45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)

45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15) · uit de ‘Synopsis’ deel 5 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Mattheüsevangelie

Laten we nu het Evangelie van Mattheüs overdenken. Dit Evangelie stelt ons Christus voor als de Zoon van David, en van Abraham. Dus in verbinding met de beloften die aan Israël waren gegeven. Maar dit niet alleen. We zien Hem tevens als de Immanuël; Jahweh, de Verlosser. Want dat was de Christus inderdaad. Als Hij was aangenomen, zou Hij de beloften vervuld hebben ten gunste van het beminde volk. Nu zal dat in de toekomst gebeuren. Het Evangelie van Mattheüs is in werkelijkheid de geschiedenis van de verwerping van Christus door het volk. En als gevolg daarvan, ook de geschiedenis van het volk, voorzover het hun verantwoordelijkheid betreft, want de raadsbesluiten van God kunnen niet falen. Tenslotte wordt nog meegedeeld wat God, naar Zijn raadsbesluiten, in de plaats van Israël zou stellen gedurende de verwerping van dat volk.

Naarmate het karakter van de Koning en van het koninkrijk zich openbaart, en de aandacht trekt van de leidslieden van Israël, openbaren deze tegenstand. En daardoor beroven ze zichzelf, en het volk dat hen volgt, van al de zegeningen die met de aanwezigheid van de Messias verbonden zijn. De Heer laat hen de gevolgen daarvan zien en toont Zijn discipelen de positie van het koninkrijk, dat na Zijn verwerping op aarde, zou worden opgericht, en tevens de heerlijkheid die eruit zou voortvloeien voor Hemzelf en voor Zijn volk met Hem. En tevens wordt dan in Zijn persoon en in verbinding met Zijn werk, het fundament van de Gemeente geopenbaard zoals deze door Hemzelf zou worden gebouwd. Kortom: tengevolge van Zijn verwerping door Israël, wordt eerst het koninkrijk geopenbaard zoals het nu bestaat (hoofdstuk 13); vervolgens de Gemeente (hoofdstuk 16); en dan het koninkrijk zoals het in heerlijkheid zal worden opgericht (hoofdstuk 17). Aan het eind van het Evangelie wordt dan, na Zijn opstanding, een nieuwe opdracht, die alle volken omvat, aan de apostelen gegeven. Zij worden uitgezonden door de Heer Jezus als de Opgestane 9.

Hoofdstuk 1

Omdat de Geest van God in dit Evangelie Jahweh wil voorstellen als de vervuller van de beloften die aan Israël gegeven zijn, en van de profetieën die in verbinding staan met de Messias, (en iedereen moet wel getroffen worden door de vele heenwijzingen naar de vervulling), vinden we eerst het geslachtsregister van de Heer. Hij is de Zoon van David en de Zoon van Abraham, de twee bronnen, waaruit het Messiaanse geslachtsregister voortspruit en aan wie de beloften gegeven waren. De geslachtslijst is verdeeld in drie delen, overeenkomstig de drie grote perioden in de geschiedenis van het volk, namelijk vanaf Abraham tot de vestiging van het koningschap in de persoon van David, vanaf de instelling van het koningschap tot de ballingschap, en vanaf de ballingschap tot Jezus.

We moeten opmerken, dat de Heilige Geest in dit geslachtsregister de droevige zonden vermeldt, die begaan zijn door de personen van wie de namen worden genoemd. Hoe wordt de soevereine genade van God hierin grootgemaakt, die een Verlosser kon geven in verbinding met zonden zoals van Juda, misdaden als van David, en een arme Moabitische vrouw die in het midden van het volk wordt gebracht.

Het geslachtsregister dat Mattheüs geeft is het wettelijke, dat is dat van Jozef, want volgens de joodse wet is Christus zijn rechtmatige erfgenaam. De evangelist heeft drie koningen uit de familie van Achab overgeslagen, om in elke periode 14 geslachten te hebben. Joahaz en Jojakim worden eveneens weggelaten. Maar het doel van het geslachtsregister wordt daardoor niet veranderd. Dat was, het zo te geven zoals het door de joden werd erkend, en zij kenden alle koningen goed.

Mattheüs haalt in het kort de feiten aan, die betrekking hebben op de geboorte van Jezus. Deze zijn van grote en eeuwige waarde. Niet alleen voor de joden, die er onmiddellijk belang bij hadden, maar ook voor ons. God heeft Zich verwaardigd, om daarin Zijn heerlijkheid te verbinden met onze belangen, dat wil zeggen met de mens.

