19. Job
19. Job · uit de ‘Synopsis’ deel 3 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Voorwoord bij de Nederlandse vertaling.
Nu de Nederlandse vertaling van de Synopsis over de zogenaamde poëtische boeken van het Oude Testament (Job tot en met Hooglied) verschijnt, lijkt het ons nodig enkele opmerkingen te maken. Allereerst, dat we de naam Jahweh (HEER) onveranderd hebben overgenomen. We weten, dat het tetragram (JHWH) waarschijnlijk anders moet worden geschreven en uitgesproken. Maar waar niemand zeker weet hoe het wel moet, hebben we het maar onveranderd overgenomen, ook met de “h” aan het eind, hoewel de zogenaamde christelijke theologen in Nederland deze letter meestal weglaten. De Joodse schrijvers gebruiken het wel. In de Statenvertaling is het tetragram weergegeven door het woord HEER (dus met enkel hoofdletters). Voor degene, die wéét wat het betekent, als HEER met enkel hoofdletters geschreven is, is dit gebruik geen bezwaar. Maar de overgrote meerderheid van de Bijbellezers weet het niet, en zij zien geen onderscheid tussen Heer en HEER (Adonai en Jahweh). Dat is erg jammer, omdat de grote betekenis van deze laatste naam voor het begrijpen van grote gedeelten van het Woord van God, daardoor verloren gaat.
Dan hebben we dikwijls het woord “volkeren” gebruikt in plaats van “heidenen”. In de meeste plaatsen, waar de Statenvertaling “heidenen” heeft, heeft het niet de betekenis die wij aan het woord “heidenen” hechten. Wij denken daarbij aan afgodendienaars, terwijl de bedoeling meestal is, de volkeren buiten Israël aan te duiden, hoewel die in de tijd, dat het Oude Testament door God gegeven werd, inderdaad afgodendienaars waren. De doorsnee lezer zal er echter niet de zogenaamde christelijke volkeren van Europa onder verstaan, terwijl ze zeker in de Bijbelse term begrepen zijn.
Moge God ook dit deel van de Synopsis zegenen, als hulpmiddel bij de bestudering van Zijn Woord, zoals Hij dat al honderd jaar in het grootste deel van de wereld deed.
De uitgever.
Inleiding tot de dichterlijke boeken
De Ketubim of Hagiographa 1, waarin ik het boek Daniël nu niet meereken (hoewel het een heel ander karakter heeft dan de boeken van de andere profeten), vormen een heel bijzonder en interessant deel van de goddelijke openbaring.
Geen van deze boeken veronderstelt een voltooide en gekende verlossing in de zin zoals dit woord gebruikt is in het Nieuwe Testament, hoewel, zoals elke zegen, alles daarop is gegrond. In het boek Job (33:24) geeft één tekst een persoonlijke toepassing van het woord “verlossing”, nl.: “Ik heb verzoening (copher) gevonden.” Zoals we weten, laten de Psalmen profetisch de moeiten en het lijden zien waarin de verlossing werd volbracht.
De verlossing door het bloed wordt door het geloof gekend, nadat het werk is volbracht, zowel door de christen als door de jood. Jesaja profeteert ervan als Israël die verlossing in zijn volheid zal kennen. Ook waren er onder de wet schaduwen van. Maar de kennis van een eeuwige verlossing is het bezit van de christen, en in de toekomst van de joden als ze zullen zien op Hem, Die ze doorstoken hebben. Tot op de dood van Christus was de voorhang niet gescheurd en kon niemand het heilige der heiligen binnengaan. Er was, tot op zekere hoogte, kennis aangaande een Verlosser; van een persoonlijke Verlosser die zou komen. Men wist ook, dat de gunst van God rustte op hen, die met Hem wandelden, en er bestond een vertrouwen van het geloof in Hem en in Zijn beloften. Maar er was niet zo’n kennis van zonde (zoals er kwam toen God Zich had geopenbaard), die het geweten het bewustzijn gaf dat men, als tegenwoordige toestand, uit de tegenwoordigheid van God was buitengesloten. En er was ook geen kennis van het wegdoen van de zonde, zoals wij het weten, die ten volle en voor eeuwig met God zijn verzoend en tot Hem zijn gebracht op grond van het volbrachte werk.
Uitgezonderd de Psalmen, die op treffende wijze de toekomstige bevrijding van Israël voorstellen, door de macht van God en door de oordelen die Hij zal uitvoeren, zijn de boeken die we nu gaan overdenken geen profetieën van de daden en de bedoelingen van God. Ze geven ons de goddelijk gegeven uitdrukking van de gedachten en de gevoelens van de mens onder de regering van God 2, en de openbaring van wat God was vóór de verlossing ten volle werd gekend.
