69. 1 Johannes

69. 1 Johannes · uit de ‘Synopsis’ deel 8 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

De eerste brief van Johannes heeft een bijzonder karakter. Het onderwerp is: het eeuwige leven, dat geopenbaard is in Jezus, en aan ons is meegedeeld – het leven dat bij de Vader was, en dat in de Zoon is. In dat leven genieten de gelovigen van de gemeenschap met de Vader, staan zij in verbinding met Hem door de Geest van zoonschap, en hebben zij gemeenschap met de Vader en de Zoon. Het karakter van God Zelf is de toetssteen van dit leven; omdat het uit Hemzelf voortkomt.

Het eerste hoofdstuk stelt deze beide laatste punten vast: namelijk, gemeenschap met de Vader en de Zoon, en dat deze gemeenschap in overeenstemming moet zijn met het wezenlijke karakter van God. Het tweede hoofdstuk wordt gekenmerkt door de Vadernaam. Verder spreekt hij erover dat datgene wat God is, de toetssteen is of er werkelijk leven is meegedeeld.
Hoewel de brieven van Paulus ook over dit leven spreken, houden ze zich er in het algemeen mee bezig, om aan de christenen de waarheid voor te stellen, met betrekking tot de middelen waardoor zij gerechtvaardigd en aangenaam gemaakt in de tegenwoordigheid van God kunnen verkeren. De eerste brief van Johannes toont ons het leven, dat door Jezus Christus van God komt. Johannes stelt ons God voor de aandacht, de Vader geopenbaard in de Zoon, en het eeuwige leven in Hem. Paulus geeft ons een plaats voor het aangezicht van God, als aangenaam gemaakt in Christus. Ik spreek nu over het kenmerkende van deze brieven. Paulus en Johannes raken elk nu en dan het onderwerp van de ander aan.

Nu, dit leven, zoals het geopenbaard is in de Persoon van Jezus, is zo kostbaar, dat de brief die nu voor ons ligt in dit opzicht een heel bijzondere bekoring heeft. En als ik mijn ogen richt op Jezus, als ik al Zijn gehoorzaamheid beschouw, Zijn reinheid, Zijn genade, Zijn zachtmoedigheid, Zijn geduld, Zijn toewijding, Zijn heiligheid, Zijn liefde, Zijn volkomen vrij zijn van alle zelfzucht, dan kan ik zeggen: Dat is mijn leven.

Dit is een onmetelijk grote genade. Het is wel mogelijk dat dit leven in mij niet duidelijk zichtbaar is: maar niettemin is het waar, dat het mijn leven is. O, wat geniet ik ervan als ik het zo zie! Wat prijs ik God ervoor! Wat een rust voor de ziel! Wat een reine vreugde voor het hart! Tegelijkertijd is Jezus Zelf het voorwerp van mijn genegenheden; en al mijn genegenheden zijn gevormd door dat heilige voorwerp 1.

Hoofdstuk 1

Maar we moeten terugkeren tot onze brief. Er waren, in de tijd dat deze brief werd geschreven velen die voorgaven nieuw licht te bezitten en helderder inzichten te hebben. Het Christendom, zo zei men, was heel goed om mee te beginnen; als uitgangspunt; maar het was nu verouderd. Nu was er nieuw licht, dat veel verder ging dan die schemerachtige waarheid van het Christendom.

De Persoon van onze Heer, de ware openbaring van het Goddelijke leven zelf, deed al die hoogmoed en aanmatiging teniet. Het was de menselijke geest die zich onder invloed van de vijand verhief, waardoor de waarheid werd verduisterd en de gedachten van de mensen werden teruggeleid in de duisternis waaruit al die hoogmoed en aanmatiging voortkwamen.

Wat de apostel verkondigde was: wat van het begin af was (van het begin van het Christendom; dat wil zeggen, in de Persoon van Christus), wat zij hadden gehoord, met hun eigen ogen gezien, aanschouwd, betast met hun eigen handen, betreffende het Woord van het leven. Want het leven zelf was geopenbaard. Dat leven dat bij de Vader was, was aan de discipelen geopenbaard.

Zou er iets volmaakter kunnen bestaan, iets innemender, zou er iets ontvouwd kunnen worden, dat in de ogen van God nog meer bewonderenswaard was dan Christus Zelf, dan dat Leven dat bij de Vader was, in al Zijn volmaaktheid geopenbaard in de Persoon van de Zoon? Zodra de Persoon van de Zoon het voorwerp is van ons geloof, voelen we dat de volmaaktheid er in het begin geweest moet zijn.

De Persoon van de Zoon, het eeuwige leven geopenbaard in het vlees, is dus ons onderwerp in deze brief.

Bijgevolg moeten we hier de genade zien in wat het leven betreft; terwijl Paulus ze voorstelt in verbinding met de rechtvaardigmaking. De wet beloofde leven bij gehoorzaamheid; maar het leven kwam in al haar Goddelijke volmaaktheid in de Persoon van Jezus, in haar menselijke openbaringen. O, hoe kostbaar is de waarheid dat dit leven, zoals het bij de Vader was, zoals het was in Jezus, aan ons is gegeven! In wat voor verbinding brengt dit ons, door de kracht van de Heilige Geest, met de Vader en met de Zoon Zelf! En dit is het wat de Geest ons hier allereerst voor de aandacht stelt. En let erop, hoe het hier alles genade is. Verderop toetst hij weliswaar alle beweringen gemeenschap met God te hebben door het openbaren van Gods eigen karakter – een karakter waarvan Hij nooit kan afwijken. Maar voordat hij daarover gaat spreken, stelt hij de Heiland Zelf voor en gemeenschap met de Vader en de Zoon. Hier is alles vast en zeker; er is geen “indien”. Dit is onze positie en onze eeuwige vreugde.

De apostel had dat leven gezien, had het betast met zijn eigen handen; en hij schreef aan anderen om dit te verkondigen, opdat ook zij met hem gemeenschap zouden hebben in de kennis van het leven dat op die manier was geopenbaard 2. Nu, waar de Zoon dat leven was, kon men het niet kennen zonder de Zoon te kennen; dat wil zeggen, zonder te weten wat Hij was, zonder zich te verplaatsen in Zijn gedachten, Zijn gevoelens: anders kent men Hem niet werkelijk. Op die manier hadden zij gemeenschap met Hem, – met de Zoon. Kostelijk feit, zich te verplaatsen in de gedachten (al de gedachten), en in de gevoelens, van de Zoon van God die in genade is neergekomen: dit te doen in gemeenschap met Hem. Dat wil zeggen: dat men ze niet alleen kent, maar dat men deze gedachten en gevoelens met Hem deelt. Dit is, in feite, het leven.

Maar wij kunnen niet de Zoon hebben, zonder de Vader te hebben. Wie de Zoon gezien had, had de Vader gezien, en bijgevolg had hij, die gemeenschap had met de Zoon, gemeenschap met de Vader; want de gedachten en gevoelens van de Vader en de Zoon zijn volkomen één. Hij is in de Vader, en de Vader in Hem. Wij hebben daarom gemeenschap met de Vader. En dit is ook waar, wanneer wij het uit een ander oogpunt bezien. Wij weten, dat de Vader volmaakt geniet van de Zoon. Nu heeft Hij, door de Zoon te openbaren, ons gegeven, dat wij ook van Hem mogen genieten, hoe zwak we ook zijn. Wanneer ik me verlustig in Jezus, – in Zijn gehoorzaamheid, Zijn liefde tot Zijn Vader, en voor ons, in Zijn eenvoudig oog en volmaakt toegewijde hart – dan weet ik, dat ik dezelfde gevoelens, dezelfde gedachten heb, als de Vader Zelf. De Vader geniet en kan niet anders dan genieten van Hem, van wie ik nu geniet, en daarom heb ik gemeenschap met de Vader. En evenzo heb ik gemeenschap met de Zoon in het kennen van de Vader. Of we het van het ene of het andere oogpunt uit bezien, dit alles vloeit voort uit de Persoon van de Zoon. Hierin is onze vreugde volkomen. Wat kunnen wij meer hebben dan de Vader en de Zoon? Is er een volmaakter geluk dan de gedachten, gevoelens, vreugde en blijdschap te delen, en gemeenschap te hebben met de Vader en de Zoon, terwijl we al onze vreugde putten uit de Vader en de Zoon? En als het moeilijk te geloven schijnt, laten we er dan aan denken dat het, in waarheid, niet anders kan zijn. Want, in het léven van Christus, is de Heilige Geest de bron van mijn gedachten, gevoelens en gemeenschap; en Hij kan geen andere gedachten wekken dan die van de Vader en de Zoon. In hun natuur moeten die gedachten eender zijn. Dat het aanbiddende gedachten zijn ligt geheel in de aard van de zaak, en maakt ze slechts des te kostbaarder. Als we zeggen dat het zwakke en dikwijls onderbroken gedachten zijn, terwijl de Vader en de Zoon Goddelijk en volmaakt zijn, dan geven we daarmee te kennen, als het ware dat de Vader en de Zoon God zijn en Goddelijk, en wij zwakke schepselen. En dit zal niemand willen ontkennen. Maar als de gezegende Geest de bron is, dan moeten de gedachten wat hun aard betreft, en in feite, eender zijn.

Dit is onze christelijke positie, hier beneden in de tijd, door de kennis van de Zoon van God; zoals de apostel zegt: “En deze dingen schrijven wij <u,> opdat onze blijdschap volkomen is”. Maar Hij die het leven was, dat van de Vader kwam, heeft ons de kennis van God gebracht 3.

De apostel had uit Zijn mond gehoord wat God was – een kennis van onschatbare waarde, maar die tevens het hart doorzoekt. En ook dit verkondigt de apostel, namens de Heer, aan de gelovigen. “En dit is de boodschap, die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is”. Met betrekking tot Christus was het zo: Hij sprak wat Hij wist, en getuigde van wat Hij gezien had. Niemand was in de hemel opgevaren, dan Hij die uit de hemel was neergedaald. Niemand had ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem verklaard. Niemand had de Vader gezien, dan alleen Hij die van God gekomen was, deze had de Vader gezien (Johannes 3:11; 1:18; 6:46). Zodoende kon Hij Hem openbaren, door Zijn eigen, volmaakte kennis 4. Nu was God licht, de volmaakte reinheid, die tevens alles laat zien, wat rein is, en alles wat het niet is. Om gemeenschap te hebben met het licht, moet men zelf licht zijn, de natuur van het licht bezitten, en geschikt zijn om te worden gezien in het volmaakte licht. Het licht kan zich alleen verbinden met iets dat licht is. Als iets anders zich ermee vermengt, is het licht geen licht meer. Licht is in zijn natuur absoluut, zodat het alles buiten sluit wat niet van het licht is.

Daarom, als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij wandelen in de duisternis, dan liegen wij en doen de waarheid niet; ons leven is dan een voortdurende leugen. Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, dan hebben wij (gelovigen) gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon reinigt ons van alle zonde. Dit zijn de grote beginselen, de belangrijkste kenmerken van de christelijke positie. Wij zijn in de tegenwoordigheid van God zonder voorhangsel. Het is iets werkelijks, een kwestie van leven en wandel. Het is niet hetzelfde als wandelen in overeenstemming met het licht; maar er staat: in het licht wandelen. Dat wil zeggen, dat deze wandel voor het aangezicht van God is, verlicht door de volkomen openbaring van wat Hij is. Het wil niet zeggen dat er in ons geen zonde is; maar, als wij in het licht wandelen, en onze wil en ons geweten in het licht zijn, zoals God in het licht is, wordt alles geoordeeld dat niet met het licht overeenkomt. We leven en wandelen zedelijk in het besef dat God bij ons is, en dat wij Hem kennen. Zodoende wandelen wij in het licht. De zedelijke regel voor onze wil is God Zelf, God die wij kennen. De gedachten die ons hart beheersen zijn van Hemzelf afkomstig en worden gevormd in overeenstemming met de openbaring van Hemzelf. De apostel spreekt altijd op abstracte manier over deze dingen; zo zegt hij: “hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is” (3:9). En hiermee wordt de zedelijke regel van dit leven gehandhaafd; het is de natuur van dit Goddelijk leven; het is de waarheid, aangezien die mens uit God is geboren. We kunnen er geen andere maatstaf voor aanleggen; iedere andere zou vals zijn. Hieruit volgt helaas niet, dat wij altijd trouw zijn; maar wij zijn ontrouw als we niet in die toestand verkeren. Dan wandelen we niet in overeenstemming met de natuur die we bezitten, en verkeren niet in de ware toestand waarin we overeenkomstig die natuur moeten zijn.

Bovendien is er dit: wanneer de gelovigen in het licht wandelen, zoals God in het licht is, dan hebben zij gemeenschap met elkaar. De wereld zoekt zichzelf. Het vlees, de hartstochten zoeken hun eigen bevrediging; maar als ik in het licht wandel, is er geen plaats voor zelfzucht. Ik kan met een ander genieten van het licht, en van alles wat ik er vind; er is geen afgunst. Als iemand anders iets vleselijks bezit, is het niet van mij. In het licht hebben we gemeenschappelijk bezit van wat Hij ons geeft, en we genieten er des te meer van als we er samen deel aan hebben. Dit is een toetssteen voor alles wat van het vlees is. Naarmate we in het licht zijn, zullen we het gemeenschappelijk genieten met een ander die in het licht is. Zoals we gezegd hebben, deelt de apostel dit in het abstracte en op absolute wijze mee. Dit is de beste manier om te leren kennen waarover het gaat. De rest is slechts een kwestie van verwerkelijking: we moeten het in de praktijk brengen.

In de derde plaats: “Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde”. In het licht te wandelen zoals God in het licht is, gemeenschap met elkaar te hebben, gereinigd te zijn van alle zonde door het bloed; dat zijn de drie delen van de christelijke positie. We voelen hoe nodig het laatste is. Want, terwijl wij in het licht wandelen zoals God in het licht is, met (geloofd zij God) een volmaakte openbaring aan ons van Hemzelf, met een natuur die Hem kent, die in staat is om Hem geestelijk te zien, zoals het oog gemaakt is om het licht waar te nemen (want wij zijn deelgenoten van de Goddelijke natuur), kunnen wij niet zeggen dat wij geen zonde hebben. Het licht zelf zou ons tegenspreken. Maar we kunnen wel zeggen dat het bloed van Jezus Christus ons volmaakt reinigt van alle zonde 5.

Door de Geest genieten wij tezamen van het licht: het is de gemeenschappelijke vreugde van onze harten voor het aangezicht van God, en het is Hem welgevallig. Het getuigt ervan dat we gemeenschappelijk delen in de Goddelijke natuur, die ook liefde is. En ons geweten vormt geen verhindering, omdat we de waarde van het bloed kennen. Wij hebben geen geweten van zonde op ons voor het aangezicht van God, al weten we dat de zonde in ons is. Maar wij hebben het bewustzijn dat wij rein zijn van de zonde, door het bloed. Maar hetzelfde licht dat ons dit laat zien, belet ons (als we in het licht zijn) om te zeggen, dat wij geen zonde in ons hebben.

We zouden onszelf misleiden als we dat zeiden; en de waarheid zou niet in ons zijn. Want als de waarheid in ons was, als die openbaring van de Goddelijke natuur, die licht is, Christus ons leven, in ons was, dan zou de zonde die in ons is, door het licht zelf geoordeeld worden. Als de zonde niet wordt geoordeeld, is dit licht, – de waarheid die de dingen noemt zoals ze zijn – niet in ons.

Aan de andere kant, zelfs als we gezondigd hebben, en alles wordt beleden, overeenkomstig het licht, (zodat de wil er geen rol meer in speelt, en de trots van onze wil is gebroken), dan is Hij getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven, en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Als wij zeggen dat we niet gezondigd hebben 6 (als algemene waarheid), blijkt daaruit niet alleen dat de waarheid niet in ons is, maar we maken God tot een leugenaar. Zijn woord is niet in ons, want Hij zegt dat allen gezondigd hebben.

