28. Klaagliederen
28. Klaagliederen · uit de ‘Synopsis’ deel 4 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Hoofdstuk 1-2
Door de Klaagliederen van Jeremia wordt de deelname van God in de droefheid van Zijn volk ten gevolge van zijn zonde, op een ontroerende wijze tot uitdrukking gebracht. Om de draagwijdte van dit boek te begrijpen zullen wel niet veel opmerkingen nodig zijn. Enkele overdenkingen zullen echter toch nuttig zijn, om hierdoor het ware karakter van het boek en het verband met wat ons elders van de wegen van God wordt geopenbaard, aan te tonen.
Het eerste belangrijke punt, waarop ik al gezinspeeld heb, is dat de droefheid van het volk niet ontsnapt aan het oog van God. In al de benauwdheden van het volk is Hij benauwd, want Zijn Geest neemt er kennis van. En terwijl Hij in het hart werkt van hen van wie Hij de mond gebruikt, geeft Hij aan de gevoelens van smart, die Hij daar bewerkt, de vrije loop. Zo heeft Christus ook geweend over de hardheid van het hart van Jeruzalem, en zijn inwoners uitgenodigd met Hem te wenen. En hier ook zien we, dat Zijn Geest niet alleen berispt en toekomstige dingen openbaart, maar ook dat Hij komt om aan de smart van hen die liefhebben wat God liefheeft, een vorm te geven. Hij Zelf brengt die smart tot uitdrukking. Niets is aangrijpender dan het gevoel, dat in het hart is voortgebracht door de overtuiging, dat hij, die bedroefd is, het voorwerp is van de genegenheden van God, en dat God liefheeft wat Hij heeft moeten slaan, en dat Hij heeft moeten slaan wat Hij liefheeft.
Als de profeet de ramp van Jeruzalem schildert erkent hij, dat ze veroorzaakt is door de zonde van het volk. Kon dat de smart van zijn hart verminderen? Enerzijds wordt hij erdoor verlicht, maar anderzijds wordt hij erdoor vernederd en voelt de noodzaak zijn aangezicht te bedekken. De hoogmoed van de vijand en zijn vreugde bij het zien van de droefheid van de geliefde van God, geeft aanleiding tot het inroepen van ontferming voor de bedroefde, en van het oordeel over de boosheid van de vijand. Aan het eind van het eerste hoofdstuk zien we, dat het volk een beroep doet op Jahweh, opdat Hij zijn droefheid zou aanzien en hen zou oordelen die het in hun boosheid gestraft hadden. Maar eerst wordt ten volle beleden, dat het de zonde van Juda was, die het kwaad over het volk deed komen en dat Jahweh rechtvaardig was.
Hoofdstuk 2 is een zeer diep en ontroerend beroep op Jahweh. De verwoesting van Jeruzalem wordt als het werk van Jahweh Zelf gezien ten aanzien van wat van Hem was, en niet als het werk van de vijand. Nooit was er een zo grote droefheid geweest. Jahweh had niet alleen het koninkrijk en zijn vorsten ontheiligd en Zich als een vijand tegenover alles wat er goed in was gedragen, maar Hij had ook Zijn altaar verworpen en Zijn heiligdom verstoten. Hij eerbiedigde niet meer wat Hij Zelf had opgericht.
Alleen moeten wij eraan denken, dat het hier gaat om het tijdperk van het oude verbond, toen de relaties van Jahweh met Zijn volk (hoe groot de lankmoedigheid van God ook geweest mag zijn) afhingen van de getrouwheid van het volk ten opzichte van de gehoorzaamheid aan Jahweh, maar deze overweging geeft aanleiding tot het doen van een beroep op God Zelf. Toch is het een ernstige zaak als Jahweh genoodzaakt wordt te verwerpen wat Hij als het Zijne erkent. Maar dit moet, als het gebruik van Zijn Naam niets anders is geworden dan een middel om het getuigenis van wat Hij is te vervalsen (verzen 6-7). En dit laat ons het beginsel van het hoogste belang zien, dat in de bediening van Jeremia vervat is. Namelijk niet alleen, dat Jeruzalem en de regering van God in Israël vervangen worden door Babel en de wereldmacht van de volken. Maar ook de terzijdestelling van Gods regering in Israël, die op zichzelf de grondslag vormde van de relaties van God met de mens, daar waar deze relaties bestonden als datgene wat niet bestaan kon toen het op de proef gesteld werd.
