07. Jozua

07. Jozua · uit de ‘Synopsis’ deel 2 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

De vijf boeken van Mozes hebben we nu bezien. Enerzijds hebben ze ons in grote lijnen de beginselen voorgesteld, waarop de relaties van de mens met God en van God met de mens zijn gegrond, zoals verlossing, offer en dergelijke. Anderzijds toonden ze ons de verlossing van een voor God afgezonderd volk, en de verschillende voorwaarden waaronder het gesteld was, hetzij onder de genade in de vorm van beloften, hetzij onder de wet, of onder de regering van God, die door de speciale bemiddeling van Mozes was gevestigd.

We zijn in de gelegenheid geweest, om de ervaringen van dit volk in de woestijn te beschouwen, en hebben in de tabernakel een beeld gezien van dingen, die later zouden worden geopenbaard. We hebben de offeranden en het priesterschap beschouwd; de middelen, die aan zondaars gegeven waren om tot God te naderen. Hierin ontbrak weliswaar het beeld van de volmaakte vrijheid waarmee wij tot God naderen, omdat de voorhang nog niet was gescheurd, maar niettemin werd de schaduw van hemelse dingen in hoogst belangwekkende details ons voor ogen geplaatst.

Tenslotte hebben we gezien, dat God aan het einde van de woestijnreis de definitieve rechtvaardiging van Zijn volk uitspreekt, en in spijt van Zijn vijanden, Zijn zegen erop doet rusten. Hij verklaart dan ook, onder welke voorwaarden het volk in het bezit van het land zou kunnen blijven, en Zijn zegen daarin zou kunnen genieten in de vrijheid en de genade van God, in de onmiddellijke verbinding met Hemzelf. En tevens, wat de gevolgen van hun ongehoorzaamheid zouden zijn. Tegelijkertijd openbaart Hij Zijn raadsbesluiten ten aanzien van dit volk, die Hij tot Zijn eigen heerlijkheid zou vervullen 1. En dit brengt ons nu tot het in bezit nemen van het land van de belofte door het volk onder de leiding van Jozua.

De strijd van de hemelse erfgenamen in beelden

Terwijl het boek Numeri ons de geestelijke reis door de woestijn voor ogen stelt, waar het vlees wordt beproefd, is het boek Jozua belangrijk en leerrijk, omdat het ons in beelden de strijd voorstelt van de hemelse erfgenamen met de geestelijke boosheden in de hemelse gewesten, die we als rechthebbenden zijn binnengegaan, maar waarvan we bezit moeten nemen door de kracht, die de vijanden, als ze ons willen buiten houden, overwint. Dit is het andere deel van hét leven van de christen. De christen is gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten, zoals Israël tijdelijke zegeningen op aarde genoot.

Als we de naam “Kanaän” met recht gebruiken als een figuurlijke uitdrukking van de rust voor het volk van God (en hieraan twijfel ik niet), is het gemakkelijk te begrijpen dat het hier in Jozua niet gaat om de rust zelf, maar om de geestelijke strijd, die aan de ware gelovigen het genot van de beloften van God verzekert. Het slot van de brief aan Efeze stelt ons datgene voor ogen, wat nauwkeurig beantwoordt aan (en inderdaad zinspeelt op) de positie van Israël in dit boek. De heiligen in de Gemeente, levend gemaakt en opgewekt met Christus, hebben hun strijd in de hemelse gewesten. Voor hen die daar wonen is de Gemeente een getuigenis (Efeze 3:10). Het getuigenis van de veelvuldige wijsheid van God.

Als de Jordaan de dood voorstelt en Kanaän rust en heerlijkheid, is het de moeite waard om op te merken, hoe de algemene gezichtspunten van de christenen afwijken van de ware christelijke positie. Want het gevolg van de doortocht door de Jordaan is strijd. De Engel van Jahweh komt met een uitgetrokken zwaard als Vorst van het leger van de HEERE. Het laat ons zien, dat de christen moet leren, dat hij gestorven en opgestaan is, terwijl hij nog hier is; dat hij in Christus zijn plaats heeft in de hemelse gewesten en in deze positie zijn werkelijke strijd heeft te voeren.

Jozua stelt Christus voor, als leidende Zijn volk, door de kracht van de Heilige Geest

Jozua stelt ons dus Christus voor. Niet als persoonlijk neerkomende om bezit te nemen van de aarde, maar als leidende Zijn volk, door de kracht van de Heilige Geest, die in het midden van dit volk woont en werkt. Toch worden in Jozua, evenals in alle andere voorbeeldpersonen, dié dwalingen en zonden gevonden, die de zwakheid van het werktuig en de broosheid van het vat verraden, waarop het God behaagde voor het ogenblik Zijn heerlijkheid te leggen. Maar laten we nu overgaan tot de bestudering van dit boek.

Hoofdstuk 1

In dit hoofdstuk zien we Jozua in dienst van Jahweh (de HEERE). Deze beveelt hem over de Jordaan te trekken in het land, dat Hij de kinderen Israëls heeft gegeven.

Laten we een ogenblik stilstaan bij deze onmiddellijke opdracht van Jahweh. Mozes behoudt hier zijn plaats. Niet als een levende middelaar, maar als het geschreven Woord. Al wat hij van Godswege had bevolen, was voor Israël duidelijk het Woord van God. Jozua is de kracht, die hen in het bezit van de beloften stelt.

Allereerst zien we het beginsel, op grond waarvan de erfenis in bezit wordt genomen. Niet in de eenvoudige aanwending van Goddelijke kracht, zoals dit aan het einde zal gebeuren, maar in de kracht van de Geest en in verbinding met de verantwoordelijkheid van de mens. De grenzen van het beloofde land zijn aangegeven. Maar het is niet genoeg om de van God vastgestelde grenzen te kennen. God had ze zeer nauwkeurig omschreven, maar aan het bezit van het land was een voorwaarde verbonden. Alle plaats “die uw voetzool betreedt” heb Ik u gegeven. Ze moesten er ingaan en het werkelijk in bezit nemen. Ze moesten alle hinderpalen overwinnen met de hulp en in de kracht van God. Zonder deze kracht zou het niet mogelijk zijn, en in werkelijkheid is het dan ook niet gegaan. Ze hebben nooit bezit genomen van al het land, dat God hun had gegeven. Toch was voor het geloof de belofte waar: “Niemand zal tegenover u standhouden al de dagen van uw leven”. De kracht van de Geest van God, dat is de kracht van Christus door Zijn Geest (de ware kracht van de gelovige) is algenoegzaam. Want het is de kracht van Christus Zelf. En Hij is almachtig. Tegelijkertijd wordt de belofte gehandhaafd, dat ze niet begeven noch verlaten zullen worden (Deuteronomium 31:6,8).

Hierop mag in de dienst, voor de Heer gerekend worden; zo’n kracht van Zijn tegenwoordigheid, dat niemand in staat zal zijn Zijn dienstknechten tegen te staan; een kracht, die hen nooit zal begeven. Met deze volle aanmoediging, is hij, die door de Geest wandelt, geroepen om sterk te zijn en goede moed te hebben.

Daarna komt de aansporing van Jahweh in vers 7: “Alleen, wees sterk en zeer moedig, door nauwlettend te handelen overeenkomstig heel de wet die Mozes, Mijn dienaar (de titel, die hem altijd wordt gegeven), u geboden heeft”. Geestelijke kracht en energie, de moed van het geloof zijn noodzakelijk. Want dan alleen heeft het hart vrijmoedigheid om te gehoorzamen, en is het bevrijd van de invloeden, de vrees, en de beweegredenen, die inwerken op de natuurlijke mens. Dan kan het hart acht geven op het Woord van God, terwijl anders het hart zo licht afwijkt van de weg van de gehoorzaamheid.

Er is niets zo onredelijk in de ogen van de wereld, als de wandel, die ons in het Woord wordt voorgesteld. En er is niets, dat ons zo blootstelt aan de vijandschap van de overste van deze wereld. Als God niet met ons was, zou er niets zo dwaas en zo uitzinnig zijn, maar als Hij daarentegen met ons is, is er niets zo verstandig. Als we de kracht van Zijn tegenwoordigheid niet bezaten, zouden we Zijn Woord niet in acht durven nemen, en in dat geval zouden we ons moeten wachten om de strijd te beginnen. Maar omdat we goede moed hebben, doordat de almachtige kracht van God ons door Zijn belofte bezielt, mogen we de hand leggen op het goede en kostbare Woord van God. De strenge voorschriften ervan zijn slechts wijsheid om het vlees te onderscheiden en om ons te leren hoe we dit doden moeten, zodat het ons noch verblinden noch kluisteren kan.
De moeilijkste weg, die tot de grootste strijd voert, is slechts de weg tot overwinning en rust, en doet ons opgroeien in de kennis van God. Het is de weg, waarin we in gemeenschap met God zijn; met Hem, Die de bron is van alle vreugde. Het is het onderpand en de voorsmaak van eeuwig en oneindig geluk.

Als dit woord van God maar wordt gehoord: “Wijk daar niet van af, naar rechts of naar links, opdat u verstandig zult handelen overal waar u gaat.”……. wat een vreugde voor hem die door genade voorwaarts gaat om het werk van God te doen!

Dan vermaant de Heer hem, om dit boek der wet ijverig na te speuren. “Dan immers zult u uw wegen voorspoedig maken en dan zult u verstandig handelen”. Hier worden ons dus de twee grote beginselen van geestelijk leven en werkzaamheid getoond.

  1. De verzekerde tegenwoordigheid van de almachtige kracht van God, zodat niets kan bestaan voor Zijn dienstknecht.
  2. Het ontvangen van Zijn Woord om zich daaraan te onderwerpen, om het ijverig te onderzoeken, om het te nemen als een absolute gids, en om moed te hebben zo te handelen vanwege de belofte en de aansporing van God.

Kortom, de Geest en het Woord zijn alles voor het geestelijk leven. Voorzien van deze kracht en gesterkt door het aanmoedigend Woord van God, kan het geloof voorwaarts gaan. God heeft een weg in deze wereld, waar satan ons niet kan treffen. Het is de weg, die de Heer Jezus bewandelde. Satan is de overste van deze wereld, maar er is een goddelijke weg (maar ook geen andere) doorheen. Daarop alleen is de kracht van God. Het Woord is daarvan de openbaring. Zó bond de Heer de sterke. Hij handelde door de kracht van de Geest en gebruikte het Woord. De Geest en het Woord kunnen niet gescheiden worden zonder enerzijds in dweperij, of anderzijds in rationalisme te vervallen; zonder zichzelf te stellen buiten de plaats van afhankelijkheid van God en Zijn leiding. Van sommigen zal dan de “rede” zich meester maken en van anderen de verbeeldingskracht.
Bovendien is er niets zo verbeeldingrijk als de rede, wanneer deze geen leiding heeft. Het resultaat is dan tenslotte, dat de vijand van de zielen bezit neemt van beide. We zouden de mens dan onder de invloed van satan hebben, in plaats van onder de leiding van God. Droevige verwisseling, waarin de ongelovige zich troost door zichzelf te vleien met de gedachte dat er niets buiten zijn bereik is omdat hij alles terugbrengt tot de begrenzing van zijn eigen verstand.

Niets schijnt mij dwazer toe dan dit ongeloof, dat ten onrechte beweert dat er in de zedelijke en verstandelijke sfeer niets boven de gedachte van de mens is, en dat het vermogen van de mens, licht te kunnen ontvangen van een Hogere Geest loochent. Toch is dit laatste de enige zaak, die de mens boven zichzelf verheft en hem zedelijk veredelt, terwijl het hem tevens ootmoedig maakt door het besef van de meerdere voortreffelijkheid van een Ander.
Maar God zij geprezen, dat er sommigen zijn geweest, die gebruik hebben gemaakt van de wondere genade, die alleen aan de mens volmaakte wijsheid schenkt. Zelfs daar, waar het onvolmaakte werktuig, dat de genade ontving, de trekken en de volmaaktheden ervan iets heeft verstoord, hebben zij toch daarvan nut gehad om hun ware plaats in te nemen. Gelukkige plaats, in de tegenwoordigheid van Hem, Die te kennen oneindige en eeuwige vreugde is.
Er is nog een belangrijke en praktische regel te kennen gegeven door de volgende woorden: “Heb Ik het u niet geboden?” (1:9). Als we ons niet bewust zijn dat we de wil van God doen, of voordat wij beginnen te handelen ons in Zijn tegenwoordigheid daarvan niet verzekerd hebben, zullen we geen moed hebben om deze wil uit te voeren. Het is inderdaad mogelijk, dat wat we doen de wil van God is, maar als we dit niet zeker weten, handelen we met aarzeling, zonder vrijmoedigheid en zonder vreugde. We worden terneergeslagen bij de minste tegenstand, terwijl daarentegen door genade niets ons kan verontrusten als we verzekerd zijn dat we Zijn wil doen en dat Hij gezegd heeft: “Heb Ik het u niet geboden?”
Ik voeg er echter nog een woord bij, of liever, ik vestig de aandacht van de lezer op wat God zegt. Want hoewel het gebod van God ons met een moed bezielt, die we zonder dat niet konden hebben, is geen openbaring in zichzelf de kracht tot handelen. Want God voegt erbij: “Schrik niet en wees niet ontsteld, want de HEERE, uw God, is met u, overal waar u heen gaat.” We hebben in het Nieuwe Testament een treffend voorbeeld van dit beginsel. Paulus was opgetrokken geweest tot in de derde hemel waar hij woorden hoorde, die het een mens niet geoorloofd was uit te spreken. Was dit nu zijn kracht in de strijd? Zonder twijfel gaf het aan zijn blik een innerlijke verruiming, waarvan de reactie in zijn gehele werk te zien was, maar was dit zijn kracht in het werk? Integendeel! Het droeg bij om het valse vertrouwen van het vlees te voeden. Op zijn minst zou het vlees het tot zelfverheffing hebben gebruikt.

