63. Titus

63. Titus · uit de ‘Synopsis’ deel 8 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Hoofdstuk 1

De brief aan Titus houdt zich bezig met de handhaving van de orde in de gemeenten van God. Het bijzondere doel van de brieven aan Timotheüs was de handhaving van de gezonde leer, hoewel de apostel ook over andere dingen spreekt, waarover hij Timotheüs aanwijzingen geeft voor zijn gedrag. Dit zegt de apostel ons zelf. In de eerste brief aan Timotheüs zien we, dat Paulus zijn geliefd kind in het geloof in Efeze had achtergelaten om erop toe te zien dat daar geen andere leer werd gebracht; de gemeente is de pilaar en grondslag van de waarheid. In de tweede brief treffen we de middelen aan waardoor de christenen versterkt worden in de waarheid, wanneer de massa daarvan afgeweken is.

Hier, in Titus, zegt de apostel nadrukkelijk, dat hij hem op Kreta had achtergelaten, met de bedoeling dat hij het ontbrekende in orde zou brengen, en in elke stad oudsten aanstellen. Hoewel Paulus min of meer dezelfde gevaren voor de aandacht had als toen hij aan Timotheüs schreef, zien we toch, dat de apostel direct zijn onderwerp aansnijdt met een kalmte die bewijst, dat die gevaren niet op dezelfde manier zijn gedachten in beslag namen. Zo kon de Geest hem zich vollediger laten bezighouden met de gewone wandel van de gemeente. Daardoor is deze brief veel eenvoudiger van aard. Het onderwerp van het boek Titus wordt gevormd door: de wandel die de christenen past, met het oog op de handhaving van de orde in hun onderlinge verhoudingen; en de grote beginselen waarop deze wandel berust. De toestand van de gemeente komt weinig voor onze aandacht. Waarheden die meer in hun geheel voortvloeien uit de christelijke openbaring, en die kenmerkend zijn voor de christelijke openbaring, passen meer in deze brief dan in die twee die aan Timotheüs zijn gericht. Anderzijds worden profetieën over de toekomstige toestand van het Christendom, en de ontwikkeling van het verval, dat al had ingezet, hier niet herhaald. Terwijl bepaalde waarheden die het Christendom betreffen hier op merkwaardige manier worden meegedeeld, is de toon van de brief kalmer en gewoner.

Er wordt hier evenals in Timotheüs in het bijzonder gesproken over de belofte van het leven. Bovendien onderscheidt deze belofte, en de openbaring van God (als de Vader) in Christus, het Christendom van het Jodendom.

Maar in deze brief worden de belangrijkste grenzen van het Christendom meteen al aan het begin uitgezet. Het geloof van de uitverkorenen, de waarheid die overeenkomstig de godsvrucht is, de belofte van het eeuwige leven gedaan voordat de wereld begon en de openbaring van het woord van God door middel van de prediking, zijn de onderwerpen van de inleiding. De titel “Heiland” wordt hier, evenals in Timotheüs, toegevoegd zowel aan de naam van God als aan die van Christus.

Deze inleiding is niet zonder betekenis. De apostel stelt hierin aan Titus voor, wat kenmerkend is voor zijn apostelschap, en wat het bijzondere onderwerp van zijn bediening is. Geen ontwikkeling van het Jodendom, maar de openbaring van een leven en van een belofte van een leven dat bestond (dat wil zeggen in Christus het voorwerp van de Goddelijke raadsbesluiten) voordat de wereld er was. Het geloof was daarom niet te vinden in de belijdenis van de Joden, maar in de uitverkorenen die door genade tot de kennis van de waarheid zijn gebracht. Het was het geloof van de uitverkorenen: dit is een belangrijke waarheid, die ook kenmerkend is voor het geloof in de wereld. Weliswaar kunnen anderen het als een systeem aannemen; maar op zichzelf is het geloof, het geloof van de uitverkorenen.

Bij de Joden was dit niet het geval. De openbare belijdenis van hun leer, en het vertrouwen op de beloften van God, kwam iedereen toe die als Israëliet was geboren. Anderen mogen aanspraak maken op het christelijk geloof, maar het is het geloof van de uitverkorenen. Dit geloof is van zodanige aard, dat de menselijke natuur het niet omhelst en het evenmin kan bevatten; maar het is een steen des aanstoots voor de natuurlijke mens. Het geloof onthult een verhouding tot God, die voor de natuur onbegrijpelijk is en tevens aanmatigend en onverdraaglijk. Voor de uitverkorenen is het de vreugde van hun ziel, het licht van hun verstand, en de steun van hun hart. Het plaatst hen in een betrekking tot God die alles inhoudt wat hun hart kan wensen, maar die volkomen afhankelijk is van wat God is; en hiernaar verlangt de gelovige. Het is een persoonlijke betrekking tot God Zelf; daarom is het, het geloof van de uitverkorenen van God. Vandaar ook dat het evengoed voor alle volken is als voor de Joden.