Hoofdstuk 3
In dit hoofdstuk vinden wij de taal van het geloof, van het geloof dat lijdt, van de Geest van Christus in het overblijfsel, als het oordeel over Jeruzalem, waar God had gewoond, komt. Tevoren sprak eerst nog de profeet (of de Geest van Christus in hem) in de naam van Jeruzalem en betreurde haar ongeluk en erkende haar zonde, terwijl hij een beroep op Jahweh deed tegen zijn vijanden. Hij herinnert eraan wat Hij gedaan had in het verwerpen van Zijn heiligdom en dan drukt hij, van hoofdstuk 2:11 af, de diepte van haar smart uit bij het zien van het kwaad. Maar in hoofdstuk 3 plaatst hij zichzelf in het midden van het kwaad om de gevoelens van de Geest van Christus tot uitdrukking te brengen. Weliswaar niet op een volstrekte wijze in overeenstemming met de volmaaktheid van Christus Zelf. Maar als werkend in het hart van de profeet (zoals dit in het algemeen het geval is bij Jeremia) en zijn persoonlijke droefheid uitdrukkend (een droefheid door de Geest gewerkt, maar gekleed in de gevoelens van het hart van de profeet zelf) om weer te geven wat praktisch in het hart van een getrouwe Israëliet omging. De werkelijkheid hiervan was het meest verhevene in deze dag van angst en droefheid, waarin helaas van de zijde van het volk niet meer hoop was te verwachten dan van de vijanden die het aanvielen. Het hart van de getrouwe leed hierin zonder enige hoop op redding, hoewel meer met het oog op een volk, dat niet luisterde naar de stem van Jahweh, dan wegens de vijanden die verwekt waren om het oordeel uit te voeren. Wat heeft Christus niet geleden! Alles wat Zijn Geest voortbrengt in het midden van menselijke zwakheid heeft Hij Zelf, in al de uitgestrektheid ervan, ondergaan en gevoeld. Alleen, Hij was volmaakt in alles waardoor Zijn hart in Zijn droefheid ging.
Wij zien dus in hoofdstuk 3, hoe de profeet – door de Geest van Christus – tot uitdrukking brengt alles wat hij in zijn eigen persoon ondervond, als deelhebbend aan de droefheid van Israël en als iemand die tegelijkertijd het voorwerp was van hun vijandschap. Deze positie was opvallend gelijk aan die van Christus. Welk lijden kan vergeleken worden met het lijden van hem, die deelt in het lijden van het volk van God, zonder het kwaad te kunnen keren, omdat het volk weigert te luisteren naar de boodschap, die God tot dit volk zendt? Van hem, die deze droefheid in zijn hart draagt, in het bewustzijn, dat, als dit dwaze volk maar had willen luisteren, de toorn van God gekeerd zou zijn? Het was het klaaglied van Christus Zelf: “Och, mocht op deze <uw> dag ook u erkennen!” In het algemeen deelt Jeremia dezelfde gevoelens.
Maar wij zien hem meer als iemand die deel uitmaakt van het volk en persoonlijk deelt in de gevolgen van het kwaad, terwijl hij zichzelf ook onder deze gevolgen ziet, samen met het volk, omdat zij zijn getuigenis verworpen hadden. Dit kan ook van de Heer gezegd worden tegen het einde van Zijn leven, of aan het kruis. Maar we zien, dat dit gevoel bij de profeet (zoals dat enigszins in het geval van Job is gebeurd) de vorm van een persoonlijk gebed aanneemt, dat klaagt over zijn eigen lijden. Jeremia leed om het getuigenis en om de verwerping van dit getuigenis. De eerste negentien verzen van hoofdstuk 3 tonen ons die toestand. Het is volkomen de geest van het overblijfsel, die – behalve het gevoel waarvan ik zoeven sprak – in zeer vele psalmen tot uitdrukking komt. Christus heeft – indien wij het kruis in aanmerking nemen – dit alles doorgemaakt 1.
