10. 1 Samuël
10. 1 Samuël · uit de ‘Synopsis’ deel 2 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Inleiding
We hebben gezien, dat het boek Ruth aan het einde van het tijdvak ligt, waarin Israël onder de directe regering van God geplaatst was, en waarin God van tijd tot tijd door de richteren tussenbeide kwam. Maar ook tevens aan het begin van het tijdvak, waarin de koning werd aangesteld, die door God verkoren was. Het einde van het eerstgenoemde tijdvak, werd helaas veroorzaakt door de val van het volk, en door zijn onbekwaamheid om door het geloof van zijn voorrechten te genieten. Het boek Ruth vormt aldus een overgang.
In de boeken van Samuel vinden we in de eerste plaats, hoe de oorspronkelijke relaties, die Israël met God had, ophouden. Deze relaties waren gegrond op de gehoorzaamheid van het volk aan de woorden van het Oude Verbond en de speciale voorschriften van het boek Deuteronomium. Ten tweede zien we de soevereine tussenkomst van God door middel van de profetie, en in de derde plaats het aanstellen van de koning, die door God Zelf was voorbereid en de omstandigheden, die deze aanstelling voorafgingen. Israël heeft niet alleen gefaald onder het bestuur van God, maar heeft dit bestuur ook verworpen.
Geplaatst onder het priesterschap, naderden de Israëlieten tot God, in het genot van de voorrechten, die hun als volk van Jahweh waren gegeven. En wat kon een priester nog doen als datgene, wat de kracht en de waarde aan zijn priesterschap gaf, in handen van de vijand was? Want we zullen zien dat de Ark (de eerste, meest rechtstreekse kostbare band) in handen van de vijand valt. Wat kon een priester nog doen, als datgene, wat aan zijn priesterschap zijn algehele belangrijkheid gaf, in handen van de vijand was, en de plaats, waar hij tot Jahweh naderde, er niet meer was? Want de ark was de troon van God en de plaats van verzoening. En daardoor alleen werd de betrekking van Israël met God in genade gehandhaafd.
Het ging niet meer louter om de ontrouw van Israël in de omstandigheden, waarin God het had geplaatst. Als gevolg van het oordeel van God, waren zelfs deze omstandigheden geheel veranderd. De uiterlijke band van de relaties van God met het volk was verbroken. De ark van het verbond, het middelpunt en de grondslag van deze relaties, was namelijk door de toorn van God in handen van hun vijanden overgegeven. Het priesterschap was het natuurlijke en normale middel om deze relaties te handhaven. Wat moest er dan nu gedaan worden?
Omdat God als de Soevereine handelt, kon Hij zich toch altijd in verbinding stellen met Zijn volk, en wel op grond van Zijn genade en onwankelbare trouw. In overeenstemming hiermee, bleven van Zijn kant de banden met de Zijnen voortbestaan, zelfs toen elke erkende betrekking tussen Hem en het volk door de ontrouw van dit volk werd verbroken. En dit heeft Hij gedaan door een profeet te verwekken. Door bemiddeling van deze profeet stond God nog op rechtstreekse wijze met Zijn volk in verbinding, zelfs toen het volk zijn relaties met Hem niet in hun normale toestand had gehandhaafd. Het ambt van priester was in overeenstemming met de ongeschondenheid van deze relaties. Het volk had het in zijn zwakheid nodig. En onder het priesterschap naderde het volk zelf steeds tot God door bemiddeling van de priester. Dit was in overeenstemming met de relaties, die God had ingesteld en die door Hem werden erkend. Maar de profeet trad van de zijde van God op buiten deze relaties om, of liever gezegd, over deze relaties heen, toen het volk niet meer trouw was.
De instelling van het koningschap had een veel grotere draagwijdte. Het was een nieuwe orde van zaken, die belangrijke beginselen bevatte. God stond namelijk niet meer in rechtstreekse verbinding met Zijn volk. Er was een macht ingesteld over Israël, en God verwachtte getrouwheid van de zijde van de koning. Het lot van het volk hing af van het gedrag van de koning, en deze laatste was, wat de inachtneming van die getrouwheid betreft, verantwoordelijk voor Jahweh.
Het lag in het voornemen van God om dit beginsel te vestigen ter wille van de heerlijkheid van Christus. Ik spreek van Zijn koningschap over de Joden en over de volken, dus over de gehele wereld. De voorafschaduwing van dit koninkrijk vinden we in David en Salomo.
Het vragen om een koning, terwijl men het rechtstreekse bestuur van God verwierp, was dwaasheid, en betekende opstand van de zijde van het volk. Hoe dikwijls zijn onze dwaasheden en onze fouten even zoveel gelegenheden waardoor de genade en de wijsheid van God zich kan openbaren, en waardoor Zijn raadsbesluiten (tot dat tijdstip voor de wereld verborgen) vervuld worden! Al onze zonden en fouten hebben alleen maar meegewerkt tot de glorierijke vervulling van deze raadsbesluiten in Christus.
Dit zijn dus de belangrijke onderwerpen, die in de boeken van Samuel, althans tot aan de instelling van het koningschap, worden behandeld. De glorierijke toestand van dit koningschap en zijn val, zien we in de boeken van de “Koningen”.
De val van Israël maakt een einde aan zijn eerste relaties met God. De ark wordt genomen; de priester sterft. De profetie brengt de koning op het toneel. Een koning, die miskend en verworpen wordt, omdat de mens een ander heeft aangesteld. Maar toch een koning, die door God bevestigd wordt in overeenstemming met de krachtdadige werking van Zijn macht. Dit zijn de grote beginselen, die in de boeken van Samuel worden geopenbaard.
De geschiedenis laat ons hier, zoals overal elders, zien, dat er maar Eén is die trouw is gebleven. Voor ons is dit wel een verootmoedigend resultaat van de proef, waaraan God ons heeft onderworpen, maar tevens ook zeer nuttig om ons in de toestand van ootmoed te houden. Maar als we gesproken hebben over de val van het priesterschap, moet men hieruit niet afleiden dat het priesterschap opgehouden zou hebben te bestaan. Voor een volk vol zwakheid (en dit is ook met ons zo, zolang we op aarde zijn) bleef het steeds noodzakelijk. Het priesterschap bemiddelde in de dingen van God, om de individuele relaties met God daardoor te handhaven, maar het vormde niet langer de grondslag van de relaties van het gehele volk met God. Het volk was niet langer in staat door dit middel alleen van deze relaties te genieten, omdat het priesterschap zelf te veel in zijn positie was tekort geschoten om zich te kunnen handhaven. We zullen er goed aan doen, bij dit punt wat meer stil te staan, want het is de kern van de waarheden, die ons op dit ogenblik bezighouden.
In de oorspronkelijke toestand van Israël, zoals het in het land, dat aan hen gegeven werd, was gevestigd, en in het algemeen toen de vorming van dit volk plaatsvond, vormde het priesterschap de grondslag van de relaties met God. Het volk werd door dit priesterschap gekenmerkt en gehandhaafd (Hebreeën 7:11). Voor God, was de Hogepriester het hoofd en de vertegenwoordiger van het volk, als volk van aanbidders. In deze betrekking (en nu spreek ik hier niet van de bevrijding uit Egypte, noch van hun overwinningen, maar van een volk dat voor het aangezicht van God stond en met Hem in verbinding was) beleed hij op de Grote Verzoendag hun zonden op de weggaande bok (Leviticus 16:21). Dit was niet alleen een bemiddelende dienst, maar de Hogepriester bevond zich daar voor het aangezicht van Jahweh als hoofd en vertegenwoordiger van het volk, dat om zo te zeggen in hem was samengevat. Hoewel het volk vol was met gebreken, werd het toch erkend. In de persoon van de Hogepriester werd het volk zelf gezien, opdat het in betrekking zou kunnen staan met een God, Die zich overigens voor hun ogen verborgen hield achter de voorhang. Het volk bood alles aan de priester aan. De Hogepriester stond voor het aangezicht van God. Deze betrekking veronderstelde geen onschuld. De onschuldige mens had zelf voor het aangezicht van God behoren te staan. “Adam, waar ben je?”, is de vraag die juist zijn val aan het licht brengt.
Toch was het volk niet uitgedreven, zoals Adam, hoewel de voorhang tussen hen en God was: en de hogepriester, die medelijden had met de zwakheden van het volk, omdat hij er deel van uitmaakte, hield de betrekking met God in stand. Het was weliswaar een gebrekkig volk, maar door middel van het priesterschap stond het zelf in verbinding met de Heilige. Israël heeft zich in deze positie niet kunnen handhaven. Er was niet alleen zonde, waarin de Hogepriester zou kunnen helpen, maar het zondigde tegen Jahweh. Het keerde zich van Hem af, zelfs in hun oversten. Het priesterschap, dat de relaties met God had moeten handhaven, werkte zelf mee aan de terzijdestelling ervan. Het onteerde God, en hield het volk van de eredienst verwijderd, terwijl het dat volk juist tot die dienst had moeten aantrekken.
Ik ga aan de voorbereidende omstandigheden voorbij, om ze in bijzonderheden te bezien naarmate de gelegenheid zich voordoet. God stelt dus een koning aan, die ermee belast wordt de orde te handhaven, en de relaties van God met dit volk te verzekeren door zijn trouw aan God en het regeren van het volk. Christus zal dit in de toekomende eeuw ten volle vervullen. Hij is de Gezalfde. Als de koning gevestigd is, gaat de priester voor hem uit (1 Samuel 2:35). Dit is een nieuwe orde van zaken, waardoor alleen de relaties van het volk met God gehandhaafd kunnen worden. Het priesterschap is hier niet meer een directe verbinding. Maar wel voorziet het door zijn eigen functies in de behoeften van het volk. De koning waakt erover en verzekert de orde en de zegen.
De Gemeente bevindt zich in een geheel andere positie. De heiligen naderen nu onmiddellijk tot God. Behalve het priesterschap, dat, ten behoeve van de heiligen op aarde, wordt uitgeoefend, om hen tijdens hun wandel staande te houden in het genot van hun voorrechten, zijn zij nu met de Gezalfde verbonden. Er is geen voorhang meer. In Christus zijn wij gezeten in hemelse gewesten, en aangenaam gemaakt in de Geliefde. De gunst van God rust op ons. Op ons als leden van het lichaam van Christus, zoals op Christus zelf. Datgene, wat de heiligheid van God heeft geopenbaard, heeft tevens ook al de zonde van de mens in het licht gesteld en weggedaan, voor zover het zijn gelovig volk betreft.
Zo zijn we in Christus, als leden van Zijn lichaam, voor God volmaakt aangenaam. De priester tracht óns niet in zo’n positie te brengen, noch de betrekking met God te onderhouden van hen, die zich niét in deze positie bevinden. Het werk van Christus heeft ons in deze positie geplaatst. Kan men bemiddelen, als er een volmaakte toestand is? Kan bemiddeling de persoon en het werk van Christus volmaakter maken in de ogen van God? Zeer zeker niet. We zijn “in Hem”. Maar op welke wijze wordt het priesterschap dan nu ten behoeve van ons uitgeoefend? Door het staande houden van zwakke en maar al te vaak verontreinigde wezens in de verwerkelijking van hun relaties met God 1. De christen treedt in feite in een nog veel helderder openbaring van God en een nog veel absolutere verbinding met God. Hij is in het licht evenals God in het licht is. Wij zijn gezeten in de hemelse gewesten. Aangenaam gemaakt in de Geliefde. We worden geliefd, zoals Hij geliefd wordt. We zijn gerechtigheid van God in Hem. Hij is ons leven. Hij heeft ons de heerlijkheid gegeven, die Hem gegeven is. De Heilige Geest, Die na de verheerlijking van de Heer Jezus uit de hemel is neergedaald, heeft ons in verbinding gebracht met Hem, in de onbedekte tegenwoordigheid van God. Toch, al zijn we ook zonder verontschuldiging, we schieten meer dan eens tekort en worden hier beneden verontreinigd. En ten behoeve van ons is Hij als Voorspraak bij de Vader. Hij wast ons de voeten door Zijn Woord en Geest, en maakt ons bekwaam om in dit licht die gemeenschap te handhaven waaraan elke duisternis vreemd is. Na deze tijd, als de Heer Jezus als Koning aanwezig is, zal het priesterschap ongetwijfeld de relaties van het volk met Hem in stand houden, terwijl Hij in elk opzicht de last van het regeren en het zegenen van het volk zal dragen.
Hoofdstuk 1-2
Aan het begin van dit boek vinden we dus het priesterschap nog voor God in de oorspronkelijke vorm waarover we spraken. Eli, die zelf vroom en godvrezend is, handhaaft de orde niet in de priesterlijke familie. In plaats van het volk met God te verbinden, verbrak het priesterschap zedelijk deze band. Hofni en Pinehas, de zonen van Eli, waren in Silo, maar hun gedrag had tot resultaat, dat “de lieden het spijsoffer van Jahweh verachtten”. Zo was de stand van zaken in Israël. In de familie van Elkana werd tegelijkertijd Hanna beproefd, hoewel Jahweh haar uitverkoren had om gezegend te worden. De wensen van haar natuurlijk hart werden niet bevredigd, en de tegenstander kwelde haar door middel van Peninna, wie het goed ging. Maar Hij, wiens kracht in zwakheid wordt volbracht, zegent haar, (na de zwakheid van het vlees te hebben bewezen, wat altijd in zulke gevallen gebeurt) in overeenstemming met Zijn wil en tegen elke hoop in, opdat wat uit Hem was, onmiskenbaar door Zijn macht zou worden volbracht. Hanna heeft, overeenkomstig haar verzoek, een zoon ontvangen, die aan Jahweh werd gewijd. Zijn familie is van de stam van Levi (1 Kronieken 6).