We hebben deze drie dingen: wij liegen; de waarheid is niet in ons; wij maken God tot een leugenaar. Deze gemeenschap met God in het licht verbindt in het praktische, dagelijkse leven van de christen, de vergeving onlosmakelijk aan het bewustzijn van de vergeving dat wij nu door het geloof bezitten, en aan de reinheid van hart.

Zo vinden we dan in vers 7 de christelijke positie; en dan de dingen, die op drie verschillende manieren in strijd zijn met de waarheid, met de gemeenschap met God in het leven. De apostel schreef deze dingen betreffende de gemeenschap met de Vader en de Zoon, opdat de vreugde van de gelovigen volkomen zou zijn.

Hoofdstuk 2

Johannes schreef deze dingen, die in overeenstemming waren met de openbaring van de natuur van God, die hij had ontvangen van Hem die het leven uit de hemel was, opdat zij niet zouden zondigen. Maar als hij zo spreekt, veronderstelt hij, dat ze zouden kunnen zondigen. Niet dat het noodzakelijk is dat ze dit doen; want de aanwezigheid van de zonde in het vlees dwingt ons volstrekt niet naar het vlees te wandelen. Maar als het mocht plaatsvinden dat iemand zondigt, dan is er een voorziening die de genade heeft getroffen, opdat die genade werkzaam kan zijn, en wij niet veroordeeld zouden worden of weer onder de wet gebracht.

Wij hebben een voorspraak bij de Vader, Iemand die in de hoge onze zaak op Zich neemt. Nu gebeurt dit niet om gerechtigheid te verwerven, en evenmin om onze zonden af te wassen. Dat is allemaal al gebeurd. De Goddelijke gerechtigheid heeft ons een plaats gegeven in het licht, zoals God zelf in het licht is. Maar de gemeenschap wordt onderbroken, zelfs al wanneer we een lichtzinnige gedachte plaats geven in ons hart. Want zo’n gedachte is van het vlees, en het vlees heeft geen gemeenschap met God. Wanneer de gemeenschap wordt onderbroken, wanneer wij gezondigd hebben, (niet wanneer we er berouw over hebben; want Zijn tussenbeide treden brengt ons tot berouw), treedt Christus voor ons tussenbeide. De gerechtigheid is altijd daar – onze gerechtigheid – “Jezus Christus, [de] Rechtvaardige”. Daarom, aangezien noch de gerechtigheid, noch de waarde van het zoenoffer door onze zonden enige verandering heeft ondergaan, is de genade werkzaam (men mag wel zeggen: is de genade noodzakelijkerwijs werkzaam) door de kracht van die gerechtigheid en door de kracht van dat bloed dat voor het aangezicht van God is. En die genade werkt, op de voorspraak van Christus, die ons nooit vergeet, om ons door middel van berouw weer in de gemeenschap terug te brengen. Zo bad de Heer, toen Hij nog op aarde was, voor Petrus, voordat deze de zonde had begaan. Op het juiste ogenblik kijkt Hij Petrus aan, en Petrus krijgt berouw en weent bitter om zijn overtreding. Naderhand doet de Heer alles wat nodig is, om Petrus ertoe te brengen de wortel zelf te oordelen, waaruit de zonde voortkwam; maar het is alles genade.

In ons geval is het precies zo. De Goddelijke gerechtigheid blijft – het onveranderlijke fundament van onze verhoudingen tot God, die gegrond zijn op het bloed van Christus. Als de gemeenschap, die alleen in het licht bestaan kan, wordt onderbroken, herstelt het tussenbeide treden van Christus de ziel. Zijn voorspraak kan uitgeoefend worden op grond van de kracht van het bloed (want er is ook verzoening gedaan voor de zonde). En de ziel mag opnieuw genieten van de gemeenschap met God, in overeenstemming met het licht waarin de gerechtigheid hem heeft binnengevoerd 7. Dit zoenoffer is gebracht voor de hele wereld; niet voor de Joden alleen, en met uitsluiting van niemand, wie ook; maar voor de hele wereld, daar God in Zijn zedelijke natuur volmaakt verheerlijkt is door de dood van Christus.

Deze drie hoofdpunten – of, zo men wil, twee hoofdpunten, en een derde punt, de voorspraak, die aan die twee wordt toegevoegd – vormen de inleiding, de leer van de brief. Alles wat verder volgt is proefondervindelijk, en een toepassing van wat dit gedeelte inhoudt, namelijk: ten eerste, (nu het leven gegeven is) gemeenschap met de Vader en de Zoon; ten tweede: de natuur van God, het licht, dat openbaar maakt hoe onwaar iedere aanspraak op gemeenschap met het licht is, als men in de duisternis wandelt; en ten derde: is daar de voorspraak, die Jezus Christus, de Rechtvaardige, altijd voor het aangezicht van God kan uitoefenen, want de zonde in ons is, en we kunnen struikelen; al zijn we gereinigd voor het aangezicht van God zodat we van het licht kunnen genieten. De voorspraak kan uitgeoefend worden op grond van de gerechtigheid, die altijd in tegenwoordigheid van God is, en op grond van het bloed dat voor onze zonden is gestort. Het doel van de voorspraak is, onze gemeenschap te herstellen, wanneer wij die door onze schuld en onachtzaamheid kwijt zijn geraakt.

De Geest gaat nu vervolgens de kenmerken van dit Goddelijke leven uitwerken. Wij zijn nu geheiligd tot de gehoorzaamheid van Jezus Christus; dat wil zeggen, om volgens dezelfde beginselen te gehoorzamen, als waarnaar Hij gehoorzaamd heeft. En de wil van Zijn Vader was voor Hem zowel de drijfveer als het richtsnoer van wat Hij deed. Het is de gehoorzaamheid van een léven, waarvoor het spijs en drank was om de wil van God te doen: niet zoals onder de wet, gehoorzaamheid om het leven te verwerven. Het leven van Jezus Christus was een leven van gehoorzaamheid, waarin Hij volmaakt genoot van de liefde van Zijn Vader; Hij werd in alle dingen beproefd en volmaakt bevonden. Zijn woorden, Zijn geboden, waren de uitdrukking van dat leven; die besturen dat leven in ons, en behoren al het gezag over ons uit te oefenen van Hem die ze heeft gegeven.

De wet beloofde het leven aan hen die de wet gehoorzaam waren. Christus is het leven. Dit leven is aan ons – gelovigen – meegedeeld. De woorden, die de uitdrukking waren van dat leven, in zijn volmaaktheid in Jezus, besturen en leiden daarom het leven in ons in overeenstemming met die volmaaktheid. Bovendien heeft het gezag over ons. Zijn geboden zijn er de uitdrukking van. Wij hebben daarom te gehoorzamen, en te wandelen zoals Hij gewandeld heeft – dit zijn de twee vormen van het praktische leven. Het is niet genoeg om goed te wandelen: wij moeten gehoorzamen, want er is gezag. Dit is het wezenlijke beginsel van een goede wandel. Anderzijds, is christelijke gehoorzaamheid niet wat wij vaak gehoorzaamheid vinden – dit blijkt duidelijk als we naar de gehoorzaamheid van Christus Zelf zien. Een kind, dat een eigen wil heeft, en zich meteen onderwerpt als het gezag van de ouders tussenbeide komt, om het te beletten, zijn eigen wil te volgen, noemen wij gehoorzaam. Maar op deze manier is Christus nooit gehoorzaam geweest. Hij kwam om de wil van God te doen. Gehoorzaamheid was het beginsel van Zijn leven. De wil van Zijn Vader vormde de drijfveer, en, met de liefde die er nooit van gescheiden was, de enige drijfveer van alles wat Hij deed of verlangde te doen. Dit is de christelijke gehoorzaamheid in de eigenlijke zin van het woord. Het is een nieuw leven, dat zich erin verlustigt om de wil van Christus te doen; en dat Zijn volkomen gezag over ons erkent. Wij houden ons dood voor al het andere; we zijn levend voor God, we zijn niet van onszelf. We kennen Christus slechts, in zoverre wij leven door Zijn leven; want het vlees kent Hem niet, en kan Zijn leven niet begrijpen.

Welnu, dat leven is gehoorzaamheid: daarom is hij, die zegt: “ik ken Hem”, en die Zijn geboden niet bewaart, een leugenaar, en in hem is de waarheid niet. Er staat hier niet: “hij misleidt zichzelf” (vergelijk 1:8), want het is heel wel mogelijk dat hij zichzelf niet misleidt, zoals in het andere geval van ingebeelde gemeenschap. Want hier is de wil actief, en dat weet iemand, als hij het wil bekennen. Maar de werkelijkheid is niet aanwezig; hij is een leugenaar, en de waarheid die is in de kennis van Jezus die hij belijdt, is niet in hem.

Er zijn hier twee opmerkingen te maken. Ten eerste, dat de apostel de dingen altijd neemt zoals ze in zichzelf zijn, op een abstracte manier. Hij laat buiten beschouwing dat wijzigingen kunnen worden veroorzaakt door andere dingen, te midden waarvan, of in betrekking waarmee de eerstgenoemde dingen worden gevonden. Ten tweede, dat de reeks gevolgtrekkingen, die de apostel maakt niet is zoals bij een uitwendige redenering, waarvan de bewijskracht vanzelf duidelijk is uit de bewijsvoering zelf. Hij redeneert van een belangrijk inwendig beginsel uit, zodat men niet inziet welke bewijskracht de bewijsvoering heeft, tenzij men de werkelijkheid, en de volle omvang van dat beginsel kent. En om precies te zijn, tenzij men het leven uit God kent in zijn natuur, kenmerken en werking. Maar, zonder dat iemand dit leven bezit, kan en zal hij er niets van begrijpen. Het gezag van de apostel en van het Woord zeggen hem wel dat het zo is, en dat is genoeg. Maar de samenhang van wat de apostel bespreekt zal men niet begrijpen, zonder dat men het leven bezit. Dit leven geeft de verklaring, van wat de apostel zegt, en wordt zelf verklaard door wat hij zegt.

We keren terug tot de tekst. “Maar wie Zijn woord bewaart, in hem is waarlijk de liefde van God volmaakt”. Op deze manier zijn wij er ons van bewust, dat wij Hem kennen. Zijn “woord” heeft een enigszins ruimere betekenis dan Zijn “geboden”. Dat wil zeggen, terwijl het evenzeer gehoorzaamheid inhoudt, is het woord minder uitwendig. “Geboden” zijn hier de bijzonderheden van het Goddelijk leven. Zijn “woord” houdt de hele uitdrukking van dat leven in – de geest van dat leven 8.

Laat mij er hieraan toevoegen, dat de apostel deze bewijzen nooit gebruikt, zoals ze doorgaans gebruikt worden, om te zeggen: “Hierdoor betwijfelen wij”. Uit verzen 12-13 is het volkomen zeker, dat hij hen beschouwt als gelovigen aan wie de zonden vergeven zijn, anders zou hij aan hen niet geschreven hebben, en als gelovigen die de Geest van zoonschap hebben – zelfs de jongste en zwakste. Anderen probeerden hen aan het twijfelen te brengen; en hij schrijft opdat hun harten vol zekerheid zouden zijn voor het aangezicht van God, en opdat ze zich niet tot twijfelen zouden laten verleiden, alsof zij geen volkomen Christus zouden hebben, en een volkomen Christendom – het eeuwige leven. Zijn brief was voor hen het middel om hun zekerheid te bewaren en vast te houden, wanneer ze misschien ook geschokt waren – maar de brief was niet het middel voor hen om die zekerheid te verkrijgen. De zonden waren hun vergeven, zij waren zonen. Als anderen hen zouden willen doen twijfelen, schrijft hij hun dat ze er volkomen van overtuigd mochten zijn dat ze geen enkele reden hadden om te twijfelen.

Het is algemeen en absoluut. Dit leven nu, is het Goddelijk leven dat in Jezus geopenbaard is, en dat ons is meegedeeld. Hebben wij dit in Christus gezien? Twijfelen wij eraan of dit leven liefde is; of de liefde van God erin geopenbaard is? Als ik dan Zijn woord bewaar, als ik zodoende de omvang en de betekenis begrijp en verwerkelijk van dat leven, wat door het woord tot uitdrukking wordt gebracht, dan is de liefde van God in mij volmaakt. Zoals we gezien hebben spreekt de apostel altijd op abstracte manier. Als ik op een gegeven ogenblik werkelijk Zijn woord niet in acht neem, dan verwerkelijk ik op dat punt Zijn liefde niet; de gelukkige omgang met God is verstoord. Maar voor zover ik me volkomen laat leiden en besturen door Zijn woord, wordt Zijn liefde volkomen in mij verwerkelijkt. Want Zijn woord drukt uit wat Hij is, en ik bewaar dat woord. Dit is de gemeenschap, vol geestelijk inzicht, met de volheid van Zijn natuur, en van die natuur ben ik deelgenoot, zodat ik weet dat Hij de volmaakte liefde is. Ik ben er vol van, en dit blijkt in mijn wandel: want dat woord is de volmaakte uitdrukking van Hemzelf 9.

Bijgevolg weten wij zodoende dat we in Hem zijn, want we verwezenlijken wat Hij is, in de gemeenschap van Zijn natuur. Als wij nu zeggen dat we in Hem blijven, is het duidelijk, uit wat we nu geleerd hebben uit het onderwijs dat de apostel ons geeft, dat we behoren te wandelen zoals Hij gewandeld heeft. Onze wandel is de praktische uitdrukking van ons leven; en dit leven is Christus, zoals Hij wordt gekend in Zijn woord. Door Zijn woord kennen wij Hem; daarom zien wij, die dit leven bezitten wel in, dat we verantwoordelijk zijn het woord te volgen; dat wil zeggen: te wandelen zoals Hij gewandeld heeft. Want dat woord is de uitdrukking van Zijn leven.

Gehoorzaamheid dan, als gehoorzaamheid, is tot zover het zedelijke kenmerk van het leven van Christus in ons. Maar deze gehoorzaamheid is het bewijs van wat, in het Christendom, onlosmakelijk verbonden is met het leven van Christus in ons: wij zijn in Hem (vergelijk Johannes 14:20). Wij weten, niet slechts dat we Hem kennen, maar dat we in Hem zijn. Het genot van de volmaakte liefde van God op het pad van gehoorzaamheid, geeft ons door de Heilige Geest het bewustzijn, dat wij in Hem zijn. Maar als ik in Hem ben, kan ik toch niet zijn wat Hij was, want Hij was zonder zonde; maar ik behoor wel zo te wandelen, als Hij gewandeld heeft. Zodoende weet ik, dat ik in Hem ben. Maar als ik belijd dat ik in Hem blijf, dat mijn hart en geest daar geheel zijn, dan behoor ik zo te wandelen, als Hij gewandeld heeft. Gehoorzaamheid als beginsel, en gehoorzamen door Zijn woord te bewaren, en zo is de liefde van God in mij volmaakt, waaraan ik weet, dat ik in Hem ben: dit zijn de vormende grondbeginselen en kenmerken van ons leven.

In de verzen 7-8 worden ons de twee vormen voorgesteld die dit leven beheersen – vormen, die bovendien beantwoorden aan de beide beginselen, die we zojuist genoemd hebben. Het is geen nieuw gebod, dat de apostel hun schrijft, maar oud; het is het woord van Christus van het begin. Als het niet zo was, als het in dit opzicht nieuw was, zou het des te erger zijn voor hem die het verkondigde, want dan zou het niet meer de uitdrukking zijn van het volmaakte leven van Christus Zelf, maar iets anders, of een vervalsing van wat Christus had verkondigd. Dit is in overeenstemming met het eerste beginsel, namelijk: gehoorzaamheid aan geboden, aan de geboden van Christus. Wat Hij zei, was de uitdrukking van wat Hij was. Hij kan gebieden, dat zij elkaar zouden liefhebben, zoals Hij hen had liefgehad. Vergelijk de zaligsprekingen.

