68. 2 Petrus

68. 2 Petrus · uit de ‘Synopsis’ deel 8 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

De tweede brief van Petrus is nog eenvoudiger dan de eerste. Evenals de brieven van Judas en Johannes, is deze brief voornamelijk geschreven met het oog op de verleiders. Zij beloofden de grootste vrijheid en brachten de zielen zo tot zonde en losbandigheid, terwijl zij de komst van Christus loochenden, en in feite al de rechten ontkenden, die Hij op hen had. De brief waarschuwt dezelfde christenen aan wie de eerste brief werd geschreven. Hij wijst op de trekken die deze valse leraars kenmerkten en stelt hen met de grootste kracht aan de kaak. Hij verklaart de lankmoedigheid van God, en kondigt tevens het oordeel aan. Evenals het geduld van God zou dit oordeel zijn overeenkomstig de majesteit van Hem, die het zou uitvoeren.

Maar voordat de apostel deze waarschuwingen uit, die in hoofdstuk twee beginnen, vermaant hij de christenen hun eigen roeping en verkiezing vast te maken. Vanzelfsprekend niet in het hart van God, maar als een feit in hun eigen hart, en in hun praktisch leven, door op zo’n manier te wandelen, dat ze niet zouden struikelen. Zo zouden ze altijd een duidelijk getuigenis geven van hun deel in Christus, en zou hun rijkelijk de ingang worden verleend in het eeuwig koninkrijk van hun Heer en Heiland Jezus Christus.

Deze vermaningen zijn in de eerste plaats gegrond op wat de christenen al ontvangen hebben. In de tweede plaats, op wat nog toekomstig is – namelijk, de openbaarwording van de heerlijkheid van het koninkrijk. Als hij dit onderwerp aanroert, wijst hij een nog uitnemender deel aan – de blinkende Morgenster, de hemelse Christus Zelf en onze verbinding met Hem voordat Hij verschijnt als de Zon der gerechtigheid. In de derde plaats zullen we zien dat de waarschuwingen ook nog op een andere grondslag berusten – namelijk op het wegsmelten van de hemelen en de aarde. Hieruit zal de onstandvastigheid blijken van alles waarop het ongeloof steunt en om dezelfde reden worden de gelovigen erdoor gewaarschuwd en aangespoord om in heiligheid te wandelen.

Hoofdstuk 1

De apostel beschreef zijn broeders als: “hen die een even kostbaar geloof als wij verkregen hebben”, door de trouw van God 1 aan de beloften die Hij aan de vaderen had gedaan. Dit is zeker de strekking van het woord “gerechtigheid” in dit gedeelte. De trouw van de God van Israël had aan Zijn volk dit geloof verleend, dat voor hen zo kostbaar was. Dit geloof is het Christendom.

Geloof is hier: het deel dat wij nu hebben in de dingen die God geeft. Ze zijn in het Christendom geopenbaard als waarheden, terwijl de beloofde dingen zelf nog niet gekomen zijn. Op deze manier zouden de gelovige Joden de Messias bezitten en alles wat God in Hem gaf. Zo had de Heer gezegd: “Laat uw hart niet ontroerd worden. U gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen … Ik ga heen om u plaats te bereiden” (Johannes 14:1-2). Dat wil zeggen: “U hebt God niet zichtbaar bij u; u verheugt u in Hem door in Hem te geloven. Zo is het ook met betrekking tot Mij: u zult Mij niet lichamelijk bij u hebben, maar u zult u verheugen in alles wat in Mij is – gerechtigheid en al de beloften van God – door te geloven”. Op deze manier bezaten deze gelovige Joden, aan wie Petrus schreef, de Heer: zij hadden dit kostbare geloof ontvangen.

Zoals de gewoonte is, wenst hij hun “genade en vrede” toe, en voegt eraan toe: in [de] kennis van God en van Jezus, onze Heer. Deze kennis van God en van Jezus, is het middelpunt, en de steun van het geloof, en voedt het geloof. In die kennis ontwikkelt zich het geloof en wordt het op Goddelijke manier uitgebreid. Ook bewaart die kennis het geloof voor de ijdele voorstellingen van de verleiders. Maar er is met deze kennis een levende kracht verbonden – een Goddelijke kracht in wat God voor de gelovigen is – omdat Hij in deze kennis aan het geloof wordt geopenbaard. En deze Goddelijke kracht heeft ons alles gegeven wat het leven en de godsvrucht betreft. Door de verwerkelijkte kennis van Hem die ons geroepen heeft, wordt deze Goddelijke kracht beschikbaar en werkzaam voor alles wat tot het leven en de godsvrucht behoort – “de kennis van Hem Die ons heeft geroepen door <Zijn eigen> heerlijkheid en deugd”.