Hanna erkent in de mooie lofzang van hoofdstuk 2 dit grote beginsel van soevereine genade en macht van God. Ze erkent dat Hij de hoogmoedige en hem, die op het vlees vertrouwt, vernedert, en de zwakke en krachteloze verhoogt. “Want de grondvesten van de aarde zijn van de HEERE en Hij heeft de wereld daarop geplaatst” (2:8). Dit moest het ellendige en gevallen Israël en het zwakke overblijfsel, dat op Jahweh vertrouwde, leren. Het wil zeggen, dat alles van God afhing, en van God alleen. Hij zocht deze macht niet in de mens, maar liet deze macht in Zijn wegen zien door al Zijn vijanden te vernietigen. En uiteindelijk zal Hij “Zijn Koning kracht geven, en de hoorn van Zijn Gezalfde opheffen” (10). Het is de geschiedenis van Gods tussenkomst in genade ten behoeve van het gevallen en arme Israël door de openbaring van Zijn macht, als Hij aan Christus, Zijn Koning, kracht zal geven. Het is een profetie van de wegen van God, van de grote beginselen van Zijn regering, ten opzichte van de positie van Israël. En wel vanaf dat deze werd uitgesproken, tot aan de oprichting van het duizendjarig koninkrijk in de persoon van de Heer Jezus.
Onmiddellijk nadat God dit getuigenis, waarop het geloof kon rusten, had gegeven, wordt ons de innerlijke toestand van het volk getoond. En tevens de ongerechtigheid van het priesterschap, dat het werktuig moest zijn om het volk van zijn ongerechtigheid te reinigen, maar dat integendeel het oordeel over het volk bracht. Eli sprak: “Jullie laten het volk van de HEERE overtredingen begaan. Wanneer een mens tegen een mens zondigt, zullen de goden (dit waren de rechters en de ambtlieden die recht spraken, zie Psalm 82:6 en Johannes 10:34) hem oordelen; maar wanneer een mens tegen de HEERE zondigt, wie zal dan voor hem bidden?” (2:25). Dit was de toestand van zaken volgens Eli zelf. “Maar zij luisterden niet naar de stem van hun vader, want de HEERE wilde hen doden”. “En de jonge Samuel kreeg gaandeweg meer aanzien en gunst, zowel bij de HEERE als ook bij de mensen” (2:26). Hoe zwak het beeld ook moge zijn: Samuel was gelukkig te mogen delen in het getuigenis dat ook van de Heer Jezus werd gegeven (Lukas 2:52).
Wat de zonen van Eli betreft, ze zijn een voorbeeld van wat maar al te vaak gebeurt. Hoe dikwijls zien we, helaas, dat op het moment dat het oordeel van God komt, men er niets van merkt! Want het kwaad heeft het zedelijk inzicht zó verduisterd, dat men het oordeel niet ziet naderen. De ogen van God zijn evenwel op andere dingen gericht, evenals het geestelijk onderscheidingsvermogen, dat Hij de Zijnen geeft. En dat zien we hier bij Samuel. Toch waarschuwt God Eli door een man van God. Het oordeel van God over de priesterlijke familie en over het priesterschap wordt uitgesproken, voordat God Zich aan Samuel openbaart.
Dit oordeel kondigt de verandering aan in de orde van het Goddelijk bestuur. Zijn nieuwe wijze van regeren zou plaatsvinden door het aanstellen van een Gezalfde (een Christus), en door de veranderde positie van het priesterschap, dat daaruit zou voortvloeien, zoals we al hebben opgemerkt. “En Ik zal voor Mij een trouwe priester doen opstaan; die zal doen zoals het in Mijn hart en Mijn ziel is. Voor hem zal Ik een blijvend huis bouwen, en hij zal alle dagen voor de ogen van Mijn gezalfde 2 wandelen” (2:35). Ik veronderstel dat dit de orde van zaken in het duizendjarig rijk zal zijn.
Hoofdstuk 3
In dit hoofdstuk openbaart God Zich aan Samuel en deze laatste wordt, van Dan tot Ber-Seba toe, als een profeet van Jahweh erkend.
Eli, die geoordeeld wordt, omdat hij zijn zonen meer heeft liefgehad dan Jahweh, verkwikt onze harten door zijn onderwerping. Hoewel het hem aan kracht ontbreekt om trouw te zijn, is er in hem toch nog een hart, dat recht is voor God. En zijn persoonlijke vroomheid komt nog meer tot uiting in de toewijding aan de heerlijkheid van God, die gezien wordt als hij zijn dood vindt in het “Ikabod” van zijn volk.
Wat is dit een treffende en droevige geschiedenis, als we daarin de uitwerking zien van het rechtvaardig oordeel van God over een ziel, die met Zijn heerlijkheid in Zijn volk verbonden is, maar die de noodzakelijke standvastigheid niet heeft bezeten om te beletten dat dit volk, en zelfs zijn eigen zonen, in de priesterlijke dienst, Jahweh onteerden!
In wat nu volgt wordt ons het middel getoond, dat God in Zijn Soevereiniteit gebruikt om met Zijn volk verbonden te blijven, als de normale relaties, die Hij gevestigd had, verbroken zijn.
Hoofdstuk 4
In hoofdstuk 4 zien we vijanden van God en Zijn volk hun macht ontplooien. De Filistijnen scharen zich in slagorde tegen Israël. God laat in Zijn almachtige voorzienigheid alle dingen meewerken om Zijn plannen te vervullen.
We zullen er goed aan doen, hierbij een ogenblik stil te staan, want de Filistijnen zijn van grote betekenis vanwege de rol, die ze in deze geschiedenis vervullen als vijandelijke macht. Het komt me voor dat ze de vijandelijke macht voorstellen, die te midden van het volk van God werkzaam is. Ze bevonden zich op het grondgebied van Israël; dus in het land en zelfs aan deze zijde van de Jordaan. Ze waren dus geen vijanden van buiten, zoals de Egyptenaren en de Assyriërs. Hun vijandschap gold meestal Israël; dus hen, die naar Gods bedoeling het land van de belofte in bezit moesten hebben. Ze waren des te gevaarlijker, omdat ze zich steeds naast de Israëlieten ophielden en aanspraak maakten op het land. In het type stellen ze dus de macht van de vijand voor, die van binnen werkzaam is. Ik spreek niet van het vlees, maar ik spreek van de vijand, die door zijn instrumenten te midden van de belijdende gemeente werkt; die het ware volk van God, aan wie de beloften toebehoren, onderdrukt.
Israël is verdorven in zijn wandel en overmoedig in zijn relaties met God. Het heeft Zijn majesteit en Zijn heiligheid vergeten. In een toestand van ontrouw, wil het Jahweh met zich vereenzelvigen 3. In plaats van zich voor Zijn troon te stellen om te weten waarom Hij Zijn volk had verlaten, doet Israël alsof het nog in zijn oorspronkelijke toestand is. God wil het volk noch erkennen, noch bijstaan. Integendeel, de ark van het verbond, die het teken en de plaats is van Zijn relaties met het volk, wordt genomen. Zijn troon is niet meer in het midden van Zijn volk. Zijn tabernakel is leeg. Elke door God gevestigde betrekking is verbroken. Waar zal men moeten offeren? Waar zullen de Israëlieten tot Jahweh, hun God, naderen? Eli, de priester, sterft, en zijn vrome schoondochter bezwijkt bij het horen van deze treurige berichten. Ze spreekt de lijkrede uit over het ongelukkige volk, in de naam die ze geeft aan het kind, dat haar vreugde niet meer kon zijn. De vrucht van haar schoot draagt alleen het stempel van de ellende van haar volk. De naam kon in haar ogen geen andere zijn dan Ikabod.
Wat was het een zegen, dat de lofzang van Hanna al in genade door de Geest was gegeven om het geloof en de hoop van het volk te ondersteunen! Elke uiterlijke band is verbroken. Maar God handhaaft zelf Zijn majesteit. Het ontrouwe Israël heeft het hoofd niet kunnen bieden aan de afgodendienaars. Maar God, Die door het volk verlaten was, eist in het midden van de afgodendienaars Zijn Heerlijkheid op, en bewijst zelfs in het midden van hun tempel, dat de afgoden alleen maar ijdelheid zijn.
Hoofdstuk 5-8
Israël heeft God niet kunnen verheerlijken. Maar de Filistijnen worden genoodzaakt de macht van de God van Israël te erkennen. Door de oordelen gedrongen, zint hun natuurlijk geweten op een middel. Als ze het uitvoeren, zien ze dat ze inderdaad met de sterke God, met de Soevereine, te doen hebben. De straf waaronder ze leden, had Hij hen opgelegd. En het bleek dat de invloed van Gods almacht zich zelfs uitstrekte over schepselen die van alle verstand ontbloot zijn, en die moesten handelen tegen hun machtigste instincten in.
God handhaaft Zijn majesteit ook in het midden van Israël. Hij is niet meer in hun midden om hun de beloofde zegeningen te verzekeren. Door de ontrouw van de Israëlieten heeft de ark blootgestaan aan smaadheden van de zijde van de Filistijnen en nieuwsgierigen. Maar als teken van de aanwezigheid van God, wordt de ark van God nu de oorzaak van de oordelen, die komen over hen, die in hun vermetelheid in de ark keken, en op deze wijze niet dachten aan de Goddelijke majesteit van Hem, Die er Zijn troon van maakte en Zijn getuigenis in bewaarde.
Maar hoe vaak doet de afwezigheid van God de waarde voelen van Hem, Wiens aanwezigheid men niet gewaardeerd heeft!
Israël, dat nog steeds beroofd is van de aanwezigheid en de heerlijkheid van Jahweh, klaagt Hem na. Laten we hier nog opmerken, dat God in het midden van de Filistijnen niet kon blijven. Het volk was vanwege zijn ontrouw aan de vijand onderworpen geworden, hoewel God in hun midden was. Maar als God (om zo te zeggen) aan Zichzelf wordt overgelaten, oordeelt Zijn aanwezigheid de valse goden. Een verbinding met de Filistijnen was onmogelijk want die hadden geen enkel verlangen naar Hem. Men kan zich niet beroemen op een overwinning over Eén, Die u doodt als Hij aanwezig is. Daarom ontdoen de Filistijnen zich van Hem. De kinderen van satan zullen de aanwezigheid van de ware God nooit verdragen.
Bovendien, laat God Zich niet van Zijn volk scheiden. Op een soevereine wijze, die laat zien dat Hij de God van alle schepselen is, vindt Hij Zijn weg tot het volk Zijner keuze terug. Maar Hij handhaaft Zijn majesteit, zoals we gezien hebben. Meer dan zeventig mensen betalen hun goddeloze vermetelheid met de dood.4 God komt terug. Maar het is nog steeds nodig, dat er een weg gebaand wordt in overeenstemming met Zijn raadsbesluiten en naar Zijn gedachten. Op deze wijze herstelt Hij Zijn relaties met Zijn volk. Als de ark twintig jaar in Kirjath-Jearim (hoofdstuk 7) is gebleven en Israël vurig naar Jahweh verlangt, verschijnt Samuel opnieuw op het toneel. Maar de ark wordt niet op haar oude plaats teruggebracht, en ook is de oude orde niet meer hersteld.
Door zijn getuigenis begint Samuel op het geweten van het volk te werken. Het moet gereinigd worden van datgene, wat hen had verzwakt en van wat God had onteerd. Hij zegt tot de kinderen Israëls dat, als ze zich met hun gehele hart tot Jahweh willen keren en Hem alleen willen dienen, het nodig is dat ze zich ontdoen van de valse goden. Een gedeelde aanbidding was onverdraaglijk. Dan zou God het volk bevrijden. Samuel, de profeet, is nu de plaats van ontmoeting tussen het volk en God. Nu erkent God alleen hem.
De ark komt niet eerder op z’n plaats terug, dan nadat de door God verkoren koning op de troon bevestigd is. Hij wordt pas dan in volkomen overeenstemming met de orde van God geplaatst, als de Zoon van David in vrede en kracht te Jeruzalem regeert 5. Slechts eenmaal is de ark geraadpleegd, maar haar aanwezigheid bleef zonder uitwerking en zonder macht (1 Samuel 14:18,19). De ark was er, maar in verbinding met hen, in wie geen geloof en heiligheid gevonden werden, zodat geen enkel resultaat eruit voortvloeide. Het liet zien dat God ergens anders was, of ten minste, dat Hij ergens anders werkte.
Maar laten we de geschiedenis vervolgen. Naar de woorden van Samuel doet Israël de valse goden weg. Het volk verzamelt zich rondom hem, opdat hij voor hen zal bidden. Het brengt geen enkel offer. Het schept water, en stort het uit op de aarde als teken van berouw (2 Samuel 14:14). Het vast, en belijdt dat het gezondigd heeft. En Samuel richt hen daar.
Als Israël zich verzamelt, al is het alleen maar om zich te verootmoedigen, komt de vijand direct in verzet. Want hij duldt geen enkele handeling, die het volk van God in een positie plaatst, waarin God als zodanig wordt erkend.
Israël vreest, en neemt de toevlucht tot de bemiddeling van Samuel. Deze brengt een offer 6 als teken van volkomen toewijding aan Jahweh en van de betrekking van het volk met Hem. Maar dit vindt niet plaats bij de ark. Samuel bidt tot Jahweh, hij wordt verhoord, en de Filistijnen worden voor het aangezicht van de kinderen van Israël op de vlucht gejaagd. En dit was geen uitzonderlijk geval, hoewel de Filistijnen niets van hun vreselijk karakter en haat tegen Israël verloren. Samuel doet Gods zegen over het volk komen. En “al de dagen van Samuel was de hand van de HEERE tegen de Filistijnen”.