Meestal vonden de verschillende dingen plaats in Israël, en daarom zijn deze boeken in hun geheel de veelzijdige uitdrukking van de wegen van God met Israël.
Toch moet hierbij gezegd worden, dat alles wat voorgesteld werd onder geopenbaarde toestanden en profetische mededelingen in de rechtstreekse regering van Israël, in beginsel waar was van al de wegen van God, hoewel het op een bijzondere wijze aan dit volk was geopenbaard, namelijk de vraag van de werkelijke gerechtigheid van de mens. In Israël kwam deze vraag aan de orde door de wet, de volkomen maatstaf voor de zonen van Adam.
Het boek Job geeft ons een voorbeeld van de betrekking van een vroom mens met God. En dat buiten Israël, en zeer waarschijnlijk lang vóór Israël als volk bestond. We zien er, hoe God ten goede handelt ten behoeve van de mens, in deze wereld van boosheid. Maar ik twijfel er niet aan, tenslotte hebben we in dit boek ook een duidelijk beeld van Israël. De wegen van God, zoals ze ons worden voorgesteld in het boek Job, zijn volkomen duidelijk geworden in de geschiedenis van dat volk. En het is opmerkelijk dat Job, als hij praktisch de onmogelijkheid voelt om als mens rechtvaardig voor God te zijn (9:1,30,31), met vrees vervuld is en zich beklaagt dat hij geen bemiddelaar heeft tussen hem en God (verzen 33-34). En Elihu, die zichzelf op dat terrein in de plaats van God stelt, stelt geen verlossing voor, maar de regering van God en kastijding (hoofdstuk 33 en 36). Deze dingen werkt God meermalen met de mens. Het boek Prediker ziet deze wereld geplaatst onder dezelfde regering, in haar tegenwoordige gevallen toestand, en werpt de vraag op hoe en door welke middelen de mens in zo’n wereld geluk en rust kan vinden. Maar we vinden er geen spoor van de verlossing, en er is ook geen enkele gedachte aan een erkende betrekking met God. Het is altijd God (Elohim) en nooit Jahweh. “Vrees God, en houd u aan Zijn geboden” is daar de gehele plicht van de mens als zodanig.
Het Hooglied toont ons directe relaties met de Heer, de Zoon van David. Men ziet er de vurige genegenheden die behoren bij de verbinding met Christus.
In de Spreuken hebben we een onfeilbare gids om ons te leiden door de gemengde en veranderlijke omstandigheden van het leven en de dingen van deze wereld. Hier is alles gegrond op de relaties met Jahweh. God (Elohim) wordt slechts één- of tweemaal genoemd, en dat op een wijze die geen invloed heeft op wat we zeiden (zie noot 4).
Maar geen van deze boeken begeeft zich op het terrein van een gekende verlossing. Ze zien uit naar een verlossing, die door kracht zal worden volbracht. Als tegenstelling zien we, dat de Brief aan de Romeinen niet met de regering van God begint, maar met “toorn van God die geopenbaard wordt van de hemel” tegen alle goddeloosheid en ongerechtigheid, daar waar waarheid was; tegen de heidenen en tegen de joden 3. En daarna wordt de verlossing ingevoerd; de persoonlijke rechtvaardiging en de gerechtigheid van God. Er wordt volkomen ingegaan op de toestand zowel van de jood als van de heiden, en de uitkomst wordt voorgesteld, als geplaatst voor God zelf. De toorn van God die van de hemel komt is er het noodzakelijke gevolg van. Vervolgens zien we er de volkomen verlossing door het bloed, teneinde de hemel te kunnen binnengaan, en soevereine genade regeren door gerechtigheid, terwijl ons een plaats gegeven wordt met de tweede Adam, de Heer van de hemel. Tevens wordt ons het toekomstige resultaat van de verlossing voor Israël voorgesteld. Alles wordt duidelijk in het licht gesteld, zoals God in het licht is: Zijn eeuwige verlossing en de hemelse gewesten, hoewel uiteindelijk de aarde ook zal worden gezegend. Maar hier beneden zijn we pelgrims en vreemdelingen. Dat is juist door de verlossing onze plaats. Voor de Abrahams en de Davids was het ook zo, doordat zij niets ontvingen van wat beloofd was of doordat ze verdrukking leden onder de regering van God op aarde. In die orde van zaken was deze positie van vreemdeling zowel voor de een als voor de ander moeilijk te begrijpen, hoewel alle dingen die door goddelijke openbaring bekend waren, zoals het uiteindelijke bezit van het land, de erfgenaam, het oordeel over de onrechtvaardigen, moesten bijdragen om de moeilijkheden uit hun gedachten weg te nemen.
