67. 1 Petrus
67. 1 Petrus · uit de ‘Synopsis’ deel 8 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Inleiding
De eerste brief van Petrus is gericht aan gelovigen onder de verstrooiden van Israël die zich bevonden in die provincies van Klein-Azië, die in het eerste vers worden genoemd. De tweede brief zegt zelf dat het een tweede is, die gericht is aan dezelfde personen: zodat zowel de een als de ander bestemd was voor de Joden uit Klein-Azië. Dat wil zeggen: bestemd voor diegenen onder hen die hetzelfde kostbare geloof hadden als de apostel.
De eerste brief berust op de leer van de hemelse roeping, (ik zeg niet op de leer van de gemeente op aarde 1, want die wordt ons hier niet voor de aandacht gesteld), in tegenstelling tot het deel van de Joden op aarde. De brief stelt ons christenen, en in het bijzonder christenen onder de Joden, voor, als pelgrims en vreemdelingen op aarde. Het gedrag dat zulke mensen past wordt uitvoeriger besproken dan de leer. De Heer Jezus die hier Zelf een Pelgrim en Vreemdeling was, wordt in meer dan één opzicht als voorbeeld voorgesteld. De beide brieven gaan de rechtvaardige regering van God na van het begin af tot aan het einde van alle dingen, waarin de elementen brandende zullen wegsmelten, en er nieuwe hemelen en een nieuwe aarde zal zijn, waar gerechtigheid woont. De eerste brief geeft de regering van God ten behoeve van gelovigen. De tweede geeft deze regering in het oordeel van de goddelozen. Als de apostel de hemelse roeping voorstelt, stelt hij niettemin noodzakelijkerwijs het heil voor – de verlossing van de ziel, in tegenstelling tot de tijdelijke verlossing van de Joden.
Hoofdstuk 1
De volgende beschrijving geeft de Geest van deze gelovigen. Het zijn uitverkorenen, en wel naar de voorkennis van God, de Vader. Israël was een op aarde door Jahweh uitverkoren volk. Hier zijn het degenen, die door de Vader voorgekend zijn. Het middel, waardoor hun uitverkiezing tot stand komt is de heiliging van de Heilige Geest. Zij worden werkelijk afzonderlijk gezet door de kracht van de Geest. Israël werd afzonderlijk gezet door inzettingen, maar deze zijn geheiligd tot de gehoorzaamheid van Jezus Christus en tot de besprenkeling met Zijn bloed. Dat wil zeggen: geheiligd, enerzijds om te gehoorzamen zoals Hij gehoorzaamd heeft, en anderzijds om besprenkeld te worden met Zijn bloed, en zodoende volmaakt rein te zijn voor het aangezicht van God. Israël was afzonderlijk gezet tot de gehoorzaamheid van de wet, en tot dat bloed, dat wel de dood aankondigde als de straf die het gezag van de wet bekrachtigde, maar dat nooit de ziel van de zonde kon reinigen.
Dat was het standpunt van de christen. De apostel wenst hun genade en vrede toe – het welbekende deel van gelovigen. Hij herinnert hen aan de zegeningen waarmee God hen had gezegend, en hij looft God die ze hun had verleend. Gelovige Israëlieten kenden Hem nu, niet in het karakter van Jahweh, maar als de God en Vader van onze Heer Jezus Christus.
Wat de apostel voorstelt als de vrucht van Zijn genade, is een hoop buiten deze wereld. Het is niet het beërven van Kanaän, dit is geschikt voor mensen die op aarde wonen; het was de hoop van Israël, en is nog altijd de hoop van het ongelovige volk. De barmhartigheid van God had hen wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Deze opstanding richtte hun oog op een deel in een andere wereld, en toonde hun tevens de kracht die de mens in het bezit daarvan stelde, al was hij aan de dood onderworpen geweest. hij zou daar binnengaan door de opstanding, op grond van die heerlijke triomf van de Heiland, om deel te hebben aan een onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die niet vergaat. De apostel spreekt niet over onze opstanding met Christus: hij beschouwt de christen als een pelgrim hier beneden, die bemoedigd wordt door de triomf van Christus Zelf in de opstanding. Die opstanding vuurde hem aan doordat hij zich bewust werd dat er een wereld van licht en geluk voor hem lag, en dat er een kracht was die hem in die wereld zal binnenbrengen. Bijgevolg wordt er over de erfenis gesproken als: “in [de] hemelen weggelegd”. In de Efezebrief zitten wij in de hemelse gewesten in Christus Jezus, en de erfenis omvat alles, en Christus Zelf is Erfgenaam daarvan. Maar in werkelijkheid is de christen ook een pelgrim en vreemdeling op aarde, en het is voor ons een sterke vertroosting, op onze pelgrimsreis, om deze hemelse erfenis vóór ons te zien, als een zeker onderpand, dat wij daarbinnen zullen gaan.
Er wordt nog een onschatbare vertroosting aan toegevoegd. Terwijl de erfenis voor ons bewaard wordt in de hemelen, worden wij op heel onze pelgrimsreis door de kracht van God bewaard, opdat wij ten slotte van die erfenis zullen genieten. Wat een heerlijke gedachte! Wij worden hier beneden bewaard door alle gevaren en moeilijkheden heen. En anderzijds wordt de erfenis daar bewaard, waar geen verontreiniging of vergankelijkheid mogelijk is.
Maar deze kracht bewaart ons door zedelijke middelen (en Petrus spreekt altijd op deze manier), door de werking van de genade in ons. De genade richt het hart op voorwerpen die maken dat het in verbinding blijft met God en met Zijn belofte. (Vergelijk 2 Petrus 1:4.) Wij worden in de kracht van God bewaard door het geloof. God zij geprezen, het is de kracht van God Zelf, die bewaart. Maar deze kracht werkt: door het geloof in stand te houden in het hart; door het geloof staande te houden boven elke verontreiniging van de wereld, ondanks alle verzoekingen; en door de genegenheden te vervullen met hemelse dingen. Petrus houdt zich echter altijd bezig met de wegen van God met betrekking tot deze wereld, en let alleen op het aandeel dat de gelovigen zullen hebben in deze behoudenis, deze hemelse heerlijkheid, wanneer die openbaar zal worden. Dit zal zijn wanneer God, door Zijn heerlijkheid, Zijn gezag in zegening op de aarde vestigt. Het is wel de hemelse heerlijkheid, maar de openbaar geworden hemelse heerlijkheid, als het middel om de opperheerschappij van God op aarde te vestigen, tot Zijn eigen heerlijkheid en tot zegen van de hele wereld.
Het is de behoudenis, die gereed is om in de laatste tijd geopenbaard te worden. Dit woord “gereed” is belangrijk. De apostel zegt ook dat het oordeel klaarstaat om geopenbaard te worden. Christus is persoonlijk verheerlijkt, Hij heeft al Zijn vijanden overwonnen, Hij heeft de verlossing volbracht. Hij wacht nog slechts op één ding, namelijk, dat God Zijn vijanden tot een voetbank voor Zijn voeten maakt. Hij is gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge, omdat Hij, wat betreft de verheerlijking van God op het terrein van de zonde was, alles heeft volbracht. De daadwerkelijke behoudenis van de zielen – de bijeenvergadering van de Zijnen, is echter nog geen volbracht feit (2 Petrus 3:9,15). Maar wanneer eenmaal allen die erin delen zijn toegebracht, hoeft nergens op gewacht te worden wat betreft de behoudenis, dat wil zeggen, de heerlijkheid waarin de verlosten zullen verschijnen 2. Evenmin hoeft daarom echter nergens op gewacht te worden wat betreft het oordeel over de goddelozen op aarde, dat voltrokken zal worden bij de openbaring van Christus (zie 2 Thessalonika 1:9-10). Alles is gereed. Dit is voor ons een liefelijke gedachte in de dagen van onze volharding; maar het is heel ernstig als we denken aan het oordeel. Ja, zoals de apostel zegt, wij verheugen ons zeer in deze behoudenis, die gereed is om in de laatste tijd geopenbaard te worden. Wij wachten daarop. Het is een tijd van rust, van zegen voor de aarde, van de volle openbaring van de heerlijkheid van Hem, die die heerlijkheid waard is, Hij die werd vernederd en voor ons leed. Het is de tijd, dat het licht en de heerlijkheid van God in Christus de wereld zullen verlichten, en al het kwaad van de wereld eerst zullen binden en daarna wegdoen.
Dit is ons deel: een overvloedige vreugde over de behoudenis die binnenkort geopenbaard wordt, en waarin wij ons altijd mogen verblijden, hoewel wij, als het voor ons welzijn nodig is, bedroefd kunnen zijn door velerlei verzoekingen. Maar dit is slechts voor een zeer korte tijd, – slechts een lichte verdrukking, die voorbijgaat, en ons alleen overkomt als het nodig is; opdat het resultaat van de kostbare beproeving van het geloof blijkt te zijn tot lof en heerlijkheid en eer in de openbaring van Jezus Christus, op Wie wij wachten. Dat is het einde van al onze droefheid en beproevingen; deze zijn van voorbijgaande aard en licht, in vergelijking met het grote resultaat: de uitnemende en eeuwige heerlijkheid waarheen ze ons leiden, in overeenstemming met de wijsheid van God en de behoefte van onze ziel. Het hart klampt zich vast aan Jezus; Hij zal verschijnen.
We hebben Hem lief, hoewel we Hem nooit gezien hebben. In Hem verheugen we ons met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde, al zien we Hem nu niet. Dit heeft een beslissende en vormende invloed op ons hart, het maakt het hart vast en vult het met vreugde, hoe het ook met ons gaat in ons leven. Voor ons hart is het Jezus, die de hele heerlijkheid vervult. Door genade zal ik verheerlijkt worden, zal ik de heerlijkheid bezitten; maar ik heb Jezus lief, mijn hart verlangt naar Zijn aanwezigheid – verlangt ernaar Hem te zien. Bovendien zullen we Hem gelijk zijn, en Hij zal volmaakt verheerlijkt zijn. Wel mag de apostel zeggen: “onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde”. Het hart kan niets anders verlangen; en als er lichte verdrukkingen nodig zijn voor ons, verdragen we ze met blijdschap, omdat ze een middel zijn om ons te vormen voor de heerlijkheid. En we kunnen ons verheugen bij de gedachte aan de verschijning van Christus, want door Hem ongezien, in ons hart te ontvangen, ontvangen we de behoudenis van onze eigen ziel. Die is het doel en het eind van het geloof; veel kostbaarder dan de tijdelijke verlossing die Israël heeft genoten, al waren deze ook bewijzen van de gunst van God.
