37. Micha
37. Micha · uit de ‘Synopsis’ deel 4 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Inleiding
De profeet Micha heeft in dezelfde tijd als Jesaja geprofeteerd en zijn profetie heeft, tot op zekere hoogte, hetzelfde karakter. Dat wil zeggen, dat zij in het bijzonder doet zien, welke plaats de Messias inneemt in het verloop van Gods handelingen met Israël en vooral Zijn tegenwoordigheid in verband met de aanval van de Assyriërs. Niettemin heeft deze profetie toch haar eigen bijzondere karakter. Ze handelt, evenals de profetieën van Hosea en Amos, over de zedelijke toestand van het volk van de Joden, en brengt het oordeel over de wereld als geheel, met die toestand in verband, zoals wij dat in het boek Jona in type zien voorgesteld. Ook is Samaria gedeeltelijk het onderwerp van deze profetie, zodat haar toepassing geheel Israël omvat.
Hoofdstuk 1
De Heer richt Zich in dit hoofdstuk vanuit Zijn tempel tot alle volken, feitelijk tot de gehele aarde. Dat betekent, dat Hij Zich op Zijn aardse troon plaatst, om de gehele aarde te oordelen, als een getuigenis tegen al de naties. Maar Hij daalt neer van omhoog, komt vanuit Zijn woning, om te treden op de hoge plaatsen van de aarde. En alles wat verheven is zal onder Hem versmelten, en alles wat vernederd is zal als was voor het vuur zijn. En waarom deze tussenkomst ten oordeel? Waarom laat Hij de ver van Hem geweken volkeren niet, in Zijn lankmoedigheid ten opzichte van hun dwaasheden, hun eigen wegen gaan? Het is, omdat Zijn eigen volk, dat het getuigenis voor Zijn Naam op deze aarde moest zijn, tegen Hem overtreden heeft en zichzelf heeft overgegeven aan de dienst van andere goden en aan het plegen van ongerechtigheid. Er is geen enkel getuigenis voor God meer op deze aarde, tenzij dan een vals getuigenis. Daarom zag God Zich genoodzaakt Zijn eigen getuige te zijn. Dan ziet Hij al de zonden door de volken in de loop van de tijden bedreven; ze zijn uitgespreid voor de ogen van Hem, Die het kwaad niet kan dulden noch aanschouwen. Hij laat Zijn volk de gevolgen van hun eigen zonden ervaren, zodat ze onder de macht van hun vijanden komen. Maar daardoor stijgt de hoogmoed en trots van deze vijanden tot zo’n hoogte, dat het Gods oordeel over hen brengt. En Hij treedt nu tussenbeide om het overblijfsel, dat Hij zo liefheeft, te verlossen en tegelijkertijd Zijn plaats als de rechtmatige Rechter over al de naties in te nemen.
Wij hebben al meer dan eens gezien, dat de Assyriër de voornaamste rol speelt in de eindtonelen van Gods wegen op deze aarde. Hier zien wij hem opnieuw als de tuchtroede in de hand van God – een belangrijk en voornaam onderwerp in de profetie van Micha.
De ongerechtigheid van Samaria en haar gesneden beelden zijn, naar Gods rechtvaardig oordeel, de oorzaak van de vreselijke kastijding die haar treft (verzen 6-9). De golven van deze oordeelsvloed treffen zelfs Juda.
De gebeurtenissen die plaats hadden in de dagen van de profeet, worden hier, omdat zij in zedelijk opzicht overeenkomen met die van het eindoordeel in de laatste dagen, gebruikt om de omvang van dit laatste, en de ontzettende dingen die het zullen vergezellen, mee te delen en als een waarschuwing voor het volk in de tijd van de profeet. Wij hebben dit al meer dan eens in de profetische boeken gezien.
Ongetwijfeld heeft de profeet hier het oog op Sanherib en Salmanezer. Maar zij zijn slechts de aanleiding tot het uitspreken van de profetie in haar volle omvang. De Assyriër trekt op tot aan de poorten van Jeruzalem. In verzen 11-16 vinden we zijn opmars beschreven, evenals in Jesaja. Maar er is dit verschil, dat de beschrijving hier meer vermengd is met de oorzaken, waardoor de verschillende steden door dit oordeel getroffen worden, terwijl Jesaja meer de verschillende plaatsen opsomt, als stopplaatsen op zijn marsroute.