Dit geloof van de uitverkorenen van God is vertrouwelijk, intiem van aard, in betrekking tot God Zelf. Het steunt op Hem, het kent het geheim van Zijn eeuwige raadsbesluiten – die liefde die de uitverkorene maakte tot het voorwerp van Zijn raadsbesluiten. Maar er is nog iets kenmerkends dat met het geloof verbonden is, namelijk, belijdenis tegenover de mensen. Door de geopenbaarde waarheid maakt God Zichzelf bekend, en eist Hij de onderwerping van de menselijke geest en de aanbidding van zijn hart. Deze waarheid brengt de ziel in een waarachtige betrekking tot God. Het is de waarheid die in overeenstemming is met de godsvrucht.

De belijdenis van de waarheid is daarom een belangrijk kenmerk van het Christendom, en van de christen. In het hart is het geloof van de uitverkorenen, het persoonlijk geloof in God en in het geheim van Zijn liefde; en er is ook de belijdenis van de waarheid.

De hoop van dit geloof nu wordt niet uitgemaakt door aardse welvaart, een talrijk nageslacht, of de aardse zegening van een volk dat door God als Zijn eigen volk wordt erkend. Die hoop is het eeuwige leven, dat God beloofd heeft in Christus voordat de wereld er was; het staat buiten de wereld, buiten de Goddelijke regering van de wereld en de ontwikkeling van het karakter van Jahweh in die regering.

Het is eeuwig leven. Het is verbonden met de natuur en met het karakter van God Zelf: het vindt z’n oorsprong in Hem, het komt uit Hem voort, terwijl het de gedachte van Zijn genade was. De verklaring dat dit zo was in Christus, werd gedaan voordat er een wereld bestond, waarin de eerste mens in verantwoordelijkheid ingevoerd zou worden. Het falen van de eerste mens in verantwoordelijkheid in diens geschiedenis tot op Christus, de tweede Mens, en tot aan het kruis waar Hij de gevolgen van ons falen droeg. Op het kruis verwierf Hij voor ons ook dat eeuwige leven dat wij hebben in volkomen heerlijkheid met Hem. De wereld waarin de eerste mens werd binnengeleid was ook de sfeer waarin de regering van God zich ontwikkelde over alles wat aan Hem onderworpen is – dit is iets heel anders dan de gemeenschap van een leven waardoor men deelgenoot is van Zijn natuur, waarvan dit leven ook een afspiegeling is. Dit is de hoop van het evangelie (want we spreken hier niet over de gemeente), het geheim en de schat van het geloof van de uitverkorenen, waarvan het geopenbaarde Woord ons verzekert.

“Beloofd vóór [de] tijden van de eeuwen”, is een merkwaardige en belangrijke uitdrukking. Ons wordt toegang verleend tot de gedachten die God had voordat dit veranderende en gemengde toneel bestond, dat getuigt van de broosheid en zonde van het schepsel – van het geduld van God, en van Zijn wegen in genade en in regering. Het eeuwige leven is verbonden met de onveranderlijke natuur van God; met raadsbesluiten die even vast en blijvend zijn als Zijn natuur, met Zijn beloften, waarmee Hij ons niet kan misleiden, en waaraan Hij niet ontrouw kan zijn. Ons deel in het leven bestond al voor de grondlegging van de wereld, niet alleen in de raadsbesluiten van God, niet alleen in de Persoon van de Zoon, maar in de beloften die aan de Zoon werden gedaan als ons deel in Hem. Het was het onderwerp van die mededelingen die de Vader deed aan de Zoon, waarvan wij de voorwerpen waren, terwijl ze aan de Zoon werden toevertrouwd 1. Wonderlijk dat ons is bekend gemaakt welk gesprek in de hemel is gevoerd, dat wij die mededeling mogen weten die gericht was tot de Zoon, opdat we zouden begrijpen wat een belang God stelt in ons, en opdat we zijn gedachten zouden kennen, waarvan wij in Christus vóór de tijden van de eeuwen de voorwerpen waren!

Door dit gedeelte wordt het ons ook duidelijker wat het Woord is. Het Woord is de mededeling, in de tijd, van de eeuwige gedachten van God Zelf in Christus. Het Woord treft de mens aan onder de macht van de zonde, het openbaart vrede en verlossing, en het laat zien hoe wij deel kunnen hebben aan het resultaat van Gods gedachten. Maar deze gedachten zelf zijn niets anders dan het plan, het eeuwig voornemen, van Zijn genade in Christus, om ons in Christus eeuwig leven te geven – een leven dat bestond in God voordat de wereld er was. Het Woord wordt gepredikt, openbaar gemaakt (dat wil zeggen openbaring van de gedachten van God in Christus). Deze gedachten nu, hebben ons in Christus het eeuwige leven geschonken; en dit werd beloofd voor de tijden van de eeuwen. De uitverkorenen geloven en weten het; en zij bezitten het leven zelf. Zij hebben het getuigenis in zichzelf; maar het Woord is de algemene openbaarmaking waarop het geloof is gegrond. Het Woord heeft algemeen gezag over het geweten van de mensen, of zij het Woord aannemen of niet. Precies zoals in 2 Timotheüs 1:9-10 wordt het voorgesteld, als behoudenis, maar nu openbaar gemaakt.

