06. Deuteronomium
06. Deuteronomium · uit de ‘Synopsis’ deel 1 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Inhoud
- Inleiding
- Hoofdstuk 1-4
- Hoofdstuk 5
- Hoofdstuk 6
- Hoofdstuk 7
- Hoofdstuk 8
- Hoofdstuk 9
- Hoofdstuk 10
- Hoofdstuk 11
- Hoofdstuk 12
- Hoofdstuk 13
- Hoofdstuk 14
- Hoofdstuk 15
- Hoofdstuk 16
- Hoofdstuk 17
- Hoofdstuk 18
- Hoofdstuk 19
- Hoofdstuk 20
- Hoofdstuk 21
- Hoofdstuk 22
- Hoofdstuk 23
- Hoofdstuk 24
- Hoofdstuk 25
- Hoofdstuk 26
- Hoofdstuk 27
- Hoofdstuk 28
- Hoofdstuk 29
- Hoofdstuk 30
- Hoofdstuk 31
- Hoofdstuk 32
- Hoofdstuk 33
- Hoofdstuk 34
Inleiding
En nu zijn we gekomen tot Deuteronomium. Dit boek is heel waardevol om zijn morele vermaningen met betrekking tot het getuigenis. Maar het geeft ons tegelijkertijd minder onderwerpen voor uitleg en verklaring dan de boeken waarvan we tot nu toe geprobeerd hebben een overzicht te geven.
In het boek Deuteronomium vinden we Israël aan de grens van Kanaän en we zien hoe er bij dit volk op aangedrongen wordt zijn relaties met God in getrouwheid te handhaven en aan Zijn geboden te gehoorzamen. Alleen op deze voorwaarde kan het het land binnengaan en er zich staande houden. Hieraan worden dan waarschuwingen toegevoegd ten aanzien van de gevolgen van ongehoorzaamheid. Dit boek geeft in het algemeen de historische toestand van het volk weer. Dus niet de typische vormen, die de gedachten van God voorstellen, zoals we ze hebben kunnen vinden in de boeken die we tot nu toe hebben onderzocht.1 Na een terugblik te hebben geworpen op de geschiedenis van de woestijnreis, houdt het zich hoofdzakelijk bezig met de orde in Israël, als het zonder aards hoofd, maar alleen aan God onderworpen, in het land zal zijn. Het is verantwoordelijk in gehoorzaamheid te wandelen, met alleen God als hun koning en bestuurder. Daarom is het alleen op voorwaarde van gehoorzaamheid in het genot van het beloofde land. Maar feesten en dergelijke verordeningen wijzen vooruit naar het duizendjarig vrederijk. In het laatste deel vinden we het onderscheid tussen het bezit van het land onder de voorwaarde van wettische gehoorzaamheid, en de genade die haar voornemens vervult ondanks het volkomen falen van het voorwerp van de genade, definitief voorgesteld.
Het boek kan in drie gedeelten worden gesplitst. De eerste elf hoofdstukken vestigen de bijzondere aandacht op gehoorzaamheid, terwijl ze verschillende beweegredenen geven om het volk tot die gehoorzaamheid te brengen. Dan volgen tot aan het eind van hoofdstuk 29 de diverse geboden, waaraan – als bekrachtiging – de gevolgen van de gehoorzaamheid zijn toegevoegd, en ook de vloek over hen die niet gehoorzamen. Van hoofdstuk 30 tot aan het einde vinden we de toekomende dingen, de zegening van het volk en de dood van Mozes.
Maar deze verdeling vraagt om nadere bespreking, die ons veel zal helpen het boek te verstaan. Het eerste deel geeft een overzicht van de geschiedenis van het volk, en wel als gegrond op de eenheid van een onzichtbare God, en hun verplichting aan Jahweh, Die hen door verlossing had geroepen om met Hem te zijn. Dit eindigt met hoofdstuk 4, waar drie steden worden aangewezen voor de twee en een halve stam. Mozes kan het land niet ingaan; Jahweh hun God is een ijverig God. Ze zijn geplaatst onder het verbond van Sinaï, maar Hij is een genadig God, en in al hun verdrukking kunnen ze zien op de God van hun vaderen.
In hoofdstuk 5 wordt heel Israël geroepen om te horen wat hun tegenwoordige plaats is, en gesteld te worden op de grond van het verbond van Sinaï – om dat na te leven in het land waar ze binnengingen om het in bezit te nemen. Het land was beloofd, maar ze kregen het onder het verbond van wettische gehoorzaamheid, op grond van de bevrijding uit Egypte door Jahweh. Ze moesten uitsluitend Hem dienen en Hij was een ijverig God. Ze moesten geen enkele verbinding hebben, in welke vorm ook, met de volken die in het land werden gevonden. Verder hebben we de voorwaarden van het bestuur in genade, hoewel toch in gerechtigheid, geopenbaard in de tweede beklimming van de Sinaï door Mozes. Dus hebben we het bestuur van God – rekening houdend met Zijn wegen; en zo het karakter van hun wegen en hun doel (hoofdstuk 8). Als ze geen acht zouden geven, zouden ze omkomen. Dit leidt ertoe hun in herinnering te brengen hoe ze altijd hadden gefaald in de hele woestijn, zodat ze door deze herinnering tot verootmoediging gebracht werden. Er wordt herinnerd aan het tweede besturend verbond, en de liefde van de Heer, die hen ondanks hun herhaaldelijke falen, uit louter genade had verkozen en hen zo rijk had gezegend. Ze moesten hun harten besnijden om Hem, en Hem alleen, te dienen: een enige uitsluitende (exclusieve) God, en een God van regering. Alles wordt vermanend opgesomd in hoofdstuk 11. Ze gingen over de Jordaan en moesten daar alles wat geboden was bewaren. Hier worden Ebal en Gerizim naar voren gebracht. Tot het eind van hoofdstuk 4 is het Israël aan de andere zijde van de Jordaan, in hoofdstuk 5 in het land. Het eerste deel laat ons de ene onzichtbare Jahweh van Horeb zien, ijverig maar genadig, en Zijn wegen met Zijn volk in het algemeen daaraan beantwoordend; het tweede het verbond van de tien woorden met Jahweh, en Zijn regering op de basis van hun verantwoordelijkheid.
Van de eerste elf hoofdstukken vormen de eerste vier dus een tamelijk afzonderlijk gedeelte.
Wat ons in de eerste hoofdstukken treft, is de moeite die Jahweh Zich getroost om dit arme volk alle mogelijke redenen voor te houden om het tot gehoorzaamheid te bewegen, zodat het zo gezegend zou kunnen worden. Dit alles – wat op z’n minst het hart had moeten raken – diende er, helaas, alleen maar toe de hardheid van het hart te laten zien en te bewijzen, dat de mens alleen maar gezegend kan worden als God hem een nieuw hart geeft. We vinden in het hoofdstuk dat het tweede deel van deze aansporingen tot gehoorzaamheid afsluit, de woorden “Maar de HEERE heeft u geen hart gegeven om dat te erkennen, of ogen om te zien, of oren om te horen, tot op deze dag” (hoofdstuk 29:4).
De eerste twee afdelingen van Deuteronomium zijn dus, van al de boeken van Mozes, het meest echt voorwaardelijk.
Hoofdstuk 29 – het laatste hoofdstuk van het tweede onderdeel – eindigt daarom met deze woorden: “De verborgen dingen zijn voor de HEERE, onze God, maar de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen, tot in eeuwigheid, om al de woorden van deze wet te doen”.
De volgende hoofdstukken doen dit nog meer uitkomen, als ze de verborgen dingen ontvouwen die moesten gebeuren als het volk volkomen tekortgeschoten zou zijn in het gehoorzamen aan de wet. Hoofdstuk 30 – en nog opmerkelijker hoofdstuk 32 – laat ons dit zien, als het spreekt over de gerechtigheid door het geloof. De bespreking over de gerechtigheid door de wet wordt in hoofdstuk 29 afgesloten, terwijl hoofdstuk 30 het volk in een toestand veronderstelt, waarbij het verkrijgen van gerechtigheid door de wet onmogelijk is en waarbij het alleen maar om de geest en het doel van de wet in de raadsbesluiten van God gaat.
Welnu, Christus was het einde van de wet, en dit verklaart de Apostel in Romeinen 10 uit dit Schriftgedeelte. Het is ook belangrijk te zien, dat de Heer altijd het boek Deuteronomium aanhaalt, als Hij Satan antwoordt. Hij plaatst Zich op de ware grond, waarop Israël zich bevond om het land te bezitten en te bewaren. Want Hij was niet alleen de getrouwe Mens, maar ook de Jood, de ware “uit Egypte geroepen Zoon”, Die – wat Zijn getrouwheid betreft – beproefd werd in de omstandigheden, waarin het boek Deuteronomium het volk had geplaatst.
Hoofdstuk 1-4
Laten we de eerste hoofdstukken iets nader onderzoeken. Ze laten ons de moeite zien die de Geest Zich gegeven heeft om het volk alle beweegredenen voor te houden die het ertoe konden brengen in getrouwheid de weg te gaan die het nu open voor zich zag. Het boek begint met het verhaal van wat er gebeurd was, sinds het verblijf van de Israëlieten bij de Sinaï. Mozes herinnert hun aan het gebod dat hun gegeven was, die plaats te verlaten en zich naar het gebergte van de Amorieten te begeven en het land binnen te gaan om het te bezitten 2. Ze komen eraan. Maar ontmoedigd door de verspieders willen ze de berg niet beklimmen. Daarna probeert men het zonder God te doen, maar ze worden door de vijanden verslagen. Als ze dan Ezau en Moab voorbij trekken, geeft God hun het land van Sihon en Og.
We lezen hier ook, dat het zenden van de verspieders, hoewel goedgevonden door God, het resultaat was van het ongeloof onder het volk – een leerzame les. God kan in Zijn wegen – Zijn regering – een in menselijke ogen wijze weg toelaten, en tot op zekere hoogte bekrachtigen, die daarna toch de vruchten draagt van het ongeloof waaruit die voortgekomen is. In één woord: Mozes vertelt hun in het algemeen wat er gebeurd is tijdens hun reis die tot doel had hun ingaan in het land, dat ze in bezit moesten nemen. Met andere woorden, hij stelt hun het geduld en de goedheid van God voor.
Terwijl hij de Israëlieten Horeb in herinnering brengt, legt hij de nadruk (hoofdstuk 4) op het voorrecht, waarvan ze in de nabijheid van God genoten hadden. God Zelf had – terwijl ze geen enkele gestalte zagen – uit het midden van het vuur tot hen gesproken. En het gezag van Zijn Woord, haar Majesteit, sloot daarom elke gedachte aan afgoderij uit. Hij laat hun zien, hoe alle verantwoordelijke mannen, ten gevolge van hun ongeloof waren omgekomen; hoe hijzelf (Mozes) niet in dit goede land zou kunnen ingaan. Hoe God een ijverig God is, een verterend vuur, en dat, als ze enig gesneden beeld maakten, ze geheel zouden omkomen uit het land dat ze op het punt stonden in te gaan, en verstrooid zouden worden onder de volken en daar gelaten worden, om de goden te dienen die ze hadden liefgehad. Maar hij vertelt hun ook, dat ze God zouden vinden als ze Hem met heel hun hart zochten, want Hij is een barmhartig God, Die hen nooit aan hun lot zou overlaten. Ten slotte voegt hij er nog aan toe dat, als de Sinaï de luister en de glans van Zijn Majesteit geweest is, het even waar is dat deze God van Majesteit Zich nooit anders had verwaardigd zo dicht bij een volk te komen, dat uitverkoren en geroepen was ter wille van de vaderen. Dit is de grond van de regering van het volk.
Mozes zondert van het land, dat Israël aan deze zijde van de Jordaan veroverd had, drie vrijsteden af, als een teken van bezit van Gods kant. Deze vier hoofdstukken vormen een inleiding.