Zo vinden we hier dus: de roeping van God, om de heerlijkheid als ons doel na te jagen, waarbij wij de overwinning behalen door de deugd – geestelijke kracht – over al de vijanden, die wij op onze weg vinden. Het is geen wet die wordt gegeven aan een volk dat al samen vergaderd is, maar de heerlijkheid wordt voorgesteld als het doel dat we door geestelijke kracht moeten bereiken. Bovendien hebben we Goddelijke kracht die werkt volgens haar eigen doeltreffendheid, voor het leven van God in ons, en voor de godsvrucht.

Wat kostelijk is het om te weten, dat het geloof gebruik kan maken van deze Goddelijke kracht, die verwerkelijkt wordt in het zielsleven, en die naar de heerlijkheid als ons einddoel leidt. Wat een bescherming tegen de pogingen van de vijand, als we werkelijk vast staan in het bewustzijn, dat deze Goddelijke kracht ten behoeve van ons in genade werkt. Het hart wordt ertoe gebracht de heerlijkheid als voorwerp te hebben; en de deugd, de kracht van het geestelijk leven, wordt ontwikkeld op weg naar die heerlijkheid. De Goddelijke kracht heeft ons alles geschonken wat nodig was.

Welnu, in verbinding met deze twee dingen, – namelijk, met de heerlijkheid en de geestelijke levenskracht – hebben wij zeer grote en kostbare beloften ontvangen; want al de beloften in Christus worden ontwikkeld óf in de heerlijkheid, óf in het leven dat tot die heerlijkheid leidt. Door middel van deze beloften zijn wij deelgenoten geworden van de Goddelijke natuur. Want deze Goddelijke kracht, die wij verwezenlijken in ons leven en onze godsvrucht, is verbonden met die grote en kostbare beloften, die óf op de heerlijkheid betrekking hebben, óf op de deugd in het leven dat naar de heerlijkheid leidt. Dat wil zeggen: de Goddelijke kracht openbaart zich, door ons de werkelijkheid te laten zien van de heerlijkheid en door ons een hemelse wandel te doen leiden, die kenmerkend is voor de aard van die kracht zelf. Zodoende zijn wij zedelijk deelgenoten geworden van de Goddelijke natuur, doordat de Goddelijke kracht in ons werkt en de ziel bepaalt bij de dingen die op Goddelijke wijze geopenbaard zijn. Kostbare waarheid! Wat een verheven voorrecht! Het stelt ons in staat ons te verheugen in God Zelf, en ook in al het goede.

Door dezelfde werking van deze Goddelijke kracht, ontkomen wij aan het verderf dat, door de begeerte, in de wereld is. Want deze Goddelijke kracht maakt ons daarvan vrij. Het is niet alleen zo, dat wij niet aan de begeerte toegeven, maar wij zijn met andere dingen, ergens anders, bezig, en de werking van de vijand op het vlees blijft uit. De begeerten waarvan we ons niet konden reinigen zijn weggenomen; de verdorven verhouding tussen het hart en zijn voorwerp komt tot een eind. Het is een werkelijke bevrijding; wij zijn in dit opzicht onszelf meester; we zijn van de zonde vrijgemaakt.

Maar het is niet genoeg om door het geloof ontkomen te zijn, zelfs aan de inwendige heerschappij van de begeerten van het vlees. Wij moeten bij het geloof – bij dat geloof, dat de Goddelijke kracht en de heerlijkheid van Christus die geopenbaard zal worden, verwerkelijkt – we moeten bij het geloof de deugd voegen. Dit is het eerste. Zoals we al zeiden, is dit de zedelijke moed die de moeilijkheden overwint, en het hart beheerst door al de werkingen van de oude natuur te beteugelen. Het is een kracht waardoor het hart zichzelf meester is, het goede kan kiezen en het kwade verwerpen, als iets waarover we de overwinning hebben behaald en dat ons onwaardig is. Dit is zeker genade; maar de apostel spreekt hier over de zaak zelf, zoals die in het hart verwerkelijkt wordt, en niet over de bron ervan. Ik heb gezegd, dat dit het eerste is; omdat deze zelfbeheersing – deze deugd, deze zedelijke kracht – praktisch de bevrijding is van het kwaad, en gemeenschap met God mogelijk maakt. Deze geestelijke kracht verleent werkelijkheid aan al het overige, want zonder de deugd zijn wij niet werkelijk bij God. Kan Goddelijke kracht zich ontwikkelen in de laksheid van het vlees? En als wij niet werkelijk bij God zijn – als de nieuwe natuur niet werkzaam is – is kennis alleen maar opgeblazenheid van het vlees; volharding slechts een natuurlijke eigenschap, of anders huichelarij; en zo ook het overige. Maar waar deze deugd is, is het zeer kostbaar om er kennis bij te voegen. Dan hebben we Goddelijke wijsheid en inzicht als gids voor onze wandel: het hart wordt verruimd, geheiligd, geestelijk ontwikkeld, door een diepere en meer volkomen bekendheid met God, die in het hart werkt en in onze wandel gezien wordt. We worden bewaard voor verdere dwalingen, – we zijn nederiger, nuchterder: we weten beter waar onze schat is, en wat deze is, en dat al het andere alleen maar ijdelheid is en een hinder. Er wordt hier daarom met kennis een waar kennen van God bedoeld.

