57. Filippi

57. Filippi · uit de ‘Synopsis’ deel 7 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

In de brief aan de Filippiërs vinden we veel meer over onze christelijke ervaringen en zielsoefeningen dan in de andere brieven. Het onderwerp is in feite werkelijke christelijke ervaring. In al de brieven vinden we zowel leer als praktijk, maar (met uitzondering van 2 Timotheüs, die een apart karakter heeft) geen enkele ervan bevat zo duidelijk als de Filippibrief de ervaring van de christen in dit moeizame leven, de hulpbronnen die hem op zijn levensweg ter beschikking staan en de motieven waardoor hij zich moet laten leiden. We kunnen zelfs zeggen, dat deze brief ons de ervaring beschrijft van het christelijk leven in z’n hoogste en meest volmaakte vorm – of beter gezegd in z’n normale toestand, als het beheerst wordt door de kracht van de Geest van God. God heeft ons in Zijn neerbuigende goedheid dit prachtige beeld ervan willen geven, evenals Hij ons ook de waarheden heeft meegedeeld die ons licht verschaffen en de aanwijzingen die onze wandel regelen.

De aanleiding tot dit schrijven was heel begrijpelijk. De apostel was in de gevangenis en de Filippiërs hadden hem juist wat ondersteuning gezonden door middel van Epafróditus, kennelijk op een ogenblik dat hij daar al enige tijd behoefte aan had. De gelovigen te Filippi waren hem erg dierbaar en ze hadden bij het begin van zijn werk al blijk gegeven van hun liefde voor hem door soortgelijke gaven (1:5; 4:15). Het hernieuwde bewijs van de liefde van de Filippiërs, die aan hem dachten hoewel ze ver van hem verwijderd waren, samen met de behoeftige omstandigheden waarin hij zich als gevangene bevond, en bovendien ook het besef dat de gemeente van God nu verstoken was van zijn waakzame zorg: dit alles droeg er wel op bijzondere wijze toe bij om zijn hart te openen en uitdrukking te geven aan het vertrouwen in God dat hem bezielde, alsook aan zijn gevoelens ten opzichte van de gemeente, die het nu zonder de steun van zijn apostolische zorg moest stellen en zonder enige bemiddelende hulp op God Zelf moest bouwen! Het was dus een heel natuurlijke zaak dat hij zijn hart uitstortte voor deze geliefde Filippiërs, die hem zojuist dit bewijs van hun liefde gegeven hadden. Daarom spreekt hij ook herhaaldelijk over hun gemeenschap met het evangelie. Want zij namen deel aan de moeiten, de beproevingen, de behoeften die de evangelieprediking met zich meebracht voor hen die zich daaraan wijdden. Hun harten voelden zich ermee verbonden – evenals dat het geval was bij hen van wie de Heer zei, dat ze een profeet ontvingen in de naam van een profeet (Mattheüs 10:41). Dit legde een bijzonder innige band tussen Paulus en deze gemeente.

Hij richt zich hier samen met Timotheüs, zijn ware zoon in het geloof en in het werk, die hem bij zijn arbeid in Macedonië vergezeld had, aan alle heiligen te Filippi en aan de ambtsdragers in de gemeente daar. Deze brief verheft zich niet tot de hoogte van Gods raadsbesluiten, zoals de Efezebrief. Hij is ook niet geschreven om de Goddelijke orde te regelen die bindend is voor christenen in elke plaats, zoals de beide Korinthebrieven; of om de grondslag uiteen te zetten van de relatie van de mens tot God, zoals de Romeinenbrief. Hij is evenmin bedoeld om de gelovigen te beschermen tegen de dwalingen die onder hen binnenslopen, zoals verschillende andere brieven die de apostel geschreven heeft. Het uitgangspunt van deze brief is het innerlijke geestelijke leven, de gemeenschappelijke liefde van christenen ten opzichte van elkaar, maar een liefde zoals die bij Paulus leefde onder de invloed en de werking van de Heilige Geest. Vandaar dat we ook de normale relaties vinden die binnen een gemeente bestonden: er zijn opzieners en diakenen. En er was des te meer reden om aan hen te denken, omdat de apostel niet meer rechtstreeks voor de gemeenten kon zorgen. De afwezigheid van deze rechtstreekse zorg vormt hier de grondslag van het onderwijs van de apostel en verleent deze brief een bijzondere betekenis.

Hoofdstuk 1

De liefde van de Filippiërs, die bleek uit de ondersteuning die ze de apostel zonden, herinnerde hem aan de gezindheid die ze altijd getoond hadden: ze hadden vanaf het begin van harte deelgenomen aan de inspanningen en moeiten van het evangelie. Maar die gedachte richtte de aandacht van de apostel op het hogere en voor ons ook zo bijzonder kostbare beginsel dat de gedachtegang van deze brief beheerst. Wie had namelijk deze geest van liefde en toewijding aan de belangen van het evangelie in de Filippiërs gewerkt? Dat was ongetwijfeld de Gód van de blijde boodschap, de Gód van de liefde die hen kenmerkte. En dit vaste vertrouwen had de apostel, dat Hij die een goed werk in hen begonnen was, het ook voltooien zou tot de dag van Christus (verzen 3-6).

Wat een heerlijke zekerheid! Vooral nu de apostel er niet meer is, nu er ook geen opzieners en diakenen meer zijn, zoals in de dagen van de Filippiërs. God kan ons niet ontnomen worden! De ware en levende Bron van alle zegen blijft bij ons. Hij is onveranderlijk en Hij staat boven de zwakheden en zelfs de fouten die de gelovigen alle bemiddelende hulp ontnemen. Paulus had God zien werken in de Filippiërs; de vruchten getuigden van de Bron waaruit ze voortkwamen. En daarom vertrouwde hij er ook op, dat blijvende zegen hun deel zou zijn. Maar er is geloof nodig om zulke conclusies te trekken! De christelijke liefde ziet echter ver vooruit en is vol vertrouwen ten opzichte van degenen die ze liefheeft, omdat God Zelf en de kracht van Zijn genade in die liefde werkzaam zijn.

Hetzelfde beginsel geldt nu dus voor de gemeente van God. Ze heeft inderdaad veel verloren als het gaat om uiterlijke middelen en om bepaalde openbaringen van Gods tegenwoordigheid, die verband houden met de menselijke verantwoordelijkheid. Maar de wezenlijke genade van God kan haar nooit ontvallen. Het geloof kan daar altijd op bouwen. De vruchten van de genade gaven de apostel hier dit vertrouwen, evenals in Hebreeën 6:9-10 en 1 Thessalonika 1:3-4. En in het geval van de Korinthiërs en de Galaten stelde hij zelfs ondanks allerlei pijnlijke dingen zijn vertrouwen op de trouw van God en van Christus (1 Korinthe 1:8-9; Galaten 5:10).

De trouw van de Heer gaf hem moed met betrekking tot deze christenen, waarvan de toestand overigens een bron van grote zorg voor hem was. Maar in het heel wat verheugender geval van de Filippiërs gaf hun wandel zelf hem aanleiding het oog te richten op God, de Bron van vertrouwen ten opzichte van hen. Hij dacht vol liefde en dankbaarheid aan de wijze waarop ze zich steeds tegenover hem hadden gedragen, en daarom liet hij op zijn dankzegging het gebed volgen dat de God die dit gewerkt had ook de volmaakte en overvloedige vruchten van die liefde tot zegen van hen tevoorschijn zou brengen.

Maar hij toont ook de gevoelens van zijn eigen hart voor hen. Zij namen deel aan het werk van Gods genade in hem, doordat dezelfde genade ook in hen werkzaam was, en dat met een liefde die zich helemaal één maakte met hem en met zijn werk. Zijn hart beantwoordde die liefde met een overvloed van wederkerige gevoelens en verlangens. En God die de Bron van deze gevoelens was en die alles wist wat er in zijn hart omging, dezelfde God die ook in de Filippiërs werkte, was Getuige van zijn vurig verlangen naar hen allen (nu hij geen zichtbaar getuigenis daarvan kon geven door zijn werk onder hen). Hij voelde hun liefde, maar hij wenste dat die niet alleen hartelijk en actief zou zijn maar ook door wijsheid en Goddelijk inzicht geleid zou worden, door Goddelijke kennis ter onderscheiding van goed en kwaad door de krachtige werking van Gods Geest. Zodat ze inderdaad in liefde zouden handelen, maar bovendien in overeenstemming met deze wijsheid zouden wandelen en zouden verstaan wat in deze duistere wereld werkelijk overeenstemde met het licht en de volmaaktheid van God; zodat ze onberispelijk zouden zijn tegen de dag van Christus (verzen 7-11).

Dat is heel wat anders dan alleen het vermijden van positief kwaad, waarmee veel christenen zich tevredenstellen. Wat het leven van Christus in ons kenmerkt, is de ernstige wens om praktisch aan Hem gelijkvormig te zijn en in het licht van God te beproeven wat het beste is. Welnu, de vruchten die gezien werden toonden al dat God met hen was, en Hij zou het werk ook ten einde toe voltooien. Maar het was de wens van de apostel dat ze heel de weg zouden wandelen overeenkomstig het licht dat God gegeven had, zodat ze aan het einde onberispelijk zouden zijn en (verlost van alles wat hen zou kunnen doen verslappen of doen dwalen) vervuld met de vrucht van de gerechtigheid die door Jezus Christus is tot heerlijkheid en lof van God. Dit geeft ons een mooi praktisch beeld van de normale toestand van de christen in zijn dagelijks leven op reis naar het einddoel. Want de Filippibrief ziet ons altijd op weg naar de hemelse rust waaraan de verlossing ons deel gegeven heeft.

Deze eerste 11 verzen vormen de inleiding tot de brief. Nadat hij zo heeft uitgesproken welke wensen hij voor hen heeft, in het vertrouwen op hun liefde, spreekt hij over zijn banden waaraan zij gedacht hadden. Maar hij doet dat in verbinding met Christus en met het evangelie, dat hem het meest ter harte ging. Maar voordat ik op het hoofddeel van de brief inga, wil ik wijzen op de gedachten die ten grondslag liggen aan de gevoelens die hierin tot uitdrukking gebracht worden. Er zijn drie grote beginselen die hun stempel erop drukken:

  1. Allereerst gaat het in deze brief om de pelgrimsreis van de christen in de woestijn. De behoudenis wordt gezien als het resultaat dat bereikt wordt aan het eind van de reis. Inderdaad wordt de verlossing die door Christus volbracht is als het uitgangspunt van deze pelgrimsreis gezien (evenals Israël als een verlost volk de woestijnreis begon), maar de behoudenis is hier het ogenblik dat alle moeilijkheden zijn overwonnen en we zijn opgestaan en in heerlijkheid voor Gods aangezicht gesteld worden. Dat is hier het onderwerp.
  2. Ten tweede wordt de positie van de gelovigen gekenmerkt door de afwezigheid van de apostel. Ze moesten de strijd nu zelf voortzetten en overwinnen, in plaats van te genieten van de overwinning die de apostel op de macht van de vijand behaald had toen hij bij hen was en de zwakken te hulp kon komen.
  3. En ten derde wordt de al eerder genoemde belangrijke waarheid uiteengezet, dat de gemeente in deze omstandigheden meer direct was aangewezen op God Zelf: de onuitputtelijke Bron van genade en kracht voor haar, waaruit ze op een rechtstreekse wijze door het geloof moest putten, de Bron die haar nooit zou begeven.

We zullen hier het hele karakter zien van een leven, dat de openbaring was van de kracht van de Geest van God waardoor het beheerst werd. Het werd gekenmerkt door het ontbreken van de werking van het vlees. De zonde, of het vlees in zijn boze werking in ons, wordt in deze brief niet genoemd. De Filippibrief toont ons het beeld en de karaktertrekken van het leven van Christus. Want als we door de Geest leven, moeten we ook door de Geest wandelen.

We zullen de zelfopoffering van het christelijke leven zien in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3 toont ons de kracht van het christelijke leven; en hoofdstuk 4 hoe het boven alle omstandigheden verheven is. In het eerste hoofdstuk is meer sprake van de feitelijke omstandigheden en gevoelens van de apostel, zoals ook begrijpelijk is. Met hoofdstuk 2 beginnen de vermaningen. Maar zelfs in hoofdstuk 1 vinden we al, hoe de apostel volkomen boven de omstandigheden staat door de kracht van het geestelijke leven.