De apostel ontwikkelde vervolgens de drie opeenvolgende fasen van de openbaring van deze genade van de behoudenis – de volkomen en volledige bevrijding van de gevolgen van de zonde, en van de vruchten en van de ellende van de zonde. Deze drie fasen zijn:
- de profetieën;
- het getuigenis van de Heilige Geest, die van de hemel is gezonden;
- de openbaring van Jezus Christus Zelf, waarbij de verlossing, die al aangekondigd was, volkomen volbracht zou worden.
Het is belangwekkend om hier te zien hoe het verworpen worden van de Messias, volgens joodse verwachtingen, iets dat de profeten al tevoren overdacht en aangekondigd hadden – noodzakelijk de weg baande voor een behoudenis die ook het heil voor de ziel meebracht. Jezus werd niet meer gezien; het aardse deel ging bij Zijn eerste komst niet in vervulling; de behoudenis zou in de laatste tijd geopenbaard worden. Maar zodoende werd een behoudenis van de ziel ontvouwd, die in haar hele omvang verwerkelijkt zou worden in de heerlijkheid die spoedig geopenbaard zou worden. Want het was voor de gelovigen de geestelijke vreugde van de ziel in een hemelse Jezus die zij niet zien, en die in Zijn dood voor de zonde had geboet, en die in Zijn opstanding, volgens de kracht van het leven van Gods Zoon, hen had wedergeboren tot een levende hoop. Door het geloof dan, ontvingen zij deze behoudenis – deze ware verlossing. Dit was nog niet de heerlijkheid en de uiterlijke rust; die behoudenis zou zeker plaatsvinden, wanneer Jezus verscheen; maar intussen genoot de ziel al door het geloof van deze volmaakte rust, en in hoop geniet hij al van de heerlijkheid zelf.
Nu hadden de profeten de genade van God aangekondigd, die voor de gelovigen in vervulling zou gaan, en die zelfs nu al aan de ziel het genot van die behoudenis geeft. Zij hadden hun eigen profetieën, die zij door ingeving van God hadden ontvangen, onderzocht, en getracht te begrijpen welke of wat voor een tijd de Geest aanduidde, toen Hij tevoren getuigde van het vele leed dat over Christus komen zou, en van de heerlijkheid daarna. Want de Geest sprak over deze twee dingen door de profeten, en duidde daarom meer aan dan een tijdelijke verlossing in Israël; want de Messias zou lijden. En de profeten ontdekten dat het niet voor henzelf en evenmin voor hun eigen tijd was, dat de Geest van Christus deze waarheden betreffende de Messias aankondigde, maar voor christenen. Dezen ontvangen wel de behoudenis van de ziel door de openbaring van een Christus die na Zijn lijden in de hemel zit en die in heerlijkheid terugkomt, maar zij hebben nog niet die heerlijkheid ontvangen die aan de profeten werd geopenbaard. Deze dingen zijn met grote duidelijkheid en Goddelijke eenvoud verkondigd door de Heilige Geest, die van de hemel is gezonden na de dood van Jezus. Maar de Geest schenkt niet de heerlijkheid zelf, waarin de Heer zal verschijnen, Hij heeft die alleen meegedeeld. Daarom moeten de christenen de lendenen van hun verstand omgorden, nuchter zijn, en tot het einde toe hopen op de genade die hun (feitelijk) wordt gebracht bij de openbaring van Jezus Christus.
De drie opeenvolgende fasen in de wegen van God zijn zodoende:
- De gebeurtenissen die betrekking hebben op Christus, en die joodse zegeningen ver overtreffen, worden voorzegd.
- De dingen worden door de Heilige Geest aangekondigd.
- De dingen die beloofd zijn, gaan in vervulling als Jezus Christus wordt geopenbaard.
Welnu, wat de apostel voorstelt, is een aandeel in de heerlijkheid van Christus wanneer Hij geopenbaard zal worden; die behoudenis waarover de profeten hadden gesproken, en die in de laatste tijd geopenbaard zou worden. Maar in de tussentijd had God de gelovige Joden wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. En door middel van Zijn lijden had God hun duidelijk gemaakt dat zij nu al, terwijl ze nog wachtten op de openbaring van de heerlijkheid, die voor hen werkelijkheid was in de Persoon van Jezus, een behoudenis van de ziel genoten. Bij deze behoudenis vergeleken verloren de verlossingen van Israël hun glans en kon men ze wel vergeten. Het was inderdaad de behoudenis “die gereed is om geopenbaard te worden” in al haar volheid; maar vooralsnog bezaten zij deze alleen met betrekking tot de ziel. Maar juist doordat deze behoudenis gescheiden was van het openbaar worden van de aardse heerlijkheid, had ze nog meer een geestelijk karakter. Daarom moesten zij de lendenen omgorden, terwijl ze wachtten op de openbaring van Jezus Christus, en ze moesten met dankbaarheid erkennen dat zij in het bezit waren van het einde van hun geloof. Ze stonden in betrekking tot God.
Toen God deze dingen aankondigde door de dienst van de profeten, had Hij de christenen op het oog, en niet de profeten zelf. Deze genade, waarvan de profeten hadden geprofeteerd, zou te zijner tijd aan gelovigen meegedeeld worden; maar in de tussentijd getuigde de Heilige Geest, die van de hemel gezonden was, ervan voor het geloof en voor de ziel. De genade zou hun gebracht worden bij de openbaring van Jezus Christus. De opstanding van Jezus Christus, die de garantie was van de vervulling van alle beloften en de kracht van het leven om van al die beloften te genieten, had hen wedergeboren tot een levende hoop. Maar het recht om te genieten van de vervulling van de belofte, berustte op een andere waarheid. Daarheen leiden ons de vermaningen. Zij moesten wandelen als gehoorzame kinderen, en niet meer de begeerten volgen die hen geleid hadden in de dagen van hun onwetendheid. Ze waren geroepen door Hem die heilig is, en ze moesten heilig zijn in al hun wandel, zoals geschreven staat. Bovendien, als zij de Vader aanriepen, die, zonder te letten op iemands aanspraak op aanzien, naar het werk van een ieder oordeelde, dan moesten ze in vrees de tijd van hun bijwoning doorbrengen.
Let er hier wel op, dat hier geen sprake is van het laatste oordeel van de ziel. In dat opzicht: “de Vader oordeelt niemand, maar heeft heel het oordeel aan de Zoon gegeven”. Hier is sprake van het oordeel dat God dagelijks uitoefent in Zijn regering over deze wereld, en dit wordt uitgeoefend met betrekking tot Zijn kinderen. Daarom staat er ook: “de tijd van uw bijwoning”. Het is een oordeel dat toegepast wordt op het christelijk leven. De vrees waarover wordt gesproken is geen onzekerheid betreffende de behoudenis en de verlossing. Het is een vrees die berust op de zekerheid dat men verlost is; en de ontzaglijke prijs, de oneindige waarde van het middel dat aangewend is om ons te verlossen – namelijk, het bloed van het onberispelijke en onbevlekte Lam – is de beweegreden om God te vrezen gedurende onze pelgrimsreis. Wij zijn van onze onvruchtbare wandel vrijgekocht tegen de prijs van het bloed van Christus; kunnen we dan nog wandelen overeenkomstig de beginselen waarvan we op die manier zijn verlost? Zo’n prijs voor onze verlossing eist, dat wij met voorzichtigheid en ernst wandelen voor het aangezicht van de Vader, met Wie wij gemeenschap wensen te hebben om te genieten van ons voorrecht en onze geestelijke betrekking.
De apostel past deze waarheid dan toe op de christenen aan wie hij schrijft. Het Lam was voorgekend in de raadsbesluiten van God voor de grondlegging van de wereld; maar Hij was in het einde van de tijden geopenbaard ter wille van gelovigen: en dezen worden in hun ware karakter voorgesteld: zij geloven in God door Jezus – door dit Lam. Zij geloven niet door middel van de schepping. Al is de schepping een getuigenis van Zijn heerlijkheid, ze geeft geen rust aan het geweten en spreekt niet over een plaats in de hemel. Zij geloven niet door middel van de voorzienigheid, want, al leidt deze alle dingen, toch laat ze de regering van God in dichte duisternis. Evenmin geloven zij door middel van de openbaring van God op de berg Sinaï, onder de naam Jahweh of door middel van de schrik die gepaard ging met een gebroken wet. Wij geloven door middel van Jezus, het Lam van God. Let erop dat er niet staat: “in Hem” maar: “door Hem” in God. Wij kennen God als Degene die ons liefhad, toen wij zondaars waren en dood waren in onze misdaden en zonden, en Die deze dierbare Heiland heeft overgegeven om neer te dalen in de dood waarin wij ons bevonden, om de plaats in te nemen van ons die onder het oordeel lagen, en om te sterven als het Lam van God. Wij geloven in God, die door Zijn kracht Jezus heeft opgewekt uit de doden, toen Hij daar was voor ons – in onze plaats – en Die Hem heerlijkheid heeft gegeven. Wij geloven daarom door Jezus in een Heiland-God, een God die Zijn kracht uitoefent ten behoeve van ons, zodat ons geloof en onze hoop op God is. Er staat niet: op iets dat voor Gods aangezicht is, maar op God Zelf. Hoe zou dat ooit een reden kunnen zijn voor vrees of wantrouwen ten opzichte van God, als ons geloof en onze hoop op Hemzelf is? Dit verandert alles. De manier waarop wij God zien is volkomen veranderd; en deze verandering berust op wat de gerechtigheid van God bevestigt als Hij ons aanneemt als gereinigd van alle zonde, de liefde van God om ons volmaakt te zegenen in Jezus. De kracht van God heeft Hem uit de doden opgewekt en verheerlijkt – en overeenkomstig deze kracht zegent Hij ons. Ons geloof en onze hoop zijn op God Zelf.