Als we zo wandelen in de kennis van God, worden het vlees, de wil en de begeerten in toom gehouden. Al hun praktische kracht neemt af, en ze verdwijnen als gewoonten van de ziel; ze worden niet gevoed. We zijn matig, er is zelfbeheersing: we geven niet toe aan onze begeerten: de matigheid wordt aan de kennis toegevoegd. De apostel spreekt hier niet over de wandel, maar over de toestand van het hart in de wandel van de gelovige. Maar toch, als iemand zich zo laat besturen, en de wil beteugeld is, zal hij anderen geduldig verdragen. En de omstandigheden die hij moet doormaken, zal hij, in alle opzichten, aanvaarden in overeenstemming met de wil van God, hoe die omstandigheden ook mogen zijn. Wij voegen de volharding bij de zelfbeheersing. Het hart, het geestelijk leven, is dan vrij, om zich te verheugen in zijn ware voorwerpen – dit is een uiterst belangrijk beginsel in het leven van de christen. Wanneer het vlees op de een of andere manier werkt (zelfs al is deze werkzaamheid louter inwendig), als er ook maar iets is, waarmee het geweten zich zou moeten bezighouden, dan kan de ziel niet genieten van de gemeenschap met God in het licht, omdat de uitwerking van het licht dan is dat het geweten werkzaam wordt. Maar wanneer er voor het geweten niets is, dat niet al geoordeeld is in het licht, is de nieuwe mens werkzaam met betrekking tot God, hetzij hij geniet van de vreugde van Zijn tegenwoordigheid, hetzij hij Hem verheerlijkt in een leven dat gekenmerkt wordt door godsvrucht. We genieten van de gemeenschap met God; we wandelen met God; we voegen bij de volharding de godsvrucht.

Is het hart zo in gemeenschap met God, dan strekt de liefde zich ongehinderd uit tot allen die Hem lief zijn. Zij zijn immers deelgenoten van dezelfde natuur, en wekken noodzakelijkerwijs de genegenheden op van het geestelijk gemoed: de broederliefde ontwikkelt zich.

Er is nog een beginsel, dat al de andere bekroont, bestuurt en kenmerkt: dat is de liefde in eigenlijke zin. De liefde is, in haar wortel, de natuur van God Zelf, de bron en volmaking van alle andere eigenschappen die het leven van de christen sieren. Het onderscheid tussen liefde en broederliefde is van groot belang: zoals we zoeven zeiden, is de liefde inderdaad de bron waaruit de broederliefde opwelt. Maar omdat ze aanwezig is in sterfelijke mensen, is het mogelijk dat deze broederliefde in haar beoefening vermengd wordt met louter menselijke gevoelens, door persoonlijke gehechtheid, door persoonlijke aantrekkelijkheden of iemands gewoonten, of doordat iemands natuurlijk karakter ons ligt. Er is niets dat liefelijker is dan genegenheid van broeders voor elkaar. Het is van het hoogste belang in de vergadering dat deze genegenheden in stand worden gehouden. Maar ze kunnen gemakkelijk ontaarden en evenzo verkoelen. En als de liefde, als God, niet de eerste plaats blijft innemen, kunnen deze genegenheden Hem wel de plaats ontnemen die Hem toekomt – Hem terzijde stellen – Hem buitensluiten. De Goddelijke liefde, die de natuur van God Zelf is, bestuurt, beheerst en kenmerkt de broederliefde.

Anders laten we ons leiden door wat ons aanstaat – dat wil zeggen, door ons eigen hart. Als ik me laat leiden door de Goddelijke liefde, heb ik al mijn broeders lief; ik heb hen lief omdat ze Christus toebehoren; er is dan geen partijdigheid. Ik zal meer vreugde hebben van een geestelijke broeder; maar ik zal me met mijn zwakke broeder bezighouden met een liefde, die zich boven zijn zwakheid verheft en daar heel teergevoelig voor is. Uit liefde tot God zal ik me met de zonde van mijn broeder bezighouden, om mijn broeder te herstellen, en zo nodig te berispen. Als de Goddelijke liefde werkzaam is, kan de broederliefde, of zelfs de naam ervan zich ook nooit verbinden met ongehoorzaamheid. In één woord: God wil de plaats innemen die Hem toekomt in alle verhoudingen waarin ik sta. Broederliefde uit te oefenen op een manier die de eisen van wat God is, en wat Hij van ons vraagt, uitsluit, is God uitsluiten, en wel op de duidelijkste manier, om ons eigen hart te bevredigen. De Goddelijke liefde dan, die werkt in overeenstemming met de natuur, het karakter, en de wil van God, hoort onze hele wandel als christenen te besturen en te kenmerken, en gezag te hebben over alles wat ons hart beweegt. Zonder dit, kan de broederliefde alleen maar de mens op de plaats van God stellen. De Goddelijke liefde is de band van volmaaktheid, want God, die liefde is, werkt in ons en maakt Zichzelf het voorwerp dat alles bestuurt wat in het hart omgaat.

