12. 1 Koningen

12. 1 Koningen · uit de ‘Synopsis’ deel 2 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

De boeken Koningen tonen ons de koninklijke macht, die in al zijn heerlijkheid gevestigd is; vervolgens zijn val, en het getuigenis van God te midden van het verval. Ze geven ons, nadat Israël verworpen is, nog verschillende bijzonderheden te zien, die Juda betreffen, totdat het “Lo-Ammi” over het hele volk wordt uitgesproken. In het kort gezegd: Het is de proef van het koningschap in de handen van mensen. Het is hier geen onbeperkte macht, zoals bij Nebukadnezar, maar een koninklijke macht met de wet als richtsnoer, evenals het volk in zijn betrekking met God beproefd werd door het priesterschap. Maar zonder Christus kan niets stand houden.
Hoewel de koninklijke macht gevestigd was onder voorwaarde van gehoorzaamheid en trouw aan Jahweh, en hoewel bestraffing het gevolg zou zijn als zij faalde, was ze hier toch gevestigd door de raad en de wil van God. Het is hier niet een David (een type van Christus in zijn geduld), die door moeilijkheden, hindernissen en lijden zich een weg tot de troon baant. En evenmin een koning die, op de troon verhoogd en steeds overwinnend, een man van strijd blijft tot het einde van zijn leven. Dit laatste is zonder twijfel een type van wat Christus in het midden van de Joden zal zijn bij Zijn wederkomst, als Hij de toekomende eeuw zal beginnen met de heidenen aan Zich te onderwerpen, terwijl Hij al bevrijd is van de “twisten zijns volks” (Psalm 18:44-45). Maar hier zien we de koning naar de beloften en raadsbesluiten van God, die, in vrede gevestigd en als hoofd van Gods volk, hen in gerechtigheid zal regeren. De zoon van David volgens de belofte, en een type van de ware Zoon van David, die priester op zijn troon zal zijn, die de tempel van Jahweh zal bouwen, en tussen wie en Jahweh de raad van de vrede zal zijn (Zacharia 6:13).

Laten we een ogenblik overdenken wat de positie van deze koninklijke macht volgens het woord van God was. We zien hier allereerst de verantwoordelijkheid en de verkiezing en ten tweede kunnen we de koninklijke macht bezien als een voorafschaduwing van het koningschap van Christus.
In 2 Samuel 7 hebben we de belofte gezien van een zoon, die God David zou verwekken, en die na hem zou regeren. God zou hem een vader, en hij zou Hem een zoon zijn. Hij zou de tempel van Jahweh bouwen, en God zou de stoel van zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid. Dit was de belofte. Zoals David zelf wel verstond, zou die belofte pas ten volle vervuld worden in de persoon van Christus (1 Kronieken 17:17). In 2 Samuel 7:14 zien we tevens de verantwoordelijkheid. “Als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok als van mensen en met slagen als van mensenkinderen”. David heeft deze verantwoordelijkheid heel goed begrepen (1 Kronieken 28:4-9).
Het boek, dat we nu bestuderen, laat ons zien dat deze verantwoordelijkheid ten volle aan Salomo werd bekendgemaakt. (1 Koningen 9:4-9).

Psalm 89 laat ons ook deze twee dingen duidelijk zien:

  1. de zekerheid van Gods raadsbesluiten, Zijn eeuwig voornemen;
  2. de uitoefening van Zijn regering met het oog op de verantwoordelijkheid van de mens.

In de Kronieken hebben we alleen wat betrekking heeft op de beloften. (1 Kronieken 17:11-14). Waarom dit zo is, zullen we bespreken als we die boeken overdenken.
In al deze passages merken we op dat het koningschap van het huis van David gevestigd was naar de raadsbesluiten van God en naar de verkiezing van de genade. We zien dat de duur van dit koningschap afhankelijk was van de trouw van God en uiteindelijk dus onfeilbaar was, maar dat tegelijk het huis van David in de persoon van Salomo, onder voorwaarde van gehoorzaamheid en trouw aan Jahweh, op de troon geplaatst is.

Als de koning of zijn nageslacht ontrouw zou worden, had dit het oordeel van God tot gevolg. Maar de vervulling van de beloften die God in genade aan David gedaan had, zou daardoor toch niet worden verhinderd 1.

De boeken Koningen bevatten dus de geschiedenis van het koningschap onder de verantwoordelijkheid waarvan we spraken en tevens de geschiedenis van de val van dat koningschap. We zien ook in deze boeken de lankmoedigheid van God, en Zijn getuigenis te midden van het verval, dat voortvloeide uit de ontrouw van de eerste koning. En ten slotte de uitvoering van het oordeel. Want een langer uitstellen van dat oordeel zou alleen een onware voorstelling van Gods wezen en van het getuigenis daarvan hebben gegeven. Een langer uitstel zou een vals getuigenis geweest zijn van wat God in Zichzelf is.
We zullen zien, dat na de regering van Salomo het grootste gedeelte van het verhaalde verwijst naar het getuigenis, dat door de profeten Elia en Elisa in het midden van Israël werd gegeven, en in het algemeen tot dat koningschap gericht werd dat zich geheel van God had verwijderd. Vóór de totale afval van Israël wordt er weinig over Juda gezegd. Na de val van Israël liet ook de val van Juda niet lang meer op zich wachten, hoewel er tijden waren van herstel.

Hoofdstuk 1-2

Nog voor het sterven van David maken de ongerechtigheid en ongebreidelde eerzucht van een zoon, “die hij al zijn dagen niet had bedroefd”, aanspraak op de troon. Dit was de aanleiding ertoe, dat Salomo in het openbaar tot koning werd uitgeroepen. God had de troon voor hem bestemd en David had hem die beloofd. In deze omstandigheden toonde Joab, die lang door het beleid van David in toom was gehouden, zich in zijn ware gedaante. Hij maakte zichzelf onmisbaar voor Adonia, evenals hij dat voor David was geweest. Abjathar, die al lang onder het oordeel van God stond, koos dezelfde weg. Salomo, de uitverkorene van God, die zijn rechten van God wilde ontvangen, stond hen niet aan. Maar het menselijk beleid mislukte door de aanwezigheid van het oordeel van God. God schikte de omstandigheden zo dat vroeg of laat het menselijk beleid in het ware licht werd gesteld. Ogenschijnlijk ging alles goed. De oudere en geliefde zoon van de koning, de krijgsoverste, tegen wie zelfs David niet was opgewassen, en de priester, die David altijd vergezeld had, waren daar aanwezig. Ook de zonen van de koning behalve Gods uitverkorene. En evenmin waren de metgezellen van David aanwezig, die met hem zo trouw tot heerlijkheid van God hadden gediend. Want er was bij hen geen plaats voor de gedachten en de wil van God.
De profeet, die het getuigenis is van de wil van God, wordt door God gebruikt om deze wil te voltooien, en Salomo wordt tot koning uitgeroepen en voor de ogen van David ingehuldigd. Al bezat het geloof van David niet genoeg kracht om allen hun juiste plaats in het oordeel te geven, hij had toch een goed begrip van wat passend was. Hij deelde zijn oordeel mee aan Salomo, die het overeenkomstig zijn woord moest uitvoeren 2.

Salomo was eerst barmhartig tegenover Adonia, maar de steeds rusteloze wil van de laatste, die de vrouw van de overleden koning begeerde, deed het rechtvaardig oordeel, dat bestemd was voor hen, die in hun onkreukbaarheid faalden en tegen de gezalfde van God waren opgestaan, ontwaken. Dit is de eerste karaktertrek die naar voren treedt bij de koning, die in heerlijkheid regeert. Hij voert een rechtvaardig oordeel uit op aarde. Aan dit waakzaam oordeel is niet te ontkomen. Dit wordt gezien in het geval van Simeï.

We zien tegelijk de vervulling van de woorden die door Samuel gesproken waren, namelijk de vernedering van de priester. Salomo, de gezalfde van Jahweh, zendt Abjathar weg en stelt Zadok aan in zijn plaats.

Hoofdstuk 3

Maar er is in de geschiedenis van de koning van de heerlijkheid nog een ander beginsel waarin hij de grenzen overschrijdt van de wettige positie van de koningen van Israël. Hij verbindt zich met de heidenen, en trouwt met de dochter van Farao. Noch het huis van Salomo, noch het huis van Jahweh waren gebouwd, maar de dochter van Farao, door genade met de koning verbonden, woont al in de plaats waar de lijdende en triomferende koning de ark van het verbond, die de zegen aan het volk verzekerde, en die, in de tempel geplaatst, de bron van zegen voor het volk zal zijn, voorlopig had geplaatst. Deze ark was geen verbond, dat met de dochter van Farao gemaakt was; maar die dochter woonde daar, waar het symbool van het verbond verborgen was, en zij was gesteld onder de veilige hoede en bescherming van Hem die dat verbond maakte. Hij kon dat verbond niet verbreken, wat ook de ontrouw van een volk zou zijn, dat altijd zijn zegeningen behoorde te genieten.
Ik twijfel er niet aan, dat straks een overblijfsel van de Joden zich door soevereine genade in dezelfde positie zal bevinden 3 (voordat de heerlijkheid van het koninkrijk en het huis van God gevestigd zullen zijn). Onder bescherming van het verbond, dat met de stad van David, de zetel van de koninklijke genade verbonden is.