Ik ga nu weer verder met de overdenking van de tekst bij vers 12, waarmee het hoofddeel van de brief begint. Paulus was als gevangene te Rome en het scheen dat de vijand een grote overwinning behaald had, nu hij de werkzaamheid van de apostel zo aan banden gelegd had. Maar door de macht van God, die alle dingen bestuurde en die de apostel als Zijn werktuig gebruikte, dienden zelfs de listen van de tegenstander tot bevordering van het evangelie. Want in de eerste plaats kreeg het evangelie door de gevangenschap van de apostel bekendheid op plaatsen waar het anders niet zou zijn gepredikt, namelijk in hoge kringen te Rome. En bovendien kregen vele andere broeders meer moed om het evangelie onbevreesd te verkondigen, nadat ze gerustgesteld waren ten aanzien van de positie van de apostel 1.

Maar deze afwezigheid van de apostel had nog een andere uitwerking. Velen die krachteloos en onbeduidend leken toen hij zijn kracht en zijn gaven openbaarde, konden meer op de voorgrond treden nu dit machtige werktuig van Gods genade in Zijn ondoorgrondelijke maar volmaakte wegen terzijde gesteld was. Zij konden hun licht laten schijnen en de aandacht op henzelf vestigen nu de stralen van dit grote licht onderschept werden door de muren van een gevangenis. Bij zijn aanwezigheid bleven deze jaloerse personen op de achtergrond, maar nu maakten zij van zijn afwezigheid gebruik om hun stem te laten horen. Hetzij het valse broeders waren, hetzij jaloerse christenen: zij probeerden in zijn afwezigheid afbreuk te doen aan zijn gezag in de gemeente en zijn geluk te verminderen. Maar zij konden zijn gezag en zijn geluk alleen maar vergroten, want God was met Zijn dienstknecht. En in tegenstelling tot de zelfzucht die deze armzalige predikers van de waarheid bewoog, leefde er bij Paulus het zuivere verlangen naar de verspreiding van de blijde boodschap van Christus. Hij was diep doordrongen van de grote waarde van het evangelie en daarom kon hij zich verblijden in de verkondiging daarvan, op welke wijze dat dan ook gebeurde. Het was zijn liefste wens dat het gepredikt werd.

De apostel zag het dus als een uitkomst voor hemzelf, dat God het werk nu voortzette onafhankelijk van de normale, geestelijke orde van Zijn huis wat betrof de werktuigen die Hij gebruikte. In de normale toestand van de gemeente is de Geest van God werkzaam in alle leden van het lichaam, ieder op zijn eigen plaats, ter openbaring van de eenheid van het lichaam en de onderling afhankelijke kracht van de leden. Christus heeft de satan overwonnen en vervult degenen die Hij uit de hand van de vijand verlost heeft met Zijn eigen Geest, opdat zij een getuigenis vormen van Gods macht en tegelijk ook van de waarheid van hun verlossing uit de macht van de vijand (en dit tonen in een wandel die de openbaring is van de gedachten en de kracht van God, en die dus geen ruimte laat voor de gedachten en de macht van de vijand). Zij vormen het getuigenis en de legermacht van God tegenover de macht van de vijand in deze wereld. Elk lid houdt zich dan bezig met de beoefening van zijn eigen bijzondere taak, vanaf een apostel tot op het zwakste lid van het lichaam. De macht van satan wordt uitgeschakeld. De uiterlijke kracht is in overeenstemming met de innerlijke toestand en met het werk van Christus. Gods kinderen overwinnen omdat Hij die in hen is, groter is dan hij die in de wereld is (1 Johannes 4:4). Maar hiertoe is in elk opzicht kracht nodig en een geestelijke toestand waarin het oog eenvoudig is. Dat is de situatie die wordt voorgesteld in de brief aan de Efeziërs.

Er is echter een tweede fase geweest in de geschiedenis van de gemeente, waarin niet alle leden op de hun toebedeelde plaats werkzaam waren naar de maat van de gave van Christus, maar waarin de kracht van de Geest in een instrument als de apostel de gemeente ondanks haar gedeeltelijke falen toch verdedigde of herstelde in haar normale toestand. Dat vinden we bijvoorbeeld in de brieven aan de Korinthiërs en de Galaten.

Maar de brief aan de Filippiërs spreekt over een derde situatie, waarin de gemeente niet meer kon steunen op apostolische hulp. Deze toestand wordt hier echter getekend met de pen van de door God geïnspireerde apostel. Want hoewel hij niet meer op dezelfde wijze als voorheen werkzaam kon zijn, kon hij ons wel de gedachten van de Geest meedelen over de toestand van de gemeente als die naar de wijsheid van God verstoken was van deze normale hulpbronnen. God kon haar niet ontroofd worden. Ongetwijfeld was de gemeente toen nog niet zover afgeweken van haar normale toestand als dat nu het geval is, maar het kwaad was al ontkiemd en kwam al op. Allen zochten hun eigen belang, niet dat van Jezus Christus (2:21). En God liet toe dat dit al tijdens het leven van de apostelen plaatsvond, opdat wij de openbaring van Zijn gedachten hierover zouden bezitten en in deze omstandigheden ons vertrouwen op de ware hulpbronnen van Zijn genade zouden stellen.

Paulus moest deze waarheid in de eerste plaats zelf ondervinden. Hij was door de sterkst mogelijke banden verbonden met de gemeente en met de evangeliearbeid, maar hij moest de zorg daarvoor noodgedwongen overgeven aan de Gód van het evangelie en van de gemeente. Dat was een pijnlijke zaak, maar het diende ertoe om de gehoorzaamheid, het vertrouwen en de zelfverloochening van zijn hart te volmaken naar de mate van de werking van het geloof. Maar de pijn die dit kostte maakt ons duidelijk hoe onbekwaam de mens is, om het werk van God op zijn eigenlijke hoogte te handhaven. Dit alles vindt echter plaats, opdat God al de eer van het werk ontvangt en opdat de zwakheid van het schepsel in elk opzicht naar waarheid aan het licht gebracht wordt. Maar daarbij is het ook bijzonder mooi om te zien, dat het verval van het persoonlijke leven en van de gemeentelijke kracht ook dit bewerkt: als er geloof is leidt het juist tot een grotere openbaring van persoonlijke genade enerzijds en kracht in de dienst anderzijds dan ooit tevoren. Dat blijkt zowel hier als in 2 Timotheüs. En het is inderdaad altijd zo. Geloofsmannen als een Mozes, een David en een Elia vinden we in de tijd van een Farao, een Saul en een Achab.

De apostel kon niets doen en hij moest toezien hoe het evangelie zonder hem gepredikt werd. Sommigen deden het uit nijd en twist, maar anderen uit liefde. Deze laatsten hadden vertrouwen gekregen ten aanzien van de banden van de apostel, en om daarin verlichting te brengen zetten ze zijn werk nu voort. Maar hoewel de prediking uit allerlei oogpunten plaatsvond, verhief het geloof van de apostel zich boven de motieven die de predikers bewogen. Hij was doordrongen van het geweldige feit dat de Heiland, de door God gezonden Verlosser, gepredikt werd aan de wereld. Voor Paulus was Christus en het zielenheil van anderen belangrijker dan de vraag, of hij het werk zelf kon voortzetten. Gód zette het voort en daarom zou het ook tot heil van Paulus strekken. Hij besefte dat hij een schakel was in Gods plannen en dat hij zou delen in de overwinning die God zou behalen (verzen 15-19) 2.

Hij wist dat er een harde strijd gevoerd werd tussen Christus (in Zijn leden) en de vijand. En nu hij gevangen genomen was, scheen het alsof de tegenstander een overwinning behaald had. Maar God gebruikte deze gebeurtenis ten gunste van de zaak van Christus, zodat het evangelie meer terrein op de vijand veroverde en er in werkelijkheid nieuwe overwinningen op satan behaald werden. En Paulus wist zich daarmee verbonden, aangezien hij tot verdediging van het evangelie gesteld was. Daarom strekte dit alles hem tot heil en werd zijn geloof versterkt door deze wegen van een trouwe God, die de ogen van Zijn getrouwe dienstknecht meer volkomen op Hemzelf richtte. Ondersteund door de gebeden van anderen en door de bijstand van de Geest van Jezus Christus kon de vijand hem geen schrik aanjagen, maar roemde hij steeds meer in de zekere overwinning van Christus waarin hij deelde.

In vers 20 geeft hij dan ook uitdrukking aan zijn vaste overtuiging dat hij in geen enkel opzicht beschaamd zou worden, maar dat het hem gegeven zou worden alle vrijmoedigheid te gebruiken en dat Christus in hem zou worden groot gemaakt, hetzij door zijn leven, hetzij door zijn dood. En hij had de dood voor ogen. Als hij voor de keizer zou verschijnen, zou hij ter dood veroordeeld kunnen worden. Menselijk gesproken was de afloop heel onzeker. Hij zinspeelt hierop in hoofdstuk 1:22,30; 2:17 en 3:10. Maar hetzij het leven, hetzij de dood zijn deel zou zijn: zijn oog was nu meer gericht op Christus dan op het werk, ook al had dat nog zo’n grote plaats gehad in zijn gedachten. Zijn leven kon worden uitgedrukt in dit ene woord: Christus. Te leven was voor hem Christus. Dat was meer dan alleen het werk als zodanig, of de standvastigheid van de gelovigen in de strijd voor het evangelie; hoewel dit niet kon worden losgemaakt van de gedachte aan Christus, want zij waren leden van Zijn lichaam. En als te leven voor hem “Christus” was, dan was te sterven “gewin”. Want dan zou hij bij Christus zijn.

Dat was de reinigende uitwerking van Gods wegen met de apostel. Het was een vreselijke beproeving voor hem geweest om zolang, waarschijnlijk vier jaar, gescheiden te zijn van zijn werk voor de Heer. Maar daardoor had de Heer Zelf de plaats ingenomen van het werk (tenminste voor zover het met Paulus persoonlijk verbonden was), en had hij het werk volkomen in de hand van de Heer gelegd. Misschien had het feit dat hij zo in beslag genomen werd door het werk er wel toe bijgedragen, dat hij gevangen genomen was. Want alleen de gedachte aan Christus kan de ziel in evenwicht houden en alles z’n juiste plaats geven. God leidde het echter zo, dat deze gevangenschap het middel werd waardoor Christus alles voor hem werd. Niet dat hij zijn belangstelling voor het werk verloor, maar alleen Christus had de eerste plaats. Hij zag alles, zelfs het werk, zoals Christus het zag. Wat een troostrijke wetenschap is het dat God nooit kan falen, als wij misschien beseffen dat onze zwakheid gebleken is en dat wij gefaald hebben om in overeenstemming met Zijn kracht te handelen! Hij alleen heeft er recht op om verheerlijkt te worden!

Welnu, als Christus alles voor Paulus was, dan was het sterven duidelijk gewin. Want dan zou hij met Hem zijn. Niettemin was het de moeite waard om te blijven leven in het vlees (want dat is de betekenis van de eerste helft van vers 22). Want dat betekende voor hem: Christus en Zijn dienst. En hij kon geen keuze maken. Als hij stierf won hij Christus voor hemzelf, en dat was verreweg het beste. Als hij in leven bleef kon hij Christus dienen en had hij meer wat betrof het werk, en de dood zou daar natuurlijk een einde aan maken. Daarom stond hij in tweestrijd. Maar hij had geleerd om alleen op Christus te zien en zichzelf te vergeten, en al de aandacht van Christus was in Zijn volmaakte wijsheid gericht op de gemeente. Dat besliste de zaak. Paulus kon zelf geen keuze maken, maar hij zag op Christus. Zo werd hij door God onderwezen. Hij verloor zichzelf uit het oog en dacht evenals Christus uitsluitend aan de behoeften van de gemeente. Voor het welzijn van de gemeente – en zelfs van één gemeente – was het goed dat hij zou blijven. Welnu, dan zou hij blijven!

Wat een vrede geeft dit zien op Jezus! Het maakt een einde aan alle eigenbelang van de dienstknecht van God. Uiteindelijk bezit Christus alle macht in hemel en op aarde. Hij bestuurt alle dingen naar Zijn wil. Als we Zijn wil dus kennen, dan weten we dat Zijn wil ook geschieden zal. En Zijn wil is liefde voor de gemeente! Paulus beslist hier over zijn eigen lot, zonder zich daarbij te bekommeren over zijn eigen omstandigheden of over de beslissing van de keizer. Christus had de gemeente lief. Dat besliste alles voor Paulus. Als het voor de gemeente nodig was dat hij zou blijven, dan zou hij blijven. Christus was werkelijk alles voor hem. Wat een licht, wat een vrede bezitten we als ons oog eenvoudig is en ons hart zich verheugt in de liefde van de Heer! Het eigen ik is dan totaal verdwenen en de liefde van Christus voor de gemeente is de drijfveer van al ons handelen.

