vernieuwen zij deze, zij gaan van kracht tot kracht, totdat allen verschijnen voor God in Sion. Het is een biddend volk. Ze wandelen in afhankelijkheid, in vertrouwen op de genade.
Hier wordt opnieuw de verbondsnaam Jahweh van de legermachten, de God van Jakob, gebruikt. Hij is het schild van Zijn volk, dat Hem smeekt om het aangezicht van Zijn Gezalfde te aanschouwen. Dat was nu de band tussen Jahweh en Zijn volk – niet de wet, die zij hadden verbroken. Zij verschijnen voor God in Sion. Maar dat is de plaats van koninklijke verlossing in genade. Voortaan kunnen de belangen van het volk en van de Gezalfde niet gescheiden worden. De zegen rust op Hem, en om Zijnentwil ook op hen.
Vervolgens wordt op een liefelijke en heerlijke wijze de belangstelling kenbaar gemaakt, die het hart heeft in de aard van de zegening en wat Jahweh alles voor het hart is, waardoor het zo aangetrokken wordt. Hij is licht en bescherming. Hij geeft genade en eer. En Hij zal het goede niet onthouden aan hen, die in oprechtheid voor Hem wandelen. Als de psalmist eraan denkt wie Jahweh is vat hij zijn gedachten samen in deze uitroep: “HEERE van de legermachten, welzalig de mens die op U vertrouwt”.
Het is heerlijk om telkens weer de heiligen uit het diepst van hun hart Jahweh, hun Verbondsgod te horen prijzen, omdat de weg tot Zijn tegenwoordigheid, hoewel door moeiten heen, geopend is. Psalm 63 gaf uiting aan de vreugde in God in de woestijn, waar zij niets hadden dan Hem – het ware karakter van Eén die de diepte en de zoetheid van de zegening van de ander uitmaakt. Psalm 84 geeft uitdrukking aan de vreugde in God als men gebracht is, of op de weg is, naar het genot van Hem in het midden van alles wat Zijn tegenwoordigheid omringt. De volgende Psalm gaat over de zegening van het land en het verloste volk. In de psalmen die daarop volgen vinden we Christus Zelf, voorzover Hij verbonden is met het volk, echter met het oog op de verbondsbetrekking die er bestaat tussen Jahweh en Zijn volk.
Psalm 85-87
Lange tijd heb ik getwijfeld over de juiste betekenis van deze psalm. Ik heb mij afgevraagd of het eerste gedeelte betrekking heeft op de uiterlijke verlossing en op de genade, die daarin aan de dag treedt, en het tweede gedeelte op het doen ingaan van het volk in de zegen daarvan door het herstel van hun eigen zielen; dan wel dat wij, zoals wij dat al vaak vonden, eerst de uitdrukking vinden van het grote resultaat, als het onderwerp van de psalm, en vervolgens de beschrijving van het lijden van het overblijfsel en van de Goddelijke handelingen, die tot dit resultaat leiden. In ieder geval zal de nationale verlossing gevolgd worden door een herstellend werk in de zielen van het volk. Ook nu wil ik er mij niet op stellige wijze over uitspreken. In het algemeen ben ik geneigd te denken, dat de gelovige Israëlieten de vreugde van de Goddelijke gunst zoeken die er tussen hen en God zijn zal, als zij verlost zullen zijn van al hun vijanden, en juist deze verlossing hun getoond heeft, dat zij vergeving hebben ontvangen.
De eerste drie verzen leggen dus dit fundament, dat God Zijn land gunst betoond heeft en dat Hij de gevangenschap van Jakob gewend heeft. Dat is de grote algemeen bekende waarheid. Maar vers 5 laat ons zien, dat het herstelde volk nog een andere zegen nodig heeft, in de werkelijkheid van hun eigen gemeenschap met God: “Breng ons terug, o God van ons heil!” Jahweh was inderdaad de God van hun heil, maar zij hadden behoefte aan Zijn zegeningen in het midden van het land. Zij wensten dat Zijn volk zich in Hem verheugde. Hoe dikwijls is dat het geval met iemand die weet, dat hij vergeving heeft ontvangen. Hij wacht op de barmhartigheid en de redding van Jahweh en, weer hersteld tot Hem, luistert hij om te weten wat Elohim Jahweh (God, de HEERE, vers 9) zal zeggen; want zij rekenen op barmhartigheid. Hij zal van vrede spreken tot Zijn volk (hun openlijk karakter) en Zijn gunstgenoten (het overblijfsel, dat de vrede zal moeten genieten). Het geloof heeft dus volkomen zekerheid dat het heil van de HEERE nabij is voor hen die Hem vrezen, opdat Zijn heerlijkheid in het land kan wonen.
De laatste verzen bezingen op een merkwaardige wijze de Goddelijke beginselen, waarnaar de zegeningen dan gevestigd zullen worden. Goedertierenheid en waarheid hebben elkaar ontmoet. Zijn beloften, die altijd waarachtig zijn, zijn nu vervuld door Zijn barmhartigheid. We moeten erop letten, dat in de Psalmen de barmhartigheid altijd vooraf gaat aan de gerechtigheid en waarheid. Israël had immers, door de Heer te verwerpen, alle recht op de belofte verloren, was volkomen schuldig, bezat geen gerechtigheid waarop het steunen kon, was besloten onder het ongeloof, opdat ook zij de voorwerpen van alleen maar barmhartigheid zouden zijn. Maar op grond van het werk van Christus zullen die beloften nu vervuld worden en zullen de goedertierenheid en de waarheid elkaar ontmoeten. En er is nog meer. Jahweh is door genade de gerechtigheid van het overblijfsel en daardoor betekent deze gerechtigheid voor hen vrede. Dat wat in het oordeel hun ondergang geweest zou zijn is door genade hun vrede – gerechtigheid en vrede kussen elkaar.
Ik hoef niet te zeggen hoe waar deze grote beginselen zijn voor iedere zondaar, wie hij ook zijn mag, en dan met het oog op betere en hemelse zegeningen; hier gaat het over aardse. “Trouw komt op uit de aarde” (vers 12) betekent: de volle vrucht en de volledige uitwerking van de waarheid en trouw van God zullen op aarde gezien worden in heerlijke zegeningen. Maar deze zegeningen zijn beslist niet het gevolg van een gerechtigheid, die de mens hier op een wettische wijze tot stand gebracht heeft. De gerechtigheid zal van de hemel neerzien. Het is de gerechtigheid van God – Jahweh is hun gerechtigheid. En daardoor is ze onveranderlijk vast. Jahweh zal het goede geven en het land zal gezegend zijn. Gerechtigheid kenmerkt de weg van zegening voor Jahweh, en Hemzelf in het land – Zijn eigen land natuurlijk. Zo zal Zijn regering gekenmerkt zijn. Een koning zal regeren in gerechtigheid – er zal geen onderdrukking meer zijn. Het recht zal niet langer achterwaarts geweken zijn en de waarheid zal niet meer struikelen op de straat, zoals Jesaja 59:14 zegt; het recht is teruggekeerd en de regering draagt het karakter van waarheid en recht. “En de vrucht van de gerechtigheid zal vrede zijn, en de uitwerking van de gerechtigheid: rust en veiligheid tot in eeuwigheid” (Jesaja 32:17). Dit laatste zal zeker praktisch zo zijn, maar het is het gevolg van het feit, dat de gerechtigheid van de hemel heeft neergezien, ja, van haar vestiging op aarde. Vergelijk Psalm 72:1-7, waar wij de beschrijving van deze toestand vinden.
Psalm 86. Deze Psalm is het ootmoedige, maar toch vertrouwende en vertrouwelijke gebed van een ziel, die zich bewust is van zijn godvrezende gevoelens tegenover Jahweh en die uitziet naar de gevolgen van zijn verbinding met Hem. Vanaf Psalm 84 lezen we steeds van Jahweh, omdat het overblijfsel zich weer in verbondsbetrekking voelt, hoewel het wacht op de volle zegen in het land. Het bevindt zich nog in verdrukking, want het volk is nog niet herleefd, noch in hun verbondszegeningen in het land gezet.
In deze Psalm vinden we drie gebeden. In vers 1: “Neig Uw oor, verhoor mij!” De biddende vraagt om de genadige attentie van Jahweh, opdat Hij luistert naar het gebed van de smekeling. In vers 6 vraagt hij acht te geven op de stem van zijn smekingen; dat betekent, hij verwacht dat zijn gebed verhoord zal worden. Ten derde vraagt hij in vers 11 of Jahweh hem wil onderwijzen in de weg van de waarheid. Vervolgens erkent de gelovige Jahweh’s goedertierenheden in de vreselijke strijd van het overblijfsel. Maar hij wacht nog op Zijn tussenkomst voor hem, opdat zij die hem haten beschaamd worden, doordat Jahweh hem geholpen en getroost heeft.
Hoe heerlijk komt in de toestand van het overblijfsel, evenals in de geschiedenis van Job, de grote strijd uit tussen de macht van satan en de Goddelijke verlossing! Maar in deze strijd erkent de godvrezende ziel, hoe diep hij ook neergedrukt wordt, dat Jahweh de bron van alles is, hoewel zijn voeten bijna mogen uitglijden, door het zien op de voorspoed van de goddelozen! Het is niet een Psalm van beklag of bitterheid van ziel, maar van iemand die weliswaar arm en behoeftig is, maar die toch de troost van Jahweh’s goedheid heeft ondervonden.
Laten we letten op het verschil tussen de namen van God: Heer (Adonai) en Jahweh (HEER). Die laatste naam is de verbondsnaam, die God in eeuwige trouw tegenover Israël aangenomen heeft. Adonai is de naam van een, die de macht genomen heeft en die in de verhouding van “heer” staat tegenover degene die tot hem roept. Daarom erkennen wij, dat Christus in deze plaats van “heer” is voor ons “onze Heer Jezus Christus”. Met de Joden zal dit ook zo zijn, hoewel zij Hem niet volkomen als zodanig erkennen voor zij Hem zien. Deze Adonai is Elohim (God, vers 12). Dood en menselijke macht stonden voor de gedachten van de gelovigen, maar zij hadden tot ondersteuning de troost van een Jahweh die zij kenden. Zij hadden bevrijding gevonden, maar deze was nog niet volledig in zegening.
Deze Psalm stelt ons dus voornamelijk voor: het godvrezende gebed, dat het overblijfsel van Israël na zijn terugkeer in het land tot Jahweh opzendt. En in het algemeen kan men zeggen, dat hier de uiting is van gevoelens in een toestand, waarin ook Christus volkomen ingegaan is, hoewel het niet rechtstreeks op Christus toegepast kan worden.
In Psalm 87 wordt Sion beschouwd als gegrond door God, een stad die fundamenten heeft. De mensen hebben steden en zijn er trots op; maar God heeft een stad, die Hij grondvestte op de heilige bergen. Zelfs hier is geen sprake van Jozef, of van de rijkdommen van de natuur: de rijkdom van Sion is Godzelf – zijn plaats de bergen van de heiligheid, dat wat aan Godzelf was toegewijd.
In de kracht van de Geest hoeven de gelovigen, als zij op alle beroemde steden van de aarde zien, zich niet te schamen over Sion; wat van haar gezegd wordt zijn heerlijke dingen. Egypte en Babel hebben zich tevergeefs beroemd, zo ook Filistea, Tyrus en Ethiopië, die allen hun tijd hebben gehad. De gelovigen kunnen over deze plaatsen spreken zonder angst voor een vergelijking. Sion wordt gerekend als de geboorteplaats van de Man van God; de geboorteplaats van de geliefden van Jahweh. De Allerhoogste heeft haar bevestigd. Als Jahweh de volken zal opschrijven, dan zal Hij rekenen, dat “deze man” daar geboren is. Vreugde en lofzangen worden daar gevonden en al de frisse fonteinen van Jahweh. Ik heb weinig twijfel, dat de uitdrukking “deze” (vers 6) op Christus slaat. Sion beroemt zich op zijn helden. De woorden “die en die” (vers 5) duiden grote mannen aan en niet de armen en ellendigen. Ze zijn de kinderen van hen die vroeger verlaten waren. Vergelijk Jesaja 49:21-22.
Psalm 88
Psalm 88 geeft aan, hoe het overblijfsel lijdt onder het diepe en verschrikkelijke gevoel dat de wet verbroken is, en dat de brandende en rechtvaardige toorngloed van God, komt over hen die dit gedaan hebben. Er is nu geen sprake van lijden door uiterlijke omstandigheden of door onderdrukking van vijanden, maar van iets oneindig diepers tussen de ziel en God. Hoewel het overblijfsel door de oordelen van God diep vernederd is en een diep gevoel van eigen nietigheid heeft gekregen – en zo gaat het altijd als God op zo’n wijze met de mens handelt, want wat kan een mens dan doen, als hij al zou willen helpen – toch is dit maar een deel van de droefheid, gezien als de volle uitdrukking van Gods toorn. De eigenlijke last van deze Psalm is de dood en de toorn van God; de verschrikkingen van God drukken op de ziel. Ook is er geen spoor van vertroosting of van vooruitzicht op verlossing, zoals bij vijandelijke onderdrukking, hoe gering deze lichtstraal ook geweest zou zijn voor het geloof.
De Psalm eindigt met ellende. Alles gaat over wat er plaatsvindt tussen de ziel en God. En zo moet men God leren kennen, voordat men de genade kan leren kennen. Israël, onder de wet, moet tot het gevoel komen, dat de Goddelijke toorn op hen rust vanwege hun verbreking van de wet. Dit is juist, het is noodzakelijk.
Maar merk op, het is toch een God, met wie zij in verbinding staan. Zij zijn teruggebracht in het land, dichter bij God en daardoor tot het bewustzijn gebracht van wat hun verdiende positie is in verband met die verbinding. Het is belangrijk daarop te letten, zowel wat Israël als onszelf betreft. Want iemand kan inderdaad in algemene zin een God van verlossing kennen, zonder dat het geweten werkelijk ontwaakt is en de Goddelijke toorn heeft leren kennen en hiervan bevrijd is.
“Jahweh, God van mijn heil” is het adres van deze psalm. Dit geeft hem zijn ware betekenis en waar karakter, en maakt hem daardoor tegelijk des te verschrikkelijker. Weliswaar kent men niet de volle zegen van vrijheid in genade, maar men weet toch genoeg van de verbinding met de God van de verlossing – men kent Hem Zelf genoeg – om het ontberen van Zijn gunst en het gevoel van Zijn toorn de verschrikkelijkste zaak te vinden die er bestaat.
Bij de Joden onder de wet mogen de omstandigheden, waarin zij zich bevinden, en de regering van God ten opzichte van hen, nog meer overeenstemmen met wat hier beschreven is, omdat hun verbinding met Jahweh juist met deze dingen in verband staat. Toch is de brandende toorn van Jahweh de grote en verschrikkelijke last; en deze verschrikkingen van de Almachtige, of juister gezegd van Jahweh, die de geest verteren, zijn het onderwerp van deze Psalm – het gevoel dat het overblijfsel, onder een gebroken wet, in die dagen zal hebben van Gods toorn. Zij waren van hun jeugd aan bedrukt geweest en op het punt te sterven (vers 16). Dit was inderdaad hun toestand als verjaagden. Nu, hersteld en in zoverre opnieuw met Jahweh, de God van hun heil, in verbinding gekomen, moeten zij de volle diepte van hun zedelijke toestand voor Jahweh, en Zijn toorn die zij verdiend hebben, voelen. Zonder dit konden zij niet werkelijk hersteld worden en langs rechtmatige weg de zegeningen ontvangen. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat de gelovigen onder de toorn zullen moeten blijven. Daarom vinden we ook geloof en hoop in deze psalm, hoewel er van troost niets te bespeuren valt. Want deze droefheid komt over de gelovigen, nadat barmhartigheid is bewezen en zij die hebben leren kennen. Pas dan, als zij door deze barmhartigheid in hun verbinding tot God zijn teruggekeerd, kunnen zij er de waarde van voelen. Zoals Job pas zichzelf leerde kennen en inzag wat voor mens hij was toen hij Jahweh Zelf zag, toen de kwestie van aanneming en rechtvaardiging behandeld werd.
De toorn zal niet op de getrouwen blijven, omdat Christus de ware beker van de toorn heeft uitgedronken. Maar toch is het nodig, dat zij deze toorn begrijpen als mensen die onder de wet zijn, want zij waren onder de wet geweest en hadden toen aanspraak op gerechtigheid gemaakt – tenminste was deze kwestie hun nog niet duidelijk geworden. Ik hoef eigenlijk niet te zeggen hoe werkelijk Christus in deze toestand inging, in het laatst van Zijn leven. Het is het grote feit van Zijn geschiedenis.
We moeten erop letten, zelfs ten opzichte van het directe onderwerp van de psalm, dat de verschrikkingen niet altijd op de lijdende gedrukt hebben. Zijn leven was bedrukt en doodbrakende (dat is stervende) geweest;37 maar nu voelt hij zich als verworpen, en vriend en metgezel, die hij vroeger heeft gehad, zijn door de hand van God ver van hem verwijderd. Zo was het ook met Christus. Zijn discipelen konden toen niet met Hem volharden in Zijn verzoekingen. Hij geeft getuigenis van hen, dat zij het tot dan toe gedaan hadden; maar nu zouden zij gezift worden als de tarwe en de besten onder hen zouden Hem verlaten en verloochenen. Dit was het deel van onze Heiland: met dit verschil echter tussen Hem en het overblijfsel dat Hij niet gespaard bleef en niet verlost werd, maar de beker werkelijk dronk, waardoor zij aan de dood, waarvoor zij bang zijn, zullen ontkomen. Hun deel zal voor hen een geduchte les zijn, opdat zij gerechtigheid en verlossing leren kennen, maar de beker van de toorn zullen zij niet drinken. Zij worden verhoord en verlost op de aarde. Stelt deze Psalm ons dus de toorn onder de wet voor, in de volgende vinden we de barmhartigheid en de gunst in Christus, hoewel nog niet als tegenwoordig bezit, maar als de belofte gegeven. De verlossing zelf zal in het volgende boek komen door de volle en algemene openbaring van Jahweh-Messias voor de wereld en de sabbat van Israël.