Men zal opmerken dat geloof hier het geloof is in een waarheid die men persoonlijk bezit en kent; een geloof dat alleen de uitverkorenen kunnen hebben, die de waarheid bezitten zoals God die onderwijst. “Het geloof” wordt ook gebruikt voor het Christendom als een systeem in tegenstelling tot het Jodendom.

Hier is het, het geheim van God in tegenstelling tot een wet die werd uitgevaardigd aan een volk dat op een afstand bleef. Deze belofte, die al dateerde van vóór de geopenbaarde eeuwen, en waarvan de toepassing vrijmachtig was, werd vooral toevertrouwd aan de apostel Paulus. Hij moest door de prediking deze belofte bekendmaken. Aan Petrus werd het evangelie meer toevertrouwd als de vervulling van de beloften aan de vaderen, die Paulus ook erkent. Petrus spreekt daarbij van de gebeurtenissen uit de evangeliën die de beloften bevestigden en ontwikkelden door middel van de kracht van God die geopenbaard werd in de opstanding van Jezus. Zijn verrijzenis is het getuigenis van de kracht van dit leven. Johannes stelt het leven meer voor in de Persoon van Christus, en dan meegedeeld aan ons; hij zet uiteen wat de vruchten zijn die dit leven kenmerken.

We zullen zien dat de apostel in Titus niet even vertrouwelijk en intiem is als in Timotheüs. Hij stelt zijn hart niet op dezelfde manier voor hem open. Titus is een geliefde en trouwe slaaf van God en ook het echte kind in het geloof van de apostel. Maar Paulus opent zijn hart niet op dezelfde wijze voor hem, – hij deelt hem al zijn bezorgdheid niet mee, of de dingen waarover hij moest klagen – hij stort zijn ziel niet uit tegenover hem – zoals hij deed tegenover Timotheüs. Het is een bewijs van vertrouwen als iemand spreekt over alle dingen in het werk, dat hem in beslag neemt, dingen die verontrustend zijn en het hart dreigen te breken. Men stelt dat vertrouwen ten aanzien van het werk, en men spreekt daarover met het oog op zichzelf, met het oog op allen, en er is geen terughoudendheid, men hoeft niet af te meten hoe ver men kan gaan in het spreken over zichzelf, over wat men voelt, over alles. Dit doet de apostel tegenover Timotheüs, en het heeft de Heilige Geest behaagd dit voor ons af te schilderen. Toen de apostel aan Timotheüs schreef werden zijn gedachten bovenal in beslag genomen door de leer: de vijand gebruikte in zijn werk andere leer en probeerde zo de gemeente te verwoesten. Opzieners komen hem alleen als iets bijkomstigs in gedachten. Hier nemen ze een eerste plaats in. Paulus had Titus op Kreta gelaten om het ontbrekende in orde te brengen, en in iedere stad oudsten aan te stellen, zoals hij hem al bevolen had. Het gaat er hier niet over dat iemand de wens heeft opziener te worden, en daarom worden hier ook niet de gepaste kenmerken beschreven: het gaat hier om het aanstellen van oudsten. Voor die taak was Titus toegerust met gezag van de kant van de apostel. De nodige eigenschappen worden hem bekend gemaakt, opdat hij beslissingen kan nemen die overeenstemmen met de wijsheid van de apostel. Zodoende werd hij enerzijds door de apostel bekleed met gezag om oudsten aan te stellen, en anderzijds onderrichtte de apostel hem wat betreft de vereiste eigenschappen. Apostolisch gezag en wijsheid werkten samen om hem bekwaam te maken dit ernstige en belangrijke werk te verrichten.

We zien ook, dat deze afgevaardigde van de apostel gemachtigd werd om in orde te brengen wat nodig was voor het welzijn van de gemeenten op Kreta. Ze waren gesticht, maar hadden toch nog aanwijzingen nodig met betrekking tot veel bijzonderheden in hun wandel. Het vereiste de zorg van een apostel om hun deze aanwijzingen te geven, zoals die ook nodig was voor de aanstelling van ambtsdragers in de gemeenten. Deze taak had de apostel toevertrouwd aan de beproefde trouw van Titus, hij had hem daartoe mondeling al gemachtigd en hier doet hij het schriftelijk. Verwierp men nu Titus, dan verwierp men de apostel en bijgevolg de Heer die hem had gezonden. Gezag in de gemeente van God is een belangrijke zaak – iets dat van God Zelf uitgaat. Het kan uitgeoefend worden door de invloed die de gaven uitoefenen die God geeft; ook door ambtsdragers, als God hen aanstelt door werktuigen die Hij heeft uitgekozen en tot dat doel heeft gezonden.