De steden van Israël worden weer ingenomen. Er was vrede tussen Israël en tussen de Amorieten. Samuel richt het volk te Rama, en bouwt daar een altaar. Dit alles is voor het volk een bijzondere positie, waarin het geheel van Samuel afhankelijk is. Samuel leeft, alsof er geen tabernakel was, als een patriarch, en wordt door zijn eigen verbinding met God door het geloof, de steun en de hulp van het volk. Want het volk had niets anders.
Maar het geloof is geen erfgoed. Samuel kon van zijn zonen geen profeten maken. Als richters waren ze nauwelijks beter dan de zonen van Eli als priesters. En het volk zelf bezat niet het minste geloof om rechtstreeks op God te steunen.
Het wil gelijkgesteld worden met de volken. “Geef ons een koning” zegt het tot Samuel (8:5). Waar was nu Jahweh? Voor Israël nergens. Samuel voelt het onrecht van de vraag en keert zich tot Jahweh. Terwijl God erkennen moet, dat het volk Hem als naar gewoonte verworpen heeft, beveelt Hij Samuel naar hun stem te luisteren. Samuel waarschuwt de kinderen Israëls in overeenstemming met het getuigenis van God, en laat hun de nadelen en de gevolgen zien van zo’n besluit. Maar het volk wil niet luisteren.
Hoofdstuk 9-11
Door voorzienige omstandigheden brengt God de man, die Hij had uitgekozen om aan de vleselijke wensen van het volk te voldoen, tot de profeet. Hierin oordeelt Hij het volk en hun koning. (Hij gaf hun een koning in Zijn toorn, Hij nam hem weg in Zijn verbolgenheid Hosea 13:11). Maar Hij denkt aan Zijn volk. Hij verlaat het niet. Door Saul handelt Hij ten gunste van het volk, hoewel Hij hen tegelijkertijd hun ontrouw laat zien en later de ongehoorzame koning afzet. Schoonheid en een hoge gestalte kenmerkten de zoon van Kis. Maar in de tekenen, die Samuel hem geeft als hij hem zalft, had hij een aanwijzing moeten zien, dat hij zijn gedachten niet op zichzelf, maar op andere dingen moest richten.
Hoe vaak is er een betekenis of een sprake, die zeer eenvoudig is voor hem, die oren heeft om te horen, maar die ons ontgaat omdat ons vet geworden en verharde hart geen geestelijk inzicht noch onderscheidingsvermogen bezit! En toch hangt geheel onze toekomst ervan af. God heeft ons onze onbekwaamheid voor de zegen, die aan het gesprokene is verbonden, laten zien. Maar aan middelen heeft het niet ontbroken.
Hoewel de betekenis van het graf van Rachel minder duidelijk is dan de andere tekenen, had Saul (de zoon en erfgenaam naar het vlees van hem, die daar geboren was) eraan moeten denken, dat het kind van de smarten van de moeder, de zoon van de rechterhand van de vader was (Genesis 35:18).
God had Israël niet verlaten. Het geloof was er nog steeds. Er waren mensen, die God dienden. Er waren nog getrouwen in Israël, die zich de God van Bethel herinnerden. Een God, Die Zich aan Jakob had geopenbaard toen hij vluchtte, en Die, overeenkomstig Zijn trouw, hem weer in vrede had teruggebracht 7. Saul vindt genade in de ogen van de dienstknechten van God te Bethel. Ze erkennen hem, en hij wordt op zijn weg door hen versterkt. Maar de heuvel van God was nog steeds in handen van de Filistijnen. Dit was een andere omstandigheid, en de betekenis ervan had een trouwe Israëliet die de heerlijkheid van God en het welzijn van Zijn volk wenste, ter harte moeten gaan. Maar het teken, waarmee deze omstandigheid gepaard ging, was nog treffender. Want hier kwam de Geest van Jahweh op Saul, en hij werd in een andere man veranderd. Hij werd geroepen om “te doen wat zijn hand zou vinden om te doen, want God zou met hem zijn” (10:7) 8.
Het gebeurt vaak, dat het geloof op duidelijke wijze de dingen laat zien, die gedaan moeten worden, terwijl het ontrouwe en vet geworden hart dit in het geheel niet opmerkt.
Wat willen nu deze tekenen zeggen? Er zijn mannen in Israël, die de God van Bethel niet vergeten zijn. Het zijn oprechte en toebereide harten, die Hem kennen als de bron van hun geloof. Maar de heuvel van God, de openbare zetel van Zijn macht, bevindt zich in handen van de vijand. Dit moge dan zo zijn, maar de Geest van God is op hem, die van dit alles kennis neemt. Ja, het is zelfs zo, dat op deze heuvel de Geest vaardig over hem wordt. De naam van God heeft hier ook veel te zeggen. God wordt hier gezien in abstracte zin als God, de Schepper. De Geest van Jahweh komt hier over Saul, omdat Hij hier de draad van Zijn relaties met Israël weer opneemt.
Maar Samuel is nog steeds de enige, die door God wordt erkend als de band tussen Hem en het volk. Omdat Saul met Samuel in verbinding is geweest, is de eerstgenoemde een andere man geworden. Hij moet op Samuel wachten om te weten wat hij moet doen, en om gezegend te worden. Op deze wijze moet hij erkennen, dat de zegen met de profeet verbonden is. Hij mag zonder deze niet handelen. Hij moet met een volkomen geduld (zeven dagen) op hem wachten. En door zich aan het getuigenis van God te onderwerpen, zou dit geduld nooit de zegen zoeken buiten Zijn wegen om.
Ook hier zien we dat de Filistijnen de vijanden zijn, die het geloof op de proef stellen. Vaak hebben we vijanden, over wie we gemakkelijk zegevieren. Vijanden, door wie we als geestelijk beoordeeld worden, maar die toch niet dié zijn, waardoor het geloof van Gods kant (en men kan tevens zeggen van de zijde van de vijand) op de proef wordt gesteld. Hier moet het geduld zijn volmaakte werk hebben. Want ten opzichte van Saul nemen de Filistijnen zo’n plaats in. Het was goed, dat het volk ook van zijn andere vijanden bevrijd zou worden. Maar die andere vijanden vormden geen strik voor het volk zoals de Filistijnen, die hun macht zelfs in het midden van Israël en het land van de beloften openbaarden.
Worden wij door geestelijke machten overheerst in de Gemeente, waar de beloften van God vervuld moesten worden? En waar is de macht, die het kwaad en de geestelijke ongerechtigheid in het midden van het belijdende Christendom overwint?
Saul zou het volk van God van de Filistijnen moeten verlossen (9:16). De heuvel van God was in hun handen (zie ook 14:52). Als Saul op Samuel gewacht zou hebben, had deze hem alles gezegd, wat er gedaan zou moeten worden. En nu zullen we zien, hoe Saul twee jaar later, met het oog op de aanwezigheid van de Filistijnen, op de proef wordt gesteld. En wat ook de reden van de vertraging moge geweest zijn, de dingen waren niet veranderd. En alles wat hem in deze tussentijd gelukt was, had zijn geloof moeten vermeerderen en hem in de gehoorzaamheid moeten versterken.
Samuel roept het volk samen te Mizpa. Daar laat hij de kinderen Israëls hun dwaasheid zien, omdat ze, door een koning te begeren, de God van hun verlossing verworpen hebben. Maar dan gaat hij ertoe over om de koning te kiezen, in overeenstemming met het bevel van God. God komt tegemoet aan de wensen van het volk. Als het vlees God had kunnen verheerlijken, was er niets nodig geweest om het volk te bewegen hun vertrouwen op God te stellen. In de uiterlijke dingen schikt God Zich naar het vlees. En, zoals we dit al weten, als het volk Jahweh was nagevolgd, dan zou Hij hen niet verlaten hebben (12:20-25).
En nu God hun een koning heeft gegeven, zijn het de bozen, de kinderen Belials, die deze koning niet willen erkennen. En ook het volk ziet God nauwelijks in deze dingen. Het erkent Hem alleen maar in de dingen, die door het vlees opgemerkt kunnen worden, zoals de schoonheid van de koning en het succes van zijn wapens. Dat wil dus zeggen: alleen daar, waar God Zich schikt naar het vlees en waar Hij Zijn zegen geeft, opdat men Hem zou erkennen en vertrouwen. De Israëlieten verheugen zich in deze dingen, maar verder komen ze niet. Het geloof evenwel is iets anders dan de natuurlijke mens.
Alles gaat nog goed met Saul. Hij wreekt zich niet op hen, die zich tegen hem verzetten. Voordat zijn geloof wordt beproefd, bezorgt zijn natuurlijk karakter hem de gunst van de mensen. In al deze dingen, die aanleiding hebben gegeven tot deze vleselijke opwelling om een koning te begeren, schijnt alles naar wens te slagen. De Ammonieten worden zo totaal verslagen, dat er geen twee bij elkaar blijven. Ook hier handelt Saul met voorzichtigheid en edelmoedigheid. Hij staat niet toe dat de wensen van het volk om wraak te nemen worden verwezenlijkt. Hij erkende Jahweh in de zegen, die aan het volk was geschonken. God was inderdaad met hem, en gaf aan het vlees alle middelen en steun, die nodig waren om met Hem te wandelen, als dat mogelijk was. Van Gods kant is Samuel te Gilgal en steunt met zijn gezag de koning, die God heeft aangesteld. Het volk komt daar op zijn uitnodiging bijeen. Het is de gedenkwaardige plaats in verband met de zegen van het volk, hun verbinding met Jahweh, en het oordeel over het vlees bij het binnentrekken van het land. Het koninkrijk wordt er vernieuwd en de troon opnieuw erkend, waarvan het gezag juist tevoren gevestigd was door de succesvolle inspanningen die hadden geleid tot de verlossing van het volk van God. Dankoffers en grote blijdschap verhogen de luister van deze plechtigheid.
Hoofdstuk 12
Het volk getuigt van de trouw van Samuel, en deze toont aan de kinderen Israëls de wegen van God met hen. Maar tevens ook hun ondankbaarheid en dwaasheid, omdat ze een koning begeerd hebben en God verworpen. Als hij hun een teken geeft, dat aan zijn woorden de kracht geeft van het getuigenis van God, deelt hij het volk mee, dat zowel zij als de koning op Jahweh kunnen rekenen, als ze voortaan Hem gehoorzamen. Ze zouden dan kunnen wandelen onder Zijn zegen en leiding. Als ze dit niet deden, zou de hand van Jahweh tegen hen zijn. Want, ondanks hun zonden, zou Jahweh hen niet verlaten. En hijzelf (Samuel) zou niet ophouden voor hen te bidden en hun de goede en rechte weg te wijzen. Dat wil dus zeggen, dat hij het volk, wat hun openbaar gedrag betreft, in de positie stelt die het zelf voor het aangezicht van Jahweh had gekozen. Hoewel ze hem verworpen hebben, komt de gedachte in het geheel niet bij hem op, zijn bemiddeling of zijn getuigenis voor het volk achterwege te laten. Want zijn hart is vervuld met liefde voor het volk van God. Dit is een schoon beeld van een hart, dat dicht bij God leeft, en dat, door zichzelf te vergeten, het volk van God kan liefhebben omdat het Zijn volk is. Als hij hierin tekort geschoten zou zijn, zou hij tegen Jahweh gezondigd hebben (vergelijk 2 Korinthe 12:15).
Zo zien we hier dus Saul op zijn plaats bevestigd, en zijn gezag door de zegen van God bekrachtigd. Samuel trekt zich terug en beperkt zich tot zijn profetische dienst. Saul daarentegen wordt nu geroepen om zich trouw en gehoorzaam te betonen in de positie, waarin hij nu geplaatst is, en waaraan alle voordelen verbonden zijn, die de zegen van God en de plechtige handeling van de profeet hem kunnen verlenen.
Laten we nu de geschiedenis, die we bestudeerd hebben, nog eens kort samenvatten. Israël, dat ontrouw is geworden, handhaaft zijn relaties met God onder het priesterschap niet meer. De ark wordt genomen, de priester sterft en de toestand van het volk wordt weergegeven door de naam “Ikabod”. God verwekt dan een profeet, die de verbindende schakel wordt tussen Hem en het volk. Maar het volk, dat bedreigd wordt door de Ammonieten, vraagt tenslotte een koning. God geeft hen een koning, maar laat tegelijkertijd Zijn misnoegen hierover merken, want Hij was de Koning van Israël. De Geest van de profetie blijft evenwel voortgaan het kanaal van de goddelijke mededelingen voor het volk te zijn. Aan Saul, de uitverkoren en gezalfde koning worden dan tekenen gegeven, die de toestand van het volk laten zien: Allereerst, enkele getrouwen, die de God van Bethel erkennen. Dat wil zeggen dat ze de getrouwe God van Jakob erkennen, die hem beloofd had hem niet te zullen verlaten totdat Hij alles zou gedaan hebben, wat Hij had beloofd. Vervolgens: de heuvel van God (de zetel van het gezag in het midden van het volk), die in het bezit van de Filistijnen is. Dat wil zeggen dat de macht van de vijand regeert in het land van de belofte.
De Geest van de profetie komt over Saul, en toont hem waar God Zich te midden van deze omstandigheden bevond. Samuel zegt hem dat hij in Gilgal op hem moet wachten. Intussen wordt Saul, zoals we al gezien hebben, door de zegen van God bekrachtigd in alles wat hij onderneemt.
Hoofdstuk 13
Saul regeert twee jaar. Dan kiest hij drieduizend mannen. Tweeduizend zijn er bij hem en duizend bij Jonathan. Jonathan, een man van het geloof, treedt met kracht op tegen de vijanden van het volk van God en slaat de Filistijnen. Zoals altijd het geval is, is de kracht van het geloof daar werkzaam, waar de vijand zijn macht handhaaft. En dit wekt de tegenstand van de laatste op. De Filistijnen horen erover spreken dat Saul actief wordt, en niet “Israël” maar de “Hebreeën” samenroept.