Zulke openbaringen maken verootmoediging noodzakelijk en hebben van de kant van God geen nieuwe gunstbewijzen ten gevolge, (hoewel alles genade is) maar datgene wat de Apostel verootmoedigde en zwak en verachtelijk naar het vlees maakte 2. Maar zwak zijnde, werd hem op een andere wijze kracht gegeven. Niet door het gebruik, noch in het bewustzijn van openbaringen, die hem zwak zouden hebben gemaakt en die aanleiding zouden zijn geweest tot verheffing van het vlees. Maar door de genade en de kracht van Christus, die in deze zwakheid werkte. Hierin lag zijn enige kracht. Hij roemde in deze zwakheid, waarin de kracht van Christus werd volbracht (volkomen werd), en die hem de gelegenheid gaf om deze kracht te openbaren. Dit toonde aan, dat Paulus zwak was, maar bewees tevens dat Christus zelf met Paulus in het werk was. We hebben altijd rechtstreekse kracht van Christus nodig wanneer we voor Hem handelen; kracht die, om Zijn werk te doen, in zwakheid wordt volbracht; blijvende kracht, want zonder Hem kunnen we niets doen. Laten we deze waarheid in gedachte houden.
Ik wil nu nog een woord erbij voegen over het einde van dit hoofdstuk. Er zijn christenen (ik kan niet zeggen dat God het goedkeurt) die hun plaats innemen aan deze zijde van de Jordaan. Ik bedoel, aan déze zijde van de kracht van dood en opstanding, zoals ze door de Geest van God op de ziel worden toegepast. De plaats die ze innemen, is Egypte niet. Ze zijn de Rode Zee doorgegaan, en binnen de uiterste grenzen van Israëls bezittingen.

Buiten Egypte, en aan deze zijde van de Eufraat, de rivier van Babel. Maar niet in Kanaän. Ze zijn in een land dat ze zichzelf hebben verkoren voor hun vee en voor hun bezittingen. Ze vestigen daar hun kinderen en hun vrouwen. Jozua heeft dat land niet veroverd. Het is niet de plaats van getuigenis van de kracht van Gods Geest. Nee, dit Kanaän is over de Jordaan. Maar toch, hoewel hun kinderen en hun gezinnen daar gevestigd zijn, moet de man die ten strijde kan trekken, of hij wil of niet, deelnemen aan de strijd van de kinderen van God, die alleen daar rust zoeken, waar de kracht van God wordt gevonden; dat wil zeggen in Kanaän, in de hemelse gewesten, als alle vijanden uitgedreven zullen zijn. En wanneer straks, door de zonde van Israël en door hun voortdurende zwakheid, het volk aan de succesvolle aanvallen van hun vijanden (die Gods vijanden waren) wordt blootgesteld, valt die landstreek het eerst in hun handen. De woorden: “Weet u dat Ramoth in Gilead van ons is?” (1 Koningen 22:3) hebben geen geluk gebracht aan het volk dat ontevreden was over het verlies. Maar voor het ogenblik ging alles goed, dat wil zeggen zolang als Ruben, Gad, en de halve stam van Manasse onder het gezag van Jozua bleven en de kracht van God het volk bestuurde. Dezelfde woorden, die God tot Jozua had gesproken, spraken zij ook tot hem: “Wees sterk en moedig.” Hoe dikwijls doet zich onder Gods kinderen een wandel of een beginsel voor, dat beneden de voortreffelijkheid en de waarde ligt van het werk, dat naar de gedachte van God voortgang vindt. Zolang de kracht van God ermee verbonden is, maken zij zich om het zo eens te zeggen niet van dat werk los om op de voorgrond te treden en veroorzaken daardoor onrust en moeite. Maar wanneer de goddelijke stroom smaller wordt als gevolg van de ontrouw van de mens, openbaren zich bittere vruchten, zoals geestelijke afwijkingen, zwakheid, bitterheid van hart, scheuringen, en directe onderwerping aan de boze macht. Al deze dingen vloeien voort uit de onmogelijkheid om wat geestelijk is en wat vleselijk is te verenigen, en een getuigenis te handhaven, terwijl men zich gelijkvormig maakt aan de wandel van deze wereld.

Maar genoeg hierover, want dit getuigenis hoort thuis aan de andere zijde van de Jordaan. De twee en een halve stam mogen deze weg volgen, als zij dat willen, maar wij kunnen Kanaän niet verlaten om ons met hen te verenigen. Helaas zijn deze schone weiden, die zo geschikt zijn om hun kudden te voeden door vele “Lot’s” en “kinderen Israëls” betreden. Ze hebben zich daar gevestigd tot hun eigen verderf. De ondiepten, die op onze christenreis voorkomen, kunnen mogelijk bij hoge waterstand veilig gepasseerd worden, maar bij laag water is bekwame stuurmanskunst nodig om die te ontwijken en altijd vlot te blijven in de volle stroom van de genade van God, en in de bedding, die zij voor zichzelf heeft gemaakt. Maar er is een zekere en vaste Stuurman, en we zijn veilig, als we tevreden zijn Hem te mogen volgen. Wat we in deze nodig hebben, heeft God ons gegeven. Mogelijk moeten we genoegen nemen met een zeer kleine boot, maar de nooit falende Stuurman wil daarin plaats nemen. Oorspronkelijk was Mozes niet zeer ingenomen met het voorstel van de twee en een halve stam, hoewel het hen zonder twijfel werd toegestaan. Maar in het algemeen, zijn de eerste gedachten van het geloof de beste. Zij alleen hebben de belofte, de volle uitwerking van de beloften en van de gedachten van God in hun gezichtsveld. Gedachten die daarna komen, hebben daar geen betrekking op.

Hoofdstuk 2

Dit hoofdstuk bevat de interessante geschiedenis van Rachab. Wat is het schoon als we de genade van God zien, die vanaf het begin haar merktekens plaatst, opdat het oog van het geloof weet waar het moet rusten als God verplicht is Zijn handelingen ten opzichte van de mens te beperken en Zich in Zijn relaties tot hem moet begrenzen, totdat het kostbaar bloed van Christus aan die genade de volle werkzaamheid en vrijheid gaf. Het zaad (nageslacht) van de vrouw, het zaad van Abraham, het zaad van David: steeds enger wordt de begrenzing. Wat het bestuur van God betreft, geven juist de beloften plaats aan de wet, totdat een klein overblijfsel van Israël, (dat trots was in verhouding tot de ellende, waarin het zich bevond) het vat wordt, dat het nog kleiner overblijfsel van gelovigen bevat, dat de verlossing van Israël verwacht.

En wat een beperkte, hoewel ware gedachten, werden in de harten van deze heiligen gevonden, vergeleken bij de hoop van een Abraham en de ernstige woorden van een Henoch! De Heer, eeuwig volmaakt en eeuwig te prijzen, mocht terecht zeggen: “Ik moet echter met een doop worden gedoopt, en hoe benauwt het Mij, totdat het is volbracht.” Men kan dit begrijpen, hoewel de diepten van Zijn hart oneindig ver buiten ons bereik liggen. Maar deze tekenen voor het geloof zijn er altijd geweest. Als God handelt, gaat Hij buiten de grenzen van de bestaande bedeling en overschrijdt Zijn gevestigde relaties met de mensen.

Zo openbaarden zich de goddelijke natuur van de Heer Jezus en de goddelijke rechten van Zijn Persoon. Hij was alleen gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël. Dit was de begrenzing van Zijn formele betrekking met de mens. Maar als het geloof de hand legt op de goedheid van God, kan Deze Zich dan verloochenen, of Zich tot hen beperken die in die tijd alleen de voorwerpen van Zijn bestuur zijn? Nee.

Christus kon niet zeggen: “God is niet zo goed en Ik ben niet zo goed als u zich wel voorstelt”. Hoe kon God Zichzelf verloochenen? De Syro-Fenicische vrouw ontving wat ze vroeg. Kostbaar voorrecht van het geloof, dat God weet te kennen en te herkennen dwars door alles heen. Dat Hem eert zoals Hij is en in Hem altijd vindt wat Hij is.

Waarin werd dan het geloof van Rachab, dat de Apostel als een voorbeeld aanhaalt, gezien? (Een bewonderenswaardig bewijs, dat de weg, waarin de genade handelt, al vóór de wet bestond en zich boven de wet verheft; dat de genade de grenslijn overschrijdt, die de wet aan de mens voorschrijft en tevens het gezag ervan handhaaft, hoewel dat gezag zich alleen kan openbaren in vervloeking!) En waaruit bestond het geloof van Rachab? Het was het geloof, dat erkent dat God met Zijn volk is, hoe zwak en hoe klein het ook is, terwijl het, geliefd door God, nog dolende op aarde is zonder vaderland, en nog niet in het bezit van zijn erfenis. Waar Abraham God geloofde toen er nog geen volk was, daar vereenzelvigde Rachab zich met dat volk, toen het nog niets bezat dan God. Zij wist dat de erfenis eraan toebehoorde, en dat, hoe sterk de vijand ook mocht zijn, en ondanks de ommuurde steden en wagens van ijzer, hun hart versmolten was. Dit is altijd het geval met de werktuigen van de vijand, hoe ze zich ook mogen voordoen, als het volk van God onder de leiding van de Heilige Geest in de weg van de gehoorzaamheid wandelt, die door God is aangegeven.

Zo wordt deze vrouw uit het midden van de heidenen gered. Ze was een verdorven en verachtelijk lid van een geslacht dat ten dode was opgeschreven, maar haar naam is een getuigenis ter verheerlijking van God. Haar huis, dat kenbaar was aan een waarteken, het scharlaken snoer, wordt de toevlucht en de veiligheid van allen, die daarin schuilen en in de gegeven belofte rusten.

Hoofdstuk 3

En nu moet het volk het beloofde land binnengaan. Maar hoe? Want de Jordaan, tot aan zijn oevers gevuld, lag als een hindernis voor het volk van God, en beveiligde tevens het grondgebied van hen, die zich kantten tegen zijn verwachting. De Jordaan stelt de dood voor, maar dan meer als het einde van het natuurlijk leven en als teken van de macht van de vijand, dan als het getuigenis en het gevolg van het rechtvaardig oordeel van God. De doortocht door de Rode Zee stelde ook de dood voor, maar het volk werd daar (in het type) gezien als deelgenoot in de dood en de opstanding van de Heer Jezus, die hun verlossing tot stand bracht en hen voor eeuwig van Egypte, het diensthuis, afscheidde; dat is, van hun plaats naar het vlees, en dus van al de macht van satan 3, evenals het bloed aan de deurpost hen van het oordeel van God had bevrijd. Het was volledige verlossing: de dood en de opstanding van Christus in hun werkelijke en innerlijke waarde: vanuit dit gezichtspunt, is het een volledig en voleindigd werk, dat ons tot God brengt, en niet een geschiedenis van wat we kunnen doormaken, als we werkelijk tot dit resultaat komen (zie Exodus 15:13,17 en 19:4). Daarom werd zelfs het oordeel uitgeoefend. Maar pas bij de Sinaï, en niet daarvoor, nam, historisch gezien, de wet de plaats van de eredienst in. Daar begon het volk zijn pelgrimstocht door de woestijn 4.

De verlossing, de volkomen verlossing door het kostbaar bloed van Jezus, is de intrede van de christen in deze pelgrimstocht. Met God gaat hij door deze wereld, als door een droog en dorstig land waar geen water is. Maar deze pelgrimstocht, is slechts het leven hier beneden, hoewel het leven van een verloste. In de brief aan de Romeinen zien we dit alles duidelijk voor ogen gesteld.

Maar, zoals we gezien hebben, is er een hemels leven. Het is de strijd in de hemelse gewesten. En dit leven ervaren we tegelijkertijd met de woestijnreis. Als ik zeg: “tegelijkertijd”, bedoel ik niet, op hetzelfde ogenblik, maar gedurende dezelfde periode van ons leven op aarde. Er zijn ogenblikken, waarop we onder de invloed van de hoop op een beter Vaderland door deze wereld gaan, getrouw of ontrouw in de omstandigheden van alle dag. Maar dat is iets anders dan geestelijke strijd voeren om het bezit van de beloften en de hemelse voorrechten en in de Naam van God de macht van satan te overwinnen. Wij zijn mensen, die al gestorven en opgestaan zijn en niet meer tot deze wereld behoren. Deze beide dingen moeten in het christelijk leven verwezenlijkt worden. Dus, als mensen die gestorven en opgestaan zijn met Christus, voeren we de geestelijke strijd. Om te kunnen strijden in Kanaän, moeten we de Jordaan gepasseerd zijn. 5

De Jordaan is dus de dood en de opstanding met Christus in hun geestelijke kracht gezien, en niet in hun werkzaamheid om zondaars te rechtvaardigen. Het is de verandering van toestand en positie, die tot stand is gebracht in hen, die aan die dood en opstanding deel hebben, om het leven in verbinding met de hemelse gewesten, waar Christus is ingegaan, te verwezenlijken6.

Een vergelijking tussen Filippi 3 en Kolosse 2-3 laat ons zien, hoe dood en opstanding verbonden zijn met het ware karakter van de besnijdenis van Christus. In Filippi 3 is de wederkomst van Christus voorgesteld als de voltooiing van het werk door de opstanding van het lichaam. We worden daar niet gezien als nu met Hem opgestaan, maar als praktisch de loopbaan lopende met Christus en met de opstanding in het vooruitzicht. Dit is het kenmerk van de gehele brief. Het is niet wat het geloof veronderstelt ten opzichte van onze positie, maar de tegenwoordige loop om het bezit ervan. Hier is dus alles objectief. Niet het “in Christus zijn” of “met Hem”, maar: “dat ik Christus mag winnen en de opstanding uit de doden”. Paulus had alles opgegeven om de uitnemendheid van de kennis van Christus, en begeerde de kracht van Zijn opstanding te kennen. Zelfs de rechtvaardigmaking wordt in dit hoofdstuk gezien als het einde van zijn loop.

Zowel in de ene als in de andere passage, wordt er van het hemels leven gesproken als van iets dat aanwezig is, maar er is, zelfs hier beneden een volkomen scheiding tussen de pelgrimsreis en dit hemels leven, hoewel het laatste op een machtige wijze het karakter van ons pelgrimsleven beïnvloedt.