In een andere zin was het een nieuw gebod; want de Geest van God verkondigde (en door de kracht van de Geest van Christus zijn wij met Hem verenigd en putten wij ons leven uit Hem) de werking van dit leven door een verheerlijkte Christus te openbaren op een geheel nieuwe manier. En nu was het niet slechts een gebod, maar zoals de zaak zelf waar was in Christus, was het ook waar in de Zijnen, daar zij deelgenoten zijn van Zijn natuur en in Hem zijn, en Hij in hen.

Door deze openbaring, en door de aanwezigheid van de Heilige Geest verdween de duisternis, de duisternis ging voorbij en het waarachtige licht scheen werkelijk al. (Er is nog veel duisternis in de wereld; maar wat het licht betreft: dat heeft werkelijk geschenen.) In de hemel zal er geen ander licht zijn: alleen zal het dan in volle geopenbaarde glans in heerlijkheid stralen, zonder wolken.

Vers 9. Evenals in Johannes 1:4 zien we nu hier, dat het leven het licht van de mensen is. Alleen schijnt dit licht des te helderder voor het geloof dat Christus is ingegaan, want door het gescheurde voorhangsel schijnt het licht het heerlijkst. We hebben al gesproken over de beweringen: “ik ken Hem” en “ik blijf in Hem”. Nu volgt de bewering dat iemand in het licht is, en wel voordat de Geest van God in bijzonderheden de eigenschappen van dit leven gebruikt als bewijs dat dit leven aanwezig is. De Geest doet dit voor de harten van de gelovigen, als antwoord op de verleiders die probeerden hen schrik aan te jagen met nieuwe ideeën, alsof de christenen niet echt het leven bezaten, en met dit leven, de Vader en de Zoon. Het waarachtige licht schijnt nu. En dit licht is God; het is de Goddelijke natuur; en nu brengt hij een andere eigenschap naar voren van het licht, dat een middel was om de verleiders zelf te beoordelen. Deze nieuwe eigenschap staat ermee in verbinding dat wij in het licht zijn, dat wil zeggen met het feit dat God volkomen geopenbaard is. Christus was het licht in deze wereld. Wij zijn ertoe gesteld, het licht te zijn, daar wij uit God geboren zijn. En iemand die deze natuur heeft, heeft zijn broeder lief; want is God niet liefde? Heeft Christus ons niet liefgehad zonder Zich te schamen ons broeders te noemen?

Kan ik Zijn leven en Zijn natuur bezitten, als ik de broeders niet liefheb? Nee. Dan wandel ik in de duisternis; ik heb dan geen licht op mijn pad.

Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht; de natuur van God is in hem werkzaam; en hij blijft in het licht van het geestelijke inzicht van dat leven, in de tegenwoordigheid en in de gemeenschap van God. Als iemand haat, is het duidelijk, dat hij het Goddelijke licht niet bezit. Hoe kan men beweren in het licht te zijn als men gevoelens bezit die passen bij een God vijandige natuur?

Bovendien is er in iemand die liefheeft geen aanleiding om zich te stoten, want hij wandelt in overeenstemming met het Goddelijke licht. Er is niets in hem, dat een ander kan doen struikelen, want de openbaring van de natuur van God in genade zal dit stellig niet doen: en die natuur wordt juist openbaar in hem die zijn broeder liefheeft 10.

Hiermee besluit het eerste, inleidende gedeelte van deze brief. De eerste helft van deze inleiding bevat: de bevoorrechte plaats van de christen, de boodschap die ons onze ware toestand hier beneden meedeelt, en de voorziening die getroffen is in geval iemand gezondigd heeft. Deze helft eindigt bij hoofdstuk 2:2. In de tweede helft van het inleidende gedeelte van deze brief, vinden we de bewijzen die de christen heeft, dat hij waarlijk in het bezit is van het voorrecht in overeenstemming met de boodschap: gehoorzaamheid, en liefde tot de broeders, hij kent Christus; hij is in Christus, hij verheugt zich in de volmaakte liefde van God, hij blijft in Hem, hij is in het licht; deze vormen de voorwaarde en tevens het bewijs.

Nadat de apostel deze twee belangrijke beginselen, gehoorzaamheid en liefde, heeft vastgesteld als bewijs van het bezit van de Goddelijke natuur, van Christus die wij kennen als het leven, en als bewijs dat wij in Hem blijven, richt hij zich vervolgens tot de christenen persoonlijk. Hij laat ons zien wat, op grond van genade, onze positie is, in drie verschillende graden van rijpheid. We zullen nu deze uiterst belangrijke toespraak beschouwen, die eigenlijk een lange tussenzin vormt.

Hij begint met al de christenen aan wie hij de brief schreef “kinderen” te noemen. Dit is een uitdrukking van de genegenheid van de liefhebbende, bejaarde apostel. En zoals hij hun schreef opdat ze niet zouden zondigen (2:1), zo schrijft hij hun ook omdat al de zonden vergeven waren ter wille van Zijn naam. Dit bezaten alle christenen vast en zeker: God had het hun geschonken door hun het geloof te geven, opdat ze Hem zouden verheerlijken. Hij laat geen enkele twijfel toe met betrekking tot het feit dat de zonden hun vergeven waren. Hij schrijft hun omdat ze vergeven waren.
Verder vinden we drie groepen christenen: vaders, jongelingen, en jonge kinderen. Hij spreekt ze elk tweemaal aan. In vers 13 vaders, jongelingen en de jonge kinderen. In de eerste helft van vers 14: vaders. In de tweede helft van verzen 14-17: de jongelingen. Van vers 18 tot het eind van vers 27: de jonge kinderen. In vers 28 richt hij zich weer tot alle christenen, die hij als “kinderen” aanspreekt.

De vaders in Christus worden hierdoor gekenmerkt, dat zij Hem kennen, die van het begin af is; dat is, Christus. Dit is alles wat hij over hen te zeggen heeft. Het uiteindelijke resultaat van alles was, dat zij Hem kenden. Hij herhaalt ditzelfde slechts, als hij, op een enigszins andere manier, opnieuw de drie groepen gaat aanspreken. De vaders kennen Christus. Dat is het resultaat van alle christelijke ervaring. We hebben het vlees geoordeeld, we hebben het duidelijk gezien, telkens als het zich in onze gevoelens met Christus vermengde. Door de ervaring hebben we leren inzien dat het van geen waarde is. En, als het resultaat van onze ervaringen, staat Christus alleen voor ons, zonder enige vermenging. De vaders hebben leren onderscheiden wat alleen maar de schijn had goed te zijn. Ze zijn niet bezig met hun ervaringen, – dan zouden ze met zichzelf, met hun eigen hart, bezig zijn. Dat is allemaal voorbijgegaan: en Christus alleen blijft over als ons deel, met niets, niets anders vermengd, zoals Hij Zich aan ons heeft gegeven. Bovendien kennen zij Christus veel beter. Zij hebben ervaren wat Hij is, in zoveel bijzondere omstandigheden: hetzij in de vreugde van Zijn gemeenschap, of in het bewustzijn van hun zwakheid, of in het ondervinden van Zijn trouw, en van de rijkdom van Zijn genade, van Zijn tegemoetkomen in onze behoeften, en van Zijn liefde, en in de openbaring van Zijn eigen volheid. Zodoende kunnen zij nu zeggen: “Ik weet Wie ik geloofd heb”. De gehechtheid aan Zijn Persoon kenmerkt hen. Dat is het kenmerk van “vaders” in Christus.
“Jongelingen” vormen de tweede groep. Zij onderscheiden zich door geestelijke kracht in de strijd: door de kracht van het geloof. Ze hebben de boze overwonnen. Want de apostel spreekt over het kenmerk van jongelingen in Christus. Als zodanigen hebben zij strijd, maar de kracht van Christus wordt in hen openbaar.

De derde groep vormen de “jonge kinderen”. Zij kennen de Vader. We zien hier dat het jongste kind in het geloof in Christus wordt gekenmerkt door de Geest van zoonschap en van vrijheid: dat is niet het resultaat van gemaakte vorderingen. Het is het begin. Wij bezitten dit omdat we christenen zijn; en het is altijd het onderscheidende kenmerk van beginnelingen. De vaders en jongelingen raken dit niet kwijt, maar andere dingen kenmerken hen.

In vers 14 begint de apostel opnieuw de drie groepen aan te spreken. Zoals we al gezien hebben, herhaalt hij tegenover de vaders slechts wat hij de eerste keer gezegd heeft. Hem te kennen, is het resultaat van het christelijke leven.

Bij de jongelingen werkt de apostel zijn gedachte verder uit, en voegt hij er enkele vermaningen aan toe. “U bent sterk”, zegt hij, “en het Woord van God in u blijft” – een belangrijk kenmerk. Het woord is de openbaring van God aan het hart, en ook de toepassing van Christus op het hart. We hebben op die manier de motieven die ons hart vormen en besturen, en een getuigenis dat berust op de toestand van ons hart, en op overtuigingen die een Goddelijke kracht in ons hebben. Het woord is het zwaard van de Geest in onze relatie met de wereld. Wij zijn zelf gevormd door die dingen waarvan wij getuigen in onze relatie met de wereld; en die dingen zijn in ons in overeenstemming met de kracht van het woord van God. Zodoende hebben wij de boze overwonnen; want hij heeft onze begeerten niets anders aan te bieden dan de wereld. En het woord, dat in ons blijft, bewaart ons in een heel andere gedachtenkring, waarin een andere natuur licht en kracht ontvangt van Goddelijke meedelingen. De jongeling heeft een neiging naar de wereld: de vurigheid van zijn aard en de kracht van zijn leeftijd hebben de neiging hem naar die kant te trekken. Hij moet hiervoor op zijn hoede zijn door zich geheel en al af te zonderen van de wereld en de dingen die in de wereld zijn. Want, als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem: die dingen zijn immers niet van de Vader afkomstig. Hij heeft Zijn eigen wereld, waarvan Christus het middelpunt en de heerlijkheid is.

De begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen, en de hoogmoed van het leven – dat zijn de dingen die in de wereld zijn en die de wereld kenmerken. In werkelijkheid zijn er behalve deze drie geen drijfveren in de wereld. Deze dingen nu zijn niet uit de Vader.

De Vader is de bron van alles wat in overeenstemming is met Zijn eigen hart: iedere genade, iedere geestelijke gave, de heerlijkheid, de hemelse heiligheid van alles wat in Christus Jezus is geopenbaard, en nog geopenbaard zal worden – de hele wereld van de toekomstige heerlijkheid, waarvan Christus het middelpunt is. En aan dit alles viel hier beneden slechts het kruis ten deel. Maar de apostel spreekt hier over de bron; en de Vader is beslist niet de bron van die andere dingen.

De wereld gaat voorbij; maar wie de wil van God doet, wie op zijn pad door deze wereld niet de begeerten van de natuur, maar de wil van God als gids heeft – een wil die in overeenstemming is met Zijn natuur en er de uitdrukking van is – zo iemand zal blijven tot in eeuwigheid overeenkomstig de natuur en de wil die hij heeft gevolgd.

We zullen zien, dat de wereld gesteld wordt tegenover de Vader, met alles wat van Hem is; het vlees tegenover de geest; de Zoon tegenover de duivel. Johannes spreekt over de dingen zoals ze in hun oorsprong, en in hun zedelijke aard zijn; over de beginselen die in ons werken, en die ons bestaan en onze positie kenmerken, en over de twee krachten van goed en kwaad die tegenover elkaar staan. God zij dank, er bestaat geen enkele onzekerheid wat betreft de afloop van de strijd. Want de zwakheid van Christus, in de dood, is sterker dan de kracht van satan. Hij bezit geen macht tegen wat volmaakt is. Christus is gekomen om de werken van de duivel te verbreken.

Tot de jonge kinderen spreekt de apostel voornamelijk over de gevaren van de kant van verleiders, waaraan zij blootstonden. Met tedere liefde waarschuwt hij hen, en herinnert hen er tegelijkertijd aan, dat alle bronnen van inzicht en kracht voor hen ontsloten waren en hun toebehoorden.

“Het is het laatste uur”, dat is niet precies hetzelfde als de laatste dagen, maar “het laatste uur” wil zeggen: de tijd die de kenmerken draagt van het einde van de wegen van God met deze wereld. De antichrist zou komen; en er waren al veel antichristen: hieraan konden zij weten dat het het laatste uur was. Het was niet alleen maar zonde, of overtreding van de wet. Nee, maar nu Christus al was geopenbaard, en nu afwezig was, verborgen voor de wereld, bestond er een besliste tegenstand tegen de bijzondere openbaring die God had gegeven. Het was geen vaag en onwetend ongeloof; het nam veeleer de uitgesproken vorm aan van een wil die tegen Jezus was gericht. Zij konden bijvoorbeeld alles geloven wat een Jood geloofde, zoals dit in het Woord geopenbaard is; maar zij verzetten zich tegen het getuigenis van God door Jezus Christus. Zij wilden Hem niet erkennen als de Christus; zij loochenden de Vader en de Zoon. Voor zover het de godsdienstige belijdenis betreft, is dit het ware karakter van de antichrist. Hij kan wel geloven, of beweren te geloven, dat er een Christus zal zijn; ja hij kan zeggen dat hij het zelf is. Maar de antichrist neemt de twee aspecten van het Christendom niet aan: namelijk de vervulling, in de Persoon van Jezus, van de beloften aan de Joden gedaan, enerzijds; en anderzijds de aanbieding van de hemelse en eeuwige zegeningen in de openbaring van de Vader door de Zoon. Wat hem als de antichrist kenmerkt, is, dat hij de Vader en de Zoon loochent. Hij loochent dat Jezus de Christus is, en dit is joods ongeloof, dat hem ook ten dele kenmerkt. Maar wat hem als de antichrist kenmerkt, is, dat hij de grondslag van het Christendom loochent. Hij is een leugenaar daar hij loochent dat Jezus de Christus is; bijgevolg is dit het werk van de vader van de leugen. Maar alle ongelovige Joden hadden dit gedaan, zonder nog de antichrist te zijn. Wat hem kenmerkt is, dat hij de Vader en de Zoon loochent.

Maar er is nog iets. Deze antichristen waren voortgekomen uit het midden van de christenen. Dit was afval. Niet dat zij werkelijk christenen waren, maar zij waren in het midden van de christenen geweest en waren van hen uitgegaan. (Wat is deze brief leerzaam ook voor onze tijd!) Zodoende was het openbaar geworden, dat zij niet echt bij de kudde van Christus hoorden. Dit alles kon er wel toe meewerken, dat het geloof van de jonge kinderen in Christus aan het wankelen werd gebracht. De apostel probeert hen te versterken in het geloof. Er waren twee middelen om hen te bevestigen in het geloof; en deze vervulden ook de apostel met vertrouwen. Ten eerste: Zij hadden de zalving van de Heilige; ten tweede: wat van het begin af was, was de toetssteen voor elke nieuwe leer, en zij bezaten al wat van het begin af was.

De inwoning van de Heilige Geest als een zalving en als geestelijk inzicht in hun hart, en de waarheid die zij in het begin ontvangen hadden – de volmaakte openbaring van Christus – die alleen konden hen beveiligen tegen verleiders en verleidingen. Elke ketterij en iedere dwaling en verdorven leer zal blijken de eerste en Goddelijke openbaring van de waarheid aan te tasten, en we zullen dit inzien als de zalving van de Heilige in ons is om ze te beoordelen. Nu is deze zalving het deel zelfs van de jongste kinderen in Christus, en zij behoren aangemoedigd te worden om deze zalving te verwerkelijken, hoe teer er overigens voor hen gezorgd mag worden, zoals de apostel hier doet.

Wat een belangrijke waarheden ontdekken we hier voor onszelf! Het laatste uur is al aangebroken, zodat we op onze hoede moeten zijn voor verleiders – mensen die bovendien voortkomen uit de schoot van het Christendom.