De profeet drukt zich uit als iemand, die de diepe smart van wat Jahweh Jeruzalem heeft laten ondergaan, in zijn eigen hart gedragen heeft. Maar hij voelt dit als iemand die God als zijn God kent, zodat hij kan voelen wat het betekent het voorwerp van Zijn toorn te zijn. Hij lijdt met Jeruzalem en hij lijdt voor Jeruzalem. Maar de waarheid van deze betrekking met Jahweh, hoewel ze zijn droefheid nog groter maakte, ondersteunde hem ook (vers 22). Hij begint te voelen dat het ten slotte beter is met Jahweh te doen te hebben, hoewel dit aan de andere kant alles nog smartelijker maakte. Hij voelt dat het goed is bedroefd te zijn en zich voor het aangezicht van Hem op te houden, Die slaat, want Jahweh zal niet voor altijd verstoten. Hij bedroeft niet, omdat Hij daarin een welbehagen heeft, maar omdat het nodig is. Waarom zou men klagen over de tuchtiging over zijn zonden? Beter is het tot Jahweh Zelf terug te keren 2. De profeet moedigt Israël aan zich te bekeren en terwijl hij de smart van zijn volk in tranen herdenkt, is zijn geloof werkzaam, totdat Jahweh ingrijpt. Het is goed dat zo’n smart gevoeld wordt. Het enige gevaar is als het toegelaten wordt om het vertrouwen in Jahweh Zelf te verzwakken.
De profeet herinnert aan de droefheid van Jeruzalem. Als hij aan de wijze denkt, waarop hijzelf geholpen is, dan rekent hij zozeer op de goedheid die hijzelf ervaren heeft, dat hij in de zekerheid bevestigd wordt, dat God dezelfde goedheid zal tonen tegenover het volk. Maar over de trotse en onbeschaamde lieden, die de waarheid afwijzen en van wie de vijandschap tegen God openbaar wordt in de vijandschap die zij tonen tegenover hen die hun Zijn Woord brengen, roept hij het oordeel van God in 3. Zo verlicht in zijn geest, en zijn hart vervuld met het bewustzijn, dat het feit, dat het kwaad van Jahweh kwam, het verdriet zo groot maakte, maar tegelijk een troost was, kan hij tot zijn persoonlijke droefheid terugkeren, om er de omvang van te bepalen. Zijn zielsmart had hem dit belet, totdat hij tot de ware bron ervan kwam. Nu is hij in staat om bij de bijzonderheden ervan stil te staan, weliswaar niet zonder veel lijden, maar toch rustiger, omdat zijn hart bij God is. Het gevoel van onrust en smart, dat men krijgt bij het eraan denken dat het oordeel van God komt over wat Hij liefheeft, is niet zondig, hoewel in het geval van Jeremia het hart hem soms begeven had.