En dit brengt ons op een zeer belangrijk onderwerp, dat ik hier niet uitvoerig kan behandelen, namelijk het verband tussen het leven zoals het zich hier openbaart, en het voorwerp dat het najaagt. Zij, die in de geest zijn, richten hun aandacht op geestelijke dingen. Het nieuwe leven vloeit voort uit wat goddelijk en hemels is, uit Christus (het speciale onderwerp van Johannes). Het behoort bij de opgestane toestand in heerlijkheid, en heeft daar zijn volle ontwikkeling en plaats. Ons burgerschap is in de hemelen, en dat maakt ons tot pelgrims op aarde. Het hemels leven hoort in de hemel thuis, want de tweede mens is “uit de hemel” (1 Korinthe 15:47). De volle ontwikkeling van dit leven kent geen pelgrimsreis. Dan zijn we thuis in het huis van de Vader, evenals Christus. Maar hier beneden ontwikkelt dit leven zich tijdens onze pelgrimstocht en heeft het dit hemels karakter. Het ontplooit zich al meer en meer en heeft een groeiend begrip van wat hemels is (zie 2 Korinthe 3:3,17,18; 4:17,18 en Efeze 4:15; 1 Johannes 3:2,3 en vele andere plaatsen). Ons voorwerp is in de hemel, en dat maakt ons noodzakelijkerwijs tot vreemdelingen en pelgrims hier beneden, terwijl we naar de mate van onze getrouwheid verklaren dat we een vaderland zoeken (Hebreeën 11:14), namelijk het vaderland, waar ons leven thuis hoort. Dientengevolge vormt het zich hier, om Christus te openbaren, en het schikt zich naar de omstandigheden waardoor we gaan; het heeft hier zijn plichten, een gehoorzaamheid en een dienst. Het uitgangspunt van dit leven is, dat we enerzijds gestorven en opgestaan zijn met Christus, en anderzijds dat we in Hem in hemelse gewesten gezet zijn. Maar dat laatste is nu ons onderwerp niet.

Het is dat van Efeze, terwijl het eerste meer dat van Kolosse is. Hoewel Christus dat leven en de openbaring ervan in pelgrimschap hier beneden heeft geleefd, had Hij als mens een doel vóór Zich: “Die om de vreugde die vóór Hem lag, [het] kruis heeft verdragen, terwijl Hij [de] schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van God” (Hebreeën 12:2). Dit is hoogst belangrijk. Zijn leven, God-zelf, (dit is meer de leer van Johannes) moest worden geopenbaard, en wel aangepast aan het toneel waar Hij doorging. Maar daar Hij waarachtig mens was, wandelde Hij met een doel vóór Zich, dat richting gaf aan al Zijn handelingen. Het feit, dat Hij “het Leven” was, en dat Hij, om het te leven, aan Zichzelf niet behoefde te sterven, zoals wij aan onze boze natuur, maakt het moeilijker Zijn geval te begrijpen. Maar Zijn gehoorzaamheid (en Hij leerde wat dat was), Zijn lijden en Zijn geduld, alles had betrekking op Zijn leven hier beneden. Het medelijden en de genade ten opzichte van Zijn discipelen, en al de trekken van Zijn leven, (hoewel het goddelijk was en Hij kon zeggen: “De Zoon des mensen, Die in de hemel is”) waren de ontwikkeling van het hemels en goddelijk leven hier beneden.
Bij de Heer Jezus was de invloed van dat goddelijk leven volmaakt en zuiver. Maar Zijn leven in verbinding met de mensen was kennelijk daarvan onderscheiden, hoewel het altijd de uitdrukking was van Zijn hemels gemeenschapsleven en van Zijn goddelijke natuur. De vreugde van het hemels leven stelde al de beweegredenen van het lagere aardse leven geheel terzijde. Dit heeft voor Zijn aardse leven in verbinding met de mensen, het lijden als gevolg, maar het resultaat was een leven in volmaakt geduld voor God. In Hem was alles zonder zonde, maar Zijn vreugde was (behalve als Hij in genade handelde te midden van droefheid en zonde) hemels. Zo is het ook met de christen. Er is in het geheel geen verbinding tussen deze twee sferen van leven. Het natuurlijke heeft in het geheel geen deel aan het leven van boven. In het leven van hier beneden, zijn dingen, die tot de natuur en tot deze wereld behoren. Niet in de slechte zin van het woord “wereld”, maar als schepping gezien. Niets hiervan komt in het leven van Kanaän.

Christus alleen, kon door de dood gaan, en terwijl Hij daar was hem zijn kracht ontnemen door het bloed van het eeuwige verbond te storten. Hij alleen kon weer opstaan uit de dood in de werkelijke kracht van het leven, dat in Hem was. Want: “In Hem was Leven”. Dit geschiedde door louter goddelijke kracht. God wekte Christus uit de doden op tot een getuigenis van de volle aanneming van Zijn werk. Omdat Christus God was, kon Hij zeggen: “Breekt dit tempelhuis af en in drie dagen zal Ik het oprichten.” Het was ook niet mogelijk dat Hij “door de dood kon vastgehouden worden” (Handelingen 2:24). Maar Hij stond niet op door enige kracht van geestelijk leven als mens, hoewel we weten, dat zoals Hij het leven aflegde, Hij het weer aannam; en dit door het gebod dat Hij van de Vader had ontvangen. Hierin kunnen wij de Godheid niet van de mensheid scheiden. Ik spreek van de handeling en niet van Zijn Persoon. Hij had macht om het weer te nemen, maar het was steeds gehoorzaamheid. We voelen het hier bij elke stap: niemand kent de Zoon dan de Vader. Hij heeft deze weg gebaand. Hij heeft de dood veranderd in een kracht, die het vlees, dat ons kluistert, vernietigt. Hij heeft ons verlost van datgene in ons, wat de vijand, tegen wie we moeten strijden, een groot voordeel verschaft, namelijk het vlees, terwijl we vanaf hetzelfde ogenblik in Kanaän zijn. Daarom zegt de Apostel: “Alles is van u, hetzij leven, hetzij dood”. Ieder waar christen is dus gestorven en opgestaan in Christus. Het te weten en het te verwezenlijken is niet hetzelfde. Maar God stelt ons de voorrechten van de christen voor ogen in hun werkelijke kracht in Christus.

De Ark van Jahweh ging voor het volk heen. Het moest een ruimte laten van tweeduizend ellen tussen de ark en hen opdat ze de weg zouden kennen, die ze zouden gaan. Want voorheen waren ze door die weg niet gegaan. Wie was er werkelijk door de dood gegaan en boven zijn macht verrezen, voordat Christus, de ware ark van het verbond, deze weg had geopend? De mens, hetzij schuldeloos, hetzij zondig, kon in deze niets doen. Deze weg was aan beiden even onbekend als het hemels leven dat volgde. Dit leven, in zijn eigen sfeer en in de oefeningen waarover hier gesproken wordt, ligt geheel aan de overzijde van de Jordaan. De geestelijke strijd past niet bij de mens, die hier beneden leeft, ofschoon zoals we gezien hebben, de verwezenlijking van de hemelse dingen, waarin we gebracht zijn, inwerken op het karakter van ons geloof hier beneden. En onze droefheid en moeiten dragen onder Gods genade ertoe bij, dat onze blik verhelderd wordt ten opzichte van de heerlijkheid, waarnaar we uitzien. Zie 2 Korinthe 5:2-5, en hoe vers 5 weer teruggrijpt op de hoop in vers 2. Geen enkele woestijnervaring, van hoeveel trouw ze ook moge getuigen, heeft rechtstreeks iets te maken met dit hemels leven, hoewel de druiven van Kanaän ons op de weg bemoedigen. Maar Christus heeft voor de Zijnen alle macht van de dood vernietigd, voor zover het de kracht van de vijand is en het symbool van zijn rijk. Het is nu slechts het getuigenis van de macht van Jezus geworden. Het is inderdaad de dood, maar zoals we gezegd hebben, de dood van datgene, wat ons gebonden hield.

Ik wil nu nog enkele korte opmerkingen maken. “De Heere van heel de aarde” is de titel die Jozua herhaalt als die, welke God heeft aangenomen, want als getuigenis van deze grote waarheid heeft God Israël in Kanaän geplant. Naar Zijn raadsbesluiten, zal Hij in de toekomst in kracht bevestigen, wat Hij in de handen van Israël gesteld had en wat zij naar hun verantwoordelijkheid moesten bewaren. Dit laatste beginsel is de sleutel tot de gehele geschiedenis van de bijbel, wat betreft de mens, Israël, de wet en alles wat hiermee in verband staat. Alles wordt eerst aan de mens toevertrouwd die altijd faalt, en daarna voltooit God het in zegen en kracht in de laatste Adam. Maar dan met een oneindig grotere heerlijkheid en in overeenstemming met Zijn raadsbesluiten van voor de grondlegging van de wereld.

Dit hoofdstuk geeft ons dus zeer duidelijke aanwijzingen ten opzichte van wat God beloofd heeft te zullen volbrengen in de laatste dagen, wanneer Hij Zich in waarheid “De Heere van heel de aarde” zal betonen, en Israël door Zijn grote kracht in genade terug zal brengen. En we moeten letten op dit getuigenis van het voornemen van God, namelijk om Israël weer in zijn land te plaatsen. De oogsttijd zal komen, en de kracht van de vijand zal de oevers overstromen. Maar wij zijn als christenen al aan de overzijde. De kracht van de vijand heeft in de dood van de Heer Jezus alle grenzen overschreden, en wij zeggen nu niet: “de Heere van heel de aarde”, maar: “Alle macht is Hem gegeven in hemel en op aarde”.

Laten we nu nog zien hoe God Zijn volk bemoedigt. Ze moeten strijden. Om het beloofde land te bezitten, moeten ze hun voetzool op elk deel van het land zetten, en in de strijd moet zowel de macht van de vijand, als de algehele afhankelijkheid van God worden ervaren. Maar als men de strijd geheel voor Hem voert, wil God ook dat we weten, dat de overwinning verzekerd is. De verspieders zeiden tot Jozua: “De HEERE heeft ons heel dat land in handen gegeven, want ook alle inwoners van het land zijn voor ons weggesmolten van angst”. Dit weten en voelen wij door het getuigenis van de Heilige Geest, dat zo verschillend is van dat van het vlees, uitgebracht door de tien mannen, die met Kaleb en Jozua eertijds waren teruggekeerd.

Hoofdstuk 4

Maar als wij door de kracht van de Geest van God in een leven gebracht zijn, dat aan de andere zijde van de dood ligt omdat we in Christus gestorven en opgestaan zijn, is het nodig ons die dood te herinneren, waardoor we bevrijd zijn geworden van alles wat aan deze zijde daarvan is; van de ruïne van de mens zoals hij is, en van de gevallen schepping waartoe hij behoort. Twaalf mannen, van elke stam een, moesten stenen brengen vanuit het midden van de Jordaan, waar de voeten van de priesters onbeweeglijk op het droge stonden met de Ark, terwijl heel Israël op het droge overtrok.

De Heilige Geest neemt bij wijze van spreken, het ontroerende gedenkteken aan de dood van de Heer Jezus met Zich mee. Deze dood heeft door Zijn macht al de gevolgen van de kracht van de vijand van de zielen veranderd in leven en in verlossing van alles wat niet kon ingaan in hemelse dingen, en tevens de grondslag gelegd voor ons deelhebben daaraan. De dood stijgt met ons vanuit de diepte van het graf van de Heer Jezus, doch nu niet meer als dood. Hij is leven voor ons geworden.

En voor het geloof persoonlijk is hij de afwezigheid van alles, wat geen deel kan hebben aan wat hemels is. Dit gedenkteken werd opgezet in Gilgal; de bedoeling van deze handeling zal in het volgende hoofdstuk besproken worden. We willen nu slechts stilstaan bij het gedenkteken zelf. De twaalf stenen, voor de twaalf stammen, laten deze stammen als één geheel voor God zien. Dit getal is het symbool van de volkomenheid in menselijke werking. En dit hier, zoals elders, in verbinding met Christus. We zien dit bijvoorbeeld ook bij de toonbroden.

Als christenen worden wij door de Heilige Geest in een meer bevoorrechte positie geplaatst. Er waren twaalf toonbroden en wij vormen slechts één brood, in ons leven van vereniging door de Heilige Geest met Christus, ons Hoofd, Die het leven is waarvan wij spreken. Door het “gedenkteken”,7 dat Zijn tedere goedheid ons heeft nagelaten, wordt Zijn dood ons in herinnering gebracht. En onze Heer is zo nederbuigend goed, onze gedachtenis van Zijn liefde op prijs te stellen.

Ik spreek hier alleen van deze gedachtenis als van het teken van datgene, wat altijd werkelijkheid voor ons moest zijn. We eten Zijn vlees en we drinken Zijn leven, dat Hij voor ons heeft gegeven. Omdat we nu één zijn in de kracht van onze vereniging met de opgestane en verheerlijkte Christus, (want ik spreek hier van onze volmaakte positie, namelijk dood voor de wereld en de zonde) brengen we van de bodem van de rivier, waarin Hij neerdaalde om die voor ons een weg van leven (hemels leven) te maken, de kostbare gedachtenis mee van Zijn liefde en van de plaats, waar Hij Zijn werk volbracht. We eten een lichaam, waarvan het leven door bloedstorting is geëindigd 8 en we drinken een vergoten bloed. Daarom was het eten van bloed aan Israël naar het vlees absoluut verboden; want hoe kan de dood gedronken worden door hen, die sterfelijk zijn? Maar wij drinken het, omdat we, levende met Hem, alleen leven door de dood van Christus. En wij leven met Hem; als we de dood van datgene, wat sterfelijk is, verwezenlijken.

De herinnering aan de Jordaan, dus aan de dood toen Christus daarin was, is de herinnering aan die macht, die onze redding heeft verzekerd in het laatste bolwerk van hem, die de macht van de dood had. Het is de herinnering aan die liefde, die in de dood ging, opdat de dood ten opzichte van ons al zijn macht zou verliezen, behalve om ons goed te doen en voor ons een getuigenis te zijn van een eeuwige en onveranderlijke liefde.

