32. Hosea
32. Hosea · uit de ‘Synopsis’ deel 4 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Inleiding tot de kleine profeten
Inleiding.
Voordat we de kleine profeten gaan bestuderen, wil ik enkele opmerkingen maken over de profetische boeken in het algemeen en wel vooral om te wijzen op de onderwerpen die zij behandelen. In dit verband kan men deze boeken in vier hoofdgroepen indelen en tevens opmerken, dat hun onderwerpen dikwijls met de tijd in verband staan waarin de profetie gegeven werd.
- De boeken die spreken van de grote crisis van de inname van Jeruzalem en de gevolgen daarvan. Dit zijn de boeken Jeremia, Ezechiël en Daniël – al de grote profeten behalve Jesaja. En inderdaad, door deze gebeurtenis werd het wereldbestuur veranderd en het uitverkoren volk door gericht terzijde gesteld. Ik plaats Daniël bij deze groep, hoewel zijn hoofdthema is: de gevolgen van de inname van de stad, onder de overheersing van de volken, tot aan de komst van de Heer. Want al spreekt hij weliswaar over de volken, hij doet dit in verband met het feit dat de alleenheerschappij van God in Israël vervangen is door die van de volken, en met het oog op het lot van dit volk.
- De boeken die zich bezighouden met het oordeel over de volken, als zodanig. Dit zijn Jona, Nahum en Obadja.
- De boeken die handelen over het volledige verval van Israël en over het lot waardoor Juda al bedreigd werd, zoals Jesaja, Hosea, Amos en Micha. Zij kondigen een strafgericht aan over het volk en ontwikkelen daarnaast min of meer uitvoerig de wegen van God in genade aan het einde. Als men Amos, die vóór de drie anderen onder de regering van Uzzia geprofeteerd heeft, niet meerekent, dan behoren allen tot de tijd van de koningen Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia. De regering van deze laatste koning is in deze profetieën van bijzondere betekenis. Tijdens de regering van Hizkia heeft de Assyriër immers het rijk van Israël ten val gebracht en Jeruzalem bedreigd.
- De profeten Haggaï, Zacharia en Maleachi, die na de ballingschap geprofeteerd hebben. De eerste twee om het volk te bemoedigen. De laatste om te getuigen tegen de ontrouw van de Joden, die teruggekomen waren uit de gevangenschap; maar ook om het getuigenis en het oordeel van de laatste dagen aan te kondigen. Hierdoor zou het overblijfsel afgezonderd worden van de goddelozen, die het omringden.
Ik heb niet gesproken over Joël en Habakuk, omdat deze twee profeten elk een bijzonder karakter hebben. Hun profetie heeft geen betrekking op het oordeel van de volken, zoals die van Nahum of Obadja en er is evenmin een datum, die aan deze profetieën een zedelijke betekenis geeft, die gegrond is op de toestand van Israël. Deze twee profeten kondigen op een bijzondere wijze de oordelen aan van de laatste tijden. Joël spreekt van een bijzondere inval in het land en van het oordeel van de volken, dat op hetzelfde tijdstip, in verband met de zegeningen van Israël, zal plaatsvinden. Bij Habakuk maakt de Geest gebruik van de gelegenheid van een bijzonder oordeel om de geestelijke genegenheden en de oefeningen van het hart te laten uitkomen, die voortgebracht zijn door het zien van het kwaad en het oordeel dat er het gevolg van is. Dit boek toont ons de toestand van een door God onderrichte ziel bij het zien van deze dingen.
Zo vinden we dus in de boeken van de profeten het volgende, waarbij de onderwerpen, die zij behandelen in zedelijk opzicht worden gezien:
- Het oordeel over het volk in het algemeen, waarbij het huis van David voor een tijd gespaard wordt. God verwekt Hizkia en bij deze gelegenheid wordt de ware Zoon van David aangekondigd. Het zijn de profeten Hosea, Amos, Jesaja en Micha.
- Het oordeel over Jeruzalem en het overdragen van de heerschappij aan de volken, terwijl het volk van God volkomen terzijde gesteld is. Hiervan spreken Jeremia, Daniël en Ezechiël. Deze laatste behandelt bovendien al de belangrijke grondbeginselen van de verhouding tot God en de toekomstige bestemming van geheel Israël, zowel wat het land betreft als het volk.
- Het oordeel over de wereld. Dit wordt behandeld door Jona, Nahum en Obadja.
- De verwoesting van de laatste dagen door het noordelijke leger en het oordeel over de volken, gevolgd door de tijdelijke zegening van Israël en, in de Geest, van alle vlees. Hiervan spreekt Joël.
- De kastijding van het volk van God, door de succesvolle gewelddadigheid, van de man aan wie God voor dit doel macht geeft. De geest van de profeet, overweldigd door het kwaad, dat hij bij het volk ziet, en nog meer door het zien van hun onderdrukking door hun hoogmoedige vijanden, begrijpt dat de rechtvaardige door het geloof zal leven. Hij verstaat ook, dat God deze verdrukking moest toelaten, om het kwaad te bestraffen en om de hoogmoed van de mens gelegenheid te geven dat hoogtepunt van ongerechtigheid te bereiken, dat tot het oordeel leidt dat voor altijd een einde maakt aan die hoogmoed. Dat is Habakuk. Het laatste hoofdstuk geeft de uitdrukking van de gevoelens die door deze onderwijzing worden veroorzaakt – de verlangens, herinneringen en het vertrouwen van het geloof; een geloof dat op God Zelf rust, in het midden van alle oefeningen van het hart, die de geschiedenis van Zijn volk in de getrouwe werkt. Een kostbare troost, als men aan alles denkt, wat zich laat voorstaan op de Naam van God.
- Vervolgens vinden we wat in betrekking staat tot de bijzondere omstandigheden van de Joden, die naar Jeruzalem zijn teruggebracht met het oog op de komst van Christus. Tevens zien we de gevolgen van deze komst, en ook van de verantwoordelijkheid van het volk zelf, met betrekking tot de omstandigheden waarin het al was geplaatst. Dit alles wordt weergegeven door de profeten Haggaï, Zacharia en Maleachi.