Het is goed, dat men bedroefd en als het ware in de war gebracht is als men ziet, dat God misschien niet de relaties, maar wel zijn tegenwoordige verbinding verbreekt, met wat het voorwerp van Zijn gunst was, dus wat Zijn Naam en Zijn getuigenis droeg. Christus heeft dit voor Zichzelf gevoeld, maar in Hem ging de smart veel verder. “Nu is Mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit dit uur”. Alleen bij Christus is alles volmaakt. En als Hij op volmaakte wijze een diepe droefheid voelt bij het zien, dat het voorwerp van de liefde van God het voorwerp wordt van Zijn oordeel (een onvergelijkelijke smart, omdat Hij in overeenstemming met de volmaaktheid van de wegen van God ziet), dan kan Hij zeggen: “Maar daarom ben Ik in dit uur gekomen. Vader, verheerlijk Uw Naam!” Hij was Zelf het noodzakelijke voorwerp van al de liefde van God en daarom was Hij, indien het oordeel werd uitgevoerd om God te verheerlijken, ook het voorwerp van een volmaakt oordeel, dat wil zeggen van een volkomen verlaten zijn van de zijde van God. Het verschrikkelijke in deze gedachte is, dat de verandering van de positie, waarin Christus tot God stond, in Zijn geval een absolute en volmaakte verandering was, in overeenstemming met de voortreffelijkheid van de bestaande betrekking tussen Hen. Hij heeft het door God verlaten zijn ondergaan, in plaats van te genieten van de oneindige gunst, die Hij kende.
Iets soortgelijks zien we in het geval van Jeruzalem. Jeremia voelde, door de Geest van Christus, de kostbaarheid van deze betrekking, waarin de stad stond met Hem, Die Zijn Naam in haar had doen wonen. Hij ging in dit alles in als iemand die er deel van uitmaakte. Hij lijdt met wat op deze wijze door God geoordeeld wordt. Alleen moet hij, al wordt hij door de Geest van Christus gedreven, het evenwicht van zijn gedachten vinden. Hij moet Jahweh zoeken om Zijn positie en Zijn handelingen in verbinding met de droefheid van Zijn volk te zien. Dit moet hij doen te midden van al zijn persoonlijke smart en de ware maar menselijke werkingen van een hart, dat geschokt en neergedrukt is door de omstandigheden. Hij maakt zich één met Jeruzalem en steunt op haar positie voor het aangezicht van God. Maar hij doet dit niet alleen en absoluut voor God, en zoals God Zelf, zoals we dat zien bij onze dierbare Verlosser. Er was een voorwerp tussen zijn ziel en God (een voorwerp dat ook door God geliefd werd), maar dat Jeremia niet op absolute wijze in God en met de liefde van God beminde. Daarom moest de plaag dit voorwerp treffen – terwijl Jeremia in en met Jeruzalem was. Ze moest zijn hart in deze plaats zelf treffen, opdat God hem tot Zich zou kunnen trekken en hem in staat stellen alles uit het gezichtspunt van Jahweh te zien. Maar Christus Zelf was op die plaats op een absolute wijze, voor de verheerlijking van God en het heil van anderen. Hij moest voor het aangezicht van God het geoordeelde zijn, waarvan Hij persoonlijk, zelfs als mens, oneindig ver verwijderd was. Terwijl Hij altijd volmaakt is, leert Hij in de meest volstrekte zin wat het betekende om op die wijze voor het aangezicht van God te zijn en Hij verheerlijkt God daar op volmaakte wijze. Maar niemand kan dit doorgronden, al weten wij dat het zo is. In Jeremia was het ware fundament aanwezig en hij vindt Jahweh, eerst ondanks de droefheid, maar spoedig ook in de droefheid zelf en hij herstelt zich door de macht van God meteen, niet van de droefheid, maar in de droefheid. Christus kan zeggen: “Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenverzamelen!” Dat was de liefde van God. Jeremia belijdt de zonde en moet haar belijden, omdat hij op de plaats van de zonde zelf is, al was hij daar een getuige van God. Maar deze gedachte verandert in zoverre het karakter van de gevoelens (Zie hoofdstuk 1:19-20).