Maar als Christus alles is voor Paulus en voor de gemeente, wat is de gemeente dan voor hem? Beantwoordt ze aan de verlangens van Christus, en daardoor ook aan die van Paulus zelf voor wie Christus alles was? Daarom richt de apostel zijn aandacht nu op de praktische toestand van de gelovigen. De vreugde van de Filippiërs zou overvloedig zijn als hij weer bij hen zou komen. Maar of hij nu kwam of afwezig was, hun wandel moest het evangelie van Christus waardig zijn. Er waren twee gedachten die hem bezighielden. Ten eerste moesten zij zelf standvastig en onderling eensgezind zijn, één van ziel en geest. Ten tweede moesten zij zonder vrees zijn ten opzichte van de vijand en tegen hem strijden in de kracht die deze eenheid hun zou geven.

Dit is het bewijs van de tegenwoordigheid en de werking van de Geest in de gemeente, bij de afwezigheid van de apostel. De Geest blijft aanwezig en Hij bindt de gelovigen samen, zodat ze één van hart en zin zijn. Ze handelen eensgezind door de Geest. Maar omdat God bij hen is, sluit dat ook alle vrees bij hen buiten die de boze geest en hun vijanden hun zouden kunnen inboezemen (en dat is altijd het doel van de vijand, vergelijk 1 Petrus 5:8). Daarom wandelen ze in een geest van liefde, van kracht en van bezonnenheid.

Zodoende was hun toestand een duidelijk bewijs van behoudenis, van volkomen en definitieve verlossing. Want in hun strijd met de vijand voelden ze geen vrees, omdat de tegenwoordigheid van God hen met andere gedachten bezielde. Voor hun vijanden was dat daarentegen een bewijs van verderf. Want de ontdekking van hun eigen onmacht bewerkte bij hen het besef van de ontoereikendheid van hun hulpmiddelen. Hoewel ze konden beschikken over al de macht van de wereld en van haar overste, stonden ze machteloos tegenover deze grotere macht: de macht van God, waarvan zij tegenstanders bleken te zijn. In het ene kamp heerste er dus angst en vrees, maar in het andere diepe vreugde. En de zekerheid van de verlossing en de behoudenis die de gelovigen vervulde, was van Godswege. Het was het besef van het heil en de verlossing door Gods eigen hand.

De laatste verzen van dit hoofdstuk tonen ons dat deze strijd van de gemeente in de afwezigheid van de apostel, die zelf met al de macht van de vijand worstelde, een gave was. Het was hun uit genade geschonken, niet alleen in Christus te geloven, maar ook voor Hem te lijden. Wat een heerlijke gedachte! Naast het voorrecht dat ze in Hem geloofden, hadden ze dus nog een ander kostbaar deel, namelijk dat ze met Hem en zelfs voor Hem leden. En hun gemeenschap met Zijn trouwe dienstknecht in dit lijden ter wille van Zijn Naam verbond hen nog inniger in Hem tezamen.

Tot nu toe hebben we dus het getuigenis van de Geest gezien aangaande een leven, dat niet naar maar boven het vlees was. De apostel was in niets beschaamd geworden en hij vertrouwde volkomen dat dit ook nooit gebeuren zou, maar dat zoals altijd ook nu Christus zou worden groot gemaakt in zijn lichaam, hetzij door het leven, hetzij door de dood. Hij kon geen keuze maken tussen het leven of de dood, want beide waren zo gezegend. Te leven was voor hem Christus en te sterven gewin (hoewel er dan een eind zou komen aan zijn arbeid). Maar hij had zo’n groot vertrouwen in de liefde van Christus voor de gemeente, dat hij zelf door de werking van die liefde een beslissing nam ten aanzien van de afloop van zijn zaak voor Nero. Dat sommigen Christus uit nijd en twist predikten, kon ook alleen maar heilrijke gevolgen voor hemzelf hebben. Hij was gelukkig als Christus maar gepredikt werd. Dit verheven zijn boven het vlees, betekende niet dat het vlees niet in hem was of dat de natuur ervan veranderd zou zijn. Volgens 2 Korinthe 12 had hij een doorn in het vlees nodig, een engel van satan om hem met vuisten te slaan. Maar dit leven boven het vlees is een heerlijk getuigenis van de kracht en de werking van de Geest van God.

Hoofdstuk 2

Maar de apostel wenste dat de Filippiërs zijn blijdschap volkomen zouden maken door eensgezind te zijn. Want zijn afwezigheid had het mogelijk gemaakt, dat het zaad van onenigheid en ontevredenheid tot ontkieming gekomen was. De gave die ze de apostel gezonden hadden, was een heel mooi en duidelijk bewijs van hun liefde. Vertroosting in Christus, troost van de liefde, gemeenschap van de Geest, toegenegenheid en ontferming: dat alles kwam tot uitdrukking in deze gave en dat gaf de apostel grote vreugde. Maar ze moesten deze blijdschap nu volkomen maken door die liefdeband ook onderling te versterken door eensgezind te zijn, dezelfde liefde te hebben, eenstemmig hetzelfde te bedenken en niets te doen uit partijzucht of ijdele roem (verzen 1-3).

Dat was de wens van de apostel. Hij waardeerde de liefde die ze voor hem toonden, maar hij wenste dat die liefde ook onder henzelf volledig openbaar zou worden, opdat hun geluk volkomen zou zijn. Dan pas zou zijn eigen blijdschap ook volkomen zijn! Dit geeft ons een prachtige en ontroerende indruk van de liefde van de apostel. Zijn liefde was gevoelig voor de bewijzen van hun liefde, maar ze dacht in feite alleen maar aan hun belangen. Zijn vriendelijkheid liet geen plaats voor enig verwijt, maar vond toch een weg om hen te vermanen. Zijn hart, dat bij de broederliefde de liefde voegde, kon deze vermaning niet onuitgesproken laten.
Het middel tot deze eenheid, tot de instandhouding van deze liefde, was de verloochening van het eigen ik, de gezindheid van nederigheid en bereidwilligheid om te dienen. Dit was juist wat Christus in volmaaktheid openbaarde, in tegenstelling tot de eerste mens. Adam probeerde door roof God gelijk te worden, toen hij in de gestalte van een mens was. Hij wilde zichzelf verheerlijken ten koste van God, en daarbij was hij ongehoorzaam tot de dood. Daarentegen heeft Christus, toen Hij in de gestalte van God was, Zichzelf uit liefde ontledigd van al de uiterlijke heerlijkheid die bij Zijn Godheid behoorde. Hij heeft de gestalte van een Slaaf aangenomen en is de mensen gelijk geworden. Maar daarmee hield Zijn vernedering niet op. Hij deed nog een tweede stap, doordat Hij Zich ook als Mens vernederde en gehoorzaam werd tot de dood. Als God ontledigde Hij Zichzelf; maar ook als Mens vernederde Hij Zichzelf en werd gehoorzaam tot de dood, ja, tot de dood van het kruis (verzen 4-8).

Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd. Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden. Dat is het heerlijke resultaat van Zijn volmaakte liefde en gehoorzaamheid. Als Mens is Hij nu door het rechtvaardig handelen van God verhoogd aan de rechterzijde van de troon van de Majesteit in de hemelen. Hoe kostbaar is de waarheid van de Persoon van Christus! Hoe rijk is de waarheid van Zijn vernedering en verhoging, waardoor Hij alle dingen vervult als de Verlosser en Heer der heerlijkheid! Als God is Hij in liefde neergedaald, maar als Mens is Hij in gerechtigheid opgevaren. Het was volmaakte liefde dat Hij neerdaalde, en volmaakte liefde dat Hij gehoorzaam werd tot de dood. Maar het was een daad van gerechtigheid van Godswege dat Hij nu als Mens verhoogd is aan Gods rechterhand (de plaats die Hij wat Zijn Goddelijke Persoon betreft van alle eeuwigheid waardig is in te nemen). En onze harten kunnen daarmee instemmen. Wij verblijden ons over Zijn heerlijkheid, en ook over het feit dat wij door genade in die hemelse positie mogen delen.

Zijn vernedering is het bewijs dat Hij God is. Want alleen God kon in de soevereine rechten van Zijn liefde Zijn oorspronkelijke staat verlaten; voor het schepsel is dat zonde. Het toont ook hoe ver Zijn liefde ging. Maar Hij hééft dit bewijs gegeven en zo ook Zijn volmaakte liefde bewezen: Hij is Mens geworden. En wat een wonderbare plaats heeft Hij nu als Mens verworven voor ons, die in Hem voor God gesteld zijn! Maar de apostel denkt hier niet aan ons, die de vruchten van Zijn vernedering en verhoging zijn, maar aan Christus Zelf. Hij denkt aan Zijn verhoging en verblijdt zich daarover. God heeft Hem de hoogste plaats gegeven en Hem de Naam verleend, die boven alle naam is, zodat alles in de hemel en op aarde en zelfs in het dodenrijk moet buigen voor deze verheerlijkte Mens en belijden dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God de Vader (verzen 9-11).
Het gaat hier in vers 11 om de erkenning van het Heer zijn van Christus, niet van Zijn Godheid als zodanig. Zijn Godheid is inderdaad het eerste uitgangspunt van deze verzen. Alles vloeit daaruit voort: Zijn liefde, Zijn zelfverloochening, Zijn vernedering, Zijn neerbuigende goedheid. Zonder Zijn Godheid had niets van dit alles geopenbaard kunnen worden of waarde kunnen hebben. Maar de apostel spreekt hier over de Persoon van de Heer in de positie die Hij als Mens heeft ingenomen. Hij vernederde Zichzelf en toen Hij de laagst mogelijke plaats bereikte, is Hij door God verhoogd. Hij hoefde Zich niet te verheffen om God gelijk te zijn (want Hij was God), maar Hij ontledigde Zichzelf, werd Mens en daalde neer tot in de dood. Daarom heeft God Hem, de Mens Jezus Christus, ook uitermate verhoogd en tot Heer van alles gemaakt, opdat de hele schepping Hem als zodanig erkennen zou tot heerlijkheid van God de Vader.

We moeten ook opmerken, dat Christus hier niet als ons Voorbeeld wordt voorgesteld met betrekking tot het lijden dat Hij onderging als gevolg van Zijn onderwerping aan de wil van God in de positie die Hij innam. Onze navolging van Hem heeft betrekking op het feit, dat Hij Zichzelf vrijwillig vernederde en uit liefde de minste – de laagste – plaats innam. De liefde dient, ze vernedert zichzelf. Ze neemt bereidwillig en met vreugde de geringste plaats in (gering in het oog van de trotse mens) om te kunnen dienen. Christus handelde uit liefde en koos de plaats van een Dienstknecht. Als Hij die Zichzelf kón vernederen, deze plaats van vernedering koos, welke plaats willen wij dan innemen?

De apostel gaat altijd uitweiden als hij over de Heer Jezus spreekt. Maar in vers 12 richt hij zich weer tot de gelovigen, de voorwerpen van zijn liefdevolle zorg, om de beginselen waarover hij gesproken heeft ook praktisch op hen toe te passen. Hij had gewezen op de zelfverloochening en de vernedering van Christus. Die gezindheid was het middel tot eenheid en zou alle aanleiding tot vleselijke partijzucht wegnemen. Hij had ook gesproken over de gehoorzaamheid van Christus, in tegenstelling tot de eerste Adam en het vlees, en hij past dit nu toe tot lering van de Filippiërs: “Daarom, mijn geliefden, zoals u altijd gehoorzaamd hebt…” En dan zien we het gevolg van zijn afwezigheid en het feit dat hij van het werk verwijderd was: “… niet alleen <zoals> in mijn aanwezigheid, maar nu veel meer in mijn afwezigheid, bewerkt uw eigen behoudenis met vrees en beven”. En hij voegt eraan toe: “Want het is God Die in u werkt, zowel het willen als het werken, om Zijn welbehagen” (vers 13).

We vinden hier drie dingen. Toen de apostel bij hen was, had hij gewerkt. Nu hij afwezig was, moesten zij zélf zonder de steun van zijn aanwezigheid en geestelijke kracht de vijand bestrijden. Maar in feite was het Gód, die dit in hen werkte. Nu zij dus persoonlijk rechtstreeks tegenover de macht van de vijand stonden, moesten ze des te ijveriger werkzaam zijn om de overwinning te behalen — in het besef dat God Zelf daartoe in hen werkte. Nu de apostel met zijn grote gaven afwezig was, was het niet het moment om te roemen in hun eigen geringe gaven (die tot dan toe in de schaduw gebleven waren). Het was niet de tijd voor onderlinge strijd of partijzucht. Ze moesten eensgezind optrekken tegen de vijand.