Psalm 89
We hebben gezien, dat Psalm 88 Israël voorstelt (schuldig aan ontrouw tegenover Jahweh) in Zijn tegenwoordigheid en onder Zijn toorn. Het voelt deze toorn maar heeft niettemin geloof in Jahweh Zelf. Dit is de plaats die Christus vooral heeft ingenomen, natuurlijk voor anderen, en wel hoofdzakelijk voor Israël, maar toch niet alleen voor dit volk. Psalm 89 houdt zich bezig met de andere zijde van Jahweh’s verhouding tot Israël. Niet met Zijn verhouding tot het zich onder de wet bevindende volk Israël, maar met die verbinding, die gekenmerkt wordt door Jahweh’s beloften aan David. Niet de zonde wordt op de voorgrond gesteld, hoewel in beide gevallen natuurlijk de zonde de oorzaak was van de toestand waarover gesproken wordt. Het gaat hier over Gods toorn en niet over heil, redding. Want Jahweh was Israëls Verlosser geweest, en zo zag het geloof Hem nog. Maar toch had Hij Israël verlaten in plaats van de belofte, aan David gedaan, te vervullen. Er is geen spoor van schuldbelijdenis. In Psalm 88 klaagt het overblijfsel over de dood en de toorn, waaronder het leed. Deze Psalm (89) toont aan, dat toen de barmhartigheid voor altijd opgebouwd zou worden, het verbond tenietgedaan is en de kroon ontheiligd (vers 40).
Jesaja 40-58 zijn pogingen om Israël te overtuigen, dat het schuldig staat. 1e. tegenover Jahweh doordat het afgoden heeft (40-48); 2e. dat het Christus heeft verworpen (49-58). Hier lezen we echter van de klacht van Israël tegen Jahweh Zelf. Dit is geen klacht om Hem verwijten te maken, want dat zou zonde zijn, maar als een beroep op Hem gegrond op wat Hij voor Israël geweest is. En, zoals we gezien hebben, is Jahweh hier bezig deze verbindingen te vestigen. Israël is Israël en is in het land (Psalm 85). De heidenen zijn er – alles is nog niet hersteld; het laatste bondgenootschap wordt gezien, maar het is tegen Israël. God is in de vergadering van de machtigen, waar Hij in het midden van de goden oordeelt (Psalm 82). Jahweh herinnert Zich Zijn vorige goedertierenheid (Psalm 81:11-17). Men denkt terug aan de ark en er wordt van God gesproken als van Degene, die tussen de cherubs woont, zoals eertijds in de woestijn (Psalm 80). Kortom, het hele boek stelt ons de toestand van een volk voor, dat hersteld is in het land, maar dat aangevallen en verstrooid wordt; en de tempel, die weer opgebouwd was, is afgebroken en verwoest (Psalm 74-76; 79).
Het is niet uitsluitend een Joods overblijfsel, dat klaagt over de antichristelijke boosheid van mensen, met wie het uiterlijk verenigd is, of door wie het verjaagd is, maar het is het volk Israël (vertegenwoordigd door het overblijfsel), dat omringd is door vijanden, die alles verwoesten wat dat volk dierbaar is. Maar het wordt bemoedigd door profetieën, die wijzen naar de uiteindelijke verlossing, en onderwezen in de onbeperkte genade, die door de belofte aan David tot hen komt, terwijl ze als volk gefaald hebben (Psalm 88 en 89). Het is een volk dat opziet tot God (Elohim; als zodanig in tegenstelling met de mens), die tot de Allerhoogste roept, maar met gebed tot Jahweh terugkeert als een volk, dat Hem toebehoort sinds de uittocht uit Egypte, en Hem smeekt dat Zijn hand over de Zoon des mensen mag zijn, de wijnstok, die Hij Zich gesterkt heeft 38.
Nogmaals, dit gehele boek beschouwt Israël als een volk, dat werkelijk in het land is, een tempel heeft, en door geloof de verbondsbetrekking met Jahweh erkent, maar dat onderworpen is aan de verwoestende invallen van vijandelijke machten, van de Assyriër en zijn bondgenoten, tot wie het volk zich wendt om hun overwinningen (Psalm 73:10, want Jesaja 10:5-23 is nog niet vervuld. Vergelijk Jesaja 18, vooral de verzen 5-7).
Nu, deze laatste twee Psalmen van het boek laten wel goed uitkomen hoe zwaar de druk is, die door de omstandigheden op de geest van de getrouwen wordt uitgeoefend. In plaats van een gezegend volk vinden we een alleenstaand volk, dat zich onder de toorn van God bevindt. Toch is Jahweh de God van hun heil. De troon is neergeworpen en ontheiligd, hoewel aan David de onveranderlijke beloften in genade gedaan waren, dat zij niet verworpen zouden worden vanwege fouten. Het resultaat van die beloften vinden we in het volgende boek in de openbaring van Jahweh, het komen van de eniggeboren Zoon in de wereld.
In dit gehele boek zijn wij op het gebied van de profetie, die betrekking heeft op Israël. Het stelt ons niet de bijzondere positie voor, waarin het Joodse overblijfsel zich zal bevinden tegenover de antichrist; een toestand, waarin het gekomen is door de verwerping van Christus. Vandaar dat hun lijden veel meer uitkomt als er over die toestand gesproken wordt. Dat hebben we gehad in het eerste en tweede boek. Vandaar ook, dat wij in de volgende boeken zullen zien, dat de getrouwen Jahweh erkennen als hun toevlucht en burcht van eeuwen her, van geslacht tot geslacht. Het is hun geschiedenis, die eindigt bij de verschijning van Jahweh-Messias in heerlijkheid.
Voordat we verder gaan, wil ik hier nog enige opmerkingen maken over de details van Psalm 89. Zijn onderwerp is de goedertierenheid van Jahweh, Zijn onverdiende gunstbewijzen aan Israël, hun onveranderlijkheid – de gewisse weldadigheden van David (Jesaja 55:3; Handelingen 13:34). Er was geloof om te zeggen: “tot in eeuwigheid”, want het was genade. Daarom steeg het gebed, waarop wij elders opmerkzaam maakten, tot God op: “Tot hoe lang, Heer, zal het anders zijn?” Maar Jahweh is getrouw. Hij beschaamt het geloof niet dat gezegd heeft: de aan ons bewezen genade en goedertierenheid zal tot in eeuwigheid blijven. En getrouwheid was daar gevestigd (in de hemel) waar niets haar kan aantasten. En zo zal het zijn als satan uit de hemel geworpen is. Het is de ware beschrijving van het duizendjarig rijk.
Dan vertelt de psalmist over het verbond, dat oorspronkelijk met David gesloten is. Dat verbond is de uitdrukking van Gods goedertierenheid, en van datgene waaraan Jahweh getrouw moest zijn – de gewisse weldadigheden van David. Dan, in de verzen 6-19 begint hij opnieuw de lof van Jahweh te verkondigen, terwijl hij aan de verlossing uit de dienstbaarheid van Egypte herinnert, en eraan denkt, dat het prijzen van Jahweh vanzelf voortkomt uit datgene wat Hij is, en uit de zegeningen van het volk, dat het geklank (de jubelschal) kent. De hele dag zullen zij zich in Zijn Naam verblijden en verhoogd worden door Zijn gerechtigheid, want wij bevinden ons hier op de bodem van de genade. Hij is de heerlijkheid van hun kracht en door Zijn gunst zal hun hoorn verhoogd worden.
Dat karakter draagt de zegen die gevonden wordt in de verhouding met Jahweh in gunst. Maar die zegen wordt gevonden in de getrouwe goedertierenheid tegenover David. En waarin wordt deze gevonden? Daarin, dat Jahweh, de Kodesch (heilige) Israëls, hun Koning zal zijn (vers 19). Maar God had gesproken van een Chésed (welbeminde), waarin alle chasdee (meervoud van chésed), alle weldadigheden, zouden verenigd worden en tegenover wie Jahweh een onveranderlijke trouw zou tonen – de gewisse weldadigheden Davids. De psalmist komt hier terug op het verbond, dat met David gesloten was, en toont duidelijk aan, dat het onveranderlijk is (verzen 35-38). Maar als men naar de omstandigheden keek bleek er niets van. Er was echter, gegrond op de belofte, geloof aanwezig om te vragen: “Hoe lang nog, Jahweh?” Als Hij Zijn aangezicht eeuwig verbergt en als Zijn grimmigheid brandt als een vuur, wie is dan de mens, die de dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden uit de macht van het graf? (vers 49).
De getrouwe doet een beroep op de vroeger bewezen goedertierenheden aan David, voor zover die aan David met een eed beloofd waren (vers 36). Maar ongetwijfeld zijn ze vanaf vers 51 van toepassing op alle getrouwen. Maar de Geest van Christus treedt hierin, zoals Hij het ook bij de toorn van God gedaan heeft, om de hele werkelijkheid van de last op Zich te nemen. Natuurlijk zal Hij in die dag geen lijden ondervinden. Maar Hij heeft die dag van lijden vooruit gevoeld, opdat Zijn Geest, als met Zijn stem in Zijn volk kon spreken. Want de smaad van de machtigen en afvalligen zal in die dag de voetstappen van Gods Gezalfde smaden. En als de getrouwen in Zijn voetstappen wandelen, zullen zij deel hebben aan de smaad van de vijanden van Jahweh.
Dat zal dus hun positie zijn: ze wandelen in de voetstappen van de Heer, verwachten de zegeningen van het verbond met Israël, terwijl zij, maar in het geloof, de toorn voelen waaronder ze zijn, maar uitziende naar de beloften door God in genade aan David gedaan (beloften die al louter genade waren, aangezien de ark van het verbond weggenomen en Israël Ikabod was geworden), en nu uitziende naar het antwoord. Dit vinden we in het volgende boek.
Zoals ik al gezegd heb zijn we hier in profetische tijden, temidden van tonelen die ons door Jesaja beschreven worden: de Assyriër in het land en een verwoeste tempel. De goddelozen zijn er ook; het volk als massa gaat met hen samen, omdat ze voorspoed hebben. Als we deze omstandigheden in het boek Daniël willen zoeken, moeten we in het achtste en niet in het zevende hoofdstuk zijn. Niet het beest of de antichrist, maar het land staat op de voorgrond. Het gaat niet over een verworpen Christus, maar over een schuldig Israël en over de beloften.
Met deze Psalm eindigt het derde boek.
Vierde boek van de Psalmen
Het vierde boek onderscheidt zich niet zo bepaald van het derde, als de drie vorige zich van elkaar onderscheiden en speciaal het derde van de eerste twee, omdat het derde, hoewel het op profetische wijze de zegeningen aankondigt, een staat van zaken beschrijft, die een vrije en volkomen loop laat aan de verwachting van de Goddelijke tussenkomst om de zegeningen aan te brengen. Het eerste boek gaf de grote grondbeginselen van het standpunt van het Joodse overblijfsel in verband met de geschiedenis van Christus; in het tweede worden ze gezien als verdreven uit Jeruzalem; het derde vermeldt de toestand van Israël als volk hersteld in hun land; het vierde, zoals ik gezegd heb, voltooit het schilderij door de komst van de Messias. Dit verbindt het volk en Christus met elkaar en eveneens het volk met Jahweh. Het boek begint dus met de voorstelling van de verbinding van het volk met Jahweh, Wiens terugkomst men verwacht, en die tenslotte Israël zegent, opdat Zijn welbehagen op hen rusten zal. De tweede Psalm van het boek laat de verbinding zien van het volk met Christus als mens in deze wereld; de derde (Psalm 92) bezingt op profetische wijze het grote resultaat, waarvan de volle ontwikkeling ons in Psalm 93-100 getoond wordt. Dan volgen er enige uiterst belangrijke bijzonderheden over Christus, Psalm 101 en 102; terwijl het algemene resultaat, in zoverre het de wegen van Jahweh met Israël en de wereld openbaart, in de lofzangen van Psalm 103 en 104 behandeld wordt. De wegen van Jahweh vanaf het begin, en de handelingen van Israël tegenover Hem, worden in Psalm 105-106 gevonden, waarmee het boek besloten wordt.
Psalm 90-92
De eerste Psalm van het boek, Psalm 90, plaatst het volk – dat wil zeggen het gelovige, godvrezende gedeelte – op de bodem van geloof in Jahweh, en drukt hun begeerte uit om door Zijn hand verlost en gezegend te worden. Allereerst erkent de gelovige Israëliet, dat Jahweh van geslacht tot geslacht de toevlucht van Israël is geweest, zijn burcht en zijn verberging. Vervolgens, dat Hij God is van eeuwigheid, voordat de wereld voortgebracht was, dat Hij de mens doet keren en terugkeren, zoals het Hem goeddunkt, en dat er voor Hem geen tijd is. Nu was Israël vergaan door Zijn toorn. Maar dat is niet alles. Hoewel Zijn macht grenzeloos is, gebruikt Hij die niet op willekeurige wijze. Zijn regering is een ware en heilige zedelijke regering; en de getrouwen doen oprechte belijdenis, niet alleen van hun bekende zonden, maar ook van die heilige regering van God, die zelfs de geheime zonden in het licht van Zijn aangezicht blootlegt; want, gezegend zij Zijn Naam, zo doet Hij! Hun dagen gingen voorbij door Zijn toorn; zij vragen dat de hoogmoed van hun harten zo gebroken wordt dat het hun gegeven wordt aan hun zwakheid en sterfelijkheid te denken, zodat zij ontdaan zijn van de zelfvoldoening die onze arme harten zo eigen is, en dat hun hart zich toelegt op de wijsheid, de vreze van God. Dat de mens zo op zijn plaats wordt gesteld, en God op de Zijne, in verband met een geloof als Israël heeft in Jahweh, is vol onderwijs met betrekking tot de zedelijke positie die het overblijfsel in die dag past, en die in beginsel onveranderlijk is.
Men verwacht dus de terugkomst van Jahweh om te verlossen, en dit met de woorden van het geloof: “Tot hoe lang?” En wat Zijn dienstknechten aangaat, zij vragen dat Zijn verlossing verschijnt, evenals de verdrukking van Hem gekomen is; dat het welbehagen van de Heer op hen mag rusten en dat hun werk door Hem bevestigd wordt. Dit is het ware geloof, maar van de verbinding met de Allerhoogste God in Zijn heilige regering op aarde. En als dit zo is, dan is Jahweh de God van Israël.
Psalm 91. Hier wordt een ander zeer nuttig beginsel besproken: door Zich met Israël te verbinden, door Zich te plaatsen in de plaats van vertrouwen in Jahweh, werd de Messias het kanaal, dat de volle zegeningen over het volk zou brengen. Drie namen van Elohim (God) worden ons in deze Psalm voorgesteld; die door welke Hij in verbinding stond met Abraham, de naam van Almachtige; vervolgens die waarvan Abraham op profetische wijze kennis kan hebben gehad door het getuigenis van Melchizédek, namelijk de titel van Elohim in het duizendjarige rijk, wanneer Hij Zijn gehele recht over de gehele aarde geldend maakt (vergelijk Genesis 14:18-20), de naam van Allerhoogste. Die twee namen hebben, evenals al de namen van God, hun eigen betekenis – de een herinnert aan Zijn volkomen macht; de ander aan Zijn volstrekte opperheerschappij. Dan doet zich de vraag voor: wie is de God, die deze plaats heeft? Wie is de Allerhoogste, opperste Heerser, over alles wat op de aarde bestaat? Wie zal de geheime schuilplaats van Zijn woning vinden om er te vernachten? Hij die zich daar verborgen zal hebben, zal er geheel bevestigd zijn door almachtige kracht. De Messias, (Jezus) antwoordt: “Ik zal de God van Israël, Jahweh Zelf, tot een toevlucht nemen”. De verzen 3-8 geven ons het antwoord, dat Hij ontvangt. Ongetwijfeld zijn deze dingen waar van elke gelovige Israëliet, en al de getrouwen worden hier gezien, maar geleid door de Geest van Jezus, de enige volmaakt ware Getrouwe, die deze plaats werkelijk heeft ingenomen. Ik geloof, dat in vers 9 Israël spreekt, dat wil zeggen, de Geest die Israël verpersoonlijkt, spreekt tot de Messias: Omdat u Jahweh, die mijn toevlucht is, de Allerhoogste, tot uw woning gesteld hebt, zal Zijn almacht u bewaren. Dit gaat door tot vers 13. In vers 14 spreekt Jahweh Zelf van de Messias (Jezus) als van Degene, die Hem zeer bemint. De vorm van deze Psalm is zeer opmerkelijk. De Geest van God Zelf stelt ons voor dit probleem. Hij die de schuilplaats van de Allerhoogste (de titel van God in het duizendjarig rijk) vindt, zal de volle zegening genieten van de God van Abraham, de Almachtige. De Messias zegt: “Ik neem Jahweh de God van Israël tot mijn toevlucht”. Het antwoord is, dat, omdat Hij dat gedaan heeft, Hij de gezegende gevolgen daarvan genieten zal (verzen 3-8). In vers 9 spreekt Israël en verklaart door de Geest, dat Hij, de Messias, de zegeningen zal genieten. In vers 14 zet Jahweh Zijn zegel op dit alles, en Hij, die het grote raadsel van God oplost, zal de volle zegening ontvangen van Jahweh, die Hij liefheeft en Wiens naam Hij had gekend als Jahweh, de God van Israël. In dit opzicht is deze Psalm zeer belangrijk.