Hoofdstuk 5
In dit hoofdstuk herinnert Mozes het volk aan de tien geboden, die op Horeb gegeven zijn. Men kan opmerken dat de bevrijding uit Egypte de beweegreden is die hij voor de sabbat geeft, en niet de rust van God na het werk van de schepping. Het werd een teken van Zijn verbond met Israël (vergelijk Ezechiël 20). Deze waren de grondslag van een vast verbond, en zoals we gezien hebben, bestuurt God Zijn volk in het land van de belofte naar hun verantwoordelijkheid, als een naijverig God. Barmhartigheid buiten de wet zien we alleen in hoofdstuk 30. Er was barmhartigheid geweest (hoofdstuk 10), in het opnieuw geven van de wet, en in het plaatsen van hen onder verschonende barmhartigheid. Deze hoofdstukken geven ons de grote beginselen van Gods regering in het land. De hoofdstukken 12 tot 29 geven de voorwaarden daarvoor.
Hij herinnert hen aan hun vrees in de tegenwoordigheid van Jahweh.
Hoofdstuk 6
Hij nodigt hen in hoofdstuk 6 uit, God met heel hun hart lief te hebben, en spoort hen aan in alle omstandigheden aan Zijn Woorden te denken, en ze te bewaren als ze het land zouden bezitten, en niets met andere goden te doen te hebben.
Als ze hun vijanden zouden hebben verdreven, zoals Jahweh hun had gezegd, en hun kinderen zouden vragen wat die inzettingen betekenden, dan moesten ze hun de bevrijdingen en de tekenen vertellen, die in Egypte gewerkt waren.
Hoofdstuk 7
Ze moesten elk spoor van valse goden voorgoed wegdoen, omdat ze een heilig volk van Jahweh waren. En dit laatste niet op grond van hun eigen belangrijkheid, maar door de uitverkiezing en de liefde van God. Mozes verzekerde hen, dat hun getrouwheid ook het middel tot de zegening zal zijn. Want God zou hen naar hun wandel belonen. Na al de tekenen die ze hadden gezien, hoefden ze de volken niet meer te vrezen. Zo waren ze een voor Jahweh afgezonderd volk. Wat Hem betrof, was alles soevereine genade; een onwankelbare getrouwheid. En wat hen betrof was de grond waarop ze stonden het bestuur van God; vanuit dit oogpunt hing alles af van hun vasthouden aan Jahweh en getrouwe gehoorzaamheid.
Hoofdstuk 8
In hoofdstuk 8 worden de leerzaamste en aangrijpendste woorden gesproken over de zorg van God voor de Israëlieten, terwijl Hij hen in afhankelijkheid bewaarde, en het doel dat Hij had, om hen met Zijn zorgen te omringen, herinnert de trouwe leider van het volk de Israëlieten er ook aan, waarom God die wegen met hen ging gedurende het doortrekken van de woestijn 3. En hoe Hij hen verootmoedigd en geoefend had, uit vrees dat het genot van de zegeningen van het goede land waarin Hij hen zou gaan invoeren, hen hoogmoedig en trots zou maken. (Het was immers God, Die hun de kracht had geschonken deze rijkdommen te verwerven!). Want anders zou God hen vernietigen, zoals Hij ook de volken had vernietigd.
Hoofdstuk 9
In hoofdstuk 9 brengt Hij hun aan de andere kant hun voortdurende verdorvenheid in herinnering, om hun te laten zien, dat het niet was op grond van hun gerechtigheid, maar op grond van de slechtheid van de volken, dat God deze laatsten voor hen verdreef 4.
Hoofdstuk 10
In hoofdstuk 10 past Mozes dit op hen toe en herinnert hen eraan dat God de tafels van de wet vernieuwd had om hen te bewegen tot gehoorzaamheid, tot het besnijden van hun harten en tot het tonen van een geest van genade tegenover de vreemdelingen. Ook herinnert hij hen eraan hoezeer God hen vermenigvuldigd heeft, sinds ze als vreemdelingen naar het land van Egypte waren afgekomen.
Hoofdstuk 11
Dan brengt hoofdstuk 11 de oordelen over de Egyptenaren en die over Dathan en Abiram in herinnering en openbaart hun de schoonheid en voortreffelijkheid van het land, waarin ze zouden gaan; een land, waarop de ogen van Jahweh voortdurend rustten 5. Ten slotte plaatst Mozes de zegening en de vervloeking voor hun aandacht, die ze in overeenstemming met hun gedrag te verwachten hadden, als ze in het land zouden zijn gebracht en nodigt hen uit de geboden van Jahweh nauwkeurig te houden en ze aan hun kinderen te onderwijzen. En hij voegt eraan toe dat ze dan in staat zouden zijn het land in bezit te nemen naar de gehele uitgestrektheid van de belofte. Maar hier hangt alles af van hun gehoorzaamheid aan dit voorwaardelijk verbond dat hen had gemaakt tot het volk van Jahweh, aan Wie zij nu uitsluitend toebehoorden. Vrije, herstellende genade komt niet vóór hoofdstuk 30.
Hoofdstuk 12
Met hoofdstuk 12 begint de tweede afdeling. Ze bevat de voorschriften en inzettingen, die ze in acht moesten nemen. Het is geen herhaling van wat vroeger gegeven was, maar die voorschriften, die in het bijzonder in het land in acht moesten worden genomen, opdat ze zich daaraan zouden houden en gezegend konden worden. Het is een verbond, dat toegevoegd werd aan wat voorheen gezegd was. Men zou het ook kunnen noemen, de voorwaarden van hun verbinding met God en van het genot van Zijn beloften. (Zie hoofdstuk 29:1).
De inzettingen komen in het algemeen hierop neer, dat ze een volk waren dat aan Jahweh behoorde, en dat ze elke andere relatie moesten opgeven om Hem toe te behoren. En bovendien, dat ze zich moesten hoeden voor alles wat hen ertoe zou kunnen brengen zulke relaties aan te gaan, of zich te verontreinigen in de relaties die ze met Jahweh hadden. Tegelijkertijd zijn deze aanwijzingen gegeven, om deze relaties tot in de kleinste bijzonderheden te handhaven. Eén ding kenmerkt dit gedeelte vooral: een bepaalde plaats waar Jahweh Zijn Naam wilde doen wonen en waarheen zij moesten gaan voor aanbidding. Maar dit alles wordt in het gehele boek als een kwestie rechtstreeks tussen het volk en God behandeld. De priesters worden in het algemeen alleen genoemd als voorwerpen van de zorgen van het volk, als het in het land zal zijn ingegaan, in overeenstemming met de inzettingen die tevoren gegeven waren. Het volk moet zich ten opzichte van hen op de een of andere manier gedragen. Maar de relaties tussen het volk en God zijn hier van rechtstreekse aard.
Het eerste beginsel dat we vinden om deze relaties te bevestigen, is de keuze van een plaats, die het middelpunt zal worden van deze relaties. Naar deze plaats moeten ze met al hun offeranden komen. Elders zullen ze vlees kunnen eten maar zonder het bloed. Maar de gewijde dingen mogen alleen op de door God uitgekozen plaats gegeten worden. De Levieten mochten ze niet vergeten. Ze zullen zelfs niet mogen vragen naar de wegen van hen, die uit het land waren verdreven.
Hoofdstuk 13
Als een profeet een of ander teken of wonder zou doen om daardoor de Israëlieten te verleiden andere goden te dienen, of als een bloedverwant, of een zeer geliefde hen ertoe zou aansporen, dan moesten deze mensen ter dood gebracht worden. Als mensen uit een stad, welke dan ook, zo zouden handelen, moest de gehele stad tot een steenhoop gemaakt worden. Ze mochten met niemand anders relaties onderhouden dan met de ware God en niets verdragen wat een valstrik kon worden, om hen aan een ander te verbinden.
Hoofdstuk 14
God verbiedt het volk – omdat ze kinderen van Jahweh hun God waren – de onheilige gebruiken na te volgen, die voor de afgodendienaars de tekenen van toewijding waren aan de onreine wezens die ze aanbaden. God had Israël voor Zich uitverkoren. Israël mocht zich niet meer bezoedelen door gruwelijke dingen te eten. Het was een heilig volk.
De tienden en alle eerstelingen moesten aan God geofferd worden. Nadat deze zo gewijd waren, kon ieder ze eten, op de plaats die God verkoren had om Zijn Naam daar te doen wonen. Hetzelfde gebod was gegeven (12:5-18) in verbinding met de plaats waar deze dingen gegeten moesten worden, met de toevoeging, dat de kinderen, dienstknechten en dienstmaagden eraan moesten deelnemen. En dit had ook betrekking op de geloften, op de vrijwillige offers en op de hefoffers. Deze voorschriften zijn heel opmerkelijk 6.
Er wordt nog een ander voorschrift aan toegevoegd, dat men aan het eind van hoofdstuk 14 aantreft. De tienden van het derde jaar moesten thuis bewaard worden, en de Leviet, de wees en de vreemdeling moesten komen om ervan te eten. Wie zo zou handelen, zou door Jahweh gezegend worden in al het werk van zijn handen.
Hier was alles geheiligd, want het was aan Jahweh aangeboden. Men erkende op deze wijze aan de ene kant, dat het volk Hem toebehoorde, en aan de andere kant, dat alles waarvan het volk genoot, van Hem was. Maar door Hem terug te geven wat Hij had gegeven, genoot de Israëliet – en ook zijn hele familie – in gemeenschap met God, van de dingen die gemeenschappelijk van God en het volk waren; van de dingen, die door Hem gegeven en aan Hem aangeboden waren en waarvan men in Zijn tegenwoordigheid – en in gemeenschap met elkaar – genoot. God Zelf nam er aan deel, want alles was Hem aangeboden.
Men vindt hier geen priesters, die een weg openen opdat het volk tot God kan naderen, want God was door het offeren geëerd. Hij genoot van de vroomheid van het volk en het volk zelf offerde met blijdschap. Voor het aangezicht van God gezeten, in de blijdschap van Zijn gemeenschap, als aan dezelfde tafel. Dat was de positie van het volk dat van het voorrecht genoot.
In het geval van de tienden van het derde jaar, gaat het niet meer om de familieblijdschap van het volk met God, maar om de genade, die vreugde brengt aan hen, die vreemdelingen zijn, of in nood, en aan de dienstknechten van God die geen erfdeel bezitten. En dit gebeurde binnen hun poorten. Zij hadden het voorrecht van de zijde van de Heer in genade te handelen, door aan Zijn armen mee te delen wat zij van Hem hadden ontvangen. De Israëliet ging niet naar het huis van Jahweh, maar hij nodigde de weduwe, de wees en de Leviet uit in zijn eigen huis om zich te verblijden en Jahweh zegende hem. De directe relaties van het volk met God, als in een familiegemeenschap en in genade, zijn hier heel opmerkelijk. De priesters worden niet genoemd. De Levieten zijn de voorwerpen van de vrijgevigheid van het volk, als degenen die geen erfdeel bezitten (vergelijk 12:19).
Hoofdstuk 15
Dit hoofdstuk leert elk lid van het volk met vrijgevigheid en genade aan zijn arme broeders te denken. Dit werd hun overigens verzekerd door het sabbatjaar van de vrijlating, dat betrekking had op de schulden en op de Hebreeuwse slaven. De afhankelijkheid van hem, die zo Jahweh in Zijn armen eerde, was op God gericht, Die degene die op deze wijze naar Zijn gebod handelde, zou zegenen, want zij die gebrek hadden, waren Zijn armen.
Hoofdstuk 16
In dit hoofdstuk wordt het volk geplaatst, door de plechtigheden waarin Jahweh Zijn volk om Zich verenigt, in verbinding met de troon van Jahweh in Jeruzalem. Het is gezegend en gelukkig in de bevrijding, die door Jahweh – onder Zijn regering – aan hen gegeven is. Dit hoofdstuk laat ons drie grote feesten zien: het Pascha, het Pinksterfeest en het Loofhuttenfeest. Elk van deze geeft aanleiding tot enkele opmerkingen.