Hoewel ze dus beroofd waren van de tegenwoordigheid van de apostel, kon geen enkele macht hen scheiden van de tegenwoordigheid van God. Hij bleef bij hen en Hij was het, die in hen werkte. Dat is het grote beginsel en de grote troost van deze brief. Als de gelovigen het zonder de belangrijke hulp van de apostel moeten stellen, zijn ze meer rechtstreeks op God Zelf aangewezen. De apostel vindt in deze situatie, waarin hij van de gemeente gescheiden is, zelf troost in God. Terwijl hij de gemeente, die nu van zijn persoonlijke zorg verstoken is, eveneens opdraagt aan God Zelf. God, in Wie hij zelf deze troost gevonden had, zou ook voor de gemeente zorgdragen.

We moeten goed bedenken, dat onze eigen activiteit hier niet tegenover de werkzame kracht van God geplaatst wordt. “Uw eigen” staat in tegenstelling tot de werkzaamheid van Paulus, die voor hen streed toen hij bij hen was. Maar nu moesten ze de strijd alleen voeren en hun eigen behoudenis bewerken. God werkte in hen, ook al was de apostel afwezig, opdat zij de overwinning zouden behalen.

Ik heb al eerder opgemerkt, dat de behoudenis overal in deze brief aan het eind van de christelijke wedloop gezien wordt. Dit vers is daar ook een voorbeeld van. En dit geldt voor elke zegen, zelfs voor de openbaring van onze gerechtigheid (3:9). Het Nieuwe Testament beziet de christen op twee verschillende manieren. Allereerst in Christus. In Hem is hij aangenaam gemaakt voor het oog van God. Dat is een huidige toestand van volmaaktheid, die niet aan verandering of twijfel onderhevig is. Maar de gelovige wordt ook gezien als een pelgrim op aarde, op weg naar het hemelse einddoel. Dat is de wijze waarop deze brief hem steeds beziet, en vanuit dat oogpunt is er aanleiding tot allerlei vermaningen, waarschuwingen en “indiens”. Zo leert hij echter gehoorzaamheid en afhankelijkheid (de beide kenmerken van de nieuwe mens). Maar daarnaast leert hij ook te vertrouwen op de vaste en onwankelbare trouw van God, die hem tot het einde toe voort helpt. Zie 1 Korinthe 1:8-9. Dat is een treffend voorbeeld van de trouw van God, omdat de wandel van de Korinthiërs wel heel erg slecht was. Maar er zijn voorbeelden te over, die we zouden kunnen aanhalen.

In deze omstandigheden, waarin de gelovigen rechtstreeks op God Zelf waren aangewezen en ze persoonlijk de vijand moesten bestrijden, moest hun wandel dus worden gekenmerkt door ijver en ernst. Daarna komt de apostel terug op de gezindheid van ootmoed en vrede, waarin de vruchten van de gerechtigheid gezaaid worden: “Doet alles zonder mopperen en tegenspreken, opdat u onberispelijk en rein bent, onbesproken kinderen van God te midden van een krom en verdraaid geslacht, waaronder u schijnt als lichten in [de] wereld, terwijl u [het] Woord van [het] leven vertoont” (verzen 14-16a). Dit is een treffende passage, omdat elk deel ervan precies weergeeft wat Christus Zelf openbaarde. In welke omstandigheden de gemeente zich ook mag bevinden, wat haarzelf aangaat zou ze altijd zó moeten handelen en wandelen. In Christus is hiertoe steeds voldoende genade voorhanden.

Onderlinge eensgezindheid en een wandel naar Gods gedachten, opdat zij als hemellichten te midden van de morele duisternis van deze wereld zouden schijnen, doordat zij altijd het woord van het leven met zich omdroegen en vertoonden: dat was de wens van de apostel voor de Filippiërs. Zo zou door de vastheid en de praktische uitwerking van hun geloof duidelijk blijken dat de apostel niet tevergeefs gelopen of gearbeid had, en zouden zij zelf zijn roem zijn tegen de dag van Christus (vers 16b). Was de gemeente maar op dit spoor verder gegaan! Maar hoe ze ook gefaald mag hebben, toch zal Christus verheerlijkt worden!

Zo plaatste de apostel zijn werk voor het welzijn van de gemeente in het blijde licht van de dag van Christus, waarop hij loon ontvangen zou. Maar mocht hij voor het aanbreken van die dag moeten sterven, dan kon hij zich toch verblijden. Zelfs zijn dood zou hem niet scheiden van de gemeente, waarmee hij met hart en ziel verbonden was. Als zijn leven werd uitgestort in de dood, dan was het een drankoffer dat werd uitgegoten over de offerande en de bediening van het geloof van de Filippiërs. Zij hadden hun toewijding aan Christus getoond, doordat ze aan Zijn dienstknecht gedacht hadden. En de apostel ziet heel hun geloof en hun dienstbetoon als een offer aan God en aan de Heiland. Zij, het volk van Christus, vormden het hoofdbestanddeel daarvan, terwijl hijzelf alleen maar het drankoffer was dat daarover werd uitgegoten.

Misschien zou hij het leven moeten laten in de dienst van het evangelie, waaraan zij zich van hun kant ook toewijdden. Dat zou dan een zegel zijn op dit offer van hen, dat aan God werd aangeboden door deze heilige band met de apostel. Hij verblijdde zich erin, als zijn leven zo zou worden uitgestort. Het zou de kroon zijn op zijn werk voor de volken. Hij wenste ook, dat zij zich evenzo zouden verblijden. Hun geloof en het zijne, het vormde één geheel. En hun gemeenschappelijke dienst was tot welbehagen van God, aan Wie dit offer werd opgedragen. Het hoogste bewijs daarvan moest ook de bron van de heiligste vreugde vormen. Deze wereld was niet het werkelijke terrein van dat wat plaatsvond. Wat op aarde van het werk van God gezien wordt, is alleen de buitenkant. Maar de apostel spreekt hier de taal van het geloof, dat de dingen altijd als voor Gods aangezicht ziet (verzen 17-18).

Maar hoewel hij de Filippiërs aan Gods zorgen toevertrouwde, hield zijn eigen waakzame zorg voor hen niet op. Dat is altijd zo. De liefde en het geloof waarmee men alles aan God overgeeft, houden de voorwerpen van Zijn liefde toch in het oog. Zo zegt de apostel Johannes enerzijds dat de kleine kinderen in Christus het niet nodig hebben dat iemand hen leert, terwijl hij hen anderzijds met alle liefde en zorg onderwijst (1 Johannes 2). En hier zien we dat de apostel Paulus, die vervuld was van een heilige bezorgdheid voor deze voorwerpen van de liefde van Christus, spoedig Timotheüs tot hen hoopte te zenden om te horen hoe hun omstandigheden zouden zijn. Maar de algemene toestand was duidelijk ongunstig. Hij stuurde Timotheüs, omdat hij niemand anders had met dezelfde liefde voor hen, niemand die hun belangen zo trouw zou behartigen. Want allen zochten hun eigen belang, niet dat van Jezus Christus. Wat een oefening voor het geloof! Maar ook: wat een reden om het geloof te laten oefenen!

Maar wat Timotheüs betrof: deze geliefde Filippiërs moesten hem ontvangen op een wijze die beantwoordde aan het vertrouwen van de apostel. Zij wisten hoe hij Paulus gediend had in het evangelie. Als de liefde van velen verkoelt, worden de banden van liefde in het evangelie des te sterker aaneengesmeed. We moeten ook opmerken dat God Zijn werk voortzette ondanks het algemene falen van het getuigenis van de gemeente door een kilheid die het hart van de apostel terneer drukte. God geeft Zijn werk niet op. Bij de Filippiërs was deze liefdeband echter nog niet verkoeld; zodra Paulus wist hoe het met hemzelf zou gaan, zou hij Timotheüs tot hen zenden. Maar hij vertrouwde in de Heer, dat hij zelf ook spoedig zou komen, zoals hij dat in hoofdstuk 1 ook al had gezegd (verzen 19-24).

Epafroditus, de trouwe gezant van de Filippiërs en de levende getuige van hun liefde, was er echter ook nog. Hij had zijn eigen leven in de waagschaal gesteld om hun liefdeblijk te kunnen overhandigen aan de apostel. Want hij was ernstig ziek geweest, zodat hij zelfs de dood nabij gekomen was bij de vervulling van zijn opdracht. Er wordt hier in elk opzicht een prachtig getuigenis gegeven van de christelijke liefde. Epafroditus was zo overtuigd van de liefde van zijn medegelovigen, dat hij verontrust was over de uitwerking van het bericht van zijn ziekte. Hij twijfelde niet aan de gevoelens die zij voor hem hadden, aan de plaats die hij in hun gevoelens innam. Zou het zo ook niet zijn met een liefhebbende zoon, die wist dat zijn moeder zulke berichten over hem gehoord had? Hij zou haar gauw op de hoogte brengen van zijn herstel, om haar liefdevolle hart gerust te stellen. Zo is de christelijke liefde, fijngevoelig en eenvoudig, zuiver en vol vertrouwen. Ze weet zich in het licht van God, ze wandelt met God en openbaart de gevoelens van Christus, die Zichzelf voor de zijnen heeft overgegeven. Ongetwijfeld ging Zijn Goddelijke liefde veel verder, maar de broederlijke liefde die dit hoofdstuk ons tekent is de vrucht en de weerspiegeling daarvan.

De apostel geeft zelf ook een passend antwoord op deze liefde van de Filippiërs voor Epafroditus, die hen onderwezen had en voor hen gearbeid had in de leer (en het is de Heilige Géést die dit hier in herinnering brengt!) Hij stuurt hem weer terug, terwijl hij deze gevoelens van de Filippiërs nog probeert te versterken en aan te wakkeren. Hij voelt zelf met hen mee en legt ook verband met Gods eigen tedere liefde. Paulus zou droefheid op droefheid gehad hebben (hij had dus al veel droefheid), als de Filippiërs hun geliefde dienstknecht en boodschapper juist door de diensten die hij hun bewees verloren zouden hebben. Maar God had hem gespaard en had Zich over hem ontfermd, maar ook over de apostel zelf. Door de terugkeer van Epafroditus in hun midden konden zij zich echter zelf daarvan overtuigen, wat ook weer een verlichting was voor Paulus en een vermindering van zijn droefheid. Wat een wederzijdse liefde en zorg wordt ons hier geschilderd! (verzen 25-30).

We moeten ook opmerken, hoe God in dit alles werkzaam is volgens de apostel. Wat ons hier wordt voorgesteld is Zijn barmhartigheid. We vinden hier dus niet de raadsbesluiten, de plannen van Zijn liefde, maar gevoelens van ontferming die Hem waardig zijn; en gevoelens die onder de gelovigen Zijn goedkeuring kunnen wegdragen. Soms is men bevreesd voor deze gevoelens van liefde en waardering voor arbeiders van de Heer. En in zekere zin is dat terecht, omdat de gemeente zich in feite los moet maken van alle valse afhankelijkheid van mensen. Toch tekent de Geest van God hier tot lering van de gemeente de werking van deze innerlijke gevoelens en innerlijke banden. Dit doet Hij juist te midden van het totale falen van uiterlijke kracht en uiterlijke banden door de afwezigheid van de apostel. De Heilige Geest erkent wel alles wat ondanks het verval nog overblijft van de oorspronkelijke positie en de uiterlijke banden van de gemeente. Hij vormt deze banden niet opnieuw, maar Hij erkent wat er nog van bestaat. Maar Hij spreekt alleen in het eerste vers van deze brief over deze uiterlijke orde; meer aandacht daarvoor was niet nodig. Op de innerlijke banden gaat Hij echter zeer uitvoerig in, niet leerstellig maar praktisch. God Zelf, de apostel, zijn trouw kind Timotheüs, Epafroditus, de gewaardeerde en geliefde dienaar van de Filippiërs en Paulus’ medearbeider, de Filippiërs zelf: allen waren schakels in deze mooie en kostbare liefdeketen.

Zo zien we in elk onderdeel van dit hoofdstuk de liefderijke gezindheid die het christelijk leven eigen is: de fijngevoeligheid waarmee de apostel de geest van verdeeldheid bestraft; zijn zending van Timotheüs, zodra het duidelijk is hoe het met hem zal aflopen; maar de onmiddellijke zending van Epafroditus, omdat zij gehoord hadden dat hij ziek was. De drijfveer tot deze nederige gezindheid van zelfverloochening en het rekening houden met de belangen van anderen is hier Christus in Zijn vernedering; vanuit de hemelse heerlijkheid daalde Hij af tot in de diepte van de dood. Daarentegen vestigt hoofdstuk 3 onze aandacht op een verheerlijkte Christus, als het doel van onze wedloop. Zo is Hij de Bron van geestelijke kracht en kunnen we alles schade en drek achten om Hem te winnen.