Het is niet nodig hier in bijzonderheden in te gaan op de eigenschappen die nodig waren om op gepaste wijze het ambt van opziener te kunnen vervullen. Het zijn, in grote trekken, dezelfde als die welke in de brief aan Timotheüs worden genoemd. Het zijn eigenschappen, geen gaven; uiterlijke, zedelijke, bijkomstige eigenschappen – die bewezen dat een persoon geschikt was voor de taak om over anderen te waken. Misschien wekt het verwondering dat zulk grof wangedrag genoemd wordt: zoals geen drinker, geen vechter. Maar de gemeenten waren eenvoudiger dan men denkt, en de personen die de gemeenten vormden, hadden nog maar kort geleden de meest betreurenswaardige gewoonten de rug toegekeerd. Daarom ook was het nodig dat iemands vroegere gedrag het respect van anderen afdwong; dit was van belang om het ambt van opziener te kunnen uitoefenen. Het was ook nodig dat degene die met deze taak werd belast in staat was om de tegensprekers te weerleggen. Want zij zouden met tegensprekers te maken krijgen; vooral onder de Joden, die altijd en overal actief waren in hun verzet tegen de waarheid, en op listige manier probeerden de gedachten van de mensen te verwarren.

De aard van de Kretenzen veroorzaakte andere moeilijkheden, en vereiste de uitoefening van afdoend gezag. Het Jodendom vermengde zich met deze landsaard. Het was nodig pal te staan en met gezag op te treden, opdat ze gezond in het geloof zouden blijven.

Bovendien moest hij spreken over inzettingen en overleveringen, die boze plagen in de gemeente van God die Hem tot jaloersheid prikkelen, en die, doordat ze de mens verheffen, in strijd zijn met Zijn genade. Het ene was niet rein, iets anders was weer verboden door een inzetting. God eist het hart. Voor de reinen is alles rein; iemand wiens hart besmet is, hoeft niet buiten zichzelf te gaan zoeken naar iets onreins; maar het komt hem wel goed uit om dit te doen, want dan kan hij vergeten wat binnen in hem is. Het verstand en het geweten zijn al bedorven. Zij zeggen dat ze God kennen, maar met hun werken verloochenen zij Hem, omdat zij onnut zijn en verwerpelijk wat betreft ieder werkelijk goed werk.

Hoofdstuk 2

Titus moest niet alleen anderen aanstellen om toezicht te houden, maar nu hij, bekleed met gezag, op Kreta was, moest hij zelf waken over de orde en de zedelijke wandel van de christenen. Hij kreeg de opdracht, (dit is het geval in alle drie deze brieven) om toe te zien dat iedereen wandelde, al naar gelang de plaats die hij innam, in overeenstemming met wat zedelijk gepast was, en wat juist was in de verhoudingen waarin hij stond. Dit is heel belangrijk en beschermt de gelovigen voor de aanvallen van satan, en voor verwarring in de gemeente. In de gemeente heerst de ware vrijheid; zedelijke orde waarborgt deze vrijheid. Maar de vijand vindt geen betere aanleiding om de Heer oneer aan te doen, het getuigenis te gronde te richten, en alles in wanorde te brengen dan wanneer de christenen vergeetachtig zijn wat betreft genade en heilige orde onder hen; en zo geeft de vijand de wereld aanleiding om te lasteren. Laten we onszelf niet misleiden: als wij deze dingen die zedelijk passen en in onze verhoudingen welvoeglijk zijn niet handhaven (en ze zijn zo mooi en kostbaar) dan maakt de vrijheid plaats voor wanorde. Die uitnemende vrijheid van het christenleven is aan de wereld onbekend, zij weten niet wat genade is; maar de wanorde is tot oneer van de Heer en brengt alles zedelijk in verwarring.

Vaak heeft men gemerkt dat de menselijke zwakheid aanleiding geeft tot wanorde waar de christelijke vrijheid heerst. In plaats nu van naar het ware geneesmiddel te zoeken, heeft men de vrijheid vernietigd. Men bant de kracht en de werking van de Geest uit – want waar de Geest is, daar is vrijheid in ieder opzicht – de vreugde van de nieuwe verhoudingen waarin allen één zijn. Maar, terwijl de Geest zo nodig iedere band omwille van de Heer verbreekt, erkent Hij toch iedere verhouding die God heeft gelegd, zelfs wanneer wij ze verbreken – zoals de dood doet – omdat dit vereist wordt door de roepstem van Christus, die boven al die verhoudingen uitgaat. Maar zolang wij ons in die verhoudingen bevinden (de roeping van Christus daargelaten), horen wij te handelen zoals gepast is in die relaties. Oude en jonge mensen, man en vrouw, kind en ouder, slaaf en meester, allen moeten tegenover elkaar hun eigen welvoeglijkheden in acht nemen, zich gedragen in overeenstemming met de positie die ze innemen.