Enkele opmerkingen blijven dan nog over. Jona toont ons, op zeer treffende wijze, de lankmoedigheid van God ten opzichte van een wereld van hoogmoedige en zorgeloze zondaars. En dat in tegenstelling tot het ongeduld van hem, aan wie de uitspraken van God zijn toevertrouwd en die de vervulling ervan tot zijn eigen bevrediging inroept, zelfs als dit zou gebeuren door de uitvoering van het oordeel, dat door de genade wordt afgewezen, op grond van de verootmoediging van hen, die er het voorwerp van waren.
Nahum laat ons niettemin zien, dat dit oordeel ten slotte toch moet worden uitgevoerd. En dat een lankmoedigheid, waarvan het enige resultaat is dat God verheerlijkt wordt, uiteindelijk plaats zal maken voor een oordeel, dat definitief en voorgoed een eind maakt aan alles wat zich tegen Hem verheft.
Obadja openbaart ons niet deze algemene en openbare hoogmoed van de wereld, maar de haat tegen het volk van God. Deze haat wordt in het bijzonder gezien bij hen, die uiterlijk met het volk in verbinding staan, en beweerden naar het vlees recht te hebben op het erfdeel van de eerstgeborene.
Wat God ons in deze profeten meedeelt over Zijn relatie met de wereld en de wijze, waarop Hij deze wereld ziet, is zeer belangrijk. Jona doet ons de kracht begrijpen van de uitdrukking van Petrus: “de getrouwe Schepper” (1 Petrus 4:19). In Jesaja hebben we de kostelijke ontwikkeling van de wegen van God in verbinding met Christus en met Israël kunnen opmerken, en ook het verband van deze dingen onderling en met het oordeel van de wereld. De plannen van God met betrekking tot Zijn regering worden in dit boek uitvoerig uiteengezet.
De drie andere grote profeten laten ons het grote belang zien van die crisis in de geschiedenis van de gehele wereld, toen Jahweh ophield haar vanuit het midden van Zijn volk te regeren, en de zetel van Zijn macht in het midden van de volken overbracht, en die macht in de handen van mensen plaatste.
Amos en Hosea geven ons kostbaar licht over de zedelijke regering van God. Zij geven de lezer van de Bijbel treffende taferelen van de stand van zaken, die in het midden van Zijn volk bestond, de feiten die de oorzaken waren van het oordeel, dat God toepaste. Niet alleen de feiten, die het gevolg waren van de wegen van God, maar ook het gedrag van hen, die tot deze wegen ten opzichte van Zijn volk aanleiding gaven. Deze uiteenzetting van hun gedrag is zeer belangrijk en tegelijkertijd zeer verootmoedigend.
Micha, al houdt hij zich evenals Jesaja met dezelfde dingen bezig, wijdt meer uit over de beloften die in verband staan met Christus, waarvan de gevolgen het volk uit de toestand zouden verheffen, waarin de zonde, en het oordeel van God ten gevolge van de zonde, het hadden geplaatst. Bij Jesaja hebben we al kunnen opmerken, dat hij zich in het begin – al spreekt hij ook van de Heer Jezus – in hoofdzaak met Juda, Israël en de volken bezighoudt, en aan het einde voornamelijk met Christus en de gevolgen van Zijn verwerping door het volk.
Wat ik al gezegd heb over de drie profeten die na de terugkeer uit de ballingschap hebben geprofeteerd, zal voldoende zijn om te begrijpen, dat dezelfde twee onderwerpen hen ook bezighouden.
Haggaï en Zacharia spreken over de Messias, de laatste vooral met veel bijzonderheden. Bij Maleachi gaat het meer om de toestand en het lot van het volk; het geheel in verbinding met de laatste dagen.
Ik wil nu nog graag meer gedetailleerd en meer nauwkeurig ingaan op wat ik, in het begin van het boek Jesaja, over de profetie gezegd heb. Door de profetie komt de soevereine genade van God in getuigenis tussenbeide, om Zijn relatie met Zijn volk te handhaven. Dit gebeurt, als dit volk in de positie waarin het was geplaatst ten aanzien van zijn verantwoordelijkheid tegenover God, gefaald heeft, zodat zijn betrekking met God in die positie verbroken is; en voordat God door Zijn eigen macht, in genade een andere, nieuwe verhouding heeft ingesteld. De onderwerpen waarmee de profetie zich bezighoudt, zijn dus de volgende:
- De wegen van God in regering over de aarde, in het midden van Israël;
- de zedelijke bijzonderheden van het gedrag van het volk, dat tot hun volledig verval leidde;
- Gods ingrijpen aan het einde in genade door de Messias, om Zijn volk in een toestand van zegen te brengen, die verzekerd is door de macht van God Zelf, in overeenstemming met Zijn voornemen.
Twee dingen zijn met deze hoofdonderwerpen verbonden:
- Het oordeel over de volken, dat nodig was om Israël in zijn eigen land te brengen.
- De verwerping van Christus door de Joden, bij Zijn eerste komst in deze wereld.
Israël was het middelpunt en de hoeksteen geweest van het systeem, dat opgericht werd ten gevolge van het oordeel over de nakomelingen van Noach, wegens hun hoogmoed in Babel. Volgens dit systeem was de troon van God de zetel van het Goddelijk gezag over al de volken, en de tempel van God de plaats waar deze volken samen moesten komen, om Hem te aanbidden Die daar woonde tussen de cherubijnen. Omdat Israël nu gefaald heeft in de gehoorzaamheid, die de voorwaarde was voor hun zegeningen, en de band van de hele orde die God op de aarde erkende, wordt een ander systeem van menselijk oppergezag ingesteld, in de persoon van Nebukadnezar. De profetie houdt zich dus ook bezig met deze eenheidsmacht en haar relatie met het volk van God op aarde.