Welnu, als deze dingen bij ons zijn, zal de kennis van onze Heer Jezus Christus in ons hart niet onvruchtbaar zijn. Maar als ze daarentegen ontbreken, zijn we blind, we kunnen niet ver zien in de dingen van God; ons gezichtsveld wordt verkleind; onze blik wordt beperkt door de bekrompenheid van een hart dat zich door eigenwil laat leiden, en door eigen begeerten afdwaalt. We vergeten dat we gereinigd zijn van onze vroegere zonden; we verliezen de plaats uit het oog die het Christendom ons heeft gegeven. In deze toestand te verkeren wil niet zeggen dat iemand zijn zekerheid kwijt is, maar dat hij vergeet wat de ware christelijke belijdenis is waartoe wij gebracht zijn: reinheid in tegenstelling tot de wegen van de wereld.

Daarom moeten we ons beijveren, om een helder en krachtig bewustzijn te hebben van onze verkiezing, opdat we in geestelijke vrijheid zullen wandelen. Als we dit doen, zullen we niet struikelen; en zodoende zal een rijkelijke ingang in het eeuwig koninkrijk ons deel zijn. Zoals overal in zijn brieven, zien we ook hier dat de gedachten van de apostel bezig zijn met de regering van God. Petrus past deze regering toe op de wegen van God met de gelovigen, met betrekking tot hun gedrag en de praktische gevolgen ervan. Hij spreekt niet op een absolute wijze over vergeving en heil, maar over het koninkrijk – over het openbaar en zichtbaar worden van de macht van Hem, die rechtvaardig oordeelt – Wiens scepter een scepter van rechtmatigheid is.

Wandelen wij nu in de wegen van God, dan hebben wij deel in dat koninkrijk, en we gaan er in volle zekerheid binnen, zonder moeite, zonder dat onze ziel aarzelt. Dit is echter niet zo als men de Heilige Geest bedroeft en een kwaad geweten krijgt. Als men zich dingen veroorlooft die niet passen bij het karakter van het koninkrijk, of als uit een achteloze wandel blijkt dat het koninkrijk geen zaak van het hart is. Als daarentegen het hart zich innig hecht aan het koninkrijk en onze wegen daarbij passen, is ons geweten in overeenstemming met de heerlijkheid ervan. De weg ligt open voor ons: we zien in de verte, en we gaan voorwaarts, zonder dat er een belemmering is op onze weg.

Er is niets dat ons doet afdwalen als we het pad bewandelen dat naar het koninkrijk voert, terwijl we ons bezighouden met dingen die daarbij passen. God in Zijn regering heeft geen twistpunt met iemand die zo wandelt. De ingang in het koninkrijk staat voor zo iemand wijd open, overeenkomstig de wegen van God in Zijn regering.

De apostel wilde hen daarom aan deze dingen herinneren, al wisten zij ze. Hij had het voornemen om, zolang hij nog in deze aardse tent woonde, hun oprechte gezindheid op te wekken zodat ze deze dingen zouden onthouden. Want spoedig zou zijn aardse tent worden afgelegd, zoals de Heer Jezus Christus hem had bekendgemaakt. En door zo aan hen te schrijven, zorgde hij, dat zij zich altijd deze dingen zouden kunnen herinneren.

Het is heel duidelijk dat Petrus niet verwachtte dat er andere apostelen verwekt zouden worden, en evenmin dat een kerkelijke opvolging de plaats zou innemen van de apostelen als degenen die waakten over het geloof, of om met voldoende gezag als grondslag te dienen voor het geloof van de gelovigen. Hij zou hier zelf in voorzien, opdat ze na zijn wegneming, iets zouden hebben dat van hem kwam, en dat de trouwe gelovigen zou herinneren aan dat onderwijs dat hij hun had gegeven. Met dit doel schreef hij zijn brief.

De Goddelijke belangrijkheid en zekerheid van wat hij leerde waren deze arbeid waard. “Want”, zegt de apostel, “niet als navolgers van vernuftig verzonnen fabels hebben wij u de kracht en komst van onze Heer Jezus Christus bekendgemaakt, maar als ooggetuigen van Zijn majesteit”.