Maar een voorlopige zetel, in afwachting van het volle en algehele resultaat van de macht van de koning. Maar we bepalen ons hier alleen maar bij het herkennen van het beginsel, namelijk de invoering van de heidenen. Want dit wordt gezien in de aanneming van de dochter van Farao als de bruid van Salomo.
Er moet nog wel op gewezen worden, dat het gedeelte, dat we nu overdenken, ons niet het licht en het begrip van de hemelse gewesten laat zien, maar alleen (in verbinding met het koninkrijk) het beginsel waarop de positie van hen, die de genade genieten, gevestigd is. En daarom kan, terwijl de heidenen worden aangenomen, dit beginsel toegepast worden op het joodse overblijfsel in de laatste dagen, dat, verstandig en trouw naar het inzicht, dat ze hebben, naar dezelfde beginselen van de genade zal worden aangenomen.
In het algemeen kan het volk in deze gedachtegang niet intreden. Zelfs het koninkrijk en de zegen van het koninkrijk, zijn niet op deze grondslag gevestigd. Alles zal ongetwijfeld op de grondslag van het nieuwe verbond gegrondvest worden door de aanwezigheid van de Middelaar van dat verbond. Maar zelfs dan zal toch de verbinding van het volk, als een aards volk, met God niet gevestigd zijn op de werkzaamheid van een geloof, dat in het genot van de genade van dat verbond intreedt, terwijl de Middelaar ervan verborgen is, en al bij voorbaat geniet van de oprichting, naar de belofte die aan Juda en Israël gedaan is. Integendeel, zij bestaat in het positieve genot van de resultaten ervan, als de koning alles door zijn macht geregeld zal hebben. Het koperen altaar was niet in het heiligdom, maar in de voorhof. Dit stelt een verworpen Christus voor, die verhoogd is van de aarde, (en hiermee zijn de toekomstige zegeningen voor Israël verbonden), maar niet ten hemel gevaren en verborgen, want dit laatste wordt alleen door het geloof gezien. Hierdoor zal het volk tot God kunnen naderen. De aarde is het terrein van de ontwikkeling van de religieuze genegenheden van Israël. Ook de kennis van God zal daar geopenbaard worden.

De uitwerking van het kruis, als middel om op aarde tot God te naderen, zal hun worden bekendgemaakt. Zonder het kruis zouden ze Hem niet kunnen naderen. Ze zullen rouwklagen als ze Hem zullen zien, die ze doorstoken hebben, maar ze zullen Hem zien zoals Hij hun hier op aarde is geopenbaard. De zegen, de vergeving en het nieuwe leven, zullen hen hier beneden gegeven worden. Ze zullen niet intreden in de macht van deze dingen, voor zover ze achter de voorhang verborgen zijn. Als een op aarde gevestigd volk, zou dat hen zelfs niet passen.
Maar keren we tot de geschiedenis terug. Nu de ark op de berg Sion is, zijn er twee manieren om tot God te naderen, namelijk voor de ark en voor het altaar. Dit laatste wordt nogal eens verward met de hoogten. Vóór het bouwen van de tempel is het volk op de hoogten; aards en vleselijk, zelfs dan, als ze tot de ware God naderen 4. God verdraagt dit. Ook Salomo zelf gaat daarheen, en God verhoort hem daar. De tempel was nog niet gebouwd, want dan had deze het enige middelpunt van aanbidding moeten zijn. Dat God iets toestaat, voordat er met kracht gehandeld wordt, is een geheel andere zaak dan het bevestigen van iets, nadat die kracht heeft gehandeld. We moeten ons herinneren, dat Salomo naar Gibeon ging omdat de tabernakel en het koperen altaar daar waren. Daar vervulden, naar de wet, de priesters hun dienst. (1 Kronieken 16:36-40). Maar de ark van het verbond was daar niet. David had hem, in de stad van David, in een tent gesteld. Deze laatste punten vinden we meer ontwikkeld in de Kronieken, en ik verwijs de lezer naar wat er bij de beschouwing van die boeken over gezegd zal worden. Want de geschiedenis, die we nu overdenken, kan bijna niet begrepen worden, als we eerst niet lezen, wat er in dat boek over wordt geleerd.

Wat de verantwoordelijkheid betreft, lijkt de toestand van het volk mij heel droevig, en Salomo staat zelf alleen op het niveau van de bestaande stand van zaken. Deze toestand wordt weliswaar door God verdragen, maar is niet naar Zijn hart. De koning dacht noch aan de ark, noch aan de verborgen zegen van het verbond. En dit had toch het uitgangspunt moeten zijn voor al zijn gedachten en handelingen 5, en het enige middel voor zijn betrekking met Jahweh.
Hij beminde Jahweh. Alles wat voor de openbaring van Zijn heerlijkheid nodig was, werd in zijn handen gesteld om dat te voltooien, maar zijn hart verhief zich niet tot de hoogte van dat geloof, dat op het geheim van Gods liefde rekent als de heerlijkheid nog niet geopenbaard is, en dat geheim door alle bestaande zaken heen, die God nog verdraagt, onderscheidt. Dit was de persoonlijke kracht van David. De ark van het verbond in de stad van David was daarvan het symbool en voor die tijd de uitdrukking ervan.
Salomo heeft zonder twijfel in de wegen van David gewandeld en hij beminde Jahweh. Maar in zijn komen tot God verhief hij zich niet boven het peil waarop het volk zich bevond. Ons hoofdstuk zegt dat hij brandoffers en reukoffers op de hoogten bracht. Dit heeft voortgeduurd tot de tijd van Hizkia. De schittering van een grote zegen bedekt vaak dingen die door God geduld worden, zoals we al hebben opgemerkt, maar heeft vaak rampzalige gevolgen als de kracht, die tot die zegen aanleiding gaf, verdwenen is. Het is beter klein en veracht, maar bij de ark te zijn, dan de heerlijkheden van het koninkrijk te bezitten en op de hoogten te aanbidden.

Bovendien, al heeft men Jahweh lief, zal men toch, als men niet in het verborgen bij de ark is, altijd iets toestaan, zelfs in het eigen leven, dat niet in overeenstemming met de heiligheid van God is. Voordat we in de heerlijkheid zijn, bereiken we praktisch nooit de hoogte, die we door het geloof in Christus innemen. En toch hebben we deze positie nodig om onszelf te bewaren. We moeten van boven af onze weg zien, om in die weg praktisch te kunnen wandelen. Een Jood, die het geheim van Jahweh kende en de Messias verwachtte, was naar de wet godvruchtig en trouw. Daarentegen: een Jood die de wet alleen maar kende, onderhield die zeker niet. Een Christen, die de hemel voor zich heeft en een verheerlijkte Heiland als voorwerp voor zijn hart, wandelt trouw op aarde. Daarentegen zal het hem, die niets anders dan de aardse weg tot zijn richtsnoer heeft, ontbreken aan inzicht en beweegredenen om te weten hoe hij daarop moet wandelen. Wereldsgezindheid zal zich van hem meester maken en zijn christelijke wandel in de wereld zal meer of minder gelijk zijn aan de wereld, die hem omringt. Als de ogen op Jezus in de hemel gericht zijn, zullen het hart en de voetstappen bewaard worden in een weg, die Jezus aangenaam is en zal Hij als gevolg daarvan verheerlijkt en bekendgemaakt worden in deze wereld. Als we zien wat we zijn, hebben we een drijfveer boven onze weg nodig om bekwaam te zijn erin te wandelen. Dit neemt niet weg, dat we voor onze weg ook de vreze des Heren nodig hebben om de tijd van onze vreemdelingschap in vreze door te brengen, wetende dat we verlost zijn door het kostbaar bloed van Christus. Salomo ging naar Gibeon om brandoffers te offeren. Jahweh verschijnt hem daar in een droom. Salomo is zich ervan bewust dat hij de hulp van Jahweh nodig heeft om de plichten, die voor hem liggen te vervullen, en door Gods genade toont hij in dit opzicht een gezindheid van het hart, die aangenaam is voor Jahweh. Het bewustzijn van zwakheid om zijn plichten die uit zijn positie voortvloeien, tegenover een volk dat Jahweh toebehoort, te vervullen, doet hem zijn geringheid zien. De begeerte om niet tekort te schieten in het werk dat hem door God was toevertrouwd, overheerst in zijn hart, en doet hem om de noodzakelijke wijsheid vragen om die taak te vervullen. Men ziet des te meer dat dit gevoel oprecht was, omdat hij met God spreekt in een droom. God voegde bij de verhoring van dit gebed er nog rijkdom en eer aan toe.

Het bewustzijn van Gods goedheid en de vreugde van zijn hart bracht hem voor de ark van het verbond van Hem, die Zich op zo’n manier en boven zijn verwachting had geopenbaard. Het antwoord van God plaatste de koning direct onder de voorwaarde van gehoorzaamheid. De wijsheid, die hij had gevraagd, openbaarde zich in het oordeel dat hij uitsprak, en het volk erkende dat deze van God was. Strenge gerechtigheid en wraakoefening hadden in het begin de bozen weggedaan. Nu handhaaft de gerechtigheid de orde en de zegen te midden van het volk van Jahweh. Zo zal het ook eenmaal van de Heer Jezus gezien worden.

Hoofdstuk 4-6

Deze hoofdstukken bevatten een opsomming van de oversten die Salomo dienden en de heerlijkheid van zijn troon handhaafden. Daarna de wijze waarop het gehele land in de behoeften van zijn huis voorzag. Juda en Israël waren heel talrijk geworden en met vreugde vervuld. De macht van de koning strekte zich uit tot de Eufraat en alom heerste vrede. Zijn wijsheid en kennis, die God hem had gegeven, overtrof alles wat tot dan toe daarvan in de wereld te zien was geweest, zodat men van de einden van de aarde kwam om de wijsheid van zijn lippen te horen.
Zijn spreuken, zijn liederen en zijn kennis gaven getuigenis van de voortreffelijke geest waarmee de koning door God was begiftigd. Zijn troon is gevestigd en de heerlijkheid van de zoon van David is overvloedig. Nu zijn de heidenen (de koning van Tyrus is een zinnebeeld van de wereld en alles wat deze bevat) tot Salomo’s beschikking en leggen zich vreugdevol toe op de vervulling van de plannen van Israëls koning en dienen hem in het bouwen van het huis van Jahweh.
Men kan dit huis vanuit twee gezichtspunten bezien. Ten eerste is het een type van het Vaderhuis en ten tweede is het een beeld van Gods woonplaats op aarde als de Heer Jezus regeert.