Schuldig aan opstand tegen God en verbonden met Israël in de verwerping van Christus en ten slotte tot openlijke opstand tegen Hem gekomen, is deze macht met de Joden verbonden in het oordeel, als één met hen in het kwaad.
Wat hier gezegd is, heeft natuurlijk betrekking op de profetie van het Oude Testament, waarmee we ons bezighouden. Maar dan komt de vraag naar voren wat nu het verschil is tussen de profetie van het Nieuwe – en die van het Oude Testament. De Gemeente is niet het toneel van Gods aardse regering; zij is gezet in de hemelse gewesten. Daarom kan de profetie onmogelijk de rechtstreekse inwerking van de Geest zijn op haar tegenwoordige toestand, zoals dat het geval was bij Israël. Voor de Gemeente komen de mededelingen rechtstreeks van de Vader en van de Heer, in overeenstemming met de relatie die tussen haar en Hen bestaat, precies zoals de profetie was bij de Joden. Maar de Geest kan in de Gemeente vooruit zien naar het ogenblik, waarop het verval van het uiterlijke systeem, de weg baant naar de wederinvoering van de rechtstreekse regering van God, in de Persoon van Christus. Dit nu vinden we in het algemeen in de Openbaring, van het begin van de afwijking van de Gemeente totdat ze volledig wordt verworpen, en vervolgens in de wereld. Daarom hebben we ook de profetieën die de achteruitgang en het verval van de Gemeente na de dood van de apostelen verkondigen, zoals we dit vinden in 1 Timotheüs 4:1; 2 Timotheüs 3 en 2 Thessalonika 2. De Brieven van Johannes en Judas en de tweede brief van Petrus spreken over het verval zelf.
Hiermee staat nog een ander onderwerp in verband, dat de aanleiding is dat we profetie uit de mond van de Heer Zelf bezitten en waaraan Jakobus aanknoopt. Maar strikt genomen staat het niet in verband met de Gemeente. Ik bedoel de relatie van Christus, als Dienstknecht van de besnijding, met het Joodse volk, zoals in Mattheüs 24 en in de parallelplaatsen in Markus en Lukas, en zelfs in Mattheüs 10:15 tot het eind, waar het deel van het overblijfsel, in zijn dienst in Israël tot aan de komst van de Heer, geschetst wordt. Op deze wijze hebben we dus in het zedelijk verval van de Gemeente op aarde en de geschiedenis van het overblijfsel, de verbindende schakel tussen onze dagen en de zending van Christus tot Israël, met Zijn komst in de laatste dagen.
Hoofdstuk 1
De profeet Hosea heeft in dezelfde tijd geprofeteerd als Jesaja. Maar hij houdt zich meer bezig met de toenmalige toestand van het volk, in het bijzonder van Israël (de tien stammen), al spreekt hij ook vaak over Juda. Het karakter van zijn profetie is eenvoudiger dan dat van Jesaja. Zijn stijl daarentegen is buitengewoon krachtig en vol van plotselinge overgangen. De regeringstijd van de koning van Israël, die ons als datum voor de profetie gegeven is, was uiterlijk een tijd van voorspoed voor dat deel van het land. De profetie zelf deelt ons haar zedelijke toestand mee. De lankmoedigheid van God heeft lange tijd de opstandigheid van Zijn volk verdragen, omdat hun ellende Zijn medelijden opwekte (zie 2 Koningen 14:26; 17). Dit duurde zolang dit geduld als getuigenis kon dienen, van het ware karakter van Hem Die het uitoefende, en geen aanleiding ertoe gaf de heiligheid en gerechtigheid te ontkennen, of de zonde goed te keuren. Dat wil dus zeggen: zolang het nog mogelijk was het volk te zegenen, zonder in de ogen van de volken elk getuigenis van wat God Zelf was op te offeren. In één woord “tot er geen herstel meer mogelijk was”.
Jerobeams regering begon enkele jaren voor het begin van de regeringstijd van de koningen van Juda, Uzzia enzovoort. Uzzia’s regering begon 14 jaar voor het einde van de regering van Jerobeam. Hij heeft 52 jaar geregeerd. Jotham 16 jaar, Achaz ook 16 jaar en Hizkia 29 jaar, zodat Hosea gedurende meer dan 50 1 jaar geprofeteerd heeft en misschien wel langer. Gedurende deze lange jaren was hij een getuige van de opstand van Israël tegen Jahweh, bedroefd en gebroken door de ongerechtigheid van een volk dat hij liefhad, en wiens welzijn hem aan het hart ging, omdat het het volk van Jahweh was.
De profetie van Hosea laat zich in twee delen verdelen: ten eerste de openbaring van de raadsbesluiten van God ten opzichte van Israël en ten tweede de vermaningen die de profeet in de Naam van Jahweh tot het volk richt. In dit laatste gedeelte spreekt hij dikwijls van Israël als één geheel. Maar hij maakt ook vaak onderscheid tussen Israël (of Efraïm) en Juda. Maar ik kan niet zien, dat hij zich rechtstreeks tot Efraïm, dat is tot de tien stammen, wendt. Hij spreekt over Efraïm, maar niet tot Efraïm. Bovendien is het algemeen karakter van zijn profetie een soort van aanhoudende weeklacht, waardoor zijn zielsangst ten aanzien van de toestand van het volk tot uitdrukking komt, terwijl hij tegelijkertijd alle bemoeiingen van God met hen opsomt. Hoofdstuk 14 is een uitzondering. Daarin roept de profeet Israël tot zo’n bekering op, als in de laatste dagen plaats zal vinden.