Maar in Job, de Psalmen en Prediker, boeken die de gevoelens uitdrukken van de mens in deze positie, staat dit vraagstuk ten volle voor onze aandacht. Het geloof en het vertrouwen in God mogen eraan voorbijgaan, of volharden tijdens het doorleven van deze dingen, profetische getuigenissen mogen de moeilijkheid tegemoet komen: de moeilijkheid is er en deze aarde is het toneel waar God het antwoord geeft, zelfs als het geloof soms, gevoed door een persoonlijk vertrouwen in God, er zich boven verheft.
Nu in deze tegenwoordige tijd, bezitten wij door de verlossing een tegenwoordig gevestigde, eeuwige betrekking met God onze Vader, op een geheel nieuw terrein, waarin we gebracht zijn door het kostbare bloed van Christus. Want het storten van dat bloed heeft God verheerlijkt en ons met Hem verzoend, hoewel we de verlossing van het lichaam nog niet hebben. Maar dit alles was toen onbekend. Men had veel verstaan van de goddelijke dingen en dat was kostbaar. Maar het tegenwoordige resultaat van de zegen van God was voor Job: meer kamelen, meer schapen en mooiere dochters; en in de Psalmen: het oordeel over de vijanden en verlossing door die goedertierenheid die blijft tot in eeuwigheid; en een aarde bevrijd en geplaatst onder de rechtvaardige regering van de hemel. In de Prediker was het, als men zag op de tegenwoordige gevolgen van de regering van God, dat men God moest vrezen en Zijn geboden onderhouden en het daarbij laten. Aanwezige gekende verlossing vindt men nergens. En o, wat een verschil! Wat een oneindig verschil maakt dit! “Zoals Hij is, ook wij zijn in deze wereld” (1 Johannes 4:17). Hij, die ons verloste is gegaan tot Zijn Vader en onze Vader, tot Zijn God en onze God.
De Spreuken en het Hooglied hebben, zoals ik al gezegd heb, een ander karakter, hoewel ze betrekking hebben op hetzelfde toneel. De Spreuken laten niet de gevoelens van de mens zien onder de omstandigheden van deze wereld, maar de leiding van God door die wereld heen, door de ervaring en de wijsheid die door een goddelijk onderwezen gezag gegeven zijn 4. In het Hooglied zien we het hart dat, gelukkig, zich buiten dit toneel bevindt, hoewel de persoon ermiddenin is. En dat niet door een gekende verlossing, maar door een toegewijde genegenheid voor de Messias (en van de Messias voor Israël), door de openbaring die Hij geeft van zichzelf. Een openbaring van Zijn liefde voor Israël, met het doel liefde op te wekken in het hart van dat volk.
Deze oefeningen van het hart kennen wij ook, want we zijn in de wereld; maar in het bewustzijn van een voltooide verlossing en de tegenwoordige zorg van een heilige Vader, Wiens volmaakte wegen, zoals we die in Christus zien, het voorbeeld zijn voor ons gedrag. Wij kunnen met blijdschap de roof van onze goederen verdragen, omdat we weten dat we in de hemel een beter en blijvend goed bezitten. We roemen in de verdrukkingen, omdat daardoor het noodzakelijke en gezegende deel wordt bereikt, een hoop die niet wordt beschaamd, terwijl de liefde van God in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest die ons gegeven is. Onze positie is dus een heel andere en een zeer gezegende.
Ik denk, dat deze algemene opmerkingen ons zullen helpen om de boeken te verstaan waarvan we gesproken hebben. Ik bepaal me nu tot elk boek in het bijzonder.
Na alles wat ik gezegd heb, zal het boek Job geen lange overdenking vragen. Niet dat het er ontbreekt aan interessante onderwerpen, maar als eenmaal de algemene gedachte bekend is, zijn het meer de details die interessant zijn. En die zijn nu het onderwerp niet.
In het boek Job vinden we een deel van deze oefeningen van het hart, die gegeven worden door deze afdeling van het Heilige Boek (de Hagiographa). Het zijn geen verblijdende oefeningen 5, maar die van een hart, dat, reizend door deze wereld waarin de macht van het kwaad wordt gevonden, niet dood voor het vlees is. Het is zonder de goddelijke kennis die het evangelie ons geeft. Het weet niet dat het met Christus gestorven is en bezit Hem niet in Zijn opstanding. Het is niet bekwaam om in vrede te genieten (wat ook de strijd mag zijn), de vrucht van de volmaakte liefde van God. Het worstelt met het kwaad of met het niet genieten van het enig werkelijk goede, hoewel er een begeerte is om het te bezitten. Inmiddels wordt door deze openbaringen zelf, het licht van Christus geworpen op deze oefeningen. De sympathie van Zijn Geest en het deel dat Hij in genade erin neemt, wordt op een treffende wijze getoond. Door deze ervaringen leren we wat we zelf zijn. Niet in verbinding met zonden die we hebben gedaan, want dat was niet het geval bij Job. Maar de ziel zelf wordt geplaatst in de tegenwoordigheid van God.