Wat het laatste gezichtspunt betreft, wil ik alleen de grote gedachten aanstippen, namelijk het karakter van de regering die daarin wordt geopenbaard. In het eerste, als een type van het Vaderhuis, merken we meteen twee dingen op:

  1. Het is Gods huis, Zijn woning,
  2. Het heeft woningen rondom 6. Daar zelfs, waar God Zelf Zijn woonplaats heeft, omringt Hij Zich met woningen.

Als Gods woonplaats te midden van Zijn volk, was in die tijd de tegenwoordigheid van God afhankelijk van de trouw van Salomo.
Het algemene kenmerk van het huis is dat men alleen maar goud ziet. Alles straalde er met de heerlijkheid van de goddelijke gerechtigheid en kenmerkte daardoor de troon van God, die er geplaatst was. Maar het is hier niet doorschijnend als glas. De aardse troon wordt niet gekenmerkt door schoonheid en heiligheid, maar door gerechtigheid en gericht. Er worden daar ook geen Serafim gevonden.
In de Openbaring zien we het kenmerk van de Serafim aan dat van de Cherubim toegevoegd, en is het goud doorschijnend als glas. (Openbaring 4:8 en 21:21). Als zinnebeeld van rechterlijke macht, zoals we gezien hebben, hebben de Cherubim een nieuwe positie, (die van de ark bleven dezelfde). Met hun vleugels raakten ze aan de ene zijde de wand van het huis terwijl de andere vleugels elkaar raakten. Hun vleugels strekten zich dus uit van de ene zijde van het huis tot de andere. Deze Cherubim blikten niet op de ark neer maar zagen naar buiten 7.

Als de gerechtigheid gevestigd is en regeert, kunnen deze symbolen van Gods kracht met zegen naar buiten zien, in plaats van hun ogen alleen op het verbond gericht te houden. Gedurende de tijd, dat er niets anders was dan het verbond, waren hun ogen daarop gericht. Maar als God Zijn troon in gerechtigheid gevestigd zal hebben, kan Hij Zich tot de wereld wenden en haar overeenkomstig die gerechtigheid zegenen.

Hoofdstuk 7

Naar mijn gedachten is het huis van Salomo een voorafschaduwing van de gemeente in verbinding met Christus, en de tempel van het Vaderhuis in de hemel waar we mogen wonen. “Wij zijn Zijn huis”. In het huis van het woud van de Libanon zien we een voorafschaduwing van Zijn heerlijkheid onder de heidenen. De plaats van oordeel kenmerkt deze heerlijke regering. De heerlijkheid was niet alleen uitwendig. De binnenplaats was ook heel mooi. Van geen van beide was de heerlijkheid verborgen. Zowel de buiten- als de binnenplaats toonden de koninklijke heerlijkheid van Hem, die dit alles had gebouwd.
Hetzelfde kan gezegd worden van de grote buitenhof. Ook de grote buitenhof was evenals de binnenvoorhof met kostbare stenen en cederhout gebouwd. Het huis zelf, had zijn eigen heerlijkheid. Alle dingen openbaarden de heerlijkheid, de rijkdom en de macht van de grote koning. Wat de uiterlijke heerlijkheid betreft, had de dochter van Farao een huis, dat ongeveer aan dat van de koning gelijk was. De uiterlijke heerlijkheid van de wanden, van de voorhoven van Jahweh, van het huis van de koning en van alle andere dingen tonen duidelijk de onderlinge samenhang van deze dingen in Christus, in de dag van de openbaring van Zijn heerlijkheid.
De vaten van het huis van Jahweh, waren in groter aantal gemaakt dan die van de tabernakel, maar hoewel groter in aantal, waren ze dezelfde. De enige nieuwe dingen waren de pilaren “Jachin” en “Boaz.” Deze namen betekenen: “Hij zal bevestigen” en “In Hem is kracht”. Deze namen maken de bedoeling van deze pilaren duidelijk. Ik twijfel er niet aan dat in Openbaring 3:12 op deze pilaren wordt gezinspeeld.

Ook zien we hier nog de erkenning van de vereniging van Joden en heidenen. Deze laatsten waren met het werk voor de tempel van Jahweh verbonden.

Hoofdstuk 8

De ark is niet veranderd. In de tempel geplaatst, was deze slechts een huis om hem te ontvangen als de zetel van de tegenwoordigheid van Hem, die tussen de Cherubim woont. Als teken van Gods tegenwoordigheid en de vestiging van Zijn troon op aarde was de ark, evenals Jahweh wiens zetel hij was, in zijn rust ingegaan, (vergelijk Psalm 132:8).
De omstandigheden die het karakter van de rust openbaarden, waren opmerkelijk. De handbomen waarmee de priesters de ark hadden gedragen, waren nu het gedenkteken van hun reizen met God, Die in Zijn getrouwheid hen had geleid en bewaard, en hen nu in de rust had gebracht die Hij voor hen had bereid. Maar wat tijdens de woestijnreis het teken was geweest van de middelen van de genade, was er nu niet meer. Er was niets meer in de ark, dan alleen de wet. De staf van Aäron en de kruik met manna zouden niet in overeenstemming geweest zijn met de heerlijke regering en de rust in Kanaän. Maar de wet was er nog, want het was de grondslag van het bestuur van het koninkrijk en de maatstaf van de gerechtigheid, die daar uitgeoefend moest worden.
Als de ark eenmaal in de plaats van de rust gezet is, komt Jahweh. Hij bevestigt dit en vervult het huis met Zijn heerlijkheid. Nu de staf, het symbool van de priesterlijke genade, die het volk had geleid, en het manna, dat hen in de woestijn had gevoed, niet langer daar waren, oefende ook het priesterschap niet langer zijn dienst uit ten opzichte van de tegenwoordigheid van de heerlijkheid. Voor het ogenblik neemt Salomo ten volle het karakter van een priester aan. Hij staat zowel vóór Jahweh als tussen Jahweh en het volk. Wat zijn positie betreft, is dit een opmerkelijk type van wat Christus als Koning voor Israël zal zijn in de dag van Zijn heerlijkheid. Hij heeft een huis gebouwd als woonplaats voor Jahweh. “Een vaste plaats opdat Hij er voor altijd zou wonen”.

Merk hier ook op, dat alles in betrekking staat met de verlossing uit Egypte, met Horeb en de wet, en niet met Abraham, Izaäk en Jakob. Tot op zekere hoogte (en in het type ten volle) was het de vervulling van de aan hen gegeven beloften, maar in zijn tegenwoordige positie zinspeelt Salomo daar niet op. Dat zien we in vers 56.
Als we de door de koning uitgesproken zegen zullen overdenken, (die, zoals bijna alles wat zegen genoemd wordt, uit dankzegging bestond) en zijn gebed, zullen we weer dezelfde beginselen vinden, die we al eerder noemden, namelijk de vervulling van de aan David gegeven beloften als aanwezige zegen (verzen 20-24). Maar het genot van deze zegen wordt verbonden aan de voorwaarde van gehoorzaamheid. (23-25). Door dit gebed wordt het volk onder de wetten van een rechtvaardige regering geplaatst, die weliswaar overvloeit van goedheid en vergeving, maar die toch de schuldige geenszins onschuldig houdt. Tevens zien we in dit gebed God als de toevlucht voor Zijn volk, als ze de gevolgen van hun zonden zouden moeten ondervinden overeenkomstig de beginselen, die door Mozes in Deuteronomium en elders waren bekendgemaakt. Verder erkent de koning dat de allerhoogste hemel Jahweh niet kan bevatten, en bidt of God elk gebed dat in dit huis zal worden uitgesproken, wil verhoren. Dit gebed werd verhoord, (9:3) zodat het huis bevestigd werd als de troon van de God van de hemel op aarde; als de plaats waar Hij Zich openbaarde en waar Hij Zijn naam had doen wonen.

Dit feit is van vérstrekkende betekenis. Het betekende de vestiging van Jahweh’s regering op aarde in het midden van Zijn volk; een regering, die aan een mens, de zoon van David, toevertrouwd werd, zodat we lezen dat Salomo op de troon van Jahweh zat.
Dit geeft ons een recht begrip van de belangrijke gebeurtenissen, die onder Nebukadnezar gebeurd zijn, toen naar het uitgesproken oordeel van God zelf, deze troon werd neergeworpen.

Het huis was niet uitverkoren, maar, gebouwd naar Gods aanwijzing, was het door Hemzelf geheiligd, opdat Zijn naam er voor eeuwig zou kunnen wonen. Het slot van hoofdstuk 8 geeft een heel duidelijke illustratie van Israëls zegeningen gedurende het duizendjarig rijk.