De eerste drie hoofdstukken vormen het eerste gedeelte, of de openbaring van de raadsbesluiten van God met betrekking tot Israël. Van het begin af wordt Israël behandeld als een volk, dat zich in een staat van opstand tegen God bevindt. De profeet moet zich met een verdorven vrouw verbinden (ik twijfel er niet aan dat dit een profetisch beeld is), van wie het gedrag de uitdrukking was van dat van het volk. De zoon die zij baart is – door de naam die de profeet hem moet geven – een teken van het oordeel van God over het huis van Jehu en over het koninkrijk van Israël, dat moest ophouden te bestaan. Inderdaad was na de uitroeiing van het geslacht van Jehu – al zijn er nog verscheidene koningen geweest – in het koninkrijk van Israël alles in verwarring. Het koninkrijk was verloren. Jehu had bij het uitroeien van de afgodendienst weliswaar een doortastende ijver getoond, zodat God hieraan, in Zijn uiterlijke regering, Zijn goedkeuring heeft kunnen (en als getuigenis moeten) hechten en hem zelfs beloond. Maar de beweegredenen die hem leidden waren verre van zuiver. God toont hier, waar Hij Zijn gedachten en Zijn werkelijke waardering van Jehu’s werk openbaart, terwijl Hij hem in Zijn openbare regering zegent, dat Hij rechtvaardig en heilig oordeelt. Niets is verborgen voor Hem, van wat de mens in dat werk inbrengt, aan eerzucht, wreedheid en zelfs aan valse ijver die niets anders is dan schijnheiligheid, die gedekt wordt met de benaming: “ijver voor Jahweh”, maar alleen is het bevredigen van de eigen wil. Kortom, dit alles is van de mens en wacht op zijn gerechte loon en dat des te meer, omdat alles verborgen wordt onder de grote naam van Jahweh.
Jizreël, dat voorheen getuige was van de uitvoering van het oordeel van God over het huis van Achab, zou dit nu zijn van de verwoesting van geheel Israël.
Daarna wordt bij de vrouw, die door de profeet genomen is, een dochter geboren. God zegt tegen de profeet haar “Lo-Ruchama” te noemen, wat “geen barmhartigheid meer” betekent. Niet alleen werd het oordeel over Israël voltrokken, maar het oordeel was – afgezien van de soevereine genade die bewaard bleef voor de laatste tijden – een definitief oordeel. Er was nu geen plaats meer voor de lankmoedigheid van God tegenover het koninkrijk van Israël. Juda zou echter door de macht van God nog bewaard blijven.
Een tweede zoon wordt “Lo-Ammi” genoemd, dat wil zeggen: “Niet Mijn Volk”, want nu erkende Jahweh het volk niet meer als het Zijne. Juda die voor een tijd deze positie nog handhaafde, hoewel de tien stammen verloren waren, heeft ten slotte door zijn ontrouw geheel Israël onder het verschrikkelijke oordeel gebracht van niet meer het volk van God te zijn en Jahweh niet langer hun God.
God, Die op deze wijze kort maar duidelijk het oordeel over het volk had uitgesproken, kondigt direct met dezelfde klaarheid Zijn soevereine genade tegenover hen aan. “Toch”, zegt Hij door de mond van de profeet, “zal het aantal Israëlieten zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten en niet geteld kan worden”. Maar deze genade opent de deur ook voor anderen buiten de Joden, want “het zal gebeuren dat in de plaats waar tegen hen gezegd is: U bent niet Mijn volk, tegen hen gezegd zal worden: Kinderen van de levende God” 2 (vers 10). De toepassing van deze Schriftplaats op de volken wordt door de apostel Paulus in Romeinen 9:24-26 bevestigd. Daar haalt hij het slot van hoofdstuk 2 van onze profeet aan als uitdrukking van de genade voor de Joden, en het vers dat wij nu bespreken als uitdrukking van de genade voor de volken. Petrus daarentegen, die alleen tot bekeerde Joden spreekt, haalt alleen het slot aan van het tweede hoofdstuk van Hosea (1 Petrus 2:10). Het is aan geen twijfel onderhevig, dat de Joden in de laatste dagen volgens dit beginsel zullen ingaan. Maar de Heilige Geest drukt Zich hier op zo’n manier uit, zoals Hij dit in talrijke door de apostelen aangehaalde Schriftplaatsen gedaan heeft, dat de woorden ook toegepast kunnen worden op de toelating van de volken, als de tijd door God bepaald gekomen zou zijn. Hier gaat Hij echter verder en kondigt de terugkeer aan van de kinderen van Juda en van de tien stammen, verenigd en onderworpen aan één hoofd, in de grote dag van “het zaad 3 van God”. Er wordt gezegd, dat ze uit het land zullen optrekken. Men heeft verondersteld, dat het een terugkeer is van een vreemd land. Maar ik heb de gedachte, dat de betekenis meer is, dat allen als één volk op hun plechtige feestdagen naar Jeruzalem zullen optrekken.
Zo zijn hier het oordeel over een verdorven en ontrouw volk en de genade voor de volken en later voor Israël als volk, op zeer duidelijke wijze met weinig woorden aangekondigd, maar toch zó, dat ze de hele reeks van Gods wegen omvatten.
Hoofdstuk 2
Hier vinden we enkele nieuwe punten die van het hoogste belang zijn en tegelijkertijd een heerlijke openbaring van Gods genadewegen ten opzichte van Israël. De laatste woorden van hoofdstuk 1 erkennen, naar het mij lijkt, het beginsel van een overblijfsel, dat door het hart van God als een volk erkend wordt en een voorwerp van barmhartigheid, terwijl de natie als één geheel door de Heer verworpen is. Maar de gedachte aan het herstel van Israël, in vers 11 van hoofdstuk 1 aangekondigd, geeft aan het overblijfsel zijn waarde en plaats in overeenstemming met de raadsbesluiten van God. God heeft Zijn volk, dat Hij tevoren gekend heeft, niet verstoten. Toch zegt Jahweh niet, door de Geest, tot de profeet: “Ik heb uw moeder tot vrouw genomen en zal haar niet verstoten”, maar: “Zeg tegen uw broeders: Ammi (Mijn volk), en tegen uw zusters: Ruchama (in barmhartigheid ontvangen)”. Dat wil dus zeggen, dat Hij Zich tot hen wendt, die, door de Geest van God bewerkt, in hun harten werkelijk op de gedachte van de profeet ingaan. Zij, die het karakter bezitten, dat de Heer Jezus deed zeggen: “Dat zijn Mijn broeders en zusters”. Dat is de positie die het volk en de geliefden van God in de ogen van de profeet heeft. In deze zin past de apostel Petrus hoofdstuk 2:23 toe op het overblijfsel en is het betoog van Paulus in Romeinen 9. En zo kan de Heer Zelf Zich “de ware Wijnstok” noemen.