De “gezonde leer” houdt rekening met dit alles, en vermaant en waarschuwt om al deze welvoeglijkheden te handhaven. Dit is het onderricht dat de apostel hier aan Titus geeft, met betrekking tot oude mannen, oude vrouwen, jonge vrouwen (in verhouding tot hun echtgenoten, hun kinderen, en hun hele leven, dat huiselijk en bescheiden hoort te zijn), jonge mannen, voor wie Titus altijd een voorbeeld moest zijn; slaven met hun meesters. En vervolgens de plichten die allen hebben tegenover overheden, en stellig ook tegenover alle mensen. Maar voordat hij dit laatste punt opneemt, stelt hij de grote beginselen vast, die ten grondslag liggen aan het gedrag van de heiligen onderling in deze wereld. Voor hun gedrag ten opzichte van overheden en de wereld is er een ander motief.

Het gedrag van de christenen, als zodanig, in de gemeente, heeft als grondslag en drijfveer de bijzondere leerstukken van het Christendom. We vinden deze in hoofdstuk 2:11-15, waar over dat gedrag gesproken wordt. Het motief dat in het bijzonder geldt voor hun wandel met betrekking tot de wereld, vinden we in hoofdstuk 3 vanaf vers 3.

Hoofdstuk 2:11-15 bevat een opmerkelijke beknopte samenvatting van het Christendom, juist niet van de leerstellingen van het Christendom, maar van het Christendom als een praktische werkelijkheid voor de mensen. De genade is verschenen. Ze is verschenen, niet beperkt tot een bepaald volk, maar voor alle mensen; niet met tijdelijke beloften en zegeningen maar heil aanbrengend. Deze genade komt met heil van God tot mensen. Ze verwacht geen gerechtigheid van mensen, ze brengt heil aan hen die dat nodig hebben. Kostbare en eenvoudige waarheid, die ons God leert kennen, en ons onze plaats aanwijst, maar overeenkomstig de genade die alle hindernissen heeft overschreden om zich, in de vrijmachtige goedheid van God, tot ieder mens op aarde te richten.

Nu de genade van God dit heil heeft gebracht, onderwijst ze ons volmaakt met het oog op onze wandel in deze wereld, en wel met betrekking tot onszelf, tot andere mensen, en tot God. Met verzaking van alle goddeloosheid, en alle begeerten die hun bevrediging vinden in deze wereld, moeten wij de wil van het vlees in ieder opzicht in toom houden en ingetogen leven. We moeten de aanspraken van anderen erkennen en rechtvaardig leven. We moeten de rechten van God over onze harten erkennen en godsvrucht beoefenen.

Maar ook onze toekomst wordt verlicht door de genade. Ze onderwijst ons om te wachten op de gelukzalige hoop, en de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus.

De genade is verschenen. Ze leert ons hoe we hier beneden moeten wandelen, en de verschijning te verwachten van de heerlijkheid in de Persoon van Jezus Christus Zelf. En onze hoop is goed gefundeerd. Christus is terecht kostbaar voor ons. Wij kunnen met het volste vertrouwen van ons hart denken aan Zijn verschijning in heerlijkheid, die ook de sterkste drijfveer kan zijn voor een leven dat aan Zijn heerlijkheid is toegewijd. Hij heeft Zichzelf gegeven voor ons, om ons van alle wetteloosheid te verlossen en om voor Zichzelf een volk te reinigen dat Hem op grond van Zijn rechten toebehoort, en ijverig is – in overeenstemming met Zijn wil in Zijn natuur – in goede werken.

Dit leert ons wat het Christendom is. Het voorziet in alles: in het verleden, het heden en de toekomst, in overeenstemming met God. Het verlost ons van deze wereld, en maakt ons tot een voor Christus Zelf afgezonderd volk, in overeenstemming met de liefde waardoor Hij Zich gaf voor ons. Het is reiniging, maar een reiniging die ons aan Christus toewijdt. Wij behoren Hem toe als Zijn bijzonder deel, Zijn bezit in deze wereld. We worden aangevuurd door de liefde die in Hem is, om goed te doen aan anderen en te getuigen van Zijn genade. Dit is een kostbaar getuigenis van wat het Christendom is in de werkelijkheid van de praktijk, als het werk van Gods genade.

Hoofdstuk 3

Met betrekking tot het gedrag van de christenen tegenover de wereld, heeft de genade het geweld uitgebannen, evenals de geest van opstand en verzet die het hart beweegt van hen die niet geloven. Deze geest heeft als oorsprong de eigenwil die ernaar streeft eigen rechten te handhaven in verhouding tot anderen.