Het Pascha herinnert aan de verlossing, maar dan aan de verlossing uit de slavernij van Egypte 7. Voor ons is dit de bevrijding van de zonde, en van de macht van Satan. De ongezuurde broden (de waarheid in de innerlijke mens, Psalm 51:8) zijn hier de broden van ellende (verdrukking). Het erkennen van Christus, of het toepassen van Christus op het hart, houdt altijd iets bitters in, al gaat dit alles – als het de vorm aanneemt van berouw – gepaard met bevrijding en heil. (En dit is het geval als het erom gaat de bevrijding te herdenken.) Het is dus niet de blijdschap, die hier op de voorgrond treedt. Overhaast, door de machtige arm van God, heeft men Egypte verlaten. En als men blij is, dan is dit alleen omdat men ontkomen is. Men voelt ook, dat het alleen door de macht van God mogelijk was, en is zich bewust van de toestand, die tot dit alles aanleiding heeft gegeven. Het volk at het Pascha gedurende de nacht, en ’s morgens keerde ieder naar zijn tent terug. Men keerde naar huis, zich bewust van de goedheid van God en ook hiervan, dat het een bevrijding was van het kwaad, waarin men door eigen schuld en tot eigen ondergang was geweest.
De heiligheid wordt hier voorgesteld in de vorm van het bewustzijn en oordeel van de zonde – in bekering en bevrijding van de macht van het kwaad. Dit was plicht, want men waagt het niet meer in het kwade te blijven. Als er in het huis zuurdeeg werd gevonden, werd men uit Israël uitgeroeid, terwijl deze heiligheid in zichzelf de blijdschap van de verlosten was. Het volk was verplicht het Pascha te offeren, te braden en te eten op de plaats, waar God Zijn Naam zou doen wonen. God verzamelde het volk rondom de plaats van Zijn Woning en verbond het met Zijn Naam en met Zich Zelf 8. Hun nationaliteit en al hun ervaringen werden aan de eredienst van Jahweh verbonden. Dit was een andere waarborg tegen de afgoderij (verzen 5-7).
Na verloop van zeven weken, moest het volk zich opnieuw rondom Jahweh vergaderen. Men telde de zeven weken vanaf het ogenblik dat men met de sikkel het staande koren ging bewerken, dus vanaf de dag dat men op het land de vruchten van het beloofde land begon te oogsten. Men wachtte de volmaakte tijd van het werk van God af. Dit feest werd vóór alles gekenmerkt door het feit, dat ieder een vrijwillig offer gaf, in overeenstemming met de zegening, waarmee Jahweh zijn God hen gezegend had. Dit beeld stelt ons de Heilige Geest voor en de uit Hem voortkomende zegening. Het is niet alleen de verlossing, maar ook de kracht van de dingen die er het gevolg van zijn. Echter niet in zijn volheid, want het waren alleen de eerstelingen, die aan God werden geofferd. De offerande van deze eerstelingen aan God, is het gevolg van de macht van de Heilige Geest. Ze stellen ons het overblijfsel van Israël voor, historisch gezien in het begin van het Christendom, op grond van de verlossing en van het nieuwe verbond. Maar in werkelijkheid zijn de Christenen zelf de eerstelingen van de schepping van God. Maar de gevolgen van het werk van de Heilige Geest, het gevolg van Zijn tegenwoordigheid in het algemeen, is het, wat dit feest karakteriseert.
Bij het Paasfeest wordt niet gesproken over vrijwillige offeranden. Men at in haast en keerde terug naar zijn tent. Maar de Heilige Geest heeft het vernieuwde hart gewillig gemaakt. En in overeenstemming met het genot van de vruchten van de belofte, naar de mate van de zegening van de Geest van God, kan en wil dit hart aan God de eerstelingen van het hart, ja, van alles wat Hij ons gegeven heeft teruggeven. Daarom moesten de Israëlieten zich in de tegenwoordigheid van Jahweh hun God verblijden, en dit begeleidt altijd deze vrijwillige vruchten van de Heilige Geest.
De vruchten van de genade en van de Geest openbaren zich in blijdschap en genade 9. De zegening openbaart zich in de geest van zegening, in de blijdschap en de goede wil van de genade. Gezegende en kostbare gevolgen! Blijdschap en de wens om anderen verblijd te zien, komen voort uit de genade, die gekend wordt naar de kracht van de Geest van God.
Zo moesten zich de aanbidder, zijn zoon, zijn dochter, zijn dienstknecht en zijn dienstmaagd, de Leviet die in zijn poorten was, de vreemdeling, de wees en de weduwe, gezamenlijk verblijden, in de plaats waar Jahweh Zijn Naam deed wonen. God omringde Zich met blijdschap – een vrucht van de genade en van Zijn zegening.
De herinnering zelf slaaf te zijn geweest, moest het hart van Israël wel raken en op zijn gedrag van invloed zijn, terwijl het begrip van de genade, die hem verlost had – toen hij in dezelfde omstandigheid verkeerde – hem wel moest bewegen in genade te handelen ten aanzien van zijn eigen slaven. Tegelijkertijd wordt het volk aangespoord de voorschriften van God in acht te nemen. Want de tegenwoordigheid van de Heilige Geest leidt ons – terwijl Hij ons vreugde geeft – tot waakzaamheid en gehoorzaamheid. We genieten van het onderpand en van de eerstelingen voor het aangezicht van God. Maar het is nog hier beneden, waar deze waakzaamheid en zelfveroordeling noodzakelijk zijn.
Als de koren- en wijnoogst bijeengebracht zijn – dat is als God de Zijnen tot Zich verzamelt, ze in Zijn voorraadschuur geborgen en Zijn vijanden in de wijnpers getreden zal hebben – komt het Loofhuttenfeest, waarvan we zeker nog geen tegenbeeld (antitype) hebben gezien. Hoewel al hun gevolgen nog niet voltooid zijn, hebben het Pascha en het Pinksterfeest hun vervulling gehad, wat de gebeurtenissen betreft die zij voorstellen. Maar het Loofhuttenfeest heeft nog geen vervulling gehad. Dit zal plaatsvinden als Israël, na het einde van deze bedeling – hersteld in zijn land – op een volkomen wijze van de vervulling van de beloften van God zal genieten. Daarom komt de blijdschap hier op de eerste plaats, terwijl in wat de aanwezigheid van de Heilige Geest op aarde voorafschaduwt, het vrijwillige offer de eerste plaats inneemt. Het feest moest gedurende zeven achtereenvolgende dagen gehouden worden. Dit is de volle en voleindigde blijdschap. Dus niet naar de mate van de zegening, zoals op het Pinksterfeest, maar omdat God de Israëlieten gezegend heeft in al het werk van hun handen. Daarom konden ze niet nalaten zich te verblijden. De geest van deze dag behoort ons toe, hoewel de vervulling ervan nog niet heeft plaatsgevonden 10.
Er is een blijdschap, die zich in ons openbaart, in overeenstemming met de mate van de tegenwoordige werking van de in ons wonende Heilige Geest. Een vreugde, die waakzaamheid en het bewandelen van de smalle weg van ons vraagt, en waarbij de herinnering aan onze vorige toestand de geest van genade ten aanzien van anderen in ons versterkt. En hierdoor wordt de tegenwoordigheid van Jahweh in het bijzonder gekenmerkt.
Het hart kent ook een blijdschap in verbinding met dingen, die nog niet vervuld zijn, een blijdschap die betrekking heeft op de tijd van rust, waarin het werk zal zijn beëindigd en waarin geen behoefte zal zijn aan waakzaamheid, noch aan de herinnering van onze vroegere ellende, om ons te noodzaken onze zegeningen met anderen te delen. Het feest zelf zal voldoende zijn voor de blijdschap van allen. “Verblijd u op uw feest” (vers 14). Ten slotte herinnert Jahweh aan het grote beginsel van deze drie feesten, namelijk het driemaal per jaar verschijnen voor het aangezicht van Jahweh, terwijl men Hem offeranden brengt.
Met vers 18 van dit hoofdstuk begint een nieuw onderwerp: de zorgen en de werktuigen, die gebruikt worden om de zegening te bewaren en de oordelen die daartoe noodzakelijk zijn, te kunnen uitvoeren. De gedachte is altijd, het volk in verbinding met Jahweh alleen te bewaren. Ze moesten rechters en beambten in hun poorten aanstellen. Wat tot de zogenaamde afgodendienst zou leiden, was verboden. Wie de Israëlieten daartoe zou verleiden, moest worden gestenigd.
Hoofdstuk 17
Als een zaak te moeilijk was om daarover een oordeel uit te spreken, moesten de priesters en de rechters daarvan kennis nemen en het volk was verplicht hun te gehoorzamen.
Er wordt voorzien in het geval dat het volk een koning wenste. Hij moest uit het volk zijn. Hij mocht niet zó handelen, dat het volk verbindingen met Egypte zou onderhouden, of tot afgodendienst zou worden verleid, maar hij moest met eigen handen een afschrift schrijven van het boek van de wet en al de dagen van zijn leven daarin lezen, opdat zijn hart zich daaraan zou onderwerpen, en zich niet boven zijn broeders verheffen.
Hoofdstuk 18
Het deel van de priesters en dat van de gehele stam Levi wordt aangewezen. Het is verboden de gruwelen van de volken die het land bewoonden te leren doen; die zouden juist om deze gruwelen van voor het aangezicht van Israël verdreven worden. Ook was het verboden degenen, die zich met waarzeggerij bezighielden, te raadplegen. Jahweh zou een profeet – aan Mozes gelijk – verwekken, naar wie het volk zou moeten horen. Door deze voorschriften wordt bij het volk voorzien in het gebrek aan geloof, geloof dat zo noodzakelijk is om in eenvoudigheid met Jahweh te wandelen. Alleen Christus is het ware en enige antwoord. Het volk moest geen profeet vrezen, die een teken zou geven, dat niet bewaarheid werd. Dat laatste zou het bewijs zijn, dat Jahweh niet had gesproken.
Hier nog een enkel woord over het deel van de priesters.
De normale toestand van het volk was: geleid te worden door de priesters, en in noodgevallen door rechters die op een buitengewone wijze waren geroepen, en onder de hoede van God in het land te blijven, terwijl het van Zijn zegeningen genoot. Dit was, zoals het gewoonlijk genoemd wordt, theocratie (dus een regering van Godswege, waarbij God als onmiddellijk Bestuurder optreedt). De wetten van God leidden het volk, het genoot van Zijn zegeningen. Over vraagstukken, die zich voordeden, namen de priesters een beslissing. Een rechter werd aangesteld voor heel bijzondere gevallen.
De priesters worden hier genoemd, in verbinding met wat noodzakelijk was voor het bezitten van het land, en dus niet als een middel om tot God te naderen. Ze waren daar om hun bediening voor het aangezicht van God te vervullen en ze hadden recht op een bepaald deel. Er wordt alleen over een koning gesproken, voor het geval dat het volk om een koning zou vragen, om zo gelijk te worden aan andere volken. Deze koning moest dan zo eenvoudig mogelijk blijven in het midden van Israël, opdat de wet van God haar volledig gezag zou uitoefenen. Het volk wordt altijd gezien als zelf verantwoordelijk voor God, en kan onder deze verantwoordelijkheid van het land genieten, hoewel het om deze reden aan de beslissingen van de priesters onderworpen was. Het had het land van God ontvangen. Het gaat er hier niet om tot Hem te naderen, maar om Zijn bevrijding en goedheid te erkennen, zoals men dit ziet in de feesten, waarover we een beschouwing hebben gegeven.