Hoofdstuk 5

De kracht van het opstandingsleven ontneemt alle macht aan satan: “Wie uit God geboren is, bewaart zichzelf en de boze heeft geen vat op hem”. In ons aardse leven worden we blootgesteld aan de macht van de vijand, omdat we het vlees in ons hebben, maar de genade van Christus is ons genoeg. Zijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Maar het schepsel heeft geen kracht tegen satan, zelfs al zou het niet meegesleept worden in daadwerkelijke zonden. Maar als de dood onze schuilplaats is geworden, en ons laat sterven aan alles, wat satan een voordeel over ons zou kunnen geven, wat kan satan dan nog doen? Kan hij een dode verzoeken, of iemand overwinnen, die gestorven is en weer leeft? Maar als dit alles waar is, dan is de verwezenlijking van deze dingen in het praktische leven ook noodzakelijk: “U bent gestorven”………“Doodt dan”……… (Kolosse 3:3-5). Dat wil Gilgal ons leren. Wij moeten altijd het sterven van Jezus in het lichaam omdragen, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt (2 Korinthe 4:10).9

We zien hier, dat het er nog niet om gaat om de steden te veroveren, de verwezenlijking van de beloften van God. Het eerst van alles moet het “IK” sterven. Gideon moest eerst het altaar, dat in zijn eigen huis was, omverwerpen voor hij Midian kon overwinnen.

Merk verder op, dat de woestijn de plaats niet is waar de besnijdenis wordt uitgevoerd, zelfs dan niet als we er trouw geweest zijn. Als we behouden zijn, neemt de wereld voor ons het karakter aan van een woestijn, waar het vlees, dat in ons is, wordt beproefd. De dood, en ons binnengaan in de hemelse gewesten, oordelen de gehele natuur waarin we in deze wereld leven. Maar dan wordt in de kracht van onze dood en opstanding met Christus de dood praktisch toegepast, en de besnijdenis is de toepassing van de kracht van de Geest voor de doding van het vlees in ons, die deel hebben aan de dood en de opstanding van Christus (vergelijk 2 Korinthe 4:10-12). Daarom zegt Paulus in Filippi 3: “Wij zijn de besnijdenis”.

Wat het uiterlijke leven betreft, had Paulus de besnijdenis al ontvangen. Had hij nu bij zijn godsdienst van vormen ware vroomheid gevoegd? Waarachtige vrees voor God bij zijn goede werken? Het ging veel verder. Christus had bij hem de plaats van dit alles ingenomen. Ten eerste, wat betreft de gerechtigheid, die de grondslag is. Maar verder zegt hij: “Om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding … terwijl ik aan Zijn dood gelijkvormig word, om hoe dan ook te komen tot de opstanding uit [de] doden”. Daarom verwacht hij de komst van de Heer Jezus terwijl hij “jaagt naar het wit”, want dan eerst zal deze opstanding, wat zijn lichaam betreft, volmaakt zijn.

In Kolosse 2 spreekt hij tot ons over de besnijdenis van Christus. Betekent dat alleen dat hij heeft opgehouden met zondigen (inderdaad het zekere gevolg van het werk van God)? Nee, dat niet, want om dit werk van God te beschrijven voegt hij eraan toe: “Met Hem begraven in de doop. In Hem bent u ook mee opgewekt door het geloof in de werking van God, Die Hem uit [de] doden heeft opgewekt”.

De gevolgen van dit hemelse leven worden gevonden in hoofdstuk 3:1, dat in onmiddellijke betrekking staat tot het zo juist aangehaalde vers. Ook hier wordt het werk bekroond door de openbaring van de heiligen met de Heer Jezus, wanneer Hij zal verschijnen. Niet als Hij zal komen om hen op te nemen, want het hemels deel is in Kolosse weggelaten, behalve dat ons leven in de hemel is verborgen en het voorwerp van onze hoop zich daar bevindt. Wat ons hier wordt voorgesteld is, dat we bekwaam gemaakt zijn om eraan deel te hebben.

Ons Gilgal zien we in het vijfde vers, namelijk “Doodt dan”. Het is hier niet: “voor de zonde gestorven”. Het doden is een werkzame kracht. En deze rust op de kracht van wat al werkelijkheid is voor het geloof: “U bent gestorven” “Doodt dan”……Alleen in deze positie kan het verwezenlijkt worden.

“Houdt u voor de zonde dood”, zei de Apostel (Romeinen 6), toen hij over hetzelfde onderwerp sprak 10. In het praktische leven is het de kracht van het type van de uit de Jordaan genomen stenen. Ze zijn een teken van onze vereniging met Christus, Die gestorven is 11. Maar met Hem gestorven, zijn we ook met Hem opgestaan 12.

Maar tevens is er nog een ander gezichtspunt betreffende deze waarheid. Wij waren dood in zonden. En waar wij waren, als het ware op de hellende baan naar beneden, kwam Hij in genade neer als een zoenoffer voor onze zonden. God heeft ons mede levend gemaakt met Hem, alle misdaden ons vergeven hebbende 13. Alles wat Hij heeft gedaan, was voor ons, en terwijl we met Hem verbonden leven, en door de Geest met Hem verenigd zijn, zijn we nu in Hem (maar nog niet met Hem) gezet in de hemelse gewesten 14.

Alles wat Hij heeft gedaan, eigen ik me toe, of liever: God kent het me toe alsof ik het zelf had gedaan. Hij is voor de zonde gestorven, en dus ben ik in Hem voor de zonde gestorven. Daarom kan ik doden (Kolosse 3:5) wat ik niet kon doen als ik nog in het vlees leefde.

Want waar is het leven, de natuur, waarin dat gedaan zou kunnen worden? Ik ben met Hem opgewekt, en ben ook in Hem gezet in de hemelse gewesten. Maar dit laatste is de leer van Kolosse niet meer, maar van Efeze, die de voornemens en raadsbesluiten van God tot onderwerp heeft, en die ons eenvoudig de handeling van Goddelijke Kracht laat zien, die ons neemt als dood in zonden en misdaden, en ons plaatst in Hem. En dit alles als gevolg van de verhoging van Christus aan de rechterhand van God. In Kolosse is het als het ware een proces dat we doorleven: we leefden in zonden (dus niet dood) en door de dood zijn we gebracht tot een beter leven in Christus. De andere kant, die van Efeze, is eveneens waar, zoals ik al heb gezegd. Maar de brief aan Kolosse spreekt ons van de werkelijke praktische verandering, die we ondergaan hebben, uitgedrukt in de woorden: gestorven en opgestaan met Hem. En dat is het onderwerp, dat we nu in het boek Jozua in type voor ons hebben.

Daar nu de besnijdenis de praktische toepassing is van alles, wat we besproken hebben (namelijk de dood van Christus aan de zonde, aan alles wat tegengesteld is aan onze positie als opgestaan met Christus, en “het lichaam van het vlees” wordt genoemd. Kolosse 2:11), houden we de dood van de Heer Jezus in gedachtenis en de doding van onze leden, die op aarde zijn, voltrekt zich aan ons alleen door genade, en in het bewustzijn daarvan. Anders is het niets dan de inspanning van een ziel onder de wet. Dan zou er een slecht geweten zijn en geen kracht. Dit was het geval bij oprechte monniken, maar hun pogingen werden niet in de kracht van de genade van Christus gedaan. En als er oprechtheid was, werd er tevens de diepste geestelijke ellende gezien. Om te kunnen doden, moet er leven zijn. En als we leven hebben, zijn we al gestorven in Hem, die voor ons gestorven is.

De in Gilgal opgerichte stenen waren in het midden van de Jordaan genomen, en de Jordaan was al gepasseerd toen Israël werd besneden. De herinnering aan genade en dood, als het getuigenis van een liefde, die voor ons het heil volkomen maakte door onze zonden in genade op zich te nemen en eens voor altijd voor de zonde te sterven, bevond zich daar waar het gestorven zijn aan de zonde moest verwezenlijkt worden.

Wat Hij gestorven is, is Hij eens voor altijd voor de zonde gestorven, en wij houden ons voor de zonde dood. Het sterven van Christus voor de zonden in volmaakte liefde en onfeilbaar in zijn uitwerking, en Zijn sterven aan de zonde, geeft ons vrede door Zijn bloed ten opzichte van de zonde en de zonden, en stelt ons ook in staat om ons door genade voor de zonde dood te houden en onze leden, die op de aarde zijn, te doden.
In alle omstandigheden is het dus nodig zich te herinneren, dat men gestorven is en men moet tot zichzelf zeggen: “Als ik door genade gestorven ben, wat heb ik dan nog met de zonde te doen, die veronderstelt dat ik nog leef?” Als we zo de dood van Christus bezien, zien we de schoonheid en de kracht van Zijn genade. Het is de verlossing zelf en de zedelijke invoering in een positie, waarin we bekwaam zijn gemaakt om deel te hebben aan de erfenis van de heiligen in het licht. Wat de heerlijkheid betreft en het lopen in de wedloop, zegt de apostel: “Ik jaag ernaar, of ik het ook mocht grijpen, omdat ik door Christus <Jezus> ook gegrepen ben.” Maar dat laatste is nu ons onderwerp niet.

Dus alleen door gestorven te zijn, wordt de smaad van Egypte weggenomen. Elk kenmerk van de wereld, is een smaad voor hem, die hemels is. Alleen de hemelse mens, die met Christus is gestorven, ontdoet zich van alles wat van Egypte is. Het leven naar het vlees houdt altijd aan Egypte vast, maar het beginsel van wereldgelijkvormigheid is uitgeroeid in hem, die met Christus gestorven en opgewekt is en het hemels leven leeft. Er is in het leven van een mens, die naar de wereld leeft (Kolosse 2:20), een noodzakelijke verbinding met de wereld zoals God deze ziet, namelijk verdorven en zondig. Met een dood mens is dit niet het geval. Het leven van een opgewekt mens is niet van deze wereld; het heeft daarmee geen verbinding. Hij, die dit leven bezit kan door de wereld gaan en veel dingen doen, die anderen ook doen. Hij eet, werkt en lijdt, maar wat zijn leven en zijn doel betreft is hij niet van deze wereld, evenmin als Christus van deze wereld was. Christus, Die opgestaan en naar de hemel gevaren is, is zijn leven. Hij bedwingt zijn vlees, hij doodt het, want in feite is het hier beneden, hoewel hij er niet in leeft. De legerplaats was altijd Gilgal. Het volk (het leger van Jahweh) keerde altijd daarheen terug na hun overwinningen en hun strijd. Als we dat niet doen, zullen we zwak zijn. Het vlees zal ons bedriegen en we zullen in het uur van de strijd aan de vijand overgeleverd zijn, zelfs in de strijd die we het oprechtst ingegaan zijn in de dienst van God. Te Gilgal is het gedenkteken van de stenen uit de Jordaan opgericht; want als het bewustzijn, dat we met Christus gestorven zijn, noodzakelijk is om het vlees te kunnen doden, ontvangen we door deze doding de praktische kennis van wat dit gestorven zijn in werkelijkheid is.

We kunnen de innerlijke gemeenschap (ik spreek nu niet over de rechtvaardigmaking) en het zoet en goddelijk genot van de dood van de Heer Jezus voor ons niet verwezenlijken, als het vlees niet gedood is. Dat is onmogelijk. Maar als we terugkeren naar Gilgal, naar de doding van ons eigen vlees, zien we daar de oneindige schoonheid van de machtige uitwerking van deze vereniging met de dood van de Heer Jezus, met de liefde die daarin is geopenbaard. De Apostel zegt: “Altijd het sterven van Jezus in het lichaam omdragend, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt” (2 Korinthe 4:10). Dus blijven we niet in de Jordaan, maar wel blijft al de kostbaarheid van dit heerlijke werk in onze harten. Een werk, waar de engelen begerig waren in te zien, en dat door Christus in Zijn liefde voor ons is tot stand gebracht. Hij is met ons te Gilgal. Het is geen plaats van uiterlijk vertoon, of van overwinning om de ogen van de mensen te boeien. Maar Hij, die de bron van alle overwinning is, is daar in de kracht en de gemeenschap, die ons bekwaam maken om te overwinnen.

Maar er waren ook nog twaalf stenen in het midden van de Jordaan opgezet. En inderdaad, als we de kracht van de dood van de Heer Jezus toepassen om het vlees te doden, bemint het hart, dat geoefend is en zich ten volle verheugt in deze hemelse dingen, de terugkeer naar de Jordaan; naar de plaats, waar Jezus is ingegaan in de kracht van leven en gehoorzaamheid, om in stilte de ark van het verbond te bewonderen, die eenmaal daar stond om de woeste wateren te beteugelen totdat het gehele volk was overgetrokken. Terwijl men de macht van de dood in zijn gehele omvang voor zich ziet, heeft men, nu Hij is opgestaan, de aanschouwing van de Heer Jezus, die de dood is ingegaan en de macht daarvan voor ons heeft vernietigd, lief.

In de overstromende vloed van de volken, zal Christus de zekerheid en de bevrijding voor Israël zijn. Maar Hij is onze schuilplaats en verlossing geweest ten opzichte van veel ergere vijanden. Het gelovig hart zit graag aan de oevers van deze al overgetrokken vloed, en terwijl men zich voor ogen stelt wie Jezus is, denkt men aan het werk en de wondere liefde van Hem, die geheel alleen daarin neerdaalde totdat alles was volbracht. Maar in zekere zin waren ook wij daar. De twaalf stenen tonen ons, dat het volk met het werk verbonden is, hoewel de Ark daar geheel alleen was toen de wateren moesten worden bedwongen.
In de psalmen kunnen we in het bijzonder de Heer in deze toestand zien, nu wij in vrede aan de andere zijde van de stroom zijn. O, dat ieder christen, iedereen in de Gemeente, wist, hoe hij zich daar moest zetten, om daar in stilte te overpeinzen, hoe Jezus geheel alleen in de dood neerdaalde toen deze “helemaal buiten zijn oevers was getreden”. Toen Hij de prikkel ervan voelde en daarmee de kracht van het goddelijk oordeel. Wat de leer betreft, tonen ons de psalmen het verband tussen de dood van de Heer Jezus en het overblijfsel van Israël, wanneer dit in de laatste dagen door de wateren van de beproeving zal gaan.
We zien hier dus het volk van Israël buiten Egypte en in Kanaän naar de getrouwheid van de beloften van God. Maar ze bezitten in Kanaän nog niets en hebben nog geen enkele overwinning behaald. In type zien we hier dus wat ons in de brief aan Kolosse wordt geleerd. “Bekwaam gemaakt om deel te hebben”, en “het erfdeel van de heiligen” in het vooruitzicht;15 niet alleen uit Egypte verlost, maar ook in Kanaän gebracht en de smaad van Egypte afgewenteld. Zo neemt het volk van God zijn plaats te Gilgal in. En dat is de ware besnijdenis van het hart waarover we gesproken hebben.