We moeten hier opmerken, dat er bij Jonathan geloof aanwezig is. Het vlees, dat in de positie van leider van het volk van God is geplaatst, volgt weliswaar de ingeving van het geloof, maar het geloof zelf is er niet aanwezig. En dit woord “Hebreeën”, een naam, die een Filistijn aan het volk gegeven zou hebben, laat ons zien dat Saul op de bijeenvergadering van het volk als gevestigd lichaam rekent, en (evenals de Filistijnen), de betrekking, die een uitverkoren volk met God heeft, niet verstaat. En dit is de positie, die ons in de geschiedenis van Saul wordt getoond. Het is geen oppositie tegen God, maar het is het vlees, dat in een positie van getuigenis geplaatst is, en dat gebruikt wordt om het werk van God uit te voeren. Men ziet hier iemand, die aan de belangen van het ware volk van God verbonden is, het werk van God doen. En dit in overeenstemming met de gedachten en de noden van het volk. Wat de tegenwoordige nood van het volk aangaat, is deze gedachte oprecht, maar ze zoekt haar hulpbronnen in de kracht van de mens. En als men Zijn wil doet, weigert God niet aan deze kracht Zijn bijstand te verlenen, want Hij heeft Zijn volk lief. Maar de kracht zelf komt in beginsel (in zedelijk en in innerlijk opzicht) nooit uit boven het vlees, dat de bron ervan is. Te midden van dit alles kan het geloof handelen, en het handelt welgemeend. Dit zien we bij Jonathan. God zal het geloof zegenen (dit doet Hij altijd), omdat het geloof Hem erkent, en in dit geval omdat het geloof op oprechte wijze het welzijn van het volk van God zoekt.
Dit alles is in beginsel een soort beeld van de belijdende kerk, die van dit gezichtspunt uit gezien op de ware regering van Christus vooruitloopt en in deze positie faalt in haar trouw aan God Zelf. Het ware geloof bereikt te midden van een dergelijk systeem nooit de hoogte van de heerlijkheid van Hem, Die nog komen moet, de ware verworpen David, maar het heeft Hem lief en klemt zich aan Hem vast. Als de Gemeente alleen maar belijdend is, dan vervolgt ze Christus. Maar wat in haar door het geloof handelt, heeft Hem lief en erkent Hem, zelfs dan, als Hij als een patrijs op de bergen wordt opgejaagd.
Nu dus Jonathan in het geloof de Filistijnen heeft aangevallen, wordt Saul op de proef gesteld. Naar de uiterlijke schijn voert hij het volk aan in de tegenwoordigheid van God. Zal hij nu de beproeving kunnen doorstaan? Zal hij zich het ware beginsel, waarop de zegen van het volk rust, herinneren? Zal hij in de profeet de ware band van het geloof tussen het volk en God erkennen, of zal hij gaan handelen als een koning-priester? Hij had het belang en de noodzaak van deze band moeten erkennen, want hij had zijn tegenwoordige positie en macht aan de profeet te danken. Deze had hem immers bij zijn aanstelling de bewijzen van zijn zending en zijn profetisch gezag gegeven? Maar helaas! Als het beslissend ogenblik gekomen is, faalt Saul.
Het is de moeite waard hierna te gaan, wat de kentekenen zijn van het ongeloof van het vlees.
Het leger van de Filistijnen is geslagen, en dit werkzame en geestkrachtige volk, hoort ervan. Niets is natuurlijker dan dat. En Saul heeft geen hulpbron, die verschilt van de hunne. Hij roept niet tot God, en roept Jahweh, de God van Israël, niet om hulp. Samuel komt niet in zijn gedachten, hoewel hij zich herinnert wat Samuel hem had gezegd. Als de Filistijnen het gehoord hebben, moeten de Hebreeën het ook horen. Israël heeft angst. Maar God beantwoordt het ongeloof niet, als Hij het geloof op de proef wil stellen. Saul roept het gehele volk op hem naar Gilgal te volgen, maar het wordt spoedig verstrooid als zij horen dat de Filistijnen zich vergaderen. Als Saul in Gilgal is, denkt hij weer aan Samuel. Maar de toestand was nu niet meer zoals in de dagen toen het koningschap werd vernieuwd. De omstandigheden zelf gaven er aanleiding toe, aan de hulp van Samuel te denken. Naar de woorden, die Samuel destijds gesproken had, wacht hij zeven dagen op hem. Hij wacht lang genoeg om aan de eisen van zijn geweten te voldoen. De natuur kan lange tijd naar dit beginsel wandelen, maar ze is zich van haar zwakheid niet bewust. Ze voelt niet dat alles van God afhangt. Ze wacht niet op Hem, als de Enige, Die handelen kan; Die de enige hulpbron is. En dan, evenals Israël eertijds de ark in het leger liet komen, brengt Saul een brandoffer. Maar als hij op God had vertrouwd, zou hij begrepen hebben dat hij op Hem had moeten wachten, wat er ook gebeurde. Dat het nutteloos was, iets te ondernemen zonder Hem, en dat hij niets zou riskeren met wachten. Een getrouwe God zou hem niet verlaten hebben. En hij kon zich niet verontschuldigen, want hij had aan Samuel gedacht, die hem gezegd had te wachten. Hij had eraan moeten denken, dat de leiding en de zegen van God met de profeet verbonden waren. Maar Saul ziet op de omstandigheden. Het volk wordt verstrooid en Saul zoekt de bemiddeling van God door een daad van vroomheid, maar zonder geloof. Dit was het beslissende ogenblik. God zou zijn regering over Israël bevestigd hebben, en zijn huis voor altijd met de troon hebben verbonden. Maar nu heeft Hij er een ander voor gekozen.
Men moet er hier wel op letten, dat Saul het koningschap niet heeft verloren tengevolge van een nederlaag in de strijd tegen de Filistijnen. De fout lag alleen tussen hem en God. De Filistijnen vallen hem niet aan. Satan is al tevreden als hij ons juist zoveel angst kan bezorgen, dat we de eenvoudige weg van het geloof verlaten. Samuel gaat weg nadat hij aan Saul de gedachten van God had bekendgemaakt. De Filistijnen plunderen het land, dat zonder verdediging is, want het volk bezat “noch zwaard, noch spies”.
Wat een droevig tafereel van de toestand van het volk van God! Hoe vaak zien we kinderen van God, die de waarheid erkennen en erfgenamen van de belofte zijn, zonder wapens tegen de vijand strijden, met het gevolg, dat ze geplunderd worden!
Hoofdstuk 14
Maar het geloof in God wordt altijd gezegend. En als God het resultaat van het ongeloof heeft laten zien, toont Hij ook de dwaasheid ervan. Want slechts waar geloof aanwezig is, wordt al Zijn kracht openbaar. En dan is de vijand zonder wapens. In overeenstemming met de kracht die het geloof in God hem geeft, maakt Jonathan zich op om de Filistijnen aan te vallen. En zoals we het ongeloof in Saul zien, zo zien we in zijn zoon de schoonheid van het geloof.
De moeilijkheden zijn niet minder groot geworden. De Filistijnen houden de omgeving bezet, en hun legerplaats neemt een positie in, die op een buitengewoon moeilijke wijze te benaderen is. De toegang tot deze legerplaats wordt slechts verleend door een nauwe weg, waarop steile rotsen zijn die men beklimmen moet. Daar waren de Filistijnen in grote getale aanwezig. En goed bewapend. Maar het geloof kan moeilijk verdragen, dat het volk van God door zijn vijanden verdrukt wordt en dat Godzelf op deze wijze wordt onteerd. Jonathan verdraagt dit althans niet. Waar zoekt hij nu zijn kracht? Zijn gedachten zijn zeer eenvoudig. De Filistijnen zijn onbesneden. Ze hebben geen hulp van de God van Israël te verwachten. “Het is voor de HEERE niet te moeilijk om te verlossen, door veel of door weinig mensen” (vers 6). Dit was het geloof van Jonathan. Een schone bloem, die de hand van God op dit droevige ogenblik in de woestijn van Israël doet ontluiken. Jonathan denkt niet aan zichzelf. Hij zegt dat Jahweh de Filistijnen in de hand van “Israël” heeft gegeven. Hij rekent op God en op Zijn onwankelbare trouw tegenover Zijn volk. Zijn hart rust hierin 9. Hij denkt er geen ogenblik aan, dat God niet met Zijn volk zou zijn, in welke toestand dit volk zich ook mocht bevinden. Het geloof wordt hierdoor gekenmerkt. Het erkent niet alleen dat God groot is, maar het erkent ook de onverbreekbare band (onverbreekbaar, omdat ze van God is) die er tussen God en Zijn volk bestaat. Het gevolg hiervan is, dat het geloof de omstandigheden vergeet, of beter gezegd, ze van geen waarde acht. God is met Zijn volk. Hij is niet met hun vijanden. En al het overige is maar een gelegenheid om de ware afhankelijkheid van het geloof op de proef te stellen. We vinden bij Jonathan dus geen grootspraak. Maar hij vertrouwt op God, trekt erop uit en ontmoet de Filistijnen. Hij is daar een getuige van God. Als de vijanden in hun vermetelheid tot Jonathan en zijn wapendrager zouden naderen, zou hij ze opwachten, zonder zich moeilijkheden te maken. Hij zou niet terugwijken voor hen, die op zijn weg zouden komen. Het trage, en tegelijkertijd dwaze en onvoorzichtige vertrouwen van de vijand is voor Jonathan alleen maar het teken, dat Jahweh hen in zijn hand gegeven had. Kwamen de vijanden naar hem toe, dan zouden ze hun voordeel hebben prijs gegeven. Zei de vijand, dat Jonathan en zijn wapendrager tot hen zouden opklimmen, dan maakte hij de onoverkomelijke hinderpaal te niet om tot de legerplaats te naderen. Jonathan is blij dat hij een getrouw metgezel heeft bij zijn werk van het geloof en zoekt geen andere steun. Hij spreekt niet van “Hebreeën”, maar zegt: “De HEERE heeft hen in de hand van Israël gegeven” (vers 12). Hij beklimt de rots met hem, die zijn wapens droeg. En Jahweh was met hem. De Filistijnen vallen voor zijn aangezicht en “achter hem doodde zijn wapendrager hen” (vers 13). Maar met alle eer voor de arm, die door het geloof gesterkt was, is het toch Godzelf, Die zich hier openbaart. De schrik van God maakt zich meester van de Filistijnen, en alles beeft voor de aanwezigheid van de man, die door het geloof (als kostbare gave van God) tussenbeide kwam.
Het geloof handelt uit zichzelf. Saul ziet zich verplicht het volk te tellen. Hij wil weten, wie niet aanwezig is, en we komen, helaas, aan de droevige geschiedenis van het ongeloof. Hij zoekt bij de ark enkele aanwijzingen, terwijl God elders over zijn vijanden zegeviert zonder Israël. Het rumoer en de verwarring worden steeds groter, en het ongeloof, dat nooit weet wat het moet doen, zegt tot de priester, dat hij zijn hand terug moet trekken. De koning en de priester vormden niet de band die tussen God en Israël bestond. Want er was noch het geloof van het volk in God zonder een koning, noch de koning, die God Zelf had gegeven.
En hier vinden we ook nog hen, die in plaats van “Israël” (dat alleen door Jonathan erkend werd) door de Geest van God “Hebreeën” genoemd werden 10. Ze bevinden zich, hoewel ze “de bron van Jakob” zijn (Deuteronomium 33:28) onder de Filistijnen en zijn tevreden hun welzijn in het midden van Gods vijanden te vinden.
Nu de overwinning behaald is, zijn allen verheugd in de zege te delen en vervolgen ze de Filistijnen.
Én wat doet de arme Saul? Hoe goed de bedoelingen van het ongeloof ook mogen zijn om zich met het werk van het geloof één te maken, kan het toch niets anders doen dan dit werk bederven. Saul zegt dat hij zich aan zijn vijanden zal wreken. Aan Jahweh denkt hij niet. Hij denkt aan zichzelf en belemmert zo, door zijn vleselijke en zelfzuchtige ijver, de vervolging. Dat God ons moge bewaren voor de aanwijzingen en de hulp van het ongeloof, bij het werk van het geloof. God alleen kan ons helpen, en wel met alle middelen. Maar als de mens het werk afhankelijk stelt van zichzelf, dan bederft hij het alleen maar. Zelfs dan nog, als hij probeert er kracht in te brengen.
Op het moment van zo’n zegen, doet Saul al zijn best om de gedachte te handhaven, dat hij de voorschriften van Jahweh strikt in acht neemt. Die gedachte wilde hij ook wekken toen hij Hem bij de ark raadpleegde. Hij praat veel over zichzelf, alsof de overwinning alleen aan hem te danken was, en alsof er maar één enkele verborgen zonde was, die God belette hem te antwoorden. Het scheelt niet veel, of hij laat Jonathan, door wie God gewerkt had, doden. Hij wilde de zonde ontdekken door de bemiddeling van God in te roepen. Deze handelt dan inderdaad; maar alleen om de dwaasheid van de arme koning aan te tonen.
Merk op, dat het geloof in zijn volle kracht, de versterkingen, die God in een moeilijke weg aanbiedt, dankbaar kan aanvaarden. De vleselijke ijver daarentegen, die niets anders is dan een nabootsing van het geloof, legt zich als een zekere plicht op deze versterkingen te weigeren. Want het ongeloof handelt nooit met God. Als Saul de leiding in handen neemt, doet hij niets anders dan de anderen beletten de vruchten van de overwinning te plukken. Zijn bemiddeling heeft het werk van anderen alleen maar bedorven. Hij bezit geen geloof om zelf iets te doen.
God heeft evenwel medelijden met Israël, en houdt hun vijanden, door middel van Saul, in bedwang. Want al is hij ongelovig, hij heeft zijn haat nog niet tegen de uitverkorene van God gekeerd. Hij was nog niét door God verlaten.