Dit brengt ons in de innigste betrekking tot de overige verlosten: voorwerpen van dezelfde liefde, gewassen door hetzelfde kostbare bloed, verlost door hetzelfde Lam. Zo worden zij – voor hen die hun zielen gereinigd hebben door de gehoorzaamheid aan de waarheid door het werk van de Geest – de voorwerpen van een tere ongeveinsde broederliefde. Het zijn onze broeders. Laten we elkaar dan vurig liefhebben uit een rein hart. Maar dit wordt weer gebaseerd op een ander uiterst belangrijk beginsel. In deze liefde is een nieuwe natuur werkzaam. Als we verlost zijn door het kostbare bloed van het onberispelijke Lam, zijn we geboren uit het onvergankelijke zaad: het levend en blijvend Woord van God. Want het vlees is slechts gras, de heerlijkheid van de mens als de bloem van het gras. Het gras is verdord, de bloem is afgevallen, maar het Woord van de Heer blijft tot in eeuwigheid. Dit is het evangeliewoord dat ons verkondigd is. Dit is een eeuwig beginsel van zegen. De gelovige is niet geboren naar het vlees om te genieten van tijdelijke voorrechten en zegeningen, zoals dat het geval was met een Jood, maar hij is geboren uit een onvergankelijk zaad, een levensbeginsel, dat even onveranderlijk is als het Woord van God Zelf. De profeet Jesaja had hun dit gezegd, toen hij het volk van God troostte. Al het vlees, het volk zelf, was slechts verdord gras, God was onveranderlijk en het Woord dat door Zijn onveranderlijke zekerheid de Goddelijke zegeningen waarborgde voor de voorwerpen van Gods gunst, werkte in de harten, om een leven te verwekken dat even onsterfelijk en onvergankelijk is als het Woord, dat er de oorsprong van is.
Hoofdstuk 2
Als de gelovigen dan zo zijn gereinigd en wedergeboren door het Woord, moeten ze alle boosheid en alle bedrog, huichelarij en afgunst en alle kwaadspreken afleggen. En als pasgeboren kinderen moeten ze zeer verlangen naar die redelijke melk van het Woord, om daardoor op te groeien. (Want het Woord is de melk voor het kind, zoals het ook het zaad was voor zijn leven.) Wij moeten die melk van het Woord als pasgeboren kinderen in alle eenvoud ontvangen, als we inderdaad gesmaakt hebben dat de Heer goedertieren en vol genade is. Ik ben niet gekomen tot de Sinaï, en de Heer spreekt niet van de Sinaï (waar de Heere God Zijn wet meedeelde uit het midden van het vuur, zodat zij die dit hoorden, smeekten dat het woord niet meer tot hen zou worden gericht). Als ik heb gesmaakt en begrepen dat de Heer in genade handelt, dat Hij tegenover mij liefde is, en dat Zijn Woord uitdrukking is van die genade, omdat het mij immers het leven meedeelt, dan zal ik zeer begerig zijn om me te voeden met deze redelijke melk van het Woord, waarvan de gelovige geniet naar de mate van zijn eenvoud. Ik zal er dan naar verlangen gevoed te worden met dat goede Woord, dat mij niets dan genade verkondigt, en tot mij spreekt van de God die ik nodig heb als de God van alle genade, vol genade, die in genade werkzaam is, en die Zich aan mij openbaart in dit karakter – een karakter dat Hij tegenover mij nooit zal kunnen verloochenen, omdat Hij mij deel geeft aan Zijn heiligheid.
Ik ken nu de Heer Zelf: ik heb gesmaakt wat Hij is. Bovendien staat dit steeds in tegenstelling tot de toestand van de Joden onder de wet, al is het de vervulling van wat de Psalmen en de profeten hadden gezegd, terwijl de opstanding bovendien duidelijk een hemelse hoop heeft geopenbaard. De gelovigen zelf waren nu het geestelijke huis, het heilige priesterdom. Zij kwamen tot de Levende Steen, door mensen weliswaar verworpen, maar bij God uitverkoren, kostbaar, en ze werden als levende stenen gebouwd op Hem. De apostel gebruikt dit woord “levend” graag. Aan hem had de Vader geopenbaard dat Jezus de Zoon van de levende God was. Niemand anders had Hem toen als zodanig beleden, en de Heer zei hem, dat Hij Zijn gemeente zou bouwen op die rots: dat wil zeggen, op de Persoon van de Zoon van God in de kracht van het leven, dat openbaar werd in de opstanding, waardoor Hij verklaard is de Zoon van God te zijn in kracht. Door zijn geloof was Petrus deelgenoot van de natuur van deze Levende Rots. Hier dan, in hoofdstuk 2:5, strekt hij dit karakter uit tot alle gelovigen, en laat hij ons dat heilige huis zien, dat gebouwd is op de Levende Steen. Deze had God Zelf gelegd als de uitverkoren en kostbare hoeksteen. Wie in Hem gelooft zou niet beschaamd worden 3.
Welnu, niet alleen in het oog van God was deze Steen kostbaar, maar ook in het oog van het geloof – want hoe zwak zij die het geloof bezitten ook zijn, zij zien zoals God ziet. Voor ongelovigen was deze steen een steen van aanstoot en een rots van ergernis. Zij stootten zich aan het Woord, omdat ze ongehoorzaam waren, en daartoe waren ze ook bestemd.
Er staat niet dat ze bestemd waren tot zonde of tot veroordeling, maar deze ongelovige en ongehoorzame zondaren, het joodse volk – al lang weerspannig, en voortdurend in verzet tegen God – waren bestemd om in de Heer van de genade Zelf een rots van ergernis te vinden; en om te struikelen en te vallen over Hem, die voor het geloof de kostbare Steen van de behoudenis was. Hun ongeloof was juist voor deze val bestemd.
Gelovigen daarentegen, kregen het genot van de beloften die aan Israël waren gedaan; en zij genoten daarvan op de uitnemendste manier. De genade – en juist de trouw van God Zelf – had de vervulling van de belofte aangebracht in de Persoon van Jezus, de dienstknecht van de besnijdenis, ter wille van de waarheid van God, om de beloften aan de vaderen te bevestigen. En al had het volk Hem verworpen, toch wilde God de zegeningen niet onthouden aan hen die – ondanks deze grote moeilijkheid voor het geloof en het hart – zich hadden onderworpen aan de gehoorzaamheid van het geloof, en zich gehecht hadden aan Hem, die door het volk veracht werd. Zij konden de zegen van Israël niet ontvangen met het volk op aarde, omdat het volk Hem had verworpen. Maar God had deze gelovigen volkomen in betrekking tot Hemzelf gebracht als een volk dat Hij aannam. De zegeningen namen nu een hemels karakter aan, maar dit deed hun aanneming in overeenstemming met de belofte niet teniet. Alleen zij genoten nu van de beloofde zegeningen overeenkomstig de genade. Want het volk als volk, had deze zegeningen verbeurd; niet alleen lang geleden al door hun ongehoorzaamheid, maar nu door Hem te verwerpen die in genade kwam, om hen de vervulde belofte te geven.
Daarom past de apostel de benaming: “een heilig volk” toe op het uitverkoren overblijfsel, en geeft hun vrijwel dezelfde titels die in Exodus 19 verleend werden op voorwaarde van gehoorzaamheid. Maar hier staan deze titels in verbinding met de Messias, want het feit dat zij ze bezitten berust op Zijn gehoorzaamheid en op de rechten die ze verworven hebben door hun geloof in Hem.
Maar omdat de voorrechten van het gelovig overblijfsel berusten op de Messias, gaat de apostel verder, en past de uitspraken van Hosea op hen toe. Deze hebben betrekking op Israël en Juda wanneer zij in de laatste dagen weer in volle zegening hersteld zullen zijn, en zullen genieten van de relaties tot God, waarin de genade hen in die tijd zal brengen.
“U echter bent” zegt hij, “een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, … een volk tot een eigendom”. Dit zijn bijna dezelfde woorden als in Exodus 19. Hij gaat verder: “U die vroeger geen volk was, maar nu Gods volk bent, die aan geen barmhartigheid deel had, maar nu barmhartigheid hebt verkregen”. Dit zijn de woorden uit Hosea 2. Hier wordt ons, op een heel belangwekkende manier, het beginsel voorgesteld, waarop de zegen berust. In Exodus zou het volk deze krijgen, als ze stipt gehoorzaam waren aan de stem van God. Maar Israël had niet gehoorzaamd, ze waren weerspannig en halsstarrig geweest, ze waren andere goden achternagelopen, en hadden het getuigenis van de Geest verworpen. Toch, na al hun ontrouw, had God Zelf in Sion een Steen gelegd, een hoeksteen, het hoofd van de hoek, en wie in Hem geloofde zou niet beschaamd worden. Toen Israël in ieder opzicht had gefaald, en op grond van gehoorzaamheid alles had verspeeld, was het louter genade, dat God hun door Jezus, door middel van genade, gaf, wat Hij hun eerst had beloofd op voorwaarde van gehoorzaamheid. Op deze manier werd hun alles gewaarborgd.