De apostel spreekt hier, zoals duidelijk blijkt uit zijn woorden, over de verheerlijking op de berg. Ik merk dit hierop, om het nog duidelijker te maken, dat de apostel, in zijn gedachten over de komst van de Heer, niet verder gaat dan Zijn verschijning in heerlijkheid. Voor het ogenblik was Hij verborgen voor hen die op Hem hun vertrouwen stelden: dit was een grote beproeving voor hun geloof, want, zoals we weten, waren de Joden er gewoon aan uit te zien naar een zichtbare Messias in heerlijkheid. Geloven zonder te zien was de les die zij moesten leren. Het was dan ook een heerlijke ondersteuning van hun geloof, dat de apostel die hen onderwees, met zijn twee metgezellen, met eigen ogen de openbaring hadden gezien van de heerlijkheid van Christus. Zij hadden gezien hoe deze heerlijkheid voor hun ogen werd ontvouwd, en tevens hoe twee vroegere heiligen, die in Zijn koninkrijk delen, verschenen in heerlijkheid. Tevens ontving Jezus daar in het getuigenis van God, de Vader, eer en heerlijkheid. Van de luisterrijke heerlijkheid – uit de wolk, die de Joden kenden als de woonplaats van Jahweh, de Allerhoogste God – werd een stem tot Hem gericht, die Hem erkende als Zijn geliefde Zoon. Deze stem hadden de drie apostelen ook gehoord (evenals ze Zijn heerlijkheid zagen), toen ze met Hem waren op de heilige berg 2.

We zien, dat de apostel hier bezig is met de heerlijkheid van het koninkrijk, en niet met het feit dat wij voor altijd bij de Heer zullen wonen in het huis van de Vader. Het is een openbaring aan mensen die op aarde leven; het is de kracht van de Heer, de heerlijkheid die Hij als de Messias ontvangt van God, de Vader. Hij wordt als Zijn Zoon erkend, en voor het oog van de wereld gekroond met heerlijkheid en eer. De apostel wenst dat hun rijkelijk de ingang zal worden verleend in het eeuwig koninkrijk.

De macht en de heerlijkheid die Christus van God ontving, had de apostel gezien, en daarvan getuigt hij. Wij zullen deze heerlijkheid zeker ook bezitten, maar dit is niet ons deel in eigenlijke zin: want ons deel is binnen het huis, de bruid van het Lam te zijn, en dit is niet bestemd voor het oog van de wereld. Met betrekking tot de gemeente kunnen deze twee dingen echter niet worden gescheiden; als wij de bruid zijn, zullen we voorzeker delen in de heerlijkheid van het koninkrijk 3.

Voor de Jood, die gewoon was om uit te zien naar deze heerlijkheid (wat voor denkbeeld hij hier ook van had) was het een feit van onschatbaar belang, dat de apostel deze heerlijkheid had gezien. Het was de hemelse heerlijkheid van het koninkrijk, zoals het aan de wereld geopenbaard zal worden; een heerlijkheid die zal worden gezien wanneer de Heer in kracht terugkomt (vergelijk Markus 9:1). Het is een meegedeelde heerlijkheid die uit de luisterrijke heerlijkheid komt. Bovendien heeft het getuigenis van de profeten betrekking op de geopenbaarde heerlijkheid; zij spraken over het koninkrijk en de heerlijkheid. En de verheerlijking op de berg in al haar pracht was een schitterende bevestiging van hun woorden. En zo hebben wij, zegt de apostel, het woord van de profeten bevestigd. Dit woord verkondigde inderdaad de heerlijkheid van het koninkrijk dat zou komen, en ook het oordeel over de wereld, dat de weg zou banen voor de vestiging van het koninkrijk op aarde. Deze aankondiging was een lamp in de duisternis van onze wereld. Deze wereld is waarlijk “een duistere plaats” die geen ander licht had dan het getuigenis, dat God had gegeven door middel van de profeten, over wat er met deze wereld zal gebeuren, en over het toekomstig koninkrijk. Het licht van het koninkrijk zal ten slotte voorgoed de duisternis verdrijven van het gescheiden zijn van God, waarin deze wereld ligt. De profetie was een lamp die scheen gedurende de donkere uren van de nacht; maar voor hen die waakten was er nog een ander licht.

Voor het joodse overblijfsel zal de Zon der gerechtigheid opgaan, met genezing onder Zijn vleugelen. De goddelozen zullen dan als as worden vertreden onder de voeten van de rechtvaardigen. De christen, die in zijn eigen voorrechten onderwezen is, kent de Heer op een andere manier dan deze; al gelooft hij in deze ernstige waarheden. Hij waakt gedurende de nacht die al ver gevorderd is. Hij ziet in zijn hart, door het geloof 4, het aanbreken van de dag, en het opgaan van de heerlijke Morgenster. Hij kent de Heer zoals zij Hem kennen die voordat Hij geopenbaard wordt in Hem geloven, als Degene die komt tot de reine, hemelse blijdschap van de Zijnen, voordat het volle licht van de dag straalt. Zij die waken zien het aanbreken van de dag; zij zien de Morgenster. Zodoende hebben wij ons deel in Christus niet alleen op die dag, en zoals de profeten van Hem gesproken hebben. Dit alles heeft betrekking op de aarde, hoewel de zegen uit de hoge komt. Maar wij bezitten het geheim van Christus, en van onze vereniging met Hem, en van Zijn komst om ons tot Zich te nemen als de Morgenster, voordat de dag aanbreekt. Wij zijn de Zijnen gedurende de nacht; wij zullen bij Hem zijn in de werkelijkheid van die hemelse band die ons met Hem verenigt, als degenen die voor Hem afgezonderd zijn zolang de wereld Hem niet ziet. We zullen bijeenvergaderd worden tot Hem, voordat de wereld Hem ziet, zodat we van Hemzelf kunnen genieten, en opdat de wereld ons met Hem kan zien wanneer Hij verschijnt.