Maar dit pijnlijke ogenblik zou spoedig aanbreken. Intussen maakt Saul zich sterk. De oorlog met de Filistijnen was een voortdurende strijd, maar Saul, hoe geoefend hij ook was, was niet in staat ze te verslaan zoals David of zelfs Samuel deden. Hij zoekt in zijn volgelingen vleselijke middelen om zijn doel te bereiken. Merk hierop, met wat voor schrikbarende snelheid, en hoe zelfs meteen, de vijand de overhand krijgt, als men niet in de wegen van God wandelt! (Vergelijk hoofdstuk 7:12-14 en 13:16-23).
Merk ook op, hoe alle vormen van vroomheid en Joodse godsdienst bij Saul gevonden worden: de priester van Jahweh te Silo, die de efod droeg (14:3) en de ark (vers 18). Hij raadpleegt de priester. Hij belet het volk het vlees met het bloed te eten. Hij bouwt een altaar. De priester vraagt God en aangezien God niet antwoordt, wil Saul Jonathan als schuldige doden, omdat deze niettegenstaande de vloek toch had gegeten.
Maar let er wel op, dat dit het eerste altaar is, dat Saul heeft gebouwd, en dat de priester uit de familie komt, die door God veroordeeld is. En Saul bouwt zijn altaar als hij verworpen is, en na de uiterlijke zegen, die God hem had geschonken. Hij schrijft deze zegen aan zichzelf toe, hoewel hij niets anders heeft gedaan dan haar bedorven. Aan de andere kant zien we het geloof van Jonathan handelen zonder dat hij te rade gaat met vlees en bloed. Jonathan werkt, zoals het volk zegt, met God (45). Het volk wist niet eens dat hij afwezig was! Gelukkige Jonathan! Het geloof had hem ver genoeg laten gaan, opdat hij de onzinnige vloek niet zou horen die door zijn vader was uitgesproken over degene, die enig voedsel tot zich zou nemen. De dwaasheid van het ongeloof van een ander had hem niet bereikt, en hij was vrij om onderweg met blijdschap en dankzegging van de goedheid van zijn God te genieten. Hij vervolgde dan ook verkwikt en bemoedigd zijn weg. Gelukkige wandel van de eenvoud, die met God handelt!
Het bestuderen van deze twee hoofdstukken is zeer leerzaam. Ze laten ons immers de tegenstelling zien die er bestaat tussen de wandel van het geloof en die van het vlees, in de positie die deze laatste, op grond van zijn belijdenis, in het werk van God inneemt. Het was de eerste keer dat Saul zich tegenover de vijanden bevond, met het oog waarop God hem verwekt had.
Hoofdstuk 15
Saul wordt voor een laatste proef gesteld. Door de mond van Samuel ontvangt hij de boodschap om Amalek te vernietigen en alles, wat deze heeft, te verbannen. De Amalekieten waren de meedogenloze en verbitterde vijanden van het volk van God (Deuteronomium 25:17-19). Ze waren de eersten onder de volken geweest. Hun naam en trots waren overal bekend (Numeri 24:7,20), maar het was een door God geoordeeld volk.
God draagt nu aan Saul op om Deuteronomium 25:19 te vervullen. Hier gaat geheel Israël met hem, zonder vrees. Dit waren geen vijanden van binnen, die dagelijks hun krachten verteerden en hen moedeloos maakten. De overwinning is volkomen. Het gaat hier alleen om de trouw aan God. Om de eer van God te stellen boven de eigen belangen. Maar Saul vreest het volk. De Geest van God zegt: “Saul en het volk” (vers 9). Saul zegt: “Het volk” (vers 15), en dat het “voor God” was, dat ze de beste schapen en runderen gespaard hadden. Maar onze verontschuldigingen, zelfs als ze op waarheid berusten, kunnen ons alleen maar veroordelen. Saul, die geen geloof heeft en niet op God ziet, vreest het volk meer dan God. Wat is de ongelovige toch een slaaf! Als hij geen slaaf van de vijand is, is hij het van het volk, dat hij schijnt te regeren. Te midden van het volk is Saul ontrouw aan God, ondanks de zegeningen, die Jahweh hem had gegeven. Hij wordt ten slotte van zijn koningschap beroofd.
Geen verootmoediging! Geen gebroken hart! Hij belijdt zijn zonde in de hoop, de straf te zullen ontgaan. Maar als hij hieraan niet kan ontkomen, wil hij dat Samuel hem in elk geval zal eren. Dit laatste doet Samuel, en daarna verlaat hij hem. Alles verandert nu en David verschijnt op het toneel.
We moeten hier nog opmerken, dat de aaneengesloten geschiedenis van de regering van Saul met het slot van hoofdstuk 14 eindigt. Hoofdstuk 15 is een geschiedenis op zichzelf en de inhoud daarvan is zeer belangrijk omdat het de definitieve verwerping van Saul laat zien. En daardoor treedt nu David op de voorgrond.
Hoofdstuk 16
Samuel krijgt opdracht deze uitverkorene van Jahweh te gaan zalven. Hier wordt alle heerlijkheid van het vlees en het eerstgeboorterecht terzijde gesteld. De jongste die de schapen verzorgt, en door allen veracht en vergeten is, wordt door God verkoren, want Hij “ziet het hart aan” (vers 7). Door Jahweh onderwezen, aarzelt Samuel niet bij zijn beslissing. Hij kan geen enkele van de zeven, die thuis zijn, accepteren. “Zijn dit al de jongens?” vraagt hij (vers 11). En ten slotte zalft hij David, die uit het veld is geroepen.
Maar God stelt David niet direct in het bezit van de hoogste macht, zoals Hij dat gedaan had met Saul. Het is noodzakelijk, dat David zich door genade en geloof een weg baant, door alle soorten van moeilijkheden heen, en dat, al is hij vervuld met de Heilige Geest, hij in tegenwoordigheid van een macht werkt, die deze Geest niet bezit en die nog niet is terzijde gesteld. Hij moet onderworpen en nederig zijn en zich volkomen afhankelijk weten van God. In alle omstandigheden moet God hem genoeg zijn. Door de beproevingen, waarin ervaren wordt dat God alles is, moet zijn geloof zich ontplooien. Dit is een schoon beeld van Hem, Die zonder zonde een heel wat moeilijker weg en omstandigheden respectievelijk heeft afgelegd en meegemaakt. En niet alleen is David een beeld van Hem. Maar tegelijkertijd is hij een vat, dat God voor de Heilige Geest heeft toebereid. En deze Geest heeft hem weten te vervullen met gevoelens, die, terwijl ze op zo treffende wijze de smarten van Christus Zelf en Zijn medegevoel voor de Zijnen beschrijven, de toevlucht laten zien, die er is in God voor hen, die in zwakheid dezelfde weg als Hij moesten volgen, Hebreeën 12:1,2. Want niemand zal het toch betwijfelen, dat de beproevingen van David aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van het grootste deel van die schone psalmen. Door deze psalmen, die de omstandigheden, beproevingen, en smartkreten van het overblijfsel van Israël in de laatste dagen weergeven, en ook die van Christus Zelf (Die zich in de geest met hen één en hun zaak tot de Zijne gemaakt heeft), hebben vele andere belaste zielen uitdrukking kunnen geven aan hun smart en tevens vertroosting ontvangen. En zelfs als de uitlegging die zij van deze psalmen gaven niet volkomen was, zijn hun harten toch niet teleurgesteld geworden 11. Maar laten we tot de geschiedenis terugkeren.
De Heilige Geest komt op David en verlaat Saul, die tegelijkertijd door een boze geest wordt verschrikt. De voorzienigheid van God brengt David door middel van een van de dienstknechten van Saul, die hem kende, naar voren en stelt hem aan Saul voor. Deze heeft hem lief en wil David bij zich houden. David wordt zijn wapendrager, en bespeelt de harp als de boze geest Saul verschrikt. David is in de ogen van God de gezalfde koning. Maar hij moet eerst lijden voordat hij regeren kan, hoe groot zijn geestelijke kracht ook moge zijn.
Hoofdstuk 17
De Filistijnen, die het beeld zijn van de macht van de vijand, vertonen zich weer opnieuw met hun kampvechter aan het hoofd. Niemand durft met hem de strijd aanbinden. David was weer naar huis teruggekeerd en leefde in eenvoud zijn gewone leven.
Hoewel het voorgaande een algemeen beeld geeft van de positie, waarin David was geplaatst, schijnt het toch dat hij maar kort bij de koning is gebleven (vers 15). Zijn vader zendt hem om zijn broeders te bezoeken, die zich in het leger van Saul bevinden. Daar zag hij de Filistijn, die de legers van Israël uitdaagde. Jonathan zien we hier niet. Er is maar één, die deze reus verslaan kan, in wie alle kracht van het kwaad verenigd is. Het geloof van David ziet hier geen enkele moeilijkheid, omdat hij God ziet. In de vijand ziet hij slechts een vijand van God, zonder kracht. Hij was “maar een onbesnedene” en al het andere was van minder belang. Bij het vervullen van zijn dagelijkse plicht had David al moeilijkheden ervaren, die zelfs voor een volwassen man te groot geweest zouden zijn. Maar hoewel hij nog jong was had hij ze overwonnen op grond van een zeer eenvoudige reden: “Jahweh had hem bevrijd” (vers 37). Hij had zich hierop niet beroemd. Het was het vervullen van zijn plicht. Maar hij had in dit alles de kracht en de trouw van Jahweh leren kennen. En nu ervaart hij het opnieuw. De wapenen van de mens worden verworpen. Het geloof kent ze niet. God wil het werk door de eenvoudigste middelen tot stand brengen.
David zegt tegen de Filistijnen wat zijn kracht is. “Ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten” (vers 45). Dan maakt hij zich één met het volk van God. “Heel de aarde zal weten dat Israël een God heeft” (vers 46). Merk hierop hoe de eenvoud van het geloof zich bewust wordt van kracht en de gevolgen ervan in de hand van God (46). Zo is het altijd als God het hart leidt.
De steen, die diep doordringt in het voorhoofd van Goliath, ontneemt aan deze tegelijkertijd zijn kracht en zijn leven. David houwt het hoofd van Goliath af met diens eigen zwaard. De Heer Jezus heeft hetzelfde gedaan toen Hij door de dood hem vernietigde, die de macht van de dood had.
Het gehele leger van Israël profiteert van de overwinning, die David heeft behaald. Saul, die David vergeten was, wil dat deze bij hem blijft. Het vlees, en zelfs het vlees dat in opstand is, kan de uitverkorene van Jahweh liefhebben, vanwege de hulp en steun, die deze geeft. Maar het vlees kent hem niet. Als hij het werk van God doet, is hij Saul even vreemd, alsof hij hem nooit heeft gezien.
Hoofdstuk 18
Maar als Christus zich openbaart, heeft het overblijfsel (want Jonathan stelt het overblijfsel voor) Hem lief als zijn eigen ziel, en deze geliefde wordt het voorwerp van al zijn genegenheid. In de toepassing gaat dit evenwel niet verder dan tot de persoonlijke regering van Christus. Jonathan stelt dit overblijfsel voor, dat Hem gedurende Zijn vernedering heeft liefgehad. Wat deze wereld betreft, zien we altijd hetzelfde, namelijk dat er een overblijfsel is, dat Christus lief heeft en naar Zijn regering verlangt, hoewel deze regering een einde maakt aan de bedeling waarin dit overblijfsel zich bevindt. Van de Gemeente is hier, eigenlijk gezegd, geen sprake. Het is een overblijfsel, dat naar de komst van Christus verlangt. Saul, die zijn eigen heerlijkheid zoekt en zijn positie door vleselijke middelen wil handhaven, zoekt de dood van hem, die komen moet om het koninkrijk te vestigen. Dit hebben de Joden gedaan ten opzichte van Christus.
Er is onderscheid tussen het geloof van David en dat van Jonathan, hoewel beiden de Filistijnen overwonnen hebben. Jonathan schrikt niet terug voor de moeilijkheden. Hij ziet op de God van Israël, en doet het werk, dat Saul nalaat. Dit is het ware en krachtige geloof van het volk van God. Maar David, de koning, (weliswaar verborgen, maar toch uitverkoren en gezalfd) ontmoet van aangezicht tot aangezicht de grote vijand van zijn volk in zijn gehele kracht. Alleen het zien van deze vijand dreef het volk al op de vlucht.
Het geloof van Jonathan wordt op treffende wijze getekend door het feit, dat hij zich vastklemt aan hem, die, te oordelen naar de mens (zoals Saul deed) zijn eigen heerlijkheid teniet maakte. Jonathan gaat geheel op in hem, die God heeft uitverkoren. Hij ziet in hem het ware hoofd van Israël, waardig dit te zijn; die, hoe veracht ook op dat ogenblik, voorspoedig zal zijn en moet regeren namens God. Het zijn ook de voortreffelijkheden van David, waardoor Jonathan zich aan hem verbonden voelt. Het was een persoonlijke liefde. Jonathan bezat het vermogen om David te waarderen, en hij vergeet zijn eigen belangen door aan hem te denken. De stem en de woorden van David dringen hem diep in de ziel, en binden hem ondanks alles aan de koning, die door God werd uitverkoren, al is hij nu nog miskend. Saul, het erkende hoofd van het volk, wordt jaloers op ieder, die zich wederrechtelijk de plaats zou kunnen toe-eigenen, waarop hij of een van zijn nakomelingen recht heeft. Hij is vervuld met vijandschap tegenover David en door God verlaten. Hij is het werktuig van de vijand tegen de gezalfde van Jahweh. Ten slotte valt hij door de directere en openlijke macht van de vijand van Gods volk. Een droevig einde van hem, die een vat van zegen was geweest en een instrument ten dienste van het werk van God, al was het dan ook slechts op vleselijke wijze.