Zo at hij, die opging naar de plaats die Jahweh had uitverkoren, met zijn familie en soms ook met de Leviet, de vreemdeling, enzovoort de tienden 11 van elk jaar (in het derde jaar was een deel ervan voor de Leviet en de arme), de eerstgeborenen van het vee en van de kudde, de geloften, de vrijwillige offers en de hefoffers, voor het aangezicht van Jahweh. Dus, terwijl hij dit alles aan Jahweh offerde, had de offeraar deel aan de vreugde ervan (zie hoofdstuk 14:23, 28,29; 12:7,11,12,17), terwijl in hoofdstuk 18 de priester een bepaald deel van het offer had, de eersteling van het koren, van de wijn en van de olie en de eerstelingen van de vacht van de schapen.
Het eerste deel van deze voorschriften is des te opmerkelijker omdat in Numeri 18 de eerstgeborenen 12, de hefoffers, al de soorten van zondoffers en de spijsoffers, aan de priesters en de tienden aan de Levieten gegeven worden. Men kan het verschil opmerken tussen wat in Deuteronomium 18 aan de priesters en wat in Deuteronomium in het algemeen, aan het volk wordt gegeven om te eten vóór Jahweh, met wat in de voorafgaande boeken het deel van de priesters was. Het verschil in positie hebben we al aangeduid.
In de drie voorgaande boeken gaat het erom tot God te naderen en de priesters alleen worden waardig geacht dat te kunnen doen. Daarom aten zij, in hun hoedanigheid van priesters, alles wat er geofferd werd in het heilige. Zij alleen waren in de nabijheid van God en wat aan God geofferd werd – naar de meest letterlijke betekenis van het woord; wat men nader tot God bracht 13 – behoorde hun toe, want ze waren dicht bij God. De priesters vormden in het leger één enkele groep met elkaar en het geheel was dan ook in wezen een type (van toekomende dingen). Zo waren ook alle schikkingen met betrekking tot de tabernakel, getroffen voor een volk dat als vreemdeling in de woestijn was. Er moet wel worden opgemerkt dat Paulus in de brief aan de Hebreeën nooit van iets anders spreekt, dan van de tabernakel, en op geen enkele plaats van de tempel. De verhoudingen, waarvan hij spreekt, zijn de verbindingen die een pelgrim met God heeft.
In het boek Deuteronomium vinden we dit niet meer. Daar wordt het wonen van het volk in het beloofde land behandeld. Daarom wordt het volk hier niet gezien als een volk dat moet leren hoe het tot God moet naderen 14, maar als van de zijde van God, de resultaten van Zijn belofte, in Zijn tegenwoordigheid en voor Zijn aangezicht genietend. Het deelt dus op rechtstreekse wijze in de offers. Het is in de tegenwoordigheid van God, in het genot van de beloften, en verwezenlijkt – in gemeenschap met Jahweh – alle middelen, waardoor men van deze aanwezigheid geniet. Het deelt ten slotte gemeenschappelijk in alles wat Hem geofferd is, als teken van de verlossing, waardoor dit genot voor het volk was verworven.
Met de eerstelingen van het land, dat wil zeggen met dat wat het land voortbracht, is het anders gesteld. Terwijl het volk van de vruchten van de goedheid van God genoot, gaf het Hem de eerstelingen terug. Hierdoor getuigde het dat alles van Hem was en dat alles aan Hem toebehoorde, en dat Zijn genade het hierin had laten delen (zie hoofdstuk 26), het kwam dus niet aan het volk toe de eerstelingen te eten. Het offerde deze aan God, maar at van het overgeblevene. Delende in Zijn zegeningen, erkende het op deze wijze God. De eerstelingen werden dus aan God geofferd en kwamen zo in de handen van de priesters, als het deel, dat hun toekwam.
Hoofdstuk 19
Met hoofdstuk 19 beginnen de voorschriften die veronderstellen dat het volk het land bezit en ervan geniet. Het moest die voorschriften in acht nemen opdat het land niet verontreinigd zou worden en het volk in de kracht van Jahweh zou wandelen.
Drie vrijsteden worden ingesteld. Wie zijn naaste doodt zonder hem gehaat te hebben, wordt van de moordenaar onderscheiden. Met betrekking tot het lot van het Joodse volk is dit een belangrijk beginsel. Het maakt onderscheid tussen hen die vrijwillig aan het doden van de Heer hebben deelgenomen of zich later van harte daarbij aangesloten hebben, en zij die het door onwetendheid gedaan hebben. Ook tegen de valse getuigen worden in dit hoofdstuk de voorschriften van gerechtigheid gegeven.
Hoofdstuk 20
In hoofdstuk 20 vinden we de verordeningen in verbinding met oorlog.
Ook zien we hoe erin wordt voorzien dat het genot van het land en de zegening van God niet wordt onderbroken als er oorlog mocht komen. Dan worden voorschriften gegeven om het volk van de tegenwoordigheid van de macht van God te verzekeren en om het te laten zien, hoe God wilde dat de vijanden behandeld zouden worden. Elke barmhartigheid tegenover de volken van Kanaän is verboden, opdat Israël de gruwelen waaraan deze schuldig zijn, niet zou leren.
Hoofdstuk 21
In hoofdstuk 21 zien we drie belangrijke gevallen. De beginselen hiervan zijn van toepassing op de wegen van God met Israël. Het eerste is het geval met de mens, die dood in het veld gevonden wordt. Het tweede dat van de zoon van de gehate vrouw. Het derde dat van de weerspannige zoon.
Het is nodig, dat het land van Jahweh bewaard wordt voor verontreiniging. Israël zal dit in de laatste dagen moeten belijden en zich moeten reinigen van het bloed van de Messias. Het geval van de twee vrouwen is van toepassing op Israël, dat op aarde is, maar nog meer op Christus (het Hoofd van de heidenen) en op de Gemeente, waarmee Hij alle dingen zal beërven, hoewel op de aarde Israël de beminde vrouw is. Israël wordt echter – als een weerspannige zoon onder het oude verbond – veroordeeld en afgesneden, terwijl voor de verlosten de vloek van de wet op een ander is neergekomen. De toepassing van de laatste verzen van dit hoofdstuk is voor de lezers van de Bijbel te bekend om er lang bij stil te staan. Het punt wordt hier behandeld uit het oogpunt van de verontreiniging van het land, dat Jahweh als een erfdeel aan het volk had gegeven. Als men dit beginsel op de omstandigheden toepast, toen de Heer gedood werd, is de hardheid van hart van de priesters vreselijk, en toch natuurlijk.
Ik zal nu nog even kort de onderwerpen opnoemen, die we vanaf hoofdstuk 16:18 behandeld hebben. We zien er – wat het gezag betreft – de middelen die God gebruikt, om het volk in Zijn wegen en kennis van Zijn wil, te bewaren, opdat het in vrede van het land zou genieten. Rechters en beambten moesten worden aangesteld en moesten met rechtvaardigheid oordelen. De priester en de rechter op een buitengewone wijze tot hun ambt geroepen, moesten – als dit nodig was – meedelen, wat het oordeel en de wil van God was, en het volk moest hun gehoorzamen. Er worden aanwijzingen gegeven, hoe het volk zich moest gedragen, als het een koning zou wensen.
Ook worden er voorschriften gegeven voor die Levieten, die zich aan de dienst van Jahweh zouden wijden, op de plaats die Hij verkoren had tot Zijn Woonplaats. Het volk mocht de waarzeggers niet raadplegen, als het de wil van God zocht te kennen. Jahweh zou een profeet verwekken. Dan wordt erin voorzien, dat het land niet door bloed zou worden verontreinigd. De oudsten van de stad moesten zelf van de feiten kennis nemen, om vast te stellen, of de moordenaar al of niet met voorbedachten rade gedood had.
De vrijsteden geven ons een duidelijk beeld van de toestand van Israël, wat hun zonde in het doden van de Heer Jezus betreft. Dit laatste óf door onwetendheid – zoals de genade van God dit aanneemt bij hen, die berouw hebben – of willens en wetens, waarbij het volharden in het afwijzen van de Heer het bewijs zal zijn, dat het op die wijze is gebeurd. Naar dit beginsel zal God hen oordelen. Vanuit het laatste gezichtspunt gezien, zal het volk onder de onderzoekende gestrengheid van de wet geplaatst worden.
Ook laat dit hoofdstuk 21 ons een ander hulpmiddel kennen, dat voorkomt, als het land door bloed wordt verontreinigd. Ook hier wordt verklaard, – zoals in andere Schriftplaatsen – dat het leven aan God behoort en dat Hij Zijn ogen niet zal sluiten, als men zich aan Zijn rechten vergrijpt. Het is boven alles het bloed van Christus, waaraan Israël schuldig is (zie Psalm 51). En het bloed van Jezus is de enige verzoening voor de zonde, waardoor het heeft moeten vloeien. De oudsten verontschuldigen zich door hun onwetendheid van wat er gebeurd is, aan te voeren. Hetzelfde zal in verbinding met Israël plaatsvinden. Ook Paulus voert op deze wijze zijn onwetendheid aan. Toch zal alleen het bloed van een vaars, die nooit een juk gedragen heeft, de zonde kunnen uitwissen. Op deze wijze zal de schuld aan het onschuldige bloed, van het volk worden afgenomen.
De volgende voorschriften zijn praktische voorschriften voor Israël. Maar het lijkt me dat ze tegelijk enkele beginselen van God ten aanzien van Zijn volk bevatten. We zien hierin, hoe Israël, op de aarde en de Gemeente in de hemel, beide de werkelijke eerstgeborenen zijn, die God niet wil onterven. De weerspannige zoon stelt eveneens Israël voor, in zijn uiteindelijke ongehoorzaamheid aan God.
Hoofdstuk 22
In dit hoofdstuk vinden we de bepalingen, die Jahweh geeft, opdat het volk niet tekort zou schieten in welwillendheid en barmhartigheid. Maar ook om het te behoeden tegen wat het natuurlijke gevoel, ten aanzien van liefde of kuisheid, zou kunnen schaden. Zo is ook elke vermenging in de akkerbouw verboden en heeft men hetzelfde in acht te nemen ten aanzien van de vrouwen. Ze worden beschermd tegen de ontering die hun wordt aangedaan door een onmenselijke echtgenoot, die niet weet hoe hij zich gedragen moet. Maar de onreinheid wordt met de dood gestraft.
Hoofdstuk 23
Hier leren de Israëlieten welke gevoelens tegenover de volken hun naar Gods gedachten passen en hoe ze tegenover hen moeten handelen. Dan volgt een aanwijzing over de reinheid van het leger gedurende de oorlog, want God is in hun midden. En verder over allerlei andere zaken, zoals het geval van de slaaf, die van zijn meester gevlucht is, of ten opzichte van dingen die moreel onrein zijn. Zelfs zijn er voorschriften in verbinding met de wijngaard van de naaste.
Hoofdstuk 24
Ten slotte zien we in hoofdstuk 24 een meer ernstige zaak: de echtscheiding en alles wat daarmee samenhangt. Dan de tedere gezindheid ten aanzien van de armen, de lonen van de arbeiders en wat voor de armen ter nalezing overbleef.
De geest van al deze voorschriften is heel leerzaam. God verwaardigt Zich van al die dingen kennis te nemen en leert Zijn volk: fijngevoeligheid, welvoeglijkheid, achting voor anderen, teerheid, en die gevoelens, die de ruwheid weren en de hardheid van het hart van de mens tenietdoen. De goedheid in de liefde van God die uit deze dingen blijkt, vormt zo de wegen van de mens in overeenstemming met de liefde, waarmee de Geest van God Zich bekleedt, als Hij in zijn hart werkt. Daarin is – en dit moet erkend worden – alles onvolmaakt.