Hoofdstuk 9-10

Het antwoord, dat God geeft, is de bevestiging van het huis als de plaats, waar Hij voor eeuwig Zijn naam heeft gesteld. Zijn ogen en hart zullen eeuwig daarop zijn gericht. Maar tegelijk is, om de gegeven zegen te kunnen genieten, het huis van Salomo, het volk van Israël, en ook het huis zelf onderworpen aan de voorwaarde om Jahweh trouw te blijven. Als hij of zijn nageslacht zich tot andere goden zouden wenden om die te dienen, zou Israël worden uitgeroeid en het huis een getuigenis worden van het oordeel van God ten aanschouwen van iedereen, die voorbijging. We zien hier hoe nauw het lot van Israël verbonden was met hun koning!
De koning van Tyrus was ook afhankelijk van de koning van Israël en de koningin van Scheba kwam uit het verre zuiden om zich te verheugen in de wijsheid van het hoofd van Gods volk en werd met bewondering vervuld bij het aanschouwen van zijn heerlijkheid. Ze loofde Jahweh, Die hem zo hoog had verheven en het volk zo gezegend had door hem tot koning over hen te stellen. Ook zij kwam met gaven, want het gerucht van de koning was doorgedrongen tot vergelegen landen. Hoewel wat ze gehoord had de waarheid was, overtrof het zien van zijn heerlijkheid alles wat men haar daarvan had verteld.
Tot nu toe hebben we de zegen van God gezien, die op de zoon van David rustte. Werkelijk een mooi tafereel! Om bekwaam te zijn Gods volk te regeren, had hij van Hem alleen maar wijsheid begeerd. En Jahweh had hem rijkdom, heerlijkheid en eer daarbij gegeven. De keerzijde die dit schilderij heeft en die het hart pijn doet, dient toch om ons de rechtvaardige handelingen van God voor ogen te stellen.

Als Israël een koning begeerde (God had dit voorzien), was het deze verboden om zijn vrouwen en rijkdommen te vermenigvuldigen. Daarbij was gezegd dat hij ook niet naar Egypte mocht gaan om paarden te vermenigvuldigen. (Deuteronomium 17:16-17). Hier leren we een belangrijke les. Met welke zegeningen we ook omringd zijn, we kunnen nooit straffeloos de wet van God verzaken, noch onze wandel veronachtzamen, die Hij ons, Zijn kinderen, in het Woord heeft voorgesteld. God had een overvloed van rijkdom en eer aan Salomo gegeven hoewel hij alleen om wijsheid had gevraagd; maar het lezen van de wet, wat aan een koning was voorgeschreven (Deuteronomium 17:19-20), zou hem ervoor bewaard hebben deze middelen te gebruiken om zijn rijkdommen te verkrijgen. Deze hoofdstukken laten ons zien dat hij juist dat deed wat de wet verbood. Hij vermenigvuldigde zilver en goud, het getal van zijn vrouwen, en had een groot aantal paarden uit Egypte ingevoerd.
De belofte van God was vervuld. Salomo was rijk en verheerlijkt, ver boven de koningen van zijn tijd. Maar de middelen die hij gebruikt had om zich te verrijken laten ons een hart zien dat zich van God had verwijderd. En naar het rechtvaardige oordeel en het zekere woord van God, leidde dit tot zijn val.
Hoe volmaakt zijn Zijn wegen en hoe zeker is Zijn getuigenis! Heiligheid betaamt Zijn huis. Zijn oordelen zijn onveranderlijk.

Hoofdstuk 11

Salomo geniet in de vervulling van de onfeilbare beloften van God. Hij zondigt in het kiezen van de middelen, waardoor hij zijn eigen lusten zoekt te bevredigen. En hoewel het resultaat de vervulling van de beloften is, moet Salomo toch de gevolgen van zijn handelingen dragen. Uiterlijk was alleen de vervulling van de beloften te zien, maar in feite was er nog iets anders. Zonder de paarden van Egypte en het goud van Ofir zou Salomo toch rijk en verheerlijkt zijn geweest, want God had het hem beloofd. En doordat hij zo handelde, verrijkte hij zichzelf, maar verwijderde zich van God en Zijn Woord. Nadat hij zichzelf had overgegeven aan zijn begeerte naar rijkdom en eer, vermeerderde hij ook het aantal van zijn vrouwen, en in zijn ouderdom werd door hen zijn hart afgetrokken van God tot andere goden. Deze veronachtzaming van het Woord die op het eerste gezicht geen kwade gevolgen had, (want hij werd rijk alsof het alleen de vervulling was van Gods beloften) leidde spoedig tot grote verwijdering van God. Een meer onmiddellijke tegenstand tegen de geboden van God werd openbaar en leidde ten slotte tot volkomen ongehoorzaamheid. De meest positieve en voornaamste eisen van de wet werden nagelaten of overtreden. Het glibberige pad van de zonde wordt altijd met haastige schreden betreden, omdat de eerste zonde het gezag en de kracht in de ziel verzwakt van datgene, wat het begaan van grotere zonden zou kunnen verhinderen, namelijk het Woord van God en het bewustzijn van Zijn tegenwoordigheid, waardoor dat Woord zijn praktische kracht over ons uitoefent.

Hoofdstuk 12-13

God brengt kastijding en moeite in het leven van Salomo, en neemt de regering over het grootste gedeelte van de stammen, van zijn geslacht weg, terwijl Hij tevens zegt dat Hij het nageslacht van David zal verootmoedigen, maar niet voor altijd. (11:39)
Volgens de klacht van de koning, (Prediker 2:19), zou hij aan wie Salomo de vrucht van zijn werk naliet, niet wijs zijn. Door zijn dwaasheid bracht Rehabeam al de gevolgen over zich, die naar Gods gedachten, met de zonden van zijn vader verbonden waren. Onder leiding van Jerobeam schudden tien stammen het juk van het huis van David van zich af. Als we dit vanuit het oogpunt van de verantwoordelijkheid bekijken, heeft het huis van David voor altijd zijn heerlijkheid verloren.

Nu hebben we verder de geschiedenis van de twee koninkrijken te volgen en in het bijzonder die van de tien stammen, die de naam Israël aannamen, hoewel God er steeds voor zorgde dat de lamp van David te Jeruzalem scheen.

De morele val van de nieuwe koning Jerobeam liet niet lang op zich wachten. Omdat hij menselijk oordeelde en de vrees voor Jahweh vergat, maakte hij twee gouden kalveren, opdat de machtige schakel van een gemeenschappelijke eredienst gebroken zou worden en zijn onderdanen niet langer verbonden zouden zijn met Juda en Jeruzalem. Een nieuw priesterschap voerde hij in. Alles wat betrekking had op deze eredienst was opgekomen uit zijn eigen hart. De zonde van Israël was een voldongen feit en de zin: “Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen”, was de droevige aanduiding van hun eerste koning.
Maar het getuigenis en het oordeel van God liet, overeenkomstig de barmhartigheid van God voor Zijn volk, niet op zich wachten. Onmiddellijk zien we de profetie weer verschijnen, want de trouwe liefde van God voor Zijn volk wordt nooit moe. Zijn goedertierenheid duurt tot in eeuwigheid. Het getuigenis van Zijn Woord – de profetie – faalt nooit. De profetie is de tussenkomst van God in het getuigenis, als het volk zich heeft afgewend en de gewone verbindingen tussen God en Zijn volk verbroken zijn. Rehabeam werd door de profetie verboden om tegen Israël op te trekken en hen weer onder zijn heerschappij te brengen. Bij Jerobeam handhaaft Jahweh de rechten van Zijn heerlijkheid tegenover de koning zelf en het altaar. Het altaar scheurt, de as wordt uitgestort, en de arm van de koning, die hij tegen de profeet uitstrekt, verdort en zijn kracht wordt hem alleen door tussenkomst van de profeet teruggegeven.

Ook hier maakt Jahweh bekend, dat Hij het huis van David te midden van al dit kwaad niet vergeten is. Vanuit dat huis zal de breuk hersteld worden, en zal het oordeel uitgaan tegen het kwaad, dat deze breuk veroorzaakte, want Juda wordt nog steeds erkend als de plaats van Zijn troon.

Belast met een getuigenis als dit, is het de profeet zelfs verboden water te drinken bij het volk, dat zich Israël noemt, maar opstandig en verontreinigd is. In zo’n ongerechtige verwarring is geen enkele gemeenschap geoorloofd, en de profeet draagt zelf de gevolgen ervan, als het rechtvaardig oordeel van God zijn ongehoorzaamheid straft. Zó werd de gestrengheid van God openbaar ten opzichte van een handeling, die een toestand van ontrouw begunstigde, en waar het door God gegeven licht voldoende was om te kunnen onderscheiden.
De details van deze geschiedenis vragen enkele aantekeningen. Door het Woord van God had de profeet kennis van het oordeel van God. Zijn hart had zowel moreel als door de profetie de boze toestand van Israël moeten onderkennen, en zijn moreel begrip van het boze had aan het profetisch getuigenis de volle kracht moeten geven.
In elk geval was het Woord van God gebiedend. Hij mocht daar niet eten noch drinken. Hij wist dat en herinnerde zich dat. Maar blijkbaar was er in het andere getuigenis een reden om het gebod van God te negeren. De oude profeet (want hij was een profeet) vertelde hem dat Jahweh had gezegd: “Laat hem met u terugkeren naar uw huis, en laat hem brood eten en water drinken.” Zo keerde de profeet uit Juda met hem terug. Het was heel gewenst voor de oude ontrouwe profeet, dat een man, die God voor een getuigenis gebruikte (en wiens getuigenis door hemzelf werd geloofd) zijn ontrouw zou wettigen door met hem om te gaan. Zo uiterlijk scheen hij het getuigenis van God en de drager van dat getuigenis te eren. Maar in feite vernietigde de profeet van Juda de kracht van zijn eigen getuigenis toen hij met de oude profeet terugkeerde. Hoewel de oude profeet werkelijk een profeet was, verdroeg hij de boosheid waardoor hij omringd was. Het getuigenis van God zegt duidelijk dat het kwaad niet mag worden verdragen. Met dit getuigenis was de andere profeet belast. En het eten en drinken weigeren in die plaats, was een moreel en persoonlijk getuigenis van zijn eigen trouw, zijn overtuiging en zijn gehoorzaamheid.