Hoofdstuk 3

Overigens moesten ze zich in de Heer Zelf verblijden. Hij verandert niet en in Hem is alles zeker, ondanks de gevaren die er zijn en waarvoor de apostel nu waarschuwt: de gevaren van het judaïsme, dat een aanslag gepleegd had op het leven van de gemeente en dat zijn hart met bange zorg vervulde. De smartelijke gevolgen daarvan zijn ook vandaag nog merkbaar, zoals de apostel voorzegd heeft, en ze zullen rijpen tot op de dag van Gods oordeel.

Maar de ware kennis van Christus bewaart ons ervoor, dat onze blijdschap ons op deze wijze zou worden ontnomen. Deze kennis wordt hier niet voorgesteld zoals in de Efezebrief, overeenkomstig de leer en de praktijk van de hoge positie van de gemeente als het lichaam van Christus, dat met de verheerlijkte Christus is ééngemaakt. En ook niet zoals in de Kolossebrief, die op de dringende noodzaak wijst om vast te houden aan het Hoofd, omdat alle volheid in Hem gevonden wordt. Maar in overeenstemming met het algemene karakter van de Filippibrief wordt dit onderwerp hier behandeld in verbinding met de persoonlijke ervaringen van de christen en in het bijzonder die van de apostel zelf. We zien hem hier op weg naar de heerlijkheid, op weg naar het volle genot van de Persoon die hij heeft leren kennen. Dit blijkt ook uit de persoonlijke strijd en smart die hij nog ondervindt. Hij heeft de toestand waarnaar zijn hart verlangt nog niet bereikt.

Dit is eigenlijk de ervaring van elke christen. Inderdaad ben ik door de Geest verenigd met het Hoofd in de heerlijkheid. Ik ben een lid van Zijn lichaam en ik ben één met Hem; dat is waar en ik weet het door het geloof. Maar wat mijn persoonlijke ervaringen op aarde betreft, ben ik op weg naar de heerlijkheid die in Christus mijn deel is. Niet dat de gevoelens die deze ervaringen teweegbrengen, afbreuk kunnen doen aan mijn positie in Christus of de zekerheid van mijn uitgangspunt ongedaan kunnen maken. Maar juist op grond van die zekerheid weet ik, dat ik het feitelijke resultaat van deze positie in de heerlijkheid nog niet bereikt heb. Het is het doel van de reis. Zo ziet deze brief ons, in onze persoonlijke relatie met God en in onze persoonlijke ervaringen.

Want ervaringen zijn altijd persoonlijk, hoewel onze onderlinge verbondenheid als leden van Christus een onderdeel van deze ervaringen vormt.

De Judaïstische beginselen waarvoor de apostel waarschuwt, waren in strijd met de leer van een verheerlijkte Christus. Door de vermenging van joodse en christelijke beginselen verloor men Christus uit het oog en werd de eerste mens in ere hersteld (dus in feite het vlees in zijn zonde en vervreemding van God). Men wendde zich af van de tweede Mens en keerde terug tot de eerste mens, die reeds verworpen en veroordeeld was. Het vlees verschijnt hier echter niet in zijn zondige gedaante, maar in zijn godsdienstige vorm. We vinden hier de gerechtigheid van het vlees, door het in acht nemen van de inzettingen van de wet, die het eerbiedwaardige stempel van hun oudheid droegen en die oorspronkelijk (toen ze nog niet in Christus terzijde gesteld waren) met het gezag van God Zelf bekleed waren.

Maar voor de apostel, die een hemelse Christus had leren kennen, was dit alles slechts een lokaas om de christen van Christus af te trekken en hem weer in de ellende te dompelen waaruit Hij hem had opgetrokken. En dit was des te ernstiger, omdat men hierdoor een verheerlijkte Christus de rug toekeerde en terugging tot een systeem dat gefaald had omdat het krachteloos bleek te zijn door het vlees.

Daarom spaart de apostel hier noch de leer zelf, noch de valse leraars die ze brachten. De heerlijkheid die hij gezien had, zijn strijd met deze dwaalleraars, de toestand waarin de gemeente door hun toedoen gekomen was, zijn ervaringen in Jeruzalem en Rome, zijn vrijheid en zijn gevangenschap: dat alles had hem het ware karakter van het jodendom getoond. Zij die de beginselen ervan wilden invoeren in de gemeente van God waren “honden” en “boze arbeiders”, dat wil zeggen werkers van boosheid en verdorvenheid. Hij behandelt hen met de grootste minachting. Maar de scherpe taal die hij gebruikt wordt gerechtvaardigd door zijn liefde voor de gemeente. Want de liefde is altijd scherp in haar houding tegenover hen die het voorwerp van die liefde gewetenloos in het verderf storten. Zij waren niet de besnijdenis, maar de versnijdenis (vers 2).

Als het kwaad onbeschaamd te werk gaat onder een godsdienstige dekmantel, dan is het een misdaad tegenover de voorwerpen van de liefde van Christus om het ware karakter daarvan niet scherp aan de kaak te stellen. Als we Hem liefhebben zullen we met het oog op het welzijn van Zijn gemeente het ware karakter van het kwaad, dat het zelf probeert te verbergen, in het licht stellen. Dat is ware liefde en trouw tegenover Christus. De apostel was zeker niet tekortgeschoten in liefderijke verdraagzaamheid ten aanzien van de zwakken. Hij was in dat opzicht heel ver gegaan; zijn gevangenschap getuigde daarvan. Maar de gemeente verkeerde nu meer dan ooit in gevaar, want ze moest het stellen zonder zijn geestelijke kracht en beslistheid die al het goede vol liefde handhaafde. En al de ervaringen van zijn werkzame leven, al het geduld dat hij betoond had, de vier jaar van overpeinzingen in de gevangenis – ze brachten hem tot deze krachtige en klemmende woorden: “Kijkt uit voor de honden, kijkt uit voor de boze arbeiders, kijkt uit voor de versnijdenis”. Zijn liefde tot de gemeente dreef hem hiertoe. Alles wat hij in deze periode geschreven heeft, draagt het stempel van deze liefde: het onderwijs van de Efezebrief, het vermaan van de Kolossebrief, het liefdebetoon van de Filippibrief. Ook de scherpe veroordeling van de joodse leraars in dit vers vloeide daaruit voort.

Maar het was voldoende om hen te veroordelen. Elders geeft hij meer bijzonderheden, zoals in het geval van Timotheüs die ook met zorgzame liefde over de gemeente moest waken (zie 1 Timotheüs 1). Maar hier was het bekend wat hun karakter was en kon hij met het noemen daarvan volstaan. Alle terugkeer naar het jodendom, alle vermenging van wet en evangelie, van menselijke instellingen en de werking van de Geest, was schaamteloos, boosaardig en verachtelijk. Maar de apostel houdt zich liever bezig met de kracht die daarvan verlost en die een werkelijke besnijdenis tot gevolg heeft. Wij zijn de besnijdenis (dat wat werkelijk van het kwaad gescheiden is, wat dood is voor de zonde en voor het vlees), wij die God niet met de valse pretentie van inzettingen dienen, maar op geestelijke wijze, door kracht van de Heilige Geest. Onze roem is in Christus, de Heiland, en niet in het vlees, waarop we geen enkel vertrouwen stellen. We zien hier Christus en de Geest in tegenstelling met het vlees en het eigen ik (vers 3).

Paulus zou zelf ook wel kunnen roemen in de dingen van het vlees, want hij bezat alle joodse voorrechten in de hoogste mate. En in zijn heilige ijver tegen nieuwlichters had hij ook iedereen overtroffen. Maar één ding had een totale verandering bij hem gewerkt: hij had Christus in de heerlijkheid gezien. Alles wat hij naar het vlees bezat, achtte hij van toen af schade en drek. Het zou alleen maar scheiding maken tussen hem en de Heer die hij kende, het Voorwerp van zijn geloof en zijn verlangen.

Paulus verwerpt hier niet de zonden van het vlees, die Christus uitdelgt en tenietdoet. Hij verwerpt de gerechtigheid van het vlees. Het vlees hééft geen gerechtigheid, zullen we misschien zeggen. Maar zelfs al zou de apostel een bepaalde vleselijke gerechtigheid bezitten (die hij in feite uiterlijk ook gehad had), dan wees hij die af omdat hij een betere gerechtigheid gezien had. In Christus, die hem op de weg naar Damascus verschenen was, had hij Goddelijke gerechtigheid voor de mens en Goddelijke heerlijkheid in de mens gezien. Hij had een verheerlijkte Christus gezien, die de arme en zwakke leden van de gemeente op aarde als leden van Hemzelf erkende. Nu wilde hij niets anders meer bezitten. De uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, zijn Heer, ging alles te boven. Alles wat daarbuiten stond, kreeg daardoor het karakter van schade en drek. Zowel de duisternis van de nacht als het schijnsel van de sterren verdwijnt voor het licht van de zon. De gerechtigheid van de wet, de gerechtigheid van Paulus, alles wat hem onder de mensen onderscheidde, verdween voor de gerechtigheid van God en de heerlijkheid van Christus (verzen 4-9).

Het betekende een totale verandering in zijn hele bestaan. Wat winst voor hem was, achtte hij nu schade. Christus was alles voor hem geworden. Het gaat hier dus niet om het verdwijnen van het kwaad, maar van alle voordelen van het vlees die hij bezat. Een Ander was belangrijk voor hem geworden. Wat een diepe en radicale verandering in het hele bestaan van een mens, als hij zelf niet meer het middelpunt is waar alles om draait! Als een Ander, die het werkelijk waard is, het Middelpunt van zijn morele bestaan wordt! Een Goddelijk Persoon, een Mens die God verheerlijkt heeft en in Wie Gods heerlijkheid tentoongespreid is voor het oog van het geloof, in Wie Gods gerechtigheid aan het licht gebracht is en Zijn liefde en barmhartigheid tegenover mensen volkomen geopenbaard zijn en gekend worden! Dat was de Persoon die Paulus wilde winnen en bezitten. Want we worden hier steeds gezien op onze reis door de woestijn, op weg naar het einddoel.

De apostel wenste Hem te winnen en in Hem bevonden te worden. Twee dingen stonden hem hierbij voor ogen. Ten eerste (vers 9): de gerechtigheid van God Zelf te bezitten (in Christus zou die zijn deel zijn). Ten tweede (vers 10): Christus te kennen en de kracht van Zijn opstanding (want hij kende Hem alleen als de Opgestane), terwijl hij overeenkomstig die kracht die nu in hem werkte deel had aan het lijden van Christus en aan Zijn dood gelijkvormig gemaakt werd.

In de dood van Christus was Gods liefde volkomen geopenbaard en was de grondslag gelegd voor de betoning van Zijn volmaakte en eeuwige gerechtigheid. Het sterven van Christus was ook de hoogste en meest volkomen openbaring van zelfverloochening. Welnu, Christus was het volmaakte Voorwerp voor het geloof van de apostel, dat de reikwijdte van dit alles verstond en dat zich naar Hem uitstrekte. Door de dood was Christus overgegaan in de volmaaktheid van het leven, dat zich in zijn kracht gemanifesteerd had in de opstanding. En Paulus had deze volmaaktheid in haar heerlijkheid gezien en hij wist dat hij met deze verheerlijkte Christus verenigd was. Hoe zwak hij in zichzelf ook was, hij besefte dat hij één was met Christus, de Bron van deze opstandingskracht. Daarom wenste hij de kracht van Zijn opstanding te kennen, opdat hij Hem ook in Zijn lijden zou kunnen volgen. Want de dood stond hem als een realiteit voor ogen door de omstandigheden waarin hij zich bevond. Maar zijn hart zag alleen Christus; het wenste alleen Hem te zien. Hij wenste Hem te volgen om bij Hem te kunnen komen. Als de weg daartoe door de dood leidde, dan betekende dat slechts een grotere gelijkvormigheid aan Hemzelf. Het gaf niet wat het kostte, als hij op de een of andere wijze maar het doel zou bereiken. Zo kon hij met onverdeelde energie daarnaar jagen. Dit is inderdaad werkelijke kennis van Hem, tot in de diepste beproeving, zodat heel Zijn volmaakte openbaring van liefde, van gehoorzaamheid en toewijding duidelijk gekend wordt. Maar het doel is Hem te winnen zoals Hij is, zoals Johannes zegt (1 Johannes 3:2).