Hoofdstuk 1
In Job zien we de mens op de proef gesteld. En met de kennis die we nu bezitten kunnen we zeggen: het is een mens die door de genade vernieuwd is, rechtvaardig en oprecht in zijn wegen. Hij wordt beproefd, om te zien of hij kan staan voor God, in de aanwezigheid van de macht van het kwaad, en of hij in zichzelf voor God rechtvaardig kan zijn. Anderzijds zien we hier de handelingen van God; hoe Hij de harten doorzoekt en ze het bewustzijn geeft van hun ware toestand voor Hem.
Dit alles is des te leerzamer, omdat het ons hier wordt voorgesteld onafhankelijk van enige bedeling, en van alle bijzondere openbaringen van de kant van God. Het is een vroom mens, zoals iemand van het nageslacht van Noach zou zijn, die de kennis van de ware God niet had verloren toen de zonde weer opnieuw over de wereld werd verspreid en tegelijk de afgodendienst begon. Maar de Rechter was er om te bestraffen. Job was omringd met zegeningen en was werkelijk godvruchtig. Satan, de aanklager van de dienstknechten van God, gaat rond over de aarde om gelegenheid voor het kwaad te zoeken. Hij stelt zich voor Jahweh onder de machtige engelen, de Bene-Elohim, en God brengt de persoon van Job ter sprake, het voorwerp van Zijn regering en zegen, die trouw is in zijn wandel.
Het is noodzakelijk om hierop te merken, dat de bron en de oorzaak van al deze handelingen niet satan is en zijn beschuldigingen, maar God Zelf. God weet wat Zijn dienstknecht Job nodig heeft. Hijzelf stelt zijn zaak op de voorgrond en zet alles in beweging. Als Hij aan satan vraagt of deze ook acht geslagen heeft op Zijn knecht Job, is het omdat Hij dat Zelf heeft gedaan. Satan is slechts een instrument en een onwetend maar listig instrument, om de voornemens van Gods genade te volvoeren. Zijn beschuldigingen hebben in het geheel geen resultaat, behalve dat de leugenachtigheid ervan getoond wordt, door middel van wat hem is toegestaan te doen. Maar ter wille van Job wordt aan satan toegestaan tot op zekere hoogte zijn gang te gaan, om Job te brengen tot de ware kennis van zijn eigen hart en dus tot een diepere grond van praktische gemeenschap met God. Hoe gezegend en volmaakt zijn Gods wegen! En hoe tevergeefs in resultaat is de krachtsinspanning van satan tegen hen, die Gods eigendom zijn!
Satan schrijft de vroomheid van Job toe aan de geopenbaarde goedheid van God en aan de voorspoed die hij heeft; aan de omtuining die God rondom hem heeft gemaakt. God geeft dit alles dan in de handen van satan, die al spoedig de hebzucht opwekt van Jobs vijanden. Deze vallen Job aan en beroven hem van alles. Zijn kinderen verliest hij door de kracht van een storm, die het satan toegestaan wordt te verwekken. Maar Job denkt niet aan de instrumenten die satan gebruikt, noch aan satan zelf. Hij ontvangt deze bittere beker uit de hand van God zonder te murmureren.
Hoofdstuk 2
En dan veronderstelt satan, dat de mens in feite alles zal opgeven als hij zichzelf maar kan redden. Waarop God aan satan toestaat alles aan Job te doen behalve zijn leven aan te tasten. En dan slaat satan Job met een verschrikkelijke plaag, maar Job buigt zich onder de hand van God, terwijl hij ten volle Zijn soevereiniteit erkent. Dan is satan uitgeput in de middelen die hij had om Job te beproeven en we horen niets meer van hem. Maar het is kostbaar om te zien, hoe God Job hierdoor volkomen gerechtvaardigd heeft ten opzichte van de beschuldigingen van satan. Job was geen schijnheilige. Alles had hij verloren toen satan zijn vroomheid beproefde, maar zijn vroomheid blonk klaarder dan ooit tevoren. Satan kan de motieven volgen die in het vlees werkzaam zijn, en het kwaad dat in het menselijk hart aanwezig is opwekken. Maar de genade van God, Zijn oneindige liefde, en de genade die werkzaam is in de mens, die erin rust en erop steunt, kan hij niet meten noch de kracht ervan weten.