Het vraagstuk van de gehoorzaamheid was beslist – na de ongehoorzaamheid van Israël – door de genade, en door de gehoorzaamheid van Christus, die de grondslag is die God in Sion heeft gelegd. Dit beginsel, dat de genade overvloediger is dan de zonde, bewijst dat de ongehoorzaamheid nooit de plannen van God kan verijdelen; want deze genade kwam nadat de ongehoorzaamheid het toppunt had bereikt. Dit heerlijke beginsel, dat zo troostrijk is voor de overtuigde zondaar, wordt op een treffende manier bevestigd door de aanhaling uit Hosea. In dit gedeelte uit Hosea wordt Israël niet alleen voorgesteld als schuldig, maar zo, alsof het het oordeel al heeft ondergaan. God had gezegd, dat Hij geen barmhartigheid meer zou hebben (met betrekking tot Zijn geduld met de tien stammen) en dat Israël Zijn volk niet meer was (in Zijn oordeel over het ontrouwe Juda). Maar daarna, als het oordeel is voltrokken, keert Hij terug tot Zijn onberouwelijke, onherroepelijke plannen in genade, en Hij lokt Israël als een verlaten vrouw, en geeft haar het dal Achor, “tot een deur van hoop”. Dit dal Achor, was het dal van het ongeluk; daar werd Achan gestenigd: het eerste oordeel over het ontrouwe Israël nadat ze het beloofde land binnengegaan waren. Dit dal werd een deur van hoop, want het oordeel wordt veranderd in genade, en God begint helemaal opnieuw, op een nieuwe grondslag. Het was alsof Israël nog eens uit Egypte was getrokken, maar nu op een volkomen nieuwe grondslag. Hij ondertrouwt haar voor eeuwig, in gerechtigheid, in oordeel, in genade, in barmhartigheid, en alles is zegen. Dan noemt Hij haar: “Ru-chama” of “het voorwerp van barmhartigheid”; en ook: “Am-mi” of “Mijn volk”.
Dat zijn nu de uitdrukkingen die de apostel gebruikt, en die hij toepast op het overblijfsel dat geloofde in Jezus, de steen des aanstoots voor het volk, maar de hoeksteen van Godswege voor de gelovige. Zodoende is de voorwaarde weggenomen, en in plaats van een voorwaarde hebben we de zegen na de ongehoorzaamheid. En na het oordeel hebben we de volkomen en zekere genade van God. Deze genade berust, in haar toepassing op de gelovigen, op de Persoon, de gehoorzaamheid, en het werk van Christus.
Het is treffend, deze genade te zien uitgedrukt in het woord “Achor”. Hier vond het eerste oordeel plaats over Israël in het beloofde land, omdat ze zich verontreinigd hadden met iets dat hun verboden was. En daar juist geeft Hij hoop; zo volkomen waar is het, dat de genade triomfeert over het recht. En dit heeft op de uitnemendste manier plaatsgevonden in Christus. Juist het oordeel van God wordt in Hem de deur van hoop, omdat de schuld en het oordeel allebei voor eeuwig zijn voorbijgegaan.
Twee delen van het christelijk leven – voor zover dit de geestelijke kracht openbaart – vloeiden hieruit voort, in het tweevoudige priesterschap. Een deel hiervan beantwoordt aan de huidige positie van Christus in de hoge; en het andere wijst vooruit naar de toekomstige openbaarwording van Zijn heerlijkheid op de aarde. We hebben hier het priesterschap van Aäron en dat van Melchizédek. Want Hij is nu binnen het voorhangsel in overeenstemming met het type van Aaron. Hierna zal Hij priester zijn op Zijn troon – dit zal zijn als Zijn heerlijkheid op aarde algemeen zichtbaar wordt. Zodoende oefenen de heiligen “een heilig priesterdom” (vers 5) uit om geestelijke offeranden te offeren van lofprijzing en dankzegging. Heerlijk voorrecht van de christen, op deze wijze is hij zo dicht mogelijk tot God gebracht! Hij offert deze offeranden aan God, en weet zeker dat God ze aanneemt, want hij offert ze door Jezus Christus.
Dit deel van het christelijke leven is het eerste, het uitnemendste, het meest wezenlijke, het is de oorsprong van het andere deel, dat hier beneden de uitdrukking is van het eerste. Het eerste is het uitnemendste, want, in de uitoefening daarvan, staan wij rechtstreeks in verbinding met het Goddelijk voorwerp van onze genegenheden. Door de werking van de Heilige Geest, zijn deze geestelijke offeranden de weerkaatsing van de genade die wij genieten. Het hart, bewogen door de uitnemende gaven waarvan wij het voorwerp zijn, en bewogen door de liefde die ze schonk, geeft deze geestelijke offeranden weer aan God. Door de kracht van de Heilige Geest, weerkaatst het hart als het ware alles wat God in genade heeft geopenbaard; en het hart aanbidt de Bron en Gever van alles in overeenstemming met de kennis die wij hierdoor van Hemzelf hebben. De vruchten van het hemelse Kanaän, waaraan wij deel hebben, worden als een offerande aan God aangeboden; de ziel treedt in de tegenwoordigheid van God om Hem te loven en te aanbidden.
Dit is het heilige priesterdom, naar het voorbeeld van het priesterschap van Aäron, en van de tempel te Jeruzalem, waarin God als Zijn huis woonde.
Het tweede priesterschap waarover de apostel spreekt, is, opdat wij de deugden zouden verkondigen van Hem, die ons uit de duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht. De beschrijving van dit priesterschap is, zoals we gezien hebben, genomen uit Exodus 19. Het is een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk. Ik verwijs alleen naar het priesterschap van Melchizédek om te laten zien wat de aard is van een koninklijk priesterschap. De priesters bij de Joden naderden tot God. God had het volk gevormd voor Zichzelf: ze moesten al Zijn deugden verkondigen, Hem loven en prijzen. Christus zal dit op volmaakte manier doen op de dag van Zijn heerlijkheid. De christen wordt geroepen om dit nu te doen in deze wereld. Hij moet in deze wereld Christus voorstellen. Dit is het andere deel van het leven van een christen.
Men zal opgemerkt hebben dat hoofdstuk 1 van deze brief de christen voorstelt aangevuurd door de hoop, maar in velerlei verzoekingen – de kostbare beproeving van het geloof. Hoofdstuk 2 stelt ons hem voor in het bezit van zijn voorrechten: een heilig en koninklijk priesterschap, door middel van het geloof.
Hierna begint de apostel in hoofdstuk 2:11 zijn vermaningen. Wat ook de voorrechten van de christen in zijn christelijke positie mogen zijn, toch wordt hij altijd gezien als pelgrim, op aarde. En, zoals we gezien hebben, is het de regering die God voortdurend uitoefent, die de apostel voor de aandacht staat. Maar eerst waarschuwt hij de gelovigen, met betrekking tot het innerlijk, tegen die bronnen waaruit de verdorvenheden voortkomen, die (op de plaats waar God deze regering uitoefent) Zijn naam zouden onteren en die zelfs het oordeel met zich mee zouden brengen.
Hun wandel moest eerlijk zijn onder de volken. De christenen droegen de naam van God. De mensen die deze naam vijandig gezind waren wilden proberen hem te schande te maken, door de christenen het slechte gedrag toe te schrijven dat zij zelf zonder wroeging leidden. Tegelijkertijd klaagden zij er dan nog over (hoofdstuk 4:4) dat de christenen zich niet meestorten in dezelfde poel van losbandigheid. De christen moest alleen het pad van trouw aan God volgen. Op de dag dat God de mensen zal bezoeken, zal de wil van deze kwaadsprekers zijn gebroken en hun hoogmoed zal vernederd zijn door de bezoeking van God. Dan zullen ze tot de erkentenis gebracht worden – door middel van de goede werken, die, ondanks hun kwaadspreking, toch altijd hun geweten bereikt hadden – dat God in deze christenen had gewerkt, en dat Hij bij hen tegenwoordig was geweest.
Na deze korte, maar voor de gelovigen belangrijke algemene vermaning, gaat de apostel spreken over de verhoudingen waarin een christen staat in een wereld, waar God enerzijds overal over waakt, terwijl Hij toch toelaat dat de Zijnen lijden, hetzij om de gerechtigheid of voor de naam van Christus. Maar zij behoren nooit te lijden omdat ze kwaad gedaan hebben. Het pad van de christen wordt zodoende duidelijk afgebakend. Hij is ter wille van de Heer onderdanig aan menselijke voorschriften en instellingen. Hij bewijst alle mensen eer, en wel aan ieder op zijn plaats, zodat niemand hem iets heeft te verwijten. Hij is onderdanig aan zijn meerderen, zelfs al zijn dat slechte mensen, en hij onderwerpt zich aan hun kwalijke behandeling. Als hij alleen onderdanig zou zijn aan goede en vriendelijke meerderen, dan zou een wereldse slaaf evenveel doen als hij. Maar als een christen goed doet, en dan lijdt en dit geduldig verdraagt, dan is dit aangenaam voor God; dit is genade. Zo heeft Christus gehandeld, en hiertoe zijn wij geroepen. Christus heeft op deze manier geleden, en heeft degenen die zich vijandig tegen Hem gedroegen, nooit met verwijten of dreigementen geantwoord, maar Hij gaf Zich over aan Hem die rechtvaardig oordeelt. Hem behoren wij toe. Hij heeft voor onze zonden geleden, opdat wij, van de zonden verlost, voor God zouden leven. Deze christenen van onder de Joden hadden gedwaald als verloren schapen 4; ze waren nu teruggekeerd tot de Herder en Opziener van hun zielen. Maar hoe duidelijk blijkt uit deze vermaningen dat de christen iemand is die niet van deze wereld is, maar wiens pad wel door deze wereld loopt: toch is dit pad in de wereld de weg van de vrede.
Hoofdstuk 3
Evenzo moesten de vrouwen hun eigen mannen onderdanig zijn in alle bescheidenheid en reinheid, opdat ze zo getuigenis gaven van de kracht van het Woord en opdat de vruchten van het Woord zo de plaats zouden innemen van het Woord zelf, als hun mannen daar niet naar wilden luisteren. Zij moesten, met volharding en zachtmoedigheid, steunen op de trouw van God, en niet verontrust worden bij het zien van de macht van de tegenstanders (Vergelijk Filippi 1:28).
Evenzo moest de man met verstand bij zijn vrouw wonen. De genegenheid en de verhoudingen moeten beheerst worden door de christelijke kennis en niet door menselijke hartstocht. De man moet zijn echtgenote eer bewijzen en met haar wandelen, immers beiden zijn erfgenamen van de genade van het leven.