Israël legerde zich te Gilgal. Voor hun overwinningen, wordt hier het karakter van hun gemeenschap met God beschreven. Ze houden het Pascha in de vlakke velden van Jericho. Jahweh heeft hun een tafel toebereid voor het aangezicht van hun vijanden. Het was hier niet meer zoals in Egypte, waar het bloed aan de bovendorpel en aan de beide zijposten werd gesprenkeld, opdat ze veilig zouden zijn voor de verderver en bewaard zouden worden voor het laatste oordeel, dat verschrikking bracht in elk huis waar het bloed niet werd gezien.

Wij hebben ook op deze wijze het bloed van Christus nodig, omdat het oordeel dreigt op het gebied van zonde en satan, hoewel we door God geroepen worden om eruit te gaan. De gerechtigheid van God en ons geweten eisen dat. Maar hier is het niet langer zo. Het is hier de herinnering aan een volkomen verlossing. Het is ook niet de deelname door genade aan de kracht van de dood en de opstanding van Christus. Maar het is de gemeenschap van het hart, en in de geest de zoete herinnering aan een werk, dat geheel het Zijne was. De herinnering aan Zijn dood als een vlekkeloos lam. We eten het als Zijn verlost volk in het genot van deze positie, terwijl we in het land van de belofte en van God zijn. Want dit land behoort ons toe als gevolg van deze verlossing en onze opstanding met Christus. Men kan zich alleen verblijden in de dood van de Heer Jezus, als men, opgestaan met Hem, aan de andere zijde van de Jordaan is. In vrede neerzittend, in gemeenschap met Hem, en met onuitsprekelijke gevoelens van dankbaarheid in onze harten, keren we dan in gedachten terug naar de dood van het Lam. We beschouwen Het en voeden er ons mee. En onze hemelse blijdschap en ons hemels inzicht verhogen steeds meer ons gevoel van de waarde ervan.
De morgen na het Pascha at het volk van het overjarig koren van het land. Opgewekt, naar recht en wezen daarvoor geschikt, en zo in bekwaamheid en hoop in de hemelse gewesten gezeten, genieten we van een hemelse Christus, die de ziel voedt en onderhoudt in haar levenskracht en vreugde 16. Vanaf dat ogenblik houdt ook het manna op. Dit is te meer merkwaardig, omdat, zoals we weten, Christus het ware Manna is. Maar dan Christus naar het vlees en hier beneden; aangepast aan de mens en zijn behoeften in de woestijn. Natuurlijk mogen we Hem ook als zodanig nooit vergeten.

Daarom aanschouw ik de Heer Jezus (God geopenbaard in het vlees) met aanbidding. Mijn ziel voedt zich met de machtige bekoorlijkheid van Zijn genade en Zijn vernedering. Het verheugt zich in het gezegend getuigenis van Zijn liefde, die onze smarten droeg en onze krankheden op zich nam. Ik leer niets te zijn en Hem te dienen, die de laagste plaats innam. Op deze wijze wordt de tedere genegenheid van ons hart, terwijl we door deze wereld gaan, onderhouden. Maar toch zou Hij in deze toestand alleen zijn gebleven. Het tarwegraan moest in de aarde vallen en sterven. Anders bleef het alleen.
Maar, terwijl we weten wie Hij geweest is op aarde, is de Christus Die we nu kennen, Iemand die zich in de hoge heeft gezet. Een, Die van boven kwam, Die stierf, opstond, en opsteeg naar de plaats waar Hij tevoren was. Zijn dood, waarvan we gesproken hebben als een gedachtenis, is ongetwijfeld de grond van alles. Niets is kostbaarder. Maar we zijn nu met een hemelse Christus verbonden, en we gedenken Hem in Zijn mensheid en dood. Zelfs bij het avondmaal van de Heer – analoog aan het Pascha dat hier wordt gehouden – was het: “Doe dit tot Mijn gedachtenis”. En zo is het wat Zijn gehele leven betreft. Het was in de woestijn en dus voor ons ook tot de woestijn behorend. Het is, in onze geringe mate, in het hart of in feite, de gemeenschap aan Zijn lijden.

We beschouwen het kostbare voorbeeld dat Hij ons gegeven heeft als een hemels mens op aarde, en we trachten het na te volgen. Maar terwijl we met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heren aanschouwen, worden wij naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid als door de Heer, de Geest. Hij heeft Zich voor ons geheiligd, opdat ook wij geheiligd zouden zijn door de waarheid. We verblijden ons in het aanschouwen van Zijn genade hier beneden en een lijdende Heiland wint onze genegenheden. Niets is meer kostbaar dan de Zoon van God te beschouwen terwijl Hij het vertrouwen wint van het mensenhart voor God, door Zijn liefde voor hen, toen ze nog ver van Hem verwijderd waren.

Maar onze tegenwoordige gemeenschap is met een hemelse Christus. We kennen hier op aarde een Christus Die in de hemel is, en niet een aardse, zoals de Joden straks zullen kennen. Hij was zonder twijfel het Brood op de aarde, maar dat uit de hemel was neergedaald. Dit is een zeer belangrijke overdenking. Want terwijl we door deze wereld gaan, is Christus als het Manna oneindig kostbaar voor ons. Zijn ootmoed, Zijn nederigheid en Zijn genade vertroosten, ondersteunen en dragen ons. We voelen dat Hij door dezelfde beproevingen is gegaan, en ons hart wordt versterkt door de gedachte, dat dezelfde Christus met ons is. Dit is de Christus die we als voedsel nodig hebben voor de woestijn; het Brood dat uit de hemel is neergedaald. Maar als een hemels volk, zijn het echter Christus als tot de hemel behorend en de met Hem daar verbonden dingen die ons voedsel vormen. Dit is het overjarig koren van het land, want we zijn met de ten hemel gevaren Christus verenigd. Daar is Hij ons Leven. Kortom: we voeden ons met hemelse dingen, met Christus in de hemel. Met een vernederde en gestorven Christus als een lieflijke herinnering, maar met Christus die leeft als de tegenwoordige kracht van leven en genade. We voeden ons dus met de herinnering aan Christus op het kruis; dat is ons Pascha. Maar we vieren het feest met een Christus die het middelpunt van hemelse dingen is (Kolosse 3:1,2). We voeden ons met alles wat zich daar bevindt. Dat is het overjarig koren van het land, dat we zijn ingegaan. Want Hij is hemels.
Dus alvorens strijd te leveren voor de muren van Jericho, die de macht van de vijand voorstellen, geeft God ons de vruchten van het hemels land te genieten, omdat alles het onze is. We herinneren ons de dood van de Heer Jezus als een verlossing, die al lang is volbracht, en we voeden ons met het overjarig koren van het land; met hemelse dingen als ons wezenlijk deel. Want, opgewekt met Christus, is door Zijn genade alles het onze.

Na deze schone tekening van de positie en de voorrechten van het volk van God, die naar het recht van God alles genieten kunnen vóór ze nog gestreden hebben, zien we toch dat de strijd moet volgen. Maar om strijd te voeren en de overwinning te behalen, is nog één ding noodzakelijk. Jahweh stelt Zichzelf voor als de Vorst van het leger van de HEERE. Hijzelf leidt ons. Hij is aanwezig met een getrokken zwaard in Zijn hand. Het geloof kent geen neutraliteit in hemelse dingen 17. En Jozua zei tot Hem: “Zijt ge voor ons of voor onze vijanden?” En Hij zei: “Nee, maar als Vorst van het Heir des Heren ben Ik nu gekomen” (vers 14. Vert. J.N.D.).
We moeten hier opmerken, dat de aanwezigheid van Jahweh als Vorst van het leger van de HEERE, even grote heiligheid en eerbied vraagt, als toen Hij neerkwam om Zijn volk te verlossen; toen de rechtvaardige eisen van die heiligheid en goddelijke majesteit in de dood van de Heer Jezus openbaar werden, en door Hem, toen Hij Zich overgaf, voor eeuwig werden gehandhaafd en bevestigd. Zoals Hij was, die Zich de “IK BEN” noemde, toen Hij neerkwam in gerechtigheid en majesteit, zo is Hij ook nu, als Hij in het midden van Zijn volk staat om het te zegenen en het aan te voeren in de strijd.

In de strijd is de almacht van God met de gemeente. Maar Zijn volstrekte heiligheid is evenzo aanwezig, en Hij zal Zijn kracht niet betonen, als Zijn heiligheid gecompromitteerd wordt door verontreiniging, achteloosheid, zorgeloze lichtzinnigheid van Zijn volk, of door gebrek aan gevoelens die de tegenwoordigheid van God betamen. Want Hij Zelf is daar.

Hoofdstuk 6

Hier vinden we de beginselen waarop de overwinningen van Israël gegrond zijn. Het is geheel het werk van God. Hij oefent Zijn volk wel in de strijd, maar alles wordt toch door Hem gedaan. “Het volk klom de stad in, ieder recht voor zich uit”. Er is hier een onderwerping aan het gebruik van middelen, en een gewilligheid om een weg te volgen, die in de ogen van de wereld absurd en zonder doel is, maar die luide de tegenwoordigheid van Jahweh in het midden van Zijn volk verkondigt. Er is een gehele afhankelijkheid van God en een volkomen vertrouwen in Hem, dat ons laat zien, dat men niets anders wil doen dan Hem gehoorzamen. De belofte is zeker, en ze handelen in gehoorzaamheid. Dit is het beginsel. Jozua (die hier het type is van de kracht en het inzicht van de Heilige Geest in de mens) is van het succes verzekerd en daardoor handelt hij zonder aarzelen. Het gevolg was, dat de gehele macht van de vijand te gronde ging zonder het gebruik van enig middel, dat dit kon verklaren.

Een ander beginsel is, dat er op geen enkele wijze gemeenschap moet zijn met datgene, wat de macht van de vijand van God vormt: met de wereld en zijn kracht. Alles is met de ban geslagen. Zo is het ook met ons in deze wereld. Als de wereld van Sodom Abraham verrijkt had, zou hij afhankelijk van die wereld geworden zijn, en aan deze iets te danken hebben. Dan zou hij niet vrij van de wereld geweest zijn om God geheel te kunnen toebehoren. “Past ú echter op voor wat met de ban gewijd is. Anders slaat u zichzelf met de ban”. Als God deze dingen afzondert voor Zichzelf, kan Hij, als Hij dat wil, die voor Zichzelf gebruiken. Maar als de mens, de christen, zich daarmee verbindt, moet de Heer hem oordelen. De muren tot aan de hemel, de grootste hindernissen, zijn als niets voor Hem. Hoe zouden ze een hindernis kunnen zijn voor God? Maar omdat alle kracht uit God is, is een heilige en volledige afzondering van de wereld de voorwaarde van onze kracht. Jericho, dat de kracht en de wapenen van de vijand voorstelt, (omdat het de eerste stad was, die als een slagboom stond opgericht om de voortgang van het volk van God te belemmeren) wordt voor eeuwig onder de vloek gesteld en een oordeel wordt uitgesproken over hem, die de stad herbouwen zou (zie 1 Koningen 16:34). De abstracte beginselen van de kracht van God en de macht van de vijand, worden bij deze stad voorgesteld in hun duidelijkheid en in hun tegenstelling. Maar als God tegenwoordig is en de gehele wereld voor God verdoemelijk is, zien we dat Zijn genade vanuit deze wereld een volk roept, dat door het geloof uit deze gruwelen wordt gered. Rachab, een arme, onwaardige zondares, wordt voor het oordeel gespaard en ontvangt een plaats en een deel met het volk van God. Ja, meer nog, ze zal in de toekomst een plaats innemen in de koninklijke geslachtslijn van onze Heer, evenals dit ook het geval zou zijn met Ruth, de Moabitische (Mattheüs 1:5).

Hoofdstuk 7

Dit hoofdstuk laat ons de beginselen zien van de regering van God in het midden van Zijn volk, dat in de strijd is verwikkeld. Overwinning leidt tot achteloosheid. Men denkt, dat het werk al heel gemakkelijk is. Na de openbaring van de macht van God, is er een soort vertrouwen dat in werkelijkheid niets anders dan zelfvertrouwen is, daar het God buiten beschouwing laat. Dat zien we hier duidelijk. God wordt niet geraadpleegd. Ai was maar een kleine stad. Twee- of drieduizend mensen zouden zich gemakkelijk daarvan meester kunnen maken. Het volk had het land gezien maar God vergeten! We zullen zien wat de gevolgen daarvan waren. Als ze Jahweh geraadpleegd hadden, zou Hij geen antwoord hebben gegeven omdat het verbannene er was, of Hij zou de aanwezigheid ervan bekendgemaakt hebben. Maar ze zochten Zijn raad niet. Ze gingen voorwaarts en werden geslagen. Omringd door de vijand, moet het volk van God vluchten! Het heeft zijn kracht verloren, en vlucht voor de kleinste stad van het land! Wat moeten ze nu doen? Ze weten het niet. Ze zijn in de strijd betrokken, en onbekwaam om te overwinnen. Wat doen ze nog daar, waar alleen de overwinning hun veiligheid is? “Het hart van het volk versmolt, en werd als water”. Jozua riep tot Jahweh, want op zo’n tijd ziet zelfs de mens, die de Geest bezit, zich overvallen, omdat hij niet naar de Geest heeft gehandeld. Hij moet op zijn aangezicht voor Jahweh ter aarde vallen, want hun toestand is niet normaal. Ze is niet naar de Geest, de enige Gids en Wijsheid van Zijn volk. Jozua herinnert zich de kracht, waardoor God het volk over de Jordaan gebracht had, en stelt dat feit tegenover de toestand, waarin ze zich nu bevinden, en die met de vorige in het geheel niet overeenkomt. “Waarom hebt U dit volk de Jordaan toch laten oversteken, om ons in de hand van de Amorieten te geven…… Wat zal ik zeggen?” Het was een verwarde toestand van de ziel. Het ongeloof mengde zich in de herinnering aan de wonderen, die de macht van God had gewerkt. Jozua had het volk lief en hield God de heerlijkheid van Zijn Naam voor, maar met een vreesachtig verlangen om maar aan de overzijde van de Jordaan gebleven te zijn (en wat had hij daar moeten doen? Want het ongeloof denkt altijd verkeerd), weg van de strijd, die tot zulke rampen leidt! Dit is een begeerte, die het ongeloof verraadt, dat het hart heeft verontrust.