Hoofdstuk 3-31
Maar de diepten van het hart van Job waren nog niet bereikt, en dat was nu juist het voornemen van God, wat ook de bedoelingen van satan geweest mogen zijn. Job kende zichzelf niet, en tot op dit ogenblik was hij, met al zijn vroomheid, nooit in de tegenwoordigheid van God geweest. Hoe dikwijls is het, dat zelfs in een lang leven van vroomheid, het geweten nooit werkelijk in de tegenwoordigheid van God is gesteld! Zodat vrede, zo’n vrede die niet verstoord kan worden, en de werkelijke vrijheid, nog nooit gekend zijn. Er is een begeerte naar God; de nieuwe natuur is aanwezig. De aantrekkingskracht van Zijn genade wordt ervaren, terwijl toch God en Zijn liefde, zoals het werkelijk is, nooit gekend werden. Als satan niets meer kan doen en uitgeput is in zijn middelen (de genade van God heeft Job voor murmureren bewaard), heeft God nog Zijn eigen werk met Zijn dienstknecht te voltooien.
Datgene wat de verzoeking die satan bewerkte niet bereikte, werd bereikt door het meeleven van zijn vrienden. Wat is het hart van de mens arm! De oprechtheid en zelfs het geduld van Job waren geopenbaard en satan had niets meer te zeggen. Maar God alleen kan onderzoeken wat het hart werkelijk voor Hem is. De afwezigheid van alle eigenwil, de volkomen overeenstemming met Zijn wil, absolute onderwerping zoals bij Christus: dat zijn dingen die God alleen kan testen, om aldus de nietigheid van het menselijk hart te laten zien voor Hem. En dat heeft God met Job gedaan, terwijl Hij tegelijk laat zien, dat Hij in genade handelt en dit alles doet voor het welzijn van de ziel die Hij liefheeft.
Als we de woorden van de Geest van Christus in de Psalmen vergelijken met de uitdrukkingen die Job gebruikt in zijn verdrukking, zal men dikwijls in het aanvoelen van de omstandigheden, bijna dezelfde uitdrukkingen vinden. Maar in plaats van bittere klachten en verwijten aan God gericht, vinden we daar de onderworpenheid van een hart, dat erkent dat God volkomen is in al Zijn wegen.
Job was oprecht, maar hij begon hiervan zijn gerechtigheid te maken, en dat laat duidelijk zien, dat hij nooit werkelijk in de tegenwoordigheid van God was geweest. En hoewel hij juister sprak dan zijn vrienden, en een hart toonde dat veel meer voelde wie God was dan zij, was toch het gevolg, dat hij God onrechtvaardigheid toeschreef en meende dat Hij hem wilde tuchtigen zonder oorzaak (zie hoofdstuk 19; 23:3,13; 13:15-18; 16:12).
Ook in hoofdstuk 29 zien we, dat zijn hart had gesteund op zijn rechtvaardige wandel en goede daden, waardoor zijn zelfgenoegzaamheid en eigenliefde werden gevoed. “Als een oog mij zag, getuigde het ten gunste van mij.” Maar God bracht hem ertoe te zeggen: “Nu heeft mijn oog U gezien. Daarom veracht ik mijzelf”.
In hoofdstuk 29-31, waarin Job zijn goede gedachten over zichzelf uitdrukt, eindigen de woorden van Job. Hij had zijn gehele hart opengelegd. Hij was zelfvoldaan. De genade van God had op een lieflijke wijze in hem gewerkt. Maar omdat hij niet in de tegenwoordigheid van God was, die de arglistigheid van het menselijk hart openbaart, was de uitwerking ervan geweest, dat dit arglistige hart hem liefelijk gemaakt had in eigen ogen. En als hij de ongerechtigheid van de mens erkent (en wie zou ze kunnen loochenen en vooral welke bekeerde ziel) was het in bitterheid van geest (hoofdstuk 9) omdat het nutteloos zou zijn voor de mens om zich voor zó’n God rechtvaardig te noemen. De hoogmoed van zijn hart kon niet verdragen om in zo’n toestand gezien te worden, door hen die hem in zijn grootheid hadden gekend (een staat van zaken waar de trots ook nog koppigheid zou hebben kunnen voortbrengen). En het medegevoel van zijn vrienden had hem gelaten in het volle bewustzijn van zijn ellendige toestand, terwijl het zijn trots verzwakte. Zowel hoofdstuk 6 als zijn gehele rede laat dat zien. De aanwezigheid van zijn vrienden en hun woorden waren tenslotte de middelen om alles wat er in zijn hart was te laten zien. Ook in hoofdstuk 30 zien we dat zijn trots is blootgelegd.