Maria was ondertrouwd met Jozef en dientengevolge was haar nakomelingschap wettelijk dat van Jozef, wat de erfrechten betrof. Maar het kind dat zij in haar schoot droeg, was van goddelijke oorsprong; ontvangen door de kracht van de Heilige Geest. De Engel van de Heer wordt, als werktuig van de voorzienigheid, tot Jozef gezonden om zijn gevoelig geweten en oprecht hart gerust te stellen, door hem mee te delen dat wat Maria ontvangen had, van de Heilige Geest was.

We moeten hier opmerken, dat de Engel bij deze gelegenheid Jozef aanspreekt als “zoon van David”. De Heilige Geest richt hier onze aandacht op de familieverhouding van Jozef, (die voor de vader van Jezus werd gehouden) met David. En Maria wordt zijn vrouw genoemd. Tegelijkertijd geeft de Engel de naam voor het kind dat geboren zou worden. “Jezus” betekent “Jahweh de Verlosser”. Hij past die naam toe op de verlossing van Israël uit de toestand waarin de zonde dit volk had gebracht 10.

Al deze dingen gebeuren, opdat vervuld zou worden wat Jahweh door de mond van Zijn profeet had gesproken: “Zie, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en men zal Hem de naam Emmanuel geven”, dat is vertaald: God met ons.

Dit is het dus, wat de Geest van God ons in deze enkele verzen laat zien: Jezus, de Zoon van David, ontvangen door de kracht van de Heilige Geest; Jahweh, de Verlosser, die Israël van hun zonden bevrijdt; God met hen (Emmanuël); Hij die deze wondere profetieën vervulde die in mindere of meerdere duidelijkheid de schets gaven van wat de Heer Jezus alleen kon zijn.
Jozef, een rechtvaardig mens, eenvoudig van hart en gehoorzaam, onderscheidt zonder moeite de openbaring van de Heer en gehoorzaamt Hem.

De titels, hierboven genoemd, laten ons het karakter van dit Evangelie zien, dat is, de wijze waarop Christus erin wordt voorgesteld. En hoe wonderbaar is deze openbaring van Hem, door Wie de woorden en beloften van Jahweh zouden worden vervuld! Wat een fundament van waarheid, voor het verstaan van wat deze heerlijke en geheimenisvolle Persoon was! Het Oude Testament had genoeg van Hem gezegd, om het verlangen van het volk waaraan Hij gegeven was, op te wekken en hun gedachten in verwarring te brengen!

Geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, erfgenaam van al de rechten van David naar het vlees, maar tevens de Zoon van God, Jahweh de Verlosser, God met Zijn volk: Wie kon de verborgenheid omvatten of doorgronden van de natuur van Hem, in Wie dit alles was verenigd? Zoals we zullen zien, openbaart Zijn leven inderdaad de gehoorzaamheid van de volmaakte mens, de volmaaktheden en de macht van God.

De titels die we zo juist hebben genoemd, en die we lezen in hoofdstuk 1:20-23, zijn verbonden met Zijn heerlijkheid in het midden van Israël. Dat is, als de erfgenaam van David, Jezus, de Verlosser van Zijn volk, en Emmanuël. Door Zijn geboorte uit de Heilige Geest, werd Psalm 2:7 vervuld, dat slaat op Hem, als mens op aarde geboren. De naam “Jezus” en Zijn ontvangenis door de kracht van de Heilige Geest, gaan ongetwijfeld verder dan deze verhouding, maar worden ook op een bijzondere wijze verbonden met Zijn positie in Israël 11.

Hoofdstuk 2

Op deze wijze geboren, zodanig door de Engel aangekondigd en de profetieën die de aanwezigheid van Emmanuël aankondigden vervullende, wordt Hij door de volkeren, die geleid zijn door de wil van God, werkende in de harten van hun wijze mannen, officieel erkend als Koning der Joden 12.