Christus zocht naar niets dat Hem zou kunnen helpen, alsof Hij Zelf deel gehad had aan de zaak. Zijn verdrukking was ongedeeld, en uitsluitend voor Hem Zelf. Dieper (want wie kon in haar delen) maar volmaakt, omdat ze alleen voor Hem was. Dit zien we ook in Johannes 12, als het Hem persoonlijk betreft, want dit Evangelie stelt de oude wijnstok als verworpen ter zijde. Hij kan niet wensen, dat het uur van het verlaten zijn van God zal komen. Hij moest vrezen, Hij moest ontroerd worden en daarom werd Hij verhoord. Maar het is een aangelegenheid tussen God en Hemzelf. Geen enkele andere gedachte komt ertussen, Hij heeft het volkomen alleen met God te doen. Had het anders kunnen zijn, dan was alles verloren geweest. Nee, het is de volmaakte onderwerping van de volmaakte Mens, Die er uitsluitend op uit is, dat de Naam van God wordt verheerlijkt in overeenstemming met de volmaaktheid van God Zelf, welke prijs Hij hiervoor ook zou moeten betalen. Nu handelt Hij niet als God, Die noodzakelijkerwijs de eer van Zijn Naam moet handhaven, maar als Iemand Die Zich aan alles onderwerpt, Zichzelf offerend, opdat God Zijn Naam kan verheerlijken. Dit is de reden, waarom Hij als mens op de hoogste wijze verheerlijkt werd: een heerlijke verborgenheid waaruit de heerlijkheid van God van eeuwigheid tot eeuwigheid zal uitstralen.
Hoofdstuk 4
Nu Jeremia Jahweh in de bezoeking gevonden heeft, weegt hij rustig de draagwijdte van deze bezoeking af. Maar dat is op zichzelf al een verlichting. Want ten slotte is Jahweh, de Onveranderlijke, er om het hart te troosten. En dit is het onderwerp van hoofdstuk 4. De profeet laat alles nog eens aan zijn geest voorbijgaan en vergelijkt de toestand, toen Jeruzalem de zegeningen van Jahweh genoot met datgene wat Zijn toorn bewerkt heeft. Het gaat niet alleen meer om de drukkende omstandigheden van het ogenblik, maar ook om wat Jeruzalem vroeger voor God was.
De Nazireeërs gaan aan zijn geestesoog voorbij (vers 7). Dan wat Jeruzalem als stad van de grote koning, zelfs in de ogen van zijn tegenstanders geweest was. Dan de gezalfde van Jahweh, onder wiens schaduw het volk had kunnen leven (zoals wij dit al gezien hebben), hoewel de volken de macht hadden, maar die nu gevangen was in hun groeven, als de prooi van een jager. Maar de bedroefde geest van de dienstknecht van God, die de last van zijn volk draagt, waardeert nu niet alleen de bezoeking die hem drukt naar haar juiste waarde, maar ook de positie van de vijanden van Jeruzalem en die van de geliefde stad zelf. Ja, hij die her en der door de straten van Jeruzalem had gelopen om één rechtvaardige te vinden, die ziet thans, dat de vijanden het bloed van de rechtvaardigen in het midden van de stad vergoten hebben (vers 13 en Jeremia 5:1). De beker van de toorn van God zal komen tot Edom, die zich verblijdt over de verwoesting van de stad van Jahweh. En wat Sion betreft, het heeft ongetwijfeld deze beker tot de laatste druppel moeten drinken. Maar als het dit dan ook gedaan heeft, dan was dat, opdat ze er nooit meer uit hoefde te drinken. De straf voor zijn ongerechtigheid is ten einde, het zal niet meer als gevangene worden weggevoerd. Voor Sion is alles beëindigd. Zij heeft de beker gedronken, die zij erkende verdiend te hebben (Zie hoofdstuk 4:11; 1:18,20). Maar de zonde van het hoogmoedige Edom zal blootgelegd worden. God zal zijn ongerechtigheid bezoeken.