Ten slotte moesten allen wandelen in een vredelievende, zachtmoedige gezindheid, en steeds in hun omgang met anderen die zegen met zich mee dragen waarvan zij zelf erfgenamen waren. Omdat zij hiertoe geroepen waren, behoorden ze altijd die zegenende gezindheid te openbaren. Door wat goed is na te volgen, en de tong in bedwang te houden door de vrees van de Heer, door het kwade te vermijden, de vrede te zoeken, zouden zij het tegenwoordige leven in rust genieten onder het oog van God. Want de ogen van de Heer zijn op de rechtvaardigen en zijn oren tot hun smeken; maar het aangezicht van de Heer is tegen hen die kwaad doen. En bovendien, wie zou hun kwaad doen, als zij alleen het goede navolgden?
Dit is dan de regering van God, het beginsel van Zijn bestuur over de loop van deze wereld. Het is nu echter geen rechtstreekse en onmiddellijke regering die al het kwaad verhindert. De macht van het kwaad werkt nog op aarde. Degenen die door deze kracht bezield worden, betonen zich vijandig tegen de rechtvaardigen, en werken door middel van die vrees die satan teweeg kan brengen. Maar door de Heer de plaats in het hart te geven die Hem toekomt, is er daar voor de vrees die de vijand verwekt geen plaats meer. Als het hart zich bewust is van de aanwezigheid van God, kan het dan nog beven in de tegenwoordigheid van de vijand? Dit is het geheim van de vrijmoedigheid en de vrede bij het belijden van Christus. De werktuigen van de satan proberen ons dan wel af te trekken, en ons te overweldigen door hun aanmatigingen; maar het bewustzijn van Gods aanwezigheid verdrijft al die aanmatigingen, en vernietigt al hun kracht. Wanneer wij steunen op de sterkte van Zijn aanwezigheid, zijn wij bereid tot verantwoording aan een ieder die ons de reden vraagt van onze hoop, maar met zachtmoedigheid en heilige eerbied, zonder de minste lichtzinnigheid. Voor dit alles is het nodig dat we een goed geweten hebben. Wij mogen wel een kwaad geweten tot God brengen, opdat Hij ons vergeving schenkt en ons barmhartig is. Maar als we een slecht geweten hebben, kunnen we de vijand niet weerstaan – we zijn dan bang voor hem.
Aan de ene kant vrezen we zijn boosaardigheid; aan de andere kant hebben we het bewustzijn verloren van de aanwezigheid en de kracht van God. Wanneer wij voor het aangezicht van God wandelen, vrezen we niets; het hart is vrij: we hoeven niet aan onszelf te denken, we denken aan God. En de tegenstanders staan beschaamd omdat zij vals beschuldigd hebben die een onberispelijk gedrag hebben en tegen wie niets kan worden ingebracht dan de kwaadspreking van hun vijanden, en deze verkeert in hun eigen schande.
Het is mogelijk dat God het goed acht dat we lijden. In dat geval is het beter dat we goeddoende lijden dan kwaaddoende. De apostel geeft hiervoor een treffende beweegreden: Christus heeft eenmaal voor altijd voor de zonden geleden. Laat dat genoeg zijn, laten we alleen lijden ter wille van de gerechtigheid. Zijn werk was het lijden voor de zonden; Hij heeft dit werk volbracht, en wel voor eeuwig. Hij is gedood wat betreft Zijn leven in het vlees, maar levend gemaakt overeenkomstig de kracht van de Goddelijke Geest.
Het gedeelte dat nu volgt heeft de lezers van de Schrift moeilijkheden opgeleverd; maar het lijkt mij eenvoudig, als we in het oog houden welk doel de Geest van God hier heeft.
De Joden verwachtten een lichamelijk aanwezige Messias, die het volk zou verlossen, en de Joden verheffen tot het toppunt van aardse heerlijkheid. Maar wij weten, dat Hij op die manier niet aanwezig was, en de gelovige Joden moesten de spot en haat van de ongelovige verdragen, omdat ze hun vertrouwen stelden op een Messias die niet zichtbaar aanwezig was, en die geen verlossing had tot stand gebracht voor het volk. De gelovigen bezaten de behoudenis van hun ziel en ze wisten dat Jezus in de hemel was; maar de ongelovigen vonden dat van geen belang. Daarom haalt de apostel het geval aan van het getuigenis van Noach. De gelovige Joden waren weinig talrijk, en ze bezaten Christus alleen naar de Geest. Door de kracht van die Geest was Hij uit de doden opgewekt. Door de kracht van diezelfde Geest was Hij – zonder lichamelijk aanwezig te zijn – heengegaan, om te prediken in Noach. De wereld was toen ongehoorzaam (zoals de Joden in de dagen van de apostel), en maar acht zielen werden gered, evenzo vormden de gelovigen nu maar een kleine kudde. Maar de geesten van de ongehoorzamen waren nu in gevangenschap, omdat ze niet gehoorzaam waren aan Christus, toen Hij door Zijn Geest in Noach onder hen tegenwoordig was. De lankmoedigheid van God bleef toen wachten, zoals nu op het joodse volk. Het resultaat zou hetzelfde zijn. Zo is het ook gebeurd.
Deze verklaring wordt bevestigd (in tegenstelling tot de gedachte, dat de Geest van Christus in de hades heeft gepredikt tot de geesten die daar sinds de zondvloed in gevangenschap waren) door de overweging dat we in Genesis 6:3 lezen: “Mijn Geest zal niet voor eeuwig met de mens twisten, … maar zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn”. Dat wil zeggen: Zijn Geest zou in het getuigenis van Noach honderdtwintig jaar lang twisten, en niet langer. Nu zou het iets heel buitengewoons zijn dat de Heer alleen met die mensen (want hij spreekt alleen over hen) twist, in het getuigenis na hun dood. Bovendien kunnen we dit opmerken: als we de uitdrukking: “Hij is in de Geest heengegaan” opvatten in de betekenis van de Geest van Christus in Noach, dan gebruiken we slechts een bekende uitdrukking van Petrus: want zoals we gezien hebben, spreekt hij in hoofdstuk 1:11 over “de Geest van Christus die in de profeten was”.
Welnu, deze geesten zijn in gevangenschap, omdat ze geen gehoor hebben gegeven aan de Geest van Christus in Noach. (Vergelijk 2 Petrus 2:5-9.)
Hieraan voegt de apostel de vergelijking toe van de doop met de ark van Noach in de zondvloed. Noach werd gered door het water heen: wij ook. Want het water van de doop is het type van de dood; zoals de zondvloed, om zo te spreken, de dood van de oude wereld was. Christus nu, is door de dood heengegaan, en is opgestaan. In de doop gaan wij in de dood; maar het is zoals met de ark, omdat Christus in de dood voor ons heeft geleden, en in de opstanding weer uit de dood is gekomen. Zo kwam Noach uit de zondvloed, om, als het ware, een nieuw leven te beginnen in een opstandingswereld. Nu heeft Christus, omdat Hij door de dood is heengegaan, verzoening aangebracht voor de zonden. En als wij in de geest door de dood gaan, laten wij al onze zonden daarachter, zoals Christus in werkelijkheid voor ons heeft gedaan. Want Hij is opgewekt zonder de zonden, die Hij op het kruis uitdelgde. Dat waren onze zonden; en zodoende hebben wij, door de opstanding van Jezus Christus, een goed geweten. Door de doop gaan wij in de geest en in type door de dood heen. De vredegevende kracht ervan is de opstanding van Jezus Christus, nadat Hij het verzoeningswerk volbracht had. Door die opstanding hebben wij daarom een goed geweten.
Dit moesten de Joden nu leren. De Christus was opgevaren naar de hemel, alle machten en krachten zijn Hem onderworpen. Hij is aan de rechterhand van God. Daarom hebben wij geen Messias op aarde, maar we hebben een goed geweten en een hemelse Christus.
Hoofdstuk 4
Van het begin van dit hoofdstuk af tot het eind van vers 7, spreekt de apostel verder over de algemene beginselen van de regering van God, terwijl hij de christen vermaant om zich te gedragen in overeenstemming met de beginselen van Christus Zelf. Hierdoor zou hij bewaard blijven voor de wandel die God in Zijn regering veroordeelt, terwijl hij wacht op het oordeel over deze wereld dat uitgevoerd zal worden door de Christus die hij diende. De verheerlijkte Christus, zo zagen we Hem aan het eind van het vorige hoofdstuk, stond gereed om te oordelen. Zij die verbitterd waren tegen de christenen, en die zich door hun eigen hartstochten lieten leiden, zonder zich te bekommeren om het komende oordeel, zouden rekenschap moeten geven aan die Rechter, die zij als Heiland weigerden te erkennen.
Men zal opmerken dat het hier gaat om lijden ter wille van de gerechtigheid (hoofdstuk 2:19; 3:17) in verbinding met de regering en het oordeel van God. Het beginsel was als volgt: zij namen de Heiland aan die werd verworpen door de wereld en het joodse volk, en Hem volgden ze; zij wandelden in gerechtigheid in Zijn heilige voetstappen, als pelgrims en vreemdelingen, en deden afstand van het verderf dat in de wereld heerste. Door in vrede te wandelen en het goede na te volgen, vermeden ze tot op zekere hoogte de aanvallen van anderen; en de ogen van Hem, die van de hoge uit over alles waakt, waren op de rechtvaardigen. In de verhoudingen van het gewone leven echter (hoofdstuk 2:18) en in hun omgang met de mensen, zou het kunnen zijn dat zij moesten lijden, en zelfs schreeuwend onrecht verdragen. De tijd van het oordeel van God was nu echter nog niet gekomen. Christus was in de hemel; Hij was op aarde verworpen, en het deel van de christen was: Hem te volgen. De tijd dat de regering van God openbaar werd zal zijn bij het oordeel dat Christus zal uitoefenen. Intussen heeft Hij door Zijn wandel op aarde het voorbeeld nagelaten van wat de God van het oordeel goedkeurt (hoofdstuk 2:21-23; 4:1, en de volgende verzen).