Een weigering zou in dit geval het getuigenis zijn geweest, dat hij Gods kant koos. Maar door terug te keren met de oude profeet, vernietigt hij zijn eigen getuigenis, en ondersteunt de oude profeet in zijn ontrouw. God heeft Zijn woord niet herroepen, al is de profeet daaraan ongehoorzaam. De oude profeet werd gestraft, doordat God van zijn mond gebruik maakte om de gevolgen van zijn fout aan te kondigen aan de profeet van Juda. We leren hieruit wel een heel belangrijke les. Als God aan ons Zijn wil bekendgemaakt heeft, is het ons niet geoorloofd die door enige invloed, die later verschijnt, in twijfel te trekken. Zelfs dan niet, als deze invloed de vorm zou aannemen van het Woord van God. Als we dicht bij de Heer leven, zullen we voelen dat de enige juiste houding is te doen wat Hij ons het eerst heeft bekendgemaakt.
In elk geval moeten wij gehoorzaam zijn aan wat Hij zegt. Zijn woord zal ons in een ware positie plaatsen – in een positie, die gescheiden is van het kwaad en van de macht van het kwaad, zelfs al zouden we geen geestelijk inzicht hebben om het te onderscheiden. Als ons deze gehoorzaamheid ontbreekt zullen we het bewustzijn verliezen van het verkeerde van zo’n toestand, omdat het morele gevoel verzwakt is. In het beste geval is er dan een gevoel van onbehagen en ongerustheid, maar geen vrijheid. Waar de Geest des Heren is, daar is vrijheid. Ontrouw aan het eenvoudige en oorspronkelijke getuigenis van het Woord van God zet ons nooit in de vrijheid, wat ook de redenen mogen zijn, die ogenschijnlijk dat terzijdestellen rechtvaardigen.

Hoofdstuk 14-16

Ondanks dat getuigenis volhardt Jerobeam in zijn ongerechtigheid. Zijn enige zoon, waarin iets goeds werd gevonden, sterft, en het oordeel wordt over zijn huis uitgesproken.
Juda heeft evenzo in allerlei ongerechtigheid gewandeld tijdens de regering van Rehabeam. Jeruzalem werd ingenomen, en al de rijkdommen, die Salomo verzameld had, werden een prooi van de Egyptenaren. Abia, zijn zoon, volgt geen betere weg.

Er was altijd strijd tussen de twee koninkrijken: droevige geschiedenis, die zich zo vaak herhaalt. De mens in het genot gesteld van de zegen van God, en het gevolg van zijn val. In wat voor toestand zien we het koninkrijk van het volk van God, en het huis van David zelf, dat vroeger zo heerlijk was!
Asa, zelf vroom en trouw aan Jahweh, maar gedrukt door Baësa de koning van Israël, die het huis van Jerobeam van de troon had gestoten, zocht zijn hulp, die hij bij God niet wist te vinden, bij de Syriërs. Het huis van Baësa valt, evenals dat van Jerobeam was gevallen. De voornaamste oversten betwisten elkaar de troon die uiteindelijk in handen komt van de vader van Achab. Achab voegde bij de zonde van zijn voorgangers de aanbidding van Baal, de god van zijn goddeloze vrouw, en zijn ongerechtigheid overtrof die van al de koningen van Israël, die vóór hem geweest waren.
Maar te midden van dit morele verval trof het woord van God hen, die het overtreden hadden. Het oordeel van Jozua over hem, die Jericho zou herbouwen, zien we vervuld aan de familie van Hiel de Betheliet. We zien hier niet alleen het bestuur en de wegen van God krachtig naar voren treden, hoe groot Zijn geduld ook is tegenover een opstandig volk, maar de volharding van de koning in zijn ongerechtigheid in de tegenwoordigheid van Gods lankmoedigheid, geeft hier ook gelegenheid voor een opmerkelijk getuigenis tegen het kwaad, dat dit getuigenis noodzakelijk maakte.

Hoofdstuk 17-18

De regering van Achab is de aanleiding voor het getuigenis van de Profeet Elia. Israël haastte zich tot zijn ondergang. Maar wat ook zijn ongerechtigheid mag zijn, God verwerpt geen volk, dat Zijn wegen heeft verlaten, voordat Hij hen een getuigenis heeft gezonden. Hij zal hen zeker kastijden, maar zal het uiteindelijk oordeel nog niet uitvoeren.
Al onze aandacht wordt gevraagd voor het karakter van dat getuigenis. De profeten van Juda, die het getuigenis gaven te midden van een orde van zaken, die God Zelf had gevestigd, deden geen wonderen. Zij staan stil bij de zonden van het volk en stellen hen de wet van Jahweh voor ogen; Zijn inzettingen en de verschuldigde gehoorzaamheid aan Hem. Zij kondigen de komst van de Messias aan en de toekomstige zegen van Israël. Omdat de orde van zaken te midden waarvan zij getuigenis geven, nog steeds door God erkend is, doen zij daar geen wonderen.

Elia en Elisa daarentegen verrichtten treffende wonderen als bewijs van hun goddelijke zending, omdat zij getuigen waren voor God te midden van een volk, dat naar de genade van God, wel steeds als Zijn volk werd erkend, maar dat God openlijk had verlaten en gouden kalveren had aangebeden.
Zij handhaafden de kracht en de rechten van Jahweh te midden van een volk, dat Hem niet wilde erkennen, terwijl de profeten van Juda, die door een volk omringd waren, dat openlijk de autoriteit van Jahweh beleed, dit volk de consequenties van deze positie voor ogen stelden. Inderdaad zond God ook aan Israël door de mond van Zijn profeten Amos en Hosea soortgelijke bedreigingen als aan Juda. Maar we zien niet, dat in Juda wonderen werden verricht door de profeten, die daar hun getuigenis gaven.
Elisa’s wonderen, waarover we later zullen spreken, hebben weer een ander karakter dan die van Elia. Die van Elia hebben een karakter waarmee alleen de wonderen van Mozes kunnen worden vergeleken. Het waren rechterlijke wonderen met betrekking tot het volk, waaronder de profeet woonde. Ook bewaarde God Zijn dienstknecht op een wonderbare manier. Ik spreek nu alleen van wat Elia deed als getuigenis te midden van het volk.

Elia’s wonderen zijn weinig in aantal, maar treffend van karakter. Hij sluit de hemel 8, boven een opstandig en afvallig volk, zodat er geen regen is. Hij doet vuur van de hemel dalen op de oversten, die door de koning gezonden zijn om hem gevangen te nemen. Ten slotte laat hij zien dat Jahweh God is en, ondanks alles wat gebeurd is, de God van alle stammen van Israël naar de onveranderlijke rechten, die gegrond zijn op Zijn raadsbesluiten en op wat Hij in Zichzelf is. Als het volk dit erkent en zelf het oordeel over de Baälpriesters uitvoert, stort Jahweh opnieuw Zijn zegen uit en geven de hemelen regen 9. De belangrijkheid van deze wonderen is onmiskenbaar. De positie van Mozes was een geheel andere. Het volk was niet in opstand maar in slavernij, en het oordeel trof hun verdrukkers. Het is niet een hemel van koper, die boven het volk gesloten is, noch een hemel als oorsprong van het oordeel, dat neerkomt. Maar een aarde, die aan de mensenkinderen is gegeven en door hen in bezit is genomen zonder te erkennen dat Jahweh hun God is of dat Hij enige rechten op haar inwoners heeft. Deze aarde wordt geslagen met allerlei plagen. De aarde, het water, de vruchten van de aarde, het vee, de lucht en ten slotte de mens zelf in zijn eerstgeborenen. Alles werd geslagen door de roede van God naar het machtige woord van Gods getuige.

De Egyptenaren, die onder de voorzienigheid leefden van een genadige Schepper, werd geen oordeel opgelegd, totdat zij geweigerd hadden het volk van God te laten gaan en Zijn rechten te erkennen, die Hij voor Zichzelf opeiste. Nadat zij geweigerd hadden te horen, waren zij eerst verstoken van de aardse zegeningen, die ze van Hem ontvingen, en daarna werden ze zelf geslagen in hun eerstgeborenen.
In de Openbaring zal men opmerken, dat de kracht van de twee getuigen zich in deze twee soorten tekenen openbaart. Ze sluiten de hemel zodat er geen regen is en ze laten vuur uit de hemel neerdalen. Als iemand hen wil beschadigen, zal hij zelf op die wijze gedood worden. Dit is Elia. Ze werpen allerlei plagen op de aarde zo vaak ze dat willen. Dit is Mozes. Zonder twijfel zal hun getuigenis gegeven worden te midden van een volk, dat dit dubbele karakter openbaart, namelijk enerzijds dat van een opstandig volk, en anderzijds dat van een volk in slavernij, verdrukt door de wereld, die niet wil horen van de God van de aarde, Wiens rechten door de twee getuigen worden bekendgemaakt.
Als God door Elia de hemel sluit boven Zijn opstandig volk, zorgt Hij overeenkomstig Zijn genade voor het overblijfsel, en overschrijdt in deze genade zelfs de grenzen van het verbond van de wet. “Er waren vele weduwen in de dagen van Elia in Israël, … en tot niemand van hen werd Elia gezonden.” Elia wordt gezonden naar een weduwe in Sarepta in Sidon, die het getuigenis van God hoort en door het geloof naar dat getuigenis handelt. Deze handeling vroeg zelfverloochening, en het gevolg was dat haar leven werd gespaard. Deze genade, die een harde zaak is voor de joden, maar de openbaring is van het hart van Hem Die zij niet kennen, openbaart zich met een macht, die evenredig is aan de nood, zodat aan de dode het leven teruggegeven wordt. De arme weduwe ontvangt haar zoon terug door de kracht van de opstanding waardoor haar geloof ten volle gevestigd wordt op het Woord van God 10.