Dat wil dus zeggen, dat de Heer: Emmanuël, de Zoon van David, Jahweh de Verlosser, de Zoon van God, geboren Koning der Joden erkend wordt door de hoofden van de volkeren. En dit is het getuigenis van God in het Evangelie van Mattheüs en het karakter waarin Jezus hier voorgesteld wordt. En we zien de oversten van de Joden, geopenbaard door de aanwezigheid van de Heer, in verbinding staan met een vreemde koning, wel de openbaring van God in Zijn Woord als een stelsel wetende, maar volkomen onverschillig voor Hem, die het voorwerp van deze openbaring is; en deze koning, de verbitterde vijand van de Heer, de ware Koning en Messias, zoekt Hem te doden.
God waakt in Zijn voorzienigheid over het Kind dat aan Israël is geboren. Hij maakt gebruik van middelen, die de verantwoordelijkheid van het volk geenszins opheffen, en die tegelijkertijd al Zijn plannen voltooien in verbinding met dit enig ware overblijfsel van Israël, de enige ware hoop van het volk. Want buiten Hem moet alles vallen en de gevolgen dragen van het feit, dat zij met het volk verbonden zijn.

Naar Egypte gegaan om de wrede opzet van Herodes, om Hem te doden, te ontwijken, wordt Hij de ware Wijnstok. Hij begint voor de tweede maal (in zedelijk opzicht) in Zijn eigen Persoon, de geschiedenis van Israël, en (in een meer wijdere zin) als de laatste Adam in verbinding met God de geschiedenis van de mens. Maar daarvoor was Zijn dood noodzakelijk, om voor alles de bron van zegen te zijn. Hij was de Zoon van God, de Messias, de Zoon van David. Maar om Zijn eigen plaats als Zoon des mensen in te nemen, moest Hij sterven (zie Johannes 12). Hier is de profetie van Hosea van toepassing: (“Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen”), op dit ware begin van Israël in genade (als de geliefde van God) en overeenkomstig Zijn raadsbesluiten. Want, daar het gehele volk had gefaald, zou God het zonder dit moeten afsnijden. Maar we zien ook in Jesaja, dat de knecht Israël wordt vervangen door de Knecht Christus, die een getrouw overblijfsel vergadert (namelijk de kinderen die God Hem heeft gegeven, terwijl God intussen Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob), dat de kern wordt van het nieuwe volk van Israël naar de gedachten van God. Jesaja 49 laat deze overgang van Israël op Christus op een treffende wijze zien. In werkelijkheid ligt hierin de basis van de gehele geschiedenis van Israël, dat, gefaald hebbende onder de wet, weer zal worden opgericht in genade. Christus is, zedelijk gezien, de nieuwe Spruit waaruit ze hun oorsprong hebben (vergelijk Jesaja 49:3-5) 13.

Toen Herodes gestorven was, maakte God dit aan Jozef bekend in een droom, en gaf hem bevel, om met het kind en zijn moeder terug te keren naar het land van Israël. We moeten hier opmerken, dat het land hier wordt genoemd met de naam, die de door God gegeven voorrechten in herinnering brengt. Het is niet “Judea” of “Galilea”, maar “het land van Israël”. Maar kan de Zoon van David, als Hij het land binnenkomt, de troon van Zijn vaderen bestijgen? Nee. Hij moet de plaats innemen van een vreemde in het midden van de verachten van het volk. Door God in een droom onderwezen, brengt Jozef Hem naar Galilea. De inwoners van die landstreek waren voor de Joden het voorwerp van hooghartige verachting, omdat zij niet in doorlopende verbinding stonden met Jeruzalem en Judea – het land van David, het land van de door God erkende koningen en van de tempel. En hoewel de taal van de inwoners van beide streken dezelfde was, verraadde toch het dialect van Galilea (Mattheüs 26:73) hun praktische afzondering van dat deel van het volk, dat door de goedheid van God uit Babel naar Judea was teruggekeerd. En in Galilea vestigt Jozef zich zelfs in een dorp, waarvan de naam alleen al een smaad bracht over degene die er woonde en zijn goede naam.

Dat was de positie van de Zoon van God toen Hij in deze wereld kwam, en zo was de verhouding tussen de Zoon van David en Zijn volk, toen Hij op grond van genade, en naar de raadsbesluiten van God, Zich in hun midden bevond. Enerzijds was Hij Emmanuël, Jahweh hun Verlosser, maar anderzijds was Hij de Zoon van David. Zo neemt Hij Zijn plaats in te midden van het volk, in verbinding met de armsten en meest verachten van de kudde. Beveiligd in Galilea tegen de ongerechtigheid van een valse koning, die met behulp van de heidenen van het vierde wereldrijk over Judea regeerde en met wie de priesters en oversten van het volk in verbinding stonden. Het volk zelf was ontrouw aan God en ontevreden over de mens. Het verachtte in hoogmoed het juk, dat hun zonden op hen gebracht had. Ze misten de moed om het af te schudden, maar hadden te weinig schuldbesef om het te aanvaarden als een rechtvaardige straf door God hun opgelegd. Zo wordt door Mattheüs, of beter gezegd, door de Heilige Geest, de Messias voorgesteld in verbinding met Israël.