Het kenmerk van deze antichrist is, dat hij de Vader en de Zoon loochent. Ook het ongeloof in zijn joodse vorm wordt weer openbaar – men geeft toe dat er een Christus is, maar men ontkent dat Jezus dit is. Wat ons beveiligt tegen deze verleidingen is in de eerste plaats de zalving van de Heilige – de Heilige Geest, maar in een bijzondere verbinding met de heiligheid van God, die ons in staat stelt een helder inzicht te hebben in de waarheid (dit is ook een kenmerk van de Geest), en in de tweede plaats, dat in ons blijft wat we van het begin af gehoord hebben. Het is duidelijk dat wij dit bezitten in het geschreven Woord. “Ontwikkeling”, let hierop, is niet wat we van het begin af gehoord hebben. Al spreekt men tegenwoordig nog zoveel over ontwikkeling van de christelijke leer. De naam zelf die men er aan geeft gaat al lijnrecht in tegen de garantie die de apostel hier aangeeft. Wat door de kerk is geleerd, als ontwikkeling van de waarheid, waar ze het ook vandaan heeft, is niet wat van het begin af gehoord is.

De apostel stipt hier nog een punt aan waarop we moeten letten. Door God in het algemeen de Vadernaam te geven, zou men kunnen beweren Hem te hebben, zonder dat men waarlijk de Zoon, Jezus Christus, bezit. Maar dit kan niet. Wie de Zoon niet heeft, heeft ook de Vader niet. Hij heeft de Vader geopenbaard, alleen in Hem kan men de Vader kennen.

Als de waarheid, die wij van het begin af ontvangen hebben, in ons blijft, blijven wij in de Zoon en in de Vader. Want die waarheid is de openbaring van de Zoon, en wordt geopenbaard door de Zoon, die de waarheid is. Het is een levende waarheid, als ze in ons blijft. Als wij die waarheid bezitten, bezitten we zodoende de Zoon, en, in de Zoon, ook de Vader. We blijven in de waarheid, en daardoor hebben wij het eeuwige leven (vergelijk Johannes 17:3).

Nu had de apostel het blijde vertrouwen, dat de zalving, die zij van Hem ontvangen hadden, in hen bleef, zodat het niet nodig was, dat iemand anders hen onderwees. Want deze zelfde zalving onderwees hen over alles. De zalving was de waarheid, want het was de Heilige Geest Zelf die werkte in het woord, dat de openbaring was van de waarheid van Jezus Zelf; en er was geen leugen in. Zo zouden zij in Hem blijven, in overeenstemming met wat de zalving hun geleerd had.

Let hier ook op het volgende: – de uitwerking van dit onderwijs door de zalving van omhoog is, met betrekking tot het onderscheiden van de waarheid, tweeledig. Zij wisten, dat geen leugen uit de waarheid was. Zij waren in het bezit van deze waarheid, die ze van God gekregen hadden: alles wat niet die waarheid was, was leugen. Ook wisten zij dat deze zalving, die hen over alles leerde, de waarheid was, en dat er geen leugen in was. De zalving leerde hen alles, dat wil zeggen, de hele waarheid, als de waarheid van God. Daarom was alles wat hier niet mee overeenstemde, leugen; en er was geen leugen in de zalving. Zo horen de schapen de stem van de goede Herder. Als een ander hen roept, is het niet Zijn stem, en dat is genoeg. Zij zijn bang voor die vreemde stem en vluchten er voor weg, omdat ze die stem niet kennen.

Met vers 27 eindigt de tweede reeks vermaningen die gericht zijn tot de drie groepen. De apostel begint opnieuw alle christenen tezamen aan te spreken (vers 28). Dit vers lijkt mij overeen te komen met 2 Johannes 8 en 1 Korinthe 3.

De apostel is aan het eind gekomen van zijn toespraak tot allen die in de gemeenschap van de Vader waren. Nu gaat hij de wezenlijke beginselen van het Goddelijke leven, van de Goddelijke natuur zoals die in Christus geopenbaard is, toepassen, als een test, op hen die er aanspraak op maken deelgenoten te zijn van die Goddelijke natuur. Hij doet dit niet om de gelovige aan het twijfelen te brengen, maar om wat vals is te verwerpen. Ik zeg: “niet om de gelovige aan het twijfelen te brengen”, want de apostel spreekt met de volmaaktste zekerheid over zijn eigen positie, en de positie van hen aan wie hij schreef (hoofdstuk 3:1-2) 11. Als hij in vers 28 na de tussenzin de brief hervat, spreekt hij over de openbaring van Jezus. Dit doet hem denken aan de Heer in de volkomen openbaring van Zijn karakter, en is voor hem aanleiding om de beweringen te toetsen van hen die zich naar Zijn naam noemden. Er zijn twee bewijzen die tot het wezen van het Goddelijk leven behoren: gerechtigheid of gehoorzaamheid, en liefde; en daarbij komt, als een voorrecht, de aanwezigheid van de Heilige Geest.

In het vlees is geen gerechtigheid. Als daarom in iemand werkelijk rechtvaardigheid gevonden wordt, is hij uit Hem geboren; hij ontvangt zijn natuur van God in Christus. We mogen hierbij opmerken, dat het de rechtvaardigheid is, zoals die geopenbaard is in Jezus. Want, als wij weten dat Hij rechtvaardig is, dan weten wij, “dat ieder die de gerechtigheid doet, uit Hem geboren is”. Het is dezelfde natuur die gekend wordt aan dezelfde vruchten.

Hoofdstuk 3

Als er staat dat wij uit Hem geboren zijn, dan is daarmee al gezegd, dat we kinderen van God zijn 12. Wat een liefde is dat die de Vader ons heeft gegeven, dat wij kinderen 13, genoemd zouden worden! Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet gekend heeft. De apostel komt nu terug op Zijn verschijning en de uitwerking daarvan op ons. Wij zijn kinderen van God: dat is het zekere standpunt dat wij nu innemen en kennen; wij zijn uit God geboren. Wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard; maar, nu we verbonden zijn met Jezus, daar we in dezelfde verhouding staan tot de Vader, Hij is immers ons leven, nu weten we, dat we Hem gelijk zullen zijn als Hij verschijnt. Want hiertoe zijn wij van tevoren bestemd: Hem te zien zoals Hij nu is bij de Vader (van wie het leven kwam, dat in Hem geopenbaard is, en ons is meegedeeld), en in dezelfde heerlijkheid te verschijnen.

Daar ik nu deze hoop heb, Hem te zien zoals Hij is, en daar ik weet, dat ik Hem volmaakt gelijk zal zijn, als Hij verschijnt, streef ik ernaar nu al zoveel mogelijk te zijn zoals Hij is; ik bezit immers nu al dit leven – want Hij is in mij, Hij is mijn leven.

Dit is de maatstaf van onze praktische reiniging. Wij zijn niet rein, zoals Hij rein is. Maar wij nemen Christus, zoals Hij in de hemel is, als voorbeeld en maatstaf van onze reiniging. We reinigen ons in overeenstemming met Zijn reinheid, want we weten dat we Hem volmaakt gelijk zullen zijn als Hij geopenbaard wordt. Voordat de apostel de tegenstelling aangeeft tussen de beginselen van het Goddelijke leven en die van de vijand, stelt hij ons voor wat voor de kinderen de ware maatstaf van reinheid is (de maatstaf die voor de liefde geldt geeft hij dadelijk), omdat kinderen deelgenoten zijn van Zijn natuur en in dezelfde betrekking tot God staan.

Er zijn hier twee opmerkingen te maken. Ten eerste: “hoop op Hem”, in vers 3, wil niet zeggen: in de gelovige, maar: een hoop, die Christus als voorwerp heeft. Ten tweede: het is treffend om te zien, hoe de apostel in deze brief God en Christus met elkaar schijnt te verwarren. Hij gebruikt het voornaamwoord “Hij” of “Hem” om Christus aan te duiden, wanneer hij juist over God heeft gesproken, en omgekeerd. Het beginsel dat hier aan ten grondslag ligt, kunnen we vinden aan het eind van hoofdstuk 5. Dan zegt de apostel: “Wij zijn in de Waarachtige, (dat wil zeggen) in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven”. In deze enkele woorden hebben we de sleutel tot de brief: Christus is het leven. Vanzelfsprekend is het de Zoon; maar God Zelf is geopenbaard, en de volmaaktheid van Zijn natuur, die ook voor ons de bron van leven is, daar dit leven gevonden werd in Christus als Mens. Zo kan ik van God spreken en zeggen: “uit Hem geboren”, maar God is geopenbaard in Jezus, en van Hem ontvang ik leven; zodat de namen “Jezus Christus” en “God” onderling verwisseld kunnen worden. Zo lezen we in hoofdstuk 2:28: “als Hij geopenbaard wordt”, dat is Christus, “Hij is rechtvaardig, die de gerechtigheid doet, is uit Hem geboren”. Maar in hoofdstuk 3:1 staat: “kinderen van God” en dan betekenen de laatste woorden uit hoofdstuk twee: “uit God geboren”. Maar in het eerste vers van hoofdstuk drie staat verder: “omdat zij Hem niet heeft gekend”, hier wordt bedoeld: Christus op aarde, en in vers twee “als Hij geopenbaard zal zijn”, duidt weer Christus aan. En wij reinigen ons zoals Hij, Christus, rein is. Er zijn nog veel meer voorbeelden hiervan.

In vers 3 wordt van de gelovige gezegd dat hij zich reinigt. Hieruit blijkt dat hij niet rein is, zoals Christus rein is. Hij hoefde Zich niet te reinigen. Er staat dan ook niet: hij is rein zoals Christus rein is, (want in dat geval zou er geen zonde in ons zijn); maar hij reinigt zich in overeenstemming met de reinheid van Christus zoals Hij in de hemel is, daar hij hetzelfde leven bezit als Christus Zelf.

De apostel heeft nu de positieve zijde van de christelijke reinheid naar voren gebracht, en gaat er vervolgens van andere gezichtspunten uit over spreken. Hij spreekt dan over de reinheid als een van de bewijzen die het kenmerk zijn van het leven van God in de ziel.

Een ieder die de zonde doet (er volgt niet: overtreedt de wet 14 maar), doet ook de wetteloosheid. Zijn gedrag mist de beteugeling en regel van de wet. Hij handelt teugelloos; want zondigen is handelen zonder zich in toom te laten houden door een wet of zonder zich te laten weerhouden door het gezag van een ander: het is handelen uit eigen wil.

Christus kwam om de wil van Zijn Vader te doen, niet Zijn eigen wil. Maar Christus is geopenbaard, opdat Hij onze zonden zou wegnemen, en in Hem is geen zonde. Daarom, wie zondigt handelt in strijd met het doel van de openbaring van Christus, en ook in strijd met de natuur waarvan wij deelgenoten zijn, als Christus ons leven is. Wie dan ook in Hem blijft, zondigt niet; een ieder die zondigt heeft Hem niet gezien en Hem niet gekend. We zien, dat het er allemaal van afhangt, of we deelgenoten zijn van het leven en de natuur van Christus. Laten we onszelf dan niet misleiden. Wie de gerechtigheid doet, is rechtvaardig, zoals Hij rechtvaardig is: want doordat wij deelgenoten zijn van het leven van Christus, zijn wij voor het aangezicht van God overeenkomstig de volmaaktheid van Hem die daar is, het hoofd en de bron van dat leven. Maar wij zijn zo, zoals Christus voor God is, omdat Hij werkelijk ons leven is. Onze aangenaamheid of aanneming bij God wordt niet afgemeten aan ons praktische leven: Christus is de maatstaf van onze aangenaamheid. Maar Christus is ons leven, als we aangenaam gemaakt zijn in overeenstemming met Zijn voortreffelijkheid; want we hebben hier deel aan, daar we leven van Zijn leven.

Maar de beoordeling van een ieder die zondigt is niet alleen negatief: hij heeft niet gezien, niet gekend. Wie de zonde doet, is uit de duivel; hij heeft zedelijk dezelfde natuur als de duivel, want de duivel zondigt van het begin af. Dat is het wat hem van oorsprong als duivel kenmerkt. Nu is Christus geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel verbreken zou. Hoe kan nu iemand bij Christus horen, als hij dezelfde kenmerken vertoont als deze vijand van de zielen?

Anderzijds: een ieder die uit God geboren is, doet de zonde niet. De reden ligt voor de hand: hij is deelgenoot gemaakt van de natuur van God; hij ontvangt zijn leven van Hemzelf. Het beginsel van het Goddelijke leven is in hem. Het zaad van God blijft in hem; hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is. Deze nieuwe natuur heeft het beginsel van zonde, en om te zondigen, niet in zich. Hoe zou het dan mogelijk zijn, dat de Goddelijke natuur zondigt?

Nu de apostel zodoende de twee families heeft aangeduid: de familie van God en die van de duivel, voegt hij het tweede kenmerk erbij. Als dit kenmerk ontbreekt is dat een bewijs dat iemand niet uit God is. Hij had al gesproken over de rechtvaardigheid; hij voegt de broederliefde eraan toe. Want dit is de boodschap, die zij van Christus Zelf ontvangen hadden, dat zij elkaar zouden liefhebben. In vers 12 laat de apostel zien welk verband er bestaat tussen deze twee dingen: iemands haat tegen een broeder wordt gevoed door het besef dat iemand heeft, dat zijn eigen werken boos zijn, en die van de ander goed. Bovendien moet het ons niet verwonderen dat de wereld ons haat: want wij weten, dat wij uit de dood overgegaan zijn in het leven, omdat wij de broeders liefhebben. Als deze liefde een wezenlijk bewijs is dat iemand vernieuwd is, is het heel natuurlijk, dat die liefde niet wordt aangetroffen in de mensen van de wereld. Maar, daar dit zo is, blijft hij die de broeder niet liefheeft, in de dood. Wat een ernstige gedachte! Bovendien is hij die zijn broeder niet liefheeft een moordenaar, en een moordenaar heeft het eeuwige leven niet. Niet alleen ontbreekt de Goddelijke natuur: hij blijft in de dood; maar de werkzaamheid van de oude mens is aanwezig in de tegengestelde natuur, hij haat, en dat is in geestelijk opzicht de werkzaamheid van de dood: hij is een moordenaar.

Evenals in het geval van de rechtvaardigheid en de reinheid, wordt Christus ons hier voorgesteld als de maatstaf van deze liefde. Hieraan kennen wij de liefde, dat Hij Zijn leven voor ons heeft ingezet; wij zijn schuldig ons leven in te zetten voor de broeders. Als onze broeder nu gebrek lijdt, en wij bezitten aardse goederen, maar voorzien niet in zijn behoeften: is dat dan de Goddelijke liefde die Christus dreef om Zijn leven voor ons af te leggen? Door deze echte, praktische werkzame liefde weten wij, dat we in de waarheid zijn, en is ons hart overtuigd en vol zekerheid voor het aangezicht van God. Want als er niets is dat het geweten drukt, hebben we vrijmoedigheid in Zijn tegenwoordigheid. Maar als ons hart ons veroordeelt, weet God nog meer.

Het gaat hier niet over het middel waardoor we zeker zijn van onze behoudenis, maar het gaat er ons om vrijmoedigheid te hebben in de tegenwoordigheid van God. Dat is voor ons niet mogelijk, als we een kwaad geweten hebben, in de praktische zin van het woord. Want God is altijd licht, en altijd heilig.