Wij moeten echter opmerken, dat alles – het karakter van God in alle opzichten – hier gezien wordt op de aarde. De vraag, hoe Christus voor de tijd dat Hij op aarde was afstand heeft kunnen doen van Zijn uit het voorgaande voortvloeiende recht van bevrijding, om de plaats in te nemen van volkomen gehoorzaamheid, door een onbepaald vertrouwen in Zijn Vader te stellen, behoort tot een dieper inzicht in de raadsbesluiten van God en in de weg van de Veelgeliefde Zelf. Satan wilde juist gebruikmaken van wat hier gezegd is, om Hem van de weg van de gehoorzaamheid af te trekken, en Hem in de weg van wantrouwen en eigenwil te brengen. Maar, God zij geloofd! het was tevergeefs, zoals we weten. De gewisse weldadigheden Davids zouden gegeven worden in een gehoorzame en uit de doden opgewekte Mens – (dit punt wordt later behandeld in een Psalm van onvergelijkelijke schoonheid) – en grotere zegeningen en hogere heerlijkheid moesten zo aangebracht worden. Maar Hij, die dit volmaakte pad van gehoorzaamheid bewandeld heeft, heeft toch al de vrucht van wat hier gevonden wordt, tot het zekere deel gemaakt van degenen, die na Hem in deze positie van vertrouwen in Jahweh op aarde zullen wandelen. Dit beginsel vinden we onder verschillende vormen door het hele boek van de Psalmen. Inderdaad, het verzoeningswerk van Christus dat Zijn persoonlijke afstand van die zegeningen in zich sloot, was noodzakelijk, opdat anderen die weg zouden kunnen volgen, in welke natuurlijk Hij alleen persoonlijk heeft kunnen wandelen zonder die zegeningen. We vinden in Psalm 21 een Goddelijke openbaring in verbinding met de wijze, waarop de belofte van het leven voor de Heer vervuld werd.
Psalm 92 gebruikt de twee namen van God, HEER (Jahweh) en Allerhoogste; maar er is geen sprake meer van een geheime schuilplaats die alleen door de getrouwheid van het geloof gekend wordt. Almachtige kracht verzekert de zegeningen, en beantwoordt het geloof; verzen 8-9 laten ons zien hoe dit gebeurt. Wat gezongen wordt is hier niet de oefening van het geloof onder de tucht, maar het antwoord, dat op het geloof gegeven wordt, dat aantoont (vers 16), dat Jahweh recht is, en dat in het geheel geen onrecht in Hem is.
De Psalmen 90, 91 en 92 behoren bij elkaar, als een inleiding in het grote onderwerp, waarmee de daaropvolgende Psalmen zich bezighouden, namelijk dat Jahweh regeert. Gods macht was al ontvouwd, en nu wachtte men haar eindresultaat in het oordeel van al de vijanden en in een voortdurende zegening, niet maar als een hoop, maar als een zekere verwachting, gegrond op de geopenbaarde tussenkomst van God. Deze dingen worden gesproken vanuit de positie die de Messias in de voorgaande Psalm had ingenomen, waar Hij in de Geest vereenzelvigd was met Israël in de laatste dagen, door de Goddelijke kracht hersteld, maar nog niet in het volle en vreedzame genot van de Goddelijke zegeningen, zoals wij in het derde boek gezien hebben. De Messias neemt dus de leiding van de lofzangen en ziet Zijn hoorn verhoogd als die van een eenhoorn. Vergelijk Psalm 75:10-11. Maar de gedachten van Jahweh zijn dieper. Hij ziet van ver; Hij ziet zelfs het einde vanaf het begin, en Hij volbrengt Zijn woord en al Zijn plannen. Dat moet het geloof altijd onthouden.
Psalm 93-100
Psalm 93 kondigt de grote en gelukkige gevolgen van de eindelijke tussenkomst van God in kracht aan. Jahweh regeert. Zeker, Zijn troon was van alle eeuwigheid bevestigd; maar de grote wateren hadden hun stem verheven; de golven van de goddeloze mensen waren hoog opgerezen. Maar Jahweh in de hoogte was machtiger dan zij allen. Twee andere beginselen voltooien dit korte, maar merkwaardige overzicht van de gehele geschiedenis van Gods regering ten opzichte van de mens. “De getuigenissen van Jahweh zijn zeer getrouw”. Wat er ook gebeurt, het geloof kan erop rekenen. Maar bovendien vloeit hier een andere, grote waarheid betreffende Gods karakter uit voort: er kan geen vrede zijn voor de goddelozen! Heiligheid is vereist voor het huis van God. Maar ik denk, dat deze laatste zin de heiligheid beschrijft die voor het huis van God betaamt gedurende het nieuwe tijdperk, dat ingevoerd wordt op het tijdstip waarvan deze Psalmen spreken en met het oog waarop de aarde is bevestigd.
Nu komen de bijzonderheden van de komst van de eniggeboren Zoon in de wereld, om er de heerlijkheid en de orde van God te vestigen – een komst, ingeleid door het geroep van het overblijfsel van Israël.
Psalm 94 geeft ons dit geroep van de getrouwen, dat tegelijkertijd de uitdrukking is van het volkomen inzicht in hun positie, in de wegen van God, in de positie van de goddelozen en in de uitkomst die spoedig zal volgen; en dit is in deze psalm, zoals in al de andere van dit boek, gegrond op de gekende verbinding met Jahweh. We hebben gezien dat Christus in Psalm 91 die plaats met het volk inneemt, opdat de volle zegeningen over het volk, als zo verbonden met Hem, zouden kunnen komen. Psalm 94 wendt zich tot Jahweh als tot de God van de wraak, en smeekt Hem te verschijnen, Zich te verheffen als Rechter van de aarde, en vergelding te brengen over de hovaardigen. Het “tot hoe lang?” wordt aanhoudend en dringend; het gedrag en de goddeloosheid van de bozen worden ten toon gesteld. Vers 8-11 zijn gericht tot de ongelovige Israëlieten over de dwaasheid van hun gedrag. Vers 12-15 bevatten een zeer leerzame uitleg van de wegen van God. “Welzalig de man die U bestraft, HEERE, en die U onderwijst uit Uw wet”. Dit is de positie van het lijdende overblijfsel, om het rust te geven van de kwade dagen, totdat de kuil voor de goddeloze gegraven wordt.
Ongetwijfeld hadden de getrouwen (zoals de Psalmen bewijzen) deze kostbare waarheid soms bijna vergeten (zie Psalm 73); hoewel niet altijd (zie Psalm 27:5). Maar het geloof vergeet die niet; en dit is het ware doel van de verdrukkingen van het overblijfsel, en ook van de onze onder de leiding van onze Vader. Het hart, dat zich temidden van het kwaad bevindt, heeft met God te doen, niet alleen in onderwerping, maar wetende, dat de beker die hem gereikt wordt van Jahweh (van onze Vader) komt. Zo nemen de verwarring en de droefheid, die wij ondervinden, zolang de eigen wil niet gebroken is en wij menen het met mensen te doen te hebben, zonder dat er een uitweg overblijft, een einde. Als de eigen wil (dat grote struikelblok) onderworpen is, onderwijst God het nederige en overgegeven hart, dat dan in de juiste positie voor Hem is 39.
Voor het geloof is het overigens een uitgemaakte zaak, dat God Zijn volk nooit begeven zal; maar het oordeel zal zich met de gerechtigheid verenigen, en allen die oprecht van hart zijn, zullen het navolgen. Dit is het grote beginsel, het hoofdbeginsel van de verandering, die plaats vindt in de tijd, waarvan onze Psalmen spreken. Het oordeel, lange tijd gescheiden van de gerechtigheid, keert van nu af aan tot haar terug. Het oordeel werd bij Pilatus, de gerechtigheid bij Christus gevonden. Daar was de tegenstelling volkomen; overal elders is zij dit meer of minder. Te lijden voor de gerechtigheid, en een Goddelijke gerechtigheid gevestigd in de hemelen te hebben, is zeer zeker een nog beter deel. Het is het deel van Christus als mens, nu verheerlijkt; maar het is niet de handhaving van gerechtigheid op aarde. Dit laatste zal voortaan op een daadwerkelijke wijze gehandhaafd worden.
Maar wie zal dit ten uitvoer brengen? Wie zal zich belasten met de zaak van de getrouwen, of opstaan voor het overblijfsel tegen de machtige werkers van de ongerechtigheid? Als Jahweh het niet gedaan had, dan zouden hun zielen spoedig in de stilte zijn neergedaald (vers 17). Ik hoef nauwelijks op te merken, hoe waar dit was van Christus, ten opzichte van de mensen, en hoe Hij daarom ten volle ingaan kan in de positie, die ons hier is voorgesteld en de gedachten en de gevoelens van het overblijfsel kan begrijpen. Zelfs toen het overblijfsel bijna was uitgegleden, heeft Jahweh het ondersteund. En onder de overweldigende last van de gedachten, waar al de macht van het kwaad was, hebben Jahweh’s vertroostingen hun ziel verkwikt.
Het 20ste vers stelt ons een zeer merkwaardige vraag voor:
Zou de stoel van de goddelozen zich verbinden met de stoel van Jahweh? Zo niet, dan zijn de dagen van de stoel van de goddelozen geteld. Dat er goddeloosheid was, was openbaar. Maar Jahweh, de toevlucht van de vromen, de Rechter van de goddelozen, wier boosheid Hij op henzelf zal doen terugkeren, – Jahweh zal hen verdelgen. Zoals ik al heb gezegd, geeft deze Psalm ons op een merkwaardige wijze het volledigste overzicht van de gehele toestand en van de wegen van God.
In de Psalmen 95-100 vinden we op zeer duidelijke wijze de voortgang van de inbrenging van de eniggeboren Zoon in de wereld; hier wordt Hij echter steeds gezien als Jahweh, die van de hemel komt om te oordelen, en aan het einde Zijn plaats inneemt tussen de cherubijnen, en de wereld uitnodigt Hem daar te aanbidden. Dit vormt een sterke tegenstelling tussen de herstelling van Israël in de zegeningen door middel van Gods macht en zijn vroegere val, nadat het voor de eerste maal verlost was.
Psalm 95 roept Israël op om tot Jahweh te komen met vrolijke gezangen, met lofzangen en dankzeggingen. Hij beschrijft in verzen 3-4 Gods grootheid als Schepper en Zijn verhevenheid boven alle goden. Maar Jahweh is Degene, die Israël gemaakt heeft, en ook zijn God; en Israël kan nu de rust verwachten, zelfs na zo’n lange tijd en na zo herhaald falen. Totdat Gods macht tussenbeide treedt om het oordeel uit te oefenen, terwijl er gezegd wordt: “heden” (want in dat grote “morgen” zal God evenmin het kwade als de weerspannigheid toelaten), wordt het volk vermaand om zijn hart niet te verharden, zoals eertijds in de woestijn, toen God gezworen had “dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan”. Maar nu zegt de genade, na alles wat er gebeurd is: “heden!” – en zij nodigt hen uit om in Zijn tegenwoordigheid te komen, tot Hem, die de Rotssteen van hun heil is.
Psalm 96 roept de hele aarde op om tot Jahweh te komen, in de geest van het eeuwig evangelie. Zij moeten Hem erkennen; de goden van de volken zijn niets dan ijdelheid! In Psalm 95 wordt de uitnodiging gericht aan hen die tot de gemeenschap behoren: “Kom, laten wij vrolijk zingen voor de HEERE, … laten wij ons neerbuigen en knielen”. Hier wordt het gezegd tot degenen die ver weg zijn; Jahweh en Zijn eer moet verteld worden onder de heidenen (vers 3). Jahweh is de Schepper (vers 5), en Zijn grootheid wordt vermeld; maar het is in het heiligdom, in Israël op aarde, dat Hij gekend wordt (verzen 7-8). De volken worden opnieuw uitgenodigd om Hem daar te erkennen, om Hem te aanbidden overeenkomstig de orde van Zijn huis op aarde; want Jahweh regeert, en de wereld wordt bevestigd, en Hij zal de volken richten in alle gerechtigheid. Dit geeft aanleiding tot een uitnodiging aan al het geschapene om zich te verheugen in een koor van lofgezangen voor het aangezicht van Jahweh, die komt om de aarde in gerechtigheid te richten, en Zijn volk met waarheid; want Israël heeft de plaats van de belofte en de openbaring van Zijn wegen.
Psalm 97 bezingt de komst van Jahweh. Hij heeft Zijn grote macht en Zijn heerschappij aanvaard. Dat de aarde en de vele eilanden zich nu verblijden! Wolken en donkerheid zijn rondom Hem; want het is niet de openbaring van Zichzelf, maar van Zijn oordelen in kracht. Gerechtigheid en gericht kenmerken altijd Zijn troon; het vuur van het oordeel gaat voor Hem aan en verteert al Zijn vijanden. Jahweh, de Heer van de hele aarde, treedt uit Zijn woonplaats. De hemelen (want op de aarde is er niemand om dit te doen), verkondigen Zijn gerechtigheid met macht, en de volken zien Zijn heerlijkheid. Vervolgens wordt de uitwerking van het oordeel vermeld: de dienst van de afgoden wordt beschaamd gemaakt voor het aangezicht van Jahweh; en alle machten, alle heerschappijen, te beginnen met de engelen, zullen Hem voortaan moeten erkennen.
Maar een ander feit doet zich voor, namelijk vreugde en verlossing voor Sion. Het oordeel van het kwaad was haar verlossing, want het was de roemrijke verheffing van Jahweh, haar God. 40 In verzen 10-12 zien we de gezegende voorwerpen van die verlossing, het getrouwe overblijfsel. Het licht is voor de rechtvaardige gezaaid en vrolijkheid voor de oprechten van hart. De gehele Psalm is een volledige voorstelling van het karakter en de komst van de Heer op aarde.
In Psalm 98 roemt Israël op aarde het resultaat van die persoonlijke tussenkomst. Jahweh heeft Zijn heil doen kennen, en Hij is gedachtig geweest aan Zijn goedertierenheid en aan Zijn waarheid tegenover Israël. Het gehele land, of de gehele aarde, wordt opgeroepen om Jahweh als koning te eren. Hier is die uitnodiging niet tot de hemelen gericht, zoals in Psalm 96; die zijn reeds vervuld met Zijn heerlijkheid, en de engelen zijn al geroepen om Hem te aanbidden. Maar de zee met al haar volheid, de wereld en degenen die daarin wonen, moeten zich verblijden voor het aangezicht van Jahweh, die komt om de aarde en de gehele wereld te oordelen.
Psalm 99, hoewel zeer eenvoudig in karakter, bevat toch enkele belangrijke beginselen. Jahweh regeert nu; niet alleen hierin, dat Hij hemelse macht openbaart, maar daarin, dat Hij die macht op aarde vestigt als Koning. Hij zit tussen de cherubim, als eertijds, in Israël. Hij is groot in Sion en hoog verheven boven alle volken. Ik geloof, dat dit woord volken (Hammim) niet gebruikt wordt als “Gojim” (98:2 en vaak elders) in tegenstelling met Israël en de kennis van Jahweh, maar om de volken aan te duiden, die niet van Israël zijn, en toch met Israël en daarom met Jahweh in verbinding staan, Israël wordt “Gojim” genoemd (Psalm 43), als het geoordeeld en verworpen wordt. Bovendien heeft de Koning (de Messias, maar toch Jahweh) het recht lief; Hij heeft billijkheden bevestigd en recht en gerechtigheid gedaan in Jakob. Daarom moest Jahweh, de God van Jakob, hoog verheven worden en dat in Jeruzalem.
Maar dan komt een ander treffend en belangrijk beginsel. Israël had volkomen gefaald; het had Jahweh verstoten, de Messias verworpen, en was daarom veroordeeld en verjaagd. Maar Jahweh had nooit Zijn trouw en Zijn genade laten varen. Daarom keert de Geest ook terug tot het verleden om de heiligen onder het oude verbond te erkennen, die door genade getrouw waren geweest 41.
“Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters, Samuel onder wie Zijn Naam aanriepen”; de ware profeten zonder ambt, wat ook de mate van hun trouw was; allen hebben zij Jahweh aangeroepen, en Jahweh verhoorde hen. Er was tussen hen en Hem de gemeenschap van het geloof. Jahweh antwoordde hun, maar Hij regeerde over Zijn volk, wraak doende over hun daden. Evenzo zal het zijn aan het einde: “Die de naam van Jahweh zal aanroepen, zal behouden worden”, maar even zeker zullen de daden van hen, die Hem zullen aanroepen, gestraft worden. Dit zijn de twee zijden van al Gods wegen: genade en een opmerkzaam oor voor het geroep van de behoeftigen en ellendigen, en een heilige en waarachtige regering. Zo is het ook met ons; alleen zijn wij onder de tucht van de Vader (Die echter God is), nadat we verlost zijn en het kindschap ontvangen hebben. Het herstelde Israël is zo vereenzelvigd met het getrouwe Israël van vroegere dagen. Het kind van Boaz en Ruth, is een zoon aan Naomi geboren. Men kent Mara niet meer.
Psalm 100 is een algemene opwekking om Jahweh te aanbidden met blijdschap en vrolijk gezang. Jahweh is goed. Het vijfde vers geeft in beginsel die grote waarheid, die al zo vaak als grondslag van Israëls verwachting is gegeven: “Zijn goedertierenheid is voor eeuwig” – wat hun oorzaak gaf om te vragen: “Tot hoe lang?”
De uitdrukking “gij ganse aarde” 42 duidt het gehele Israëlitische land of de gehele aarde aan; het recht, waarop Israël aanspraak maakt, om het volk van Jahweh en de schapen van Zijn weide te zijn, schijnt zich tot de gehele aarde uit te strekken. Echter ben ik zeer geneigd om te denken, dat hier eenvoudig sprake is van “het gehele land van Israël”.
Hiermee sluit de merkwaardige reeks psalmen, die de komst van Jahweh (Christus) beschrijven om gerechtigheid en gericht uit te oefenen op aarde en Zijn troon te vestigen in Israël.
Psalm 101-102
Psalm 101 stelt dan nog de beginselen vast volgens welke de Koning zijn huis en het land zal regeren, wanneer Hij het koninkrijk in de naam van Jahweh zal aanvaarden.