Hoofdstuk 2
In dit hoofdstuk beschrijft de profeet de zedelijke afwijkingen, die de oorzaak zijn van de oordelen van God – geweld en schaamteloze onderdrukking. Ze beraamden plannen, om door geweld aan hun hebzucht te voldoen, en daarom maakte God ook plannen om hen met Zijn oordelen te treffen (verzen 1-5). Ze weigerden het getuigenis aan te nemen en wezen het af. Daarom zal het van hen worden weggenomen, maar dit zal met dit vreselijke oordeel gepaard gaan, dat een geest van overtreding, afdwaling en dronkenschap door hen wordt aangenomen als de geest van de profetie 1. Ze verhieven zich als vijanden tegen God en hun boosheid ontzag vrouwen noch kinderen (verzen 8-9). Jahweh’s roepstem gaat dan uit tot allen, die oren hebben om te horen, om zich van al deze ongerechtigheid af te zonderen. Gods volk kan geen rust vinden in zo’n staat van zaken. Hoe konden de heiligen van Jahweh rusten te midden van een toestand van verontreiniging? (verzen 10-11). En toch wilde Jahweh Zijn vaste voornemen, Israël te zegenen, niet opgeven. Hij zal de talrijke kudde van hen die onder Zijn bescherming staan bijeenvergaderen. De Doorbreker, Hij die de weg bereiden en iedere hindernis verwijderen zal, zal voor hun aangezicht optrekken. Zo zullen zij gaan uit het land van hun ballingschap. Hun koning gaat voor hen uit en Jahweh is aan hun spits (verzen 12-13).
Hoofdstuk 3
Opnieuw klaagt de profeet de hoofden en de oversten van Jakob aan. Zij zullen roepen tot Jahweh, maar Hij zal niet naar hen horen. Zij zullen geen licht ontvangen door het profetische woord. De zieners zullen beschaamd worden, omdat er geen antwoord van God komt (verzen 1-7). Hoe anders was het met Micha, die vol van kracht door de Geest van Jahweh, Jakob zijn overtredingen kon aanzeggen, en Israël zijn zonden (vers 8). Dit doet hij, door de oversten onder het volk te beschuldigen, dat zij geschenken aannemen voor rechtspraak (Exodus 23:8) en de profeten aan te klagen, dat zij waarzeggen voor geld, terwijl zij nog aanspraak durfden maken op het voorrecht van de tegenwoordigheid van Jahweh in hun midden; een voorrecht, dat inderdaad uitsluitend het deel was van dit volk.
Niets kan meer weerzinwekkend zijn voor de Heer, dan dat zij, die de naam hebben Zijn volk te zijn, zich verheffen op het voorrecht van Zijn tegenwoordigheid en deze aanmatiging gebruiken tot zelfverheerlijking en ter rechtvaardiging van het kwaad, of ondanks dat nog aanspraak durven maken op de Goddelijke gunsten en hulp. Daarom zou Sion als een veld worden omgeploegd en de bergen, nu getooid met fraaie paleizen, gelijk gemaakt worden aan met mos bedekte heuvels (verzen 9-12).
Hoofdstuk 4
Maar opnieuw besluit de profeet, in de geest van Jesaja, zijn veroordeling van hun zonden, en zijn profetieën van oordeel en verwoesting, met de aankondiging van het volle herstel van de zegeningen en heerlijkheid in Sion. De Geest herhaalt (want er was geen sprake van een verandering in Gods voornemen) de aankondiging van de heerlijkheid in Sion in de laatste dagen, zoals beschreven in Jesaja 2. Maar waar de profetie hier niet zo breedvoerig ontvouwd wordt zoals in Jesaja, wordt deze aankondiging onmiddellijk verbonden met de gebeurtenissen van de laatste dagen. Israël zal in volmaakte vrede in zijn land wonen, als gevolg van Gods straffen over de machtige naties en Zijn oordelen onder de volken (verzen 3-4), en Jahweh zal onder hen verheerlijkt worden. Zij zullen zeggen: “Elke natie zal zich beroemen in de naam van zijn God, maar Jahweh is onze God voor eeuwig en altoos”. Jahweh is de heerlijkheid van Zijn volk. In die dag zal Jahweh het overblijfsel van Zijn volk aannemen; Hij zal de arme, vernederde en hinkende Jakob weer verzamelen en dat, wat Hij verstrooid had en met Zijn bezoekingen had moeten bedroeven, weer verenigen. Het zal een overblijfsel zijn naar de begeerte van Zijn hart; dat, wat Hij verstoten had, zal een machtige natie worden. En Jahweh Zelf zal in Sion voor eeuwig over hen regeren.