Zij moesten goed doen, ervoor lijden en geduldig zijn. Dit is welbehaaglijk voor God; dit heeft Christus gedaan. Het was beter dat zij goeddoende leden, als God dit nodig achtte, dan kwaaddoende. Christus heeft onze zonden gedragen (hoofdstuk 2:24), en heeft geleden voor onze zonden (hoofdstuk 3:18), de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, opdat wij, voor de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid leven zouden, en opdat Hij ons tot God zou brengen. Christus is nu in de hoge; Hij staat gereed om te oordelen. Wanneer het oordeel komt, zullen de beginselen van de regering van God openbaar worden en de overhand hebben.
Het begin van hoofdstuk 4 vereist dat we wat meer in bijzonderheden gaan met onze opmerkingen. De dood van Christus wordt hier toegepast op het praktisch dood zijn voor de zonden; een toestand die hier gesteld wordt tegenover het leven dat de volken leiden.
De apostel zinspeelt op vers 18 van het vorige hoofdstuk als hij zegt dat Christus voor ons in het vlees heeft geleden. Hij is, wat Zijn menselijk leven betreft, werkelijk gestorven. Wij moeten ons wapenen met dezelfde gedachte, en geen enkele werkzaamheid dulden van het leven of de begeerten die in overeenstemming zijn met de oude mens. Maar wij moeten wat het vlees betreft lijden, en nooit aan de wil van het vlees toegeven. Zonde is de werking in ons van de wil van het vlees, de wil van de mens zoals hij in deze wereld leeft. Wanneer deze wil werkt, is het beginsel van zonde aanwezig; want wij behoren te gehoorzamen.
De wil van God hoort de drijfveer te zijn van ons zedelijk leven; en dit des te meer, want, nu wij de kennis van goed en kwaad hebben, – nu de wil van het vlees, dat zich aan God niet onderwerpt, in ons aanwezig is – moeten wij óf de wil van God, onze enige drijfveer doen, óf we handelen in overeenstemming met de wil van het vlees, want dit is altijd in ons aanwezig.
Christus kwam om te gehoorzamen, Hij wilde liever sterven en alles verdragen, dan niet gehoorzamen. Zodoende is Hij gestorven aan de zonde, die nooit, ook niet voor een ogenblik, ingang vond in Zijn hart. Toen Hij tot het uiterste werd beproefd, verkoos Hij de dood boven ongehoorzaamheid, zelfs als de dood het karakter had van de toorn over de zonde en van het oordeel. Hoe bitter die beker ook was, Hij dronk die liever dan niet tot het uiterste de wil te vervullen van de Vader, en Hem te verheerlijken. Hij werd tot het uiterste beproefd, en was in deze beproevingen volmaakt. De verzoeking die altijd van buiten af tot Hem kwam en ingang zocht te vinden (want in Hem was geen verzoeking) werd altijd buitengehouden. Nooit kwam Hij in verzoeking of was er in Zijn wil een aanknopingspunt voor. De verzoeking bracht juist Zijn gehoorzaamheid aan het licht, of de volmaaktheid van de gedachten van God in de mens. En door te sterven, door in het vlees te lijden, heeft Hij voor altijd met dit alles afgedaan. Hij heeft voor altijd afgedaan met de zonde, en is voorgoed in de rust binnengegaan, nadat Hij tot het uiterste beproefd was, en in alle dingen verzocht is zoals wij 5, wat betreft de beproeving van het geloof en de strijd van het geestelijke leven.
Welnu het is net zo met betrekking tot onszelf in het dagelijks leven. Als ik in het vlees lijd, is de wil van het vlees stellig niet werkzaam; en het vlees, voor zover ik daarin lijd, is praktisch dood – ik heb niets meer te doen met de zonden 6. Wij zijn dan bevrijd van de zonde, hebben ermee afgedaan, en zijn tot rust gekomen. Als wij ons ermee tevreden stellen om te lijden, werkt de wil niet; de zonde is er dan niet, wat betreft zondige daden. Want lijden is niet willen, het is de genade die werkt, overeenkomstig het voorbeeld en de gezindheid van Christus in de nieuwe mens; en wij zijn bevrijd van de werking van de oude mens. De oude mens is niet werkzaam; wij rusten van zijn werken; wij hebben ermee afgedaan, om de overige tijd, van ons leven hier beneden in het vlees, niet meer te leven in overeenstemming met de begeerte van de mensen, maar in overeenstemming met de wil van God; want Hem volgt de nieuwe mens.
Het is genoeg, dat wij de tijd van ons leven die voorbij is, besteed hebben aan het volbrengen van de wil van de volken, (de apostel spreekt steeds tot christenen uit de besnijdenis) doordat we hebben gewandeld in de uitspattingen waarin zij zich overgeven. Daarbij verwonderen zij zich er nog over dat christenen weigeren hetzelfde te doen, en zij lasteren hen daarom. Maar zij zullen rekenschap geven aan Hem, die gereed staat om levenden en doden te oordelen.
De Joden waren gewoon aan het oordeel van de levenden, want zij vormden het middelpunt van de regering van God op aarde. Het oordeel van de doden, waarmee wij meer bekend zijn, was hun niet duidelijk geopenbaard. Niettemin waren zij aan dit oordeel onderworpen. Want juist met dit doel werden de beloften van God hun aangeboden terwijl zij leefden, opdat zij: óf zouden leven in overeenstemming met God, in de Geest, óf geoordeeld zouden worden als mensen die verantwoordelijk zijn voor wat zij in het vlees gedaan hebben. Want bij iedereen die de beloften gehoord heeft, zal altijd het ene of het andere resultaat zich voordoen. Met betrekking tot de Joden zou het oordeel van de doden zodoende plaats hebben, in verband met de beloften die hun waren voorgesteld. Want dit getuigenis, dat God gaf, plaatste allen die het hoorden onder verantwoordelijkheid, zodat zij geoordeeld zouden worden als mensen, die aan God rekenschap moeten geven, van hun wandel in het vlees. Dit zou het geval zijn, tenzij zij die toestand van het leven in het vlees hadden verlaten, doordat ze levend waren gemaakt door de kracht van het tot hen gesproken Woord, dat toegepast werd door de kracht van de Geest. Zo zouden zij, door het geestelijke leven dat ze ontvingen, aan het vlees ontkomen.
Het einde van alle dingen was nu nabij. Als de apostel spreekt over dit belangrijk beginsel, de verantwoordelijkheid in verbinding met het getuigenis van God, dan richt hij de aandacht van de gelovigen op die ernstige gedachte van het einde van al die dingen waarop het vlees vertrouwt. Dat einde naderde.
Let er wel op, dat Petrus hier niet spreekt over de komst van de Heer om de Zijnen tot Zich te nemen, en evenmin over Zijn openbaring met hen. Hij spreekt over het ogenblik van plechtige afrekening in de wegen van God, wanneer aan het vlees iedere toevlucht zal ontvallen, en al de gedachten van de mens voorgoed zullen vergaan.
Wat betreft de relaties van God in Zijn regering met deze wereld was de verwoesting van Jeruzalem wel niet “het einde”, maar ze was wel van heel groot belang, omdat daardoor juist de zetel van die regering op aarde, werd verwoest, waar de Messias had behoren te regeren, en nog zal regeren.
God waakt over alles, Hij zorgt voor de Zijnen, telt de haren van hun hoofd, en doet alle dingen hun ten goede meewerken; maar dit gebeurt te midden van een wereld die Hij niet meer erkent. Want niet alleen is de aardse en rechtstreekse regering van God terzijde gesteld, wat plaatsvond in de tijd van Nebukadnezar, en, in zeker opzicht, in de dagen van Saul. Maar de Messias, die op aarde hoort te regeren, is verworpen en heeft in de opstanding Zijn hemelse plaats ingenomen: dit vormt het onderwerp van deze brief.
Met de verwoesting van Jeruzalem, die in die dagen zou plaats hebben, verdwenen ook de laatste sporen van die regering totaal, totdat de Heer terugkomt. Er kwam een einde aan de relaties van een aards volk met God, op grond van menselijke verantwoordelijkheid. De algemene regering van God kwam in plaats van de vroegere. Deze regering is in beginsel altijd eender. Maar omdat Jezus op aarde heeft geleden, laat deze regering toe dat Zijn leden hier op aarde nog lijden. En, tot de tijd van het oordeel, zullen de goddelozen de rechtvaardigen vervolgen, en moeten de rechtvaardigen geduld hebben. Wat het volk betreft, bleven die relaties tot God maar in stand tot de verwoesting van Jeruzalem; de verwachtingen van de ongelovige Joden, als volk, werden toen door het oordeel tenietgedaan.
De apostel spreekt hier in algemene zin, en met het oog op de uitwerking van die plechtige waarheid van het einde van alle dingen, want Christus staat nog steeds “gereed om te oordelen”, en als er uitstel is, dan is dat omdat God de dood van de zondaar niet wil en Hij de genadetijd nog verlengt: “[De] Heer vertraagt de belofte niet, zoals sommigen het voor traagheid houden” (2 Petrus 3:9).
Met het oog op dit einde van al de zichtbare dingen, horen we nuchter te zijn, en waakzaam om te bidden. We moeten ons er zo in oefenen ons hart op God te richten, Die niet verandert, Die nooit voorbijgaat, en Die ons bewaart door al de moeilijkheden en verzoekingen heen van dit voorbijgaande toneel, tot op de dag van de verlossing, die aanstaande is. In plaats van ons te laten meevoeren door de tegenwoordige en zichtbare dingen, moeten we het eigen – ik en onze wil in bedwang houden, en gemeenschap oefenen met God.
Dit brengt de apostel ertoe te spreken over de innerlijke toestand van de christenen, hun onderlinge verhoudingen, niet hun verhoudingen tot de algemene regering van God over de wereld. Omdat zij christenen zijn, volgen ze Christus Zelf. Het eerste dat Petrus hun op het hart bindt is: vurige liefde. hij bedoelt niet alleen maar lankmoedigheid, die een uitbarsting van vleselijke toorn of boosheid zou kunnen voorkomen, maar hij bedoelt een kracht van liefde, die een stempel drukt op alle doen en laten van de christenen tegenover elkaar, die daardoor de werking van het vlees praktisch uitschakelt, en die de tegenwoordigheid van God en de werking van Zijn genade openbaar maakt.