De christen heeft zijn deel, zijn erfdeel, elders; hij is hier rustig en ootmoedig en staat klaar om goed te doen. Zelfs wanneer anderen gewelddadig en onrechtvaardig zijn tegen hem, houdt hij steeds in herinnering dat het eenmaal met hemzelf niet anders was. Dit is een moeilijk te leren les: want geweld en onrecht brengen het hart in beroering. Maar de gedachte dat het zonde is, en dat wij vroeger ook slaven van de zonde waren, brengt geduld en godsvrucht teweeg. Alleen de genade heeft het verschil bewerkt, en overeenkomstig die genade zullen wij moeten handelen tegenover anderen.

De apostel geeft een treurige beknopte samenvatting van wat de mens naar het vlees kenmerkt – wat wij eens waren. De zonde was onverstand – was ongehoorzaamheid. De zondaar werd misleid – was de slaaf van lusten en begeerten, vol boosheid en afgunst, hatelijk en anderen hatende. Zo is de mens die gekenmerkt wordt door de zonde. Maar de goedertierenheid van God, van een God-Heiland, is verschenen; Zijn welbehagen en liefde die naar mensen uitgaat: wat een liefelijk en kostbaar karakter van God 2! Het karakter dat God heeft aangenomen is dat van Heiland, een naam die Hij vooral heeft in deze drie brieven. De bedoeling is dat onze wandel het stempel draagt van die Naam, dat die onze geest doortrekt. Onze wandel in de wereld en ons gedrag ten opzichte van anderen zijn afhankelijk van de beginselen van onze relatie met God. Wat ons anders heeft gemaakt dan de andere mensen is niet een of andere verdienste in onszelf, niet een of andere persoonlijke superioriteit: want wij waren eenmaal net als zij. Het is de tedere liefde en genade van de barmhartige God. Hij is ons goedertieren en barmhartig geweest: wij hebben geleerd wat dat betekent, en zijn het nu voor anderen. Inderdaad heeft deze barmhartigheid, toen wij gereinigd en vernieuwd werden, gewerkt door een beginsel en in een levenskring die zo volkomen nieuw zijn, dat wij niet meer met de wereld kunnen wandelen zoals we vroeger deden. Maar wij handelen tegenover anderen, die zich nog in de modderpoel van deze wereld bevinden, zoals God tegenover ons heeft gehandeld om ons eruit te halen. Hij deed dit opdat wij die dingen zouden genieten, waarvan wij nu volgens hetzelfde genadebeginsel verlangen dat ook anderen ervan genieten. Het besef van wat wij eens waren, en van de manier waarop God tegenover ons heeft gehandeld, beheersen samen ons gedrag tegenover anderen.

Toen nu de goedertierenheid van een Heiland-God verscheen, was dit niet iets vaags en onzekers: Hij heeft ons behouden, niet op grond van werken der gerechtigheid, die wij hadden gedaan, maar overeenkomstig Zijn barmhartigheid, door ons te wassen en te vernieuwen. Dit is de tweeledige aard van het werk in ons. Dezelfde twee punten vinden we in Johannes 3 in het gesprek van de Heer met Nicodemus. Alleen wordt er hier in Titus aan toegevoegd wat nu op z’n plaats is vanwege het werk van Christus, namelijk, dat de Heilige Geest ook rijkelijk over ons is uitgestort om de kracht te zijn van dat nieuwe leven waarvan Hij de bron is. De mens wordt gewassen, gereinigd. Hij wordt gewassen van zijn vroegere gewoonten, gedachten, verlangens, in praktische zin. We wassen iets dat bestaat. De mens was zedelijk slecht en verontreinigd in zijn innerlijk en uiterlijk leven.

God heeft ons behouden door ons te reinigen; Hij kon dit op geen andere manier doen. Om in betrekking te staan tot Hemzelf moet er praktische reinheid zijn.

Maar deze reiniging was grondig. Het was niet de buitenkant van het vat. Het was reiniging door middel van wedergeboorte; ongetwijfeld vereenzelvigd met het meedelen van een nieuw leven, dat de bron is van nieuwe gedachten. Dit leven staat in verbinding met Gods nieuwe schepping, en kan van Zijn tegenwoordigheid genieten, in het licht van Zijn aanschijn. Maar op zichzelf is deze wedergeboorte een overgang uit een toestand waarin wij geweest zijn in een geheel nieuwe. Een overgang uit het vlees door de dood, in de staat van een opgestane Christus.

Maar er was een kracht die werkzaam was in dit nieuwe leven en die het begeleidt in de christen. Het is niet alleen maar een subjectieve verandering, zoals men dat noemt. Een Goddelijk Persoon die handelend optreedt is werkzaam en Hij deelt iets nieuws mee, iets waarvan Hij zelf de bron is – de Heilige Geest Zelf. Het is God die werkt in het schepsel (want God werkt altijd rechtstreeks aan het schepsel door de Geest); en in het karakter van de Heilige Geest is Hij werkzaam in dit werk van vernieuwing. Het is een nieuwe bron van gedachten in betrekking tot God; het maakt niet alleen dat we kunnen leven, maar het is een kracht, een energie die wat nieuw is in ons tevoorschijn brengt.