We ontvangen ook alles, waarom we vragen, als wij zo in liefde voor Zijn aangezicht wandelen, en doen wat Hem welbehaaglijk is. Want wanneer wij zo met vrijmoedigheid in Zijn tegenwoordigheid wandelen, beantwoordt het hart met z’n verlangens aan deze gezegende invloed. Want het genieten van de gemeenschap met Hem, in het licht van Zijn aangezicht, vormt ons hart. God Zelf bestuurt en beweegt ons hart. Want dit leven en deze Goddelijke natuur, waarover de brief spreekt, worden volkomen werkzaam door, en ontvangen licht en leiding van de tegenwoordigheid van God in wie het hart z’n vreugde vindt. Zodoende bidden we alleen om de vervulling van wensen die ontstaan wanneer dit leven, wanneer onze gedachten vol zijn van de tegenwoordigheid van God en van de mededeling van Zijn natuur. En Hij verleent Zijn kracht aan de vervulling van deze wensen, waarvan Hijzelf de oorsprong is, en die in het hart gevormd zijn door de openbaring van Hemzelf (vergelijk Johannes 15:7). Dit was in werkelijkheid de positie van Christus Zelf toen Hij hier beneden was: alleen was Hij volmaakt daarin (vergelijk Johannes 8:29; 11:42).

En hier is het gebod van God, waarvan Hij wil dat wij er gehoorzaam aan zijn; namelijk, dat wij geloven in de naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkaar liefhebben, zoals Hij ons een gebod gegeven heeft.

En wie Zijn geboden bewaart, blijft in Hem, en Hij blijft ook in hem, die gehoorzaam is. Men zal vragen of hier God bedoeld wordt of Christus. Zoals we gezien hebben, houdt de apostel God en Christus in zijn gedachten niet uit elkaar. Dat wil zeggen: de Heilige Geest verenigt ze in ons denken. Wij zijn in de Waarachtige, dat wil zeggen, in Zijn Zoon Jezus Christus. Christus is in het leven dat in Hem als Mens geopenbaard werd, God, die zichtbaar is voor de mensen. En voor de gelovige is Hij de mededeling van dat leven, zodat God ook in hem blijft. En God blijft in hem door de Goddelijk heerlijke en volmaakte openbaring, van de natuur, waaraan de gelovige deel heeft in de kracht van de Heilige Geest. En de Geest blijft in hem, zodat hij van die liefde kan genieten en ze ook kan beoefenen.

Maar wat een wonderlijke genade, dat we een leven hebben ontvangen, een natuur, waardoor we bekwaam zijn ons in God Zelf te verheugen, die in ons blijft. En daar het in Christus is, verheugen wij ons door dit leven werkelijk in deze gemeenschap, deze betrekking tot God! Wie de Zoon heeft, heeft het leven; maar dan blijft God in hem, en als het deel, en als de bron van dit leven. En wie de Zoon heeft, heeft de Vader.

Wat een wonderheerlijke aaneenschakeling van ware en levende vreugde, door de mededeling van de Goddelijke natuur, van Hem die er de bron van is; en dat overeenkomstig de volmaaktheid ervan in Christus! Dat is de christen overeenkomstig de genade. Daarom is hij ook gehoorzaam, omdat dit leven in de Mens Christus Jezus (en op die manier wordt het het onze) de gehoorzaamheid zelf was, de ware verhouding van de mens tot God.

De praktische gerechtigheid is dus een bewijs dat wij geboren zijn uit Hem die, in Zijn natuur, de bron is van deze gerechtigheid. Ook al ondervinden we de haat van de wereld, we weten, dat wij uit de dood overgegaan zijn in het leven, omdat wij de broeders liefhebben. En daar wij, zodoende, een goed geweten hebben, hebben wij vrijmoedigheid tot God, en wat wij ook bidden, ontvangen wij van Hem, omdat we in gehoorzaamheid wandelen, en op een manier die Hem welbehaaglijk is. En als we zo wandelen, blijven wij in Hem 15, en Hij in ons.

Nu komt hier een derde bewijs naar voren van onze christelijke voorrechten. De Geest die Hij ons gegeven heeft, is het bewijs dat Hijzelf in ons blijft, de openbaarmaking van de aanwezigheid van God in ons. De apostel voegt er hier niet aan toe, dat wij in Hem blijven, omdat het onderwerp hier is: de openbaarmaking van de aanwezigheid van God. De aanwezigheid van de Geest toont die aan. Maar als wij in Hem blijven, genieten wij, zoals we verderop zullen zien, van wat Hij is, en genieten we bijgevolg van de zedelijke gemeenschap met Zijn natuur. Wie gehoorzaam is geniet dat ook, zoals we gezien hebben. Hier wordt over de aanwezigheid van de Heilige Geest in ons gesproken, als een bewijs van slechts een deel van deze waarheid, namelijk, dat God in ons blijft. Maar de aanwezigheid van God in ons overeenkomstig de genade, en overeenkomstig de kracht van de Geest, houdt voor ons ook gemeenschap in met die natuur. Wij blijven ook in Hem van wie wij deze genade, en al de geestelijke uitingen van die natuur, in gemeenschap en in het praktische leven, ontvangen. In hoofdstuk 4 spreekt de apostel hierover in de verzen 12 en 16.

Praktische gerechtigheid of gehoorzaamheid, de liefde tot de broeders, de openbaarmaking van de Geest van God, zijn de bewijzen van onze verhouding tot God. Wie in praktische gerechtigheid de geboden van de Heer gehoorzaamt, blijft in Hem, en Hij in hem. De Heilige Geest die wij hebben ontvangen is het bewijs dat Hij in ons blijft.

Hoofdstuk 4

Om nu van dit laatste bewijs gebruik te maken, was voorzichtigheid geboden; want vele valse profeten zouden de schijn aannemen, alsof zij mededelingen hadden ontvangen van de Geest van God. In de tijd van de apostel was dit al het geval en waren ze bij de christenen binnengeslopen. Daarom was het noodzakelijk, dat hij hen waarschuwde door hun te zeggen wat de zekere kenmerken zijn van de ware Geest van God. Het eerste kenmerk was de belijdenis van Jezus Christus, als in het vlees gekomen. Niet alleen de belijdenis dat Hij gekomen is, maar dat Hij zó gekomen is. Het tweede kenmerk was, dat wie God werkelijk kende, naar de apostelen luisterde. Op deze manier worden de schriften van de apostelen een toetssteen voor hen die beweren dat zij leraars van de gemeente zijn. Dit geldt ongetwijfeld voor het hele Woord, maar ik bepaal me hier tot wat in dit gedeelte wordt gezegd. De leer van de apostelen – hiermee bedoel ik, wat zij zelf onmiddellijk geleerd hebben – is formeel een toetssteen voor alle andere leer. Als iemand mij dan zegt, dat anderen de leer van de apostelen moeten uitleggen of ontwikkelen, om de waarheid en de zekerheid van het geloof te krijgen, antwoord ik: “U bent niet uit God, want wie uit God is, hoort naar hen; en u wilt maken dat ik niet naar hen hoor; en onder welk voorwendsel u dit ook doet, u belet mij hen te horen”. De loochening dat Jezus Christus in het vlees is gekomen, is de geest van de antichrist. Niet naar de apostelen te horen is de voorafgaande vorm van het kwaad. Ware christenen hadden de geest van de dwaling overwonnen, door de Geest van God, die in hen woonde.

De drie kenmerken van het ware Christendom zijn nu duidelijk uiteengezet en de apostel gaat door met zijn vermaningen, door de volheid en innigheid van onze relatie met een God van liefde uiteen te zetten. Hij gaat ervan uit, dat we deelgenoten zijn van die natuur, waarin liefde van God is. Wie liefheeft is uit God geboren – is daarom deelgenoot van Zijn natuur, en daar hij deelgenoot is van die natuur, kent hij Hem (want door het geloof heeft hij die natuur ontvangen). Wie niet liefheeft, kent God niet. Wij moeten de natuur die liefheeft bezitten, om te weten, wat liefde is. Daarom, wie niet liefheeft, heeft God niet gekend, want God is liefde. Zo iemand heeft geen enkel gevoel dat in verbinding staat met de natuur van God; hoe zou hij Hem dan kunnen kennen? Hij kan dat evenmin, als een dier de geest of het verstand van een mens kan kennen, die het zelf niet bezit.

Lezer, let vooral op dit onmetelijke voorrecht, dat voortvloeit uit de hele leer van de brief. Het eeuwige leven, dat bij de Vader was, is geopenbaard en is aan ons meegedeeld: zodoende zijn wij deelgenoten van de Goddelijke natuur. De liefdegevoelens van die natuur die in ons werkzaam is, vinden, door de kracht van de Heilige Geest, hun rustpunt in het genieten van de gemeenschap met God, die de bron is van deze natuur: wij blijven in Hem en Hij in ons. Het eerste – wij blijven in Hem – stelt vast dat de waarheid in ons is. De werkingen van deze natuur bewijzen dat Hij in ons blijft, dat, als wij zo liefhebben, God Zelf in ons blijft. Hij die deze liefde bewerkt is in ons. Maar Hij is oneindig, en het hart rust in Hem. Wij weten tegelijkertijd, dat wij in Hem blijven en Hij in ons, dat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft (vers 13). Maar dit gedeelte is zo rijk aan zegeningen, het is nodig dat we het in de volgorde van de verzen nagaan.

Vers 7. Hij begint met het feit, dat de liefde uit God is. Het is Zijn natuur: Hij is er de bron van. Daarom: een ieder die liefheeft is uit God geboren; hij is deelgenoot van Zijn natuur. Ook kent hij God, want hij weet wat liefde is, en God is de volheid van liefde. Dit is de leer, en deze maakt alles afhankelijk van het feit of we deelgenoten zijn van de Goddelijke natuur.

Nu zou dit enerzijds in mystiek kunnen ontaarden, als het ons ertoe zou brengen steeds maar te zien op onze liefde voor God, en op de liefde in ons, alsof die de natuur van God was. We zouden dan net doen of er stond: De liefde is God, en niet: God is liefde, en we zouden zo proberen de diepte van de Goddelijke natuur te peilen in ons zelf. Anderzijds zou dit tot twijfel kunnen leiden, omdat we de werking van de Goddelijke natuur niet zo in onszelf aantreffen, als we wel zouden willen. Inderdaad is het zo: wie niet liefheeft, heeft God niet gekend, want God is liefde. (Zoals altijd, spreekt Johannes ook hier op abstracte manier.) Het bezit van de Goddelijke natuur is noodzakelijk, om te kunnen begrijpen wat voor natuur dat is, en om Hem te kennen die de volmaaktheid van die natuur is.

Maar, als ik die natuur nu wil leren kennen, en het bewijs ervan wil hebben of geven, dan richt de Geest van God de gedachten van de gelovige niet op de aanwezigheid van die natuur in ons. Hij geeft een ander voorwerp. Want nadat Hij gezegd heeft: God is liefde, vervolgt Hij: en deze liefde is ten opzichte van ons hierin geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat wij zouden leven door Hem, en verder: om zoenoffer te zijn voor onze zonden. Dat is het bewijs! Geprezen zij God! Wij kennen deze liefde niet aan de armzalige resultaten van de werking van de liefde in ons, maar aan de volmaaktheid van de liefde in God, en wel in een openbaring ervan ten opzichte van ons, en geheel en al buiten ons. De openbaring van die volmaakte liefde is een feit dat buiten ons ligt. Wij hebben er het genot van doordat we deelgenoten zijn van de Goddelijke natuur, we kennen die liefde aan de oneindige gave van de Zoon van God. Daar vinden we de uitoefening en het bewijs van die liefde.

In de verzen die volgen wordt de volledige strekking van dit beginsel en alle kracht van de waarheid ervan uiteengezet en aangetoond. Het is treffend om te zien hoe de Heilige Geest in een brief, die in wezen gaat over het leven van Christus en de vruchten daarvan in ons, het bewijs en alle kenmerken van de liefde geeft, in wat geheel buiten ons ligt. Er kan ook niets volmaakter zijn dan de manier waarop de liefde van God hier wordt voorgesteld: van het ogenblik af dat die liefde zich bezighield met onze zondige toestand, totdat we zullen staan voor de rechterstoel. God heeft overal aan gedacht: liefde ten opzichte van ons als zondaren, vinden we in de verzen 9-10; liefde in ons als gelovigen, in vers 12; en in vers 17 vinden we: de liefde bij ons volmaakt in onze toestand, met het oog op de dag van het oordeel. In de verzen 9-10 wordt de liefde van God geopenbaard in het geven van Christus; eerst: om ons het leven te schenken: – wij waren dood; dan: om zoenoffer te zijn voor onze zonden – wij waren schuldig. Ons hele geval wordt hier behandeld. In vers 10 wordt duidelijk beschreven, wat liefde is en, waar de liefde wordt gekend, en wel in woorden, die oneindig belangrijk zijn met betrekking tot de aard van het Christendom. Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, (dat was het beginsel van de wet) maar dat Hij ons heeft liefgehad, en Zijn Zoon gezonden heeft als zoenoffer voor onze zonden. Hier is het nu, dat wij leren wat liefde is. De liefde was volmaakt in Hem toen wij geen liefde tot Hem hadden; volmaakt in Hem, daar Hij ons liefde bewees toen wij nog in onze zonden waren, en Zijn Zoon zond om het zoenoffer te zijn voor onze zonden. De apostel stelt dus, zonder twijfel, dat wie niet liefheeft, God niet heeft gekend. Daardoor wordt iemands bewering gelogenstraft dat hij de liefde bezit. Maar om de liefde te kennen, moeten we er niet naar zoeken in onszelf, maar in de openbaring van de liefde die God heeft gedaan, toen wij nog geen liefde bezaten. Hij geeft het leven dat liefheeft, en Hij heeft verzoening gedaan voor onze zonden.

En nu zegt de apostel met het oog op het genieten van deze liefde en op de voorrechten ervan: als God ons zó heeft liefgehad (dit is het standpunt dat Hij inneemt), zijn wij ook schuldig elkaar lief te hebben. Niemand heeft ooit God aanschouwd. Als wij elkaar liefhebben, blijft God in ons. Hij is in ons, Hij blijft in ons; de uitnemendheid van Zijn natuur verheft ons boven alle grenzen, die de omstandigheden opwerpen, en verbindt ons met de Zijnen. God Zelf in de kracht van Zijn natuur is de bron van ons gedachten- en gevoelsleven, de bron van een rivier die al de Zijnen doorstroomt.

We kunnen dit wel begrijpen. Hoe komt het, dat ik onbekenden uit andere landen, mensen met andere gewoonten, die ik nooit gekend heb, inniger liefheb, dan mijn eigen familieleden naar het vlees? Hoe komt het, dat ik gedachten gemeen heb en oneindig dierbare voorwerpen deel met mensen die ik nooit eerder gezien heb? Hoe komt het dat we elkaar vurig liefhebben en dat een sterkere band mij aan hen bindt dan aan de overigens geliefde vrienden uit mijn jeugd? Doordat er in hen en in mij een bron aanwezig is van gedachten en gevoelens, die niet menselijk is. God is daarin. God woont in ons. Wat een geluk! Wat een band! Deelt Hij Zichzelf niet mee aan de ziel? Geeft Hij de ziel niet het bewustzijn van Zijn aanwezigheid in liefde? Jazeker! En als Hij nu zo in ons is, de gezegende bron van onze gedachten, kan er dan bij ons nog vrees zijn, of een gevoel van afstand, of onzekerheid met betrekking tot wat Hij is? Volstrekt niet. Zijn liefde is in ons volmaakt. Wij kennen Hem als de liefde in onze ziel: en dit is het tweede belangrijke punt in dit merkwaardige gedeelte: het genot van de Goddelijke liefde in onze ziel.