De profeet moest dus (en hij alleen kon het doen) zijn broeders en zusters, als met God in betrekking staande, erkennen in overeenstemming met het volle resultaat van de belofte, hoewel dat resultaat er nu nog niet was. Want in feite moest God, wat Zijn wegen betreft, met de moeder, dat wil zeggen met Israël als één geheel gezien, een rechtszaak voeren. God kon haar niet erkennen als met Hem getrouwd: Hij wilde niet haar Man zijn. Ze moest zich bekeren, als ze niet gestraft wilde worden, en naakt gemaakt voor de wereld. Jahweh zou evenmin medelijden tonen met haar kinderen, want die waren geboren tijdens haar omgang met valse goden. Israël schreef al de zegeningen, waarmee Jahweh het had overladen, toe aan de gunst van de valse goden. Daarom had Jahweh het in zijn weg met geweld tot omkeer gedwongen. En omdat het niet erkende, dat het Jahweh was Die het met die overvloed had overladen, zou deze hem weer ontnomen worden. Het zou naakt gelaten en van alles beroofd worden. Jahweh zou Israël de dagen van de Baäls vergelden, de tijd waarin dit volk hen gediend en Jahweh vergeten had. Maar nadat Hij deze ontrouwe vrouw in de woestijn had gevoerd, waar ze leren moest dat haar valse goden haar niet rijk konden maken, zou Jahweh, Die haar Zelf naar die plaats gelokt had, in genade tot haar hart spreken. En als ze begrepen zou hebben waarheen haar zonde haar had gebracht en ze alleen met Jahweh in de woestijn zou zijn, waarheen Hij haar had gelokt, dan zou Hij haar daar troosten en door genade een ingang geven, in de kracht van de zegeningen die Hij alleen geven kon.
De omstandigheid die God – bij deze terugkeer naar de genade – noemt, is van treffend belang. Het dal Achor zou Israël tot een deur van hoop zijn. Daar waar Gods oordeel begonnen was over het ontrouwe volk, na het binnengaan in het land, toen Hij handelde naar hun verantwoordelijkheid, daar zou God laten zien dat de genade overvloediger is dan al hun zonden. De blijdschap van hun eerste bevrijding en verlossing zou hun worden teruggegeven. Het zou in genade een nieuw begin van hun geschiedenis zijn, maar het zou een vaste, onwankelbare zegening zijn. Het beginsel van hun relatie met Jahweh zou worden veranderd. Jahweh wil niet als een Meester (Baäl) zijn, aan Wie het volk verantwoording verschuldigd was, maar als een echtgenoot, die Zich Israël als vrouw genomen had. De Baäls zouden volkomen worden vergeten. Jahweh zou elk soort van vijanden uit het land wegnemen, zowel wilde dieren als boze mensen, en zou Israël ondertrouwen in gerechtigheid, en in oordeel, in tederheid, in barmhartigheid en in getrouwheid. Ze zou erkennen, dat dit Jahweh was. En als ze dan eenmaal op deze wijze in getrouwheid met Jahweh ondertrouwd zou zijn en zijn relatie met Hem verzekerd, dan zou de keten van zegen tussen Jahweh en Zijn volk op de aarde zeker zijn en niet worden onderbroken. Jahweh zou in verbinding staan met de hemelen, en deze weer met de aarde. De aarde zou haar zegeningen afwerpen en deze zouden al de behoeften van Israël, het zaad van God, bevredigen. Ook zou God Israël in de aarde zaaien en zijn naam zou zijn Ruchama (ontvangen in barmhartigheid of genade), Ammi, dat is: “Mijn volk”, en Israël zou zeggen: “U bent mijn God!” In één woord, er zou een algeheel herstel van zegening zijn, maar op grond van de genade en de getrouwheid van God.
Hoofdstuk 3 laat ons een andere bijzonderheid zien van de geschiedenis van het volk gedurende de tijd van hun verwerping, een verwerping gevolgd door hun terugkeer tot God. Israël zou een lange tijd afgezonderd zijn om op hun God te wachten. Zij zouden geen ware God bezitten, noch valse goden, noch koning, noch priester, noch offer. Maar hierna zouden ze terugkeren en Jahweh hun God en David hun Koning zoeken. Met andere woorden, geheel Israël zou het ware oorspronkelijke koningschap door God gegeven, waarvan Christus de vervulling is, zoeken. Hun harten zouden zich buigen voor Jahweh en voor Zijn goedheid in de laatste dagen.
Hoofdstuk 4-5
In hoofdstuk 4 richt de profeet zich tot het gehele volk. In vers 15 onderscheidt hij Juda van Israël, waarbij hij de eerste waarschuwt de laatste niet te volgen in zijn afval. In vers 2 blijft hij stilstaan bij de zonden, waaraan het volk schuldig was. Israël aan wie de heerlijkheid beloofd was een volk van priesters voor Jahweh te zijn (Exodus 19), wordt als zodanig verworpen. Dit veroorzaakt het oordeel over de priesters die deze naam eigenlijk droegen, maar die hun voldoening in de zonden van het volk vonden, om zich te verrijken met de offers. Het spreekwoord: “Zoals het volk, zo de priester” werd in hen bewaarheid. Hoererij en wijn namen elk gezond oordeel van het hart weg; het volk van God vroeg raad aan zijn stok en aan zijn staf, offerde op de hoogten en oefende daar hun hoererij uit. God zou hen overleveren aan de gevolgen van hun ongerechtigheid.