Zoals we gezien hebben, begon deze reeks met Psalm 93, die als het ware het onderwerp aangeeft: “Jahweh regeert!” We vinden daar de woede en het verzet van de mensen, het allerhoogste gezag van Jahweh, en de heiligheid die Zijn huis betaamt. Psalm 94 leidt de volgende Psalmen in, met het geroep van het overblijfsel, als het kwaad nog op de troon is. Psalm 95 een oproep aan Israël in de laatste dagen. Psalm 96 een oproep aan de volken, omdat Jahweh komt om de aarde te oordelen. Psalm 97 stelt ons Jahweh voor op Zijn weg om het oordeel uit te oefenen. In Psalm 98 heeft Hij het oordeel op de aarde uitgeoefend en gedacht aan Israël. In Psalm 99 heeft Jahweh Zijn troon op aarde in Sion ingenomen: In Psalm 100 wordt Israël erkend als Jahweh’s volk, maar het wordt opgeroepen Hem te aanbidden. Toch is de tempel in Jeruzalem een huis van gebed voor de gehele aarde. In verbinding met Israël hebben nu goedertierenheid en waarheid elkaar ontmoet; goedertierenheid, omdat ze gezondigd hadden – waarheid, omdat God beloften gegeven had. Psalm 101 zegt, dat van goedertierenheid en recht gezongen kan worden, als de troon van Jahweh op aarde gevestigd is.
Psalm 102 is een van de merkwaardigste, misschien de merkwaardigste van de Psalmen, en stelt ons Christus op een bewonderenswaardige wijze voor. Vers 11 laat ons zien, wat de aanleiding van het gebed is, waarmee de Psalm begint. Christus wordt geheel en al als mens beschouwd, uitverkoren uit het volk en verheven om Messias te zijn, en nu wordt Hij, in plaats van het koninkrijk in bezit te kunnen nemen, verworpen en afgesneden 43. De tijd waarin wij zo teruggebracht worden is die, welke onmiddellijk aan het kruis voorafgaat, maar die, zoals we weten, vaak in de gedachten van de Heer vooruit gevoeld werd, zoals bijvoorbeeld in Johannes 12. Christus ziet op tot Jahweh, die Hem ter aarde had geworpen, die Hij tot de plaats van Messias had geroepen, maar die nu gramschap en toorn ondervindt. Het gaat hier veel verder dan lijden dat van de kant van mensen komt. Ongetwijfeld hadden mensen het Hem aangedaan, en Hij voelde dit; maar mensen zijn nu niet voor Zijn ogen in het oordeel; ook is het niet Zijn verzoeningswerk, hoewel wij hier datgene vinden, wat het teweegbracht, als we de gramschap en de toorn tenminste in hun volle openbaring op het kruis insluiten. Het is hier Christus Zelf, Zijn verwerping als mens. Hij is in benauwdheid; Zijn hart is geslagen. Hij is gelijk geworden aan een roerdomp van de woestijn; aan een steenuil in de wildernis, Zijn dagen zijn vergaan als een afgaande schaduw; Hij is verdord als gras. Dat was de toestand van de Messias aan Wie alle beloften toebehoorden. Maar Jahweh blijft tot in eeuwigheid; Zijn beloften zijn zeker. Hij zou opstaan en Zich over Sion ontfermen, want de bestemde tijd was gekomen.
Het gehele toneel, vanaf Christus’ komst op aarde tot en met de tijd van het overblijfsel in de laatste dagen, wordt als één geheel gezien. Als Sion hersteld zal zijn, zullen de heidenen de naam van Jahweh vrezen. Jahweh zal verschijnen, en als Hij Sion opbouwt, zal Hij het arme overblijfsel horen en verhoren, en zo Zijn naam in Sion en Zijn lof in Jeruzalem groot maken, als al de volken zich samen zullen vergaderen.
Maar waar zou de Messias dan zijn? Zijn kracht was vergaan op Zijn pelgrimsreis hier beneden; Zijn dagen waren verkort. Hij had geroepen tot Degene, die Hem kon verlossen, die Hem kon redden van de dood. Moest Sion hersteld worden en de Messias niet? Moest Hij, Hij alleen, geslagen en afgesneden blijven? Dan volgt het wonderbare en heerlijke antwoord: Hijzelf is de Schepper van hemel en aarde; Hij is altijd Dezelfde, Zijn jaren zullen niet eindigen, al de hemelen als een kleed zullen verslijten en als een gewaad zullen opgerold worden. De kinderen van Zijn knechten zullen blijven wonen en hun zaad (nageslacht) zal voor Zijn aangezicht bevestigd worden. De Christus, de verachte en verworpen Jezus, is Jahweh de Schepper. De Jahweh, van Wie wij gehoord hebben dat Hij komen zal, is de Christus die gekomen is. De Oude van dagen komt en het is Christus, hoewel Hij de Zoon des mensen is, Daniël 7:9-13. Deze tegenstelling tussen Christus’ grote vernedering en afzondering en Zijn Goddelijke natuur is onvergelijkelijk treffend.
Maar het gaat hier om het persoonlijke gevoel van Christus dat Hij verworpen is, en dat in verbinding met het overblijfsel, en niet om het voor mensen dragen in Zijn ziel van het oordeel over de zonde. Zie op het verschil in gevolgen hier in Psalm 22, hoewel het daar voorgestelde werk ook voor “het volk” noodzakelijk was, omdat zij anders nooit zouden kunnen worden bevrijd.
Psalm 103-106
Psalmen 103-104 stellen ons de resultaten (en het verbond) in genade en in verantwoordelijkheid van Israëls geschiedenis voor.
Psalm 103 is de stem van de Messias in Israël, die de lof van God verkondigt over Zijn wegen met Zijn volk. Psalm 104 geeft ons de lofzang van de Messias in de schepping. Psalm 105 beschrijft de wegen van God in genade tegenover Israël, van Abraham af tot op het ogenblik, dat Hij hun het land gaf, waarvan zij nu in vrede moeten genieten. In Psalm 106 worden de wegen van Israël van het begin tot het einde beleden. Maar de goedertierenheid van Jahweh wordt erkend, en de getrouwen hopen daarop, want zij blijft tot in eeuwigheid. De genade en gunst van God is het enige fundament, waarop de hoop, die tot gehoorzaamheid leidt, kan gebouwd worden. Dit besluit het boek.
Psalmen 103-104 vereisen enkele opmerkingen. Zonder twijfel leidt de Geest van Christus de lofzangen die wij er vinden, – want Zijn lofzang zal zijn van Jahweh in een grote gemeente. Maar het is in naam van geheel Israël, dat de Psalm uitgesproken is. Zij hebben vergiffenis en goedertierenheid door de lankmoedigheid en barmhartigheid van Jahweh. Wat de mens aangaat, zijn dagen zijn als het gras; en het volk is geweest als het gras, en is verdord (Jesaja 40:6-8). Maar de goedertierenheid van de Heer is van eeuwigheid over degenen die Hem vrezen, over degenen die aan Zijn bevelen denken om die te doen. Alles wordt dus aan de genade toegeschreven, en tegelijkertijd aan de getrouwheid, volgens de natuur en de naam van Jahweh; maar het is voor de gehoorzamen, voor het getrouwe overblijfsel. Nu erkende Jahweh hen in liefde en teder mededogen. Al hun zonden waren ver van hen weggedaan. De troon van Jahweh was bevestigd in de hemelen – het enige middel om de zegeningen te verzekeren! En nu heerste Zijn koninkrijk over alles. Er is niet alleen sprake van de rechten van Jahweh, maar Zijn koninkrijk is in feite gevestigd. Deze Psalm is de lofzang van Israël als gevolg van de tussenkomst van Jahweh, waarvan de vorige Psalmen ons gesproken hebben. Mattheüs 9:1-6 duidt Jezus aan als de Jahweh, die nu, aan het einde, geheel Israël genas (vers 3).
Hoe meer wij de Schrift leren kennen, des te meer treedt de waarheid, dat Christus, hoewel Hij de Zoon des mensen is, de Jahweh van het Oude Testament is, duidelijk en klaar aan het licht.
Psalm 104, die Jahweh als Schepper prijst, vereist zeer weinig opmerkingen. Hij houdt zich bijna uitsluitend met de aarde bezig. Jahweh is bekleed met de heerlijkheid van de hemel, die er in prachtige taal beschreven wordt; maar de aarde is het onderwerp. Zij wordt beschouwd als bestaande om de woonplaats van de mens te zijn, zoals zij ook is, maar onder de volstrekte afhankelijkheid van de vrijmachtige wil van Jahweh. Men bezingt niet de aarde, maar wel Jahweh, haar Schepper. Het is niet het paradijs, maar de aarde zoals wij die in de hand van de mens zien. Maar de Psalm ziet de zondaren als verdelgd van de aarde, zodat er geen goddelozen meer zijn. Dit geeft aan onze Psalm klaarblijkelijk een bijzonder karakter, en verbindt hem met het inbrengen van de Eerstgeborene in de wereld.
Psalm 105 brengt Jahweh dankzeggingen, en nodigt het zaad (nageslacht) van Abraham en van Jakob uit aan Hem te denken en zich in Zijn naam te beroemen. Vers 7-8 geven er ons de beweegredenen voor. Hij is Jahweh, hun God. Zijn oordelen zijn over de gehele aarde. En Hij heeft aan Zijn verbond gedacht tot in eeuwigheid. Dat verbond moest een eeuwig verbond zijn. Het was ingesteld tot in duizend geslachten, en nu heeft Hij eraan gedacht.
Dan volgt hoe God voor de vaderen gezorgd had en Egypte geoordeeld, om Zijn volk te verlossen; en ondanks de harde dienstbaarheid was er niet één zwakke onder hun stammen. “Hij heeft gedacht aan Zijn verbond tot in eeuwigheid, dat Hij met Abraham had gemaakt 44. En Hij voerde Zijn volk uit met vrolijkheid, Zijn uitverkorenen met gejuich, Hij gaf hun de landen der heidenen, opdat zij Zijn inzettingen onderhielden en Zijn wetten bewaarden”. Van al hun daarop gevolgde afdwalingen wordt met geen enkel woord gesproken. Want nu heeft Hij weer aan Zijn verbond met Abraham gedacht (vers 8), en Zijn volk verlost door oordelen. Want het is de vervulling van de belofte, en “de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk”. De volgende Psalm zal ons Israëls wegen vertellen, maar alleen om de goedertierenheid van God en Zijn nooit falende genade te doen uitkomen, want dat is het kostbare onderwerp van die psalm.
Psalm 106. “Halleluja! Loof de HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig”.
Deze uitdrukking van de onuitputtelijke en trouwe goedertierenheid van Jahweh, die Israëls veiligheid uitmaakt, hebben wij vaak aangetroffen. De Psalm beschrijft vervolgens het karakter van hen, die gezegend zijn, en vraagt, als door de mond van een getrouwe Israëliet in de laatste dagen, dat Jahweh aan hem zal denken, naar de goedertierenheid die Hij aan Zijn volk bewijst, met de begeerte overigens om het heil van de uitverkorenen van Jahweh te zien en zich in de vreugde van zijn volk te verblijden, en te roemen in zijn erfdeel. Het is de uitdrukking van een ware godsvrucht, die daarop de schuld van het volk belijdt – niet door te zeggen: zij hebben gezondigd, hoewel dat erkend wordt, om te laten zien dat de goedertierenheid van Jahweh ondanks dat voortgeduurd had; maar wij hebben gezondigd met onze vaderen. Het is praktische godsvrucht, die juist door haar eigen belijdenis bewijst, dat de goedertierenheid tot in eeuwigheid blijft.
De Psalm doorloopt vervolgens de gehele geschiedenis van Israël vanuit dit oogpunt beschouwd, en toont aan het eind aan dat Jahweh ondanks alles, omdat Hij aan Zijn verbond dacht, hun verdrukking heeft aanschouwd, en gemaakt heeft, dat de volken die het gevankelijk hebben weggevoerd, medelijden met hen hadden. Naar deze goedertierenheid van Jahweh ziet de getrouwe nu uit, opdat hij zich in Zijn lof zou beroemen. Dit besluit het vierde boek. Merk op dat het vierde boek, evenals het derde, van geheel Israël spreekt. En dat dit boek, hoewel het de vernedering van Christus, en Zijn eeuwige Godheid in tegenstelling daarmee, doet uitkomen, toch niet op bijzondere wijze in de omstandigheden van de Joden treedt, noch in de vereenzelviging van Christus met hen, hoewel Zijn Geest spreekt uit alles, wat wij daar vinden. Wel wordt ons in Psalm 94 de antichrist voorgesteld, maar alleen met het oog op zijn vernietiging door de komst van Messias de Koning, die komt als Jahweh, de Rechter.
Het vijfde boek
In het vijfde boek wordt het volk voorgesteld als in het land teruggebracht. Het geeft ons een algemeen overzicht van de wegen van God, met een soort van Goddelijke verklaring van die wegen. Het eindigt met lofzangen, zoals dit zeker met al de wegen van God zo zal zijn.
Psalm 107-110
Psalm 107 is een soort van opschrift of inleiding tot dat alles. Hij bezingt de goedertierenheid van God “die voor eeuwig is”. Dit is de heerlijke uitdrukking van het geloof in de onveranderlijke goedertierenheid van Jahweh, in alle eeuwen na de openbaring van de genade in Davids tijd. Het is speciaal het bijzondere deel van het herstelde Israël, die goedertierenheid te bezingen. De Psalm toont de beide delen van die verlossing, waarin de goedertierenheid zich geopenbaard heeft, tegenover degenen die er het voorwerp van geweest zijn. Zij zijn bevrijd van de hand van de vijand; zij zijn teruggebracht van het oosten, het westen, het noorden en het zuiden. Dit is het tweeledige karakter van de herstelling van Israël – zijn bevrijding in het land en de vergadering uit alle volken van alle landen. Maar het eigenlijke onderwerp van de Psalm is de goedertierenheid van Jahweh. Hij doorloopt de verschillende omstandigheden en verlossing van iedere aard (en dit als antwoord op het geroep uit de benauwdheid, geslaakt door de mens die door zijn dwaasheid in een treurige toestand is gebracht), met de wens, dat de mensen Jahweh voor Zijn goedertierenheid loven en Zijn wonderwerken voor de kinderen van de mensen verheffen. In Israël wordt er de volkomen openbaring van gevonden.
Vervolgens behandelt hij de kastijding, die de Joden na hun terugkomst in hun land treft, en laat de volkomen ondergang van de hoogmoed van de mensen zien, als gevolg daarvan. Jahweh stort verachting uit over de prinsen, maar brengt de behoeftige uit de verdrukking, en maakt hun huisgezinnen als kudden. Het grote resultaat van Gods regering wordt daarna aangeduid: de oprechten zien het en verblijden zich, en alle ongerechtigheid wordt de mond gestopt! Die wijs is en op die wegen van God let, zal de goedertierenheden van Jahweh verstaan. Wij moeten hier opmerken, hoe de goedertierenheid van God, hier in herinnering gebracht, uitsluitend in tijdelijke dingen geopenbaard wordt; het is niettemin Zijn goedertierenheid en lieflijk, maar het toont zeer duidelijk aan, op welk terrein deze onderwijzingen ons plaatsen.
Psalm 108 heeft een bijzonder karakter; hij is samengesteld uit het slot van de Psalmen 57 en 60, waarvan de eerste gedeelten de uitdrukking waren van het geroep uit de diepste ellende, en de laatste gedeelten het antwoord op dat geroep in geloof en hoop. Deze laatste gedeelten zijn hier samengebracht. Het eerste gedeelte van onze psalm, wat dus het einde is van Psalm 57, drukt de vaste verzekering van het godvruchtige hart uit, dat nu kan psalmzingen en zal prijzen onder de volken (Ammim) (die nu in betrekking staan met Israël) en onder de overige verschillende geslachten van de naties.
Maar al de gevolgen van Gods gunst zijn nog niet aan het licht gebracht, en hetzelfde geloof, dat Psalm 60 overneemt (waarvan het geroep uit de ellende weggelaten wordt), bezingt de tussenkomst van Hem, wiens goedertierenheid groot is boven de hemelen, om allen die nog gedeelten van het land van Israël in bezit hebben, te onderwerpen.
Het algemene karakter van de positie van Israël, in dit zowel als het voorgaande boek, is, dat het volk wel verlost en door God in het land hersteld is, maar nog niet beveiligd tegen iedere aanval, en nog niet in het bezit van het gehele beloofde land. Hoewel het volk dankzeggingen en lofzangen doet horen, omdat God tussenbeide is getreden, en de toestand van Israël veranderd is, voelt het toch behoefte aan hulp en veiligheid tegen nog niet verdelgde vijanden en aan de volle zegeningen van God in vrede. Alleen enkele van de laatste Psalmen zijn uitsluitend lofpsalmen, of liever, ze wekken tot lofzangen op. Deze toestand, waarin het volk verlost is, maar toch nog wacht op volkomen veiligheid, wordt uitgedrukt aan het eind van Psalm 107; en wat de volledige verlossing betreft, wordt het feit alleen vastgesteld.
Het verband tussen de twee delen van deze Psalm is niet zonder belang. Het eerste deel prijst Jahweh voor wat Hij in tegenstelling met de mensen is, zoals het hart Hem door het geloof kent. Zijn goedertierenheid is groot boven de hemelen, en Zijn waarheid tot aan de bovenste wolken – zoals altijd wordt de goedertierenheid het eerst vermeld, omdat zij de grond van alles is. Het tweede gedeelte begint met het uitspreken van de verwachting, dat Jahweh Zich als God boven de hemelen zal verheffen en Zijn eer over de hele aarde zal zijn. Hij moet zijn plaats als God innemen en Zijn Naam als God bevestigen, opdat Zijn beminden bevrijd worden. Het achtste vers geeft het antwoord van God, die de rechten van Israël in alle bijzonderheden, als Zijn eigen geldend maakt. Zo heeft Jahweh oorlog met de volken die het land bezitten, maar het is door Israël; en door de kracht van God zal het overblijfsel kloeke daden doen. Daarom wordt hier gezegd God, en niet Jahweh, omdat het niet gaat over de verbondsverhouding maar over wat Hij is in tegenstelling met de mens, wiens hulp tot verlossing volkomen ijdel is.