Hoofdstuk 5
Nu kan de profeet de hele verdrukking van het volk, als voorwerp van medelijden en barmhartigheid, aan God voorstellen. Dit is een stap verder op de weg van de grote oefeningen van zijn hart. Hij is in vrede met God, en in Zijn tegenwoordigheid. Het is niet meer een hart, dat strijdt met de nood, die in het binnenste van zijn ziel is. Alles wordt erkend en beleden voor het aangezicht van Jahweh, Die ten opzichte van Zijn volk getrouw is, zodat het hart de aandacht van God kan vestigen op de bezoeking van Zijn volk, opdat Hij, naar de grootheid van Zijn barmhartigheid, Zijn lijdenden zou gedenken. Want Jahweh is steeds onveranderlijk Dezelfde (hoofdstuk 5:19,20,21). De verdrukking wordt onverminderd gevoeld, maar God wordt in deze droefheid ingevoerd. En omdat alles voor het aangezicht van Hem in herinnering gebracht en geoordeeld is, en alles wat gebeurd was opgehelderd is voor het hart, rust Jeremia in de normale eeuwige relaties, die tussen God en Zijn geliefde volk bestaan. Hij sluit zich in bij de directe relaties met zijn God en maakt, omdat hij zich in deze relaties bevindt, gebruik van Gods goedheid om in de bezoeking van het geliefde volk een aanleiding te vinden om Zijn aandacht daarop te vestigen. Dit is de ware positie van het geloof, die het bereikt als het resultaat van zijn oefeningen voor het aangezicht van God, bij het zien van de bezoeking van Zijn volk; een bezoeking, die des te dieper is, omdat ze veroorzaakt wordt door de zonde.
Dit boek van de Klaagliederen is een merkwaardig boek, omdat men er de uitdrukking in vindt van de gedachten van de Geest van God, namelijk die gedachten die voortgebracht zijn in personen onder Zijn invloed, de vaten van Zijn getuigenis, toen God heeft moeten terzijde stellen, wat Hij als het Zijne in de wereld had opgericht. Iets soortgelijks vindt men niet binnen het hele terrein van de openbaringen en genegenheden van God. Hij zegt Zelf: hoe zou Hij het voorwerp van Zijn genegenheden als Adama en Zeboïm kunnen behandelen! Christus heeft dit verlaten zijn op volkomen wijze doorgemaakt. Maar Hij is er in Zijn eigen volmaaktheid met God doorgegaan. Ten opzichte van Jeruzalem heeft Hij op dezelfde wijze gehandeld en heeft erover geweend. Maar hier bij Jeremia vindt men een mens, die elke hoop verloren heeft, dat God ten gunste van Zijn volk zal bemiddelen. Maar God verlaat geen man, die tot dit volk behoorde; die hen liefhad, en die begreep dat ook God dat deed en dat het volk het voorwerp was van Zijn genegenheid! Jeremia was een deel van het volk. Hoe kon hij dan de gedachte verdragen, dat God het verworpen had? God zal het zonder twijfel herstellen. Maar daar waar God het had geplaatst was elke hoop, voor altijd, verloren. Maar in de tegenwoordigheid van de Heer is de hoop nooit verloren. Met het oog hierop zijn al die oefeningen van het hart nodig, totdat het hart volkomen kan inkomen in de gedachten en de genegenheden van God Zelf. Maar dit is altijd waar.
De Geest geeft ons hier een beeld van al deze beproevingen. Wat een genade te zien, dat de Geest van God Zich met al deze bijzonderheden bezighoudt. Dus niet alleen met die van de wegen van God, maar ook met datgene wat er in een hart plaatsvindt, waarin door genade het oordeel van God wordt gevoeld, totdat in de tegenwoordigheid van God Zelf alles zijn plaats krijgt. Inspiratie van het Woord geeft ons niet alleen de volmaakte gedachten van God, en Christus als de volmaaktheid van de mens voor God, maar ook alle oefeningen, die in onze arme harten worden gewerkt, als de volmaakte Geest erin werkt, voor zover deze gedachten (hoe verschillend zij ook mogen zijn) in de grond van de zaak betrekking hebben op God, of door Hem zijn teweeggebracht. Zo getrouw zorgt Hij voor ons. Hij luistert naar onze verzuchtingen, hoewel hier veel onvolmaaktheid bij is en veel van ons eigen hart.
Dit is het, wat we vinden hier in de Klaagliederen, in de Psalmen en andere Schriftplaatsen en in zeer rijke mate, hoewel op een andere wijze, in het Nieuwe Testament.