Hoofdstuk 5. Dan vermaant God Juda om niet ook deze weg op te gaan. Maar als de Geest van Jahweh de gehele ongerechtigheid van Efraïm, die voor Zijn ogen was bedreven, ontvouwt, dan toont Hij, dat ook Juda schuldig was voor Hem (hoofdstuk 5:10,13).
Priesters, volk, koning, allen worden toegesproken als voorwerpen van het oordeel; als degenen die zich aan gewelddadigheden hadden overgegeven. Hoewel God hen berispt had, wilden ze niet tot Hem terugkeren. Later zouden ze Hem zoeken en niet vinden. Hij zou Zich van hen teruggetrokken hebben.
Nog een andere zonde wordt aan beiden (Efraïm en Juda) verweten. Efraïm zag zijn zwakheid, het gevolg van zijn zonde, en Juda zijn wonde. Maar ze waren te ver van Jahweh verwijderd om de toevlucht tot Hem te nemen. Ze zochten hulp bij de Assyriër. Kon deze het zondige volk van het oordeel van God redden? Zeker niet. God zou het volk verscheuren, zoals een leeuw zijn prooi verscheurt. Daarna zou Hij Zich terugtrekken tot Zijn plaats, totdat zij hun zonde erkend zouden hebben. In hun droefheid zouden zij Hem ijverig zoeken.
Hoofdstuk 6-7
Dit brengt de profeet tot zijn aangrijpend pleidooi, waarin hij het volk smeekt tot Jahweh terug te keren. Het geloof heeft steeds deze bron tot zijn beschikking, omdat het in de kastijding de hand ziet van God, zijn God, en daarom een beroep kan doen op de ontferming van een God die het goed kent. In vers 4 laat de Geest de tederheid van God zien tegenover Zijn opstandige kinderen en Zijn bereidwilligheid de kleinste verandering naar het goede in hun harten tegemoet te komen. Daarom had God hen het getuigenis van de profeten gezonden. Zoals we al gezien hebben, een buitengewoon middel om in genade de betrekking die het volk met God heeft, zedelijk en in werkelijkheid te onderhouden. Het was voor het hart van God niet een zaak van uiterlijke vormen, de zedelijke, innerlijke relatie was niet aanwezig. Hij had profeten verwekt als een middel tot verbinding met Hem, om het hart van het volk terug te brengen. Maar, zoals 4 Adam in de hof van Eden, zo hadden zij het verbond gebroken, waarvan het genieten van de zegeningen, waarmee God hen had overladen, afhing. Ze hadden verraderlijk gehandeld tegen Hem. Jahweh hun God, was volkomen bereid hen uit hun val op te richten. Maar als Hij tussenbeide kwam, dan bracht Zijn tegenwoordigheid die ongerechtigheid aan het licht, die een zedelijke hinderpaal voor hun herstel vormde. Hierop stort het hart van de profeet zich opnieuw in weeklachten uit, over de ongerechtigheid van het volk.
De profetie van Hosea is in dit opzicht zo belangrijk, omdat ze ons een beeld geeft van de zedelijke toestand van het volk, dat door God geoordeeld is; een toestand die dit oordeel absoluut noodzakelijk maakte. Niets is aangrijpender, dan te zien hoe God het volk nu eens berispt en dan weer teder toespreekt; een beroep op hen doet terug te keren naar die gelukkiger ogenblikken. Maar alles was tevergeefs. God moest noodzakelijkerwijze oordelen en Zijn toevlucht nemen tot Zijn soevereine genade, die Israël tot berouw en tot Hem terug zou brengen.
Het volk moedigde de koning en de vorsten in hun ongerechtigheid aan. De vrucht van de ongerechtigheid van Israël kwam al in zijn zwakheid tot uiting. Vreemden verteerden hen ook (hoofdstuk 7:9). Maar dit alles bracht hen niet tot Jahweh terug. Als zij soms in het gevoel van hun ellende huilden op hun bedden – tot God riepen ze niet. Wat een tafereel van de mens onder de gevolgen van de zonde, die zich toch niet bekeren wil tot de Heer!
Hoofdstuk 8
Hier wordt Israël openlijk verweten, dat zij de wet van hun God op onbeschaamde wijze en voortdurend hebben geschonden, wat het oordeel met de snelheid van een adelaar over hen zou brengen. Merk hierop, dat de verwoester door wie Israël bedreigd wordt, tot in de tempel van Jahweh komt. Israël had Jahweh verlaten om zich eigen altaren te maken en Juda had op een arm van vlees gesteund. Men kan hier eveneens opmerken, dat de profetie ons Efraïm laat zien als iemand die God volkomen verlaten heeft, in ongerechtigheid verzonken en blootgesteld aan een oordeel dat voor de deur staat; Juda daarentegen als nu nog uiterlijk getrouw, hoewel in zijn hart ook ontrouw (zie hoofdstuk 6:11; 8:14; 12:1). Het oordeel zou over beiden komen.
Hoofdstuk 9-11
We hebben hier opnieuw die aangrijpende mengeling van genegenheid en oordeel, die zo dikwijls bij deze profeet naar voren komt. Efraïm zou niet in het land blijven, het land dat Jahweh toebehoorde. Want God wilde Zijn rechten niet prijsgeven, hoe groot de ongerechtigheid van het volk ook mocht zijn. Zij zouden in gevangenschap worden weggevoerd en niet meer in het huis van Jahweh komen. De profeet en de geestelijke mens zouden niet meer een band tussen hen en Jahweh zijn. God zou hen in verwarring brengen door datgene wat hen had moeten verlichten en leiden. De profeet zou zelfs een strik voor hun ziel worden, hoewel hij voorheen een wachter was geweest van de zijde van God. De verdorvenheid van Efraïm was zo groot als in de dagen van Gibea, een geschiedenis die aan het einde van het boek Richteren wordt verteld, maar het zal gestraft worden. God had Israël uit het midden van de volkeren verkoren, om Zijn vreugde te zijn.