Hoewel de profetie niet zo breedvoerig op de bijzonderheden ingaat, komt de volgorde van de gebeurtenissen die het volk moest doormaken, door de beknoptheid des te duidelijker uit en is dus een sleutel tot de meer breedvoerige ontvouwing van Jesaja. De profeet kondigt de terugkeer van de eerste heerschappij aan; het koninkrijk van David en Salomo zal weer in Jeruzalem worden opgericht. Met deze mededeling wordt de aankondiging van de duizendjarige toestand van zegen afgesloten. Maar nu moet het koningschap, waar de heerlijkheid van Jeruzalem zo nauw mee verbonden was, tijdelijk terzijde gesteld worden (vers 9), en hiermee zou een tweevoudig oordeel over Jeruzalem gepaard gaan. De dochter van Jeruzalem moest naar Babel gaan, om daar, door de macht van God, uit de hand van haar vijanden verlost en bevrijd te worden. Zij moest hun gevangene zijn, ver verwijderd van Sion. Daarmee wordt de ballingschap van Jeruzalem in het midden van de heidense koninkrijken aangekondigd. Terwijl zij zich in die omstandigheden zou bevinden, zou God haar verlossen. Maar er was nog een andere gebeurtenis, die deze laatste dagen van haar geschiedenis zou kenmerken. Vele naties zouden tegen haar vergaderd worden, met het doel haar te ontheiligen en honend op haar neer te zien. (Dat ziet op de aanval tegen Jeruzalem, toen Jahweh Zelf handelde met haar in haar eigen plaats). Maar zij die haar belaagden, kenden de gedachten van de Heer niet. Hij had hen vergaderd als schoven op de dorsvloer. De dochter van Sion zal hen vertreden en verpletteren en hun roof Jahweh toewijden, die in die dagen Zijn eigen Naam als de God van de hele aarde zal grootmaken. (Vergelijk Jesaja 17:12-14; Zacharia 14:2; 12:2-3; en Psalm 83).
Het was echter noodzakelijk nog een meer in details gaande mededeling te doen: de voornaamste vijand van de laatste dagen moest worden aangeduid en dat in speciaal verband met een andere vreselijke zonde van Jeruzalem en haar bevolking; de verwerping van hun Messias. De dochter van de benden verzamelt zich in legerbenden, om Jeruzalem te omsingelen, – dat is het Assyrische leger (zie 5:4). Het geldt hier echter een geheel andere zaak dan de aanval van Sanherib. Juda was nu veel dieper in zonde en weerspannigheid verzonken. Zij zouden de ware Rechter van Israël met de roede op de kaak slaan. De Christus zou bespot en geslagen worden.
Hoofdstuk 5
Vers 1 beschrijft Hem op treffende wijze. Op dit vers steunde het bewijs van de schriftgeleerden en overpriesters, toen zij aan Herodes verklaarden, dat de Christus in Bethlehem geboren zou worden. Het stelt Hem voor als in Bethlehem geboren, en gelijktijdig als de Eeuwige, en als de ware Heerser in Israël.
Het is een tussenzin. Het geeft de geboorteplaats aan waaruit Hij zou voortkomen, Die voor Jahweh over Israël zal heersen. En tevens openbaart het de eeuwige heerlijkheid van Zijn Persoon.