Psalm 109. Het is zeker, dat deze Psalm op Judas van toepassing is. Toch zullen we bij de lezing zien, dat hij niet uitsluitend op hem toegepast kan worden. Deze opmerking kan ons helpen begrijpen, op welke wijze de Psalmen geschreven zijn. We vinden in hen de algemene toestand van de heiligen in de laatste dagen, en dat zelfs op een wijze, die onmogelijk op Christus persoonlijk van toepassing kan zijn, zoals bijvoorbeeld Psalm 118:10,11. Er zijn plaatsen die op de rechtvaardigen in het algemeen betrekking hebben, en andere die toegepast kunnen worden, en sommige daarvan met profetisch doel en profetische nauwkeurigheid, op Christus persoonlijk en op de omstandigheden waarin Hij was. Als men de Psalmen leest, moet men dit alles voor de geest hebben, en de onderwijzing van God zoeken.
Ik heb gezegd, dat Psalm 109 niet uitsluitend op Judas van toepassing is. Er wordt voor het grootste gedeelte in het meervoud gesproken. De eerste vijf verzen spreken van de haat van de goddelozen, de aan Christus en het getrouwe overblijfsel vijandige Joden. Judas was een bijzonder voorbeeld van die goddeloze haat tegen Christus. Maar ik twijfel er helemaal niet aan, dat zelfs dit gedeelte van algemene toepassing is, en dat de oordelen waarom gesmeekt wordt algemene oordelen zijn, en dat men er geen profetische openbaring in moet zien, dat Judas’ vrouw of kinderen had of iets van die aard. Vers 20 bewijst ontegenzeggelijk het algemene karakter van de toepassing van de smekingen. Wij kunnen dus niet betwijfelen, dat onze geliefde Heer in die toestand van lijden was, maar evenmin dat Hij er alleen in genade in was, omdat Hij de plaats van het overblijfsel innam, en dat de Psalm dus slaat op het overblijfsel, dat soortgelijke verdrukkingen zal ondergaan. Vers 30-31 laten dit duidelijk zien. Toch is het zeker, dat Christus ten volle in dit alles ingegaan is (en dat is voor ons van grote betekenis), ja, dat het feit dat Hij er Zich in bevonden heeft, pas aan alles wat wij hier vinden haar ware karakter geeft.
Psalm 110 is zó duidelijk, dat hij ondanks zijn grote belangrijkheid geen uitgebreide uitleg nodig heeft. De verachte en behoeftige (Psalm 109:31) die als loon voor zijn liefde haat ontving, is Davids Heer en wordt geroepen om aan de rechterhand van Jahweh te zitten. Het is van grote betekenis te zien, hoe in Jesaja 6 de “Heer” (Adonai) in de volste zin Jahweh (HEERE) van de legermachten is; en in deze Psalm zit Hij, die ook Davids zoon is, aan de rechterhand van Jahweh (HEERE) en verslaat de koningen in de dag van Zijn toorn. Vergelijk Psalm 2. De gehele waarheid in verbinding met de gemeente, of van vereniging met Hem in de hemelen is weggelaten; en onze Psalm gaat van Zijn zitten aan Gods rechterhand, direct over tot het feit dat Hij de scepter van Zijn sterkte uit Sion zenden zal. Dit laat zien, hoe alles in deze Psalmen volstrekt joods is. Merken we verder op, dat deze Psalm het antwoord is op de verwerping van Christus op aarde. Het is niet Zijn komst uit de hemel om de antichrist te verdelgen. Hij heeft Sion al in bezit genomen, en vandaar gaat de scepter van Zijn sterkte uit. Dit alles beantwoordt volkomen aan de positie van het volk, zoals die ons in het gehele boek wordt voorgesteld: De Joden zijn wel hersteld, maar de regering van Israël of van Christus in Sion is nog niet gevestigd. Maar het volk is nu zeer gewillig op de dag van Zijn kracht (vergelijk Hooglied 6:12). Helaas! hoe anders was het in de tijd van Zijn vernedering! Psalm 109 beschreef dat. Maar hier hebben we de morgen van een nieuwe dag, waarin wij niet meer de vaders, maar de kinderen van de genade zien.
Vervolgens vinden we de onwankelbare eed van Jahweh, dat Christus als Hogepriester zal zitten op Zijn troon op aarde. Dit is tegelijkertijd een belofte en een profetie. Ook de dag van Zijn toorn wordt aangekondigd: Adonai, (Heer) die aan de rechterhand van Jahweh zit, heeft een komende dag van toorn – een dag waarop Zijn vijanden tot een voetbank van Zijn voeten zullen gesteld worden! Die dag is niet de dag van Zijn zitten aan de rechterhand van Jahweh; dat is de tijd van de genade, de welaangename dag. Christus is verhoord en verhoogd geworden, en Zijn werk onder de mensen is het resultaat van Zijn verzoening in genade. Maar daarna komt de tijd van toorn, de dag van de uitoefening van het beschreven oordeel.
Ik veronderstel, dat er in vers 6 sprake is van het hoofd van de macht op aarde, en niet van de antichrist, noch zelfs van het beest, want die worden verdelgd als Christus van de hemel komt. De mens die zich verheft wordt vernederd. Christus, die in nederige afhankelijkheid van Zijn Vader, dronk van de verfrissende wateren, die Hem volgens de wil van God op de weg gegeven werden, zal hoog verheven worden op de aarde. Deze Psalmen vormen het fundament van de gehele voorstelling.
De Psalmen die volgen, zijn als het ware een overzicht van de omstandigheden sinds de tijden van ouds, zowel als van die welke nog moeten komen, met overdenkingen daarover en lofzangen met het oog op de uitkomst daarvan. Psalm 111, 112 en 113 vormen één geheel, als een Hallelujah dat de wegen van Jahweh met Israël in het werk van Zijn verlossing bezingt.
Psalm 111-118
In Psalm 111 worden eerst de werken van Jahweh, die heerlijk zijn in zichzelf, geprezen. Hij heeft Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt door Zijn machtige tussenkomst in gerechtigheid; niettemin heeft Hij Zich vol mededogen betoond, en heeft ook aan Zijn verbond gedacht. Hij heeft Zijn volk de kracht van Zijn wonderen geopenbaard door het de erve der heidenen te geven; en wat meer is: Zijn werken zijn blijvend. Dat Hij Zijn volk verlossing gezonden heeft is de aanleiding om Hem te prijzen; het is de kennis van Zijn Naam! Waar Jahweh zo is, is Zijn vreze het beginsel van de wijsheid. Dat geeft ons een goed inzicht voor onze wandel. Het geloof weet dit, en de verschijning van de Heer in oordeel zal dit aan de wereld bewijzen.
Psalm 112, aan de andere kant, beschrijft het karakter van degenen, die Jahweh vrezen, alsook de zegeningen die hun deel zullen zijn, als de regering van God gevestigd is. Dit maakt duidelijk hoe onmogelijk het is om deze Psalmen toe te passen op de toestand van de gelovigen in onze dagen, hoewel de oefeningen van het geloof en van de godsvrucht vaak in beginsel hetzelfde zijn bij de heiligen van alle eeuwen. Toch is het door de verlossing van Israël, dat de Naam van Jahweh geopenbaard wordt (verzen 9-10).
In Psalm 113 is het onderwerp van de lofzang meer vol en algemeen, hoewel de oorzaak dezelfde is. De Naam van Jahweh zij geprezen, van nu aan tot in eeuwigheid. Van nu aan wordt Zijn lof verbreid over de gehele aarde; maar Hij die men zo prijst, is de God van Israël, die in de hemel woont, maar laag neerziet op de aarde, om hen die Hij liefheeft te verhogen, om ze te doen zitten bij prinsen van Zijn volk, en om hen, die zonder hoop waren, met blijdschap te vervullen in hun woningen.
Psalm 114 is in de meest verheven dichterlijke stijl geschreven. Hij is voor ons zeer belangrijk, omdat hij de vroegere verlossing van Israël, uit de dienstbaarheid van Egypte, rechtstreeks met de toekomstige verlossing van het volk verbindt, en omdat hij ons doet zien, dat dezelfde Jahweh in beide gevallen de aarde toeroept voor Zijn aangezicht, voor Zijn tegenwoordigheid, te beven. Dat was recht in de tijd van de verlossing van het huis van Jakob; de zee vluchtte en de Jordaan keerde achterwaarts. Wat was dat? Was het schrik voor de tegenwoordigheid van de mens? De aarde moet nu beven voor het aangezicht van Hem, die toen opstond om Zijn volk te verlossen, en die uit liefde tot dat volk, de zee veranderde in een droge plaats en de rotssteen in een waterfontein!
Psalm 115 toont ons de ware en volmaakte grondslag voor die verlossing als gezien door het gelovige hart. Het is niet opdat zij, maar opdat Jahweh geprezen wordt, vooral voor Zijn goedertierenheid en ook voor Zijn getrouwheid aan de belofte. De godvrezende, dat wil zeggen de Geest in hem, herinnert nu aan die kreet, die de bittere smart was waarvan in Joël 2:17 gesproken wordt, en die door Psalm 42-43 aangehaald wordt: “Waarom zouden de heidenvolken zeggen: Waar is toch hun God?” In dezelfde zin had Mozes gezegd: “De Egyptenaren zullen het horen, en wat zult Gij voor Uw grote Naam doen?” Wat een gezegende vrijmoedigheid van het geloof! Deze karaktertrek van het lijden laat zien, hoe het op het kruis en in Zijn laatste lijden was, dat Christus in deze soort van lijden kwam. Want de Joden richtten in werkelijkheid dezelfde woorden tot Hem, die wij hier lezen, terwijl zij dit vroeger nooit hadden kunnen doen. De gelovige Israëliet antwoordt: onze God is in de hemelen. Dan stelt hij zijn God tegenover de afgoden; en Israël, het huis van Aäron, en allen die Jahweh vrezen, worden opgewekt om op Hem te vertrouwen. Deze uitnodiging opent de deur voor allen uit de volken, die het aangezicht van Jakob zochten.
Verder herhaalt de Psalm, wat wij als de grondslag van deze Psalmen aangeduid hebben, dat Jahweh aan Israël gedacht heeft en hen wilde zegenen; zelfs hen meer en meer wilde vermeerderen, hen en hun kinderen. Zij waren de gezegenden van Jahweh, de Schepper van hemel en aarde. De hemelen waren van Hem, maar de aarde had Hij aan de mensen gegeven. Dat toont wel duidelijk, hoe hier sprake is van aardse zegeningen en van het aardse volk van Jahweh. Want God heeft aan ons de aarde niet gegeven; integendeel, Hij gaf ons het kruis op aarde, maar de hemel en de dingen die daar zijn als ons eigenlijk deel. Wij zoeken de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Eveneens, en dit is nog treffender, de doden zullen de Heer niet prijzen, maar wij, zegt de Geest in het overblijfsel, wij zullen Hem prijzen van nu aan (dat wil zeggen vanaf het ogenblik van de definitieve verlossing) en tot in eeuwigheid! Wij, christenen, zeggen: “Heen te gaan en met Christus te zijn … is verreweg het beste”.
Psalm 116 bezingt deze verlossing van de getrouwen, toen zij op het punt waren te sterven. Jahweh had hen verhoord en zij zouden voor het aangezicht van de Heer wandelen in het land van de levenden. Vanuit dit oogpunt is deze Psalm een voortgezet verhaal van de genade en goedheid van Jahweh tegenover de Israëlieten, die Hij geholpen had toen zij vernederd waren. Daarom hebben zij Hem lief. Zie in de verzen 5-6 het karakter van Jahweh: Hij bewaart de eenvoudige; de ziel, die zo smartelijk beproefd is geweest, kan tot haar rust terugkeren; de dood van Zijn gunstgenoten is kostbaar in Zijn ogen. En nu zal de getrouwe in de tegenwoordigheid van al zijn volk, in de voorhoven van het huis van Jahweh, in het midden van Jeruzalem, de geloften betalen die hij in zijn verdrukking beloofd had, toen hij Jahweh aanriep. Hij zal de offerande van dankzegging offeren. De aanhaling van deze Psalm door de Apostel (2 Korinthe 4:13) toont hoe deze Psalmen gebruikt kunnen worden, omdat ze heilige beginselen voor het leven van iedere gelovige bevatten. Ondanks het lijden en de verdrukking, opende het vertrouwen op Jahweh de mond van de getrouwe. Deze plaats kan niet toegepast worden op Paulus, en hij zei ook niet in zijn haasten, dat alle mensen leugenaars waren, hoewel er een gelijke klank te vinden is in zijn woorden: “allen zoeken het hunne”, maar hij neemt het algemene en belangrijke beginsel in deze woorden over. Het woord, vertaald door “haasten”, betekent niet “overhaasting” in de zin van een zedelijk gebrek, als te veel haast, maar veeleer “in mijn ellende”, en nog beter “in mijn verdrukking” of “in mijn plotselinge ontsteltenis”, namelijk door de uitwerking van de druk van de omstandigheden; een verschrikking, die maakt dat men haastig de vlucht neemt 45.
Psalm 117 is een uitnodiging aan de andere volken en natiën om te komen om Jahweh te prijzen, die voortaan Koning over de gehele aarde zal zijn. De volken stemmen in met de lofzang voor Jahweh en worden gelukkig in deze verbinding gebracht, omdat Jahweh Zich aan hen bekend gemaakt heeft door Zijn wegen met Israël. Als altijd komt de goedertierenheid in de eerste plaats en de waarheid blijft tot in eeuwigheid; geen struikeling van het volk maakt er een einde aan. Dit is de laatste van deze groep Psalmen, die met “Hallelujah” 46 eindigen.
In Psalm 118 vinden wij, hoewel niet op zo’n nadrukkelijke wijze, lof en dankzegging, als in Psalm 116 beloofd, verbonden met, of liever gegrond op, de welbekende woorden: “Zijn goedertierenheid is voor eeuwig”. Dezelfde personen, die in Psalm 115 opgewekt worden om op Jahweh te vertrouwen, worden nu uitgenodigd Hem te prijzen.
Vanaf vers 5 spreekt de Heilige Geest in de persoon van het verloste Israël, en Hij spreekt van de getrouwheid van Jahweh. Nu Jahweh aan hun zijde is, hoeven zij de mens niet meer te vrezen. Jahweh is meer dan de mens, beter dan de prinsen van de aarde, verzen 6-9.
De verzen 10-18 leggen de omstandigheden en de wegen bloot waardoor Israël gegaan was. Alle heidenen hadden hem omringd; in de Naam van Jahweh had hij ze verhouwen, zij zijn uitgeblust als een doornenvuur. De macht van de vijand had Israël zeer hard gestoten, opdat hij zou vallen, maar Jahweh had hem geholpen. In verzen 14-17 bezingen zij de uitkomst van deze tussenkomst in een lied van vreugde en gejuich. In vers 18 zien we hun moeilijkheden vanuit een ander oogpunt voorgesteld. Het waren ook kastijdingen van Jahweh, en Hij had hen wel hard gekastijd, maar niet overgegeven in de dood, die voor hen de macht van de vijand was.
Wij zien dus hier, wat eigenlijk het volle karakter van de beproeving is, zoals wij het ook bij Job kunnen zien: eerst de werktuigen, de mensen, zelfs al de volken; vervolgens de vijand, die door middel van hen handelt, en die op de geest werkt, door de ziel zeer hard te stoten; maar achter dit alles zien wij als oorzaak van alles wat gebeurt, God, die kastijdt, maar de Zijnen niet begeeft. Dit is vol onderwijs voor ons met het oog op veel omstandigheden waar we doorheen moeten, en waarin we al de genoemde elementen kunnen vinden.
Nu worden de poorten van de gerechtigheid voor Israël geopend. Deze plotselinge omkering als resultaat van de beproeving, is onvergelijkelijk schoon: “Ik zal ingaan en de Heer loven; dit is de poort van Jahweh, en de rechtvaardigen zullen door haar ingaan! Israël zal daar Zijn lof verkondigen, want Jahweh heeft hem verhoord en is hem tot heil geweest”.
Hier komt echter nog hogere en diepere waarheid aan het licht. Israël kan niet hersteld worden zonder de Messias, en Israël erkent nu als Messias Degene die hij vroeger verworpen had. “De steen die de bouwers verworpen hadden, is tot een hoeksteen geworden. Dit is door de HEERE geschied, het is wonderlijk in onze ogen!” (verzen 22-23). Deze uitdrukking “onze ogen” openbaart ons wie hier spreekt, hoewel men slechts één enkele stem hoort. Dit is de dag, die Jahweh gemaakt heeft; het is Zijn dag, de dag van de zegening van Zijn volk in verbinding met de Messias, en Zijn volk verblijdt zich in die dag. En nu roepen zij Hosanna tot de Zoon van David, de Jahweh van Israël, en zeggen: “Gezegend wie komt in de Naam van de HEERE” (verzen 24-26). Door het eigen onderwijs van de Heer weten we wie in deze Psalm spreekt, en op welke tijd ze betrekking heeft; want het huis zou hun woest gelaten worden, en zij zouden Hem niet weer zien totdat zij zouden zeggen: “Gezegend is Hij Die komt”. Het is dus Israël, dat is het overblijfsel, dat hier spreekt, en wel in de dag van hun bekering, onder de genade, als zij de Messias opnieuw zullen zien. Zij zegenen Hem, die uit het huis van Jahweh komt, Jahweh is “de God der sterkte”, Hij heeft Israël licht gegeven; en nu worden aanbidding en offeranden aangeboden aan Hem, die verlost en gezegend heeft. Nu zeggen zij: “U bent mijn God, daarom zal ik U loven”. De Psalm besluit met de welbekende uitdrukking van lof en dankbare erkenning van Israël: “Loof de HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig!” Met deze woorden is de Psalm ook begonnen. Geestelijk inzicht in de wegen van God, het komen van Israël om Jahweh in gerechtigheid te aanbidden en de erkenning als Messias, van de vroeger verachte en verworpen Jezus; dit alles wordt dus hier voorgesteld in verbinding met de verlossing en zegening van Israël en met de volmaakte openbaring van de natuur en het karakter van Jahweh. Verschillende verzen van deze Psalm worden aan het eind van het leven vol beproevingen van de Heiland aangehaald. Inderdaad wordt geen andere Psalm zo vaak in het Nieuwe Testament aangehaald, om zijn nauwe verbinding met het lijden van – en de beloften aan Israël aan te tonen.