We zien hier de toestand van de ziel van een gelovige in de strijd, waarin de Heilige Geest hem brengt, als de innerlijke toestand van de ziel niet overeenstemt met de aanwezigheid van de Heilige Geest, die alleen onze kracht in de strijd is. Er is geen ontkomen aan. De positie, waarin de gelovige zich dan bevindt, is er een waarin kracht wordt vereist. Maar juist de natuur van God verhindert Hem dan die kracht te geven. Men beklaagt zich, terwijl men Zijn kracht erkent en tevens de vijand vreest. Men spreekt van de heerlijkheid van God, maar denkt aan zijn eigen vrees en toestand. Toch was de zaak zeer eenvoudig. “Israël heeft gezondigd”. De mens, ook de geestelijke mens, ziet graag resultaten (omdat ze hem van nabij beroeren), zelfs als hij de kracht van God en de verbinding tussen Hem en Zijn volk erkent. Maar God ziet de oorzaak, en tegelijkertijd wie Hij Zelf is. Het is waar, dat Hij liefde is, maar Hij kan de beginselen van Zijn Wezen niet opofferen, noch Zichzelf verloochenen in de relaties, die gegrond zijn op wat Hijzelf is. Zijn heerlijkheid is zeer zeker door genade aan het welzijn van Zijn volk verbonden. Maar Hij zal, zonder Zijn beginselen in gevaar te brengen, Zijn heerlijkheid handhaven en Zijn volk uiteindelijk zelfs zegenen. Het geloof mag op het zekere resultaat van Zijn trouw rekenen, maar moet tevens het hart (onderworpen aan de wegen van God) in overeenstemming met deze beginselen brengen.

Zijn heerlijkheid zou in het midden van Zijn volk niet gehandhaafd kunnen blijven, als Hij onder hen iets zou toelaten, dat in tegenstelling zou zijn met Zijn Wezen, of als Zijn kracht gebruikt zou worden om hen in een toestand te handhaven, die een verloochening zou zijn van Zijn natuur. De betrekking zou vals worden, en God Zelf zou in een onware positie komen te staan. Dit is totaal onmogelijk. Er was zonde aanwezig, en daardoor wordt de kracht van God niet meer bij hen gevonden. Want God kan Zich met de zonde niet één maken.

En we moeten er wel aan denken, dat hier ook zonde werd gevonden, die door achteloosheid was ontstaan. Want ze waren voorwaarts gegaan zonder God te raadplegen. Het roepen van Jozua tot God bracht niet meteen de verlossing, maar in eerste instantie de openbaarmaking van de zonde. In dit opzicht is God zeer nauwkeurig en precies. Als het bestuur van Zijn volk in het geding is, onderzoekt Hij alles, en weet de kleinste bijzonderheden (vers 11).

God zegt dan ook niet alleen dat Israël niet kon bestaan, maar ook: “U zult niet kunnen bestaan”. Hun zwakheid zou dus blijven. Droevige verandering! Voorheen was het: “Niemand zal voor uw aangezicht bestaan.” En nu kunnen ze zelf niet bestaan! Waar geen heiligheid is, laat God in de praktijk de zwakheid van Zijn volk zien, want er is alleen kracht in Hem. En Hij kan niet uitgaan met hen, als de heiligheid ontbreekt, noch op deze wijze de zonde bekrachtigen en aanmoedigen. Laten we hier echter opmerken, dat God Zijn zegen niet meteen wegneemt van hen die ontrouw zijn. Enerzijds zal Hij ze kastijden en anderzijds zal Hij ze zegenen. Hij handelt met geduld, en onderricht hen in Zijn genade. Hij zegent hen niet daar, waar de zonde zich bevindt, maar Hij handelt met bewonderenswaardige tederheid en kennis van zaken. Hij neemt de moeite om de ziel steeds meer bijzonderheden te laten zien, overeenkomstig haar toestand en voor haar bestwil. Want Hij is vol genade. Hoe dikwijls wacht Hij zo op het berouw van Zijn volk! En helaas, hoe dikwijls wacht Hij tevergeefs! Maar evenals we voor Jericho Zijn macht zien uitgeoefend ten behoeve van Zijn volk, zo zien we hier de grote beginselen waarnaar Hij handelt. En dit alles om aan te tonen, dat alles geheel uit Hem is.

Er wordt hier nog een ander beginsel voor onze aandacht geplaatst. Het volk van God wordt als één lichaam gezien, als het de zonde betreft, die onder hen wordt gevonden. God is in hun midden. En de zonde is daar bedreven waar Hij Zich bevindt. Omdat er slechts één enig God is, en het volk één volk is, en omdat God beledigd is, kan Hij niet meer handelen, en het gehele volk ondervindt er de gevolgen van. Want ze hebben geen andere kracht dan God alleen. Het verbannene wegdoen is het enige middel tot herstel.

Hetzelfde vinden we in Korinthe, maar dan aangepast aan de beginselen van de genade. De boze moet weggedaan worden. Zolang dit niet wordt gedaan, zijn allen met de zonde verbonden en vereenzelvigd. Ze moesten de zonde uit hun midden wegdoen, opdat zij “zichzelf bewezen, rein te zijn”. Door zo te handelen, namen ze de zijde van God in ten opzichte van het kwaad, en de betrekking tussen God en het geheel werd in zijn normale toestand hersteld.

De pijnlijke gevolgen, kunnen toch niet vermeden worden. God is verheerlijkt geworden in de openbaring van de volmaaktheid van Zijn wegen. Hij is verheerlijkt in Zijn ijverzucht ten opzichte van de zonde en ten opzichte van Zijn volkomen kennis van alles wat er gepasseerd is. Want de belijdenis van Achan rechtvaardigt God en legt het volk het zwijgen op. Maar als er een banvloek is moet er, hoewel de zonde niet langer wordt ontkend, toch tucht uitgeoefend worden. Achan, wiens zonde door de gehoorzaamheid van het volk of van Jozua aan de richtlijnen van God aan het licht is gebracht, bekrachtigt slechts voor de ogen van allen het rechtvaardig oordeel van God.
Maar het is goed, hierbij in gedachten te houden, dat de christelijke tucht altijd het herstel van de ziel op het oog heeft. Zelfs als de boze aan de satan moet worden overgegeven, is het tot verderf van het vlees, opdat de geest in de dag van Christus zou behouden worden. Dit is een krachtige reden om de tucht uit te oefenen naar de maat van onze geestelijke kracht, want daarboven kunnen we niet gaan. We hebben ons altijd te verootmoedigen voor God opdat de boze worde weggedaan. Als men onverschillig is ten opzichte van het aanwezige kwaad, is men schuldig aan hoogverraad jegens God. Men profiteert dan van Zijn liefde om Zijn heiligheid te loochenen, en men veracht en onteert Hem voor allen. God handelt in liefde in de Gemeente, maar Hij handelt in heiligheid en ijvert voor de handhaving daarvan. Anders zou het niet het zoeken van het welzijn van de zielen zijn.

Het is van groot belang om te zien, dat het dal van Achor (het getuigenis en de gedachtenis van de eerste zonde, die door Israël in het land is begaan) hen tot een “deur van hoop” wordt gegeven (Hosea 2:15) wanneer de soevereine genade van God zal handelen. Zo is het altijd. Vrees wel de zonde, maar vrees nooit de bitterheid van de ontdekking ervan, noch de tuchtiging. Want vanaf dat ogenblik wil God u Zijn zegen opnieuw doen toekomen. Gezegend zij Zijn Naam! Vervolgen wij dus de geschiedenis van dit herstel van het volk in Gods gunst.
Het is te betreuren, dat Sinear (Babel) en het geld de wegen van het volk van God zo spoedig hebben beïnvloed; het volk vindt ze bij zijn vijanden, en het vleselijk hart begeert ze. Maar merk daarentegen ook op, dat, als er trouw is en gehoorzaamheid, God nooit nalaat datgene te openbaren en weg te nemen, wat de zegen van Zijn volk verhindert.

Hoofdstuk 8

Dit hoofdstuk toont ons de terugkeer van Israël tot de kracht van God. Waar het gehele volk bij de zonde van Achan was betrokken, was het nodig dat zij op een merkbare wijze zouden worden hersteld in hun vertrouwen; dat ze bevestigd zouden worden, en dat ze dientengevolge door zouden maken, wat voor hun herstel noodzakelijk was. Ze moesten veel ondervinden. Veel van deze ervaringen zouden niet nodig geweest zijn, als er in eenvoud en oprechtheid van het geloof gehandeld was. Jakob heeft in dezen meer ondervonden dan Abraham. Maar het was toen Abraham ontrouw was, dat hij de meeste ondervond, althans zulke ervaringen, die werkelijk gevoeld worden en dienen om het hart te oefenen. Maar God gebruikt deze dingen, om ons te leren wie wij zijn en wie Hij is. Als we deze twee dingen niet verstaan, moet Hij ze ons noodzakelijkerwijs leren.

De uitkomst is nu zeker. Maar al het volk moet tegen deze kleine stad optrekken, die naar menselijk oordeel door twee of drieduizend man genomen had kunnen worden. Hoogmoed en verkeerd vertrouwen ontvangen hier een ernstige les. Hoeveel moeite moet Jozua zich nu getroosten! Een hinderlaag leggen, veinzen te vluchten, en dit alles om een kleine stad in te nemen. En aan het eind maar weinig roem. We zien hier, dat het meer moeite kost terug te keren in de weg van zegen, dan dat het gekost zou hebben om het kwaad te vermijden. Maar de eenvoud van het geloof en de natuurlijke kracht ervan, kunnen op geen andere wijze herwonnen worden.

Maar nu is de kracht van God weer met hen, en alles gelukt, hoewel de openbaring van deze kracht niet zó was als bij Jericho. Ten slotte strekt Jozua op het bevel van God de spies uit over de stad. We lezen niet dat de hinderlaag dat zag, of dat het een afgesproken teken was 18. Maar zodra deze uitgestrekt werd stond de hinderlaag op, drong de stad binnen en stak deze in brand. Zo maakt de Heer, doordat Hij op het juiste ogenblik door Zijn Geest werkt, de Zijnen werkzaam; zelfs dan, als ze niet weten waarom.

Op een gegeven moment worden ze voorwaarts gedreven, en denken vanuit eigen motieven te handelen. Maar het is de Heer die al hun gangen regelt. En dit in volle overeenstemming met wat ergens anders onder Zijn hand gedaan wordt, zodat Hij de zaak in zijn geheel doet slagen. Het is van het grootste belang, om hier de Heer te zien als de verborgen oorsprong van alle handelingen, en als Degene, die de werkzaamheid in Zijn kinderen aanwakkert. Ze zijn onbekend met de bijzonderheden van wat hen in beweging zet, ofschoon ze in het algemeen de openbaring van de gedachten van God hebben, evenals Israël de algemene richtlijnen van Jozua had. Als Christus Zijn spies uitstrekt, is alles werkzaam om de plannen van Zijn wijsheid uit te voeren, en het leidt tot de vooruit bepaalde resultaten van Zijn machtige genade. Dat we slechts geloof mochten hebben om het te geloven!

Nu zijn er nog twee andere belangrijke punten uit dit hoofdstuk te overdenken. Jahweh had al bij de inneming van Jericho getoond, dat alleen Zijn kracht de overwinning gaf en alles in de handen van Israël stelde, en dat de overste van deze wereld geen kracht tegen Hem bezat. Eveneens had Hij te kennen gegeven, dat het volk, daar het goud en het zilver Hem toebehoorde, de schatten van deze overwonnen wereld niet moest zoeken en zich met de buit niet mocht verrijken. Als Israël zijn vijanden geheel vernietigd zou hebben, konden ze toch bezit nemen van alles, als behorende tot het beloofde land.
Nu deze twee grote beginselen gevestigd zijn, (namelijk ten eerste dat de macht van Jahweh met Zijn volk is, en ten tweede, dat Hij heiligheid en toewijding aan Hem in de legerplaats gehandhaafd wil zien) neemt Jozua formeel bezit van het land als aan Jahweh toebehorende.

Dit is geen gedachtenis vieren van hun verlossing, door het bloed van het Lam, noch een zich voeden met het overjarig koren van het hemels land in de plaats van de rust waar men zich in vrede de genade en de volmaaktheid van Christus en het werk van de verlossing, dat Hij tot stand bracht in herinnering brengt. Het volk betreedt het land zelf, als rechtens Jahweh toebehorende, naar het vermogen van de geestelijke kracht, die werkzaam is om Zijn rechten te doen gelden en die ze erkent, hoewel de verovering van het land nog maar pas is begonnen. Bij Jericho, hadden zij (in het type) gemeenschap aan het kruis en aan de hemelse dingen, zonder dat er enige strijd was geleverd.

Maar hier, waar de voorwaarden voor de strijd zijn vastgelegd, verklaren zij in het openbaar, dat het land van Jahweh is. Hoewel satan nog in het bezit van het betwiste land is, komt het toch rechtens Jahweh toe. Er zijn twee handelingen waardoor Jozua dit bekrachtigt. Hij beveelt dat het dode lichaam van de koning van Ai van het hout moet worden genomen, zodra de zon is ondergegaan. Dit was de inzetting van Deuteronomium 21:22,23. ‘Dan mag zijn dode lichaam niet aan de paal overnachten, maar moet u hem beslist diezelfde dag nog begraven. Een gehangene is namelijk door God vervloekt. U mag uw land, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, niet onrein maken’.