Wat de vrienden van Job betreft, is er geen aanleiding voor bijzondere opmerkingen. Zij huldigen de leer, dat de aardse regering van God een volkomen openbaring en maatstaf is van Zijn gerechtigheid en van de gerechtigheid van de mens die verplicht is daaraan te beantwoorden. Een leer, die niet alleen aantoont, dat men totaal onwetend is ten opzichte van de gerechtigheid van God en Zijn wegen, maar ook laat zien, de afwezigheid van alle werkelijke kennis van wat God is, en wat de mens is als zondaar.
We zien bij geen van hen, dat de gevoelens van hun harten beïnvloed zijn door gemeenschap met God. Hun argument is een valse en koude beoordeling van de stipte rechtvaardigheid van Zijn regering als een passende openbaring van Zijn relaties met de mens, hoewel ze veel ware en algemene gezegden uitspreken, die zelfs de Geest van God als juist erkent. In de waardering die Job van zichzelf had, was hij niet in de tegenwoordigheid van God, maar wat dit betreft beoordeelt hij alles zeer juist. Hij laat zien, dat, hoewel God Zijn misnoegen te kennen geeft over de onrechtvaardige, toch de omstandigheden waarin ze zich bevinden, dikwijls de redeneringen van zijn vrienden tegenspreken. We zien in Job een hart, dat, hoewel opstandig, afhankelijk wil zijn van God, en zich zou verblijden als hij Hem vond. Als hij zich met enkele woorden kan ontdoen van zijn vrienden, die, zoals hij wel voelt, niets verstaan van zijn beproeving noch van de handelingen van God, zien we dat hij zich tot God keert (hoewel hij Hem niet vindt en zich beklaagt dat Zijn hand zwaar op hem rust). We zien dat in het mooie en treffende hoofdstuk 23 en in de woorden over de regering van God in hoofdstuk 24 en 21. Ik bedoel dit: we zien hier iemand die gesmaakt heeft dat de Heer goed is en wiens hart, hoewel gekwetst en niet onderworpen, toch deze hoedanigheden van God verkondigt omdat hij ze kende; hoedanigheden die zijn vrienden met hun koude redeneringen Hem niet konden toeschrijven. Hier is iemand, die zich bitter beklaagt over God, maar die weet, dat, als hij eenmaal bij Hem zou kunnen komen, hij Hem zou vinden zoals hij het zich had voorgesteld en niet zoals zijn vrienden het hem gezegd hadden dat Hij was, of zoals zijzelf waren. Als hij Hem zou vinden, zou Hij zeker niet zijn zoals zij waren, maar zou Zijn woorden in zijn mond geven. Job verwierp met verontwaardiging de beschuldiging van schijnheilig te zijn, want hij wist dat hij tot God opzag, Hem gekend, en met eerbied voor Hem gehandeld had, hoewel God het nu goed achtte hem zijn zonde in herinnering te brengen. Maar deze geestelijke toegenegenheid weerhield Job er niet van om van dit bewustzijn van rechtschapenheid een kleed van eigengerechtigheid te maken, dat God voor hem verborg en waardoor hij zelfs zichzelf niet meer zag. Hij zegt dat hij rechtvaardiger is dan God (10:7,8; 16:14-17; 23:11-13; 27:2-6).
Hoofdstuk 32-37
Elihu berispt hem hierover en toont hem de wegen van God. Hij laat zien, dat God de mens opzoekt en tuchtigt, opdat, wanneer hij onderworpen en verbroken is, God zou kunnen handelen in genade en zegen, en hem zal bevrijden van het kwaad dat hem drukt. Maar zou er iemand te vinden zijn, die de mens het juiste punt van zedelijk contact tussen zijn ziel en God kan tonen, waardoor zijn ziel in waarheid voor God kan staan 6?
Dan gaat Elihu verder en toont aan, dat, als God kastijdt, het is opdat de mens zich voor God stelt om te leren waarin hij verkeerd heeft gedaan. Kortom: De wegen van God zijn recht. Hij wendt Zijn ogen niet van de rechtvaardige af, maar als ze in beproevingen zijn laat Hij hen hun fouten zien. En als ze, na opmerkzaam geworden te zijn, tot Hem terugkeren in gehoorzaamheid, zal Hij ze weer voorspoed geven. Maar de schijnheilige zal verloren gaan. Het eerste geval, dat Elihu voor de aandacht stelt (hoofdstuk 33), heeft betrekking op de wegen van God met de mens in het algemeen. Hij maakt het geweten gevoelig voor hun toestand en breidelt de trots en de eigenwil van de mens. God kastijdt en vernedert hem. Het tweede geval betreft meer de rechtvaardige (hoofdstuk 36). Dan gaat het om een positieve overtreding, maar in iemand die rechtvaardig is in het oog van God, van wie Hij Zijn oog niet afwendt en in wie Hij geen ongerechtigheid duldt. Maar in het eerstgenoemde geval is de mens op de weg van het verderf. En in dit geval 7 is de uitlegger noodzakelijk om de mens in oprechtheid voor God te plaatsen. Tenslotte vestigt Elihu de bijzondere aandacht op de ondoorgrondelijke macht van de Almachtige God.