Daarna wordt Israël opnieuw gezegend door God, als zij teruggebracht zijn tot de belijdenis van Zijn naam door de treffende openbaring van Zijn macht, die de Baälpriesters beschaamd maakt. Deze worden allen door het volk gedood. Overtuigd van de dwaasheid van hun afgodendienst, worden zij de uitvoerders van het oordeel van God. Hoewel Elia zijn dienst nog enige tijd voortzet, eindigt toch hier (als de algemene uitdrukking van de gedachten van God) de zending van Elia.

Hoofdstuk 19

Tot nu toe had de profeet voor Jahweh gestaan (17:1; 18:15) en in Zijn naam gesproken. Maar nu, door de bedreigingen van Izebel met schrik vervuld, ontvlucht hij de gevaren van de positie, waarin zijn getuigenis hem had gebracht.
Evenals we gezien hebben bij Mozes te Meriba, bereikte ook het geloof van Elia 11 niet de hoogte van de genade en het geduld van God die vol goedertierenheid en barmhartigheid voor Zijn volk is.

Evenals Mozes door zijn fout buiten Kanaän bleef, zo maakt ook dit falen van Elia een einde aan zijn getuigenis. Wie kan God in goedheid evenaren? Elia ziet niet op God. Hij denkt aan zichzelf en neemt de vlucht, maar God heeft het oog op hem gericht. Hij, die de kracht van God niet bezit te midden van het kwaad, heeft geen andere toevlucht dan de woestijn. Het was een hart, dat trouw aan God was, maar niet genoeg geloof bezat om de vijandige macht van Satan tot het einde toe tegen te treden op de plaats van het getuigenis. Hij moest een van beide: een getuige voor God zijn te midden van het opstandige volk, of zich geheel van hen afzonderen.
Door zijn eigen hart, en door de hand van God, wordt de profeet in de woestijn geleid waar hij alleen met God kan zijn. Hij is misschien wel terneergedrukt, maar toch dierbaar voor God. De veertig dagen die Elia in de woestijn doorbrengt, hebben maar een gedeeltelijke overeenkomst met de veertig dagen die Mozes met God doorbracht op dezelfde berg, waar nu de profeet is, of met de veertig dagen, die Jezus in de woestijn was in strijd met de vijand van God en de mensen. In de twee laatste gevallen werd de natuur terzijde gesteld. Noch Mozes, noch de Heer heeft gegeten of gedronken. Bij Elia ondersteunt God de zwakheid van zijn beproefde natuur, en toont dat Hij met tederheid en zorg alles overziet, en kracht geeft voor zo’n reis. Dit had hem moeten treffen. Hij had eraan moeten denken wat hij in het midden van het volk moest zijn, omdat hij met zo’n God te maken had. Maar zijn hart was lang niet in zo’n toestand. Als we aan onszelf denken is het onmogelijk om tegenover anderen getuigen van God te zijn. Dan zijn onze arme harten te ver van zulk een positie verwijderd.
Elia vervolgt zijn weg tot aan de berg Horeb. Maar tot God komen om goed te spreken van zichzelf en kwalijk van Israël, is een geheel andere zaak dan zichzelf te verloochenen door de kracht van de tegenwoordigheid van God, en Hem aan het volk voor te stellen in Zijn kracht, geduld, en barmhartigheid, ondanks al het kwaad dat erbij gevonden wordt 12.

Men stelt zich soms voor God, omdat men Hem heeft vergeten op de plaats waar men had moeten staan en waar men getuigenis van Hem had moeten geven. En daarom vraagt God dan ook aan Elia: “Wat doet u hier, Elia?” Ontzettende vraag! Soortgelijke vraag als aan Adam en aan Kaïn werd gericht en nu ook aan de wereld wordt gesteld ten opzichte van Jezus. Het antwoord verraadt alleen (zoals altijd het geval is) de droevige en ongelukkige positie van iemand, die God heeft vergeten. De stem werd niet gehoord als een donderslag, maar als een stem die Elia herinnerde aan wat hij vergeten was. Wind, vuur en aardbeving, de herauten van de macht van God aan de mens, zouden het van nijd ontstoken hart van Elia aangestaan hebben, als werktuigen van goddelijke kracht tegen Israël. Maar deze openbaringen van Zijn kracht was God Zélf niet. Het was de zachte stille stem, waardoor Hij Zijn tegenwoordigheid aan Elia openbaarde. Wat de wil van de profeet zou hebben bevredigd, en wat misschien voor anderen goed zou geweest zijn, deed zijn geweten niet ontwaken. Maar de zachte, stille stem, waardoor God Zich openbaarde, drong het hart van Elia binnen en hij bedekte zijn aangezicht in de tegenwoordigheid van Jahweh. Maar toch is de hoogmoed van zijn bittere hart nog niet verdwenen. Hij herhaalt zijn klacht, die op dit ogenblik wel heel ongepast is, omdat hij juist daarvoor al de priesters van Baäl had vernietigd, en die aantoont dat in het licht van zijn getuigenis zijn geloof niet het goede heeft kunnen zien wat het oog van God nog in Israël ziet.

Het antwoord van God, hoe waar ook, is bedroevend voor zijn hart. Het oordeel zal komen en Elia wordt uitgezonden om de instrumenten daarvoor te bereiden – een droevige zending voor de profeet, als hij het volk liefhad! Wat Elia zelf betreft, zal Elisa hem in zijn dienst als profeet opvolgen.

Zou het verdiende oordeel in zijn tijd gekomen zijn, en had de verdrietige profeet dit moeten uitvoeren, dan waren er toch nog altijd 7000 geweest, die de knie voor Baäl niet hadden gebogen, hoewel Elia ze niet had kunnen ontdekken. En we mogen ons wel afvragen: Wanneer zal het hart van de mens, zelfs maar in zijn gedachten, stijgen tot die hoogte van Gods goedheid en geduld? Als Elia meer op God had gesteund, zou hij toch althans sommige van de 7000 hebben gekend. Hij zou in elk geval Hem hebben gekend, Die hen kende, en Die het getuigenis van de profeet verwekte om hen te sterken en te vertroosten.

Maar de tijd was nog niet rijp voor de vervulling van het voornemen van God. En God zal Zijn geduld en Zijn genade voor Zijn volk niet opgeven om het ongeduld van de profeet te bevredigen. Elisa is gezalfd, maar omdat Achab zich verootmoedigd heeft onder de straffende hand van God vanwege zijn ongerechtigheid, worden de oordelen teruggehouden gedurende het leven van Achab en zijn zoon. Dit laat ons een andere trek zien in het bestuur van God. Het oordeel over de boze kan al uitgesproken zijn in de raad van God, kan al Zijn handelingen hebben gekenmerkt en kan al klaarliggen om uitgevoerd te worden, lange tijd voordat het in werkelijkheid wordt voltrokken. De profeet of de geestelijk gezinde mens zal in de geest weten of begrijpen dat het zo is, en zal het ogenblik moeten afwachten met een volkomen geduld, dat zich niet laat afleiden door de traagheid van onze harten, maar dat wacht, totdat de ongerechtigheid van de boze, of ten minste zijn weigering tot berouw, het toppunt heeft bereikt.

Hoofdstuk 20-22

De geschiedenis van Israël, die volgt op de openbaringen aan Elia bij Horeb, schijnt er een te zijn van herstel en zegen. Uiterlijk was dit ook zo. Benhadad is overwonnen en Israël bevrijd van zijn macht. Maar Achab heeft in het geheel geen kennis van de gedachten van God, en laat de man, die God veroordeeld had, ontsnappen.

Er zijn gevallen, waarin de verdraagzaamheid slechts bewijst, dat de eer van God en Zijn gedachten in het geheel geen invloed op het hart hebben. Waarom moest Achab zich verbroederen met een koning, die geen andere bedoelingen had dan het volk van God te verdrukken? Hij stelde zich daardoor op dezelfde lijn als een heidense koning en miskende daardoor de positie van Israël en zijn koning in betrekking tot God. In een geval als dit past een strenge houding bij het bewustzijn van de volmaakte genade van God voor Zijn volk. De man, die uit liefde voor het volk van God op de berg vraagt om uit het boek van Jahweh te worden gedelgd, is dezelfde, die bij de aanwezigheid van het kwaad zegt: “U moet zich vandaag aan de HEERE wijden, ja, ieder moet zich tegen zijn zoon en tegen zijn broeder keren”. (Exodus 32:29) Maar de krachteloosheid, die het gevolg is van het gering achten van God, neemt in iemand, die de plaats van een dienstknecht is toevertrouwd, het karakter aan van vriendelijkheid tegenover de mensen.

Door Izebel opgehitst, laadt Achab zonde op zonde, en een verregaande onrechtvaardigheid maakt zijn afval volledig.
Hij geniet de vrucht van een misdaad, waarvoor hij zelf de moed niet had die te volvoeren. Zijn genot was kort van duur. Door God gezonden om de koning te ontmoeten, komt Elia hem tegemoet in de wijngaard, die hij in bezit ging nemen. Het hart van de koning boog voor het woord van Jahweh, en de vervulling van het oordeel wordt uitgesteld tot in de dagen van zijn zoon. Dit is een nieuw bewijs van het geduld van een God, die altijd klaarstaat tegemoet te komen aan de kleinste neiging van het hart tot Hem.
Historisch bezien, was de regering van Achab in het algemeen voorspoedig en vol roem. Moab was schatplichtig en Syrië onderworpen en rustig. De koning had een paleis van ivoor en bouwde nieuwe steden. Dit was opnieuw een reden om Jahweh te erkennen en een valstrik voor hem, die Baal aanbad. God lette niet op al deze voorspoed. Moreel bezien drukt deze regering haar stempel op het koninkrijk van Israël. Het is afval en ongerechtigheid en tegelijk het getuigenis van een trouw en geduldig God.