EINDE KLAAGLIEDEREN
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 4.3
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- Gij troost mij (Klaagl.), J.N. Voorhoeve (in: Overdenkingen over Jesaja, Jeremia en Klaagliederen)
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten:
1 Ik voeg eraan toe: “Indien wij het kruis in aanmerking nemen”, omdat, hoewel Christus al veel van deze smarten voelde toen Hij dichter bij het kruis kwam, er uitdrukkingen zijn die alleen op Christus toegepast kunnen worden, toen Hij leed op het kruis zelf. De juiste en rechtstreekse toepassing is op het overblijfsel, zoals dit het geval is in de psalmen, en op Jeremia in het bijzonder.
2 We vinden hier een beginsel, dat zeer belangrijk en leerzaam is. Ik zal dit nog wat meer in bijzonderheden uiteenzetten. De beginselen komen in de tekst zelf voor. Als Jahweh Zijn eigen altaar slaat, en ook al de heilige dingen, die Hij Zelf in het midden van Zijn volk had opgericht, als teken, dat ze van Hem Zelf waren, en de uitwendige band met Hem als hun God, dan brak de vernietiging van deze dingen die uitwendige band, voor zover de geboden van God gingen, en maakte een eind aan de verbinding. En dit was voor het getrouwe hart van Jeremia, als een van dit volk en levend in die band, een oorzaak van de diepste nood. Maar zijn verbroken hart bracht hem ook, toen zijn smart het grootst was geworden, tot Jahweh van Wie alle voorschriften kwamen, Jahweh, door het hart van de profeet gekend, neemt dan de plaats in van de geboden, waardoor het volk aan Jahweh verbonden was, en dat hart stort zich – met vertrouwen – uit in de boezem van Hem, Die in en boven deze banden te vinden was. Hij voelt en spreekt vanuit de plaats van de smart, maar zijn ziel is verootmoedigd in hem, als hij in zo’n persoonlijke verbinding met Jahweh staat en zo heeft hij hoop. En dit is een zeker en stevig anker van het geloof, als God onze Vader werkelijk gekend wordt. Zie verzen 22-26. De profeet is verootmoedigd en gebroken, maar Jahweh is voor zijn ziel en wordt door hem gekend, zelfs dan als hij op Hem moet wachten (verzen 27-30). Maar Jahweh is voor zijn aangezicht, Jahweh bedroeft niet van harte. Nu is de profeet rustiger en gaat zijn eigen wegen onderzoeken en doorzoeken (verzen 39-42). Tegelijkertijd ziet hij de smart op een volkomen wijze (verzen 42-49). Maar nu is Jahweh in zijn hart en ook het “totdat” (vers 50) van het geloof waarvan de verzekerdheid uit de natuur van God Zelf voortkomt. De profeet zelf, die in zijn persoonlijke omstandigheden in de uiterste nood was geraakt, had Jahweh aangeroepen. Deze was tot hem genaderd en had de aangelegenheid van zijn hart ter hand genomen. En nu wacht de profeet tot Jahweh Zijn oordeel over Zijn onmeedogende en onrechtvaardige vijanden laat komen. Zonder twijfel is het roepen om het oordeel kenmerkend voor de relaties van Jahweh met Israël. Toch zal dit oordeel over al de open vijanden van de Heer komen.
3 Wij zien hoe in dit alles de geest van deze Schriftplaatsen op wonderlijke wijze in overeenstemming is met de geest van de psalmen, wat inderdaad zeer natuurlijk is. In wat wij gezegd hebben over de psalmen, hebben wij al gezien wat Christus in die omstandigheden heeft ervaren. Hij is in genade en volmaaktheid door al de beproevingen, die aan die omstandigheden verbonden zijn, heengegaan. Jeremia en het overblijfsel zijn die beproevingen doorgegaan opdat zij in hun toestand en gevoelens met betrekking tot die beproevingen volmaakt gemaakt zouden worden. Zie wat volgt in de tekst.