Hoofdstuk 38-42
Maar daarna neemt Jahweh het woord en richt Zich tot Job, terwijl Hij voortgaat over dit onderwerp te spreken. Hij laat Job zijn nietigheid voelen. Deze erkent dat hij verachtelijk is en zegt, dat hij stil wil zijn voor God. Dan hervat God het gesprek en Job erkent, dat hij heeft willen spreken van wat hij niet verstond en dat hij de raad verduisterd heeft. Maar nu hij onderworpen is, laat hij eerlijk zijn werkelijke toestand zien. Voorheen had hij slechts God gehoord met zijn oren, maar nu heeft zijn oog Hem gezien. Daarom verafschuwt hij zichzelf en heeft berouw in stof en as. Dit is de uitwerking als we God zien en ons in Zijn tegenwoordigheid bevinden. En daarmee was het werk van God aan hem voleindigd. Een werk van Zijn volmaakte goedheid, die Job niet zonder kennis van zichzelf noch zonder kennis van Zijn tegenwoordigheid wilde laten. Het doel van de tucht was bereikt en Job wordt met meer zegeningen omringd dan voorheen.
We leren hier twee dingen. Ten eerste dat de mens niet kan staan in de tegenwoordigheid van God. Ten tweede de wegen van God ter onderwijzing van het hart van de mens. En verder is het ook een tekening van de wegen van God ten opzichte van de joden op aarde.
De Geest onderwijst ons in het boek Job ook duidelijk, welke plaats satan inneemt in de handelingen van God en in Zijn regering met betrekking tot de mens op aarde. En laten we ook de volmaakte en trouwe zorg van God opmerken, die dit alles werkte (wat ook de kwaadwilligheid van satan geweest mag zijn), omdat Hij zag dat Job dit nodig had. We zien dat God Zelf de persoon van Job voor de ogen van satan stelt en dat deze laatste van het toneel verdwijnt, want het gaat hier niet over innerlijke verzoekingen, maar om zijn handelingen op de aarde. Als God deze uiterlijke beproevingen had doen ophouden, had Job een nieuwe oorzaak gehad voor zijn zelfgenoegzaamheid. De mens zou geoordeeld hebben dat de beproevingen meer dan genoeg waren geweest. Maar het kwaad in het hart van Job bestond hierin, dat hij rustte op de vruchten van de genade in zichzelf en dat zou hoe langer hoe meer de goede dunk, die hij van zichzelf had, doen toenemen. Vriendelijk in zijn voorspoed, zou hij ook geduldig in de verdrukking zijn geweest. Maar God zette Zijn werk voort opdat Job zichzelf zou leren kennen.
De sympathie van zijn vrienden (want wat van God komt en men in Zijn tegenwoordigheid alléén kan dragen, kan men nog niet dragen als men in de gelegenheid is om zich bij mensen te beklagen), of de trots die niet gezien wordt als men alleen is, maar die geraakt wordt als anderen getuige zijn van onze ellende, of misschien wel deze twee dingen samen, hebben de geest van Job geprikkeld, en hij vervloekte de dag waarop hij werd geboren. De diepten van zijn hart werden openbaar. En dat had hij juist nodig.
We zien hier dus de mens staande tussen satan, de beschuldiger, en God. Want het gaat hier niet over Gods openbaring van eeuwige gerechtigheid, maar over Zijn wegen met de ziel van de mens in deze wereld. De godvrezende mens komt in moeilijkheden. Hiermee moet rekening worden gehouden. De vrienden verzekeren, dat deze wereld een juiste uitdrukking is van de rechtvaardige regering van God, en dat daarom Job, die een grote belijdenis had afgelegd van vroomheid, een schijnheilige moet zijn. Job ontkent dit pertinent, maar zijn ongebroken wil verheft zich tegen God. God had het zo beschikt en hij kon er niets aan doen. Alleen hiervan is hij zeker: Als hij Hem vinden zou, zou Hij Zijn woorden in de mond geven. Hoewel hij opstandig was en meende dat zijn goedheid van hemzelf was, sprak hij goed van God. Hij bevestigt opnieuw, dat, hoewel er een regering van God is, deze in de wereld niet gezien wordt zó als zijn vrienden zeggen. Maar hij is niet verbroken voor God. En dan komt Elihu op het toneel, de uitlegger; één uit duizend (wat zijn ze in de praktijk zeldzaam!). Deze toont de tucht van God ten opzichte van de mens en van de rechtvaardige en berispt met inzicht beide zijden. Daarna komt God en zet Job op zijn plaats door de openbaring van Zichzelf; maar erkent tevens de oprechte gevoelens van Job voor Hem. Hij zet ook de vrienden op hun plaats en Job moet voor hen bemiddelen. Daarna kan de verootmoedigde Job ten volle gezegend worden. Deze zelfkennis in het licht van God is allerbelangrijkst. Tot dat ogenblik zijn we nooit nederig, noch wantrouwend ten opzichte van onszelf.