Het laatste hoofdstuk laat ons een ander beginsel zien van deze geschiedenis namelijk de zondige verbindingen, die werden gevormd tussen de koninklijke huizen van Israël en Juda. Daar beide huizen in deze periode voorspoed hebben, zoeken ze hun macht te bevestigen en te vermeerderen door vrede en wederzijdse verbindingen. Van de kant van Josafat was het niets anders dan ontrouw en een vergeten van God. En hoewel God hem niet heeft losgelaten, heeft Josafat toch minstens het begin gezien van de kastijding, waarvan de gevolgen heel rampzalig voor zijn huis waren.
We zien ook de kracht van de valse profeten. Achab had er vierhonderd en we zien, dat ze gebruik maken van de naam van Jahweh en schijnbaar niet langer van die van Baal 13. Zoals we tevens zien, was Elia niet de enige profeet van Jahweh. De vermenging blijft voortbestaan. Uiterlijk is de toestand van zaken minder aanstotelijk, maar het hart van Achab is onveranderlijk. Op de vraag van Josafat, die zich in deze onware positie niet op zijn gemak voelt, laat Achab een profeet van Jahweh komen. Maar Achab luistert niet naar hem en moet de gevolgen dragen!
We leren hier, hoe een leugengeest misleidt, de ongerechtige tot de ondergang voert, en zo de voornemens van Jahweh voltooit.
Gedurende deze tijd vergezelt Elisa steeds Elia, wordt door de genade meer en meer vertrouwelijk met hem en wordt moreel met zijn geest doortrokken voordat hij ermee in kracht wordt bekleed. Hij schijnt een persoon met hem te zijn.

Voordat ik overga tot de bespreking van het tweede boek Koningen, wil ik enige algemene opmerkingen maken, die evenzeer op beide boeken van toepassing zijn. Beide boeken handelen over de regering van God.

De beginselen van deze regering zijn ons bekendgemaakt in de openbaring, die aan Mozes werd gegeven toen hij voor de tweede maal de berg Sinaï besteeg. (Exodus 33). Ten eerste was er goedheid en barmhartigheid, vervolgens de verklaring, dat de schuldige geenszins onschuldig zou worden gehouden, en ten derde een beginsel van openbaar bestuur, dat de gevolgen van wangedrag onder hun aandacht bracht, namelijk dat hun kinderen de gevolgen zouden dragen. Dit beginsel, dat niet toegepast kan worden als het om de ziel gaat, maar dat zeer belangrijk en heilzaam is in de uiterlijke regering van de wereld, wordt elke dag bevestigd in die van de Voorzienigheid. Deze regering van God werd uitgeoefend ten opzichte van de koningen, maar de toestand van Israël was afhankelijk van het gedrag van deze koningen.

We hebben al gezien dat de val van het priesterschap en de vraag naar een koning het volk in deze positie had gebracht. Ze zal er een van zegen zijn als Christus hun koning zal zijn. Maar in deze tussenperiode heeft God de profetie verwekt, een meer vertrouwelijke en werkelijke verbinding tussen de raadsbesluiten van God en Zijn volk. De aanwezigheid van een koning plaatste het volk onder de gevolgen van de verantwoordelijkheid van hem, die hen regeerde.
De profeet was er, van de kant van God, tot een getuigenis en een bewijs van Zijn genade. Hij herinnerde het volk aan de plichten, die aan deze verantwoordelijkheid verbonden waren, maar zelf was hij een bewijs van de raadsbesluiten, die de toekomstige zegen aan Israël verzekerden, en tevens een bewijs van het belang, dat God stelde in wat het volk al genoot en nog zou genieten in alle tijden. De profeet was ook de sleutel voor de handelingen van God, die zonder deze moeilijk te verstaan waren.

Wij Christenen, hebben deze beide dingen. God wil, dat we, naar onze verantwoordelijkheid, handelen door het geloof. Maar de vertrouwelijke gemeenschap met Hem openbaart ons de oorzaak van veel dingen en tevens de volmaaktheid van Zijn wegen. Zo kon God heel goed volgens Zijn algemeen bestuur, na de gebeurtenissen, in hoofdstuk 18 genoemd, zegenen. Ze waren een steun voor het geloof van Zijn volk. Hoofdstuk 19 laat ons het verborgen oordeel van God zien over de werkelijke stand van zaken en het werd spoedig openbaar. Achab weet geen voordeel van deze zegen te trekken. Hij spaart Benhadad, en de geschiedenis van Naboth toont aan, dat de invloed van Izebel sterker is dan ooit.

Maar in wat een sterke mate worden het geduld en de barmhartigheid van God, als in Exodus 33, in dit alles geopenbaard! Achab, door Elia bestraft, verootmoedigt zich, en het kwaad komt niet in zijn dagen, noch in die van Ahazia, maar, volgens het beginsel dat al besproken is, in de dagen van Joram, die ook zijn zoon was. Persoonlijk was Joram minder slecht dan zijn vader en zijn broer. Hij aanbad de Baäls niet. Maar Israël, dat eenmaal verleid was tot de aanbidding van deze afgod, boog zich daarvoor neer.
Merk het verschil op tussen het oordeel van God en de voltrekking van de feiten. Het oordeel van God was uitgesproken tegen de koning en tegen Israël. (Hoofdstuk 19). Toch hebben de voorspoed en de vrede deze regering over het algemeen gekenmerkt, zoals we gezien hebben. Syrië was onderworpen. Moab was schatplichtig en Juda, dat een ongekende voorspoed genoot, had zich met Israël verbonden. De koning van Juda was als Achab, zijn volk als Achab’s volk en zijn paarden als Achab’s paarden. Er was zelfs sprake van om naar Ofir te gaan om goud te halen, evenals in de dagen van Salomo. Toch werd het oordeel alleen uitgesteld. En dit uitstel was aan niemand geopenbaard dan aan Elia.

Maar wat was het morele karakter van dit verbond? Achab gaat niet naar Josafat, maar Josafat komt tot Achab. En Josafat vraagt, alsof het een gunst is, of Jahweh geraadpleegd mag worden. Na deze vraag maken de valse profeten gebruik van de naam van Jahweh om het succes van deze onderneming aan te kondigen. Dit was heel natuurlijk, want omdat de Syriërs overwonnen waren en tekort waren geschoten in het nakomen van de verplichtingen die hun bij de vrede waren opgelegd, ging Achab zijn rechten handhaven met behulp van de koning van Juda.

Kortom, de naam van Jahweh was in de mond van de valse profeten. Micha was gekomen (want de koning van Juda voelde zich niet gerust), en kondigde tegenslag aan. Maar het besluit van Achab was genomen en de koning van Juda was door zijn woord aan hem verbonden. Er was geen tijd meer om Jahweh te raadplegen; in zo’n positie naar de waarheid vragen is niets anders dan naar het oordeel informeren, omdat men zich geschaard heeft aan de zijde van de verachter van Gods Woord. Achab was meer consequent dan Josafat. Het geweten van de laatste maakte dat iedereen onrustig en slecht op zijn gemak was, en was zich bewust van zijn eigen dwaasheid. Josafat ter wille zijn en met hem spreken over Jahweh was niets dan wat beleefdheid, en dit was dan ook alles wat Achab voor Josafat deed, behalve dat hij onwillig om Micha had gezonden. Josafat helpt Achab tegen Syrië, hij helpt Joram tegen Moab, maar noch Achab, noch zijn zoon helpen Josafat in enig ding, uitgezonderd om ontrouw aan Jahweh te zijn. Ahazia was inderdaad gewillig om met hem te gaan, maar in werkelijkheid was het hem om het goud van Ofir te doen. Eerder lijkt dit verbond de oorzaak te zijn geweest van dat tussen Moab, Ammon en Seïr tegen Josafat. Gelukkig ging het er toen niet om, Israël te helpen.

Dit is de geschiedenis van gelovigen, die zich verbinden met ongelovigen en ontrouwen. De laatsten zien graag dat we ons met hen verenigen, maar in de waarheid wandelen is een geheel andere zaak. Maar daar gaat het bij hen niet om, want als zij de waarheid doen, houden zij op ontrouwen te zijn. Een ware verbinding zou noodzakelijk Jeruzalem tot het middelpunt van het land hebben gemaakt, want Jahweh en Zijn tempel waren daar. De alliantie van Josafat daarentegen bracht duidelijk naar voren, dat hij deze gedachte geheel had opgegeven, want hij erkende Achab in de positie, waarin deze zich bevond.

Een alliantie tussen waarheid en leugen is niet gelijkheid voor beide partijen. Want door het feit van de verbinding zelf houdt de waarheid op, waarheid te zijn, terwijl de leugen nooit waarheid kan worden. De enige verloren zaak is het gezag van de waarheid, en zijn verplichtstelling.

Ik ben vooruitgelopen op sommige gebeurtenissen, die in het tweede boek Koningen worden genoemd en waar we een groter deel van de geschiedenis van Josafat vinden. Laten we dus nu overgaan tot de bestudering van dit tweede boek.

EINDE 1 KONINGEN

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 2.6

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Dit is de algemene orde in de wegen van God: Hij stelt de zegen eerst afhankelijk van de verantwoordelijkheid van de mens, en vervult ze later naar Zijn raadsbesluiten door kracht en genade. En het moet nogmaals gezegd worden, dat de mens altijd heeft gefaald. Adam zowel als Noach; de mens onder de wet en onder het priesterschap, en zo ook hier de koninklijke macht onder de wet. Daarna Nebukadnezar, die een absolute heerschappij voerde, en tenslotte ook de gemeente. Al in de dagen van de apostelen zochten allen het hunne en niet de dingen van Christus. Desondanks zet God Zijn handelingen van genade voort naast Zijn regering in overeenstemming met de verantwoordelijkheid van de mens. Een regering, die vol is van lankmoedigheid en genade.