Hoofdstuk 3

Hier begint eigenlijk pas de geschiedenis van de Messias. Overeenkomstig de profetie van Jesaja, komt Johannes de Doper, om de weg van Jahweh voor de Messias te bereiden. Hij proclameert dat het koninkrijk der hemelen nabij is en roept het volk op tot bekering. De dienst van Johannes tot Israël wordt in dit Evangelie door drie dingen gekenmerkt: de Heer Jahweh Zelf zou komen. In de aanhaling van Jesaja 40:3, laat de Heilige Geest aan het slot van het vers de woorden “voor onze God” weg, omdat Jezus als mens in vernedering komt (hoewel tegelijkertijd erkend als Jahweh), zodat Israël niet het recht had om “onze God” te zeggen.
Het koninkrijk der hemelen 14 was nabij, de nieuwe bedeling, die de oude, de Sinaïtische, zou vervangen. Daar had de Heer op aarde gesproken, maar in deze nieuwe bedeling zouden “de hemelen regeren”. Zij zouden de oorsprong en het kenmerk zijn van het gezag van God in Zijn Christus.
In plaats van gezegend te worden in hun tegenwoordige toestand, werd het volk opgeroepen om zich te bekeren, met het oog op het naderen van dit koninkrijk.
Daarom ging Johannes naar de woestijn. Hij zonderde zich af van de joden, met wie hij zich niet kon verbinden, omdat hij in de weg der gerechtigheid kwam (Mattheüs 21:32). Zijn voedsel vond hij in de woestijn, (zelfs zijn profetenmantel legde getuigenis af van de plaats die hij van de kant van God had ingenomen) en hij was vervuld met de Heilige Geest.

Op deze wijze was hij een profeet want hij kwam van God, en richtte zich in zijn oproep tot bekering tot het volk van God en hij kondigt de zegen van God aan, zoals Jahweh hun God die had beloofd. Maar hij was meer dan een profeet, want hij verkondigde de spoedige invoering van een nieuwe en lang verwachte bedeling, en de persoonlijke komst van de Heer. Maar hoewel hij tot Israël kwam, erkende hij het volk niet, want zij moesten geoordeeld worden. De dorsvloer van Jahweh moest worden gezuiverd. De bomen, die geen goede vruchten voortbrachten, moesten worden omgehouwen. Slechts een overblijfsel zou door Jahweh in de nieuwe positie, in het door hem aangekondigde koninkrijk, worden overgebracht, zonder dat nog geopenbaard was op welke wijze dit koninkrijk zou worden opgericht. Hij kondigt het oordeel van het volk aan.

Wat een feit van oneindige grootheid, dat de Heere God in het midden van Zijn volk kwam, in de Persoon van Hem, die hoewel zonder twijfel de vervulling van alle beloften, noodzakelijkerwijze, hoewel verworpen, de Rechter van al het bestaande kwaad in het midden van Zijn volk moest zijn.

En hoe meer we deze Schriftplaatsen juist toepassen, dat wil zeggen hoe meer we ze toepassen op Israël, des te meer verstaan we hun ware kracht 15.

Zonder twijfel is berouw een eeuwige noodzakelijkheid voor elke ziel die tot God komt. Maar op deze waarheid wordt wel een bijzonder licht geworpen, als we de Heer Zelf tussenbeide zien komen om Zijn volk tot bekering (berouw) op te roepen; waarna Hij dan, na hun weigering, het hele systeem van hun relaties met Hem terzijde stelt, en een nieuwe bedeling invoert. Het is het koninkrijk, dat alleen is voor hen die Hem horen. En zijn oordeel valt tenslotte op Zijn volk en op de stad die Hij zozeer had liefgehad! “Och, mocht op deze <uw> dag ook u erkennen wat tot <uw> vrede [dient]!” (Lukas 19:42).