Er zijn dingen, die als geoorloofd worden beschouwd en als grondslag dienen voor deze voorschriften, die nu door de volkomen werking van de Geest van Christus helemaal tenietgedaan zijn. Zoals bijvoorbeeld de echtscheiding en andere dingen, die door de wet verdragen worden en hun bestaan aan de hardheid van het hart van de mens ontlenen. Maar de beperkingen en de voorwaarden, die de wet van God eraan toevoegt, beteugelen de boosheid van die wil, die – door anderen te onderdrukken – zichzelf verhardt.
Hoofdstuk 25
Dit hoofdstuk voegt er nog voorschriften bij, die het vervolg zijn op de voorschriften die we al gelezen hebben. De leden van het volk moeten erop letten dat niemand van hun broeders in hun ogen verachtelijk wordt gemaakt; dat geen enkele familie uit het midden van haar volk ten onder gaat en dat de reinheid en het recht gehandhaafd worden.
Wat de aartsvijanden van God en Zijn volk betreft, Israël mocht nooit vrede met hen zoeken. De menselijke beminnelijkheid is vaak vijandschap tegen God. Deze bepaling is te opmerkelijker (verzen 17-19), omdat ze direct op zoveel andere voorschriften volgt, die ervoor zorgden, dat men zelfs rekening hield met een vogel. Jahweh had bepaald, dat een Egyptenaar in de gemeente van de HEERE kon komen (hoofdstuk 23:7-8). Maar deze genegenheid ten aanzien van de Egyptenaren moest in praktijk gebracht worden, voor het welzijn van de ziel van de Israëlieten zelf. Ze mochten zich niet verharden tegen hen in wier midden ze hadden verbleven. Maar het sparen van de Amalekieten, die Israël tegemoet waren gekomen om hun de weg af te snijden en de zwakken onder hen te vernietigen, zou betekend hebben, dat men vergat wat men aan God verschuldigd was Die Zijn volk weer inbracht. Van de kant van het volk zou dit sparen van de vijand onverschilligheid van het hart tegenover het kwaad geweest zijn en niet de openbaring van een natuurlijke genegenheid, noch een zich overgeven aan herinneringen, waarvan de liefde ten goede gebruik kon maken door het kwaad, dat men voorheen ondervond, te vergeten. Als er nog enige edelheid van gevoelens aanwezig is bij mensen, die elkaar kennen hoewel ze elkaar kwaad hebben gedaan, dan staan ze erop dat hun relaties vernieuwd worden als het kwaad weer voorbij is 15.
Maar er is een geest, die alleen maar weerzin opwekt. Die te verdragen is niets anders dan zichzelf te sparen en diezelfde geest in zijn eigen hart toe te laten, zodat men erin deelt. Hier is geen sprake van oordelen, maar van de toestand van ons eigen hart. Dat een Egyptenaar ver van God verwijderd was, werd erkend. Maar als hij gedurende drie generaties met Hem in verbinding was geweest, waarom zou men hem dan op een afstand houden? Waarom zou hij een vreemdeling blijven? Amalek vreesde God niet en erkende Hem niet. Wat kon men dan in zo’n volk erkennen? We moeten God toelaten in al onze zaken, in al onze relaties. Dan zullen dingen als naastenliefde, vastberadenheid, juistheid in onze oordelen, alle hun plaats vinden en in al onze wegen gevonden worden.
Hoofdstuk 26
Om deze reeks voorschriften af te sluiten, zien we in hoofdstuk 26 een prachtig beeld van de aanbidding, als gevolg van het genot van het land in overeenstemming met de beloften van God. Een beeld dat ook voor ons vol lessen is.
In de allereerste plaats vinden we weer, zoals overal, het grote onderwerp van dit boek: de Israëlieten bevinden zich in het land, dat God hun als erfdeel gegeven had.
Maar wat de aanbidding betreft, gaat het hier er niet om tot God in het heiligdom te naderen door de offeranden, die, gezien de zonde, voor het volk de weg in de tegenwoordigheid van Jahweh openden. Dit kenmerkt het hele boek. Toen was de vraag of ze – of hoe ver ze, of hoe dichtbij ze of de priesters – tot Jahweh konden naderen in het heiligdom van Zijn heiligheid. Wat Deuteronomium voorstelt is – met erkenning van hun vroegere toestand – het feestelijke genot van het gevolg van alle beloften, alleen als komend van Jahweh en met henzelf met Jahweh vereenzelvigd (zo ook in hoofdstuk 12 en 14).16 Het volk geniet van de belofte en stelt zich voor als een aanbidder, die dankt omdat hij dat genot bezit. Als men de eerstelingen van het land van de belofte aanbood, moest men zich naar de plaats begeven, waar Jahweh Zijn Naam had gesteld.
Maar wat was dan de geest van deze aanbidding?
In de eerste plaats, was het gegrond op de openlijke belijdenis, dat het volk in het volle genot was van de vervulling van de belofte van God. “Ik verklaar heden voor de HEERE, uw God, dat ik gekomen ben in het land dat de HEERE onze vaderen gezworen heeft ons te geven.” (26:3). Dit was de eerste karaktertrek van de aanbidding. Het was de erkenning van de getrouwheid van God in de tegenwoordige gemeenschap van Zijn goedheid. Op deze grondslag werd de offerande aangeboden.
Dan deed de aanbidder – in de tegenwoordigheid van Jahweh – belijdenis van de verlossing en bevrijding van het volk. Zijn vader was een Syriër geweest, die op het punt stond verloren te gaan. Maar later, toen zijn kinderen, door de Egyptenaren verdrukt, tot Jahweh riepen, had Hij hen verhoord en met uitgestrekte arm bevrijd. Door Zijn macht te ontplooien had Hij hen bovendien in het land, waarvan ze genoten, doen ingaan.
De tweede karaktertrek van hun aanbidding was dus de belijdenis van hun ellende en onmacht in het verleden, en wat hun verlossing was geweest. Die was verwezenlijkt door Jahweh alleen, aan Wie ze al deze zegeningen dankten. Hierop keerde de aanbidder zich rechtstreeks tot Jahweh en offerde Hem de eerstelingen van deze zegeningen. Dit was dus: God in al de zegeningen erkennen; een onvermijdelijk gevolg van wat God in het hart werkt, en het enige middel om er werkelijk van te genieten. Want de zegeningen van God zullen het hart van Hem afwenden, als niet de eerste uitwerking ervan is zich tot Hem te keren. En dit is de geschiedenis van Israël en zo vaak ook die van onze eigen harten in de bijzonderheden van ons leven. Vóór er van de zegening genoten wordt, zal het godvruchtige hart God zelf daarin erkennen. Het gedrag van Eliëzer – de dienstknecht van Abraham, die gezonden wordt om een vrouw voor Izaäk te zoeken – laat ons hiervan een prachtig voorbeeld zien.
Dan wordt nog toegevoegd: “En u zult vrolijk zijn over al het goede dat Jahweh uw God u gegeven heeft” (26:11). Ze moesten er met God van genieten. Merk hierbij op, dat – als bijgevolg – de geest van genade zich direct in deze blijdschap openbaart: “u, de Leviet, en de vreemdeling die in uw midden is”. Men kan niet werkelijk van de zegeningen van God voor Zijn aangezicht genieten, zonder dat de geest van genade daarin zijn plaats heeft – zonder zegen terug te geven voor vloek; wetende, dat we geroepen zijn om Zijn zegen te erven. Men vindt dezelfde waarheid terug in de tienden van het derde jaar, die gegeven werden aan de armen, aan de Leviet enzovoort, in overeenstemming met de geest waarvan we zojuist hebben gesproken.
Nog een andere karaktertrek van de toestand van het hart van de ware aanbidder was de heiligheid, als hij zich met een oprecht hart aan Jahweh wijdde, wat hij naar de genade Hem ook verschuldigd was. Men mocht Hem niets ontroven door het zichzelf toe te eigenen. Men mocht niets ontheiligen door het voor zichzelf – voor een onrein of egoïstisch gebruik – aan te wenden.
In één woord, het geweten was goed wat de toewijding tot Jahweh betreft, met betrekking tot de dingen waarin de aanbidder Hem erkende als de enige en ware bron van al deze zegeningen. En als Jahweh er de bron van was, dan genoot de getrouwe ervan in Zijn gemeenschap, in de geest van heiligheid, van toewijding aan Jahweh, en in de geest van goedheid en genade die in Hem ten aanzien van Zijn armen en Zijn verlatenen was. In dit Schriftgedeelte vindt men voortdurend het karakter van God voorgesteld en Zijn naam wordt genoemd in wat erkend wordt in de gemeenschap van Zijn volk. Werd dit vergeten, dan was het volk schuldig en verontreinigd, doordat men zo de Naam van Jahweh had ontheiligd. Deze reine toewijding aan God en deze uitdrukking van Zijn goedheid zijn van grote schoonheid. Daarop smeekte de aanbidder de zegening af van God, Die belangstelling heeft voor heel Zijn volk. En dit niet alleen voor zichzelf, maar voor geheel Israël; voor het land, dat het bewijs was van Zijn getrouwheid en van de rijkdom van Zijn goedheid. Dit hoofdstuk is van groot belang en is een soort samenvatting van de gedachte die God in het hele boek voorstelt: het is het laatste hoofdstuk van het eigenlijke gedeelte van de inhoud. Het verwijst niet naar beloften aan Abraham, Izaäk enzovoort, maar neemt de geschiedenis van Israël vanaf Jakobs afdaling naar Egypte, een Syriër die op het punt stond verloren te gaan. In Egypte onderdrukt riepen ze tot de God van hun vaderen, historisch als zodanig bekend (niet de beloften), en ze werden met grote tekenen bevrijd, en Jahweh had hen in dat goede land gebracht waar ze waren, en ze brachten de eerstelingen van het land dat Jahweh hun gegeven had. Het was de erkenning van het bezit van de zegen in het land dat Jahweh uit genade gegeven had. Dit was hun aanbidding; en zij, de Levieten en de vreemdelingen verblijdden zich daar samen over al het goede dat Jahweh gegeven had. Dat deden ze ook toen ze de tienden van het derde jaar, die binnen hun poorten werden gegeten, aan de wezen, weduwen, Levieten en vreemdelingen hadden gegeven: ze verklaren dat ze rein en oprecht zijn; er was geen ontheiliging geweest, maar gehoorzaamheid in alles wat hun verordeningen betrof; en daarop volgde een beroep op God om zegen over het volk en het land. Het land was bezeten en de eerstelingen ervan werden aan Jahweh aangeboden; dan komt de blijdschap over al het goede dat Jahweh gaf; dan elk derde jaar de gemeenschap in genade met allen die in nood waren, en daarmee de verklaring van de reinheid van hun wegen, de grondigheid waarmee ze het deden en hun gehoorzaamheid, en zo wordt naar zegen uitgezien. Het is een beeld van de ware toestand van het volk met Jahweh en in het land, oprecht wandelend en rekening houdend met de behoeftigen, opdat de zegen op hen zou rusten; en op deze grondslag traden ze nu in het verbond met Jahweh om het land in gehoorzaamheid te bezitten en te genieten en volkomen gezegend en verhoogd te worden.
Deze aanbidding was dus een band tussen het volk en God, in de gemeenschap van wat Hij was. Men erkende Wie Hij was en legde er getuigenis van af. Zo had God – in overeenstemming met Zijn eigen geboden die als voorwaarden van deze band beschouwd worden – op die dag het volk erkend en het volk had Jahweh als zijn God erkend.
Dit sluit de leer van het boek af. Nu komt de sanctie, dat wil zeggen wat kracht geeft aan Zijn wet in de gevolgen – vloek of zegening – die moesten overeenstemmen met de gehoorzaamheid, of ongehoorzaamheid.