De apostel heeft tot nu toe nog niet gezegd: hieraan weten wij dat wij in Hem blijven. Daar komt hij echter nu toe. Maar, als de liefde tot de broeders in ons is, blijft God in ons. Wanneer deze liefde uitgeoefend wordt, zijn wij ons bewust van de aanwezigheid van God, als de volmaakte liefde in ons. Deze liefde vult ons hart, en is zodoende werkzaam in ons. Dit bewustzijn nu, is het gevolg van de aanwezigheid van Zijn Geest, als de bron en kracht van het leven en de natuur, in ons. Hier staat niet dat Hij ons Zijn Geest heeft gegeven, dat was het bewijs dat Hij in ons blijft (3:24). Hier staat: Hij heeft ons van Zijn Geest gegeven, dat wil zeggen, door Zijn aanwezigheid in ons, delen wij, door de Geest in de Goddelijke gevoelens van liefde. En zodoende weten wij niet alleen, dat Hij in ons blijft, maar de aanwezigheid van de Geest, die in de Goddelijke natuur in ons werkt, geeft ons het bewustzijn, dat wij in Hem blijven. Want Hij Zelf is de oneindigheid en de volmaaktheid van datgene wat nu in ons is.

Hierin rust het hart, het verheugt zich in Hem, en is veilig voor alles wat buiten Hem is, in het bewustzijn van de volmaakte liefde waarin men staat, doordat men zo in Hem blijft. De Geest maakt, dat wij in God blijven, en geeft ons het bewustzijn dat Hij in ons blijft. In het genot en het bewustzijn van die liefde die ons bewezen is, kunnen wij getuigen van de openbaring van die liefde, die alle joodse grenzen doorbrak: de Vader heeft de Zoon gezonden als Heiland van de wereld. We zullen verderop nog een kenmerk van deze liefde zien.

Als we 1 Johannes 4:12 vergelijken met het Evangelie van Johannes, hoofdstuk 1:18, zullen we beter begrijpen wat de strekking is van het onderwijs dat de apostel hier geeft. In beide gevallen wordt ons dezelfde moeilijkheid, of zo men wil, dezelfde waarheid, voorgesteld. “Niemand heeft ooit God aanschouwd”. Hoe wordt deze moeilijkheid in beide gedeelten opgelost?

In Johannes 1:18 staat: De eniggeboren Zoon Die in de schoot van de Vader is 16, Die heeft [Hem] verklaard. Hij, die de volmaakt vertrouwelijke omgang geniet met de Vader, die in de volstrektste nabijheid is en het meest volkomen geniet van de liefde van de Vader, het enige eeuwige, algenoegzaam voorwerp dat, als Zijn enige Zoon, de liefde van de Vader kende, heeft Hem aan mensen geopenbaard, zoals Hij Hem Zelf gekend heeft. En welk antwoord geeft onze brief op dezelfde moeilijkheid? Vers 12: “Als wij elkaar liefhebben, blijft God in ons en Zijn liefde is in ons volmaakt”. Doordat de Goddelijke natuur aan ons is meegedeeld, en doordat God in ons blijft, genieten wij innerlijk van Hem, zoals Hij geopenbaard en verklaard is door Zijn enige Zoon. Zijn liefde is in ons volmaakt, en ons hart kent die liefde, zoals ze in Jezus verklaard is. De God, die Hij verklaard heeft, woont in ons. Wat een gedachte dat het antwoord op het feit, dat niemand ooit God gezien heeft, evenzeer is: “de Zoon heeft Hem verklaard”, als “God blijft in ons”. Wat een licht werpt dit op de woorden uit hoofdstuk 2:8: “dat waar is in Hem en in u” 17. Want doordat Christus ons leven is geworden, kunnen wij zo genieten van God en Zijn aanwezigheid in ons, door de kracht van de Heilige Geest. En we hebben al gezien, dat hieruit het getuigenis van vers 14 voortvloeit.

Het onderscheid tussen: “God blijft in ons” en “wij in God” zien we ook in de woorden die Christus van Zichzelf spreekt. Hij bleef altijd in de Vader, en de Vader in Hem. Maar Hij zegt: “De Vader Die in Mij blijft, Die doet de werken” (Johannes 14:10). Door Zijn woord hadden Zijn discipelen in beide moeten geloven. Maar in wat zij gezien hadden – in Zijn werken – hadden zij een nog krachtiger, zichtbaar bewijs, dat de Vader in Hem bleef. Wie Hem gezien hadden, hadden de Vader gezien. Maar als de Trooster zou zijn gekomen, zouden zij in die dag erkennen, dat Jezus in de Vader was – op Goddelijke wijze één met de Vader.

De apostel zegt niet, dat wij in God zijn, of in de Vader 18, maar dat wij in Hem blijven, en wij weten dit hieraan, dat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft. We hebben al opgemerkt, dat hij zegt in hoofdstuk 3:24: “Hieraan weten wij dat Hij in ons blijft: aan de Geest Die Hij ons gegeven heeft”.

Hier voegt hij eraan toe: “Hieraan weten wij dat wij in Hem blijven”, want het gaat hier niet om de openbaring ervan, als bewijs, maar om de gemeenschap met God Zelf. Wij weten altijd als een kostbare waarheid, een onomstotelijk feit, dat wij in Hem blijven; we voelen het, wanneer Zijn liefde werkzaam is in ons hart. Bijgevolg gaat de apostel dadelijk over op deze werkzaamheid, en voegt eraan toe: “En wij hebben aanschouwd en getuigen, dat de Vader de Zoon heeft gezonden als Heiland van de wereld”. Dat was voor iedereen het bewijs van die liefde, waarvan de apostel – zoals alle gelovigen met hem – van harte genoot.

Het is belangrijk om te zien wat dit gedeelte ons achtereenvolgens voorstelt. Eerst het feit, dat God in ons blijft, dan het gevolg hiervan (want Hij is oneindig): wij blijven in Hem; en vervolgens de verwerkelijking van de eerste waarheid in het leven van de christen: hij is er zich van bewust dat God in hem blijft en uit zijn leven blijkt het.

We kunnen hier ook dit nog opmerken: “God blijft in ons” is een leerstellig feit, en geldt voor iedere ware christen. “Wij blijven in Hem” ligt in de vorige waarheid opgesloten, maar staat toch in verband met onze toestand. Zo staat er in hoofdstuk 3:24: “En wie Zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in hem”. En in hoofdstuk 4:16: “En wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem”.

Onze liefde tot elkaar geldt dus inderdaad als bewijs dat God aanwezig is, en dat Zijn liefde in ons volmaakt is – en wel om de tegenstelling te laten zien die er is tussen de manier waarop Hij aanwezig is in ons en in Christus. Maar zodoende weten wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons. In beide gevallen weten wij dit door de Geest. Vers 15 is het algemene feit; vers 16 gaat door tot de bron van liefde. “Wij hebben onderkend en geloofd de liefde die God ten aanzien van ons heeft”. Er wordt gezegd wat Zijn natuur op zichzelf is (want wij verheugen ons in God); “God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem”. Er is geen liefde buiten Hem: als we deelgenoten van Zijn natuur zijn, zijn we deelgenoten van Zijn liefde. En wie in de liefde blijft, blijft in God die de volheid van liefde is. Maar let er dan op, dat de apostel, als hij er de nadruk op legt wat God is, tevens zorgvuldig aandringt op het persoonlijk zijn van God. Hij blijft in ons.

En nu volgt een heel belangrijk beginsel. Men zou misschien denken, dat dit blijven van God in ons en ons blijven in Hem, afhankelijk was van een grote mate van geestelijkheid; de apostel heeft immers gesproken over de hoogste vreugde die mogelijk is. Maar al is de mate waarin wij het met geestelijk inzicht verwerkelijken inderdaad een kwestie van onze geestelijke toestand, de zaak zelf is toch het deel van iedere christen. Het is ons standpunt, omdat Christus ons leven is, en omdat we de Heilige Geest hebben ontvangen. “Wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem en hij in God”.

Wat is de genade van het evangelie toch groot! Wat een wondere positie nemen wij in, omdat wij die in Jezus bezitten! Het is belangrijk hieraan vast te houden, dat dit het deel is van iedere christen; het verheugt de nederige en vormt het krachtigste verwijt voor het geweten van hem die lichtvaardig wandelt.

De apostel verklaart dit hoge standpunt door het bezit van de Goddelijke natuur – de wezenlijke voorwaarde van het Christendom. Een christen is iemand, die deelgenoot is van de Goddelijke natuur, en in wie de Geest woont. Maar het kennen van dit standpunt dat we innemen, vloeit niet voort uit de overdenking van deze waarheid, al is het er wel van afhankelijk of het echt zo is, maar, zoals we al gezien hebben, vloeit het kennen van ons standpunt voort uit de liefde van God Zelf. En de apostel vervolgt: “Wij hebben onderkend en geloofd de liefde die God ten aanzien van ons heeft”. Dit is de bron van ons kennen en genieten van deze voorrechten, die zo heerlijk en zo wonderbaar verheven, en toch ook zo eenvoudig en waar zijn voor het hart, wanneer we ze kennen.

Wij hebben de liefde gekend, de liefde die God voor ons heeft, en we hebben erin geloofd. Kostbare kennis! Doordat we deze kennis bezitten, kennen wij God; want zo heeft Hij Zich geopenbaard. Daarom kunnen we zeggen: “God is liefde”. Er bestaat verder geen liefde. Hijzelf is liefde. Hij is de liefde in al haar volheid. Hij is niet: heiligheid; Hij is heilig; maar Hij is liefde. Hij is niet de rechtvaardigheid; Hij is rechtvaardig 19.

Door nu in de liefde te blijven, blijf ik in Hem. Dit zou niet kunnen als Hij niet in mij bleef, maar dat doet Hij. Hier zet hij voorop, dat wij in God blijven, omdat God Zelf ons voor de aandacht staat, als de liefde, waarin wij blijven. Wanneer ik dan ook aan deze liefde denk, zeg ik, dat ik in Hem blijf, omdat ik, door de Geest, mij daarvan in mijn hart bewust ben.

Tegelijkertijd is die liefde een krachtig werkzaam beginsel in ons: God Zelf is daar. Dit is de vreugde van ons standpunt – het standpunt van iedere christen.

De verzen 14 en 16 laten ons het tweeledige gevolg zien van de openbaring van deze liefde. Ten eerste: het getuigenis, dat de Vader de Zoon heeft gezonden, om de Heiland van de wereld te zijn. Volkomen buiten de beloften die aan de Joden gedaan zijn (zoals overal in Johannes) is dit werk de vrucht van wat God Zelf is. Bijgevolg: Een ieder die belijdt, dat Jezus de Zoon van God is, geniet de gezegende voorrechten daarvan in al hun volheid.

Ten tweede: de christen heeft voor zichzelf in deze liefde geloofd, en hij geniet deze liefde in overeenstemming met haar volheid. Alleen wordt het heerlijke feit, dat wij deel hebben aan Christus, hier op een iets andere manier uitgedrukt – de belijdenis van Jezus als de Zoon van God is hier in de eerste plaats het bewijs dat God in ons blijft, hoewel het andere deel van de waarheid evengoed zegt, dat wie Hem belijdt, ook in God blijft.

Wanneer er wordt gesproken over het deel, dat wij die in deze liefde geloven, hebben aan de gemeenschap, staat er: “wie in de liefde blijft, blijft in God”; want dat is inderdaad de plaats waar het hart zich bevindt. Hier is ook het andere deel van de waarheid evenzeer waar: God blijft ook in hem.

Ik heb erover gesproken, dat wij het bewustzijn hebben, dat wij in God blijven; want alleen zo kunnen we dit blijven in God kennen. Maar het is belangrijk te bedenken, dat de apostel het leert als een waarheid die op iedere gelovige van toepassing is. De gelovigen zouden zich misschien hebben kunnen verontschuldigen, dat ze deze waarheden zich niet eigen maakten, omdat ze te hoog voor hen waren. Maar het feit, dat die waarheden voor iedere gelovige gelden, veroordeelt hun verontschuldiging. Zij verwaarloosden de gemeenschap. Maar God blijft in ieder die belijdt, dat Jezus de Zoon van God is, en hij blijft in God. Wat een bemoediging voor een beschroomde gelovige! Wat een berisping voor een zorgeloze!

Vers 17. De apostel komt nu terug op de plaats die wij tegenover God innemen. Hij beschouwt God nu als buiten ons, als degene voor wie wij moeten verschijnen en met wie wij altijd te maken hebben. Hier hebben we het derde grote bewijs en kenmerk van de liefde, waarin de liefde voleindigd is: het getuigenis, zoals ik al gezegd heb, dat God met het oog op ons aan alles heeft gedacht, van onze zondige toestand af, tot aan de dag van het oordeel.

Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, (opdat wij vrijmoedigheid hebben in de dag van het oordeel) namelijk, dat zoals Hij is, ook wij zijn in deze wereld. Waarlijk, wat zou ons een volkomener zekerheid kunnen geven voor die dag, dan dat we zijn zoals Jezus Zelf – aan de Rechter gelijk? Hij die in gerechtigheid zal oordelen is onze gerechtigheid. In Hem zijn wij de gerechtigheid, in overeenstemming waarmee Hij zal oordelen. Met betrekking tot het oordeel zijn wij zoals Hij is. Dit kan ons waarlijk volmaakte vrede geven. Maar let erop: het is niet alleen zo in de dag van het oordeel (het geeft ons vrijmoedigheid voor die dag), maar wij zijn nu in deze wereld zoals Hij is. Niet zoals Hij was, maar wij zijn in deze wereld zoals Hij is; en wij kennen en bezitten nu al de plaats, die wij in die dag nodig hebben, en die in overeenstemming is met de natuur en de raadsbesluiten van God. Dat is ons deel, wij die levend met Hem één gemaakt zijn.

Vers 18. In de liefde nu, is geen vrees; daar is vertrouwen. Als ik zeker weet, dat iemand mij liefheeft, vrees ik niet voor hem. Als ik alleen maar verlang het voorwerp van zijn liefde te zijn, kan ik vrezen dat het niet zo is, en kan ik zelfs die persoon zelf vrezen. Toch zal die vrees altijd de neiging hebben, om mijn liefde voor hem te verstoren, en mijn verlangen door hem bemind te worden teniet te doen. Deze beide gevoelens zijn onverenigbaar: – in de liefde is geen vrees. De volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees kwelt ons, en kwelling is niet het genieten van de liefde. Wie dan ook vreest, kent de volmaakte liefde niet. En wat bedoelt de apostel nu met “de volmaakte liefde”? De volmaakte liefde is wat God Zelf is, en wat Hij volkomen heeft tentoongespreid in Christus, en wat Hij ons heeft gegeven, om het te kennen en ervan te genieten door Zijn tegenwoordigheid in ons, zodat wij in Hem blijven. Het stellige bewijs van de volmaaktheid en volkomenheid van deze liefde is, dat wij zijn zoals Christus is. Deze liefde is ten opzichte van ons geopenbaard, is in ons volmaakt, en bij ons volmaakt geworden. Maar wat wij genieten is God Zelf, die liefde is, en wij genieten van Hem daar Hij in ons is, zodat er in ons hart liefde is en vertrouwen, en wij rust hebben. Wat ik van God weet, is dat Hij liefde is, en liefde voor mij; en niets anders dan liefde voor mij, omdat Hij Zelf liefde is. Daarom is er geen vrees. (Het is treffend te zien dat hij niet zegt: Wij behoren Hem lief te hebben, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad; maar: wij hebben Hem lief. Wij kunnen de liefde tot ons niet kennen en genieten zonder lief te hebben. Het besef van liefde tot ons is altijd liefde. Zij wordt niet gekend en gewaardeerd zonder dat zij er is. Mijn besef van de liefde in een ander is liefde tot hem. Wij behoren de broeders lief te hebben, omdat niet hun liefde tot ons de bron daarvan is, al kan die liefde haar wel op die manier voeden. Maar wij hebben God lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.)

Als we nu, in praktisch opzicht, de geschiedenis, om het zo eens te zeggen, nagingen van deze liefdegevoelens, als we dus zouden proberen te scheiden wat in het genieten samengevoegd is, (samengevoegd omdat de Goddelijke natuur – en die is liefde –, die liefde in haar volmaaktheid geniet in God, Zijn liefde die uitgestort is in het hart door Zijn aanwezigheid), als we nu precies onder woorden willen brengen, in welke verhouding tot God ons hart met het oog hierop staat, dan gebeurt dat met de volgende woorden: “Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft”. Het is genade en het moet wel genade zijn, omdat het God is, die verheerlijkt moet worden.