2 God deelt het plan van de tempel ook aan David mee en niet aan Salomo. Salomo voltooit deze dingen in heerlijkheid en bezit de noodzakelijke onderscheiding om gerechtigheid en gericht te oefenen, maar in David openbaart zich het verstand (inzicht). Als Christus in heerlijkheid zal regeren en een rechtvaardig oordeel zal uitoefenen, is Hij reeds wijsheid. En in Zijn verbinding met de gemeente in de tegenwoordige bedeling van de genade, worden in feite de mededeling van de voornemens van God en het inzicht in Zijn wegen gevonden.

3 Overweeg hier Openbaring 14:1 en Hebreeën 12:22

4 De positie van Salomo is onze aandacht ten volle waard. Hij heeft Jahweh lief. Hij wandelt in de inzettingen van David. Maar hij verbindt zich niet met de ark, die David in Sion heeft geplaatst. Hij offert op de hoogten. Hoe vaak verzuimen christenen, hoewel ze niet openlijk in zonde leven, het geheim van Zijn wil te kennen en de openbaring die Hij heeft gegeven van Zichzelf, terwijl Hij verborgen is! Voor ons is de tempel niet gebouwd. Wij kunnen tot de ark naderen, (Christus, die verworpen en ten hemel gevaren is) of we kunnen tot het koperen altaar en de hoogten gaan, want dit altaar wordt met hen verward.

5 Hij kwam tot de ark om God te danken, en deed dit onder de invloed van geschonken zegeningen.

6 Ik twijfel er niet aan dat de Heer hierop zinspeelt als Hij zegt: “In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen”. In elk geval doet het ons denken aan het feit, dat behalve de hogepriester ook de andere priesters daar woonden.

7 Het Hebreeuwse woord betekent “naar het huis”, en wordt gebruikt voor “naar binnen”. Maar daar deze Cherubs in het “binnenste huis” zijn betekent het hier “naar buiten”. Ik loop hier wat op de Kronieken vooruit. Dat de Heilige Geest het naar buiten zien van de Cherubim in Koningen niet noemt, is omdat dit gezichtspunt verbonden is met de geschiedenis, zoals die ons wordt meegedeeld in Kronieken, namelijk de regering van de Zoon van David. Omdat in Koningen het typische karakter van het hemelse huis en de heerlijkheid daarvan het onderwerp is, wordt het voorhangsel niet genoemd, noch het feit van de Cherubim. Want die gaven het karakter aan van de regerende macht op aarde. Deze twee dingen vinden we beide in de Kronieken. De voorhang wordt hier in Koningen niet genoemd, maar in plaats daarvan deuren. Ik zeg dit, met het oog op wat in de Kronieken daarover staat geschreven, om een algemene gedachte te geven en, met het doel, tussen de twee verhalen verband te leggen. Ik geef hier nog enkele dingen duidelijker omschreven wat betreft de inhoud van hoofdstuk 6-7, want hiermee houden we ons nu toch bezig. Er zijn drie delen in deze beschrijving: 1. De tempel zelf. Wat deze voorstelt, is al uiteengezet. Het is de woonplaats, het huis van God; er zijn kamers rondom, maar het is het huis van God. Binnen in het huis is alles van goud. Er wordt niets gezegd van het voorhangsel. “Wonen” is hier de gedachte, en niet “nadertreden”. Er zijn deuren die opengaan. 2. De verschillende huizen van cederhout. Hier treedt de koninklijke betrekking van Salomo met de dochter van Farao, in verbinding met de wereld daarbuiten, op de voorgrond, en dit met het oog op de heerlijkheid en de verhevenheid van deze positie. Het is niet de woonplaats van God, maar de positie van de koning, de rechter, en van zijn bruid. Het is Christus in Zijn heerlijke regering. Alles is hecht, heerlijk en groots, zowel binnen als buiten. 3. De vaten van koper, hier zien we, naar de kracht van de Geest van God en op een grootse manier, de openbaring van alles wat tot Zijn regering hier beneden behoort. Alles was van koper. De pilaren zowel als de zee. Er wordt niets gezegd van het altaar, omdat het nadertreden tot God hier niet ter sprake komt. Het is de openbaring van God in Christus, die voor aller ogen in de wereld regeert; goddelijke gerechtigheid in betrekking met de verantwoordelijkheid van de mens, en dus niet de nadering tot God. We zien dus: 1. De woning van God, waar alles goud is: De heerlijkheid van de goddelijke gerechtigheid. 2. Het huis als woning van de koning en de plaats van oordeel; 3. Het huis van zijn bruid. Het is de openbaring van de heerlijkheid van Christus in de bedeling van de heerlijkheid en vervolgens de openbaring, door de kracht van de Geest, van wat Christus in de wereld is. De openbaring van God zelf. Het zilver wordt hier niet genoemd, want dit is het type van de onveranderlijkheid van Gods voornemen en wegen in de woestijn. Het is hier: het goud, het cederen huis en het koper.

In de beschrijving, die in de Kronieken wordt gegeven, is er een altaar en een voorhang, omdat daar het positieve bestuur van de dingen, en de omstandigheden van de regering van de ware Salomo meer naar voren treden. Het is de toestand van de dingen, zoals ze in feite op aarde zullen bestaan, het abstracte beginsel. Een type van de toekomstige openbaring van God zelf en ook van de heerlijkheid van de Koning, hetzij in de woonplaats van God, hetzij op de aarde als zijnde het terrein waar Hij Zichzelf naar de Geest zal openbaren.

8 Dit boek laat ons hier als een plechtige en positieve verklaring van de profeet zien, wat de brief van Jakobus ons leert, dat het antwoord was op het gebed van een man van gelijke bewegingen als wij. Dit is de geschiedenis van alle ware geestelijke kracht. Voor de ogen van de mensen wordt deze openbaar als een eenvoudige handeling, die vergezeld gaat met min of meer werkzaamheid van Gods kant, en als een bewijs van het gezag en de geestelijke kracht van hem, die het instrument is. In feite vloeien al deze dingen voort uit de kracht van het goddelijk leven en uit de gemeenschap met God. Het is de uitdrukking en de vrucht daarvan, maar van Gods kant in kracht uitgeoefend. Zie bijvoorbeeld de woorden van Christus aan het graf van Lazarus. Als deze gevallen ons in de Schrift worden voorgesteld, is het nuttig ze te overdenken. Er zijn meer feiten, die twee gezichtspunten hebben. Historisch bezien, was het zenden van de verspieders naar de wil van God, maar het was oorspronkelijk de vrucht van het ongeloof van het volk. Ongeloof, dat al spoedig zich in gevolgen openbaarde. De reis van Paulus naar Jeruzalem in Handelingen 15 is waarschijnlijk dezelfde als die, waarover hij spreekt in Galaten 2. Maar we vinden in Galaten de beginselen en de beweegredenen, die in Handelingen niet besproken worden.

9 Hoewel Elia gezegd had: “behalve op mijn woord”, is de regen pas gekomen nadat God verheerlijkt was. Elia was als een getuige, de getuige van de regering van Jahweh; van Jahweh, de God van Israël, die door Israël werd veracht. De waarheid en de werkelijkheid van de autoriteit van Jahweh, en de beginselen van Zijn regering worden hier beide gezien.

10 Deze verwijzing naar de soevereine rechten van God en de genadige uitoefening van Zijn kracht buiten de grenzen van Israël, komt meer voor, en is zeer treffend. Vooral hier, waar deze gevolgd wordt door een vernieuwde zegen voor Israël (de twaalf stammen als één geheel gezien). De Heer Jezus verwijst hiernaar in het evangelie van Lukas die de getuige is van dit grote beginsel, met als gevolg hiervan de toorn van de Joden. Hoogmoed is op zijn laagst en slechtst, als deze met een godsdienstige vorm is omkleed.

11 Men ziet hier op wat voor hoogte het uiterlijke leven en de kracht van het geloof kan staan, terwijl het innerlijke leven verzwakt. Op hetzelfde moment dat het meest treffende getuigenis van de tegenwoordigheid van God te midden van het opstandige volk werd gegeven en Elia alle profeten van Baal heeft laten doden door de handen van het volk, faalde dit geloof voor een enkele bedreiging van Izebel. Zijn innerlijk leven was, in evenredigheid met zijn uiterlijk getuigenis niet door het geloof ondersteund. Zijn getuigenis prikkelde de vijand op een wijze waarop zijn persoonlijk geloof niet was voorbereid. Dit is een ernstige les. De zachte en tedere stem, die zonder dat hij het wist nog steeds onder het volk werd gehoord, had misschien niet voldoende invloed op zijn hart, waar het vuur en de onstuimige manifestaties te veel plaats hadden ingenomen. En zo erkende hij de genade niet, die zich nog steeds met het volk bezighield. Hij kon haar ter wille van de zevenduizend getrouwen, niet liefhebben zoals God ze liefheeft, noch hopen zoals de liefde hoopt. Helaas! Wie zijn wij, zelfs als we zó dicht bij God zijn! En als hij voor God komt, toont hij in zijn klacht op droevige wijze zijn egocentrische natuur. En dit bij een zó bevoorrecht man! “Ik” heb zeer geijverd,” zo sprak hij, “zij hebben uw altaren omgeworpen en uw profeten gedood.” Dit zei hij op hetzelfde tijdstip, dat hij het altaar van Baal had omgeworpen en de priesters had gedood! En “Ik” alleen ben overgebleven. Wat een echt vernederend getuigenis.

12 Hier zien we ook een onderscheid tussen Mozes en Elia, want toen Mozes bemiddelde tussen God en het volk, verloochende hij zichzelf.

13 Toch was de Baäldienst niet beëindigd.