Psalm 119
Psalm 119 stelt ons in het algemeen de wet voor, geschreven in het hart; en dit geeft hem een belangrijke plaats in de reeks van deze Psalmen. Hij staat ook duidelijk in verband met het lijden van Israël in de laatste dagen en met de vroegere afwijking van het volk van God. Iedere afdeling stelt, naar het mij lijkt, een andere fase voor van de oefeningen van het hart met de wet die in het hart geschreven is; hoewel het algemene beginsel hetzelfde is van het begin tot het einde. Ik zal in het kort de betekenis van de verschillende afdelingen aanstippen.
De eerste afdeling stelt ons natuurlijk het grote algemene beginsel voor. Het is de derde keer, dat wij in de Psalmen de algemene verklaring vinden: “Welzalig de mens” – een bewijs van de terugkeer van de ziel in verdrukking en ellende, tot de grote waarheid van Psalm 1, waar de gevolgen van praktische gerechtigheid, in verbinding met de wet van Jahweh gezien worden onder de onmiddellijke regering van God. In Psalm 32 wordt het geluk van de vergiffenis geroemd; hier bestaat het geluk dat men smaakt in het wandelen met God, wanneer men van zijn afdwalingen teruggekomen is, ondanks al de moeilijkheden en de verachting die men kan ontmoeten.
Wij hebben nog een andere bijzondere verklaring van welgelukzaligheid gehad aan het eind van het eerste boek, waarin Christus zo ten volle is ingevoerd. De laatste Psalm van dat eerste boek (Psalm 41), verklaart hem welgelukzalig die de positie van vernedering, die Christus hier op aarde innam, begrijpt en daarop acht slaat, hetzij er sprake is van Christus Zelf of van degenen, die in Zijn voetstappen wandelen. Want de eerste Psalm veronderstelt de welgelukzaligheid onder de regering van God, doordat Deze Zijn gehele wil ten opzichte van de rechtvaardigen vervulde, terwijl het tegenovergestelde waar scheen te zijn. Feitelijk heeft dit alles, zoals wij weten, voor de ogen van de mensen gefaald (terwijl een hemelse en Goddelijke gerechtigheid en verlossing aangebracht werd). Daarom bestaat de ware welgelukzaligheid in de onderscheiding en in het rechte verstaan van de positie, waarin die ware Gelukzalige, die werkelijk Verdrukte, was, als door de mensen verworpen. Hij die Zelf praktisch de plaats innam, die Hij als welgelukzalig beschrijft, zoals we dit zien in de bergrede, waarin de grote waarheid van de wet, geschreven in het hart, neergelegd is. Toch worden de omstandigheden waarin de rechtvaardige is ook in deze eerste afdeling genoemd door de woorden: “Verlaat mij niet geheel en al!”
In de tweede afdeling (verzen 9-16) verbindt het Woord de ziel met God. Niet alleen dat degene die het Woord bewaart welgelukzalig is, maar het Woord reinigt hem ook: het verlangen van zijn hart is bepaald op het Woord gericht. Let op het verband tussen Jahweh en Zijn Woord in verzen 10-11.
De derde afdeling (verzen 17-24) stelt ons de wijze voor, waarop degene die de wet in zijn hart bewaart, zich in de verdrukking op de goedertierenheid van God verlaat. De getrouwe Israëliet ziet op de wegen van Jahweh die vol goedheid zijn, maar opdat een oprechte gehoorzaamheid volgt (vers 18). Vers 19 beschrijft de toestand van de getrouwe; vers 21, zoals we al in dit gehele boek gezien hebben, de tussenkomst van Jahweh, die Zich al door de verlossing heeft doen kennen, hoewel nog niet in de volkomen zegening. Vers 22-23 tonen de verachting, waaronder het verdrukte overblijfsel zucht. In deze toestand is de wet van Jahweh hun vreugde en vertroosting.
In de vierde afdeling is de verdrukking meer inwendig. Zijn ziel kleeft aan het stof, maar hij verwacht de hulp van God, overeenkomstig het Woord. Hij begeert de uitwerking te ondervinden van dat levende water, dat van God komt. Hij is oprecht geweest voor God; hij heeft Hem zijn wegen bekend gemaakt. Zo is het altijd. Hij verlangt dat God alle kwade weg van hem afwendt; Hij heeft zich aan het Woord vastgehouden, en verwacht dat God hem niet zal beschamen. Maar hij vraagt ook, dat zijn hart verwijd mag worden, opdat hij vrij mag wandelen in de wegen van God. Dit is het zekere gevolg wanneer men onder de tucht van God is. Een ziel die behagen heeft geschept in de wil van God en in heiligheid, wenst nu in vrijheid te wandelen. Hoewel ook hier het Woord in het hart bewaard wordt, gaat het hier toch meer om een openlijk uitgedrukte wil van God, om Zijn geboden, zoals Zacharia en Elisabeth onberispelijk wandelden in al de geboden en inzettingen van de Heer – een zedelijk prachtige voorstelling van het overblijfsel. Bij de christen zal het meer absoluut en meer innerlijk zijn, meer heiligheid dan getuigenissen (hoewel het misschien daarmee begint), hetzij in zijn eerste beroeping door God, of later onder tucht. Het is voor hem wandelen in het licht, zoals God in het licht is, en niet naar “geboden en inzettingen van Jahweh”. In beginsel is het wezen hetzelfde. Maar om deze Psalm nu rechtstreeks op christenen toe te passen zou niets anders zijn dan de Goddelijke standaard van hun gedachten verlagen. Maar men kan op een zeer leerzame wijze van de natuur van de zedelijke oefening gebruik maken, waar onderwerping en vertrouwen in de beproeving altijd betamelijk en juist is, hoewel de vorm daarvan bij de jood altijd beneden die van de christen is. Vergelijk met de ervaringen van deze Psalm de Brief aan de Filippiërs, waar wij christelijke ervaring vinden.
De vijfde afdeling (verzen 33-40) drukt de wens uit om door God geleid en onderwezen te worden in Zijn wegen en in Zijn wet.
De zesde afdeling (verzen 41-48) smeekt duidelijke gunstbewijzen van God af op dit pad, opdat men moed zou hebben tegenover de tegenstanders, en opdat men de wet van God vasthoudt.
In de zevende (verzen 49-56) rekent de getrouwe, die door het Woord is levendgemaakt, op dit Woord, want God heeft er hem op doen vertrouwen als op Zijn Woord; zodat hij zich nu op al Gods toezeggingen verlaat! Temidden van de smarten en het verdriet, toen er uiterlijk niets verblijdends voor de menselijke natuur was, heeft het Woord zijn hart ondersteund. Dit brengt hem tot de achtste afdeling (verzen 57-64). Jahweh is zijn deel. Hij had Hem gezocht, zichzelf geoordeeld en zijn voeten gekeerd tot Jahweh’s getuigenissen. Hij bouwde op Hem, en wilde Hem loven in de verborgen nachtwaken, waar zijn hart aan zichzelf was overgelaten. Hij was de metgezel van hen, die Jahweh vreesden. Dit verlicht zijn gedachten en hij ziet overal Gods macht, die zich in goedertierenheden bewijst. Dit is een prachtige schildering van de oefeningen en gevoelens van het hart.
De negende afdeling (verzen 65-72) toont de omstandigheden, waarin de getrouwe zich op dat ogenblik bevindt. Als gevolg van de troost van het vorige gedeelte kan hij op deze omstandigheden zien met het oog en met de gedachte van God. In dit gedeelte van de Psalm komen de gevoelens, waartoe die omstandigheden aanleiding geven, veel meer voor ons. Jahweh had al gehandeld; Hij had Zijn dienstknecht al goed gedaan naar Zijn woord; en deze zoekt de onderwijzing van God om Zijn gedachte goed te verstaan. Hij was onder de tucht geweest; vóórdat hij verdrukt was, dwaalde hij. Maar nu wandelde hij naar de Geest en in het pad van de gehoorzaamheid. Hij ziet de hovaardigen leugens tegen hem bedenken, en hun hart is vet als smeer (zonder enige verbinding met Jahweh, noch in hun toestand, noch in de geest van gehoorzaamheid), en hij ziet hoe goed het is verdrukt te zijn geweest, opdat hij de inzettingen van Jahweh leerde. Niets kenmerkt meer de goede toestand van een ziel, dan haar terugkeer tot de wil van Jahweh – “Heer, wat wilt U dat ik doen zal?” – en haar als goed te zien beschouwen, alles wat meegewerkt heeft om haar tot die toestand te brengen; zij geeft aan de wil van God als autoriteit en zedelijk de plaats, die hem in het hart toekomt.
De tiende afdeling (verzen 73-80) bevat twee belangrijke gedachten. Jahweh is de Schepper van de gelovige; Hij is Degene die hem geformeerd heeft. Hij ziet tot Hem op, opdat Hij als een getrouw Schepper Zijn arm schepsel bestuurt. Zij die Jahweh vrezen zullen zich verblijden als zij Hem aanzien, omdat zij op Zijn Woord hopen. In de tweede plaats erkent hij, dat het uit getrouwheid is, dat Jahweh hem verdrukt heeft, en nu verwacht hij, dat Zijn barmhartigheden over hem zullen komen tot zijn vertroosting; dat de hovaardigen beschaamd zullen worden, en dat zij die Jahweh vrezen tot Hem zullen terugkeren. Dit alles staat in verband met de oprechtheid van het hart in de inzettingen van Jahweh.
In de elfde afdeling (verzen 81-88) wordt het geroep dringender. De gelovige is onder de druk van beproeving, en zijn ziel bezwijkt van verlangen naar de verlossing, hij wacht dat Jahweh het oordeel zal uitoefenen, want hij wandelt in Zijn inzettingen. De hovaardigen vervolgen hem zonder oorzaak; zij slaan geen acht op Jahweh noch op Zijn wet.
Maar de schepping – dit is de twaalfde afdeling van de Psalm (verzen 89-96) – geeft getuigenis aan de voortdurende getrouwheid van God: Zijn Woord bestaat tot in eeuwigheid in de hemelen, waar niets het aantasten of bewegen kan. Als niet Jahweh’s wet zijn hart gesterkt had, zou de gelovige onder de last van de verdrukking bezweken zijn. Hoe kostbaar is het het Woord te bezitten in zo’n wereld! Wij hebben meer dan geboden, maar wij kunnen zeggen: “Ik heb van alle volmaaktheid een eind gezien”. Een andere en meer bemoedigende gedachte rijst uit deze ervaringen van het hart op: “Ik ben de Uwe”.
In de dertiende afdeling (verzen 97-104) drukt de getrouwe het vermaak uit, dat hij inwendig heeft in de wet van Jahweh, en het voordeel dat hij ervan trekt in geestelijk inzicht.
In de veertiende afdeling (verzen 105-112) bestuurt de wet de gelovige op zijn weg. Verdrukt en gesmaad verwacht hij zijn vertroosting van Hem, Wiens getuigenissen hij zich tot een richtsnoer op zijn pad gesteld heeft, ondanks de tegenstanders en hun strikken.
De vijftiende afdeling (verzen 113-120) spreekt van de afschuw van de getrouwe van ijdele gedachten en hoe hij op God vertrouwt als zijn schuilplaats en zijn schild, terwijl hij de boosdoeners verwerpt. Hij rekent op de hulp van Jahweh, opdat hij niet beschaamd wordt over zijn hoop, en hij beschouwt met een plechtige vrees het zekere oordeel van de goddelozen. In de zestiende afdeling (verzen 121-128) dringt hij er nog sterker op aan, dat Jahweh tussenbeide komt ter verlossing. De wijze waarop de goddelozen Jahweh’s wet verbroken hebben, maakt dat hij zich er alleen maar vaster aan hecht. Het is nu tijd dat Jahweh handelt.
De afdelingen zeventien tot eenentwintig, die nu volgen, stellen de uitwerking aan het licht van die sterke gehechtheid aan de wet en de getuigenissen van Jahweh, en de waarde die de wet in alle opzichten voor het hart van het overblijfsel heeft. We vinden de verdrukking, waarin het nog was op dit pad van de gerechtigheid, en hoe het in de wegen van Jahweh wilde wandelen, als het verlost zou zijn, en de diepe smart die het voelt over de overtreding van de wet door de boosdoeners. Het vraagt om onderwezen, levendgemaakt en bewaard te worden; en het brengt het eeuwigdurende karakter van Gods getuigenissen in herinnering, zodat het er zich aan vasthoudt, hoewel verdrukt door de goddelozen.
De laatste afdeling (verzen 169-176) heeft als slot een algemeen karakter, hoewel het in dezelfde geest is als de andere. Het is, om zo te zeggen, de korte inhoud van de gehele Psalm. De getrouwe spreekt de wens uit, dat het geroep van de verdrukte, die zijn vermaak in de wet heeft, tot Jahweh komt; hij vraagt om verstandig te worden naar Zijn Woord, en ook om de verlossing naar dat Woord, en hij verklaart dat zijn lippen de lof van Jahweh zullen uitstorten, als Hij hem Zijn inzettingen zal hebben geleerd. Zijn tong zal van Zijn Woord spreken. Hij heeft het gevoel van de rechtvaardigheid van Zijn geboden, en hij verwacht dat Zijn hand hem te hulp zal komen, omdat hij Zijn bevelen verkozen heeft. Hij had verlangd naar het heil van Jahweh, want hij had zijn vertrouwen niet op de mens gesteld. De wet van Jahweh was al zijn vermaak geweest – niet zijn eigen wil, of de wegen van de voorspoedige mens. Hij vraagt om het leven, opdat hij de lof van Jahweh kan verkondigen, en dat Zijn oordelen hem mogen helpen, want de macht van de dood en het kwaad is vóór hem.
Tenslotte erkent hij dat hij gedwaald heeft als een verloren schaap, en vertrouwt op Jahweh, de Herder van Israël, om hem op te zoeken, want hij had Zijn geboden niet vergeten. Zo is de zedelijke toestand van Israël in de laatste dagen, wanneer het (naar ik geloof in zijn land teruggekeerd) de wet geschreven heeft in zijn hart, maar de volkomen verlossing en eindelijke zegeningen nog niet gekomen zijn. De Psalm is in feite de beschrijving van de innerlijke toestand van het hart van hen, die God vrezen, in de omstandigheden die ons profetisch in Psalm 118 voorgesteld zijn.
Wij komen nu tot de Psalmen 120-134, de liederen Hammaäloth die, zoals ik niet betwijfel, de uiterlijke omstandigheden beschrijven, van hetzelfde tijdperk waarvan de vorige Psalmen spraken, als Israël in het land zal zijn, maar de macht van Gog nog niet vernietigd is.
Psalm 120-134
Psalm 120 geeft ons het geroep van de getrouwe in zijn benauwdheid, tot Jahweh die hem hoort. Hier is de klacht vooral over de valsheid en het bedrog. Het oordeel daarover zal komen (vers 4). Maar er wordt niet gesproken over de verdrukking en het geweld tegen Jeruzalem uitgeoefend, en ook niet over de druk die het afvallige volk uitoefent. Het gaat over wat de getrouwe zelf aangedaan is. Zijn ongeluk is het in Mesech te wonen en bij de tenten van Kedar te verblijven. Het kwaad is in het hart van de onderdrukkers, en wanneer de getrouwe van vrede spreekt, bereiden zij zich tot de oorlog.
Het komt mij voor, dat deze Psalm niet handelt over de verdrukking, die in Jeruzalem door de antichrist of het beest uitgeoefend wordt, maar dat hij van toepassing is op hen die, terwijl zij in het land waren, zich daar bevonden waar de laatste vijandelijke macht, die geveinsd had hen te begunstigen 47 en er daardoor velen toe gebracht had om afvallig te worden omwille van rust en voorspoed, zich nu openbaart als een bedriegelijke verdrukker.
In Psalm 121 wordt de verzekering gegeven, dat Jahweh de Bewaarder van Israël is; Hij die niet sluimert, noch slaapt. “Hij zal uw voet niet laten wankelen.”
De algemene betekenis van deze Psalm is duidelijk; maar ik ben niet helemaal zeker van de betekenis van het eerste vers, tenzij men Jahweh, de Schepper van hemel en aarde, vereenzelvigt met de berg Sion 48 en de stad van de grote Koning. Maar hoe dit ook zij, het onderwerp van de Psalm is: Jahweh is de grote zekerheid van de getrouwen. Daarom wordt Zijn Naam zo vaak herhaald, en wel in het tweeledige karakter van de Schepper van de hemel en aarde en van Bewaarder van Israël, en vooral van de getrouwe. Jahweh zal hem in alle omstandigheden bewaren, van nu aan tot in eeuwigheid.
Psalm 122 bezingt Jeruzalem. De heilige verblijdt zich erheen te gaan. Daarheen gaan de stammen op, en daar zijn de stoelen van het gericht gezet, de stoelen van het huis van David. Zijn hart is eraan gehecht omwille van zijn broeders en zijn vrienden, en het huis van Jahweh hun God, de God van Israël – van de getrouwe Israëlieten. Het is herstel van de verbindingen met Jeruzalem: de oude relatie wordt herdacht en de nieuwe vastgesteld.
Psalm 123 komt terug op de verdrukkingen van het overblijfsel en op hun toevlucht. De zegeningen zijn nog niet ten volle gekomen, maar zij zien op tot Jahweh, die in de hemelen zit; en tot Hem opziende als de God van Israël zegt het overblijfsel nu: “onze God”. Ze zijn evenwel nog onder de druk van de verachting van de hovaardigen en van de spot van de weelderigen. De macht van de vijand had zich juist nu tegen hen, de getrouwen in het land, die op Jahweh vertrouwden, volkomen geopenbaard.
Dit zien we in Psalm 124 voorgesteld. Ze waren aan de woede van de vijand ontkomen, maar alleen omdat Jahweh aan hun zijde geweest was. Anders zouden zij volkomen verslonden zijn geworden door de laatste vijandige macht, als het afvallige beest en de antichrist al van het toneel verdwenen zijn.