Het is de moeite waard, de gedachtegang in dit merkwaardige gedeelte na te gaan. De verzen 7-10: Wij bezitten de natuur van God; daarom hebben wij lief; wij zijn uit Hem geboren, en wij kennen Hem. Maar de openbaring van de liefde ten opzichte van ons in Christus Jezus is het bewijs van die liefde; alleen daardoor kennen wij de liefde. De verzen 11-16. Wij genieten van de liefde, door in de liefde te blijven. Het is het leven nu in de liefde van God door de aanwezigheid van Zijn Geest in ons; het genieten van die liefde door de gemeenschap, daar God in ons blijft en wij zodoende in Hem blijven.

Vers 17. Zijn liefde is bij ons volmaakt geworden; de volmaaktheid van die liefde, die we zien in de plaats die de liefde ons heeft gegeven met het oog op het oordeel: – zoals Christus is, zijn ook wij in deze wereld.

De verzen 18-19: Zodoende is de liefde bij ons volkomen tot een eind gekomen, volmaakt geworden. Liefde voor zondaren, gemeenschap, volmaaktheid voor het aangezicht van God, zijn de zedelijke en kenmerkende beginselen van die liefde – wat de liefde is in onze verhouding tot God.

In het eerste gedeelte, de verzen 7-10, waar de apostel over de openbaring van deze liefde spreekt, gaat hij niet verder dan het feit, dat een ieder die liefheeft uit God is geboren. Daar de natuur van God (die liefde is) in ons is, kent een ieder die liefheeft God, want hij is uit Hem geboren – hij bezit Zijn natuur en verwerkelijkt wat die is.

De liefdesnatuur van God wordt openbaar in wat Hij geweest is ten opzichte van de zondaar. Daarna genieten wij als heiligen van wat we als zondaars leerden kennen. De volmaakte liefde van God is uitgestort in het hart, en wij blijven in Hem. Daar we in deze wereld al met Jezus zijn, en zijn zoals Hij is, is er geen plaats voor vrees in hem voor wie de liefde van God een woning en rustplaats is.

Vers 20: De echtheid van onze liefde tot God, de vrucht van Zijn liefde voor ons (vers 19), wordt nu getoetst. Als iemand zegt, dat hij God liefheeft en de broeders niet liefheeft, is hij een leugenaar. Want als de Goddelijke natuur zo dicht bij ons, (in de broeders die dicht bij ons zijn), en de waarde die zij voor Christus hebben, onze geestelijke genegenheden niet opwekken, hoe kan Hij die veraf is, die we niet gezien hebben, het dan wel? En het is ook Zijn gebod: wie God liefheeft, moet ook zijn broeder liefhebben. Hier wordt dus ook gehoorzaamheid gevonden (vergelijk Johannes 14:31).

Hoofdstuk 5

De liefde tot de broeders is het bewijs van de echtheid van onze liefde tot God. En deze liefde moet algemeen zijn, ze moet bewezen worden aan alle christenen. Want “ieder die gelooft dat Jezus de Christus is, is uit God geboren”; en wie iemand liefheeft zal ook diens kinderen liefhebben. En als het motief van onze liefde is, dat iemand uit Hem geboren is, dan zullen we ook allen die uit Hem geboren zijn liefhebben.

Maar aan de andere kant is er een gevaar. Het kan wel zijn, dat we de broeders liefhebben omdat ze prettig zijn in de omgang; ze bezorgen ons aangenaam gezelschap, waarin ons geweten niet gekwetst wordt. Daarom wordt ons hier een tegenbewijs gegeven: “Hieraan weten wij, dat wij de kinderen van God liefhebben wanneer wij God liefhebben en Zijn geboden bewaren”. Ik heb de broeders alleen lief als kinderen van God, als ik God liefheb uit wie zij geboren zijn. Misschien heb ik ze persoonlijk lief als vrienden, of misschien heb ik sommigen van hen lief, maar dan toch niet als de kinderen van God, als ik God Zelf niet liefheb. Als God Zelf niet Zijn ware plaats heeft in mijn hart, wordt God buitengesloten door wat de naam draagt van liefde tot de broeders. En dit gebeurt des te vollediger en op zo’n subtiele manier, omdat onze band met de broeders de heilige naam “broederliefde” draagt.

Nu is er ook een toetssteen voor deze liefde tot God, namelijk gehoorzaamheid aan Zijn geboden. Als ik met de broeders zelf wandel in ongehoorzaamheid aan hun Vader, dan heb ik ze beslist niet lief omdat het Zijn kinderen zijn. Als ik hen liefhad omdat ik de Vader liefheb, en omdat zij Zijn kinderen zijn, zou ik stellig willen dat ze gehoorzaam waren aan Hem. Als iemand dus in ongehoorzaamheid wandelt met de kinderen van God, onder het voorwendsel van broederliefde, heeft hij hen niet lief als kinderen van God. Als ik ze als zodanig liefhad, dan zou ik hun Vader en mijn Vader liefhebben. Dan zou ik niet in ongehoorzaamheid aan Hem kunnen wandelen en dit een bewijs noemen van mijn liefde voor hen omdat ze de Zijnen zijn.

Als ik hen ook liefhad, omdat ze Zijn kinderen zijn, zou ik allen die dit zijn liefhebben, omdat dezelfde drijfveer mij beweegt hen allen lief te hebben. De algemeenheid van deze liefde met betrekking tot alle kinderen van God, het betonen van deze liefde in praktische gehoorzaamheid aan Zijn wil, dat zijn de kenmerken van ware liefde tot de broeders. Wat deze kenmerken niet draagt is niets meer dan vleselijke partijgeest, die zich tooit met de naam en de vormen van broederliefde. Ik heb de Vader beslist niet lief, als ik Zijn kinderen aanspoor om Hem ongehoorzaam te zijn.

Nu is er een hinderpaal voor deze gehoorzaamheid, en dat is de wereld. De wereld heeft zijn eigen vormen, en die zijn in de verste verte niet gehoorzaamheid aan God. Als wij ons bezighouden met Hem en met Zijn wil alleen, breekt al gauw de vijandschap van de wereld uit. Ook werkt de wereld met z’n gemakken en genoegens op het hart van iemand die naar het vlees wandelt. Kortom, de wereld en de geboden van God staan lijnrecht tegenover elkaar. Maar de geboden van God zijn niet zwaar voor hen die uit Hem geboren zijn; want wie uit God geboren is, overwint de wereld. Hij bezit een natuur en een beginsel die de moeilijkheden overwinnen die de wereld aan zijn wandel in de weg legt. Zijn natuur is de Goddelijke natuur; want hij is uit God geboren: zijn beginsel is dat van het geloof. Zijn natuur is ongevoelig voor de aantrekkelijkheden die deze wereld het vlees aanbiedt. En waardoor? Doordat die natuur geheel los staat van de wereld, en een geest heeft die onafhankelijk is van de wereld, en ook een eigen voorwerp heeft waardoor die natuur bestuurd wordt. Het geloof leidt de stappen van hen die de nieuwe natuur bezitten; maar het geloof ziet de wereld niet en evenmin de tijdelijke dingen. Het geloof aanvaardt dat Jezus, die door de wereld is verworpen, de Zoon van God is. Daarom heeft de wereld de macht over de gelovige verloren. Zijn liefde en vertrouwen zijn gericht op Jezus, die gekruisigd is, en hij belijdt Hem als de Zoon van God. Zo, losgemaakt van de wereld, heeft de gelovige de moed om te gehoorzamen, en doet hij de wil van God die blijft tot in eeuwigheid.

De apostel geeft in enkele woorden een samenvatting van het getuigenis van God betreffende het eeuwige leven, dat Hij ons heeft gegeven. Dit leven is niet in de eerste Adam, het is in de laatste – in de Zoon van God. De mens, uit Adam geboren, bezit het leven niet en kan het niet verwerven. Weliswaar had hij het onder de wet horen te verdienen. Want de wet werd gekenmerkt door: “Doe dat en u zult leven”. Maar de mens deed dit niet en kon het ook niet.

God geeft hem het eeuwige leven, en dit leven is in Zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven, en wie de Zoon niet heeft, heeft het leven niet.

Wat is nu het getuigenis dat gegeven wordt van deze gave, het eeuwige leven? Er zijn drie getuigen: de Geest, het water en het bloed. Deze Jezus, de Zoon van God, is Degene die gekomen is door water en bloed; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest getuigt ook, omdat Hij de waarheid is. Waarvan zij getuigen is, dat God ons het eeuwige leven gegeven heeft, en dit leven is in Zijn Zoon. Maar waaruit kwam dit water en dit bloed? Uit de doorstoken zijde van Jezus. Het is het doodvonnis dat wordt uitgesproken over, en voltrokken aan het vlees (vergelijk Romeinen 8:3), aan alles wat van de oude mens is, van de eerste Adam. Niet dat de zonde van de eerste Adam in het vlees van Christus was, maar Jezus is in het vlees gestorven als een offer voor de zonde. “Want wat Hij is gestorven, is Hij eens voor altijd ten opzichte van de zonde gestorven” (Romeinen 6:10). De zonde in het vlees is veroordeeld in de dood van Christus in het vlees. Er was geen ander geneesmiddel. Het vlees kon niet worden veranderd of onderworpen aan de wet van God. In het beginsel van de wil was het leven van de eerste Adam niets dan zonde; het kon zich aan de wet van God niet onderwerpen. Onze reiniging, wat betreft de oude mens, is de dood van de oude mens. Wie gestorven is, is gerechtvaardigd van de zonde (Romeinen 6:7). Wij zijn daarom gedoopt om deel te hebben aan de dood van Jezus. Wij zijn met Christus gekruisigd; niettemin leven we; maar niet meer wij, het is Christus die in ons leeft. Daar wij deel hebben aan het leven van de opgestane Christus, houden wij het ervoor dat we met Hem gestorven zijn. Want waarom zouden wij leven uit dit nieuwe leven, dit leven van de laatste Adam, als we in het leven van de eerste Adam voor het aangezicht van God zouden kunnen leven? Nee! Doordat we in Christus leven, hebben we door het geloof het doodvonnis aanvaard, dat God heeft geveld over de eerste Adam. Dit is de christelijke reiniging: namelijk, de dood van de oude mens, omdat wij deelgenoten gemaakt zijn van het leven in Christus Jezus. “Wij zijn gestorven” – met Hem gekruisigd. Wij hebben een volmaakte reiniging nodig voor het aangezicht van God; we bezitten die, want wat onrein was bestaat niet meer: wat wel bestaat, is uit God geboren, en volmaakt rein.

Hij is gekomen door water. Daar dit water uit de zijde van een dode Christus is gekomen, geeft het een krachtig getuigenis, dat het leven niet moet worden gezocht in de eerste Adam. Want Christus die ten behoeve van de mens kwam, om diens zaak op Zich te nemen, de in het vlees gekomen Christus, moest sterven; anders zou Hij in Zijn eigen reinheid alleen gebleven zijn. Het leven moet gezocht worden in de Zoon van God, opgestaan uit de doden. Reiniging vindt plaats door de dood.

Maar Hij is niet alleen door het water gekomen; ook door het bloed. De verzoening van onze zonden was even nodig als de zedelijke reiniging van onze zielen. Wij bezitten de verzoening in het bloed van een geofferde Christus. De dood alleen kon onze zonden verzoenen en ze uitdelgen; en Jezus stierf voor ons. De schuld van de gelovige bestaat niet meer voor het aangezicht van God; Christus is op zijn plaats gaan staan. Het leven is in de hoge, en wij zijn mee opgewekt met Hem, en God heeft ons al onze misdaden vergeven. Verzoening vindt plaats door de dood.

De derde die getuigt is de Geest; in vers acht wordt Hij het eerst genoemd; daar vinden we de volgorde van het getuigenis dat zij op aarde geven, en de Geest alleen geeft getuigenis in kracht, zodat we de andere twee kennen. In vers zes wordt de Geest als derde genoemd; hier vinden we de historische volgorde. Want dit was inderdaad de volgorde; eerst de dood, en pas daarna de Heilige Geest 20.

Inderdaad is het het getuigenis van de Geest, Zijn aanwezigheid in ons, wat ons in staat stelt de waarde te schatten van het water en het bloed. Wij zouden nooit de praktische strekking van de dood van Christus begrepen hebben, als de Heilige Geest voor de nieuwe mens niet een openbarende kracht was van de betekenis en uitwerking daarvan. Nu is de Heilige Geest neergekomen van een opgestane en opgevaren Christus; en zodoende weten wij dat wij het eeuwige leven ontvangen hebben in de Zoon van God.

Vers 11. Het getuigenis van deze drie getuigen treffen we aan in deze zelfde waarheid, namelijk dat de genade, – dat God Zelf – ons eeuwig leven gegeven heeft; en dat dit leven is in de Zoon. De mens had er niets aan te doen, hij kon alleen zijn zonden eraan toedoen. Het is de gave van God, en het leven dat Hij geeft is in de Zoon. Het getuigenis is het getuigenis van God. Wat een zegen zo’n getuigenis te hebben, en wel van God Zelf en in volkomen genade!

We hebben hier dus deze drie dingen: de reiniging, de verzoening en de aanwezigheid van de Heilige Geest als het getuigenis dat wij het eeuwige leven hebben ontvangen in de Zoon, die voor de mens is geofferd, toen Hij in verbinding trad met de mens hier beneden. Voor de mens zoals hij is, kon Hij alleen maar sterven. Het leven is ergens anders, namelijk in Hemzelf.

Hier eindigt de leer van deze brief. De apostel heeft deze dingen geschreven, opdat zij die in de naam van de Zoon van God geloven, weten, dat zij het eeuwige leven hebben. Hij geeft hun niet een middel om zichzelf te onderzoeken om zo de gelovigen aan het twijfelen te brengen of zij het eeuwige leven wel hadden. Nee, hij zag dat er verleiders waren, die beweerden dat de gelovigen iets belangrijks misten, verleiders die voorgaven dat ze een of ander hoger licht bezaten, en zo probeerden de gelovigen van de rechte weg te brengen. Daarom maakt hij hun duidelijk, wat de kenmerken zijn van het leven, en zodoende stelt hij hen gerust. Hij spreekt uitvoerig over de uitnemendheid van dat leven, en over het standpunt dat zij innamen nu zij zich in dat leven verheugden. En dit doet hij opdat ze zouden begrijpen, dat God hun het leven gegeven had, en opdat ze in geen enkel opzicht in hun gemoed geschokt zouden worden.

Vers 14. Vervolgens spreekt de apostel over de praktische vrijmoedigheid tot God, die uit dit alles voortvloeit. Die vrijmoedigheid hebben we met het oog op al onze behoeften hier beneden, alles wat onze harten aan God willen vragen. We weten dat Hij altijd luistert naar alles wat we vragen in overeenstemming met Zijn wil. Kostelijk voorrecht! De christen zal zelf niet wensen, dat hem iets wordt toegestaan dat in strijd is met de wil van God. Maar voor alles wat in overeenstemming is met Zijn wil, heeft Hij voor ons altijd een open, altijd opmerkzaam oor. Hij hoort altijd; Hij is niet als een mens, die het dikwijls zo druk heeft, dat hij niet kan horen, of die onverschillig is, zodat hij niet wil luisteren. God hoort ons altijd, en het ontbreekt Hem zeker niet aan kracht of macht: de aandacht die Hij ons schenkt is een bewijs van Zijn welbehagen. Daarom ontvangen wij de dingen die we aan Hem vragen. Hij willigt onze verzoeken in. Wat een heerlijke verhouding. Wat een hoog voorrecht! En we mogen ook uit liefde van dit voorrecht gebruik maken voor anderen.