Vers 2 sluit aan op het laatste vers van het vorige hoofdstuk en stelt de gevolgen aan het licht, van de zonden die daarin genoemd worden. Israël, en meer speciaal Juda, wordt overgegeven, maar slechts voor een bepaalde tijd. Deze periode wordt op een opmerkelijke, en tevens leerzame wijze aangeduid: “tot de tijd dat zij die baren zal, gebaard heeft”. Israël (dat veel zielsoefeningen, arbeid en moeite had doorgemaakt en lang meer de voorkeur gegeven had aan de plaats die Hagar geestelijk als type voorstelt, dan aan die van Sara), moest al de diepe wegen, de angst, de oordelen en de kastijdingen van God doormaken, die nodig waren om het tot de aanvaarding en erkenning te brengen, dat het door zijn ongerechtigheid, die straffen verdiend had. Hierdoor zou Gods genade hen ten laatste tot de grondige overtuiging brengen, dat zij het zonder die genade en zonder Zijn barmhartigheid niet konden stellen. Zo zouden ze in een toestand komen, die het volk het geschikte vat deed zijn voor de openbaring van de Zoon, Die uit hem zou geboren worden – Met andere woorden: Israël zal dan de Naomi zijn, die door genade teruggebracht is en aan wie, ten opzichte van Zijn openbaring in deze wereld, toegerekend wordt dat de Koning uit haar geboren zou zijn. Vergelijk Jesaja 9 waar deze gedachte in verband met Israël ontvouwd is: “Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven” en Openbaring 12, waar het historische feit en haar verbinding met Israël in de laatste dagen verbonden worden.
Dan wordt in dit vers nog op een ander belangrijk kenmerk van het slottafereel van deze bedeling de aandacht gevestigd. God heeft Israël in zeker opzicht overgegeven aan het oordeel, omdat zij Christus, de Heer, verworpen hebben. Nu echter heeft zij, die baren zou, gebaard. Daarna zal (en dit is het feit, waar ik het oog op heb) het overblijfsel van de broeders van deze eerstgeboren Zoon, in plaats van tot de gemeente te worden gevoegd (zoals in Handelingen 2), terugkeren tot de Israëlieten. De Christus schaamt Zich niet, hen Zijn broeders te noemen; maar in die periode worden zij niet langer leden van Zijn lichaam. Hun verbinding is met Israël. Dat is dan de positie waarin ze voor God gebracht zijn.
Hij Die verworpen was, wordt dan de Herder van Israël, en dat naar de kracht van Jahweh, in de majesteit van de Naam van Jahweh, Zijn God. Israël woont in zekerheid, want hun Koning zal groot zijn, tot aan de einden van de aarde. Hij zal de Assyriër ten val brengen, en diens land zal tot een woestenij gemaakt worden door dat Israël, dat hij dacht ten onder te brengen.
In die dagen zal Israël een dubbel karakter vertonen. Door de kostbare genade van God, zal het overblijfsel van Jakob een middel tot verkwikking zijn, zonder de inspannende en ongestadige pogingen van de mens. Zij zullen als regenstromen op het gras zijn, die niet op een mens wachten, en niet op mensenkinderen hopen. Anderzijds zal Israël ook oprijzen onder de naties, als een leeuw onder de dieren van het veld, uit wiens klauwen niemand verlossen kan. Zij zullen de middelen en het getuigenis van Gods macht zijn. De zegeningen en de kracht van Jahweh zijn met hen. De profeet verklaart dat al de vijanden van Israël zullen vernietigd worden en omkomen.
Tegelijk zal Jahweh uit het midden van Israël alle valse menselijke sterkte, al hun wagens, al hun versterkte steden, uitroeien, ja, al wat bevorderlijk kan zijn tot menselijke hoogmoed en zelfvertrouwen. Hij zal al hun afgoden uitroeien. Israël zal niet langer het werk van zijn eigen handen aanbidden; elk spoor van afgoderij zal uit hun midden verdwijnen. Tegelijkertijd zal wraak en toorn over de naties worden uitgeoefend van zo’n ontzettend karakter, als nooit tevoren gekend is.