God laat de heerlijkheid van David uitblinken boven de officiële belangrijkheid van Saul. Men juicht zó over de overwinningen van de eerste, dat de afgunst van de koning hierdoor wordt opgewekt.
We zullen nu in deze nieuwe omstandigheden de karaktertrekken van het geloof van David in het kort nagaan. Nooit verheft zijn hand zich tegen Saul. David dient hem in gehoorzaamheid. Hij doet zijn plicht en verdraagt met geduld de afgunst en het kwaad, die hem vervolgen.
Arme Saul! Hij is door een boze geest in de war gebracht. David speelt voor hem op de harp, maar Saul wil hem doden. David ontkomt. Saul vreest hem, want de God, Die hem verlaten heeft, is met David. Hij ontdoet zich van David, maar nu wordt deze door het volk nog beter gezien dan ooit. God vervult altijd Zijn plannen, ondanks alle vleselijke voorzorgsmaatregelen van de mens. David is voorzichtig. Hij bezit de wijsheid van God. God is met hem in al zijn wegen. Energiek en zonder aanmatiging, altijd gezegend, wordt hij door geheel Juda en Israël geliefd. Met al de kracht en voortreffelijkheid van zijn geloof gaat hij voor hen in en uit.
Saul wil uit dit alles zijn voordeel trekken, ogenschijnlijk eert hij David. Dit dient evenwel alleen maar om hem bloot te stellen aan het gevaar van de vijand, en om zich op deze wijze van hem te ontdoen. David blijft nederig en Merab wordt aan een ander gegeven. Michal biedt Saul een gelegenheid die hem beter lijkt. Omdat het hier gaat om de macht van de vijand van Gods volk te vernietigen, neemt David aan wat Saul voorstelt, en slaagt. En Saul ziet elke dag meer, dat God met David is en vreest hem des te meer. Een treurige ontwikkeling van de droevige toestand van een ziel! In ogenblikken waarin betere gevoelens hem beheersten, ontbraken evenwel schone natuurlijke trekken niet. Maar in dit alles was God niet (hoofdstuk 19).
Hoofdstuk 19-21
De bemiddeling van Jonathan werkt gunstig op zijn vader, en voor een tijd gaat alles goed. Maar Saul, die door God verlaten is, kan niet verdragen dat God met David is. De oorlog breekt uit en David, die het ware instrument van God is in wat Hij doet voor Zijn volk, slaat de Filistijnen en jaagt ze op de vlucht.
Men moet erop letten dat het hier de Filistijnen zijn waardoor de kracht van het geloof op de proef wordt gesteld. Hier wordt de strijd van God en van het geloof geleverd. En het is ook hier, dat David altijd slaagt en Saul heeft gefaald.
Saul is opnieuw door de boze geest verward, en als David hem zoekt te vertroosten door op de harp te spelen, wordt hij bijna gedood. Hij ontvlucht en gaat naar Samuel. Merk hierop, hoe verdriet, dat veroorzaakt wordt door egoïsme en eigenliefde, de boze geest gelegenheid geeft om op de ziel in te werken.
Hier zien we weer de macht die, hoe verborgen ook, nog steeds het lot van Israël beheerste. David erkent die macht, en als hij zich voor Saul niet meer kan handhaven, is hij geenszins van plan zijn eigen eer te zoeken, door in opstand te komen tegen de uiterlijke vorm, die door God in de grond van de zaak veroordeeld, maar nog niet vernietigd was. In plaats van zich ertegen te verzetten, beperkt hij zich ertoe, de openbaring van Gods macht te erkennen die Saul in zijn koninklijke positie had gebracht, en waarvan hij zelf het getuigenis en de mededeling van Gods kracht en wil had ontvangen. Hij zoekt zijn toevlucht bij Samuel. Hij wordt door Saul en zijn boden achtervolgd, die evenals hun meester, onderworpen worden aan een macht, die hun harten niet beïnvloedt en hun geen leiding geeft. Een macht, waarvan Saul de zegen had verloren. Wat een tafereel van een onnuttig en verloren vat! Dan eens wordt hij neergeworpen door de macht van satan, dan weer profeteert hij door de macht van God, van Wie zijn hart ver verwijderd, en door Wie hij verlaten is. Zijn gedrag is uiterlijk in orde. Hij doet geen kwaad, behalve wanneer de gezalfde van Jahweh zijn afgunst en haat opwekt.
David is nu van voor het aangezicht van Saul verdreven, en wordt een zwerver op de aarde. Dit betekent dat hij niet meer volledig aan Saul onderworpen is. En zelf is hij het instrument van de kracht van God. Door Saul verdreven, is hij teruggekeerd tot de bron van het getuigenis van God, en Saul heeft nogmaals de euvele moed, hem naar het leven te staan, zelfs als hij bij Samuel is. Nu bedwingt hij zich helemaal niet meer, en vergeet alles wat hem aan God had moeten herinneren en hem had moeten tegenhouden. Als hij zichzelf dan zo verheerlijkt en laat voorstaan op de verkregen positie, maakt de aanwezigheid van Samuel geen enkele indruk meer op zijn geweten. Het is zelfs niet meer: “Eer mij voor de oudsten van mijn volk” (15:30). Hij houdt met de profeet totaal geen rekening meer. Ondanks zichzelf, komt Saul onder de invloed van de macht, die hij heeft veracht. En zo wordt David tegen het kwaad behoed. Maar hij kan nu tot Saul niet meer terugkeren. Dan zou hij zich verenigd hebben met de verwerper van het getuigenis van God. Want wat moet men doen als een man profeteert, en niettemin de macht tegenwerkt, die hij niet kan ontkennen? David vlucht. Maar de toestand van Saul wordt in dit verband nog weer op de proef gesteld. Jonathan kan nauwelijks geloven aan de slechte wil van zijn vader. Maar voordat Jonathan die toch vaststellen moet, wordt zijn toewijding aan David op een besliste wijze openbaar. Zijn geloof en zijn hart erkennen heel goed, wat de verblinde Saul niet heeft willen aannemen (hoofdstuk 20:13-17).
Zelfs als David verdreven is, wordt het geloof van Jonathan niet aan het wankelen gebracht. Zijn hart is nog steeds verbonden met hem, die de geliefde van zijn ziel werd, toen David, in de kracht van zijn jeugd en in de heerlijkheid van zijn overwinning op Goliath, Saul antwoordde met een bescheidenheid, die de glans van dit alles nog verhoogde. Hij heeft David lief, als deze een onteerde en een vluchteling is. Hij erkent hem als de uitverkorene van God, en verbindt de hoop van zijn huis aan de heerlijkheid van hem, die hij liefheeft (zie hoofdstuk 23:16-17). Maar wat Jonathan voorstelde, kon niet gebeuren. Het zou betekend hebben, dat het oude systeem in het vlees, verbonden werd met de genade en de raadsbesluiten van God. Hoewel hij David liefhad, wandelde Jonathan in het oude systeem, dat door God geoordeeld zou worden.
Jonathan volgt David niet na en hij valt met Saul. Welk oordeel wij over dit gedeelte van zijn geschiedenis ook mogen hebben: als beeld zien we in hem, dat alles wat met het vleselijke systeem verbonden is, (uiterlijk met de belangen van het volk en de naam van God verbonden) ook met dat systeem algeheel zal omkomen, wat deze wereld betreft.
David, die door Jonathan wordt ingelicht over de geest, waarmee Saul is bezield, gaat weg, en Jonathan gaat naar de stad terug.
De uitverkoren koning is nu verworpen. Hij gaat naar de priester. Deze geeft hem het gewijde brood, in overeenstemming met de genade van God, Die zich verheft boven de voorschriften, die verbonden zijn met de zegen, als deze zegen verworpen wordt doordat God-zelf wordt verworpen in Zijn Gezalfde en in Zijn getuigenis. Als het zo gesteld is, dan plaatst Gods soevereine genade het geloof boven de voorschriften. Omdat God Zelf en Zijn getuigenis miskend werden, wordt het toonbrood voor gewoon brood gehouden. God was inderdaad bezig om alles nieuw te maken.
Precies hetzelfde zien we bij de Heer Jezus. De persoon van een verworpen Christus is verheven boven alle vleselijke voorschriften, die hun betekenis volledig verliezen daar waar Hij zich bevindt. Weliswaar onderwerpt Hij Zich aan alle voorschriften en overheden. Maar de verwerping van het getuigenis van God in Hem, liet hoe langer hoe meer zien, dat Hij inderdaad Iemand was, Die groter was dan de voorschriften. Hij was degene, die ze terzijde stelde, om ze te vervangen door de openbaring van de kracht en de eeuwige genade van God. Het was heel wat belangrijker David te voeden, dan wat verouderd was te bewaren. God gaf meer om David, dan om het brood uit de tabernakel.
Dan neemt David het zwaard van Goliath. Door de macht van de dood heeft de Heer alle macht vernietigd van hem, die de macht van de dood had. De dood is het beste wapen in het arsenaal van God, als hij in handen is van de macht van het leven.
David maakt zich zorgen over de vijandschap van Saul en zoekt zijn toevlucht bij de Filistijnen. Wat had hij daar te doen? Deze keer verdrijft God hem van daar zonder bestraffing, maar laat hem tevens duidelijk zien, dat daar zijn plaats niet is. We kunnen alleen ontkomen aan de wijsheid, die ons te midden van de vijanden van God brengt, door de schande van de dwaasheid, die veroorzaakt dat we er weer uitgedreven worden.
Hoofdstuk 22
David neemt nu ten volle zijn plaats in bij de heerlijken van de aarde (Psalm 16:3, vergelijk Hebreeën 11:38). En daar voegt de profeet Gad zich bij hem. Hij wordt nu op directe wijze geleid door het duidelijke getuigenis van God, en spoedig hierna komt ook de priester tot hem, zodat, hoe verworpen hij ook mag zijn, alles wat tot het getuigenis en de wegen van God behoorde zich rondom hem verenigt. Hij was de koning. En de profeet zowel als de priester zijn bij hem, hoewel de uiterlijke vormen elders te vinden waren. Het tegendeel zien we bij Saul. Nadat deze zijn verachting voor Samuel getoond had, toen hij David (die bij Samuel was) zonder medelijden, zonder vrees voor God, en zonder wroeging vervolgde, ontdeed deze zich van de priesters door de hand van een vreemde. Deze vreemdeling was een Edomiet, een onbarmhartige vijand van het volk. Het geweten van het volk weerhield hen dit te doen, maar Doëg doodde ze zonder barmhartigheid. En hierdoor werd de ontkomen priester door God tot David gebracht, evenals ook de profeet tot hem kwam, nadat Saul hem had veracht. Zo zien we dus in Saul een vijandige koning, een verachter van de profeet en een vijand van de priesters van God.
Wat een droevige geschiedenis van de geleidelijke maar gestadige val van iemand, die weliswaar de uiterlijke vorm van het goede had, maar het geloof in God niet bezat, en door God verlaten was! Hoe zeker zijn de wegen van God, wat ook de uiterlijke schijn van de dingen moge zijn!
David is de koning en de redder van het volk, hoe veracht hij ook zij. Hij verdrijft de Filistijnen en richt een grote slachting aan. In Israël ontmoet hij alleen maar verraad. Saul bedient zich hiervan met de bedoeling zich van David meester te maken. Maar zoals de kennis van de profeet bij David is, bezit hij ook het antwoord van God door de efod van de priester, die bij hem is.
Laten we in het voorbijgaan nog opmerken, dat Saul zich ogenschijnlijk zeer heeft opgewerkt. Het zijn nu geen zeshonderd mannen meer, die hem al sidderend volgen. Nee, hij kan nu spreken van zijn oversten over duizenden en honderden. Hij kan wijngaarden en akkers weggeven. Hij heeft zijn Doëg, het hoofd van de herders. Maar in Gods ogen maakt hij innerlijk verschrikkelijke vorderingen in het kwaad. Hij is niet alleen van God verlaten, maar hij doorbreekt elke weerstand van zijn geweten en van het getuigenis van de voorschriften van God. Noch de profeet Samuel, noch de priesters konden hem daarvan weerhouden, terwijl deze toch een rem hadden moeten zijn voor iemand, die één beleed te zijn met het volk van God.
Hoofdstuk 23
Uiterlijke voorspoed, die gepaard gaat met innerlijke vorderingen in het kwaad, is een treurige zaak. Terwijl het een strik is voor het vlees, is het ook een beproeving van het geloof.
Wat David betreft zien we dat hij, wat de omstandigheden betreft, geheel en al uit het midden van het volk is verdreven. Hij heeft er geen woonplaats en geen toevluchtsoord. Maar het getuigenis van God, gezien in de profeet Gad, en de gemeenschap met God door de efod van de priester, vallen hem in zijn verbanning ten deel. Hoewel hij verdreven is door de mens, bevindt hij zich toch daar, waar alle hulp en bijstand van God, in overeenstemming met de behoeften van de Zijnen, werkelijkheid wordt.
Let er tevens op, dat David zelf als priester handelt, om de gedachten van God te weten. Hij neemt de efod om God te vragen. Hij eet ook van de toonbroden. Dit merkwaardige type van Christus leert ons, dat, als alles in verval is, de zegen wordt overgedragen aan hen, die door het geloof in gehoorzaamheid wandelen en begrip hebben voor de plicht van een gelovige, die de zedelijke plaats van het geloof kent, die weet wat het geloof aan God te danken heeft, en hoe het op Hem kan rekenen.