De vreugde van ons deel is, dat we bij Hemzelf zullen zijn: “altijd met [de] Heer”. De profetie geeft de christen licht, en zondert hem van de wereld af door het profetische getuigenis over het oordeel van de wereld, en de heerlijkheid van het toekomende koninkrijk. Het getuigenis, dat de Heilige Geest geeft aan de gemeente, bewerkt die afzondering, door de aantrekkelijkheid van Christus Zelf, de blinkende Morgenster – Hij is ons deel terwijl de wereld nog in slaap gedompeld ligt.

De blinkende Morgenster is Christus Zelf, zoals Hij (vóór de dag, die zal aanbreken door Zijn verschijning) gereed staat om de gemeente tot Zich te nemen, opdat ze kan ingaan in Zijn eigen bijzondere vreugde. Zo staat er: “Ik ben … de blinkende Morgenster” (Openbaring 22:16). Dit is Hij voor de gemeente; zoals Hij de wortel en het geslacht van David is voor Israël. Zodra Hij dan ook zegt: “de Morgenster” zeggen de Geest, die in de gemeente woont en die haar haar gedachten ingeeft, en de bruid, de gemeente zelf, die wacht op haar Heer: “Kom!” Zo belooft de Heer in Openbaring 2:28, aan de getrouwen in Thyatira, dat Hij hun de morgenster zal geven; dat wil zeggen, de vreugde met Hemzelf in de hemel. Het koninkrijk en de macht waren hun al beloofd volgens Christus’ eigen rechten (verzen 26-27), maar het eigenlijke deel van de gemeente is Christus Zelf. De gemeente heeft de uitspraken van de profeten betreffende het koninkrijk, maar bovendien verwacht zij Hem als de Morgenster.

Vervolgens waarschuwt de apostel de gelovigen dat de profetieën van de Schrift niet waren als uitspraken die voortkwamen uit de wil van een mens, en dat ze niet uitgelegd konden worden, alsof elke profetie op zichzelf genoeg was om de volle betekenis ervan te verklaren. Al de profetieën waren deel van één groot geheel, alle hadden hetzelfde doel, namelijk het koninkrijk van God. Iedere gebeurtenis was een stap die voorbereidde op dit doel, en een schakel in de keten van de regering van God die tot datzelfde doel leidt. Het was onmogelijk hier iets van te verklaren, als men niet het geopenbaarde doel van de raadsbesluiten van God zag, namelijk de heerlijkheid van Zijn Christus (Efeze 1:9-10). Want heilige mannen, gedreven door de Heilige Geest, spraken deze woorden (orakels) van God uit, terwijl één en dezelfde Geest hen allen leidde. De Geest voegde het alles samen, om de wegen van God te ontvouwen voor het oog van het geloof; deze wegen zouden uitlopen op de vestiging van dat koninkrijk, waarvan de heerlijkheid zichtbaar was geweest bij de verheerlijking op de berg.

Zodoende hebben we hier in hoofdstuk 1 deze drie dingen: Ten eerste: Goddelijke kracht voor alles wat het leven en de godsvrucht betreft; een verklaring van oneindig grote waarde, het onderpand van onze ware vrijheid. De Goddelijke kracht werkt in ons, en geeft ons al wat we nodig hebben om te wandelen in het christelijk leven.

Ten tweede: de regering van God, in verband met de getrouwheid van de gelovige, opdat ons een ruime en rijkelijke ingang wordt verleend in het eeuwig koninkrijk, en opdat we niet struikelen. Het grote resultaat van deze regering zal openbaar worden in de oprichting van het koninkrijk, waarvan de drie apostelen op de heilige berg de heerlijkheid zagen.

Maar, ten derde was er voor de christen nog iets beters dan het koninkrijk; iets waarop de apostel alleen maar zinspeelt, want het was niet het eigenlijke onderwerp van wat de Heilige Geest aan hem meedeelde, zoals wel aan de apostel Paulus. Het was Christus, die de gemeente tot Zich neemt. Dit onderwerp is niet te vinden in de beloften of in de profetieën, maar het maakt de kostbare en onschatbare vreugde en hoop uit van de christen, die door God is onderwezen.