Welnu die liefde bedekt een menigte van zonden. hij spreekt hier niet met het oog op uiteindelijke vergeving, maar met het oog op de kennis die God nu van deze dingen neemt – de huidige verhoudingen van God in Zijn regering tot Zijn volk. Want wij staan nu in betrekking met God. Als er onenigheid is in de gemeente, als er weinig liefde is, als de omgang van de christenen met elkaar moeilijk is, als men enghartig is, dan is het aanwezige kwaad en het onrecht dat men elkaar over en weer aandoet, voor het aangezicht van God. Maar als er liefde is, die geen kwaad doet en geen wrok koestert, maar zulke dingen vergeeft, en die ze alle ziet als een gelegenheid om liefde in praktijk te brengen, dan rust het oog van God op die liefde, en niet op het kwaad. Zelfs al zijn er misdaden – zonden – dan houdt de liefde zich daarmee bezig, de zondaar wordt teruggebracht en hersteld, door de liefde van de gemeente. De zonden worden weggedaan van voor het oog van God, ze worden bedekt. We hebben hier een aanhaling uit Spreuken 10:12: “Haat wekt twisten op, maar liefde bedekt alle overtredingen”. Wij hebben het recht om zonden te vergeven – om onze broeders de voeten te wassen. (Vergelijk Jakobus 5:15, en 1 Johannes 5:16.) Wij vergeven niet alleen, maar de liefde bewaart ook de gemeente voor het aangezicht van God in overeenstemming met Zijn eigen natuur, zodat Hij de gemeente kan zegenen.
De christenen horen gastvrij te zijn voor elkaar, met alle vrijgevigheid. Daardoor geven ze uitdrukking aan de liefde, en de gastvrijheid kan er veel toe bijdragen de liefde in stand te houden: wij zijn geen vreemden meer voor elkaar.
Na de uitoefening van de genade komen vervolgens de gaven. Alles komt van God. Naarmate een ieder zijn gave had ontvangen, moest hij daarmee de anderen dienen, als rentmeester van de veelvoudige genade van God. God is het die geeft; de christen is een dienstknecht van Godswege, en is als rentmeester tegenover Hem verantwoordelijk. Hij moet erkennen dat alles aan God toebehoort, en dat alles rechtstreeks van God komt. Als hij spreekt, moet hij uitspraken van God geven; dat wil zeggen: hij moet spreken van Godswege, en niet uit zichzelf. Als iemand dient in tijdelijke dingen, laat hij dit dan doen als met een kracht en een bekwaamheid die God verleent. Zodoende zal God, of iemand nu spreekt of dient, in alles worden verheerlijkt door Jezus Christus. En de apostel voegt eraan toe: Hem is de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid! Amen.
Na deze vermaningen komt Petrus op het lijden voor de naam van Christus. De gelovigen moesten de hevige vervolgingen, die hen op de proef stelden, niet beschouwen als iets vreemds dat hen overkwam. Integendeel, zij waren verbonden met een lijdende en verworpen Christus; daarom hadden zij deel aan Zijn lijden, en zij moesten zich daarin verblijden. Hij zou spoedig verschijnen, en dit lijden ter wille van Hem zou hun tot de hoogste vreugde strekken, bij de openbaring van Zijn heerlijkheid. Ze moesten zich er daarom over verblijden als ze deelden in Zijn lijden, opdat ze zich juichende zouden kunnen verheugen als Zijn heerlijkheid geopenbaard zou worden. Als ze gesmaad werden om de naam van Christus, was dat gelukkig voor hen. De Geest van God rustte op hen. De naam van Christus bezorgde hun die smaad. Hij was in de heerlijkheid bij God; de Geest, die uit die heerlijkheid en van die God kwam, vervulde hen met blijdschap als zij die smaad verdroegen. Christus was het die gesmaad werd – Christus die verheerlijkt was – Hij werd gesmaad door de vijanden van het evangelie, terwijl de christenen de vreugde ten deel viel Hem te verheerlijken. In dit gedeelte lijdt de gelovige voor Christus Zelf, zoals we al opmerkten. Daarom spreekt de apostel over de heerlijkheid en de vreugde bij de verschijning van Jezus Christus. Hierover spreekt hij niet in hoofdstuk 2:20; en 3:17. (Vergelijk Mattheüs 5:10 met de verzen 11 en 12 van hetzelfde hoofdstuk.) Een christen hoort dan ook nooit te lijden als boosdoener. Maar als hij als christen leed, moest hij zich niet schamen, maar God daarom verheerlijken.
De apostel keert nu terug tot de regering van God; want dit lijden van de gelovigen had ook nog een ander karakter. Voor de gelovige die leed, betekende het heerlijkheid: hij had deel aan het lijden van Christus, en die Geest van heerlijkheid en van God, rustte op hem, en dit zou allemaal in juichende blijdschap veranderen wanneer de heerlijkheid geopenbaard werd. Maar God had er geen behagen in om Zijn volk te laten lijden. Hij liet het toe; en als Christus voor ons moest lijden, terwijl Hij die geen zonde gekend heeft voor Zichzelf niet hoefde te lijden, heeft het volk van God het dikwijls nodig dat ze ter wille van zichzelf door lijden worden geoefend. Voor dit doel gebruikt God de goddelozen, de vijanden van de naam van Christus. Dit wordt ons, los van elke bedeling verklaard in het boek Job. Maar welke vorm de wegen van God ook hebben, altijd oefent Hij Zijn oordelen uit in overeenstemming met de orde die Hij heeft vastgesteld. Dit deed Hij bij Israël; dit doet Hij ook bij de gemeente. Deze heeft een hemels deel; en als ze zich aan de aarde hecht, laat God toe dat de vijand het haar moeilijk maakt. Misschien is de gelovige die lijdt vol geloof en toegewijde liefde tot de Heer, maar, in de vervolging, voelt zijn hart dat de wereld zijn rustplaats niet is, dat hij zijn deel ergens anders moet vinden, en dat zijn kracht elders ligt. Wij zijn niet van deze wereld die ons vervolgt. Als de trouwe knecht van God door vervolging uit deze wereld wordt weggenomen, versterkt dit het geloof, doordat God in dit alles is. Maar de gelovigen uit het midden van wie hij wordt weggenomen, lijden en voelen dat de hand van God hierin was: Zijn wegen nemen de vorm aan van oordeel, altijd in volmaakte liefde, maar in tucht.
God beoordeelt alles in overeenstemming met Zijn eigen natuur. Hij verlangt dat alles in overeenstemming is met Zijn natuur. Geen enkel oprecht en eerbaar mens zou graag altijd goddeloze mensen in zijn omgeving hebben en voor zich zien; God wil dit zeker niet. En in datgene wat het dichtste bij Hem is, moet Hij bovenal verlangen dat alles overeenkomstig Zijn natuur en Zijn heiligheid is – in overeenstemming met alles wat Hij is. Ik wil alles om me heen zo schoon hebben, dat het geen schande voor me is; maar in mijn eigen huis moet het zo schoon zijn als ik persoonlijk wens. Zodoende moet het oordeel beginnen bij het huis van God: de apostel maakt een toespeling op Ezechiël 9:6. Het is een ernstig beginsel. Geen genade, geen voorrecht, verandert iets aan de natuur van God. En alles moet in overeenstemming worden gebracht met die natuur, of ten slotte uit Zijn tegenwoordigheid worden gebannen. De genade kan en zal ons gelijkvormig maken aan de Goddelijke natuur, zodat er een beginsel is van volstrekte gelijkvormigheid aan God. Maar wat deze gelijkvormigheid betreft in de praktijk van ons denken en doen, moeten het hart en het geweten geoefend worden, opdat het inzicht van het hart, en onze gewone verlangens en wensen, alles wat we willen, is afgestemd op de openbaring van God, en voortdurend op Hem gericht.
Als deze gelijkvormigheid nu zozeer ontbreekt dat het getuigenis van God daardoor geschaad wordt, dan zal God oordelen door middel van de tuchtiging die Hij geeft. Want God oordeelt Zijn volk, en zal het kwaad overal oordelen. Het oordeel begint bij het huis van God. De rechtvaardige wordt ternauwernood behouden.
Het is duidelijk, dat het hier niet gaat om de verlossing of de rechtvaardiging, evenmin over het meedelen van het leven: degenen aan wie de apostel schrijft, waren in het bezit van dit alles. Voor onze apostel betekent “behoudenis” niet alleen maar het genot dat we nu hebben van de behoudenis van onze ziel, maar de volkomen bevrijding van de gelovigen, die plaats zal hebben bij de komst van Christus in heerlijkheid. Wanneer hij zegt: “En als de rechtvaardige met moeite behouden wordt” dan doelt hij op al de verzoekingen, al de beproevingen, en al de gevaren, die de christen zal ondervinden om het eind van zijn loopbaan te bereiken. Al de kracht van God, door de Goddelijke wijsheid bestuurd, is nodig, om het geloof van de christen te leiden en te ondersteunen en hem zodoende veilig door de woestijn te voeren, waar satan al zijn list en vindingrijkheid aanwendt om hem te doen omkomen. Door de kracht van God zal het tot een goed einde worden gebracht; maar, van menselijk standpunt bezien, zijn de moeilijkheden vrijwel onoverkomelijk. Als nu de rechtvaardige – volgens de wegen van God, die Zijn oordeel moet handhaven overeenkomstig de beginselen van goed en kwaad in Zijn regering; en Die Zich in geen enkel opzicht zal verloochenen als Hij met de vijand van onze zielen te doen heeft – als nu de rechtvaardige ternauwernood behouden wordt, wat moet er dan van de goddelozen en zondaren worden? Zich met ongelovigen te verbinden zou voor de gelovigen niet de weg zijn om aan deze moeilijkheden te ontkomen. Als iemand als christen leed, was er maar één ding te doen – zich toe te vertrouwen aan Hem, die waakt, over het oordeel dat Hij uitoefent. Want omdat het Zijn hand was, leed men overeenkomstig Zijn wil. Dit heeft Christus gedaan.