Ook is het goed er nog op te letten, dat David niet door roemrijke daden wordt onderscheiden, (de vrucht van de kracht van het geloof), maar door het juiste gevoel en begrip voor wat zijn positie betaamt, een juist onderscheid en een zuiver inzicht van wat aangenaam is voor God, en van de gedragslijn, die Zijn dienstknecht moet volgen als instrument van Zijn kracht, terwijl een ander bekleed is met het gezag, dat hem, David, toekomt. Het is de wandel van iemand, die begrepen heeft wat hem in deze moeilijke positie past, in alle omstandigheden, waarin hij wordt geplaatst. De wandel van iemand, die eerbiedigt wat door God geëerbiedigd wordt, en die zonder vrees het werk van God doet als Deze hem daartoe roept. In dit alles zien we een merkwaardig beeld van de Heer Jezus, en ook een voorbeeld voor ons.
Behalve deze zuivere geestelijke gevoelens, deze zedelijke geschiktheid, laat het grootste gedeelte van deze geschiedenis ons zien, hoe God alles tot vervulling van Zijn plannen doet meewerken, dwars door alle voornemens en bedoelingen van mensen heen. Door het geduld en de kracht van het geloof wordt David tenslotte in de positie geplaatst, die God hem had bereid.
Toch heeft David steeds weer de tussenkomst en de bewaring van God nodig. Nadat hij, als gevolg van de waarschuwing van God, Kehila had verlaten (hoofdstuk 23), gaat hij naar de woestijn. Hier wordt hij door de troepen van Saul omsingeld. Maar op het moment, dat Saul hem zal grijpen, vallen de Filistijnen het land binnen en is Saul verplicht terug te keren.
Hoofdstuk 24
David gaat nu naar de vestingen van Engedi. Teruggekeerd van de achtervolging van de Filistijnen, vervolgt Saul David daar. Saul wordt meer in beslag genomen door zijn afgunst tegen de door God verkoren koning, dan door de vijanden van zijn volk. Maar deze onderneming strekt hem niet tot eer. Voor David doet zich de gelegenheid voor, zijn achtervolger te doden. Maar David wordt beheerst door de vrees voor God, en zelfs het hart van Saul wordt voor een ogenblik getroffen door deze bewaring, die bewees, dat David hem respecteerde op een wijze zoals hij zich niet had voorgesteld. Saul ziet duidelijk wat er gaat komen en hij beweegt David zijn nakomelingschap te beschermen. David keert evenwel niet terug tot Saul. De verhouding met hem was verbroken.
Hoofdstuk 25
Ten slotte sterft Samuel. Dit is een bijzondere gebeurtenis, omdat hij de band vormde tussen het volk en God. Nu is hij heengegaan. En nu hij gestorven is, erkent Israël de profeet, die het gedurende zijn leven had veracht.
Nu wordt ook de positie van David veranderd, en Abigaïl verschijnt op het toneel. Jonathan heeft zich nooit van het systeem, waarin hij zich bevond, losgemaakt en heeft zich nooit met David verenigd, noch diens lijden gedeeld, al had hij hem lief. Maar Abigaïl maakt zich één met hem. De nog bestaande banden beletten haar niet de gezalfde van Jahweh te erkennen, en na de dood van haar man wordt ze met David verbonden. Jonathan is een beeld van het overblijfsel van Israël, voor zover dit overblijfsel de toekomstige koning wel erkent, maar dan niet verder gaat. Wat betreft het oude volk van Israël: dit erkennen van de koning voert hen tot niets. Dit volk zal gezegend worden in het koninkrijk onder de regering van Christus, maar het zal niet verenigd worden met Hem op Zijn troon. Jonathan lijdt niet met David en zal ook niet met hem regeren. Hij blijft bij Saul, en doordat hij deze positie inneemt, zal hij ook zijn loopbaan met hem eindigen. Maar Abigaïl, en zelfs de ontevredenen, die zich bij David voegen, delen in zijn lijden. Abigaïl scheidt zich volkomen af van de geest van haar man. Op grond van haar geloof en haar wijsheid spaart David het leven van Nabal. God oordeelt deze laatste, en dan wordt Abigaïl de vrouw van David.
Historisch gezien was David in zijn verheven positie bijna tekort geschoten. In werkelijkheid is Israël gespaard geworden op grond van het getrouwe overblijfsel (de Abigaïl van het dwaze volk). De verbinding van de Heer met de Gemeente is die van louter genade. Dus niet met het oog op het nemen van wraak, zoals het straks met Israël zal zijn. Gedurende zijn verwerping wordt David omringd door hen, die later zijn medegenoten en zijn gevolg zijn in de heerlijkheid van zijn koninkrijk. Maar hij neemt ook een vrouw.
Abigaïl noemt Saul slechts “een mens”. “Jahweh”, zegt ze, “zal voor mijn heer zeker een blijvend koningshuis maken”. Dit is het inzicht van het geloof 12. Het is de waarheid van de raadsbesluiten van God in zijn volheid (2 Samuel 7:11)! Abigaïl vormde voor zichzelf, zonder het te weten, de positie van de Gemeente, in de toekomst die ze zichzelf voorbereidde 13.
Hoofdstuk 26-28
Helaas, Saul is niet veranderd. Aangespoord door de Zifieten zoekt hij David opnieuw. Maar dit brengt hem geen ander resultaat, dan dat hij nogmaals, en nu meer in het openbaar, in de handen van David valt. Let erop, hoe David nu op een meer directe wijze tot Jahweh roept, om tussen hem en Saul te oordelen. De scheiding is meer volkomen. Saul was onverbeterlijk. Dit roepen tot God was gepast. Het is onbetamelijk, en niet in overeenstemming met de wandel van de Geest, aan het kwaad te gewennen. “Rechtvaardige Vader” zegt de Heer ten slotte, “en de wereld heeft U niet gekend, maar Ik heb U gekend, en dezen hebben erkend dat U Mij hebt gezonden” (Johannes 17:25).
Wat David in dit alles kenmerkt is, dat hij zich volkomen in de handen van de Heer stelt. Het is de Geest van Christus in de psalmen. Maar David is tenslotte ook maar een mens, want direct na dit getuigenis, dat God met hem was (een getuigenis, dat zelfs door Saul werd erkend), schiet hij in zijn geloof te kort en begeeft zich naar de vijanden van het volk van God. Ongetwijfeld bedient God Zich van dit middel om David van het kwaad verwijderd te houden. Maar tegelijkertijd wordt David beproefd en gekastijd. Hij bevindt zich in een ontzettende noodzaak. Hij moet zich bereid tonen om tegen Israël te strijden. Er was er maar Eén, Wiens volmaaktheid en wijsheid een volkomen bescherming boden in al zijn verzoekingen.
Men kan nog opmerken, dat David tekort schoot in zijn geloof, direct na een duidelijke tussenkomst van God (26:12). Precies hetzelfde zien we bij Elia (1 Koningen 19). Men zou zeggen dat het geloof, na een grote inspanning, uitgeput geraakt. Door het geloof heeft men de crisis kunnen doorstaan, maar het hart, waarin het geloof zetelt, is ervan geschrokken. In de Heer Jezus daarentegen, zien we een volkomen goddelijke gelijkmatigheid.
David verwijdert zich van de koninklijke stad. In het land van de Filistijnen verwerft hij de gunst van de koning. Niet door het geloof, maar door een voorzichtigheid, die niet in overeenstemming is met de waarheid. Het is een betreurenswaardige positie, die David hier inneemt. Maar God verlaat hem toch niet. Weliswaar wordt hij op een smartelijke wijze gestraft, maar God spaart en bewaart hem. In het geval van de vluchtende Jakob hebben we gezien, hoe Jahweh met hem dezelfde wegen ging als hier met David.
Achis, die David kent, wil deze voor zijn dienst gebruiken en David kan dit niet weigeren. David ontvangt de kracht, die hij door het geloof bezit, van de Geest van God. Maar als hij door ontrouw in een verkeerde positie komt, dan is zijn geestelijke kracht niet opgewassen tegen hem, onder wiens gezag hij zich heeft geplaatst. En als hij voor zijn beschermer niet de energie gebruikt, die hij bezit, dan wekt hij vanzelfsprekend diens naijver op. David had dit alles moeten vermijden door naar Ziklag te gaan, maar hij kon niet. God heeft in Zijn goedheid hem bewaard, maar op dat ogenblik bevond hij zich in een betreurenswaardige positie.
Saul zowel als Israël waren in een nog betreurenswaardiger toestand, daar ze noch van God noch van de vijand hulp hadden. Saul is door God verlaten. Samuel is gestorven, zodat Israël door diens bemiddeling niet meer in betrekking met God staat.
David had tenminste nog het hoofd kunnen bieden aan de Filistijnen, maar bevond zich, door de schuld van Saul, nu in het midden van hen. Door de ijver van Saul waren allen, die een geest van toverij hadden, achtervolgd. En nu tracht hij aanwijzingen van God te ontvangen, Die hem niet antwoordt. Het geweten is verzwakt, en het geloof ontbreekt bij hem. En de omstandigheden zijn dringend. Hij werpt zich nu niet meer in de uiterlijke dienst van God, zoals voorheen, (want hij heeft de droevige en vreselijke overtuiging, dat die dienst hem niet meer toebehoort) maar in de dingen, die hij eertijds als boos had veroordeeld en uit het land had verdreven, toen hij zijn godsdienstige reputatie nog kon handhaven. Het waren dingen, waarvan hij wist dat ze boos waren. Maar de Filistijnen waren aanwezig en tegenover hen ontzinkt hem de moed. En nu zoekt hij een vrouw, die de geesten oproept. Maar hier ontmoet God hem. Samuel verschijnt. Maar op zulk een wijze, dat de vrouw schrikt. Ze voelt dat hier een macht aanwezig is, die boven haar betoveringen uitgaat. Samuel kondigt Saul het onafwendbare oordeel van God aan; zonder hem te ontzien en zonder medelijden, want dat was niet mogelijk.
Hoofdstuk 29-30
In Zijn goedheid brengt God David uit zijn moeilijkheden en gebruikt hiertoe de afgunst van de oversten van de Filistijnen. Om zijn aanzien bij Achis te handhaven, valt David naar het mij toeschijnt nog dieper, en verklaart, dat hij bereid is om tegen de vijanden van de koning (dat wil zeggen tegen het volk van God) te gaan vechten. Het schijnt me toe, dat dit wel het meest afschuwelijke is in het leven van David; in elk geval voordat hij koning was. God laat hem dit ook voelen, want terwijl hij nog bij de Filistijnen is nemen de Amalekieten alles bij hem weg, steken Ziklag in brand, en zij, die David volgen spreken ervan om David te stenigen.
Dit alles is zeer droevig, maar de genade van God richt Zijn dienstknecht weer op. En de uitwerking van deze straf is, dat hij wordt teruggebracht tot God. Want in zijn hart was hij trouw en dacht hij toch aan Hem. Hij versterkt zich in Jahweh zijn God en vraagt Hem wat hij moet doen. Wat een geduld, wat een goedheid van God! Wat een zorgen voor de Zijnen, zelfs in ogenblikken, waarop ze ver van Hem verwijderd zijn!
Nadat David tot God is teruggebracht, en bevrijd is uit zijn onware positie, wandelt en handelt hij met God. God bereidde hem, zonder dat hij het wist, een geheel andere plaats. Voor deze plaats reinigde Hij hem en bereidde Hij hem voor. Hoe verschrikkelijk zou hét geweest zijn, als David bij de Filistijnen was gebleven! Hoe erg zou het geweest zijn, als hij had meegewerkt aan de nederlaag van Gods volk en aan de dood van hem, die hij zo menigmaal op zulk een treffende wijze had gespaard! Hoe kan een kind van God toch afdwalen, als hij zich stelt onder de macht van ongelovigen, in plaats van te rekenen op de steun van God te midden van de moeilijkheden, die zich op de weg van het geloof bevinden. Want juist in de moeilijkheden openbaart zich alle goddelijke genade.
Laten we nog letten op het gevaar, waarin de gelovige zich bevindt, als zijn geloof niet eenvoudig is; al schiet hij dan ook in nog zo weinig te kort. Dit gevaar kan daarin bestaan, dat hij in de armen van de vijanden van God wordt geworpen, als hij vervolgd wordt door hen, die belijden gelovigen te zijn. De menselijke natuur wordt moe en zoekt troost, ver van de smalle weg. Maar bemerkt dan dat die eigen weg met doornen is bezaaid. Dit overkomt een gelovige, als hij zijn eigen wil volgt. Dit heeft noch met geloof, noch met God iets te maken. En hoe meer er een groot werk voor het geloof is te doen, des te meer vermoeit de menselijke natuur zich als het geloof zwakker wordt.
Ziklag wordt tijdens de afwezigheid van David genomen, maar deze vervolgt de vijanden, die Ziklag geplunderd hebben, en ontneemt hen alles weer wat ze hadden geroofd. David, die rechtvaardig en edelmoedig is, heeft door de moeilijkheden, die voortkwamen uit de zelfzucht van de zijnen, de gelegenheid gevonden om iets in te stellen wat naar Gods gedachten was. En in plaats van zichzelf te verrijken, bedient hij er zich van om de vriendschappelijke relaties met de oudsten van zijn volk te handhaven, en hun te bewijzen, dat Jahweh nog steeds met hem is.
Hoofdstuk 31
In dit hoofdstuk vinden we de treffende dood van Saul en zelfs van Jonathan. Met deze totale nederlaag van Israël eindigt dit boek. De gehele geschiedenis van Saul en zijn familie, voor zover deze verwekt was om tegen de Filistijnen te strijden, is hiermee geëindigd. Saul en zijn zonen vallen in hun handen. Ze worden onthoofd, en hun wapens worden in triomf naar de tempel van de afgoden van de Filistijnen gebracht, terwijl hun lichamen aan de muren van Beth-San werden opgehangen. Een droevig einde! Het vlees zal dit, in de oorlogen van God, steeds ervaren.
Resumé.