Psalm 125 roemt de toestand van hen, die op Jahweh vertrouwen, met het oog op de in Psalm 124 genoemde komst van Jahweh, die hen nu tot in eeuwigheid zal beschermen, waardoor zij ook voor eeuwig zullen blijven. Vrede zal over Israël zijn. Wat hen betreft die kromme wegen gaan, Jahweh zal hen door het oordeel weg doen gaan met de openlijke werkers van de ongerechtigheid. De scepter van de goddeloosheid zal niet rusten op het lot van de rechtvaardige. De scepter van de goddeloosheid (die de goddelozen als een geslacht als één geheel voorstelt) zal volkomen tenietgedaan worden; er zal afscheiding zijn van het kwaad dat erdoor uitgeoefend wordt, opdat de rechtvaardigen niet afwijken van de rechte weg. Ik denk, dat dit alles betrekking heeft op de laatste inval in het land, door Gog aan het einde van zijn macht, of op de laatste toestand van de Assyriër, misschien op Daniël 8 (alleen geeft Daniël 8 ons het gehele karakter en niet die aan het einde); dus de laatste koning van het noorden die in Daniël 11 optreedt na de koning die zijn eigen wil doet.
Psalm 126. Nu, nadat het de verlossing heeft leren kennen, vindt het hart van de getrouwe zijn middelpunt in Sion. Hoe was Sion vernederd geworden, volgens Psalm 124! (Jesaja 29:4,7; vergelijk Jesaja 17:12-14 en andere plaatsen). Het was als een droom, zo volkomen, zo onverwacht was de vreugde. De volken zelf erkennen nu de hand van Jahweh. Maar de getrouwe ziet uit naar de volkomen zegening en smeekt Jahweh om de gevangenschap te veranderen in het volle bezit van de zegening. Evenwel, God had Zich al geopenbaard; en de getrouwe die een getuige voor Hem geweest was te midden van het lijden, in smaad en verachting, zou nu met gejuich oogsten. Zo is het altijd, want de volmaakte vreugde komt slechts door het lijden, omdat het getuigenis van God in een wereld van ongerechtigheid geplaatst is.
Psalm 127. Deze zo gewenste zegeningen, dat Jahweh het huis bouwt en de stad bewaart, en talrijke kinderen – dit alles is de gave en het werk van Jahweh, anders werkt en waakt de mens tevergeefs. Het karakter van de zegeningen is hier geheel joods. Een talrijk nakomelingschap wordt duidelijk als een gave van God voorgesteld: welgelukzalig de man die zijn pijlkoker daarmee gevuld heeft!
Psalm 128 verklaart, dat de zegeningen die hier vermeld worden, het deel zijn van ieder die Jahweh vreest. Het zijn tijdelijke en tegenwoordige zegeningen – zegeningen die uit Sion komen; en de begeerte van het hart van de getrouwe Israëliet is, om al de dagen van zijn leven het goede van Jeruzalem te zien. Hoewel het overblijfsel het rechtstreekse voorwerp van de voorgestelde zegeningen is, in beginsel zal de godvrezende uit de volken, hij die Jahweh vreest, Israëls God erkent, er ook deel aan hebben en zich met Zijn volk verblijden.
Psalm 129 komt nu met vreugde terug op het lijden en de beproevingen waardoor de kinderen van Sion gegaan zijn. Maar Jahweh is rechtvaardig en heeft de touwen van de goddelozen afgehouwen. Allen die Sion haten (want Sion is altijd de centrale gedachte) zijn verdord als het gras op de daken, zonder hulpbronnen en zonder te worden begeerd.
Psalm 130 behandelt een ander onderwerp, waarvan we al eerder duidelijke sporen gevonden hebben: de zonden van Israël, als een vraagpunt tussen het volk en God. We vinden hier echter niet een zuiver wettische angst: vertrouwen op Jehovah kenmerkt het gevoel dat het overblijfsel van zijn zonden heeft, hoewel het samen gaat met een diep gevoel van benauwdheid en verootmoediging. Dit is altijd het gevolg als in de ziel het gevoel van de zonde samen gaat met ervaring van de goedertierenheid. Wettische benauwdheid is meer egocentrisch in haar angst, hoewel ze verwonderlijk krachtig werkt tot de vernietiging van het zelfvertrouwen, om zich helemaal aan de goedertierenheid over te geven; overtuiging van zonde, gepaard met het gevoel van de barmhartigheid, sluit meer het gevoel in zich, een God van genade beledigd te hebben. En dat is een dieper werk. Hier “bij U is vergeving, opdat U gevreesd wordt”, en de ziel verwacht Jahweh, hoewel zij uit de diepte geroepen heeft. Zij verlangt naar Hem en vertrouwt geheel op de genade, omdat Jahweh Degene is die zij verwacht (vers 6). Het fundament van haar hoop wordt in vers 7 blootgelegd, terwijl vers 8 van haar vertrouwen op het volkomen resultaat spreekt. In vers 4 erkent de ziel in oprechtheid, wat de oorzaak was van de behoefte, waaraan de genade beantwoordt; vers 7 toont datgene aan, waarop men in Jahweh kan rekenen, en in vers 8 rekent het geloof ten volle daarop ten gunste van Israël: Israël zal verlost worden, niet van al zijn verdrukkingen, maar van zijn ongerechtigheden, wat echter de gevolgen van die ongerechtigheden in zich sluit.
Psalm 131 stelt in weinig woorden de wandel van de getrouwen in ootmoed en zonder enig zelfvertrouwen voor. Israël moet op Jahweh vertrouwen van nu aan tot in eeuwigheid.
Psalm 132 is in sommige opzichten een zeer belangrijke Psalm. Hij stelt ons de terugbrenging van de ark van het verbond naar haar rustplaats voor, en de beloften van Jahweh in antwoord op de smeking van zijn dienstknecht. Zijn uitgangspunt is, het brengen van de ark in Sion door David. Dit feit is, zoals we bij het bestuderen van de historische boeken gezien hebben, van grote betekenis. Daarin openbaarde zich de genade, die in macht werkte, toen Israël zó geheel en al gefaald had, dat de band tussen het volk en God volkomen verbroken was, in zoverre die gegrond was op de verantwoordelijkheid van het volk; de ark was gevangen genomen en Ikabod was geschreven op de gehele staat van zaken 49. Maar nu was er, in een volkomen en blijvender zin, een woning voor de Machtige van Jakob gevonden, waar de getrouwen zich zouden neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten. De vrucht van Davids lijf, de Messias van Jahweh, zou op Zijn troon zitten voor altijd. Jahweh ging nu in tot Zijn rust, Hij en de ark van Zijn sterkte. Als Hij in vroegere dagen opstond (Numeri 10:35,36) was het om Zijn vijanden te verstrooien, en daarna keerde Hij vervolgens terug tot de tienduizenden in Israël. Maar nu, en dat is het wat deze Psalm kenmerkt, waren de vijanden verstrooid, en Jahweh stond op om Zijn rust in te nemen in Israël.
We zien in vers 13 de vrijmachtige verkiezing van God, en merken ook op, dat de belofte die gedaan wordt in antwoord op het smeekgebed, telkens verder gaat dan wat gevraagd is: dit blijkt uit de vergelijking van verzen 14-15 met vers 8, van vers 16 met vers 9 en van verzen 17-18 met vers 10. Dit is van het grootste belang als openbaring van de genade van de Heer, en omdat het laat zien welk een belang Hij in Zijn volk stelt, en hoe Zijn liefde al de verwachting van Zijn volk overtreft.
Psalm 133. Het volk woont nu als broeders in eenheid samen. Het is gelijk aan de kostbare zalfolie van Aäron, die op het hoofd uitgestort, aan al het overige de welriekende geur van de goddelijke gunst meedeelt, zoals de overvloedige dauw van de hoge bergen, hoe verheven zijn oorsprong ook mag zijn, zijn verkwikkende kracht doet voelen daar waar God de zegen en het leven gegeven had tot in eeuwigheid 50. Ik zie geen noodzaak om in de buurt van de Hermon naar een berg met dezelfde naam (Sion) te zoeken, maar veeleer het tegendeel.
Psalm 134 besluit de liederen Hammaäloth met de dienstknechten van Jahweh op te wekken om Hem te loven. Nacht en dag moeten zij Hem prijzen, en reine handen in het heiligdom opheffen om Hem te zegenen. Jahweh was daar en Zijn knechten waren er om Zijn lof te zingen. Jahweh, die de hemel en de aarde gemaakt heeft, zegent nu, niet alleen uit de hemel, maar vanuit Sion. Sion is de plaats, waar Jahweh geprezen wordt, en van waaruit Jahweh zegent.
Ik ben geneigd om het laatste vers te beschouwen als gesproken door de mond van Christus, als de Zoon van David, enigszins in het karakter van Melchizédek, die zegt: “Geloofd zij de Allerhoogste!”; alleen hier speciaal in verbinding met Jahweh (zoals in Zacharia 6:13), die het getrouwe overblijfsel uit Sion zegent. Dit laatste vers is een soort antwoord op de uitnodiging die de vorige verzen bevatten; de Geest van Christus in het overblijfsel, wekt de knechten van Jahweh op om Hem te loven; en zij zegenen uit Zijn Naam de getrouwen.
Psalm 135-144
De Psalmen 135-136 prijzen Jahweh, die Israël verlost heeft en nu in Jeruzalem woont. Zij zeggen Hem dank Wiens goedertierenheid tot in eeuwigheid is, de Schepper van alle dingen in goedertierenheid, die eerst Zijn volk uit Egypte verlost had, en die aan hem gedacht heeft om hem weer los te kopen, toen hij vernederd en gevallen was.
Psalm 135 heeft een zeer kenmerkend karakter, doordat hij een opmerkelijke sleutel geeft tot de verklaring van het gehele boek, en het verbindt met de vroegere verklaringen van Jehovah, betreffende Zijn verbinding met Israël, en maakt zo één geheel van de geschiedenis van het volk. Hij heeft tot onderwerp: “Halleluja! Loof de Naam van de HEERE!” Hij is goed; het is een liefelijke zaak Hem te prijzen! Want Hij heeft Zich Jakob en Israël verkozen tot Zijn kostbaarst kleinood. Vervolgens wordt Hij in vers 6 geprezen als de Almachtige God, die doet wat Hem behaagt, en alle dagen over de schepping beschikt. Daarna wordt Hij geprezen, als Degene die het oordeel uitgeoefend heeft over de verdrukkers van Israël, als Degene die Israël verlost heeft, en hem het land gegeven heeft van de vijanden die Hij verjaagd heeft. Daarna komt Zijn naam in verbinding met Israël en in tegenstelling met de afgoden, en dan (verzen 13-14) twee plaatsen in verbinding met Exodus 3:15 en Deuteronomium 32:36.
In de eerste zien wij, dat God voor altijd de zorg voor Israël op Zich genomen had, onder de naam van Jahweh, en de andere kondigt op profetische wijze de verlossing van het volk aan, nadat het volkomen gefaald zou hebben. Toen God Mozes zond om hen te verlossen, noemde Hij Zich Jahweh, de God van hun vaderen, de God van Abraham, Izaäk en Jakob, en verklaarde, dat dat eeuwig Zijn naam zou zijn en Zijn gedachtenis door alle tijden heen. Vervolgens belooft Hij Israël te verlossen en in het land te brengen en dan neemt Hij de naam van Jahweh aan.
De tweede plaats wordt in het profetische lied van Mozes gevonden, waar deze voor de ogen van de kinderen Israëls de schildering ontrolt van hun afval, dat hun smet niet die van Gods kinderen was, toen zij de God verlieten die hen gemaakt had, en Hem door vreemde goden tot jaloersheid verwekten, en Jahweh Zijn aangezicht voor hen verborg en besloten zou hebben om hun gedachtenis van onder de kinderen van de mensen weg te doen, als de mens daarin geen aanleiding had kunnen vinden om zich te verheffen. Maar dan, als het volk ontbloot zou zijn van alle steun en zonder hoop in zichzelf, zou Jahweh Zijn volk oordelen, en zal het Hem berouwen over Zijn knechten; Hij zal het oordeel uitoefenen over de volken, en hen daarna zich doen verblijden met Zijn volk. Zodat wij in die twee verzen de eerste verlossing en het plan van God vinden en Zijn oordelen en wegen in de laatste dagen, waarin de Psalmen ons gebracht hebben. Zo geven ze ons een sleutel die de toepassing van de Psalmen gemakkelijk maakt.
Vervolgens stellen verzen 15-18 het oordeel over de afgoden voor, waarvan in Deuteronomium 32 sprake is, die voor het volk een oorzaak ten val geweest waren. De Psalm eindigt met een plechtige uitnodiging aan de verschillende, reeds aangeduide klassen – de verschillende delen van Israël en allen die Jahweh vrezen – het huis van Israël, het huis van Aäron, het huis van Levi en allen, die Jahweh vrezen, om Jahweh te loven en te prijzen. En dit gebeurt nu uit Sion, want men weet nu dat Jahweh te Jeruzalem woont.
Psalm 136 kan beschouwd worden als het antwoord op die plechtige uitnodiging van de vorige Psalm. Hij is gekenmerkt door de uitdrukking die wij al vaak opgemerkt hebben, die de onveranderlijke goedheid van Jahweh tegenover Israël, ondanks alles uitdrukt: “Zijn goedertierenheid is voor eeuwig!” De Psalm prijst God als Schepper, God van de goden, als de Verlosser van Israël, die hen door de woestijn geleid had; als Degene die door Zijn macht grote koningen had geslagen en hun het land als erfdeel had gegeven, en die aan het eind aan de Zijnen in hun staat van diepe vernedering had gedacht en hen had verlost en aan alle vlees voedsel verschafte – Hij de God van de hemel. In zekere zin besluit deze Psalm de historische psalmen.
Dan volgen als aanhangsel twee reeksen van Psalmen: eerst een reeks van Psalmen, die ons de kenmerkende verdrukkingen van het overblijfsel en de wegen van Jahweh in de laatste dagen voorstellen, en vervolgens een reeks met lofzangen van het duizendjarige rijk.
De verdrukkingen waarvan wij spreken vinden we vooral in de Psalmen 137-144; in de laatste vinden we echter de verwachting van de verlossing en de zegeningen. Psalm 139 heeft ook een bijzonder karakter, zoals wij zullen zien.
Psalm 137 maakt als enige Psalm, om de volledige geschiedenis van de verdrukkingen van Israël te geven, melding van Babel. Hij wordt in de laatste dagen alleen op mystieke wijze vervuld, maar is toch van belang, omdat in de tijd van de wegvoering naar Babel, de Goddelijke tegenwoordigheid in Jeruzalem een einde genomen heeft, en de macht van de volken gevestigd is geworden. Maar het geloof kon niet gelukkig zijn in een vreemd land, noch er de lofzangen van Jahweh zingen. Israël is geen hemels volk, vandaar dat hun gedachten naar Jeruzalem gekeerd zijn, dat nooit door het geloof vergeten wordt. Babel moet verwoest worden en naar zijn oordeel wordt vurig verlangd, en de vijandschap van Edom wordt niet vergeten.
Het doel van de Psalm is, al de gehechtheid uit te drukken, die de gelovigen in hun gevangenschap Sion toedragen; het hart kon niet van haar gescheiden worden in dat vreemde land.
Psalm 138 geeft ons de grondslag, waarop het geloof rust – het Woord van God. De gelovige erkent het aanbiddend. En wanneer de koningen van de aarde dat Woord gehoord hebben, zullen zij zich bekeren en Jahweh prijzen en Zijn wegen bezingen. Maar er is nog meer te prijzen dan Zijn waarheid. Hoewel zo hoog verheven, ziet Jahweh toch op de nederigen; Hij maakt levend, Hij behoudt, en Hij voleindigt alles wat de getrouwe gelovige aangaat: “Zijn goedertierenheid is voor eeuwig!”
In Psalm 139 vinden we al de oefeningen van het hart, die in de wegen van God opgedaan worden. Hoewel de getrouwheid van God al Zijn voorgenomen zegeningen tot stand brengt, ontgaat Hem toch geen enkele van onze gedachten. Er is zedelijk gesproken geen plaats waar men in Zijn tegenwoordigheid kan zijn; maar er is ook geen plaats waar men buiten Zijn tegenwoordigheid is, of Zijn ogen ons niet opmerken, hoewel het geweten blij zou zijn als het Hem kon ontvluchten. Maar dit openbaart een andere waarheid: God kent alles, omdat Hij alles geformeerd heeft. Deze gedachte verbindt zich met die andere, voor ons zo kostbare gedachte, dat Hij in genade volkomen kennis van ons neemt. Hij zorgt voor ons, waakt over elk van onze leden, zoals Hij ook elk van onze gedachten kent. En als Hij onze gedachten kent, heeft Hij ook gedachten, en hoe kostbaar zijn die voor ons!
Dit is juist de verandering en de werking van het geloof. Het begint noodzakelijk met het geweten, onder het oog van God. Het brengt ons in Zijn tegenwoordigheid, en wij leren dan de gedachten kennen van God, die ons voor Zichzelf gevormd heeft, en dan voor ons de oneindige sferen van Zijn eigen zegeningen en wegen ontvouwt. God waakt over de gelovige gedurende de stilte van de slaap; als hij ontwaakt bevindt hij zich daarom in gemeenschap met God.
Maar bovendien maakt deze verbinding met God volkomen scheiding tussen de getrouwe en de goddelozen. God zal hen verdelgen en de getrouwe eist, dat zij van hem zullen wijken. Daarom bekijkt hij de goddelozen met afkeer, om wat zij ten opzichte van God zijn. Wat hemzelf betreft, hij verlangt om volledig doorgrond te worden, opdat er geen kwaad in hem blijft.