De apostel had Christus in de heerlijkheid gezien en nu begreep hij de weg die tot die heerlijkheid leidde en de volmaaktheid die Christus op die weg geopenbaard had. Omdat hij deel had aan Zijn leven wenste hij ook de kracht daarvan te ervaren overeenkomstig Zijn heerlijkheid, opdat hij Hem zou mogen volgen en bij Hem in de heerlijkheid zou zijn. Dit is wat de Heer bedoelde in Johannes 12:23-26. Wie Hem diende, moest Hem volgen door de dood om bij Hem in de heerlijkheid te komen. En wie had dit, door Gods genade, beter begrepen dan Paulus? Ik wil in dit verband nog wijzen op het verschil met Petrus, die zichzelf een getuige noemt van het lijden van Christus en ook een deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden (1 Petrus 5:1). Bij Paulus zien we het omgekeerde: hij is een getuige van de hemelse heerlijkheid van Christus en wenst ook deel te hebben aan Zijn lijden. Dit is de bijzondere grondslag van de positie van de gemeente en van een wandel in de Geest overeenkomstig de openbaring van de heerlijkheid van Christus. En dit is ongetwijfeld ook de reden van het feit dat Petrus schrijft, dat sommige dingen in de brieven van Paulus (die hij overigens erkent als een deel van de Schriften) moeilijk te begrijpen zijn (2 Petrus 3:16). Want dit maakte de mens helemaal los van de oude orde van zaken en plaatste hem op een totaal nieuwe grondslag.

Omdat hij Christus in de heerlijkheid gezien had, waren er twee dingen die hij wilde bezitten: de gerechtigheid van God in Christus; en de kennis van Christus. De gerechtigheid van God ging alles te boven waarop het vlees zich kon beroemen. In plaats van zijn gerechtigheid, de gerechtigheid van de mens volgens de wet, wenste hij de gerechtigheid die uit God was, die door het geloof in Christus was. De mens droeg niets bij tot deze gerechtigheid. Het is Gods gerechtigheid; en de mens heeft er deel aan door het geloof, namelijk door het geloof in Christus. De gelovige is in Christus voor God geplaatst door de gerechtigheid van God Zelf, die Hij geopenbaard heeft in de verheerlijking van Christus, toen Hij Deze in Zichzelf verheerlijkte (Johannes 13:32).

Wat een positie, waarin niet alleen de zonde van de mens, maar ook diens eigengerechtigheid, geen enkele plaats heeft! Alles van het eigen ik is daar buitengesloten. Het is een positie die in overeenstemming is met de volmaaktheid waarmee Christus, als Mens, God volkomen verheerlijkt heeft. Maar deze plaats is noodzakelijkerwijs de plaats van Hem die dit heerlijke werk volbracht heeft. En zo is Christus in Zijn Persoon en in Zijn huidige positie de uitdrukking van onze positie (natuurlijk niet wat betreft Zijn plaats aan Gods rechterhand — dat is een persoonlijke eer die alleen Zijn deel is). Als we Hém kennen, kennen we ook ónze positie. Gods gerechtigheid heeft Hem daar geplaatst. En daar te zijn, zoals Hij is, is dat wat deze gerechtigheid ons om niet in Christus geschonken heeft.

Als ik dus gezien heb dat Christus daar door Gods gerechtigheid geplaatst is, dan wens ik zelf ook te weten wat het is om daar te zijn. Bovenal wens ik Christus te kennen. Maar dat omvat werkelijk de kennis van heel Zijn Persoon, van alles wat Hij deed om deze gerechtigheid aan het licht te brengen. De heerlijkheid waarin Hij geplaatst is, openbaart de kracht en het resultaat van het werk waardoor Hij God verheerlijkt heeft op aarde. Als Mens heeft Hij God verheerlijkt; dat is de rechtvaardige grondslag voor Zijn verhoging. Hij is nu als Mens in de heerlijkheid van God geplaatst. En alles wat Christus was en openbaarde, Zijn Goddelijke liefde, Zijn volkomen toewijding aan de Vader, Zijn voortdurende en volmaakte gehoorzaamheid, Zijn verdragen van alle dingen om het getuigenis van de liefde van Zijn Vader ten opzichte van de mensen af te leggen, Zijn volmaakte geduld, Zijn onpeilbare lijden om de stroom van deze liefde voor zondaars toegankelijk te maken: alles wat verband houdt met Zijn Persoon maakt Hem tot een Voorwerp dat ons hart aantrekt, in beslag neemt, bevrijdt en versterkt. Zo is Hij het levende Voorwerp van onze kennis door de werking van de kracht van Zijn genade in het nieuwe leven, waardoor wij met Hem verenigd zijn door de onverbrekelijke band van de Geest, en zijn onze ogen uitsluitend op Hem gericht.

Daarom wenste Paulus ook het deel te hebben dat Christus hem kon geven, Zijn drinkbeker en Zijn doop, terwijl hij de beslissing over zijn plaats in het koninkrijk overliet aan de Vader – evenals de Heer dat deed (Mattheüs 20; Markus 10). Hij begeert niet zoals Jakobus en Johannes een plaats aan Zijn rechter- of linkerhand, dat wil zeggen een goede plaats voor hemzelf. Maar hij wenst Christus, hij wil Hém winnen. Hij volgt de Heer niet vol vrees op de weg van het lijden, zoals de discipelen. Hij wil het lijden ondergaan, niet ter wille van het lijden zelf maar om deel te hebben aan het lijden van Christus. Daarom gaat hij ook niet bedroefd weg zoals de rijke jongeling in Markus 10, omdat hij veel had wat van nut was voor het vlees. In plaats van vast te houden aan de wet teneinde zelf gerechtigheid te verwerven, deed hij afstand van die gerechtigheid die hij met de rijke jongeling gemeen had en beschouwde hij alles wat hij bezat als schade en drek.

Hier hebben we dus de praktische, persoonlijke ondervinding van de werking van dit grote beginsel, dat de apostel in andere brieven uiteenzet, dat we deelhebben aan een verheerlijkte Christus. En als hij over het resultaat ervan voor hemzelf spreekt, zien we dat zijn eigen opstanding analoog is aan die van Christus Zelf. Het is niet eenvoudig het deelhebben aan de heerlijkheid die geopenbaard zou worden (zoals Petrus het uitdrukt). Het is dat wat eraan voorafging. Juist omdat hij Christus in de heerlijkheid gezien had, wilde hij in de kracht van Zijn opstanding ook de weg gaan die eraan voorafging. En dat is de betekenis van de uitdrukking “op de een of andere wijze”. Hij wilde deelhebben aan de opstanding uit de doden, ook al zou hij daartoe (evenals Christus) de dood moeten ondergaan. Wat het ook mocht kosten, hoe pijnlijk de weg ook zou zijn (en de verschrikking van de dood stond hem toen voor ogen): hij wilde volledig deelhebben met Christus.

Nu is deze opstanding niet de opstanding van de doden, maar uit de doden (letterlijk: de uitopstanding uit de doden). Het is het opstaan van tussen de doden uit, door de gunst en de macht en de gerechtigheid van God. In de eerste plaats heeft dit natuurlijk op Christus Zelf betrekking, maar in Hem ook op ons. Door de gunst en de macht en de gerechtigheid van God staan wij, die eens dood in onze zonden waren en die ons nu voor de zonde dood houden, op uit de toestand waarin de mens als gevolg van de zonde gedompeld is. Christus is opgestaan en wij, die Hem volgen in Zijn vernedering op de plaats waar Hij ons gesteld heeft (tevreden zijn met de laagste plaats, als God ons die geeft, is dezelfde zelfverloochening als werken op de hoogste; het geheim van beide is dat Christus alles is en wijzelf niets), delen in Zijn opstanding. Wat een gunst en wat een vreugdevolle gedachte, die ons hart met liefde voor Christus vervult! Wat een blijde en heerlijke hoop, die ons in de verheerlijkte Heiland tegenstraalt! Wij verlaten het verblijf van de dood, want de dood kan ons (de voorwerpen van Gods gunst, omdat we Christus toebehoren) niet vasthouden. Het is een zaak van Gods heerlijkheid en van Zijn liefde. De opstanding van Christus is het voorbeeld en het model van onze opstanding; het beginsel en de zekerheid van onze opstanding vinden wij in Hem (Romeinen 8). En de weg daartoe wordt hier door de apostel geschetst (verzen 10-11).

Maar omdat zijn hoop gericht was op de opstanding en het gelijkvormig zijn aan Christus in de heerlijkheid, was het volkomen duidelijk dat hij het doel nog niet bereikt had. Als dat zijn volmaaktheid was, kon hij die volmaaktheid nu nog niet bereikt hebben. Hij was nog op weg daarheen (zoals we al vaker benadrukt hebben). Hij jaagde ernaar om de prijs te mogen grijpen, omdat hij door Christus ook daartoe gegrepen was. Nee broeders, herhaalt hij nog eens, ik acht van mijzelf niet dat ik al zover ben. Maar één ding kon hij tenminste wel zeggen: hij vergat alles wat achter hem lag en jaagde steeds naar het doel. Altijd was zijn oog daarop gericht, om de prijs te verwerven van de roeping van God die in de hemel is (verzen 12-14).

Wat een gelukkige christen was hij! Het is heel wat om het doel nooit uit het oog te verliezen, om nooit een verdeeld hart te hebben en slechts aan één ding te denken, om altijd te denken en te handelen overeenkomstig de kracht die de Heilige Geest in de nieuwe mens werkt en die ons voortleidt naar dit éne, hemelse doel! Bij het vergeten van wat achter is, moeten we niet zozeer denken aan het vergeten van zonden. De apostel vergat de vorderingen die hij gemaakt had, zijn voorrechten, alles wat achter hem lag. En dat was niet alleen maar de kracht die hem aan het begin van zijn loopbaan bezielde, want hij achtte nog steeds alles schade en drek ter wille van de kennis van Christus op Wie hij zijn oog gericht hield.

Dat is waarachtig christelijk leven. Wat een droevig moment zou het geweest zijn, als Rebekka Izaäk vergeten was tijdens haar woestijnreis en weer naar Bethuël en naar haar ouderlijk huis was gaan verlangen! Wat voor waarde had het dan nog gehad om met Eliëzer door de woestijn te trekken? Dat dit het ware leven en de ware positie van de christen op aarde is, zien we ook in het voorbeeld van het volk Israël. Hoewel het in Egypte al van het oordeel verlost was door het bloed van het paaslam, was het pas op de juiste plaats toen het de overkant van de Rode Zee bereikt had en als een verlost volk op weg ging naar het beloofde land. Zo zijn wij, die God toebehoren, op weg naar de hemelse heerlijkheid.

De christen is geestelijk niet op de juiste plaats, niet “volmaakt” of volwassen in Christus, zolang hij deze nieuwe positie die gegrond is op de opstanding van Christus niet begrepen heeft. Maar als hij zover gekomen is, moet dat niet leiden tot minachting voor anderen. Als deze gelovigen anders gezind waren, zou God hun de volheid van Zijn waarheid alsnog openbaren. Maar zij moesten allen eensgezind verder wandelen in de dingen waartoe zij gekomen waren (verzen 15, 16).

Als het oog eenvoudig was, zouden zij zo wandelen. Er waren echter velen bij wie dat niet het geval was. Maar de gelovigen hadden de apostel tot voorbeeld. Het was heel wat om dat te zeggen. Voordat Christus gestorven was, kon de bijzondere kracht van het opstandingsleven nog niet in deze zin geopenbaard worden. Bovendien wandelde Christus op aarde in het bewustzijn van dat wat Hij bij de Vader was voordat de wereld bestond, zodat Zijn leven een heel speciaal karakter droeg. Hoewel er bij Hem ook volharding was ter wille van de vreugde die vóór Hem lag, hoewel Hij als de hemelse Mens het volmaakte Voorbeeld was, was er bij Hem toch een rust en gemeenschap die een apart karakter had (hoewel die voor ons ook leerrijk is, want de Vader heeft ons lief met dezelfde liefde waarmee Hij Christus liefhad, en ook Jezus heeft ons lief zoals de Vader Hem liefhad). Bij Hem was het niet de kracht van iemand die de wedloop moest lopen om in het bezit te komen van dat wat nog niet zijn eigendom was. Hij sprak wat Hij wist en Hij getuigde wat Hij gezien had. Ondanks het feit dat Hij uit liefde voor ons uit de hemel was neergedaald, was Hij de Zoon des mensen die in de hemel was (Johannes 3:11-13).