Dit gedeelte van de profetie eindigt hier: het eerste gedeelte aan het slot van hoofdstuk 2. In hoofdstuk 4:9-13 vinden we de beide rampen, die Jeruzalem als oordeel getroffen hebben, in hun algemene karakter beschreven. Babel, en de verzameling van de volken tegen haar in de laatste dagen, en ook haar glorierijke verlossing. Dan, vanaf hoofdstuk 4:14, de verbinding van de Messias met het oordeel en met de bevrijding van het laatste van bovengenoemde twee rampen en de invoering van de toestand van zegen, waarvan wij de beschrijving vonden in hoofdstuk 4:1-8, als het einddoel van Jahweh’s plannen. In die zin sluit hoofdstuk 4:8 het tweede deel af. Maar vanaf hier tot het eind van hoofdstuk 5 vinden we als het ware twee aanhangsels, die het dubbele kwaad ontvouwen, dat over Jeruzalem komen zal, en de verhouding van het volk, eerst met hun bevrijders in oordeel, en daarna hun verlossing.
Hoofdstuk 6
Na zo de raadsbesluiten van Gods genade bekend gemaakt te hebben, begint de Geest opnieuw met Israël te pleiten, in verband met hun zedelijke toestand, en roept daarbij de gehele aarde op, om als getuige Zijn twist met Zijn volk aan te horen: want Jahweh had een twist met Zijn volk. In hartroerende woorden richt Hij Zich tot hun hart en geweten, en vraagt hun, wat zij tegen Hem kunnen hebben. Hij had hen uit Egypte verlost, had hen geleid door de hand van Mozes, Aäron en Mirjam. Hij had geweigerd naar de woorden van Balak en Bileam te luisteren, die zich tot het uiterste hadden ingespannen, om Israël te vloeken. Als zij dit alles slechts wilden overdenken, zouden ze Zijn getrouwheid moeten erkennen. Daarna stelt Hij hen, tot in bijzonderheden – de ontzettende boosheid voor ogen, zoals die algemeen onder hen heerste en vergelijkt hun vormendienst met praktische rechtvaardigheid. Daarom zou het oordeel beslist over hen voltrokken worden (verzen 13-16).
Toch zou de wijze en verstandige erkennen, dat de Naam van de Heer ermee verbonden is en dat het een kastijding van Zijn hand is. En dit is een hoogst belangrijk en ook kostbaar beginsel. Zij droegen de smaad van Zijn volk.
Hoofdstuk 7
In hoofdstuk 7 neemt de profeet in de naam van het volk, de plaats in van voorspraak bij God. Hij stelt Hem allereerst voor de diep ellendige toestand, waarin zij verkeerden en de ongerechtigheden, door hen begaan 2.
Hij spreekt in hun naam en maakt zich één met hen: of beter gezegd, hij neemt de smaad van de stad op zich, als de zijne (hoofdstuk 6:9), en klaagt over de droevige toestand, waarin zij zich bevindt. Maar dan gaat hij, zoals wij in Jeremia zo vaak zien, over op zijn eigen bijzondere positie als profeet, en toont op die wijze aan wat de positie van het overblijfsel zal kenmerken. Maar hoewel hij zijn plaats te midden van het volk als een van hen inneemt, veroordeelt hij daarbij hun gedrag en drukt zo Gods gedachten en gevoelens uit ten opzichte van hun toestand; maar hij doet dit met al de belangstelling, die voortvloeide uit de liefde die God nog steeds voor hen had.
Angstvallig speurt hij rond of hij wellicht onder het volk nog iets kan ontdekken dat hen recht geeft op de titel van volk van God. Maar hij vindt niets dan bedrog en misleiding, een volijverig loeren op het bloed van de naaste en een begeerte om met beide handen kwaad te doen. Alles wordt echter zo gezegd alsof de stad, in het bewustzijn en met belijdenis van schuld, zich buigt onder Gods kastijdende hand, en nu kan opzien tot Eén, Die Zelf haar twistzaak op Zich neemt, en haar recht zal uitvoeren.
Hier zien wij een bijzonder treffende omstandigheid. De Heer Jezus verklaart in het Evangelie, dat dat wat de profeet beschrijft als het hoogtepunt van de ongerechtigheid (vers 6), juist door de prediking van het Evangelie zou worden bewerkt. Zo is de boosheid van het menselijk hart, als zij door het goddelijk licht wordt opgewekt. Zij uit zich in een haat, des te heviger, naarmate haar voorwerp het nauwst met haar verbonden is.