Deze waarheid geeft ons gelegenheid, om nog een andere belangrijke waarheid in het licht te stellen, die hier vermeld wordt, meer in verbinding met de soevereine rechten van God dan met de gevolgen ervan, maar die al die gevolgen al in zich bevatte. Het volk ging van alle kanten uit om gedoopt te worden en hun zonden te belijden; zoals we op andere plaatsen lezen, waren het vooral de goddelozen en de verachten. Maar zij, die in hun eigen ogen de voornaamste plaats onder het volk innamen, waren in de ogen van de profeet, die het volk naar Gods gedachten liefhad, de voorwerpen van het door hem aangekondigde oordeel. De toorn dreigde. Wie had deze versmaders gewaarschuwd, de toorn te ontvlieden? Laten ze zich verootmoedigen, zoals de anderen deden. Laten ze hun ware plaats innemen, en de verandering van hun hart laten zien. Te roemen in de voorrechten van hun volk of van hun vaderen had geen waarde voor God. Hij vroeg datgene, wat overeenstemde met Zijn natuur en Zijn waarheid. Bovendien was Hij vrijmachtig: Hij kon uit deze stenen Abraham kinderen verwekken. Dit laatste heeft Zijn vrijmachtige genade door Christus gedaan ten opzichte van de volkeren (niet joden). Er was behoefte aan werkelijkheid. De bijl lag al aan de wortel van de boom en al wie geen goede vruchten voortbracht, zou worden omgehakt. Dit is het grote zedelijke beginsel, dat door het oordeel in werking zou treden. De slag was nog niet gevallen, maar de bijl lag al aan de wortel van de bomen. Johannes was gekomen om hen, die zijn getuigenis aannamen, in een nieuwe positie te brengen. Of, in elk geval, om hen te brengen in een toestand, die hen geschikt zou maken voor die nieuwe positie. Als ze zich bekeerden, zou hij hen door de doop van de anderen onderscheiden. Maar Hij die na Johannes zou komen, – Wiens schoenzool Johannes niet waardig was Hem na te dragen, – zou Zijn dorsvloer geheel zuiveren. Hij zou hen, die waarlijk de Zijnen waren, die dit zedelijk waren, afzonderen vanuit Zijn volk Israël (want dat was de dorsvloer), en het oordeel uitvoeren over de anderen. Johannes opende de deur voor bekering vóór die tijd. Later zou het oordeel komen.

Oordelen was niet het enige werk dat Jezus zou doen. In het getuigenis van Johannes worden Hem twee dingen toegeschreven. “Hij zal met vuur dopen”, is het in vers 12 aangekondigde oordeel, dat alles verteerd wat boos is. Maar Hij doopt ook met de Heilige Geest – die Geest, die, gegeven aan en door goddelijke kracht werkende in de mens, levend maakt, verlost en reinigt in het bloed van Christus. Hij brengt de mens uit de invloed van alles wat inwerkt op het vlees en brengt hem in verbinding en in gemeenschap met alles wat van God is geopenbaard, met de heerlijkheid waarin God Zijn schepselen brengt in het leven dat Hij ons meedeelt en door in ons zedelijk teniet te doen de macht van alles wat strijdig is met het genot van deze voorrechten.

Merk hierop, dat de enige goede vrucht, die door Johannes als middel ter ontkoming wordt erkend, bestaat in het oprecht belijden, door genade, van de zonden. Zij alleen, die deze belijdenis afleggen, ontkomen aan de bijl. Er waren werkelijk geen goede bomen, dan zij die beleden dat ze slecht waren.

Maar wat een ernstig ogenblik was dit voor het volk, dat door God geliefd werd! Wat een gebeurtenis was de tegenwoordigheid van Jahweh in het midden van het volk waarmee Hij in verbinding stond!

En let er wel op, dat Johannes de Doper de Messias hier niet voorstelt als de Verlosser die in genade komt, maar als Hoofd van het koninkrijk, als Jahweh, Die het oordeel zou uitvoeren als het volk zich niet bekeerde. Later zullen we zien, welke plaats Hij in genade innam.