Johannes gaat dieper in op dit karakter van Christus en daarom schrijft hij in 1 Johannes ook meer over wat Hij is in Zijn natuur en in Zijn karakter, dan over wat wij bij Hem in de heerlijkheid zullen zijn. Petrus bouwt op dezelfde grondslag als de overige apostelen, maar evenals Paulus wacht hij ook op dat wat geopenbaard zal worden. Het doel van zijn pelgrimsreis is de hemel, om een schat te verwerven die daar bewaard wordt, die in de laatste tijd geopenbaard zal worden (1 Petrus 1:4-5). Maar zijn verwachting houdt meer verband met dat wat in het Oude Testament al geopenbaard was. Vanuit zijn gezichtspunt verschijnt de morgenster, die de verwachting van Paulus beheerste, alleen aan de verre horizon. Voor zijn praktische leven gold als maatstaf het leven van Jezus onder de joden. Hij kon niet zoals Paulus zeggen: “Weest samen mijn navolgers” (vers 17). De uitwerking van de openbaring van de hemelse heerlijkheid van Christus tussen Zijn heengaan en Zijn verschijning, en van het feit van de eenmaking van alle gelovigen met Hem in de hemel, werd alleen ten volle gezien in Paulus die deze openbaring ontving. Door genade was hij trouw aan deze openbaring en had hij geen ander voorwerp dat zijn schreden leidde of zijn hart in beslag nam. Daarom kon hij zichzelf ten voorbeeld stellen voor de gelovigen. Hij was zelf een ware navolger van Christus, maar zijn leven had een bijzonder karakter vanwege de wijze waarop God hem geroepen had. En de gelovigen die deze openbaring bezitten, zouden evenzo moeten wandelen. In overeenstemming hiermee spreekt Paulus dan ook over het bijzondere rentmeesterschap dat hem is toevertrouwd.

Het navolgen van de apostel moest de ogen van de gelovigen natuurlijk niet van Christus Zelf aftrekken. Paulus dringt er juist op aan, dat ze het oog voortdurend op Hem gericht zouden houden. Dat was het kenmerk van zijn eigen leven en daarin stelt hij zichzelf dan ook ten voorbeeld voor anderen. Maar dit zien op Jezus droeg een speciaal karakter. Want hierbij ging het niet om het kennen van Christus in Zijn leven op aarde, maar om het kennen van de verheerlijkte Heer in de hemel. Zo had hij de Heer gezien en dat was het doel waarnaar hij voortdurend jaagde en dat het karakter van zijn leven bepaalde. En diezelfde heerlijkheid vormde ook de basis van zijn onderwijs: ze was het bewijs van de invoering van Gods gerechtigheid en van de hemelse positie van de gemeente. Daarom kon hij zeggen: “Weest samen mijn navolgers”. Zijn blik was altijd gericht op de hemelse Christus, wiens heerlijkheid hem omstraald had en die hij nog steeds in het geloof aanschouwde.

Zo moesten de Filippiërs samen hun wandel voortzetten en letten op hen die het voorbeeld van de apostel navolgden. Want het was duidelijk een tijd waarin de gemeente in haar geheel ver van haar eerste liefde en van haar normale toestand was afgeweken, en er waren velen die wandelden als vijanden van het kruis van Christus. Hoewel zij de Naam van Christus beleden en vroeger een hoopvolle indruk maakten, moet de apostel nu onder tranen over hen spreken als vijanden van het kruis van Christus. Want het kruis in ons leven op aarde gaat samen met de hemelse heerlijkheid daarboven. Het gaat hier niet om de toestand van de gemeente te Filippi, maar om de algemene toestand van de hele gemeente op aarde. Velen noemden zichzelf christenen, maar ze verbonden de grote Naam van Christus met een leven dat de aarde en de dingen van de aarde ten doel had. Deze aardsgezinde christenen kon de apostel niet erkennen (verzen 18-19).

Het onderwerp is hier niet de noodzaak van tucht in een bepaalde plaats, maar de algemene toestand die het christendom kenmerkte. Velen wandelden als vijanden van het kruis van Christus, en in het vorige hoofdstuk moest de apostel zelfs vaststellen dat allen hun eigen belang zochten. De toestand van het geheel was dus slecht en men had maar weinig besef van de verheerlijkte Christus. Zodoende konden velen die helemaal geen leven hadden te midden van de gelovigen wandelen, zonder zelfs maar opgemerkt te worden door hen die zelf zo weinig leven hadden en die zelf nauwelijks beter wandelden. Want het blijkt uit dit gedeelte niet, dat zij die aardse dingen bedachten enig kwaad bedreven dat openbare tucht noodzakelijk maakte. De algemene slechte toestand onder de ware christenen gaf de anderen gelegenheid om met hen te wandelen, en door hun aanwezigheid werd het peil van de praktische godsvrucht nog meer verlaagd.

Maar deze stand van zaken werd wel opgemerkt door het geestelijk oog van de apostel, die zijn oog steeds op de heerlijkheid gericht hield. Hij zag scherp en duidelijk wat daarmee niet in overeenstemming was; hij onderscheidde alles wat niet deze heerlijkheid als uitgangspunt had. En de Geest van God zegt ons hier in de meest ernstige bewoordingen wat Gods gedachten over deze toestand zijn. Ongetwijfeld is deze situatie sinds die tijd nog enorm verslechterd en hebben de beginselen van het kwaad zich in veel grotere en sterkere mate ontwikkeld, maar de morele gedragslijn die de gemeente moet volgen blijft dezelfde. Het is nog steeds hetzelfde kwaad dat moet worden vermeden, en eveneens hetzelfde doeltreffende middel dat daartoe de kracht schenkt. Wij hebben hetzelfde heerlijke voorbeeld om na te volgen en dezelfde hemelse Heiland als het heerlijke Voorwerp voor ons geloof, als we een waarachtig christelijk leven willen leiden.

Wat deze belijders kenmerkte, was dat hun hart uitging naar aardse dingen. De praktische kracht van het kruis werd dus niet gezien en zij handelden als vijanden daarvan. Daarom was hun einde het verderf. Maar met de ware christen was het totaal anders gesteld: zijn burgerschap was in de hemel en niet op aarde. De sfeer van zijn geestelijk leven was daar; hij was verbonden met de dingen van de hemel. En daaruit verwachtte hij ook de Heer Jezus Christus als Heiland, namelijk om hem te verlossen van de aarde, van dit aardse systeem ver van God hier beneden. Want het heil, de behoudenis, wordt in deze brief altijd gezien als het eindresultaat van de strijd – het resultaat dat te danken is aan de almacht van de Heer. Pas als Hij komt om de gemeente tot Zich te nemen, zullen de Zijnen waarlijk hemels zijn, gelijkvormig aan Hem in Zijn hemelse heerlijkheid (een gelijkvormigheid die steeds het doel van hun wedloop is). Vergelijk ook 1 Johannes 3:2. Christus zal deze definitieve verlossing bewerken door het lichaam van onze vernedering te veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van Zijn heerlijkheid, overeenkomstig de werking van de macht, waarmee Hij in staat is ook alle dingen aan Zich te onderwerpen. Dan zullen de apostel en alle gelovigen het einddoel bereikt hebben, de opstanding van tussen de doden uit (verzen 20-21).

De strekking van dit hoofdstuk is dus: Christus in de heerlijkheid als de bron van kracht voor het leven van de christen. We zien Hem in de heerlijkheid en wensen Hem te winnen, en daardoor achten we al het andere schade en drek. Hoofdstuk 2 stelt ons Christus voor in Zijn vernedering: zo is Hij de drijfveer voor de ware christelijke gezindheid van zelfopoffering. Wij zijn maar al te vaak geneigd om deze twee zijden van het christelijk leven tegen elkaar uit te spelen, of in elk geval het ene na te jagen en het andere te vergeten. In het leven van Paulus werden beide aspecten op bijzondere wijze verwerkelijkt. In het volgende hoofdstuk zien we, hoe de christen boven de omstandigheden verheven is. Dat is ook de ervaring en de geestelijke toestand van Paulus, want we vinden hier steeds zijn persoonlijke ervaring. Menselijk gesproken is deze ervaring zonder gebreken. Toch is het nog niet de volmaaktheid zelf, want de enige maatstaf daarvan is gelijkvormigheid aan Christus in de heerlijkheid.

Velen hebben zich afgevraagd of de bedoeling van dit derde hoofdstuk nu een geestelijke gelijkvormigheid aan Christus hier beneden is, of een volledige gelijkvormigheid aan Hem in de heerlijkheid. Maar dan verliest men in feite uit het oog, wat de apostel wil zeggen. Namelijk dat het zien en het verlangen naar de hemelse heerlijkheid, de wens om Christus Zelf in de heerlijkheid te bezitten, juist bepaalt hoe de toestand van ons hart hier beneden zal zijn. De christen heeft voor zichzelf geen doel op aarde waarnaar hij zich uitstrekt, want Christus is daarboven. We kunnen het hart niet losmaken van het Voorwerp in de hemel, dat het naar Zijn eigen beeld verandert. Maar hoewel we het doel hier beneden nooit bereiken, omdat het een verheerlijkte Christus is en de opstanding uit de doden, maakt het jagen daarnaar ons steeds meer aan Hem gelijk. Het Voorwerp in de heerlijkheid vormt het leven dat ermee in overeenstemming is hier beneden. Als ik een licht zie aan het eind van een lange, rechte laan, dan ben ik pas in het bezit van het licht zelf als ik het eind bereikt heb. Maar ik heb steeds meer licht naarmate ik er dichter bij kom. Ik zie het beter, ik kom zelf meer in het licht. Zo is het ook met het leven van de christen, dat de verheerlijkte Christus als einddoel heeft (vergelijk 2 Korinthe 3).

Hoofdstuk 4

De Filippiërs moesten daarom vaststaan in de Heer. Dat is moeilijk als de algemene geestelijke toestand slecht is. Het is ook pijnlijk, want we zullen dan vaak alleen de weg moeten gaan en anderen zullen enghartig worden. Maar de Geest van God heeft ons heel duidelijk het voorbeeld, de grondslag, het karakter en de kracht van zo’n weg getoond. Als het oog op Christus gericht is, is alles eenvoudig. Gemeenschap met Hem geeft licht en zekerheid, en dat weegt beslist op tegen alles wat we misschien verliezen.

Niettemin sprak de apostel in het vorige hoofdstuk onder tranen over hen die anders wandelden. Dat deed hij niet toen hij aan het begin van dat hoofdstuk over de Judaïstische dwaalleraars sprak, die de bronnen van het leven verontreinigden en de weg van gemeenschap met God versperden. Degenen waarover hij al wenende sprak hadden dit leven van gemeenschap verloren, of nooit meer dan de schijn ervan bezeten.

Ik denk dat Paulus deze brief heeft meegegeven aan Epafroditus, aan wie hij hem waarschijnlijk ook gedicteerd heeft (zoals hij dat met al zijn brieven deed, behalve de Galatenbrief, die hij met zijn eigen hand schreef). Als hij dus in vers 3 zijn trouwe metgezel, of “jukgenoot”, aanspreekt, dan bedoelt hij daarmee waarschijnlijk Epafroditus.

In vers 2 zien we dat hij ook aandacht schenkt aan twee zusters, die niet eensgezind waren in de strijd tegen de vijand. Hij wenste dat werkelijk allen één van hart en ziel zouden zijn. En hij verzoekt Epafróditus (aangenomen dat hij bedoeld wordt), om als dienstknecht van de Heer deze trouwe zusters behulpzaam te zijn. Uit het verband kunnen we waarschijnlijk opmaken, dat zij met Paulus samengewerkt hadden ter verbreiding van het evangelie en dat zij tot de groep van zijn medearbeiders behoorden.

De mate van activiteit van deze zusters, Euódia en Syntyché, was kennelijk niet in overeenstemming geweest met de hoogte van hun geestelijk leven. Daardoor was hun eigenwil werkzaam geweest en hadden ze onenigheid gekregen. Toch werden ze niet vergeten, evenmin als Clemens en de overige medearbeiders van de apostel, van wie de namen in het boek van het leven stonden. Want liefde voor de Heer heeft een open oog voor alles wat Zijn genade bewerkt, en ieder van de Zijnen heeft een plaats in die genade.

In vers 4 hervat de apostel de praktische vermaningen die hij richt tot de getrouwen, met het oog op hun dagelijks leven, opdat zij in overeenstemming met hun hemelse roeping zouden wandelen: “Verblijdt u altijd in [de] Heer”. De droefheid die hij had ten aanzien van velen die zich christenen noemden, kon zijn blijdschap in de Heer niet tenietdoen. Hij kon zich altijd in de Heer verblijden, ook al moest hij wenen over velen die als vijanden van het kruis van Christus wandelden. Hij was niet onverschillig voor leed; anders zou hij niet geweend hebben. Maar in de Heer vond hij een Bron van voortdurende vreugde, die hem verkwikking schonk te midden van het leed. Naarmate Hij alleen onze vreugdebron is, zal onze blijdschap bestendiger en zuiverder zijn. Het is de enige bron die volkomen zuiver is in zichzelf, en als we alleen daaruit putten zal onze liefde voor anderen ook zuiver zijn. Als we hen buiten Hem liefhebben, zal dat onze gemeenschap met Hem belemmeren. Maar als ons hart geoefend is en niet meer put uit andere bronnen, dan blijft Zijn blijdschap in al haar zuiverheid over en zal onze zorg voor anderen ook door diezelfde zuiverheid gekenmerkt worden. Bovendien kan deze blijdschap door niets verstoord worden, omdat Christus nooit verandert. Hoe meer we Hem kennen, des te meer zullen we ook het genot van deze blijdschap kennen. Ze zal zich steeds verdiepen, naarmate we Hem beter kennen.