De overwinning van Israël was volledig. De vloek lag op hun vijanden, die de vijanden van God waren. Ze waren tot een vloek gemaakt en als zodanig ook gekenmerkt. Naar het geloof van Jozua behoorde het land, als de gift van God, al zo geheel aan Israël, dat het niet verontreinigd mocht worden. Met het oog hierop liet hij dus het dode lichaam van het hout nemen, opdat deze verontreiniging niet werkelijk zou plaatsvinden.

De andere handeling was het bouwen van een altaar op de berg Ebal. Daar zij van Kanaän, als van een gewijd land, bezit hadden genomen, erkenden ze Jahweh als de God van Israël, door Hem in dat land te aanbidden. Het altaar stond daar als een getuigenis en als een band tussen het volk en Jahweh, die hun dat land had gegeven. De oprichting van dit altaar is al besproken in het boek Deuteronomium, en ik wil daarop niet terugkomen (Deuteronomium 27:4-8). Ik laat het aan de lezer over, te beoordelen of Jozua niet beter had gedaan dit altaar op te richten zodra ze over de Jordaan waren gegaan. Hoe het ook zij: we denken niet altijd het eerst aan God als we genieten van wat Zijn macht heeft gewerkt.

Door niet zo te handelen bewijzen we alleen onze dwaasheid, hetzij in dingen met onze vreugde of met onze veiligheid verbonden. Het was de gedachte van de Heer, ons hier, voor de officiële inbezitneming van het land in Zijn Naam, het getuigenis te geven van Goddelijke kracht en menselijke zwakheid; en om ons de praktische verwezenlijking van het “over de Jordaan zijn” te tonen in de kracht van “Gilgal”, hun aan het verstand gebracht door de schrille tegenstelling ervan. Het land wordt in bezit genomen in verbinding met de verantwoordelijkheid van Israël onder de wet. Hier leest Jozua overluid, en in de tegenwoordigheid van al het volk, niet alleen de vloek, die met het schenden van de wet verbonden is, maar alles wat sprak van de wegen van God in het bestuur van Zijn volk.

Hoofdstuk 9

Maar als zo’n positie de macht van God laat zien en het vertrouwen van het volk openbaart, heeft dit spoedig strijd tot gevolg. De vijand kan de inval in het land, en de inbezitneming van alles, wat hij zich toegeëigend had, niet dulden. Maar de listen van de vijand zijn meer te vrezen dan zijn kracht. Ja, het zijn hoofdzakelijk deze listen, die te vrezen zijn. Want hierdoor verleidt hij de mensen, maar in zijn kracht ontmoet hij de Heer. Als we de duivel weerstaan, vlucht hij, maar om zijn listen te ontgaan is de gehele wapenrusting van God nodig. Christus beantwoordde zijn listen met het Woord, in de weg van eenvoudige gehoorzaamheid en toen de satan zijn ware gedaante liet zien zei Hij: “Ga weg, satan”.

De inwoners van Gibeon deden alsof ze uit een ver land kwamen. De oversten van Israël vertrouwden op hun eigen wijsheid en vroegen geen raad aan Jahweh. Ditmaal is het geen vertrouwen op de kracht van de mens, maar op zijn wijsheid. De oversten van de vergadering, die gewoon zijn om te overleggen en te leiden, zijn meer geneigd in deze strik te vallen dan het volk. Want hoe slecht ook in zijn ongeloof, begerig naar resultaten, is het volk toch dikwijls dichter bij de gedachten van God. De oversten hadden twijfel in hun hart en dus waren ze niet te verontschuldigen. Door bondgenoten te hebben, was er zo op het oog veel gewonnen, omdat ze door veel vijanden waren omringd. De Gibeonieten vleiden hen, omdat ze de dienstknechten van Jahweh waren. Alles was erop berekend, om de geest van de mens gerust te stellen.

Satan kan, evenals ieder ander, godsdienstig praten, maar hij kan ons alleen verleiden, als we de leiding in eigen handen nemen in plaats van de Heer te vragen. Om te kunnen onderscheiden dat dit inwoners van het land waren, was er gemeenschap met de Heer nodig. Het waren vijanden, die geen vijanden durfden zijn. Maar met zulke mensen vrede maken is hetzelfde als zich van een overwinning beroven. Tevens verliest men daardoor het recht, het oordeel en de heerlijkheid van God te doen gelden, om in het ongeschonden bezit van het land van de belofte te komen. Als God alleen hun kracht is, kunnen bondgenoten alleen maar de noodzakelijke afhankelijkheid van God terzijde stellen. De reinheid van de zedelijke relaties, die er bestaan tussen God en het volk gaan daardoor verloren. Israël had in het geheel geen bondgenoten nodig! Zij spaarden de vijand, en de naam van Jahweh, die met het volk was verbonden, verplichtte hen, om een blijvende strik in hun midden te houden.

Vier eeuwen later bracht dit in de dagen van Saul droevige vruchten voort (2 Samuel 21:1). Voor een geestelijk gezind hart was de aanwezigheid van de Gibeonieten altijd een kwaad. Wat had Israël tenslotte met bondgenoten te doen? Was Jahweh hen niet genoeg? Moge God geven, dat we Hem altijd vertrouwen en om raad vragen. Dat we niets wensen te bezitten dan Hem alleen, en in onderworpenheid onze weg mogen gaan. Dat alleen kan ons de overwinning verzekeren over alle vijanden, en het land zal geheel aan ons, het volk van God, toebehoren.

Hoofdstuk 10

Tenslotte bracht deze vrede met de Gibeonieten slechts nieuwe aanvallen voor Israël. Maar nu is alles eenvoudig. Jahweh zegt tot Jozua: “Wees niet bevreesd, Ik heb hen in uw hand gegeven”. Dit is alles wat de strijd wil zeggen voor een ieder, die overeenkomstig de Geest in de tegenwoordigheid van God wandelt. Er moet strijd zijn. Maar strijd is alleen maar overwinning. De Heer heeft de vijand overgegeven in onze handen. Niemand kan voor ons bestaan.
Alles is tot onze beschikking. De zon stond stil en de maan eveneens, en getuigden zo van de macht van God en van het belang, dat Hij heeft om Zijn volk te zegenen. We kunnen ervan overtuigd zijn, dat waar de Geest wil gaan, ook de raderen gaan (Ezechiël 1:20). Jozua verslaat al zijn vijanden, omdat Jahweh, de God van Israël voor hen streed. Hier waren ze trouw. Ze maakten geen vrede. Wat hadden de Kanaänieten in het land van Jahweh te doen? Had satan enig recht op het land van de belofte? Zo ziet Jozua het land Kanaän altijd (hoofdstuk 10:27).

Maar na de overwinning keerde Israël terug naar de legerplaats in Gilgal. We hebben al gezien wat Gilgal betekent. Maar de terugkeer van de overwinnaars van de Kanaänitische koningen naar Gilgal houdt een leerrijke les in. Wat onze overwinning of onze veroveringen ook mogen zijn: we moeten altijd weer terugkeren naar de plaats, die ons voor God past, namelijk het volkomen wegdoen van onszelf. Terugkeren tot de toepassing van de kennis, die we van God hebben ontvangen, tot de opstanding van Christus, die ons in hemelse gewesten heeft gezet; terugkeren tot het oordeel en de doding van het vlees tot de geestelijke besnijdenis die de dood van het vlees is door de kracht van de opstanding. Er is een tijd om te handelen, en er is ook een tijd om stil te zijn en zich voor God te stellen, opdat we tot handelen in staat kunnen zijn. Door activiteit, de kracht die met ons gaat, of door succes, zijn we altijd weer geneigd om ons van God te verwijderen, of minstens onze aandacht van het ware doel af te wenden.
Maar de legerplaats is altijd Gilgal, hetzij als punt van uitgang voor de overwinningen, hetzij als punt van terugkeer na de overwinning. Daar is ware kracht. Daar valt de vijand ons niet aan, als we trouw zijn. De aanval zal van onze kant zijn, wat ook de tegenstanders mogen doen.

Laten we ook opmerken, dat ondanks de fouten van het volk of van Jozua, toch alles ten goede keert. Er zijn fouten geweest, maar deze zijn bestraft geworden, zoals in het geval van Gibeon en van Ai. En daar de wandel van het volk tenslotte trouw was, deed God alles ten goede keren. Zo leidde bijvoorbeeld de vrede met Gibeon tot de overwinning op de koningen, die het volk aanvielen. In de bijzonderheden van hun geschiedenis was er oorzaak voor verootmoediging en kastijding, maar in het grote geheel zien we onmiskenbaar de hand van God.
Slechts zelden wordt elke stap van onze weg in het geloof en in afhankelijkheid van God gedaan. We doen goed ons te verootmoedigen met het oog hierop. Maar wanneer ons doel het doel van God is, gaat Hij ons voor, en regelt in deze heilige krijg, die de Zijne is, alle dingen ten behoeve van de overwinning van Zijn volk. Alleen, onze fouten kunnen lange tijd hun vruchten dragen.

Hoofdstuk 11

De overwinningen van Israël worden gevolgd door nieuwe strijd, maar de vereniging van hun vijanden dient slechts om deze in hun handen over te geven. Als God geen vrede toestaat, is het omdat Hij de overwinning wil geven. Hier wordt weer een nieuw beginsel voor onze aandacht gesteld. God staat absoluut niet toe, dat de zetel van wereldse invloed en macht, de zetel van Zijn volk wordt, want Zijn volk is uitsluitend afhankelijk van Hem. De natuurlijke gevolgtrekking van het veroveren van Hazor zou geweest zijn, dat deze stad tot een zetel van de regering werd gemaakt, en een centrum van invloed in de regering van God. Dan zou deze stad voor God geweest zijn wat ze tevoren voor de wereld was. Want: “Vroeger was Hazor namelijk het hoofd van al deze koninkrijken”. Maar het tegendeel was het geval. Hazor werd totaal verwoest. God wil geen spoor over laten van de macht, die tevoren heerste. Hij wil alle dingen geheel nieuw maken. Het middelpunt en de bron van kracht moeten geheel en uitsluitend van Hem zijn. Dit is een belangrijke les voor de kinderen van God, die hun geestelijke ongeschondenheid willen bewaren.

In zekere zin scheen de verovering van het land voltooid. Dat is te zeggen: er was geen uiterlijke kracht overgebleven, die voor hen bestaan kon of nog een koninkrijk kon vormen. Maar er waren toch nog veel vijanden in het land. Weliswaar zouden deze hen als ze trouw bleven niet verontrusten. Maar helaas weten we dat ze het volk op wegen hebben gevoerd, die hen later tot de ondergang brachten. Maar nu hadden zij het overwonnen land verdeeld en “Het land rustte van de strijd”. Als alles voleindigd is, kunnen we onze overwinningen optellen, maar niet vóór die tijd. Dan kunnen we beter bezig zijn met nog meer overwinningen te behalen.

We willen hier nog opmerken, dat, als resultaat van de handelingen van God, de begane fout bij de aanval op Ai uitgewist is, en zelfs heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van Zijn plannen. Destijds had het hen opgehouden en was het kwaad bestraft. Maar God Zelf heeft Zich beijverd om Israël in het geloofsvertrouwen te herstellen, en het grote doel van Zijn handelingen is er geenszins door gehinderd geworden. Dit is geen excuus, maar een vriendelijke en sterke vertroosting, die zoveel te meer tot aanbidding brengt. In het geval van de Gibeonieten, schijnt de begane fout mij ernstiger toe. Hun opmars werd er weliswaar niet door vertraagd, maar daar het de handeling van Jozua en de oversten was, stelde deze hen voor altijd in een scheve positie tegenover hen, die ze spaarden.

Met hoofdstuk 11 wordt de eerste afdeling van dit boek, namelijk de geschiedenis van de overwinningen van Jozua, gesloten. In het type is het die van de macht van de Heer Jezus, die Zijn volk door de Geest in het bezit van de beloften stelt.

Hoofdstuk 12

Hier is alleen een opsomming gegeven van hun overwinningen. De Heilige Geest geeft ons niet alleen de overwinning op onze vijanden, maar leert ons ook de gehele uitgestrektheid van het land begrijpen en kennen. Hij bepaalt het persoonlijk deel van ieder, en geeft ons de bijzonderheden van alles wat zich daar bevindt; van de volmaakte verordeningen van God, opdat alles volkomen aangepast zou zijn aan de indeling van de stammen, zodat overeenkomstig de wijsheid van God een goed geordend geheel zou worden gezien. Maar we kunnen hier tevens het onderscheid maken tussen de gaven die God schenkt, en het genot van de geschonken gaven. Dit onderscheid zien we ook in het Nieuwe Testament: “U hebt [de] zalving vanwege de Heilige en u weet alles”. Wij zijn in Christus gezet in de hemelse gewesten door dezelfde kracht die Christus daar zette, toen God Hem uit de doden opwekte en Hem zette boven alle naam die genoemd wordt. Helaas, hoeveel aardse dingen worden door de christenen nooit overwonnen! Maar de Heilige Geest laat deze dingen zien, met het oog op en in verband met wat hen rechtens toebehoort. En daardoor kunnen we ook het tweede gedeelte van het boek beter verstaan.

Hoofdstuk 13-22

Hoewel er nog steeds een aanzienlijk deel van het land in bezit moet worden genomen, verdeelt Jozua het toch nu al onder de stammen van Israël, naar het gebod van Jahweh, die verklaart, dat Hij zelf de inwoners voor hun aangezicht zou verdrijven. Maar het volk is op deze belofte in het geheel niet ingegaan. De steden van de Filistijnen werden wel genomen, maar de inwoners werden niet uitgeroeid. Zij bleven, en hadden spoedig hun oude kracht weer terug. We zien hier, dat er alleen daar rust kan zijn waar getrouwheid wordt gevonden.

Het gevolg van het werk van Jozua was dat: “Het land rustte van de strijd” (11:23). Het werk van Kaleb had hetzelfde resultaat (14:15). Bij de verdeling van de steden van de Levieten vinden we dezelfde waarheid (21:43,44). In de bijzonderheden van de geschiedenis is het niet zo gegaan. De gehele uitgestrektheid van het land werd aan Israël gegeven, en aan elke stam zijn eigen deel. Zij konden hun volle rechten daarop doen gelden, naar het woord van Jahweh. Hun grenzen waren afgebakend. Want als de Geest van God de geestelijke erfenis uitdeelt, neemt Hij kennis van alle dingen, en geeft aan ieder naar de gedachten van God. Er is in de schikkingen van God geen onzekerheid. Maar we zien dat geen enkele stam alle vijanden van God uit zijn gebied heeft verdreven. Geen enkele stam verwezenlijkte het bezit van alles wat God hem gegeven had.