Hoofdstuk 27
Dit hoofdstuk en de twee volgende behandelen dit onderwerp. Dit hoofdstuk staat echter op zichzelf en heeft een tamelijk grote draagwijdte voor het begrijpen van het Woord van God. Hoewel de persoonlijke vroomheid tot uitdrukking komt op de wijze, die we in hoofdstuk 26 gezien hebben, zijn de openbare relaties van het volk met God op de bedreigingen van de wet gebaseerd. Als het volk de Jordaan zou zijn doorgegaan om het beloofde land in bezit te nemen – een gedachte, die we in dit boek telkens terugvinden – dan moest men, nadat er grote stenen waren opgericht en met kalk bestreken, alle woorden van de wet daarop schrijven. Deze wet bevatte de voorwaarden voor het genieten van het land.
Het volk moest zich in twee groepen van stammen splitsen. De ene groep werd op de berg Gerizim geplaatst om te zegenen, de andere op de berg Ebal om te vervloeken. Op deze laatste berg moest men voor Jahweh een altaar oprichten, niet voor zondoffers, maar voor brandoffers en dankoffers; een eredienst, die een rechtvaardig volk voorstelde, dat in gemeenschap was met Jahweh, maar dat onder de vloek geplaatst werd als het de wet overtrad. Hierop werden de vloeken uitgesproken, wat beëindigd werd met de vloek die zou rusten op ieder, die niet in alles wat in de wet geschreven was om te doen, zou volharden. Maar de zegeningen van Gerizim ontbreken volkomen.
Het is onnodig bij de belangrijkheid van deze weglating stil te staan. “Want allen die op grond van werken van [de] wet 17 zijn, zijn onder [de] vloek”, zegt de Apostel, “want er staat geschreven: vervloekt is ieder die niet volhardt in alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen”, (Galaten 3:10). Een mogelijkheid om te ontkomen is er niet. Niemand, behalve de Heer Jezus, heeft de wet vervuld. Hij heeft – als we het zo mogen zeggen – geen brandofferaltaar, een altaar van aanbidding, opgericht voor de rechtvaardige mens, die de wet vervuld heeft – dat wil zeggen voor Zichzelf alleen – maar Hij heeft Zich, als een zondoffer, voor ons op de berg van de vervloeking geofferd en heeft die bedreigingen en vloeken voor altijd tot zwijgen gebracht. De zegening van Gerizim is daarom niet meer voldoende.
De hemel, en bovendien – voor Hem – de troon van de Vader, zijn het enige waardige antwoord op en de beloning voor wat Hij volbracht heeft door voor onze zonden te lijden. Maar dit is de gerechtigheid van God aan Christus (en dus ook aan ons) gegeven, waarop Hij ook ten volle recht had, doordat Hij God verheerlijkt heeft en dat voor ons, en het daardoor voor ons verwierf.
Het verband tussen de beginselen van hoofdstuk 26-27 is van groot belang: de vervulling van de belofte in het genieten van het land, als de grondslag van de dankzeggingen en van de eredienst, die zijn oorsprong in de verlossing vindt: daarna het altaar, de dienst voor God, die verbonden was aan Zijn wet, die – als ze maar op één punt nagelaten werd – de vloek veroorzaakte. Dit was de voorwaarde om van het land te kunnen genieten.
Vanuit dit gezichtspunt – het enige dat de kwestie in de wortel raakt – beziet de apostel haar. Alleen op grond van dit verbond van Deuteronomium werd Israël, bij het binnengaan van het land, het volk van Jahweh (vergelijk verzen 9-10 en hoofdstuk 29:1).
Hoofdstuk 28
In hoofdstuk 28 zien we de beginselen, waarnaar God in het midden van Israël regeert, en de directe gevolgen van gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid. Gevolgen die op zo’n ernstige manier vervuld zijn in het lot van dit arme, maar ter wille van de vaderen toch steeds geliefde volk. De gevolgen van het veronachtzamen van de wet als grondslag van de betrekking tot God, ten opzichte van een gerechtigheid die een passende grond was voor Gods aanneming, mogen niet verward worden met de tijdelijke gevolgen van ongehoorzaamheid onder de regering van God. Hoofdstuk 28 heeft betrekking op deze laatste. Voor onszelf kunnen we het diepe onderwijs van de verzen 47 en 48 opmerken. Wat Israël betreft, de wereldgeschiedenis laat ons de vervulling van de bedreigingen uit dit hoofdstuk zien.
Hoofdstuk 29
Hoofdstuk 29 is de persoonlijke toepassing van al het voorgaande op het geweten van het volk, zowel gemeenschappelijk als individueel, opdat er geen enkele bittere wortel van zonde zou zijn. (Vergelijk in Hebreeën 12:15 de toepassing van deze vermaning op de tucht, de orde en de liefdadigheid van de gelovigen in onze tijd). Vers 29 vraagt bijzondere aandacht. We zien daar de tegenstelling tussen de geopenbaarde gevolgen van gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, en de raadsbesluiten van God ten gunste van het volk ondanks hun ongehoorzaamheid, raadsbesluiten die – dit ligt voor de hand – geen richtsnoer voor hun gedrag konden zijn. Dit richtsnoer vond men in de bepalingen van de wet. Men heeft de betekenis van dit vers dermate verdraaid, dat het de moeite waard is de werkelijke betekenis aan te tonen. De verborgen dingen zijn de raadsbesluiten van God ten opzichte van het volk, zelfs dan als het ongehoorzaam en uit zijn land verdreven zou zijn. Maar hoewel ze geen richtsnoer voor het gedrag zijn, zijn ze geopenbaard en van het grootste belang. In wat volgt, begint God er al mee ze voor onze aandacht te plaatsen en het past ons zeker ze te overdenken.
Laten we bij dit laatste punt nog een ogenblik stilstaan.
Zo zien we dus in deze hoofdstukken: de verbindingen van de vrome Jood met God – die gegrond zijn op de vervulling van de beloften aan de vaderen gedaan – in het tegenwoordige genot van het land. Dan de relaties van het volk met God waarbij de vloek wordt uitgesproken bij overtreding van de wet. Verder de relaties van het volk met God, in overeenstemming met de beginselen van Zijn regering, en de gevolgen die door hun gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid veroorzaakt worden. En ten slotte, nadat de ongehoorzaamheid haar vruchten zou hebben voortgebracht: de raadsbesluiten van God, in overeenstemming met Zijn vaste voornemen, wat door niets veranderd kan worden.
Hoofdstuk 30
Dit hoofdstuk geeft ons een belangrijk beginsel. Het veronderstelt, dat het volk de gevolgen van zijn ongehoorzaamheid al ondergaat en dat het uit het land verdreven en vreemdeling in het midden van de volken is. In dergelijke omstandigheden kan de wet niet meer worden opgevolgd, en inderdaad het overtreden van de wet heeft juist dan zijn gevolgen voortgebracht.
Maar dan wordt er een geheel nieuw beginsel ingevoerd, namelijk de terugkeer van het hart van het volk tot God, en tot gehoorzaamheid, we moeten eraan toevoegen: in de geest. Als gevolg hiervan brengt God de Israëlieten weer in hun land terug en zegent hen daar. De vloek wordt op hun vijanden gelegd en zij zullen zich in het land aan de voorschriften van Jahweh houden, terwijl ze opnieuw Zijn volle zegen genieten. Want het gebod was niet in de hemel, noch aan de andere zijde van de zee, maar in het hart en in de mond. Dit is niet het nieuwe verbond, maar het geloof, dat in beginsel de geest van de wet begreep en het hart tot Jahweh keerde, in omstandigheden, waarin de wet in uiterlijke zin niet uitvoerbaar was. De oprichting van het nieuwe verbond – gegrond op de terugkeer van het hart – zal op een tijdstip, door God bepaald, iets duidelijk omlijnds zijn. Hier zien we het beginsel van hun terugkeer, als het onder de vloek van de wet zal zijn, die het had overtreden. Daarom haalt de apostel dit Schriftgedeelte aan, om de grondslag van het beginsel, als een openlijk getuigenis van wat “gerechtigheid door het geloof” is en past dit op Christus Zelf toe, terwijl hij bewijst, dat Hij “het einde van de wet is tot gerechtigheid voor ieder die gelooft” (Romeinen 10:4). In onze schriftplaats gaat het om het terugkeren van het hart van de Israëlieten tot het doel en het einde van de wet, als het oordeel op hen drukt, omdat ze de wet hebben overtreden, en als elke hoop op gerechtigheid – door vervulling van de wet – onmogelijk is. Het beginsel zelf is in dit schriftgedeelte vervat, terwijl de apostel Christus invoert, als Degene, Die er de ware vervulling van is.
Aan het einde van het hoofdstuk verklaart Mozes, dat hij nu het goede en het kwade voor hun aangezicht heeft gesteld, en dat ze de gevolgen van hun keuze zouden moeten ondervinden.
Hoofdstuk 31
In hoofdstuk 31 stelt Mozes Jozua voor, als degene, onder wiens leiding het volk het beloofde land in bezit moest nemen. Hij bepaalt, dat elke zeven jaren, op het loofhuttenfeest, de wet zal worden voorgelezen. Iedereen kon er dan kennis van nemen, op het plechtige ogenblik, waarop ze – terwijl ze om zo te zeggen opnieuw van de zegening genieten, die de wet hun verzekerde – zich aan haar onderwierpen, als een getuigenis, dat het land (zoals alle dingen) aan Jahweh toebehoorde. Dan – als Jozua in zijn ambt is aangesteld – beveelt God aan Mozes het volk een door Hem ingegeven lied mee te delen. Dit lied, gegrond op het overtuigende bewijs van de ongerechtigheid van het volk, kondigt de wegen van God met hen aan. En Mozes schrijft de Levieten voor, de geschreven wet naast de ark van het verbond te plaatsen, als een getuigenis tegen het volk.
Hoofdstuk 32
In hoofdstuk 32 vinden we het profetische lied, dat gegrond is op de vooruit gekende val van het volk. Dit lied openbaarde eerst de volmaaktheid van Jahweh, wat er ook zou gebeuren. Het is Israël, dat zich verdorven heeft. (Vergelijk Psalm 22:2, waar Christus kan zeggen: “Waarom?”). Tegelijkertijd vinden we (vers 8) de hoogst belangrijke verklaring, dat bij het regeren van de wereld, God Israël tot middelpunt had gemaakt en de volkeren van de aarde in hun verschillende landstreken had gegroepeerd, lettend op de grenspalen van Israël, dat het eerste voorwerp van Zijn wegen was. Want Zijn aardse volk is het deel van Jahweh, Zijn erfdeel op de aarde. Maar Jeschurun – de bezitter naar recht (Israël) – is vet geworden en heeft achteruitgeslagen en de rots van zijn heil veracht. Daarom verwekt God de Israëlieten tot jaloersheid door wat geen volk is. Dit is de roeping van de heidenen, volgens Romeinen 10:19.
Toch valt het oordeel op Israël, zodat God dit volk vernietigd zou hebben, als de heerlijkheid van Zijn Naam het niet had belet, want de heidenen hadden zich als volkomen goddeloos geopenbaard. Hierna, als Zijn volk in angst en nood is, zonder kracht en zonder hoop, denkt Jahweh aan hen en wreekt Zich ten slotte op hun vijanden – deze afgodische heidenen. Maar al oefent Hij wraak uit, toch zal Hij, als Zijn volk Israël weer hersteld is, het zó maken, dat de volkeren zich met de Israëlieten verblijden zullen.
Dit beginsel is nu al waar, maar het getuigenis, dat het geeft zal volledig vervuld worden, als Israël hersteld zal zijn in het genot van de beloften, als God Zijn barmhartigheid, zowel ten aanzien van Zijn land, als ten aanzien van Zijn volk zal openbaren. Het volledige verloop van Zijn handelingen in verbinding met het volk – dat op de aarde het middelpunt van Zijn wegen vormt – is op deze wijze volkomen ontwikkeld. Daarna brengt Mozes de Israëlieten het grote doel van dit boek: “gehoorzaamheid” (Israël werd onder de voorwaarde van gehoorzaamheid geplaatst om de beloften blijvend te genieten), in herinnering en ook, dat ze – door haar – hun dagen in het land dat ze gingen bezitten, zouden verlengen.