Als de profeet om zich heen ziet, ziet hij op tot Jahweh en wacht hij op de God van zijn heil. Dat is het wat de Geest van Christus tot stand brengt, wanneer Hij werkt met het oog op de alles doordringende boosheid. De profeet neemt dat standpunt in, waarmee Jahweh, naar Zijn eigen woord, alleen rekening kan houden. Hij onderwerpt zich aan de toorn van Jahweh, tot de tijd aanbreekt dat Deze Zelf het pleit opneemt in de zaak van Zijn dienstknecht. Jahweh zal hem werkelijk uitleiden in het licht, en hem Zijn gerechtigheid doen zien. De bevrijding zal dan volkomen zijn, en zij, die tot Jeruzalem gezegd heeft: “Waar is uw God?” (dit is steeds de roep van de ongelovigen die zich verheugen in de kastijdingen van hen, die Christus toebehoren, evenals zij dit deden in het lijden van Christus Zelf, daar zij deze rechtvaardige handelingen van een God die zij niet kennen, niet begrijpen), zij die zich verblijdde in de vernedering van hen, die de geliefden van Jahweh zijn, zij zal vertreden worden als slijk van de straten (verzen 7-10).
Vanaf die tijd zullen zij van Egypte komen en van Assur, van de zeeën en de bergen tot de herbouwde stad; maar vóór die tijd zal het land woest zijn. Niettemin zal Jahweh Zijn volk als een herder leiden, en hen opnieuw in hun land planten, als in de dagen van ouds. En God zal hen Zijn wonderwerken tonen, evenals in de dagen toen Hij hen deed uittrekken uit het land Egypte; de volken zullen beschaamd zijn, als zij al de macht en kracht van Israël aanschouwen en zullen vrezen voor Jahweh, hun God.
De laatste drie verzen van deze profetie drukken het geloof en het gevoel van aanbidding uit, die het hart van de profeet vervullen, wanneer hij Gods goedgunstigheid overdenkt, Die de ongerechtigheden, door Zijn volk begaan, vergeeft en hun zonden in de diepte van de zee werpt; Die een behagen schept in het betonen van Zijn ontferming, en de dingen die Hij in de dagen van ouds aan Abraham en de vaderen met een eed beloofde, volbrengen zal.
Wie was een God gelijk hun God, Die Zich in een weg van genade en ontferming tegenover Zijn geliefde volk had betoond; tegenover dat arme, zwakke, door allen verachte overblijfsel, maar dat nooit door Jahweh, in Zijn grote liefde vergeten, noch in Zijn onwankelbare trouw verlaten was, ondanks al hun opstandigheid?
EINDE MICHA
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 4.11
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- Gods bemoeiingen met Israël en de volken (over de kleine profeten), H. Rossier
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten
1 Vers 6 is buitengewoon onduidelijk in het Hebreeuws. Letterlijk staat er: “Profeteert niet. Zij profeteren. Als zij niet tegen dezen profeteren; de schande zal niet wijken.” Misschien verduidelijkt hoofdstuk 3:7 het.
2 Dit is een van de meest aandoenlijke karaktertrekken van het profetische ambt. “Als zij profeten zijn”, zegt Jeremia, “laat hen nu bij de Here van de legermachten voorbidden, opdat dat, wat is overgebleven, niet naar Babel ga.” “Hij is een profeet”, zegt God tot Abimelech, als Hij over Abraham spreekt, “Hij zal voor u bidden.” Ook in de psalmen lezen wij: “Daar is geen profeet meer, noch iemand, die zegt: Hoe lang?” Dat wil zeggen dat er niemand is die nog rekent op de getrouwheid van de Heer, hun God, en, wetende dat het slechts een kastijding is, voor het volk als voorbidder tussenbeide treedt (Vergelijk Jesaja 6). Het is de Geest van God, Die inderdaad namens God het oordeel uitspreekt, maar, omdat God Zijn volk liefheeft, tevens in de profeet optreedt als de Geest van voorbidding voor dat volk. In ons geval vinden wij hetzelfde beginsel ontvouwd, maar op een geheel andere en meer gezegende en volmaakte wijze. Dit is verbonden met een kennis van Gods wil. “Als u in Mij blijft en Mijn woorden in u blijven, bidt alles wat u wilt en het zal u gebeuren” (Johannes 15:7). En hierin zijn wij allen profeten (1 Johannes 5:16).