Hoofdstuk 2

Het eerste hoofdstuk heeft ons zodoende geleerd wat de positie van de christen is vanuit Goddelijk oogpunt bezien. Dit was de apostel meegedeeld om, in de laatste dagen, onderwijs te geven aan gelovigen uit de besnijdenis.

De twee volgende hoofdstukken daarentegen stellen ons voor, de twee vormen van kwaad die de laatste dagen kenmerken – de valse en verdorven leer van slechte mensen, en het ongeloof dat de wederkomst van de Heer ontkent op grond van het feit dat in de zichtbare schepping alles blijft zoals het van het begin was. De eersten verloochenen in werkelijkheid de Meester die hen gekocht heeft. Het gaat hier niet om het recht van de Heer, en evenmin om de verlossing. De vergelijking wordt gemaakt met een meester die slaven heeft gekocht op de markt, en zij erkennen hem niet en weigeren hem te gehoorzamen. Zo zouden er onder de bekeerde Joden valse leraars zijn, die het gezag van Christus – Zijn rechten op hen – weigerden te erkennen. Velen zouden door hen misleid worden; en omdat zij de naam van christenen droegen, zou door hun toedoen de weg van de waarheid gelasterd worden. Tegelijkertijd zouden zij door hun hebzucht en huichelachtige woorden werkelijk de christenen tot koopwaar maken tot hun persoonlijk voordeel, en ze als werktuigen beschouwen om geld te verdienen. Maar het geloof vindt zijn toevlucht altijd in God. Het oordeel zou hen achterhalen. Het voorbeeld van de gevallen engelen, van Noach en de zondvloed, van Lot en Sodom, heeft bewezen dat de Heer weet hoe de rechtvaardigen uit de verzoekingen te verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot de dag van het oordeel.

Deze klasse van boosdoeners zou zich kenmerken door losbandigheid en tuchteloosheid van gedrag. Ze zouden zich overgeven aan hun vleselijke begeerten, en alle gezag verachten op zo’n manier dat engelen het niet zouden durven. Toch zouden ze zich christenen noemen en zich met christenen verenigen aan hun liefdemaaltijden. Zo zouden ze hun eigen hart misleiden, door zich voortdurend aan kwaad over te geven, en anderen vrijheid te beloven, terwijl ze zelf toch slaven van het verderf zijn.

Om nu op die manier weer verstrikt te raken in het kwaad, nadat zij er door de kennis van de Heer en Heiland Jezus Christus aan ontkomen waren, was erger, dan wanneer zij de weg van de gerechtigheid nooit gekend hadden. Maar hun overkwam wat het ware spreekwoord zegt: De hond is teruggekeerd naar zijn eigen braaksel en de gewassen zeug tot het wentelen in de modder. Het waren daarom afvalligen. Maar hier wijst de Geest van God niet zozeer op de afval als wel op het kwaad, omdat Hij ons nog steeds bezighoudt met de regering van God. In Judas staat de afval meer op de voorgrond.

Petrus zegt dat engelen gezondigd hebben; Judas, dat zij hun oorspronkelijke staat niet hebben bewaard. Maar God zal de goddelozen oordelen.

Hoofdstuk 3

In het laatste hoofdstuk is het, zoals we gezegd hebben, het materialisme: het vertrouwen op de standvastigheid van de zichtbare dingen, in tegenstelling tot het vertrouwen op het Woord van God, dat ons leert uit te zien naar de komst, de wederkomst, van de Heer Jezus. Zij oordelen naar wat ze met hun zintuigen waarnemen. Er is, zeggen zij, sinds het begin van de schepping, geen schijn van verandering. Dit is niet zo. Voor het oog van de mens is er weliswaar geen verandering. Maar deze ongelovigen zijn moedwillig onbekend met het feit dat de wereld al eenmaal geoordeeld is; dat de wateren waaruit door het machtige woord van God de aarde is voortgekomen, de aarde een tijdlang weer hebben overstroomd, zodat allen zijn omgekomen, behalve degenen die God bewaard heeft in de ark. En door hetzelfde woord worden de tegenwoordige hemelen en de aarde bewaard tot de dag van het oordeel en de ondergang van de goddeloze mensen. Het is niet zo dat de Heer traag is betreffende de belofte van Zijn wederkomst, maar Hij bewijst nog steeds genade, omdat Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen. En duizend jaren zijn voor Hem slechts als een dag, en een dag als duizend jaren. Maar de dag van de Heer zal komen, waarop alle dingen zullen voorbijgaan, en de elementen brandend zullen wegsmelten, en alles wat op aarde is, zal vergaan. Ernstige gedachte voor de kinderen van God, om hen te bewaren in volkomen afzondering van het kwaad, en van alles wat zichtbaar is, en de komst van de dag van God te verwachten en te verhaasten. Op die dag zullen de hemelen vergaan en de elementen zullen brandend wegsmelten! Alle dingen, waarop het vlees zijn verwachtingen heeft gebouwd, zullen voor altijd verdwijnen.