Tot nu toe was de Heer Jezus door Johannes voorgesteld als de Messias, en zelfs als Jahweh. Maar nu komt in vers 13 Jezus Zelf tot Johannes om met de doop van de bekering gedoopt te worden. Laten we niet vergeten, dat het komen tot deze doop de enige goede vrucht was, die een jood in zijn toenmalige toestand kon voortbrengen. Deze daad was een vrucht van het werk van God, van de kracht van de Heilige Geest. Hij die zich bekeert, belijdt dat hij tevoren ver van God wandelde. Het laat een nieuwe zielservaring zien, namelijk de vrucht van het Woord van God en van het werk van God in hem. Het is het teken van nieuw leven, het leven van de Geest in zijn ziel. Door het feit van de zending van Johannes bleek, dat er geen andere vrucht en geen ander aannemelijk bewijs van leven uit God in een jood kon zijn, dan deze belijdenis. Dat wil niet zeggen, dat de Geest nog in niemand levendmakend had gewerkt. Maar in deze toestand van het volk, en in overeenstemming met de roepstem van God door middel van Zijn dienstknecht, was de belijdenis het bewijs van dit nieuwe leven – van de omkering van het hart tot God. Deze belijders waren het ware overblijfsel van het volk. God erkende hen als zodanig. En zo werden ze afgescheiden van de massa van het volk dat rijp werd voor het oordeel. Dit waren de ware heiligen, de heerlijken op aarde, hoewel de zelfvernedering van het berouw hun enig ware houding kon zijn. Daar moesten zij beginnen. Als God barmhartigheid en gerechtigheid invoert, maken ze van het eerste een dankbaar gebruik, in de erkenning dat daarin hun enige redding ligt. En tevens buigen ze hun hart voor de gerechtigheid, als het rechtvaardige gevolg van de toestand van het volk van God, en passen dat toe op zichzelf.

En nu plaatst de Heer Jezus Zichzelf in het midden van hen die dit doen. Hoewel Hij in waarheid de Heer is, Jahweh, de rechtvaardige Rechter van Zijn volk, Hij die Zijn dorsvloer zal doorzuiveren, neemt Hij toch Zijn plaats in onder het getrouwe overblijfsel, dat zich voor dit oordeel verootmoedigde. Hij neemt de plaats van de geringsten van Zijn volk in voor God, zoals Hij in Psalm 16 Jahweh Zijn Heer noemt, en tot Hem zegt: “Mijn goedheid is niet voor U”. En van de heiligen en de heerlijken op aarde zegt Hij: “Al Mijn lust is in hen”. Wat een volmaakt getuigenis van genade! De Verlosser maakt Zich, in overeenstemming met de genade, één met de eerste zielsbeweging die door de Geest in de harten van Zijn eigen volk wordt gewerkt. Hij vernedert Zich niet alleen door Zich in genade tot hen neer te buigen, maar neemt Zijn plaats in het midden van hen in, in hun ware verhouding tot God, als was Hij één van hen. En dat doet Hij niet alleen om door zoveel goedheid hun harten te vertroosten, maar tevens om met hen mee te voelen in al hun zorgen en moeiten, en om zo het ware voorbeeld, de bron, en de volmaakte uitdrukking te zijn van alle gevoelens die passend zijn in hun toestand.

Met het boze Israël, dat geen berouw kende, kon Hij Zich niet één maken. Maar wel met het eerste levende gevolg van het Woord en de Geest van God, in de armen van de kudde. Hij kon handelen in genade, en Hij deed het. Hij doet het ook nu. Bij de eerste stap die werkelijk van God is, vinden we Christus.

Maar er was nog meer. Hij komt om hen die Hem aannamen in verbinding met God te brengen, overeenkomstig de genade die rustte op een volmaaktheid als de Zijne, en op een liefde die het hart van Jahweh bevredigde, door de zaak van het volk op Zich te nemen. En nadat Hij God volkomen had verheerlijkt in alles wat Deze is, was het voor Hem mogelijk Zichzelf te verzadigen met goedheid. Wij weten, dat de Verlosser, vóór Hij dit kon doen, eerst Zijn leven moest afleggen. De toestand van de joden, zowel als van alle mensen, maakte dit offer noodzakelijk, voor zowel de een als de ander, om in verbinding te komen met de God van de waarheid. En zelfs daarvoor schoot de liefde van Jezus niet tekort. Maar hier brengt Hij de Zijnen tot het genot van de zegen die met Zijn Persoon is verbonden en die vast gegrond zou worden op dat offer. En deze zegen zouden ze bereiken in de weg van bekering en berouw. De eerste stap op deze weg was, dat ze zich door Johannes lieten dopen. Jezus ontving die doop met hen, opdat zij tezamen zouden voortgaan naar het bezit van al het goede dat God bereid heeft voor hen, die Hem liefhadden.