En zij hadden Baäl-Peor gevolgd, zelfs voordat ze in het land kwamen. Hoewel God lang verdraagt, Hij neemt toch van alles kennis. Nu zou Efraïm een zwerver onder de volkeren worden.
Aan het eind van hoofdstuk 9 en in hoofdstuk 10, verwijt de Geest aan Israël hun altaren en hun gouden kalveren. Israël zou in gevangenschap worden weggevoerd. Ook Juda zou het juk dragen. De Assyriër zou deze kalveren waarop Israël had vertrouwd, wegvoeren. Maar ondanks alles (hoofdstuk 11) denkt God aan Zijn eerste liefde voor Jakob. Hij herinnert hen aan al Zijn tederheid, Zijn goedheid, Zijn zorgen voor hen. Ze zouden niet terugkeren tot hun oude toestand in Egypte; Assyrië zou de plaats van hun gevangenis zijn. Maar hoe groot de zonde van Israël ook is, het hart van hun God weigert Zijn volk te verlaten. Hij wil hen niet vernietigen. Hij is God en geen mens. Ten slotte zal Hij het dan onderworpen en bevende volk weer opnieuw in hun huizen doen terugkeren.
Hoofdstuk 12
Hier toont de Geest een andere zijde van de relatie van Israël met God. Hij zou Efraïm straffen en Juda’s zonden zouden herdacht worden. Maar Hij brengt hun ook in herinnering, dat er een tijd was dat Jakob kon strijden met zijn God, Hem kon smeken en overwinnen. Dat Hij hem later in Bethel had gevonden en dat daar God, ja, Jahweh Zelf met hem had gesproken en hem Zijn Naam had geopenbaard, wat Hij in feite in Pniël niet had gedaan.
Let hier goed op de wijze waarop God in al de bijzonderheden van Zijn zedelijke relatie met Israël treedt om de kracht, draagwijdte en rechtvaardigheid van het “Lo-Ruchama”, dat Hij over het volk heeft uitgesproken, te doen begrijpen. Hij herinnert hen aan al Zijn liefde, die Hij in het begin al voor hen had, Zijn tedere zorgen. Hoe Hij daarvoor al in Baäl-Peor beloond was. De afschuwelijke ongerechtigheid van Gibea, nu weer herhaald. Hun verdorvenheid, hun afgoderij, hun weigering te luisteren; dit alles wordt hier opgesomd. En ten slotte, op welke wijze Jakob er voorheen in geslaagd was Zijn toorn af te wenden en hoe God Zich toen aan hem had geopenbaard. Nu, de Naam die Hij bij die gelegenheid had bekendgemaakt, was Zijn gedachtenis voor altijd. Dat ze toch terug mochten keren tot God en voortdurend op Hem wachten.
Maar nee, alles is verdorvenheid en Efraïm wil zelfs zijn zonde niet erkennen. Hij, Die hen uit Egypte had doen optrekken, zou hen opnieuw zonder vaderland in tenten laten wonen. God had voortdurend door Zijn profeten tot hen gesproken, toch was de ongerechtigheid aanwezig. Israël was al eens arm geweest, een zwerver en vluchteling, en God had toen op soevereine wijze door een engel van verlossing ingegrepen, toen er geen verbond van kracht was waarop het volk kon rekenen voor zijn bevrijding.
Hoofdstuk 13
Hier zien we hoe de liefde en het oordeel van God voortdurend met elkaar botsen. De gedachte aan hun zonde roept om de aankondiging van het noodzakelijke en onvermijdelijke oordeel. En zodra het oordeel is uitgesproken, keert het hart van God terug tot Zijn eigen gedachten van genade (zie verzen 1-4,7,9,12,14 en hoofdstuk 13:15 en 14:1). Niets kan mooier zijn dan deze mengeling van zedelijke noodzakelijkheid van oordeel, van de gerechtvaardigde grimmigheid van God tegenover zo’n zonde, het pleiten om Israël te bewegen zijn boze wegen te verlaten en Jahweh te zoeken, Die zeker medelijden met hen zou hebben; dan Gods terugkeer tot de eeuwige raadsbesluiten van Zijn genade, om het volk dat Hij liefheeft te waarborgen, waarvan zij zich door hun ongerechtigheid hadden beroofd; en tegelijkertijd de roerende herinnering aan de vroegere verbinding met Zijn geliefd volk. Wat een neerbuigende goedheid en wat een genade van de zijde van hun God. Wel heeft Israël het vonnis verdiend: “Ik zal Mij niet meer ontfermen”, hoe pijnlijk en verschrikkelijk het ook was, juist in verhouding tot alles waarin God getoond had wat Hij Zelf was voor dit volk. Wel kan de Heer Jezus zeggen: “Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeenverzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild” (Mattheüs 23:37).
Let er tevens op hoe God de geschiedenis van de ongerechtigheid van Israël – zelfs van het ogenblik van de woestijnreis af – weergeeft. Hij laat de middelen zien, die Hij het volk had gegeven om weer tot Hem te kunnen terugkeren en ontvouwt Zijn wegen, toen Hij de ontrouwe Jakob had moeten weerstaan. Toch had Hij hem gezegend, toen hij door het geloof had gestreden – Hij, Die niet verandert en Die nog steeds Dezelfde was voor Israël. We zien hoe de gehele gedragslijn van Israël door God was waargenomen, hoe het nog altijd in Zijn gedachtenis bewaard is gebleven en tot onderwijzing van het volk wordt weergegeven, of het misschien op de een of andere wijze mogelijk zou zijn het volk te sparen. Het geheel van dit door God Zelf gemaakte tafereel geeft ons een belangrijke les en spoort ons aan ons aan Hem vast te klemmen. Want hoe groot Zijn lankmoedigheid ook is, Hij neemt kennis van al onze wegen, en heeft verordend, dat we oogsten zullen wat we gezaaid hebben.