EINDE JOB
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 3.01
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- Gods hand in het lijden, W. Kelly
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten:
1 Hagiographa, of “Heilige Schriften”, is de Griekse naam die aan de verzameling van de volgende boeken werd gegeven: a. Psalmen, Spreuken, Job. b. Hooglied, Ruth, Klaagliederen, Prediker, Ester. c. Daniël, Ezra, Nehemia en 1 en 2 Kronieken. Bovenstaande is de volgorde in het Hebreeuwse Oude Testament.
2 Deze gedachten en gevoelens komen overeen met die van Christus in Zijn vernedering en in Zijn lijden, en worden zo profetieën ervan, maar in de vorm van de gevoelens, die Hij had onder dit lijden. En dat is van grote waarde voor ons.
3 En merk hierop, dat Psalm 14 en Jesaja 59 door de apostel worden aangehaald als bewijs van de zonde van de joden. Beide gedeelten eindigen met de verlossing van Jeruzalem door de macht van God. In Romeinen is de verlossing door tegenwoordige rechtvaardiging door bloed.
4 Wat betreft het karakter van dit boek en de Prediker, zal het de lezer een hulp zijn als ik zeg, dat in de Spreuken altijd de naam van Jahweh wordt gebruikt, behalve in hoofdstuk 25:2, waar we de naam God (Elohim) vinden, en in hoofdstuk 2:17, waar staat: “haar God”. Maar dat is geen uitzondering: het is de erkende betrekking met de God die Zich aan Israël had geopenbaard. Daar tegenover staat, dat in de Prediker de naam Jahweh nooit voorkomt. Het is altijd Elohim, de eeuwige abstracte naam van God zonder enige gedachte aan een betrekking, God als zodanig in tegenstelling met de mens en elk ander schepsel, terwijl de mens er wordt gezien als een die door ervaring zijn ware plaats en geluk moet vinden, zonder een speciaal geopenbaarde betrekking met God. In het boek Job heeft de schrijver, als ik het zo mag zeggen, of de historicus die de gesprekken weergeeft, zich altijd van de naam Jahweh bediend, maar in het midden van het boek wordt, behalve één keer als er van de regering van God gesproken wordt (12:9), door Job en Elihu altijd de naam Almachtige gebruikt, de naam die aan Abraham werd geopenbaard, of alleen het woord God. De vrienden van Job gebruiken in het algemeen dit laatste woord. Elifaz zegt “de Almachtige”. Dikwijls zegt hij eenvoudig: “Hij”. Zofar gebruikt, bij mijn weten, geen enkele naam. De gesprekken zijn gekenmerkt door de woorden “God” en “Almachtige”.
5 (noot van de vertaler). De betekenis van het woord “oefening” in dit verband laat zich niet gemakkelijk weergeven. Het veronderstelt gedachten, overpeinzingen en geestelijke ervaringen van een hart dat de weg niet duidelijk ziet.
6 Dit is een zeer belangrijk punt. God kan rechtstreeks zegenen met het licht van Zijn genade, als de ziel op de juiste plaats is gebracht; dat wil zeggen tot wat ze werkelijk is in Zijn ogen. Wat dan ook haar toestand mag zijn: Dan kan Hij zegenen met groeiend licht en genade, en dat in betrekking met de toestand. Als ik ver van Hem ben afgedwaald, en zorgeloos ben in mijn wandel, kan Hij direct en ten volle zegenen vanaf het ogenblik dat ik mij bewust ben hoever ik ben afgedwaald. Maar de ziel moet tot de erkenning van haar toestand worden gebracht, anders kan er geen werkelijke zegen zijn. Want als ik God niet zou zien in verbinding met mijn toestand, zou het gevoel van mijn ziel niet beantwoorden aan haar werkelijke toestand voor God.
7 Het kan in dit geval een eerste overtuiging van zonde zijn, maar ook, zoals in de toestand van Job, het leren kennen van zichzelf, waar het “ik” nooit werkelijk geoordeeld was.