Juda en Jozef namen elk hun deel in bezit. We weten, dat zij altijd aan het hoofd van Israël zijn gebleven, en zo de raadsbesluiten van God hebben vervuld, zowel ten opzichte van het koningschap voor Juda, als van het eerstgeboorterecht dat door genade Jozef ten deel viel (zie hoofdstuk 15-17, en 1 Kronieken 5:2). De tabernakel wordt ook in vrede opgericht (hoofdstuk 18). Maar als de stammen eenmaal in rust zijn, zijn ze zeer traag om het deel, dat hun toekomt, in bezit te nemen. Dit is herhaaldelijk zo in de geschiedenis van het volk van God. Als zij rust hebben gevonden, verwaarlozen zij de beloften. Maar toch faalt de Geest van God niet, zoals we gezien hebben, om alles wat hun toebehoort, nauwkeurig aan te duiden.

In hoofdstuk 20 worden de vrijsteden aangewezen. Het land is van Jahweh en daarom wordt er een voorziening getroffen opdat het niet verontreinigd zou worden en opdat ieder naar zijn erfdeel zou kunnen terugkeren als hij onverhoeds iemand zou hebben gedood en had moeten vluchten. We hebben de betekenis daarvan al gezien.

Voor Jericho hebben we gezien, dat het volk meteen op alles een geestelijk recht verkreeg naar de Geest. En ook, dat de rechten van Jahweh werden gehandhaafd in het geval van de koning van Ai en op de berg Ebal, als de basis van het tegenwoordige bezit. Maar nu zien we ook nog, dat tot in bijzonderheden een voorziening wordt getroffen tot herstel in het genot van de erfenis, als zij die voor een tijd zouden verloren hebben. Dit laatste zal ten volle op het volk in de laatste dagen worden toegepast.

De vestiging van de twee en een halve stam aan de andere zijde van de Jordaan gaf aanleiding tot moeilijkheden en achterdocht. Toch waren deze stammen in de grond van de zaak trouw. Hoewel hun positie hen schade berokkend heeft, en hun zelfzucht de kracht van hun geloof enigszins heeft bedorven, waren ze toch trouw aan Jahweh.

Hoofdstuk 23-24

Tenslotte stelt Jozua het volk, bij wijze van waarschuwing, onder een vloek of onder een zegen. Dit zou van hun gehoorzaamheid afhangen. En dan herhaalt hij hun geschiedenis. Hij zegt dat hun vaders afgodendienaars waren evenals de volken rondom hen nu nog waren. Maar daar het volk nog het bewustzijn bezat van de macht van God, die hen gezegend had, verklaart het, dat het Jahweh alleen wil dienen. Zij worden dus onder de verantwoordelijkheid geplaatst, en nemen op zich te gehoorzamen. Want onder deze voorwaarden alleen, kunnen ze het land bezitten en de vruchten van de belofte van God genieten. Zij worden gelaten in het vreedzaam bezit van alles, en dit onder de voorwaarde van gehoorzaamheid, hoewel zij al toen degenen, die uitgeroeid hadden moeten worden, toegestaan hadden om in het land te blijven. Van het begin af hebben ze niet verwezenlijkt wat God hun had gegeven. Dit is wel een treffende tekening van de Gemeente vanaf de dagen van de Apostelen.

Nu is er nog één opmerking te maken. Als Christus in heerlijkheid zal komen, zullen we, als de satan gebonden is, alle dingen bezitten. Maar nu zou de Gemeente al door de Heilige Geest de kracht van deze heerlijkheid moeten verwezenlijken. Maar er zijn dingen, die eigenlijk hemelse dingen zijn, en deze behoren ons toe, omdat ze onze woonplaats, onze positie en onze roeping uitmaken. En er zijn andere dingen die de sfeer zijn waarin we de kracht, die wij genieten, kunnen uitoefenen, en die ons onderworpen zijn.

Zo waren de grenzen van Israël nauwer, dan die van het grondgebied waarop ze recht van bezit hadden. De Jordaan was de begrenzing van hun tegenwoordig verblijf in het land maar de Eufraat was de grens van hun werkelijk bezit. De hemelse dingen behoren ons toe. Maar de openbaring van de macht van Christus over de schepping, en de bevrijding van deze schepping is ons beloofd. De gehele schepping zal vrijgemaakt worden als Christus Zelf Zijn macht zal aanvaarden. Zo waren de “krachten van [de] toekomstige eeuw” 19 bevrijdingen van het juk van de vijand. Dit waren geen dingen die ons eigenlijk bezit vormden, hoewel ze toch van ons waren.

De ellende, waarin hun ontrouw hen had gebracht, wekte de erbarming van God op en Zijn machtige genade verwekte door Zijn Geest bevrijders in het midden van het afgevallen en ongelukkige volk. Want: “Zijn ziel werd verdrietig over de ellende van Israël” (Richteren 10:16). “En de HEERE deed richters opstaan, die hen verlosten uit de hand van hen die hen plunderden. En wanneer de HEERE voor hen richters liet opstaan, was de HEERE met de richter en verloste Hij hen uit de hand van hun vijanden, al de dagen van de richter, want het berouwde de HEERE vanwege hun gekerm over hen die hen onderdrukten en die hen in het nauw brachten”. Maar Israël veranderde niet. “Zij luisterden echter ook niet naar hun richters. Maar bij het sterven van de richter gebeurde het dat zij zich weer afkeerden en nog verderfelijker handelden dan hun vaderen”.

EINDE JOZUA

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer hierover willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 De voornaamste onderwerpen in deze voorafgaande boeken, zijn de typische openbaringen, die, hoewel ze samen geweven zijn met de historie, voor ons van onschatbare waarde zijn. Slechts de bijzondere voorrechten, die de soevereine genade aan de Christenen en aan de Gemeente van God verleent, worden hierin niet vermeld.

2 IJdele nieuwsgierigheid tracht te weten te komen, wat deze doorn in het vlees geweest kan zijn. Het doet er weinig toe, wat het geweest is. Voor elk geval, waar er een door God gezonden wordt, zal er mogelijk een verschillende doorn zijn. Het zal altijd iets zijn, om degene die het nodig heeft, te verootmoedigen. Voor ons geestelijk onderricht is het genoeg te weten, dat het, wat Paulus betreft een lichamelijke zwakheid was, die ertoe diende om hem in zijn prediking verachtelijk te maken (zie Galaten 4:14 en 2 Korinthe 10:10). Het doel van God met zo’n geestelijke beproeving, is voor elke geestelijke ziel zó duidelijk, dat het nutteloos is, hier verder bij stil te staan.

3 Het is belangrijk, om eerst de Heer Jezus alleen te zien, hetzij in Zijn leven, hetzij in Zijn dood. Daar zien we de Christelijke positie in zijn volkomenheid. Ten tweede is het dan even belangrijk te weten, dat God ons ziet alsof wij in Zijn dood geweest zijn. Zijn positie is de onze, en God ziet ons als levende in Hem. Dit is onze tegenwoordige plaats voor God. Maar nu worden wij geroepen, om die plaats in geloof en praktisch, door de Geest in te nemen. De Rode Zee kwam eerst. Het is de dood, maar de dood van Christus. Dan komt de Jordaan. Dat is onze intrede in de dood met Christus. De Rode Zee was de verlossing van Egypte; de Jordaan is de intrede in Kanaän, dat wil zeggen in een geestelijke toestand, die daarmee in overeenstemming is. Het is niet alleen het bezit van het land, zoals Christus door Zijn opstanding ons dat heeft verworven. Maar het is de verwezenlijking van dat bezit door het geloof bij hen, die nu met Christus opgewekt zijn. Het “gezet zijn in de hemelse gewesten!”, is een geheel onderscheiden zaak, en heeft een bijzondere grond, namelijk het absolute werk van God. De Rode Zee was de veroordeling van de zonde in het vlees; Christus tot zonde gemaakt en voor de zonde gestorven, voor ons dus de verlossing zoals deze door het geloof wordt gekend. In feite is dit al de Jordaan. Maar de Jordaan gaat verder, want die brengt ons als opgestaan met Hem in de positie van hen, die deel hebben aan de erfenis van de heiligen in het licht. Het volk volgde de ark als deze de Jordaan inging, maar de ark bleef daar in het midden van de vloed en liet daar zijn macht zien tegenover de dood totdat al het volk was overgetrokken.

4 Dit veronderstelt dat we werkelijk opnieuw geboren zijn (Romeinen 8:29-30). De woestijnreis na Sinaï veronderstelt het feit van deze christelijke positie, maar de persoonlijke werkelijkheid ervan wordt daar op de proef gesteld. Hierop hebben alle “indien’s” van het Nieuwe Testament betrekking. Zij beschouwen de christen als zijnde op weg om het hemelse land te bereiken, maar met de zekere Belofte, dat hij tot het einde bewaard wordt, indien er geloof aanwezig is (1 Korinthe 1:8,9; Johannes 10:28). De “indien’s” bewaren ons in afhankelijkheid, maar dan een afhankelijkheid van de onfeilbare trouw van God, als het erom gaat de overwinning over de macht van satan te behalen. Er is geen “indien” in betrekking tot de verlossing of de huidige positie van hen, die verzegeld zijn.

5 Hieraan beantwoordt de brief aan Efeze. Maar deze brief spreekt niet van ons “sterven aan de zonde”. Het is hier de handeling van God alleen, Die ons neemt als “dood in zonden”, en ons in Christus in hemelse gewesten plaatst. De brief aan Kolosse, laat ons gedeeltelijk de beide punten zien. Deze laat ons een opstandingsleven hier beneden zien, maar plaatst ons niet in de hemelse gewesten, hoewel de voorwerpen van onze genegenheid zich daar bevinden. Onder “hemels leven” versta ik: leven in de Geest in de hemelse gewesten. Christus was er, toen Hij op aarde was, goddelijk; wij zijn er als met Hem verenigd door de Heilige Geest.

6 Dit is niet enkel een leven bezitten dat ons door de Zoon van God is meegedeeld, maar een overgaan van de ene positie in de andere, van Egypte in Kanaän. We laten de woestijn weg om deze als een geheel ander onderwerp te overwegen. Vanuit dit gezichtspunt gezien, vallen de Rode Zee en de Jordaan samen.

7 In het Engels zijn “gedenkteken” en “gedachtenismaal” hetzelfde woord (“Memorial”). Noot van de vertaling

8 Het woord “gebroken” is abusievelijk in de tekst ingevoegd. De Nieuwe vertaling heeft het dan ook niet. Nadat de Heer in ongebroken kracht Zijn Geest aan de Vader had overgegeven, werd het bloed gestort door de speerstoot van de krijgsknecht. Hij Zelf legde Zijn leven af.

9 Kolosse 3 is de verklaring van God betreffende onze positie; Romeinen 6 de aansporing om deze positie door het geloof in te nemen. 2 Korinthe 4 is de praktische verwezenlijking daarvan in de innerlijke mens; zo ook Kolosse 3:5-17.

10 In dit proces zien we drie trappen. 1e, Het oordeel van God: “U bent gestorven” (Kolosse 3:3). 2e, de erkenning hiervan door het geloof: “Rekent het ervoor ten opzichte van de zonde dood te zijn” (Romeinen 6:11). 3e, de praktische verwezenlijking ervan: “altijd het sterven van Jezus in het lichaam omdragend” (2 Korinthe 4:10).

11 De brief aan de Romeinen, gaat niet boven de woestijn uit. Hij spreekt ons van de positie, die de dood van Christus ons heeft gegeven. Het geloof aanvaardt deze positie, namelijk dood voor de zonde en levend voor God in de wereld. Dit leven voor God is het gevolg van het feit dat we behouden zijn door Zijn dood, waarin we gedoopt zijn. Maar de brief aan de Romeinen spreekt niet van onze opstanding, omdat dit laatste ons uit de woestijn brengt. Het is het onderwerp van Kolosse en van de Jordaan.

12 De brief aan Kolosse gaat niet verder dan deze waarheid.

13 Ook hier gaat de brief aan Kolosse niet verder. We worden daar ook niet gezien als “dood in zonden”. We leefden in onze zonden, maar zijn nu gestorven en opgewekt.

14 Dit is de leer van Efeze. Het is de soevereine handeling van Goddelijke kracht, die ons, toen we dood waren in zonden en misdaden, verlost heeft en in Christus heeft geplaatst.

15 De positie van de opgestane Christus (tussen Zijn opwekking en Zijn hemelvaart) maakt ons dit duidelijk. Hoewel Hij niet in de hemel was behoorde Hij toch al de hemel toe en niet deze wereld.

16 Laten we ook opmerken, dat de christelijke eenvoud en ernst, de praktische heiligheid van het christelijk leven, een hemelse zaak is. Het wordt hier voorgesteld in het ongezuurd brood, dat de morgen na het Pascha werd gegeten. Daar kan niets van deze zijde van de Jordaan bij zijn. Het is de vrucht van het land aan de overzijde. Daarom is het met Jezus verbonden en met de vrede door Zijn dood als een voorafgaande zaak.

17 Ik zeg: hemelse dingen, omdat ons hart gevoelig is voor de goede eigenschappen in de schepping. De Heer had de rijke jongeling lief toen Hij zijn antwoord hoorde. (Markus 10:21). Maar als men een verworpen en verhoogde Heer moet volgen is men altijd voor of tegen. Het geloof weet dat. Het erkent de rechten van God en handhaaft deze.

18 Het is bovendien duidelijk dat het geen afgesproken teken was, maar dat de handeling de bedoeling had, die ik hiervoor heb aangegeven, doordat Jozua zijn hand niet terugtrok voordat alle inwoners van Ai vernietigd waren zoals dit bij een banvloek geschiedde. En dit komt niet overeen met de gedachte van een louter teken tot de aanval.

19 Zo worden deze genoemd, (ik twijfel er niet aan) omdat ze iets lieten zien van de kracht, die de vijand geheel zal onderwerpen, als Christus zal verschijnen.