Er is wel eens gevraagd: wanneer vindt deze vernieuwing door de Heilige Geest plaats? Gebeurt dat aan het begin, of gebeurt het na de wedergeboorte 3 waarover de apostel spreekt? Ik ben van mening dat de apostel over de vernieuwing spreekt in overeenstemming met de aard van het werk. Hij voegt eraan toe: “over ons uitgestort” (dit is kenmerkend voor de genade in dit huidige tijdperk), en hij toont daarmee aan dat er nog een extra waarheid is, namelijk: de Heilige Geest, “over ons uitgestort”, blijft in ons, om zodoende, door Zijn kracht, ons te bestendigen in het genot van de betrekking waarin Hij ons gebracht heeft. De mens wordt gereinigd in verband met de nieuwe stand van zaken; maar de Heilige Geest is een bron van een volkomen nieuw leven, geheel nieuwe gedachten; niet alleen van een nieuw zedelijk wezen, maar van de mededeling van alles wat zich in dit nieuwe wezen ontwikkelt. Wij kunnen de natuur niet scheiden van de voorwerpen met het oog waarop die natuur zich ontwikkelt, die de natuur kenmerken en de sfeer vormen waarin die natuur bestaat.

De Heilige Geest geeft de gedachten, schept en vormt heel het zedelijke wezen van de nieuwe mens. Zedelijk kunnen we de gedachte en wat denkt niet scheiden, wanneer het hart zich ermee bezighoudt. De Heilige Geest is de bron van alles in de mens die behouden is: hij wordt uiteindelijk behouden omdat dit met hem het geval is.

De Heilige Geest geeft ons niet alleen een nieuwe natuur; Hij geeft die ons in verbinding met een geheel nieuwe stand van zaken (“een nieuwe schepping”), en vervult ons wat onze gedachten betreft met de dingen die in deze nieuwe schepping zijn. Dit is de reden dat, hoewel wij eens voor altijd in de nieuwe schepping geplaatst zijn, dit werk – de werking van de Heilige Geest – voortduurt. Want Hij maakt ons steeds meer de dingen bekend van deze nieuwe wereld waarin Hij ons heeft gebracht. Hij neemt van de dingen van Christus en toont ze ons, en alles wat de Vader heeft is van Christus. Ik ben van mening dat “[de] vernieuwing van [de] Heilige Geest” dit alles insluit. Hij zegt immers: “die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort”. Zodoende betekent het niet alleen dat we uit Hem geboren zijn, maar dat Hij in ons werkt, door ons alles bekend te maken wat van ons is in Christus.

De Heilige Geest is rijkelijk over ons uitgestort door middel van Jezus Christus onze Heiland, opdat wij, gerechtvaardigd door de genade van deze Heiland, erfgenamen zouden worden overeenkomstig de hoop van het eeuwige leven. Ik ben van mening dat het voegwoord “opdat” vers 7 verbindt met “behouden … door [de] wassing van [de] wedergeboorte en [de] vernieuwing van [de] Heilige Geest”, en dat vers 6, “die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland”, een toegevoegde tussenzin is met het doel ons te laten zien dat wij deze dingen in hun volheid genieten door de kracht van de Heilige Geest.

Zo heeft Hij ons behouden door deze vernieuwing opdat wij erfgenamen zouden worden overeenkomstig de hoop van het eeuwige leven. Het is niets uiterlijks, aards of lichamelijks. De genade heeft ons het eeuwige leven gegeven. Met het oog hierop, zijn wij gerechtvaardigd door de genade van Christus.4 Zodoende is er energie, kracht en hoop door de rijke gave van de Heilige Geest. Opdat wij hieraan deel zouden hebben zijn wij gerechtvaardigd door Zijn genade, en onze erfenis bestaat in de onverderfelijke vreugde van het eeuwige leven.

God heeft ons behouden, niet door werken – niet door middel van iets dat wij zijn 5, maar door Zijn barmhartigheid. Maar Hij heeft ten opzichte van ons gehandeld overeenkomstig de rijkdom van Zijn genade, overeenkomstig de gedachten van Zijn eigen hart.

De apostel wenst dat Titus zich zal bezighouden met deze dingen; met datgene wat ons met dankzegging in praktische verbinding brengt met God Zelf; dingen die ons laten voelen wat ons deel is, ons eeuwig deel, in Zijn tegenwoordigheid. Dit werkt op ons geweten, vervult ons met liefde en goede werken, en maakt dat wij al de verhoudingen eerbiedigen waarvan God Zelf het middelpunt is. Wij staan in verhouding tot God in overeenstemming met Zijn rechten. Wij verkeren in de tegenwoordigheid van God, die maakt dat alles wat Hij zelf heeft ingesteld, door het geweten wordt geëerbiedigd.