Evenwel, er zullen nieuwe hemelen zijn en een nieuwe aarde waarop de gerechtigheid zal wonen. Er staat hier niet: “zal heersen”; dan zou het gaan over de duizend jaren dat de Heer de heerschappij voert. Hier is het de eeuwige toestand, waarop de regering, die alles geordend heeft, uitloopt. Dan zal de zegen ongehinderd van God uitstromen, wanneer Christus het koninkrijk aan God de Vader heeft overgegeven.

Door de wegen na te gaan van God in Zijn regering, komt de apostel tot de eeuwige toestand, waarin de belofte voorgoed vervuld zal worden. Het duizendjarig rijk zelf was het herstel, waarvan de profeten gesproken hadden; en, in zedelijk opzicht, zullen de hemelen en de aarde dan veranderd zijn door de gevangenschap van satan en de regering van Christus (zie Jesaja 65:17, 18, waar voor Jeruzalem een verheuging wordt geschapen). De hemelen zullen dan inderdaad geheel gereinigd zijn door Zijn kracht, om nooit weer door satan verontreinigd te worden. Ook de heiligen in de hoge zijn in hun eeuwige toestand; de aarde is bevrijd, maar nog niet voorgoed vrijgemaakt. Maar, stoffelijk, is het vergaan van de elementen nodig voor de vernieuwing van alle dingen.

Men zal opmerken dat de Geest hier alleen over de komst van Christus spreekt, om te zeggen dat men er in de laatste dagen de spot mee zal drijven. Hij spreekt over de dag van God, in tegenstelling tot het vertrouwen dat ongelovigen stellen in de bestendigheid van de stoffelijke, geschapen dingen. Zoals de apostel aantoont is de bestendigheid van de schepping evenwel afhankelijk van het woord van God. En op die dag zal alles waarop de ongelovigen steunden of zullen steunen wegsmelten en voorbijgaan. Dit zal niet gebeuren aan het begin van die dag, maar aan het einde ervan, en hier mogen wij, volgens de woorden van de apostel, deze dag rekenen als duizend jaar, of een zo lang tijdperk als de Heer goed zal vinden.

De grote ernst van het vergaan van alles waarop het vlees vertrouwt, moet ons ertoe brengen, ons te beijveren zo te wandelen, dat de Heer, als Hij komt om die dag in te voeren, ons onbevlekt en onberispelijk, in vrede, aantreft. Het schijnbare uitstel beschouwen we alleen als genade die de Heer bewijst, om zielen te behouden. Het is goed voor ons te wachten, als God van deze tijd gebruik maakt, om zielen te redden van het oordeel, door hen te brengen tot de kennis van Hemzelf, en hen met een eeuwig heil te behouden. Dit, zegt de apostel, had Paulus hun geleerd, toen hij aan hen (de gelovige Hebreeën) over deze dingen geschreven had, evenals in zijn andere brieven.

Het is belangwekkend om te zien dat Petrus, die in het bijzijn van allen, openlijk door Paulus bestraft was, hem hier vol liefde noemt. Hij wijst erop dat de brieven van Paulus een verheven leer bevatten, die onstandvastige mensen, die niet door God onderwezen waren, verdraaiden. Want in werkelijkheid volgt Petrus Paulus niet op het gebied dat deze had betreden. Dit belet hem echter niet, om over de geschriften van Paulus te spreken als een deel van de Schriften: “zoals ook de overige Schriften” zegt hij. Dit is een belangrijk getuigenis, dat bovendien hetzelfde karakter verleent aan de geschriften van degene, die deze titel aan de geschriften van een ander kan verlenen.

Laten de christenen daarom op hun hoede zijn en zich niet laten verleiden door de dwalingen van de goddelozen. Maar laten ze ernaar streven op te groeien in de genade, en in de kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als tot in eeuwigheid. Amen!

EINDE 2e BRIEF VAN PETRUS

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 8.8

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Hier is sprake van de trouw van God aan Zijn beloften. Daarom lezen wij van: “onze God en Heiland Jezus Christus”. De brief aan de Hebreeën staat ook uitvoerig stil bij het feit dat Jezus Jahweh is.

2 In Lukas 9 wordt ons het hogere deel van de zegen voorgesteld. “En zij werden bang toen zij de wolk ingingen”. God had met Mozes uit de wolk gesproken van aangezicht tot aangezicht, maar hier gaan zij de wolk in. Het hemelse en eeuwige karakter, wat zedelijk blijvend is, komt in Lukas veel meer naar voren.

3 Vergelijk Lukas 12, waar de vreugde binnen het huis verbonden is met het waken; de erfenis met de dienst.

4 De bouw van de zin is als volgt: Wij hebben ook het profetische woord bevestigd; door daarop acht te geven doet u wel (als op een lamp die schijnt in een duistere plaats), totdat de dag zal aanbreken, en de morgenster opgaat in uw harten.