Ten slotte moet de arme Mozes de berg Nebo op klimmen om het land te zien waarin hij niet kan ingaan, omdat hij in de woestijn niet heeft beantwoord aan de eis van Gods heerlijkheid en ook Zijn Naam niet door het geloof heeft geheiligd. Dat is – onder de wet – het onvermijdelijke gevolg van de rechtvaardige regering van God, ten aanzien van een dienstknecht. Hij gaat niet in tot het genieten van de belofte. Een enkele misstap berooft hem ervan.
Hoofdstuk 33
Dan zien we nog de zegeningen die door deze man Gods nog vóór zijn dood, over het volk worden uitgesproken. De zegeningen van Jakob waren, wat de toekomst betreft, meer van historische aard. Hier doelen ze meer op de betrekking van het volk met God, in overeenstemming met Zijn regering. De stammen zijn altijd twaalf in getal. (Simeon is weggelaten, om plaats te maken voor de twee stammen van de nakomelingschap van Jozef, de eerstgeborene met betrekking tot het erfdeel, in de plaats van Ruben). Hier is de volgorde in overeenstemming met de zegening van God en niet met de natuurlijke rechten. Naar dit laatste beginsel zal Israël – dat voorgesteld wordt door Ruben – verminderd worden, maar niet sterven.
Jahweh is daar in Zijn majesteit, met het vuur van de wet in Zijn rechterhand. Maar Hij heeft het volk lief, dat wil zeggen, de heiligen die Hem omringen om Zijn lessen te ontvangen. Door bemiddeling van Mozes ontvangt het volk een wet, die het erfdeel is van de gemeente van Jakob. Daar is deze Mozes als een koning. Van die aard zijn dus de relaties, waarop deze zegeningen zijn gebaseerd.
De zegeningen worden hier niet voorgesteld uit historisch oogpunt bezien, als die van de kinderen van de vaderen, en daarom in verbinding met Silo, de rots van Israël. Ze vormen evenmin een volledig overzicht van de wegen van God in Israël, zoals in het boek Genesis. Dit hoofdstuk heeft ten doel ons de relaties van Jahweh voor te stellen, die Hij heeft met het volk, dat in het bezit gesteld is van het land – zoals in het gehele overige gedeelte van het boek – en onder de regering van God is geplaatst. Jahweh zegent, maar zegent naar de Majesteit van Sinaï en in overeenstemming met de openbaring, die Hij van Zichzelf heeft gegeven in het braambos. Mozes, de koning, is het kanaal van deze zegeningen, die zich op deze wijze met het volk verbinden en die gegrond zijn op de relaties met God. Op deze wijze wordt Levi gezegend, omdat hij Jahweh trouw geweest is. Jozef bezit de zegening en de gunst van Hem, Die in het braambos woonde, omdat hij van zijn broeders was afgezonderd, en God vrezende, was hij een vat van Zijn raadsbesluiten. Dat was dus de positie van deze twee stammen in het land. Daarentegen was Simeon – die hier niet genoemd wordt – om zo te zeggen verloren in het land. Zijn deel was daar, waar de Filistijnen woonden.
Ook moet hier opgemerkt worden, dat de voornaamste zegeningen op hem neerkomen, die – uit liefde tot God – noch zijn vader, noch zijn moeder heeft gekend, dat wil zeggen op Levi; en op Jozef, die voor de heerlijkheid van God, van de zijnen was afgezonderd. Beiden behoorden aan Hem toe. Levi heeft de heerlijkste plaats. Zijn afzondering, die – in feite – nog zou plaatsvinden, was een vrucht van zijn getrouwheid. Jozef bezit misschien een meer zichtbaar genot van de Goddelijke gunst. Hij was God getrouw in zijn onvrijwillige afzondering. Deze twee voorwaarden zijn op volkomen wijze in Christus verwezenlijkt.
Als de zegen van God het leven van Ruben met zijn weinigen in stand houdt, wordt daarentegen Juda aan Jahweh voorgesteld, opdat hij verhoord zou worden en de hulp van Jahweh met hem zou zijn. De uitdrukking: “Breng hem terug bij zijn volk”, is in de relaties, die bestaan hebben tussen dit volk en God, alle aandacht waard, gezien de positie, die Juda innam in de geschiedenis van het volk, gedurende de regering van God en zijn tegenwoordige verstrooiing. Maar óók met het oog op wat in de toekomst zal plaatsvinden, als het hele volk verenigd in zijn land zal worden teruggebracht.
Levi neemt de derde plaats in, terwijl Simeon niet genoemd wordt. Het verzoek, dat de profeet-koning voor Levi doet, is dat van het eeuwigdurende priesterschap van Gods volk (op de aarde, wel te verstaan). De uitdrukking “de man, uw gunstgenoot”, wordt gebruikt in de betekenis van vroomheid ten aanzien van God, in de zin van genade in het hart. Mozes vraagt, dat “volmaaktheden” en “licht” (Tummim en Urim) in het begrijpen van de relaties – die in werkelijkheid altijd tussen het volk en God, en wederkerig tussen God en het volk, zouden bestaan – met de mens van genade en vroomheid mochten zijn, officieel de priesterlijke stam.
Maar de grondslag van dit verzoek is – met betrekking tot Gods regering – opmerkelijk. God had het volk in Massa verzocht en had ermee getwist aan de wateren van Meriba. En dit is het nu juist, wat in de geschiedenis aan Israël wordt toegeschreven. Hij heeft God in Massa verzocht en in Meriba met Hem getwist. Maar daar, waar zich het vlees in Israël geopenbaard heeft, heeft God Zijn priester op de proef gesteld. En aan de wateren van Meriba, waar Mozes Hem niet geheiligd heeft, is Hij in strijd geweest met Mozes 18. Een pijnlijke omstandigheid, te worden beroofd van de stroom van geopenbaarde en zichtbare zegeningen, in het midden van Gods volk. Een toestand, die gelegenheid geeft tot het zich openbaren van het opstandige vlees; tot de murmureringen tegen God in de woestijn, verzoekende God, door te zeggen: “Is de HEERE nu in ons midden?” Door deze omstandigheid stelt God Zijn priesters op de proef! De Gemeente, in haar priesterlijke positie, en in het bijzonder zij, die het welzijn van de Gemeente op hun hart dragen, worden ook zo op de proef gesteld, om te zien of ze, ondanks alles, op de zegeningen van God weten te rekenen. Maar hoewel Levi in zijn priesterschap op de proef werd gesteld, het gebeurde opdat hij die proef zou doorstaan. En Levi heeft geen ogenblik geaarzeld, toen hij moest kiezen tussen de mens – zelfs de meest naaste naar het vlees – en God. Dit is de enige grond van alle priesterschap. Men zal zich alleen voor God ten behoeve van de mens kunnen handhaven, voor zover men zich in waarheid ten behoeve van God voor de mensen gehandhaafd heeft. Want bij welke God zou men middelaar zijn? Dit zou niet bij de heilige God zijn, Die recht heeft op ons gehele bestaan. Ten aanzien van de zondaars, zou men alleen de sympathie van het vlees kunnen hebben, dat zich met hun zonden verbindt.
Men moet in de tegenwoordigheid van God – in overeenstemming met Zijn heiligheid – aangenomen zijn, om voor de mens in zijn zwakheid te kunnen bemiddelen. Dit is geheel waar met betrekking tot Jezus en – ten aanzien van ons allen in een praktische zin –. Maar om zo te zijn, is een getuigenis in getrouwheid nodig, als een kwestie rijst, en dit moet ons voor de mensen iets kosten. Men moet voor God zijn, en zichzelf niet sparen, zijn vader en moeder hatende. Deze onderwijzing is erg belangrijk. Het is ook nodig onderscheid te maken tussen de beproeving van ons priesterschap en de beproeving van onszelf, voordat we tot het priesterschap overgaan. Hier gaat het om de beproeving, als we al priesters zijn, want we zijn het door genade, en bekwaam gemaakt door volledige oefening van het hart, wat ons voor God afzonderde.
Het lijkt erop dat de plaats van Benjamin – met betrekking tot Jahweh – een plaats was, waarbij hij dicht bij Hem, in Zijn gunst, verbonden werd. Dit had voor deze stam – binnen de grenzen waarvan Jeruzalem lag – dan ook plaats.
Jozef bezit als eerstgeborene de aardse zegening. Wat zijn erfdeel betreft, is zijn land gezegend. Een dubbele portie is hem ten deel gevallen.
Over de andere zegeningen heb ik geen opmerkingen te maken, behalve dat die van Zebulon en Issaschar toekomstig schijnen te zijn, en die van Gad de al bestaande relaties schijnen te bevestigen.
Maar bovendien, als de wegen van God ten aanzien van Zijn volk verbonden waren met hun getrouwheid en de openbaring van Zichzelf; als God Zijn wegen aan hun gedrag aanpaste om zo Zijn regering en Zichzelf te openbaren, dan zou Hij Zichzelf ook boven alles verheffen om te zegenen en te bewaren. Hij zou terugkeren tot de rechten van Zijn eigen heerlijkheid, om voor Zijn volk een onfeilbare bron van zegen en veiligheid te zijn. Hij zou Zijn heerlijkheid ten gunste van Israël doen kennen. Hij voer op de hemelen om hen te helpen. Waar Zijn Majesteit was, daar was ook de hulp van dit volk. Hij zou het volk staande houden en hun vijanden vernietigen. Dan zou Israël in veiligheid alleen wonen, in een vruchtbaar land, dat door de hemelen met zegeningen bedekt zou worden, als met dauw. Gelukkig volk! Het voorwerp van de verlossing van God, Die het een schild en een zwaard zou zijn. Hun vijanden zouden hun onderworpen zijn.
Zo zal God ten slotte Israël als volk zegenen, in overeenstemming met Zijn soevereine heerlijkheid en Zijn Majesteit, wat de bijzonderheden van de relaties van het volk met God in Zijn regering ook geweest mogen zijn.
Hoofdstuk 34
Laten we nu het verbod, dat Mozes belette het beloofde land in te gaan, in het kort overdenken. Mozes, de man Gods, kon de zegeningen over Israël als zijnde in het land uitspreken, maar hijzelf, als dienstknecht van God, behoorde tot de woestijn. Er zijn hier verschillende dingen te overdenken. Wat de positie van Mozes betreft, het was een positie, waarbij een volk werd geregeerd, dat onder de beginselen van Sinaï was geplaatst. Dat wil zeggen, hoewel het onder de regering van God stond, was het toch in het vlees dat dit volk aan die regering onderworpen was. (Vergelijk Romeinen 9:5, waar dit onderwerp ten volle wordt behandeld). Nu, de mens in het vlees, onder de regering van God, kan nooit in het genot van de belofte komen. Dat is zelfs waar voor een Christen. Opgewekt met Christus is hij in de hemelse gewesten gezet en geniet in de tegenwoordigheid van God van de belofte; of ten minste zijn genegenheden zijn daarop gericht, zijn leven is daar met Christus 19 verborgen. Maar als mens op aarde, is hij onder de regering van God, Die met hem handelt naar de openbaring van zijn geestelijk leven hier beneden. En Christus is tussen hem en God en oefent het priesterschap en de voorspraak uit, wat niet gerechtigheid tot stand brengt – dat is eens voor altijd gebeurd – maar de relaties van zwakke mensen met God in het licht, staande houdt. Ze zijn geroepen tot gemeenschap met dit licht, in Christus, Die Zich daarin bevindt. Christus verkrijgt voor hen genade en barmhartigheid om hulp te ontvangen op het juiste moment, opdat ze niet vallen, of – als ze gevallen zijn – hen, als hun Voorspraak door de werking van de Heilige Geest op aarde, weer op te richten.