Laten we nu de geschiedenis van David nog eens in het kort nagaan. De eenvoud van het geloof bewaart hem in de positie van de plicht, en hij is tevreden, zonder ernaar te verlangen deze positie te verlaten. Want de goedkeuring van God is hem voldoende. Daarom kan hij hier op de hulp van God rekenen, en deze hulp is voor hem volkomen zekerheid. Hij handelt in de kracht van Jahweh. De leeuw en de beer worden door zijn jonge armen neergeslagen. En waarom ook niet, als God met hem was? Hij volgt Saul met dezelfde eenvoud, waarna hij met dezelfde tevredenheid weer terugkeert om zijn schapen te verzorgen. Hier in het verborgen, had hij, door het geloof, begrepen, dat Jahweh met Israël was. Hier leerde hij verstaan, wat de aard en de kracht van die betrekking was. Hij ziet in de toestand van Israël iets, dat aan die verhouding niet beantwoordt; maar wat hem zelf betreft: hij blijft vasthouden aan de trouw van God. Een onbesneden Filistijn valt, zoals de leeuw gevallen was. Als harpspeler dient hij Saul in dezelfde eenvoud als voorheen. En of hij nu bij Saul is, of dat Saul hem als overste over duizend uitzendt, hij blijkt een waardevol man te zijn. Hij gehoorzaamt de bevelen van de koning.
Ten slotte wordt hij door de koning verdreven, maar hij blijft steeds in de positie van het geloof. Het gaat dan niet zozeer meer om de wapenfeiten, maar om het onderscheidend vermogen van wat hem past, als de geestelijke kracht in hem, en het uiterlijke goddelijke gezag in andere handen is. Dit was dezelfde positie als van de Heer Jezus in Israël. En David schiet in deze positie niet te kort. De moeilijkheden, die hij ervaart, doen de schoonheid van Gods genade en de vruchten van het werk van de Geest des te beter uitkomen. En tegelijkertijd worden in deze moeilijkheden zijn geestelijke genegenheid en zijn intieme relaties met God (zijn enige hulp) op een zeer bijzondere wijze gezien. Dit gaf hem gelegenheid voor het maken van de psalmen. Het geloof is voor hem voldoende om door de moeilijkheden van zijn positie heen te komen. Dit geloof ontvouwt zich hier in al zijn schoonheid en genade. De karakteradel, die het geloof aan de mens schenkt, en die ook het afschijnsel is van het wezen van God, brengt in de meest verharde zielen, gevoelens van natuurlijke genegenheid voort. En niet alleen dit. Maar het veroorzaakt ook wroeging van een natuur, die ontwaakt onder de invloed van iets, dat ver boven haar boosheid verheven is. Het werpt zijn licht (een pijnlijk licht, omdat het slechts tijdelijk en onmachtig is) in de duisternis, die de zondaar, die van God niets wil weten, omringt. Dit alles zien we zelfs bij zielen, die, nadat ze God verlaten hebben, ook van Hem verlaten werden; een toestand, waarin zonde, zelfzucht, en wanhoop samenspannen om de ziel te verharden. En dit alles gebeurt, doordat het geloof in de tegenwoordigheid van God boven het kwaad verheven blijft en als gevolg daarvan de natuur zelf aan de macht van dit kwaad onttrekt, hoewel de natuur geen kracht tot zelfbedwang bezit. Maar God is met het geloof, en het geloof eert dan ook alles wat God eert. Hij, die iets van God met zich meedraagt, wordt bekleed met de eer, waarmee alles geëerd moet worden wat Hem toebehoort. Bovendien richt het geloof onze gedachten op God en op alles wat van Hem is of betrekking op Hem heeft, met alle genegenheid die daarmee verbonden is. Dit zien we steeds in de Heer Jezus en overal waar Zijn Geest is. Dit is het, wat zowel de schoonheid als de verhevenheid aan het geloof dat zich met Gods adeldom veredelt, geeft. Het geloof erkent op grond van de relaties met God, die het heeft, alles wat goed is in Zijn ogen, ondanks de ongerechtigheid en de verlaging van hen, die met deze waardigheid bekleed zijn. Het geloof handelt voor God. Het openbaart zich te midden van omstandigheden, zonder door die omstandigheden te worden beheerst. Zijn superioriteit boven wat het omringt is onmiskenbaar. Wat een rust, om dit te zien te midden van het slijk van deze arme wereld.
Maar hoewel het geloof, in de plaats die het ons in de wereld geeft, voldoende is voor alles wat we in die wereld ontmoeten, de gemeenschap met God is helaas in ons nog niet volkomen. In plaats van onvermoeid onze plicht te doen, wat die ook moge zijn, en in plaats van na de leeuw ook de beer te doden teneinde in staat te zijn om ons van Goliath te ontdoen, zien we dat de natuur vermoeid raakt door de strijd, hoewel het geloof zich door de overwinningen had moeten sterken. We verlaten de normale positie van het geloof om ons te verlagen en te onteren. Wat is het verschil groot tussen de David, die door de uitwerking van de genade Saul doet wenen en, ten minste voor een ogenblik, zijn genegenheid weer opwekt, en de David, die niet meer in staat is zijn hand op te heffen tegen de Filistijnen, die hij zo vaak had verslagen, en er zich nog op beroemt dat hij bereid is tegen Israël, en tegen Saul, die hij gespaard had, te strijden.
Broeders, laten we de positie van het geloof niet verlaten. Deze is ogenschijnlijk wel moeilijker, maar God bevindt Zich daar. De genade (de enige kostbare zaak in deze wereld) bloeit er, en het hart wordt er door duizend banden van liefde en dankbaarheid met God verbonden. Met Hem, Die ons heeft gekend, en Zich vernederd heeft om onze noden en zuchtingen tegemoet te komen. Het geloof geeft energie, het geloof geeft geduld. En vaak worden zó de kostelijkste genegenheden ontwikkeld. Genegenheden, die (als de kracht van hét geloof van ons dienstknechten maakt op deze aarde) zelfs de hemel verblijden. Want Hij, Die het voorwerp van het geloof is, bevindt Zich daar en vervult deze in de tegenwoordigheid van de Vader.
De natuur daarentegen, maakt ons ten opzichte van de omstandigheden ongeduldig, omdat we met God niet voldoende rekening houden. En dit brengt ons dan in omstandigheden waarin het onmogelijk is God te verheerlijken.
Maar anderzijds is het ook goed om op te merken, dat, als de mens volkomen heeft gefaald, als het David zelfs aan geloof heeft ontbroken, als hij in het midden van de Filistijnen terecht is gekomen omdat hij zich van Israël heeft verwijderd, God hem dan het koninkrijk geeft. De genade verheft zich ver boven de fouten van de mens. God moet Zichzelf in de Zijnen verheerlijken.
EINDE 1 SAMUEL
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 2.4
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- Van de schaapskooi tot de troon (1 en 2 Samuël), H. Rossier
- Koningen bij de gratie Gods (David en Josia), C.H. Mackintosh
- David, G. André
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten:
1 Er is enig onderscheid tussen het priesterschap en de voorspraak van Christus (1 Johannes 2). Als priester is Christus ten behoeve van ons in de tegenwoordigheid van God, maar deze aanwezigheid daar betekent de volmaaktheid zien van onze positie voor Hem. De dagelijkse uitoefening van dit priesterschap heeft dus geen betrekking op de zonde, maar op de barmhartigheid en de genade die ons gegeven worden tot tijdige hulp. We mogen met vrijmoedigheid ingaan in het heiligdom. Als we gezondigd hebben, is Hij onze Voorspraak, omdat er in de 1e brief van Johannes sprake is van gemeenschap. En deze gemeenschap wordt door de zonde volkomen verbroken.
2 Jozua ging, in tegenstelling met deze orde van zaken, in en uit voor het aangezicht van Eleazar, die voor hem God vroeg.
3 Let op de tegenstelling tussen dit geval en dat van Achan, hoewel er in het laatste zonde was. De zonde werd in bijzonderheden erkend en geoordeeld, hoewel het volk werd gekastijd.
4 Zie de aantekening bij hoofdstuk 6:19; lees: zeventig man.
5 Vergelijk Psalm 78:60-61 en Psalm 132. De ark is in verbinding met Sion, de zetel van de koninklijke genade. Alleen Salomo, de man van de vrede, kon het huis bouwen.
6 Dat wil zeggen, een brandoffer. Dit is merkwaardig. Het was geen zondoffer, maar een offer dat de bestaande betrekking tussen het volk en God erkende. Zoals we elders al hebben gezien is Christus alleen het ware brandoffer.
7 De God, Die hem ten dage van zijn nood en angst, als hij moest vluchten voor zijn broer, die hem haatte, had gezegd dat Hij hem niet zou verlaten.
8 Dit was de Geest van de profetie. De Geest, die in zegen handelt, de aanwezigheid van God aantoonde, en Saul liet zien waartoe hij zijn toevlucht nemen moest, als (ja, omdat!) de heuvel van God, de openbare zetel van Zijn gezag in Israël, in handen was van de vijanden van het volk van God. Dit tafereel stelt ons de algemene toestand van Israël voor.
9 Zie dezelfde bewijzen van het geloof bij David, als hij tegenover Goliath staat.
10 Dit is te merkwaardiger, omdat de Geest hen, die met Saul en Jonathan waren, Israëlieten noemt. Dit geeft een bijzondere betekenis aan het woord “Hebreeën”, overal waar men het vindt. God weigert niet de naam van “Israëlieten” te geven, aan de meest vreesachtigen onder het volk (13:6), maar Hij weigert wel dit te doen aan hen, die zich bij de Filistijnen voegen. Want dan is de gedachte aan een band tussen het volk en God verloren gegaan en is het een volk zoals elk ander.
11 Dit onverstandig gebruik van de psalmen, heeft evenwel tot resultaat gehad, dat vrome zielen neergetrokken werden tot een peil dat beneden de christelijke voorrechten lag. In de psalmen vindt men nooit de verhouding van kind tot Vader, en evenmin de geestelijke gevoelens, die gewekt worden door het zich bewust zijn van deze betrekking. Het woord “Vader” wordt wel genoemd in de psalmen, bij wijze van vergelijking (103:13) maar de betrekking wordt er nooit in erkend. Wat ook niet mogelijk zou zijn.
12 Toen het priesterschap geoordeeld was, bleef er voor het geloof, dat de gedachte van God verstond, alleen Samuel de profeet, en David, de door God gegeven koning, over. Dit heeft Abigaïl begrepen. Ongeacht de omstandigheden behoort de Gemeente te denken in overeenstemming met de gedachten van God. Abigaïl houdt geen rekening met Saul. Samuel is gestorven, en daarom betekent nu David alles voor haar. De Wet en de Profeten waren tot op Johannes de Doper. Vanaf dat ogenblik wordt het koninkrijk der hemelen verkondigd, en een ieder gebruikt geweld om in dit koninkrijk te komen. Waar waren de Hogepriesters met hun gevolg? Toch onderwierp de Heer zich aan hen, als aan een voorschrift, net zoals David deed ten opzichte van Saul.
13 Ze neemt een veel nederiger plaats in dan Jonathan en erkent, zelfs op dat ogenblik, David op een meer volkomen wijze. Ze is niet een vriend, zoals Jonathan. Ze is een onderworpen ziel, die in de geest aan David de plaats geeft naar de gedachten van God, en neemt zelf de hare in voor zijn aangezicht. Hierin wordt, op een juiste manier, de geest van de Gemeente en van de ware christen gezien. Jonathan stelt het overblijfsel voor, vanuit Joods standpunt bezien. Maar Abigaïl kan intreden in de geest van de raadsbesluiten van God betreffende David, hoewel deze nog verworpen is. En David kan, hoewel hij een volkomen onderworpen positie inneemt, handelen in overeenstemming met het geloof, dat hem erkent, en hoort haar stem en neemt haar persoon aan. Ik wil nog wijzen op de karaktertrekken van het geloof van Abigaïl. Alles hangt af van de wijze waarop ze David waardeert (Hierdoor wordt ook het oordeel van de christen gevormd, die Christus in alle opzichten weet te waarderen). Zijn door God erkend recht, zijn volmaaktheid, en alles wat hem naar de raadsbesluiten van God toekomt. Ze denkt aan hem in overeenstemming met al het goede, dat God van hem gezegd heeft. Ze ziet hem de strijd van God strijden, waar anderen niets anders zagen dan een opstandeling. En dit alles kwam uit haar hart. Ze oordeelt Nabal, en beschouwt hem hierdoor als al door God geoordeeld. Want voor zichzelf beoordeelt ze alles op grond van de verhouding, die er bestaat tussen de zaak zelf en David, (26). God voltrekt het oordeel aan Nabal tien dagen later, hoewel hij in vrede in zijn huis leefde, en David een vluchteling was. Evenwel wordt de betrekking van Abigaïl met Nabal erkend, totdat God het oordeel uitvoerde. Ze oordeelt Saul. Hij is slechts “een mens”, terwijl David voor haar geloof de koning is. Haar enige verlangen is, dat David aan haar mocht denken. Als Jonathan tot David komt, zegt hij dat hij de tweede zal zijn na David. Maar David blijft in het woud, terwijl Jonathan naar zijn huis terugkeert. In de staat van zaken, die God geoordeeld had, (een oordeel dat door het geloof werd erkend), blijft Jonathan bij zijn familie en wordt in de val ervan meegesleurd. Dit is van groot belang voor de christen. Hij respecteert bijvoorbeeld, in zover als het op Gods gezag gegrond is, het officiële christendom, dat in de wereld de godsdienst van God is gedurende de tijd, dat God dit christendom verdraagt, en de christen zich er niet tegen verheft. Maar voor het geloof en voor de persoonlijke wandel betekent dit christendom absoluut niets, zoals Saul ook maar een mens was in de ogen van Abigaïl.