Niets laat ons ook het langdurige en wonderbare geduld van de liefde van God beter zien dan dit. Het bijzondere doel van deze profetie is de zedelijke toestand te laten uitkomen van het volk, dat uiteindelijk het vonnis Lo-Ruchama en daarna dat van Lo-Ammi tegen zich hoort uitspreken, zoals we zagen in het overzicht van de wegen van God met het volk in hoofdstuk 1-3. Maar de profetie laat ons tevens de betrekking zien die tussen de zedelijke wegen van God en Zijn onveranderlijke raadsbesluiten blijft bestaan, de verbinding tussen deze raadsbesluiten en de liefde in overeenstemming waarmee God ze uitvoert – de ondankbaarheid van de mens in zijn houding ten opzichte van deze liefde – het grote geduld, dat God door Zijn liefde ten aanzien van Zijn ondankbare volk gebruikt – en ten slotte het zich terugtrekken van God, Die Zijn volk als prooi aan zijn eigen verdorvenheid en aan de verleiding van de vijand overlaat. Het uiteindelijke resultaat is, dat de toestand waarin Zijn volk zich bevindt, God verplicht het oordeel te laten komen waarom hun zonde roept, als alle waarschuwingen van God door Zijn boodschappers, tevergeefs zijn geweest. Maar dit geeft dan ruimte voor de vervulling van de raadsbesluiten van God, Die, na Zijn volk lange tijd aan de gevolgen van hun eigen wegen te hebben overgegeven, hen tot bekering brengt en hen op deze wijze laat genieten van wat zij op grond van deze raadsbesluiten zullen ontvangen.
Hoofdstuk 14
Dit laatste werk vinden we in hoofdstuk 14 beschreven. Als Israël weer terugkeert tot Jahweh, erkent het zijn ongerechtigheid en wendt zich tot de genade van zijn God. Alleen op deze wijze kan hij God een welgevallige aanbidding brengen. Zijn hart, onderwezen en gereinigd, weigert de hulp van Assur, die hij in zijn ongerechtigheid had gezocht, toen hij zijn God verwierp, Die al zijn wegen doorgrondde. Nu wil hij niet langer leunen op een arm van vlees, noch op vleselijke kracht, en hij verwerpt de valse goden voor wie hij de knieën heeft gebogen. Zijn toevlucht zou voortaan zijn bij Hem, Die ontferming had met de wezen. God wachtte alleen maar op de terugkeer van het volk, een terugkeer die Hij door Zijn genade in hun harten had gewerkt, toen de kastijding, vereist door Zijn zedelijke heerlijkheid en voor het welzijn van het volk, was beëindigd. God Zelf zou hun afkerigheid van Hem genezen en hen vrijwillig weer liefhebben. Zijn toorn was van Zijn volk afgewend. Zijn zegen en Zijn genade zou als de dauw voor hen zijn. Goddelijke schoonheid en vruchtbaarheid zouden opnieuw gezien worden in Israël, Zijn volk.
Het negende vers lees ik op de volgende wijze: “Efraïm zal zeggen: Wat heb ik nog met de afgoden te doen?” Jahweh zegt: “Ík heb hem verhoord en zal naar hem omzien.” Dan zegt Efraïm weer: “Ik zal als een groenende dennenboom (cipres) zijn”. En ten slotte het antwoord van Jahweh: “Door Mij is bij u vrucht te vinden”.
Er is berouw, waarvan Jahweh kennis neemt; en het blijde bewustzijn van zegen die God laat voelen, en die alleen uit Hemzelf voortkomt, die ze zeker maakt en vermeerdert.
Het laatste vers zegt ons wat we al geprobeerd hebben op te merken. Namelijk, dat deze geschiedenis ons de wegen van God leert kennen, die de wijze, dat is degene die op Goddelijke manier in zijn hart is onderwezen, het gemakkelijk zal begrijpen. “De wegen van de HEERE zijn immers recht”. De weg die Hij in Zijn handelingen gaat, gaat steeds recht vooruit, hoe groot ook Zijn barmhartigheid is. De rechtvaardige, gesteund en geholpen door de kracht van God, kan in deze weg gaan. Maar de overtreders zullen door de kracht zelf, die er werkzaam is, erin vallen.
Inderdaad, er is geen profeet, die het geheel van deze wegen van God zo volledig geeft, als Hosea dat doet.
EINDE HOSEA
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 4.6
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- Gods bemoeiingen met Israël en de volken (over de kleine profeten), H. Rossier
- Overdenkingen over de profetieën van Daniël en Hosea, R. Brockhaus en J. Tiesema
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten:
1 Een gedeelte van de regeringstijd van Jotham (misschien wel het grootste deel) viel samen met die van Uzzia, die als een melaatse terzijde werd gesteld.
2 Men kan nog de opmerking maken, dat er niet gezegd wordt: “Zij zullen Mijn volk zijn”, een uitdrukking die minder toepasselijk is op de volken, maar: “Kinderen van de levende God”, wat juist het voorrecht is, dat in genade verleend wordt aan hen die tot de kennis van de Heer gebracht zijn, na de opstanding van Christus.
3 Dit is de betekenis van “Jizreël”, of nog nauwkeuriger uitgedrukt: “God zal zaaien” of “het zal gezaaid zijn door God”.
4 Men moet lezen: “Ze hebben het verbond overtreden, zoals Adam het heeft gedaan”. “Adam” is in het Hebreeuws een eigennaam en een “ras”, de naam van het ras “mens”. Maar in de laatste betekenis heeft het gewoonlijk het lidwoord: “De Adam” zoals in Genesis 1:27. Het is op deze Schriftplaats, dat de apostel Paulus zinspeelt in Romeinen 5:14.