De apostel vermaant de gelovigen dus om zich te verblijden in de Heer. Dat is ons ware deel. Het bewijst ook hoeveel waarde de Persoon van Christus voor hemzelf had. Want hoewel hij vier jaar had doorgebracht in de gevangenis, geketend aan een soldaat, kon hij zich toch in de Heer verblijden en anderen, die het niet zo moeilijk hadden als hij, zelfs vermanen om dat ook te doen. Maar dit zal ook tot gevolg hebben dat we zachtmoedig en inschikkelijk zijn. Als we ons in de Heer verblijden, is er geen plaats voor andere dingen die we zouden begeren. Bovendien is Hij nabij. Nog een korte tijd en dan zal alles wat de mensen najagen plaatsmaken voor de tegenwoordigheid van Hem, die nu al onze wil beteugelt (of beter: terzijdestelt) en ons hart vervult. De gedachte aan Zijn komst bewaart ons ervoor, dat we door de dingen hier beneden verontrust zouden worden. Als Hij komt zullen andere dingen ons volledig in beslag nemen (vers 5).

Maar niet alleen onze wil en onze begeerten moeten beteugeld en tot zwijgen gebracht worden, we moeten ook leren om al onze zorgen over te geven. We zijn in verbinding met God gebracht en Hij is in alle dingen onze Toevlucht. Hij wordt niet in verwarring gebracht door wat er gebeurt. Hij weet vanaf het begin wat het eind zal zijn. Hij weet alle dingen en Hij weet ze van tevoren. De gebeurtenissen kunnen Zijn troon niet aan het wankelen brengen; ze volvoeren altijd Zijn plannen. Maar door genade zijn wij de voorwerpen van Zijn tedere liefde en zorg. Hij hoort ons en neigt Zijn oor tot onze smeking. Daarom hoeven we niet ongerust te zijn of ons innerlijk onder alles bezwaard te voelen, maar mogen we al onze wensen door gebed en smeking bij God bekend maken. We maken bekend wat er in ons hart leeft (want wij zijn zwakke menselijke wezens), maar we doen het in het besef van wat er in het hart van God voor ons leeft (want Hij heeft ons volmaakt lief). Daarom kunnen we Hem al dankzeggen als we onze gebeden tot Hem richten, omdat we zeker weten dat Hij ons in Zijn genade zal antwoorden (hoe dat antwoord ook mag zijn). Dit is geen koel gebod om eerst de wil van God te leren kennen en dan tot Hem te gaan. Nee, we mogen eenvoudig al onze vragen aan Hem voorleggen en met al onze wensen tot Hem gaan (vers 6).

Daarom volgt er ook niet dat we ontvangen wat we vragen, maar dat de vrede van God onze harten bewaren zal. We stellen ons vertrouwen op Hem en Zijn vrede, de vrede van God Zelf, zal onze harten dan bewaren. Het staat er niet omgekeerd, dat ónze harten de vrede van God zullen bewaren. Nee, Zijn vrede bewaart onze harten, als we al onze zorgen geworpen hebben op Hem Wiens vrede door niets verstoord kan worden. Hij kent onze zorgen en als we ons hart voor Hem uitstorten vervult Zijn vrede ons ontlast gemoed. We weten dat Hij een God van liefde is, die alle dingen in Zijn hand heeft en alles van tevoren weet. Zijn voortdurende vrede schenkt ons de rust die in Hemzelf woont en die al ons verstand te boven gaat, zoals Hij Zelf immers ook boven alle omstandigheden staat en boven het zwakke menselijke hart dat erdoor verontrust wordt. Wat een genade dat zelfs onze zorgen er op deze wijze toe dienen, om ons met deze wonderbare vrede te vervullen! Maar daartoe is nodig dat we ermee tot God gaan en geloven in Zijn trouw. Laat deze gemeenschap met God meer ons deel zijn, zodat we dichter bij Hem leven en Zijn wegen met de Zijnen beter begrijpen (vers 7).

Bovendien moet de christen zich bezighouden met alles wat goed en liefelijk is, ook al wandelt hij te midden van moeite en zorgen. Als de vrede van God in zijn hart woont, is hij daartoe ook in staat. Hij kan dan in de atmosfeer van het goede leven, zodat dat zijn hart vervult en hij voortdurend in Gods nabijheid verkeert. Dit is een heel belangrijk voorschrift. Het kan juist zijn om met het kwaad bezig te zijn, teneinde het te bestrijden en te veroordelen. Maar dat is geen gemeenschap met God in al wat goed is. Als we ons door Zijn genade echter met het goede bezighouden, met dat wat van Hemzelf komt, dan zal de God van de vrede met ons zijn. In moeite en zorg ondervinden we de vrede van God. Maar als ons leven het kenmerk draagt van al wat goed is, dan zal de God van de vrede met ons zijn. Het leven van Paulus was het praktische voorbeeld daarvan. Daarom kon hij de Filippiërs ook vermanen om hem na te volgen in hun wandel en te doen wat ze geleerd en ontvangen en in hem gezien hadden. Dan zouden ze ervaren, dat God met hen zou zijn (verzen 8-9).

Maar hoewel dit de ervaring van de apostel was, was hij toch erg blij dat hun liefdevolle zorg voor hem weer gebleken was. Inderdaad was God zijn Toevlucht, maar het hernieuwde bewijs van de liefde van de Filippiërs was een grote vreugde voor hem in de Heer. Kennelijk had hij gebrek geleden; maar dat had hem ertoe gebracht zijn vertrouwen nog meer op God te stellen. We kunnen dit gemakkelijk opmaken uit zijn woorden. Maar hij voegt er heel fijngevoelig aan toe, dat hij met zijn uitspraak dat ze eindelijk weer opgewekt waren om aan hem te denken, niet wilde zeggen dat ze hem vergeten waren. Ze hadden wel aan hem gedacht, maar ze hadden geen gelegenheid gehad om uitdrukking te geven aan hun liefde. Hij zei dit ook niet, omdat hij gebrek leed. Hij had geleerd (want het gaat hier om praktische ervaring en het heerlijke resultaat daarvan) onder alle omstandigheden tevreden te zijn en zodoende van niemand afhankelijk te zijn. Hij wist vernederd te worden, hij wist ook overvloed te hebben. Hij was in elk opzicht en in alles ingewijd, zowel in verzadigd zijn als in honger lijden, zowel in het hebben van overvloed als in het lijden van gebrek. Hij vermocht alles door Hem die hem kracht gaf (verzen 10-13).

Wat een fijne en kostelijke ervaring is dat! Niet alleen omdat we daardoor opgewassen zijn tegen alle omstandigheden (wat van grote waarde is), maar omdat we de Heer dan voortdurend kennen als onze trouwe en machtige Vriend. De apostel zegt niet: “Ik vermag alles”, maar: “Ik vermag alles door Hem Die mij kracht geeft”. Deze kracht is het gevolg van een voortdurende relatie met Christus, een voortdurende gemeenschap met Hem. Hij zegt ook niet als een algemene waarheid: “Men vermag alles …” Dat is waar, maar Paulus had het zelf in de praktijk ervaren. Hij wist voor zichzelf op Wie hij kon rekenen. Christus was altijd trouw geweest en had hem door zoveel moeilijkheden en door zoveel tijden van voorspoed heengevoerd, dat hij geleerd had op Hem en niet op de omstandigheden te vertrouwen. Christus bleef steeds Dezelfde.

Toch hadden de Filippiërs er goed aan gedaan deel te nemen aan zijn verdrukking; het werd niet vergeten. Vanaf het begin had God hun deze genade verleend, en zelfs toen hij niet meer bij hen was hadden zij in zijn behoeften voorzien. De apostel herinnerde het zich vol liefde. Niet dat het hem om de gave te doen was, maar om de vrucht, die op hun eigen rekening kwam. “Maar ik heb alles”, zegt hij, als hij terugdenkt aan het eenvoudige bewijs van hun liefde. Hij had overvloed, nu hij van Epafroditus ontvangen had wat zij gezonden hadden: een welriekende reuk, een aangenaam, aan God welbehaaglijk offer (verzen 14-18).

Zijn hart vertrouwde volkomen op God. De verzekering die hij de Filippiërs geeft, getuigt daarvan: “Maar mijn God zal in al uw behoefte voorzien”. Dat gaat verder dan een wens, het is een zekerheid. Hij wist uit eigen ervaring dat God het zou doen, en daarom noemt hij Hem “mijn God”. Zijn God, die hij persoonlijk had leren kennen in alle omstandigheden die hij had meegemaakt, zou in elk opzicht voor hen zorgen. En hier komt hij weer terug op het karakter waarin hij Hem had leren kennen, namelijk in Zijn heerlijkheid in het aangezicht van Jezus Christus. God zou voorzien “naar Zijn rijkdom in heerlijkheid in Christus Jezus”. Zo had Paulus Hem aan het begin van zijn loopbaan leren kennen in de verheerlijkte Heer; en als zodanig had hij Hem gekend op heel zijn weg, zo vol van beproeving maar ook van hemelse vreugde. Hetzelfde gold echter ook voor de Filippiërs. Daarom besluit hij met de woorden: “Onze God en Vader nu zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid! Amen”. In deze verzen past hij zijn eigen ervaring van de kennis van God en van de trouw van Christus dus toe op de Filippiërs. Dat bevredigde zijn liefde en gaf hem rust ten aanzien van hen. Maar het is ook voor ons een troost als we denken aan de gemeente van God (verzen 19-20).

De apostel brengt dan nog de groeten over van de broeders die bij hem waren en van alle heiligen, in het bijzonder zij die tot het huis van de keizer behoorden. Want zelfs daar had God sommigen gevonden, die naar Zijn stem vol liefde geluisterd hadden. Tenslotte eindigt hij met een eigenhandig geschreven groet, een teken in al zijn brieven dat ze werkelijk van hem afkomstig waren (verzen 21-23).

De huidige toestand van verval van de gemeente, waarin Gods kinderen opnieuw verstrooid zijn en vaak als schapen zonder herder zijn, is van geheel andere aard dan die waarin de apostel zich destijds bevond. Maar dat verhoogt alleen maar de waarde van zijn ervaringen die God ons heeft willen meedelen. Het is de ervaring van een hart dat alleen op God vertrouwde en dat die ervaring ook toepaste op de toestand van hen die verstoken waren van de natuurlijke hulpbronnen die het deel waren van het geordende lichaam, het lichaam van Christus zoals God het op aarde gevormd had.

In het algemeen kunnen we zeggen dat deze brief ons toont wat ware christelijke ervaring is, namelijk een wandel in de Geest waardoor we verheven zijn boven alles wat we moeten doormaken. Het is opmerkelijk dat de zonde hier niet genoemd wordt, noch het vlees (behalve eenmaal in hoofdstuk 3, om te zeggen dat we er niet op vertrouwen). De apostel had toen zelf een doorn in het vlees; maar de eigenlijke ervaring van de christen is een wandel in de Geest, boven en buiten het bereik van alles wat het vlees tot activiteit kan brengen.

Hoofdstuk 2 toont ons de zelfontlediging en vernedering van Christus, als uitgangspunt voor de zelfopoffering van het christelijk leven en het rekening houden met de belangen van anderen. Hoofdstuk 3 vestigt de blik van de christen op de heerlijkheid en toont de kracht van het christelijk leven, terwijl het laatste hoofdstuk ons voorstelt hoe heerlijk het is boven alle omstandigheden verheven te zijn.

EINDE BRIEF AAN FILIPPI

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 7.5

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten

1 Eerst had ik vers 14 zo opgevat, dat Paulus’ gevangenschap een stimulans was geweest voor het geloof van anderen die niet actief waren toen hij zijn dienst nog openlijk uitoefende. Dat is de betekenis van deze woorden in de meeste vertalingen, en het is ook een juist beginsel. Maar het schijnt dat de bedoeling eerder is, dat “het merendeel van de broeders vertrouwen heeft gekregen ten aanzien van mijn gevangenschap”. Ze liepen gevaar zich voor hem te schamen, alsof hij een boosdoener was.

2 Dit is een heerlijk bewijs van geloof. Maar dan moet het werk wel iemands leven zijn. “Te leven is voor mij Christus”, zei de apostel. Als het werk voortgang had, ging het hem ook goed. Als Christus verheerlijkt werd, was hij gelukkig, ook al had de Heer hem terzijde gesteld.