Let erop, dat het hier niet alleen gaat over de regering van God, maar dat we ook de uitdrukking vinden: “[de] trouwe Schepper”. De Geest van God beweegt Zich hier in deze sfeer. Het is de betrekking van God tot deze wereld, en de ziel kent Hem als Degene die de wereld heeft geschapen, en Die het werk van Zijn handen niet laat varen. Dit is een joods standpunt:
– God wordt gekend in Zijn betrekking tot de eerste schepping. Het vertrouwen op Hem berust op Christus; maar God wordt gekend in Zijn wegen met deze wereld, en met ons op onze pelgrimsreis hier beneden, waar Hij regeert, en waar Hij de christenen oordeelt, zoals Hij alle anderen zal oordelen.
Hoofdstuk 5
De apostel keert nu terug tot de bijzonderheden betreffende het christelijk leven. Hij vermaant de oudsten, zelf is hij ook een oudste; want het schijnt dat deze titel bij de Joden veeleer kenmerkend was dan dat hij een ambt aanduidde. (Vergelijk vers 5.) Hij vermaant hen de kudde van God te weiden. De apostel noemt zich hier een getuige van het lijden van Christus, en ook deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden. De roeping van de twaalven was, getuigen te zijn van het leven van Christus (Johannes 15), zoals het het werk van de Heilige Geest was, van Zijn hemelse heerlijkheid te getuigen. Petrus stelt zich hier aan de twee eindpunten van de geschiedenis van de Heer. In de tijd tussen deze twee eindpunten is er niets, behalve de hoop, en de pelgrimsreis naar het einde. Hij had het lijden van Christus gezien: hij zou delen in Zijn heerlijkheid, wanneer die geopenbaard zou worden. De apostel spreekt van een Christus die in betrekking treedt tot de Joden, en nu alleen door het geloof wordt gekend. Toen Hij hier op aarde leefde, bevond Hij Zich te midden van Joden, hoewel Hij daar leed en verworpen werd. Wanneer Hij zal verschijnen, zal Hij opnieuw in betrekking staan tot de aarde en tot dat volk.
Paulus spreekt op een andere manier, terwijl hij tevens deze waarheden bevestigt. Hij kende de Heer alleen maar na Zijn verhoging; hij is geen getuige van Zijn lijden, maar hij zoekt de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden (Filippi 3:10). Het hart van Paulus is verbonden aan Christus terwijl Hij in de hemel is, verenigd met Hem daarboven. En al verlangt hij naar de verschijning van de Heer om alle dingen te herstellen, waarover de profeten hebben gesproken, hij verblijdt zich erover te weten dat hij met vreugde Hem tegemoet zal gaan, en dat hij met Hem terug zal komen wanneer Hij van de hemel geopenbaard zal worden.
De oudsten moesten de kudde van God bereidwillig weiden, en niet gedwongen of om schandelijke zucht naar gewin, evenmin als heersers over hun erfgoederen, maar als voorbeelden voor de kudde. Ter wille van Christus, de overste Herder, moesten ze een overvloed van liefhebbende zorg aan de kudde besteden, met het oog op het welzijn van de zielen. Bovendien was het de kudde van God die ze moesten weiden. Wat een ernstige en toch ook heerlijke gedachte! Het is volslagen onmogelijk dat iemand plaats laat voor de gedachte dat het zijn kudde is, als hij eenmaal goed heeft begrepen dat het de kudde van God is, en dat God ons vergunt die kudde te weiden!
Laten we erop letten dat het hart van de apostel op die plaats is, waar de Heer het had gesteld. “Weid Mijn schapen”, was de uitdrukking van de volmaakte genade van de Heer ten opzichte van Petrus, toen Hij hem tot de vernederende, maar heilzame erkenning bracht, dat het oog van God nodig was om te zien dat Zijn zwakke discipel Hem liefhad. Op het ogenblik dat Hij Petrus overtuigde van diens volslagen nietigheid, vertrouwde Hij hem toe, wat Hemzelf het liefste was.
Zo zien we hier, dat het de zorg was van de apostel, het verlangen van zijn hart, dat de oudsten onder hen de kudde zouden leiden. Evenals elders gaat hij hier niet verder dan de verschijning van de Heer. Op die dag zullen de wegen van de regering van God – waarvan de Joden het aardse middelpunt vormden – volkomen openbaar worden. Dan zal hij die trouw is geweest, en het hart van de overste Herder heeft bevredigd, de kroon van de heerlijkheid ontvangen.
De jongeren moesten onderdanig zijn aan hen die ouder waren, en allen moesten elkaar onderdanig zijn. Allen moesten tegenover elkaar met ootmoed bekleed zijn: want God weerstaat de hoogmoedigen en geeft genade aan de nederigen. Dit zijn altijd de beginselen van Zijn regering. Daarom moesten zij zich vernederen onder Zijn hand; op Zijn tijd zou Hij hen verhogen. Zo zouden zij zich aan God toevertrouwen. Hij wist wat nodig was. Hij die hen liefhad zou hen op de juiste tijd verhogen. Hij zorgde voor hen: ze moesten op Hem vertrouwen, en al hun zorgen aan Hem overgeven.
Anderzijds moesten zij nuchter zijn en waken, omdat de tegenstander hen zocht te verslinden. Wat ook de listen van de duivel mogen zijn en hoe hij de christenen ook lagen legt – hier wordt hij door de apostel voorgesteld als een brullende leeuw, als een die tot openlijke vervolging aanzet. Zij moesten hem weerstaan, standvastig in het geloof. Overal trof men hetzelfde lijden aan. Niettemin is de God van alle genade het vertrouwen van de christen. Hij heeft ons geroepen om deel te hebben aan Zijn eeuwige heerlijkheid. De apostel wenst hun toe dat de God van alle genade hen, nadat zij een korte tijd hebben geleden, zal volmaken, voleindigen – Hij zal hen bevestigen en versterken; Hij zal hun harten opbouwen op de grondslag van een onwankelbare zekerheid. Hem, voegt hij eraan toe, zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid! Amen.
We zien, dat de christenen, aan wie Petrus schreef, leden, en dat de apostel dit lijden verklaarde volgens de beginselen van de regering van God. Hij let hierbij vooral op de verhoudingen van de christenen tot God, zij zijn Zijn huis. Dit lijden kan zijn ter wille van de gerechtigheid of om de naam van de Heer. Het was maar voor een tijd. De hoop van de christen was ergens anders; de volharding en het geduld van de christen was welbehaaglijk voor God. Het was hun heerlijkheid, als ze leden voor de naam van Christus. Behalve dit, oordeelde God Zijn huis, en waakte Hij over de Zijnen.
EINDE 1e BRIEF VAN PETRUS
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 8.7
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- De eerste brief van Petrus (commentaar), H.L. Heijkoop
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten:
1 Ik voeg er hieraan toe “op aarde”, omdat er in hoofdstuk 2 sprake is van de gemeente, als gebouwd door de Heer Jezus Zelf, en nog niet voltooid; de levende stenen komen daar tot Christus.
2 De leer van de vereniging van de heiligen met Jezus in de lucht, wanneer zij Hem tegemoet gaan, vormt geen deel van het onderwijs dat Petrus geeft. Evenmin de leer van de gemeente op aarde waarmee die in verbinding staat. Hij spreekt van het openbaar worden van de heiligen in de heerlijkheid, omdat hij zich bezighoudt met de wegen van God ten opzichte van de aarde, al doet hij dit in verbinding met het Christendom.
3 In dit gedeelte (en in dit gedeelte alleen) raakt Petrus aan de leer van de gemeente, en wel in het karakter van een gebouw, niet van een lichaam of een bruid; dat wat Christus bouwde, niet wat met Hem werd verenigd. Zo stelt Paulus ons de gemeente voor in Efeze 2:20-21. Vanuit dit oogpunt bezien gaat de bouw op aarde wel steeds door, maar het is het werk van Christus, en een werk dat steeds doorgaat; van menselijke werktuigen is geen sprake: Ik zal bouwen, zegt Christus; het gebouw groeit op, zegt Paulus in Efeze 2:21; en hier zegt Petrus dat de levende stenen komen. Dit mogen we niet verwarren met het gebouw waaraan mensen kunnen bouwen met hout, hooi of stro, alsof dit hetzelfde gebouw was. Het uiterlijk gebouw dat God goed had opgericht, werd aan de verantwoordelijkheid van de mens overgelaten, en zoals altijd, spoedig bedorven. Afzonderlijke personen worden door de genade opgebouwd, en dit hele gebouw groeit op tot een heilige tempel. Dit alles heeft betrekking op Mattheüs 16. De verantwoordelijkheid van menselijke dienst in dit opzicht vinden we in 1 Korinthe 3, en daar wordt de gemeente uit een ander oogpunt gezien. Het lichaam is iets heel anders; de leer daarvan vinden we in Efeze 1-4; in 1 Korinthe 12, en andere gedeelten.
4 Ik veronderstel dat Petrus zinspeelt op het laatste vers van Psalm 119. De apostel plaatst de christen geworden Joden steeds op de grondslag van het gezegende overblijfsel; alleen is de behoudenis dan de behoudenis van de ziel.
5 Hebreeën 4:15. Het is niet zoals in de Statenvertaling “doch zonder zonde”, hoe waar dit ook is, maar “met uitzondering van [de] zonde”. Wij worden verzocht als we door onze eigen begeerte meegesleept en verlokt worden. Christus ondervond al onze moeilijkheden, al onze verzoekingen op de weg, maar er was niets in Hem dat Hem op een verkeerde weg had kunnen leiden – verre van dat! – in Hem was niets dat aan de verzoeking beantwoordde.
6 Petrus staat stil bij de gevolgen; Paulus dringt, zoals altijd, door tot de wortel, Romeinen 6.