Vers 16. Als een broeder zondigt en God tuchtigt hem, mogen wij voor die broeder bidden, en God zal hem het leven geven. Tuchtiging beoogt de dood van het lichaam (vergelijk Job 33-34; Jakobus 5:14-15); we bidden voor de schuldige en hij wordt genezen. Anders neemt de ziekte haar loop. Alle ongerechtigheid is zonde; en er is zonde die tot de dood is. Het lijkt mij niet, dat dit een bepaalde zonde is, maar iedere zonde die hierdoor wordt gekenmerkt, dat ze niet de christelijke liefde opwekt, maar de verontwaardiging van de christen. Zo begingen Ananias en Saffira een zonde tot de dood. Het was een leugen, maar een leugen onder zulke omstandigheden, dat ze veeleer afschuw dan medelijden opwekte. We kunnen dit in andere gevallen gemakkelijk begrijpen.

Tot zover over de zonde en de tuchtiging wegens zonde. Maar de positieve kant wordt ons ook voorgesteld. Als uit God geborenen, doen we in het geheel geen zonde, we bewaren onszelf, en de boze heeft geen vat op ons. De boze heeft niets waarmee hij de nieuwe mens zou kunnen verlokken. Hij heeft geen dingen die aantrekkelijk zijn voor de Goddelijke natuur in ons. Want deze natuur houdt zich, door de werking van de Heilige Geest, bezig met Goddelijke hemelse dingen, of met de wil van God. Daarom staat het aan ons, zó te leven – de nieuwe mens die bezig is met de dingen van God en van de Geest.

De apostel besluit zijn brief met afzonderlijk op twee dingen te wijzen: onze natuur, de manier waarop wij, als christenen, zijn; en het voorwerp dat ons is meegedeeld om het geloof voort te brengen en te voeden.

Wij weten dat wij uit God zijn; en dat niet op een vage, onbestemde manier, maar in tegenstelling tot alles wat niet wij is. Dit is een onmetelijk, belangrijk beginsel, dat het christelijk standpunt juist door de aard ervan exclusief maakt: dat wil zeggen het sluit al het andere uit. Het is niet alleen maar goed, of slecht, of beter, maar het is uit God. En niets dat niet uit God is (dat wil zeggen, dat zijn oorsprong niet heeft in Hem) kan dit kenmerk of dit standpunt hebben. De hele wereld ligt in het boze.

De christen heeft zekerheid betreffende deze twee dingen krachtens zijn natuur, die onderscheidt en weet wat uit God is en daardoor alles veroordeelt wat daarmee in strijd is. Deze beide dingen zijn niet slechts goed en kwaad, maar van God en van de vijand. Dit wat de natuur betreft.
Met betrekking tot het voorwerp van deze natuur, weten wij, dat de Zoon van God gekomen is – ook een waarheid die van onmetelijk belang is. Het is niet alleen zo dat er goed en dat er kwaad is; maar de Zoon van God is Zelf gekomen op dit toneel van ellende, om ons een voorwerp voor ons hart te geven. Maar er is nog iets meer. Hij heeft ons het verstand gegeven, zodat we te midden van alle leugens van deze wereld, waarvan satan de overste is, Hem kennen die waarachtig is – de Waarachtige. Een onmetelijk voorrecht dat onze hele positie verandert. De macht van de wereld waardoor satan ons had verblind, is geheel verbroken, en we zijn binnengevoerd in het ware licht. En in dat licht zien en kennen wij Hem die waarachtig is, die in Zichzelf de volmaaktheid is; waardoor alles volkomen kan worden onderscheiden en beoordeeld in overeenstemming met de waarheid. Maar dat is niet alles. Wij zijn in de Waarachtige, we zijn deelgenoten van Zijn natuur, en we blijven in Hem, opdat we mogen genieten van de bron van de waarheid 21. In Jezus zijn we. Zodoende, dus in Hem, staan wij in verbinding met de volmaaktheden van God.

Opnieuw treft ons hier – wat de hele brief kenmerkt – de manier waarop God en Christus in de gedachten van de apostel verenigd zijn. Daarom zegt de apostel zo dikwijls “Hij”, wanneer wij aan Christus moeten denken, hoewel hij tevoren over God gesproken had: bijvoorbeeld in hoofdstuk drie, vers twee. En hier: “wij zijn in de Waarachtige, (namelijk) in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en [het] eeuwige leven”.

Zie dus de Goddelijke aaneenschakeling van ons standpunt. Wij zijn in de Waarachtige; dit is de natuur van Hem in wie wij zijn. Welnu, in werkelijkheid, wat de natuur betreft is het God Zelf; wat de Persoon betreft en de manier waarop wij in Hem zijn, is het Zijn Zoon Jezus Christus. Wij zijn in feite wat Zijn Persoon betreft in de Zoon, in de Zoon als Mens; maar Hij is de waarachtige God, de ware God.

En dit is nog niet alles; wij hebben het leven in Hem. Hij is ook het eeuwige leven, zodat we dit in Hem bezitten. Wij kennen de waarachtige God, wij hebben het eeuwige leven. Alles wat hierbuiten is, is een afgod. Moge God ons daarvoor bewaren en ons door genade leren onszelf voor de afgoden te wachten! Dit geeft de Geest van God aanleiding om in de twee korte brieven die volgen, over “de waarheid” te spreken.

EINDE 1e BRIEF JOHANNES

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 8.9

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten

1 En dit is moreel erg belangrijk: daar ik mijn vreugde en genot niet vind in mezelf, maar in Hem.

2 Het leven is geopenbaard. Daarom hoeven wij er niet meer naar te zoeken, of er in het duister naar te tasten. We hoeven niet meer op goed geluk te zoeken in onbepaalde richting, of in het duister van ons eigen hart om het leven te vinden. We hoeven ook niet meer vruchteloos te werken onder de wet, om het leven te verwerven. We zien het: het is geopenbaard, het is hier, in Jezus Christus. Wie Christus bezit, bezit dat leven.

3 Men kan zeggen dat Johannes in zijn geschriften spreekt over de Vader en de Zoon als er sprake is van de genade voor ons. Wanneer het gaat over de natuur van God of onze verantwoordelijkheid, zegt hij God. Johannes 3 en 1 Johannes 4 mogen uitzonderingen lijken, maar zijn het niet. Het gaat in die hoofdstukken over wat God is als zodanig, niet over Zijn persoonlijk handelen, of over Zijn betrekking tot óns in genade.

4 Wie Hem gezien had, had de Vader gezien, maar de apostel spreekt hier over een boodschap, en over de openbaring van Zijn natuur.

5 Er staat niet: “heeft gereinigd”, of “zal reinigen”. Het heeft geen betrekking op de tijd van reiniging maar op de krachtige uitwerking van het bloed. Zoals ik zou kunnen zeggen dat dit of dat geneesmiddel de kwaal geneest. Het gaat om de kracht en uitwerking van het bloed.

6 Wanneer de apostel over de zonde spreekt, gebruikt hij de tegenwoordige tijd: “wij hebben”. Als hij over zondigen spreekt, spreekt hij over iets dat vroeger heeft plaatsgevonden: “iemand heeft gezondigd”. Hij neemt het niet als iets vanzelfsprekends aan dat wij voortgaan met zondigen. De vraag is geopperd of de apostel hier spreekt over de eerste keer dat een zondaar tot de Heer komt, of over latere misstappen van een gelovige. Mijn antwoord is: hij spreekt op een abstracte en absolute manier: belijdenis brengt, door genade, vergeving. Als het gaat om de eerste keer dat wij tot God kwamen, is het vergeving; vergeving in volkomen en volstrekte zin. Ik ontvang van God vergeving: Hij gedenkt mijn zonden niet meer. Als het gaat om latere misstappen, dan doet een oprecht hart altijd belijdenis daarvan, en dan is het vergeving met betrekking tot de regering van God, en de tegenwoordige toestand en betrekking van mijn ziel tot Hem. Maar, zoals overal, spreekt de apostel hier op volstrekte manier en stelt hij hét beginsel vast.

7 Het onderwerp is hier de gemeenschap, en daarom wordt er gesproken over daadwerkelijke fouten. In de Hebreeënbrief gaat het, zoals we gezien hebben, over de toegang tot God en zijn wij: “voor altijd volmaakt”. Het priesterschap in de Hebreeënbrief is, opdat wij barmhartigheid ontvangen en hulp; het is niet voor de zonden, behalve het ene grote werk van de verzoening.

8 In de grond zijn deze twee woorden niet verschillend. Vers 7 bevestigt dit: “Dit oude gebod is het woord dat u gehoord hebt”. Het zou volmaakt waar zijn als iemand zou zeggen, dat het gebod het woord van Christus is. Maar ik betwijfel of men zou kunnen zeggen dat het woord het gebod is. En dit doet ons het verschil voelen. De tegenstelling in de verzen 4-5 is merkwaardig; en komt hieruit voort dat we in vers 5 hebben het bezitten van het Goddelijk leven, met het inzicht en het zich volkomen bewust zijn dat men het bezit, in overeenstemming met het woord; terwijl we in vers 4 het gemis van dit leven vinden. Wie zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart is een leugenaar en in hem is de waarheid niet, want die waarheid is slechts wat het woord openbaart. En als wij leven van de natuur, waarvan het woord van Christus de uitdrukking is, en Hem zodoende door het woord kennen, gehoorzamen wij dat woord. Van een andere kant bezien: als wij dit leven bezitten, en deelgenoten zijn van de Goddelijke natuur, is de liefde van God in ons. We hebben dan de geboden van Christus, Zijn woord, de volmaakte liefde van God, een wandel in overeenstemming met de wandel van Christus, de mededeling van het leven van Christus zodat het gebod waar is in Hem en in ons, de wandel in het licht, de liefde tot onze broeders. Wat een rijke keten van zegeningen! Hier lezen we driemaal dat iemand iets zegt; namelijk: ik ken Christus – ik blijf in Christus – ik ben in het licht. Het bewijs dat iemand gerechtvaardigd is om het eerste te zeggen is gehoorzaamheid. Verder, als wij in Christus blijven (wat we weten doordat we Zijn woord bewaren) horen we ook zelf zo te wandelen als Hij gewandeld heeft. Dat de derde bewering waar is wordt bewezen door de liefde tot onze broeder. In het tweede geval, wordt de wandel geheel op de hoogte van de wandel van Christus als onze plicht gehandhaafd: maar deze wandel wordt niet voorgesteld als een bewijs, dat wij in Hem blijven, en dat wij Zijn woord bewaren. Let er op dat er niet staat: “Wij weten dat wij geloven” – dat is hier de vraag niet; maar er staat: “Wij weten dat wij in Hem zijn”.

9 Ik twijfel er niet aan, dat dit de ware betekenis is van Johannes 8:25. “Geheel wat Ik u ook zeg”: In het beginsel van Mijn natuur, in Mijn wezen, ben Ik wat Ik u zeg. Wat Hij zei, was wezenlijk en volkomen wat Hij was. Wat Hij was, is wat Hij zei. Dit leven nu is aan ons meegedeeld; maar het was de liefde van God te midden van mensen en in de mens. En daar dit leven ons leven is, en het woord van Christus er ons de kennis van geeft, wordt Zijn liefde in al haar uitgestrektheid in ons verwerkelijkt als wij het Woord van Christus bewaren.

10 Het is heel leerzaam om te vergelijken wat er staat in Efeze 4:17 tot 5:21. Daar worden deze twee namen van God de enige die gebruikt worden om Zijn natuur te openbaren, ook gebruikt om ons het pad en het ware karakter van de christen te tonen. Alleen is het daar in overeenstemming met wat de Heilige Geest door middel van Paulus meedeelt – dus in overeenstemming met de raadsbesluiten en het werk van God in Christus. In Johannes is het meer de natuur van God.

11 We zullen verderop ook zien, op wat een treffende manier de apostel spreekt over God en Christus, als over één Wezen, of Persoon. Het gaat dan niet om de leer van de twee naturen, maar Christus staat voor de aandacht van de apostel, en in dezelfde zin spreekt hij over Hem eerst als God, dan als de Mens die op aarde is gekomen. In hoofdstuk 2:28: over Hem bij Zijn komst. In vers 29: die de gerechtigheid doet is uit Hem geboren; en wij zijn kinderen van God (3:1). Maar in dit zelfde vers: de wereld heeft Hem niet gekend: nu spreekt hij over Christus op aarde. Hoofdstuk 3:2: nu zijn wij kinderen van God; maar in ditzelfde vers: Hij zal geopenbaard worden; en: wij zullen Hem gelijk zijn. Maar wat dit nog wonderlijker maakt, is, dat wij ook met Hem vereenzelvigd worden. Wij worden kinderen van God genoemd, omdat dit Zijn titel is, en Zijn verhouding tot de Vader. De wereld kent ons niet, omdat ze Hem niet gekend heeft. We weten, dat we Hem gelijk zullen zijn als Hij verschijnt. Wij krijgen dezelfde plaats hier en ook daar (vergelijk hoofdstuk 5:20).

12 Zie voetnoot 11.

13 Johannes gebruikt gewoonlijk het woord “kinderen”, niet “zonen”, daar het duidelijker uitdrukt dat we tot dezelfde familie behoren. Wij zijn als Christus voor God en in de wereld, en zullen het ook zijn als Hij verschijnt.

14 In Romeinen 2:12 vinden we de tegenstelling tussen: zonder wet zondigen en onder (de) wet zondigen of de wet overtreden. Het Griekse woord, dat hier gebruikt wordt, voor zondigen zonder wet, de wetteloosheid, is door sommigen vertaald als: overtreding van de wet, maar dat is precies het tegengestelde volgens Romeinen 2:12. Het is een ernstige fout om deze definitie in vers 4, van wat de zonde is, te veranderen.

15 Hier staat voorop dat wij in Hem blijven, omdat het gaat over de praktijk, de verwerkelijking in een gehoorzaam hart. De apostel gaat er dan verder afzonderlijk over spreken dat Hij in ons blijft, en dat wij dit weten aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft, om ons er daardoor voor te bewaren door boze geesten misleid te worden. In hoofdstuk 4:7 hervat hij het onderwerp van de inwoning in verband met de liefde van God.

16 Let op dat er niet staat: “was”. De Schrift zegt nergens, dat Hij de schoot van de Vader heeft verlaten. Maar wel: De eniggeboren Zoon, die in de schoot van de Vader is. Zo kent Hij God, en zo openbaart Hij Hem op aarde.

17 Dit laat ons ook het verschil zien tussen het evangelie en de brief van Johannes, in hun hoogste kenmerk en onderwerp.

18 De enige uitdrukking in de Schrift, die hier enigszins op lijkt, is in 1 en 2 Thessalonika 1:1: “aan de gemeente van [de] Thessalonicenzen in God [de] Vader”. Hier wordt een talrijke gemeenschap aangesproken en heeft de uitdrukking een heel andere betekenis.

19 Rechtvaardigheid en heiligheid veronderstellen een betrekking tot andere dingen; ze veronderstellen het kennen van het kwade, het verwerpen van het kwade, en het oordeel. Liefde, hoewel bewezen aan anderen, is wat God is in Zichzelf. De andere naam van het wezen van God is “Licht”. Van ons staat geschreven dat we “licht zijn in de Heer”, als deelgenoten van de Goddelijke natuur, maar niet “liefde”, want hoewel liefde de Goddelijke natuur is, is liefde vrijmachtig in genade. Daarom kan van ons niet gezegd worden, dat wij liefde zijn (zie Efeze 4-5.).

20 Dit was ook het geval bij het ontvangen van de Heilige Geest (zie Handelingen 2:38).

21 Ik heb al op deze tekst gewezen als een soort sleutel voor de manier, waarop wij God werkelijk kennen, en in Hem blijven. De tekst spreekt over God, als degene die wij kennen, en in wie wij zijn; en verklaart dit door te zeggen dat het is in Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer. Alleen gaat het hier om de waarheid en niet om de liefde, zoals uit het vervolg blijkt.