Dwaze twistvragen en geschillen over de wet moest Titus vermijden. Hij moest ook alles vermijden wat de eenvoud zou kunnen tenietdoen van onze verhouding tot God overeenkomstig de rechtstreekse openbaring van Hemzelf en van Zijn wil in Jezus Christus. Het gaat nog steeds om het gnostieke Judaïsme dat zich opwerpt tegen de eenvoud van het evangelie: de wet en de menselijke gerechtigheid, en wat door middel van tussenpersonen de eenvoud van het evangelie tenietdoet en daarmee het onmiddellijk kenmerkende van onze verhouding tot de God van genade.

Als iemand probeerde zijn eigen meningen voor te stellen om daardoor partijen te vormen in de gemeente, moest Titus hem na de eerste en tweede vermaning verwerpen: zijn geloof was omvergeworpen. Hij zondigt, hij wordt door zichzelf veroordeeld. Hij is niet tevreden met de gemeente van God, met de waarheid van God: hij wil zijn eigen waarheid maken. Waarom is hij een christen, als het Christendom, zoals God het gegeven heeft, hem niet voldoet? Doordat hij een partij vormt voor zijn eigen meningen veroordeelt hij zichzelf.

Aan het einde van de brief zien we een glimpje van de christelijke werkzaamheid die de liefde van God voortbrengt, de moeite die gedaan wordt voor de kudde opdat deze alle hulp geniet die God aan de gemeente biedt. Paulus wenste dat Titus naar hem toekwam: maar de Kretenzen hadden zijn diensten nodig; en de apostel maakt het vertrek van Titus van het veld waarop hij arbeidde, afhankelijk van de komst van Artemas of Tychicus. Laatstgenoemde was bekend door de diensten die hij aan Paulus had bewezen. We zien ook dat Zenas, een wetgeleerde, en Apollos, die zijn werkzaamheid en ijver eveneens in Efeze en Korinthe had ontplooid, bereid waren zich bezig te houden met het werk van de Heer op Kreta.

Let er ook op, dat we twee soorten arbeiders hebben. Er waren er die persoonlijk in verbinding stonden met de apostel als zijn medearbeiders; zij vergezelden hem, en hij stuurde hen naar elders om het werk dat hij was begonnen voort te zetten, als hij het zelf niet langer voort kon zetten. Er waren er ook die vrij en onafhankelijk van hem werkten. Maar er was geen afgunst over deze tweeledige werkzaamheid. Hij veronachtzaamde de kudde niet die hem lief was. Hij was blij dat er waren die, gezond in het geloof, de planten natmaakten die hijzelf had geplant. Hij moedigt Titus aan om hun alle genegenheid te bewijzen, en te voorzien in alles wat ze ook maar nodig hadden op reis. Deze gedachte brengt hem ertoe de raad te geven die volgt: namelijk het zou goed zijn voor christenen om te leren nuttig werk te doen om te voorzien zowel in de behoeften van anderen als in die van hemzelf.

De apostel eindigt zijn brief met de groeten die de christelijke liefde altijd bewerkt. Maar, zoals we in het begin hebben gezien, is hier niet dezelfde openhartigheid als die we vinden in de mededelingen van Paulus aan Timotheüs. De genade is overal dezelfde; maar er zijn bijzondere genegenheden en verhoudingen in de gemeente van God.

EINDE TITUS

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 8.3

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Vergelijk Spreuken 8:30-31, en Lukas 2:14, en Psalm 40:7-9, “de oren doorboord” is beter vertaald: “Gij hebt oren uitgegraven voor mij” – dat wil zeggen een lichaam toebereid, de plaats van gehoorzaamheid, of een slaaf (Filippi 2); zo is het vertaald in de Septuaginta, en in Hebreeën als juist aangenomen.

2 In het Grieks is het, het woord filantropie, dat de apostel hier gebruikt als hij spreekt over God. Dit Griekse woord heeft overigens veel grotere kracht dan ons woord filantropie, omdat phil vriendschap of een bijzondere genegenheid voor iets uitdrukt.

3 Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt is niet “opnieuw geboren” worden. Behalve in dit gedeelte wordt dit woord alleen gebruikt aan het einde van Mattheüs 19 als aanduiding van het duizendjarig rijk. De vernieuwing van de Heilige Geest moet onderscheiden worden van de wedergeboorte. De wedergeboorte is een verandering van de ene stand van zaken in een andere.

4 Het in vers 7 door “Zijn” vertaalde Griekse woord geeft aan dat de verwijzing naar Christus is, niet naar God.

5 Zoals overal wordt hier een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de verantwoordelijkheid van de mens en de zaligmakende genade van God, waardoor Zijn doel wordt bereikt.