Het gaan door de Jordaan is in type – ons sterven en opgewekt worden met Christus. Jozua stelt ons altijd Christus voor, als Hoofd van Zijn volk, naar de macht van de Geest. Maar de woestijn is deze wereld. Mozes leidt en regeert hier het volk naar Gods gedachten en daarom gaat hij het land Kanaän niet binnen.
Het verschil tussen de Rode Zee en de Jordaan waarop we nader zullen ingaan als we het boek Jozua bestuderen, bestaat hierin, dat de Rode Zee de verwerkelijking van de verlossing door de dood en opstanding van Christus zelf voorstelt en we bovendien in Hem worden gezien, terwijl de Jordaan de toepassing van deze waarheid op de ziel is, als zijnde met Hem gestorven, om in het genot van de belofte te komen. Het doortrekken van de Rode Zee wordt gevolgd door vreugdezangen; dat van de Jordaan door strijd en door de verwezenlijking van de beloften.
Wat Mozes persoonlijk betreft, de misstap die hem het binnengaan in het beloofde land belet heeft, is wel bekend. Getart door de opstandigheid van Israël en vermoeid door de zorgen die hij zonder ophouden voor het volk moest dragen, verheerlijkt Mozes zichzelf, in plaats van Jahweh in de ogen van Israël te verheerlijken. Hij bediende zich daartoe van de gave van God. Hij heeft Jahweh niet geheiligd in de ogen van het volk. Hij heeft Hem niet de plaats gegeven, die Hem toekomt. God wordt echter in het goeddoen niet moe. Als Hij zo in tucht voor het welzijn van het volk handelt in overeenstemming met Zijn Majesteit, kan Hij altijd terugvallen op de wegen van directe zegeningen, die voortvloeien uit Zijn onfeilbare genade. De mens, vermoeid door het kwaad, dat hem verbittert, zoekt zichzelf te verhogen, om zich boven het kwaad te stellen en zich ervoor in veiligheid te brengen, want hij is er niet boven verheven. Hij verheerlijkt God niet meer; hij verheft zichzelf en wordt vernederd.
Als Mozes, in plaats van naar het vlees te handelen, eraan had gedacht dat het niet om hem, of zijn heerlijkheid, maar dat het om God ging – en hoe vaak had hij zelf dit de Israëlieten gezegd! – dan zou hij gevoeld hebben, dat het volk de heerlijkheid van God niet kon aantasten. En deze onfeilbare heerlijkheid zou hem hebben ondersteund, als hij alleen aan haar gedacht had, die altijd zichzelf handhaaft; zodat, als we maar zoeken haar te handhaven, we er altijd op kunnen rusten.
Maar Mozes had gebrek aan geloof en het binnengaan in het land – wat alleen door de volmaaktheid van deze heerlijkheid aan de mensen gegeven kon worden – werd hem verboden. En inderdaad, wat kon Israël in staat stellen de reis door de woestijn te maken en het land Kanaän binnen te gaan? Niets dan de genade! Mozes was niet in staat zich te verheffen tot de hoogte van deze genade, die alles overtreft. Maar, zoals we dat gezien hebben, God handelde in Meriba, in overeenstemming met deze genade.
De wet kon dus niet tot het leven leiden. Daarom behoorden het vlees, de wereld en de wet, die in de wegen van God altijd in onderling verband staan, tot de woestijnreis; en Mozes blijft daar. Hij mocht – als man van God en profeet – de genade aankondigen, die Israël de zegen verzekerde (hoofdstuk 33:26-29). Getrouw in heel zijn huis, als dienstknecht, blijft hij aan deze zijde van de Jordaan. Dit is, in deze roerende omstandigheden, het bewijs, dat er een volkomen nieuwe schepping nodig is, om van de beloften van God te kunnen genieten, in overeenstemming met de onfeilbare genade van onze God, Die ten slotte alleen iemand in veiligheid door de woestijn kan brengen.
Mozes sterft. Door Jahweh begraven, dient hij niet als een voorwerp van vleselijke verering voor een volk dat altijd klaarstond in zo’n zonde te vallen, als zijn naam hun vleselijke eer gaf; zoals zij hem voortdurend tegenstonden, als zijn tegenwoordigheid, in overeenstemming met God, het vlees tegenwerkte.
Hij was een man die door God geëerd werd en nauwelijks zijn gelijke heeft gehad (met uitzondering natuurlijk van Hem Die geheel alleen staat). Maar toch was hij een mens, en de mens is alleen maar ijdelheid.
Einde Deuteronomium
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’
- Aantekeningen op Deuteronomium, C.H. Mackintosh
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten:
1 Behalve in Genesis en de eerste hoofdstukken van Exodus, zijn er in de boeken die we tot nu toe behandeld hebben, maar heel weinig historische gedeelten. Zelfs in Genesis en het begin van Exodus vormen de beginselen en de typen het belangrijkste deel van het verhaal. De betekenis voor ons van de geschiedenis van Israël, noemt de apostel met nadruk in 1 Korinthe 10:11. En deze waardering van het karakter van deze boeken is van grote betekenis voor het verstaan. Er is geen bewijs dat één offer gebracht is. Hoewel het aannemelijk is dat de voorgeschreven offers wel gebracht zijn, schijnt Amos, aangehaald door Stefanus in Handelingen 7 het tegendeel te zeggen. Die in de woestijn geboren waren, zijn niet besneden (Jozua 5:5) en konden dus niet het Pascha op de juiste wijze vieren.
2 Het is belangrijk vers 2 met vers 3 te vergelijken. Het was een reis van elf dagen en Israël had er 40 jaren voor nodig! Helaas, hoe vaak is dat ook bij ons zo door onze ontrouw.
3 Zie in het bijzonder de verzen 2-4 en 15-16.
4 Het is belangrijk hierop te letten. Israël was de roede in Gods hand om ontoelaatbaar kwaad te verwijderen. Daarom ook mochten ze niemand sparen.
5 De woorden die dit tot uitdrukking brengen (verzen 10-12) laten ons een prachtige tegenstelling zien tussen de bezorgdheid van de mens om de zegening te verwerven, en de genade die van boven komt.
6 In het algemeen leert men, dat er twee tienden waren. Dat wil zeggen, dat de tienden waarvan hier sprake is, niets te maken hadden met de geregelde tienden die aan de Levieten werden betaald, zoals dat in andere gedeelten van de wet was vastgesteld. En het moet opgemerkt worden, dat deze ter plaatse aan de Levieten moesten worden betaald en niet waar Jahweh Zijn Naam had doen wonen. Gedurende twee jaren bracht het volk zijn verschillende offeranden naar de door Jahweh uitverkoren plaats, en at en verheugde zich; maar in het derde jaar nodigde het volk de Leviet en de arme bij zich uit. Tobias 1:7 geeft ons historisch deze verschillende tienden en offeranden. Het blijkt daar, dat toen de tien stammen in opstand en afval waren, er toch vrome mensen waren, die de Levietische tienden naar Jeruzalem brachten. Amos 4:4 laat ons zien, dat er toen in Bethel speciale gewoonten bestonden om de tienden in het derde jaar te heffen. Hoe het ook zij, het boek Deuteronomium wordt hierdoor gekenmerkt, dat het volk zich samen verheugt in de goedheid van God en de armen, de Levieten en de vreemdelingen deel geeft aan deze vreugde, terwijl van de priesters – al worden ze wel genoemd – in dit opzicht totaal geen notitie genomen wordt. (Zie hoofdstuk 12:6,7,11,12,17,18; 14:22-28.) Het deel van de priesters vinden we in hoofdstuk 18:3-4. De eerstelingen daar genoemd en de eerstgeboorten van hoofdstuk 12 zijn niet hetzelfde woord, ook niet in hoofdstuk 14:23. Maar de overheersende gedachte in het boek Deuteronomium is de gemeenschap en de blijdschap alleen voor het aangezicht van de Heer, en niet de priesterlijke – of de altaardienst.
7 Egypte stelt het vlees voor, maar dat sluit zonde en Satan in.
8 Zoals we gezien hebben, was dit een deel van de eredienst in Deuteronomium.
9 Dit karakteriseert eveneens de eredienst in Deuteronomium.
10 We moeten hier echter opmerken, dat in de voorschriften voor het loofhuttenfeest in dit hoofdstuk, niet gesproken wordt over een achtste dag, zoals op andere plaatsen. Alles wijst op Israël, zoals het geplaatst is in het land in tegenwoordige verantwoordelijkheid, maar met beloften van nog betere dingen onder het nieuwe verbond. Voor ons is het anticiperend de achtste dag: de grote dag van feest, zie Johannes 7, waar we zien wat voor ons nu in de plaats van het feest bestaat, in verbinding met de heerlijkheid van een verworpen maar verhoogde Christus – de uitstromende volheid van de Heilige Geest.
11 Zie de noot bij de betreffende hoofdstukken. Ze waren tweede tienden, en niet de Levietische. Het volk betaalde nooit tienden aan de priesters maar aan de Levieten thuis en deze aan de priesters. De tienden van het derde jaar (niet de Levietische) werden thuis gegeten. In Deuteronomium vinden we niets over Levietische tienden.
12 Eerstgeboren mannelijke dieren. Zie opmerkingen bij de hoofdstukken 12 en 14.
13 Het woord “corban” dat vertaald is door offerande, komt van het woord, dat “naderen” of “naderbrengen” betekent.
14 Dit heel belangrijke verschil kenmerkt het boek. De kwestie is hier niet hoe dicht wij tot het heiligdom, tot God Zelf, kunnen naderen, maar gemeenschap in het genot van al de vruchten van Zijn belofte, in Zijn tegenwoordigheid en in de geest van genade. Het is geen “woestijnverbinding” met God, maar een veel dieper beginsel van verbinding met Hem.
15 De Egyptenaren waren alleen het volk waarin Israël als natuurlijk volk gevangen gehouden werd. De Amalekieten waren de uitdrukkelijke werkzame vijanden van hen, toen ze het verloste volk van God waren. De eersten waren werkelijk mensen, hoewel gevallen mensen zonder God – ik eer alle mensen. De laatsten de werkelijke directe macht van de vijand.
16 Deze twee karakters van aanbidding, de nadering tot God van de woestijnaanbidder en het genot van de beloften in het land, zijn voor Christenen niet gescheiden, zoals in deze boeken, omdat wij in het heiligdom zijn ingegaan en ons daar bevinden, in hemelse plaatsen, en de dingen die wij genieten, zijn de dingen die daar zijn. Het is alles één, want we zullen regeren over een onderworpen erfenis, maar onze onbevlekte erfenis is daar waar we ingegaan zijn. Dit is een gezegende waarheid. Het is met, niet van. We hebben het van; maar verblijden ons in God.
17 In deze uitdrukking gaat het niet om ons gedrag, maar om het beginsel, waarop wij voor Gods aangezicht staan. Zij die uit het geloof zijn, worden met de gelovige Abraham gezegend. Zij die aan het beginsel van de werken van de wet vasthouden, zijn onder de vloek, want de wet zegt: vervloekt is een ieder, enzovoort.
18 Zonder twijfel was de val van deze man van God, het gevolg van zijn vroegere toestand, want hij was mens. Als we ons niet in een goede toestand bevinden, is de beproeving een kastijding, maar een noodzakelijke kastijding, die zegening ten gevolge heeft. Daarom wordt er gezegd: “Leid ons niet in verzoeking!”, hoewel het een zegening is.
19 Het eerste is het onderwijs in de brief aan de Efeziërs, het tweede in die aan de Kolossers. In de Efezebrief, is de mens dood in misdaden en zonden en wordt in Christus opgewekt en in de hemelse gewesten gezet. Dit is een nieuwe schepping. In die aan Kolosse is hij aan de zonde gestorven en met Christus opgewekt en zijn begeerten moeten uitgaan naar de dingen, die boven zijn. In deze laatste brief, wordt hij ook gezien als dood in zonden en opgewekt met Christus, maar niet als in de hemelse gewesten gezet.