De Psalm gaat ver in de gemeenschap van de geest van de mens met God in, hoewel hij het uitwendige oordeel van de goddelozen op het oog heeft; en de taal, die hij gebruikt, wordt op figuurlijke wijze in de Gemeente bewaarheid, en zo ook in de opstanding. Het grote onderwerp, dat er rechtstreeks in behandeld wordt, is, dat het hart van de mens ten volle doorgrond moet worden, zoals het ten tijde van het overblijfsel zal gebeuren, en zoals het altijd moet zijn. Maar als dit onderzoek van onze toestand, deze werkzaamheid van het ten volle doorgronden van het hart plaatsvindt, terwijl wij in een positie van persoonlijke verantwoordelijkheid voor God staan, zal het resultaat zijn, dat we uitroepen: “Waar Uw aangezicht ontvluchten?” Maar als we het werk van God zijn, dat wil zeggen, als de genade en de macht tussenbeide zijn gekomen, dan worden de gedachten van God kostbaar voor ons, en wij kunnen vragen om doorgrond, gekend en beproefd te worden – hoe meer hoe beter – opdat wij, ontledigd van onszelf, bekwaam zijn om God te genieten. Dan vragen wij ook aan God om ons te leiden. De eigenwil is gebroken, zoals de eigen gedachten geoordeeld zijn, en het is onze wens om door God geleid te worden. We zien tegelijkertijd dat het karakter van de Psalm hem met de laatste dagen verbindt: “O God, breng de goddeloze om!” Hij, die spreekt, verwacht het oordeel en drukt zijn haat en afschuw uit tegen hen die God haten.
In de vijf Psalmen die nu volgen, zijn wij op hetzelfde terrein dat we al in bijzonderheden besproken hebben; alleen zijn zij toegepast op een hersteld Israël, maar dat zich nog in de strijd bevindt, en nog niet ten volle gezegend is.
Psalm 140
In Psalm 140 vraagt de gelovige om van de kwade mens en van de man van geweld verlost te worden. Israël is in verbinding met Jahweh, maar de hovaardigen sluiten hem van alle kanten in.
Psalm 141. Onderwezen ten opzichte van de regering van Jahweh, let de getrouwe op zijn woorden en op zijn gedachten, opdat Jahweh hem zal zegenen. Hij zal het als een tucht aannemen, geslagen te worden. Hij rekent op de verhoring van zijn gebeden. En zelfs wanneer het oordeel over de hovaardigen uitgestort wordt (Israël, geloof ik), beschouwt hij dit oordeel als iets wat hen neerbuigt om hun het Woord van Jahweh te doen horen. Het is een Psalm die David had kunnen schrijven, toen Saul hem vervolgde. Hij verwacht het oordeel over de goddeloze, maar hij wenst dat de tegenspoeden enige van hen van de kwade weg doen terugkeren.
Psalm 142 ziet tot Jahweh op als de enige Toevlucht.
Psalm 143. De gelovige smeekt in het bijzonder om de goedertierenheid en de goedheid van Jahweh, opdat Hij niet met hem in het gericht treedt, te midden van de vervolgingen door de vijand, en van de duisternissen die hem omringen, maar hem Zijn goedertierenheid laat zien. Als dienstknecht van Jahweh vraagt hij om onderwezen en geleid te worden.
Al deze Psalmen drukken dus de gevoelens uit van personen die zich in diepe benauwdheid bevinden, maar die, in gemeenschap met Jahweh (en niet verjaagd uit Jeruzalem, en die Hem alleen als God kennen) ernaar uitzien dat hun vijanden afgesneden worden.
Psalm 144
Psalm 144 prijst Jahweh als de Bron van alle kracht. De beweegreden die aangevoerd wordt voor de verdelging van de vijanden is: “Wat is de mens?” Waarom zou Jahweh op zo’n worm acht geven 51 en waarom zou Hij de zegeningen uitstellen door het oordeel te verschuiven? Men ziet dus uit naar de verlossing, opdat de volle, ware, definitieve zegening van Israël zal komen. “Welzalig het volk waarvan de HEERE zijn God is”.
Rechtstreeks is deze Psalm op David zelf van toepassing, die er ook in genoemd wordt, en die erkent dat God Zijn volk (het volk van David) aan hem onderwerpt, als de bron van koninklijke macht. Ik zie niet, dat hier iemand persoonlijk in de laatste dagen ingevoerd wordt. Als dit met betrekking tot iemand het geval was, dan zou het zijn ten opzichte van de vorst; want er zal dan op aarde een aards huis van David zijn. Maar wat we hier hebben, is het brengen van het volk in die staat van onderwerping aan Christus, waarin het een gewillig volk zal zijn in de dag van Zijn legermacht (Psalm 110:3), en zij in de dag van Jizreël een hoofd over zich zullen aanstellen (Hosea 1:11), en de dag groot zal zijn en Jahweh de macht van Israëls vijanden geheel en al zal verstrooien, het volk een nieuw lied verschaft en het zegent. De Messias zal zeker hun Hoofd zijn, maar het wordt door David persoonlijk op profetische wijze gezegd. De ware Beminde zal zeker het hoofd van Israël zijn.
Psalm 145-150
Psalm 145 gaat in zijn gedachten al tot in het duizendjarige rijk, als de verdrukking voorbij is en de volkomen verlossing geprezen kan worden. Het is Christus in de geest, misschien zelfs in persoon, die wij hier aantreffen, en die de lof van Jahweh aanheft in het midden van Israël, en die ze onder de mensen opwekt. Vandaar dat deze Psalm, hoewel hij slechts de uitdrukking van een besluit is, het karakter heeft van een samenspraak. Allereerst drukt hij zijn eigen voornemen uit om Jahweh altijd en in eeuwigheid te prijzen: het ene geslacht zal aan het andere de lofzang van Zijn werken vermelden! “Ik zal uitspreken”. Zijn hart is vol lof zoals men ziet; en hij spreekt ervan (vers 5). “Zij zullen de kracht van Uw ontzagwekkende daden in herinnering roepen; Uw grootheid, die zal ik vertellen. Zij zullen de mond doen overvloeien van de gedachtenis aan Uw grote goedheid, en vrolijk zingen van Uw gerechtigheid”. Dan valt hij zichzelf in de rede met een wonderschone uitdrukking van het gevoel van zijn hart om van de goedertierenheid van Jahweh te spreken; want uit de overvloed van het hart spreekt de mond. Al de werken van Jahweh zullen Hem loven. Zijn gunstgenoten zullen Hem zegenen. De heerlijkheid van Jahweh’s koninkrijk en Zijn grote daden zullen hun onderwerp zijn, opdat zij de grote massa van de mensenkinderen Zijn mogendheden en de eer van de heerlijkheid van Zijn koninkrijk, dat een koninkrijk van alle eeuwen is, zouden bekend maken. Vervolgens beschrijven de verzen 14-20 het karakter van Jahweh. Vers 21 komt terug op het voornemen van het hart van Hem, die de lofzang aangeheven heeft. Christus spreekt hier als mens; Hij zegt: “Mijn God.” Jahweh wordt als Koning gezien. In het algemeen worden de uiterlijke daden en de heerlijkheid meer in de mond van de anderen gevonden, en wat Jahweh is in de mond van de leider, hoewel Christus Zelf ook Zijn wonderwerken verheft. Toch zien wij Zijn hart vervuld met de grootheid, de majesteit en de voortreffelijkheid van Jahweh, zoals in verzen 3,5,8-10; en ook, op een algemene wijze, met Zijn wegen en Zijn karakter, vol goedertierenheid en genade (verzen 14-19).
Het is goed hierop te merken, dat er in deze Psalm drie soorten sprekers zijn: degene, die de lofzangen leidt; de heiligen (het joodse overblijfsel) en de wereld in het algemeen, de kinderen van Adam. Uit dit oogpunt beschouwd wekt hij grote belangstelling, omdat wij er de Messias in zien, die het woord vervult: “Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente” (Psalm 22:26). En hoe vol is Zijn hart met lof! Het koninkrijk van Jahweh is gevestigd; de Messias in het midden van Israël allereerst; daarna het gespaarde overblijfsel, en ten slotte de hele wereld onder Zijn leiding verenigen hun lofzangen om Jahweh’s grootheid, Zijn goedertierenheid en Zijn wonderwerken te prijzen.
Psalm 146
Psalm 146 is de inleiding tot de laatste volle lofzangen. We vinden er zowel de uitstorting van het hart in lof voor Jahweh als de God van Jakob, waarbij verkondigd wordt wat Hij is, als de vertroosting die erin ligt te vertrouwen op Hem, de Schepper, de Helper van de verdrukten, de Vertrooster van de behoeftigen, die de rechtvaardigen liefheeft en de weg van de goddelozen omkeert. Hij zal in eeuwigheid regeren; de God van Sion is van geslacht tot geslacht.
Na alles wat wij al behandeld hebben, is het karakter van deze lofpsalm zeer eenvoudig.
Psalm 147
Nu nemen de heiligen hun plaats in binnen Jeruzalem en Sion, om te verkondigen wat Hij is. Hij is hun God; Hij bouwt Jeruzalem, verzamelt Israëls verdrevenen, geneest de gebrokenen van hart en verbindt hun wonden. De verzen 4-6 verheffen Zijn grootheid, Zijn goedertierenheid en Zijn oordelen; verzen 7-9 Zijn goedertierenheid in zegening van de aarde; verzen 10-11 het welbehagen, dat Hij heeft, niet in lichamelijke kracht, maar in degenen die Hem vrezen. In vers 12 keert de lofzang terug om Zijn wegen ten opzichte van Jeruzalem te loven. De verzen 15-18 verheffen Zijn macht, geopenbaard in Zijn wegen met de jaargetijden; verzen 19-20 zeggen, hoe Hij Zijn woorden en Zijn inzettingen aan Jakob heeft bekendgemaakt, zoals Hij dat aan geen ander volk gedaan heeft. Zij mogen de heerlijkheid van de schepping en voorzienige macht van de God van Jakob hebben gezien, maar Zijn gedachten en Zijn rechten waren voor Zijn volk.
Psalm 148
Psalm 148 roept eerst de hemelen en alles, wat er zich in bevindt, op, om deel te nemen aan het grote Hallelujah en om Jahweh te prijzen, die ze geschapen heeft, en die ze in hun plaats onderhoudt. Vervolgens nodigt hij de aarde en al wat zij bevat uit, om zich te verenigen in het loven van Hem, Wiens Naam alleen hoog verheven is, Wiens majesteit over de aarde en de hemel is, maar die de hoorn van Zijn volk verhoogt. Dit is de roem van al Zijn gunstgenoten (de getrouwen, die wij overal gezien hebben, maar die voortaan ten volle Israël zullen zijn), van het volk dat nabij Hem is. De grote Schepper, die hemel en aarde moeten prijzen, is de God van Israël en Israël is Zijn volk.
Psalm 149
Psalm 149 nodigt Israël tot lofzangen uit. We hebben gezien, hoe de schepping en Israël (de nieuwe schepping en de gemeente) voortdurend met elkaar verbonden zijn, en samen de sfeer van de Psalmen vormen. Maar nu is het in de vergadering van de gunstgenoten dat men lofzingt. De verbinding, waarin Israël zich bevindt, is tweeledig. Jahweh heeft het tot Zijn lof geformeerd; Hij is Koning in Sion. De Psalm geeft vervolgens de redenen op die er zijn om Hem te loven. Jahweh heeft een welgevallen aan Zijn volk: maar wij horen wie het zijn aan wie deze plaats toebehoort: “Hij zal de zachtmoedigen aanzien geven met heil”. Israël kan er dan bijvoegen: Laten de gunstgenoten van vreugde opspringen om die eer! Maar als de verheffingen van God in de mond van de getrouwen zijn, is het zwaard van het aardse oordeel in hun hand om wraak te doen over de naties en de volken, en om de machtigen te binden, die hen eens verdrukt hadden. Dat was het recht dat beschreven was. Die eer is voor al Zijn gunstgenoten.
De hier voorgestelde personen zijn dus nu de verloste zachtmoedigen van Israël, en de Heer Jezus, de Koning van Sion, die het oordeel uitoefenen over degenen die hen onderdrukt hebben. Dat is werkelijk het beschreven recht, zoals de Psalm het noemt. Dit bevestigt het gezichtspunt waaruit ik de laatste twee boeken bezien heb, alleen is het nu werkelijk gekomen. Het duizendjarige rijk zelf is niet beschreven. De Psalmen leiden er ons in; en door de wijze waarop zij Christus, zoals wij Hem in de Evangeliën zien en het overblijfsel van Israël in de laatste dagen, met elkaar verbinden, werpen zij het helderste licht op die Evangeliën zelf.
Psalm 150
Psalm 150 is een laatste algemene uitnodiging om Jahweh te loven. Merk alleen op, dat het nu in vrijheid in Zijn heiligdom is en ook in het uitspansel van Zijn sterkte, met al de verschillende muziekinstrumenten van de tempel. Men zal Jahweh loven voor Zijn machtige daden, Hem loven voor de grootheid van Zijn majesteit, ja, alles wat adem heeft wordt geroepen Hem te loven. Deze Psalm is dus als het ware een schitterend slotakkoord vol van kracht en energie, geheel toepasselijk op de joodse positie en de tempeldienst.
Hier eindigen we deze leerzame en belangwekkende studie, waarin ik alleen kon hopen een schets te geven van de algemene beginselen, die de lezer in staat kunnen stellen om het boek van de Psalmen juist te gebruiken. Mijn voornemen was niet om de afwisselende en prachtige inhoud van dit gedeelte van de Schrift in bijzonderheden voor te stellen. Dat zou hele boekdelen vereist hebben, zowel wat de profetische verbinding van de onderdelen aangaat, als wat betreft de oefeningen en gevoelens van het geloof, voor zover wij die kunnen toepassen op de heiligen van onze dagen.
EINDE PSALMEN
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 3.2.2
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten:
35 Als men hierop let, worden vele Psalmen gemakkelijk te begrijpen, die anders moeilijk zouden zijn, omdat lijden en benauwdheid volgen na het uitspreken van het vertrouwen. In werkelijkheid zijn deze moeilijkheden enzovoort alleen de weg waarop de geest tot dit vertrouwen komt.
36 Dat vooronderstelt natuurlijk waarheid in het binnenste, de bekering.
37 Sommigen, zoals Venema, vertalen: “vanwege mijn verwerping of nederwerping” in plaats van “van mijn jeugd aan”. Rosenmüller geeft beide. Vergelijk Psalm 129.
38 Vergelijk de verbinding en de opmerkelijke tegenstelling tussen Psalm 80 en Johannes 15.
39 Christus, hoewel Hij diep voelde wat voor Hem was, was juist het tegengestelde van deze strijd van de eigenwil, omdat Hij volmaakt was in onderwerping. Zie Johannes 12:27-28 en Lukas 22:42. Petrus wilde tegenstand bieden, maar Christus nam de beker, omdat Hij zag dat het de wil van de Vader was.
40 In Jesaja 30:32 vinden we: “En overal waar de door God beschikte staf voorbij is getrokken, overal waarop de HEERE die heeft doen rusten, zullen er tamboerijnen en harpen zijn”.
41 Het overblijfsel werd altijd erkend. In zeker opzicht zijn wij nu het overblijfsel; allen kinderen van Jeruzalem, de eenzame (Jesaja 54:1), die wachten op de behoudenis, onder de tucht en regering van God, die echter onze Vader is (1 Petrus 1:3-6).
42 Het Hebreeuwse woord kan zowel door land als door aarde vertaald worden.
43 Merk op, dat Christus de grote toorn en gramschap van Jahweh (vers 11) niet met Zichzelf in verbinding brengt, zoals in Psalm 22, hoewel Hij ze in Zijn geest verwerkelijkt. Van Zichzelf zegt Hij alleen: “U hebt mij opgetild en weer neergeworpen” (vers 11). Dit onderscheid is een sleutel, die ons veel dingen in de Psalmen duidelijk maakt.
44 Het onderscheid, of teruggegrepen wordt op de onvoorwaardelijke beloften aan Abraham gegeven, of de beloften aan Mozes, die afhankelijk waren van de trouw van het volk, is een duidelijk onderscheidingsteken in alle vernieuwingen van barmhartigheid tegenover het volk, en van het geloof, dat aan één van deze twee herinnert.
45 Zie de noot bij Psalm 31.
46 De Joden beschouwen deze Psalmen (113-118) als één geheel. Ze noemen ze “het grote Hallel”, en gebruiken ze voornamelijk op hun feesten.
47 Ik denk hier dus niet aan Daniël 9, maar aan Daniël 8; zie bijvoorbeeld de verzen 23-25.
48 Een “berg” wordt gebruikt als symbool van een verheven macht, zie bijvoorbeeld Psalm 68:16-19. Hier gaat het om de berg van Jahweh.
49 We vinden drie grondbeginselen van regering in de geschiedenis van Israël: 1e. Directe verantwoordelijkheid tegenover God, onder het priesterschap. Dat heeft onder Eli gefaald en het resultaat was Ikabod (1 Samuel 4:19-22). Op grond van hun eigen verantwoordelijkheid was alles afgelopen met Israël. 2e. Toen trad God tussenbeide door een profeet (Handelingen 13:20). Dat kon Hij nog doen, want het was een soevereine handeling. Maar ook dat faalde (1 Samuel 8:1-8), net als het koningschap dat toen door het volk opgericht werd. 3e Dan komt het koningschap als een macht in genade, zoals het in Christus zal zijn, en de ark wordt teruggebracht. Dit vinden we in deze Psalm.
50 Dit is één van de twee plaatsen in het Oude Testament, waar van “leven tot in eeuwigheid” gesproken wordt. De andere plaats is Daniël 12:2. Beide plaatsen zullen vervuld worden in de komende tijd van zegening. Ik hoef wel niet te zeggen, dat het eeuwige leven in het Nieuwe Testament volkomen geopenbaard is in Christus; hij die in Hem gelooft heeft eeuwig leven.
51 Vergelijk Psalm 8, waar de vraag: “Wat is de mens” vanuit het oogpunt van de genade bezien wordt. Zie verder Job 7:17-18, waar Job dezelfde uitspraak doet, in zijn verzet tegen de tucht van God en erover spreekt, hoe God in Zijn regering kennis neemt van de wegen van de mensen.