Johannes protesteert eerst tegen het voornemen van de Heer, omdat Hij de waardigheid en de uitnemendheid van de Persoon die tot hem kwam voelt. Hierdoor stelt de Heilige Geest het ware karakter in het licht van deze handeling van de Heer. Wat de Heer betreft: niet de zonde bracht Hem daar, maar de gerechtigheid, en Hij vervulde deze met liefde. Hij zowel als Johannes de Doper, vervulden datgene wat behoorde bij de plaats die God Hem had gegeven. En met wat een nederbuigende goedheid verbindt Hij Zich op dat ogenblik met Johannes: “Het betaamt ons”. Hij is de nederige en gehoorzame Knecht. Zo gedroeg Hij Zich altijd op aarde. En wat Zijn positie betreft is het zo, dat de genade Hem op dezelfde plaats bracht waar de zonde ons had gebracht, door de deur die Jahweh geopend had voor Zijn schapen. Door de zonde te belijden zoals ze is, door tot God te komen met belijdenis van die zonden (en dit is zedelijk het tegengestelde van zonde) bevinden we ons in gezelschap met Jezus. 16 In werkelijkheid is het in ons de vrucht van Zijn Geest.

Dat was ook het geval met de arme zondaars die tot Johannes kwamen. Op deze wijze nam Jezus in gerechtigheid en gehoorzaamheid Zijn plaats in onder de mensen, en meer in het bijzonder onder de joden die zich bekeerden. In deze positie van een mens, in volmaakte nederigheid, rechtvaardigheid en gehoorzaamheid, volbracht Hij op aarde het werk, waartoe Hij Zich volgens Psalm 40 had aangeboden. Hij gaf Zich over in gehele zelfverloochening, om alles te doen wat God wilde. En zo, in deze plaats van een mens, werd Hij door God Zijn Vader ten volle erkend; Hij verzegelde Hem en betuigde dat deze Mens op aarde Zijn geliefde Zoon was.

Nadat Hij gedoopt was (het meest sprekend bewijs van de plaats die Hij met Zijn volk had ingenomen) werden de hemelen geopend, en ziet Hij de Heilige Geest op Hem neerdalen gelijk een duif. En een stem uit de hemel sprak: “Deze is mijn geliefde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen gevonden heb”.

Deze omstandigheden vragen onze volle aandacht. Nog nooit waren de hemelen geopend naar de aarde, noch naar een mens op aarde, voordat de geliefde Zoon daar was 17. Zonder twijfel had God in Zijn lankmoedigheid en in de weg van de voorzienigheid al Zijn schepselen gezegend. Ook had Hij Zijn volk gezegend in overeenstemming met de regels van Zijn regering op aarde. En bovendien waren er nog de uitverkorenen, die Hij in getrouwheid had bewaard. Toch waren tot nu toe de hemelen niet geopend. In verbinding met Zijn regeringswegen over de aarde, had God er een getuigenis gezonden. Maar er was geen enkel voorwerp op aarde, waarop het oog van God met welgevallen kon rusten, tot op het ogenblik dat Jezus verscheen; Hij, de geliefde Zoon, gehoorzaam en zonder zonde. Maar wat zo kostbaar voor ons is, is, dat de hemelen geopend werden, zodra Hij in genade openlijk deze plaats van vernedering met Israël inneemt; dat wil zeggen met het getrouwe overblijfsel, en Zich zo voor God stelt terwijl Hij Zijn wil volbrengt. De hemelen worden geopend boven een Voorwerp dat hun aandacht waardig is. Zonder twijfel, was Hij altijd hun aanbidding waardig, zelfs vóór de wereld bestond. Maar nu had Hij deze plaats als mens in de wegen van God ingenomen. En dan ontsluiten zich de hemelen boven Jezus, het Voorwerp van al Gods welbehagen op aarde. De Heilige Geest daalt zichtbaar op Hem neer. En Hij, een mens op aarde, een mens die zijn plaats inneemt bij de zachtmoedigen van het volk die zich bekeerden, wordt erkend als de Zoon van God. Hij wordt niet alleen gezalfd door God, maar als mens is Hij Zich ervan bewust dat de Heilige Geest op Hem neerdaalt – het zegel van de Vader wordt op Hem gezet. Het is duidelijk dat het hier niet is Zijn goddelijke natuur als de Eeuwige Zoon van de Vader. Het zegel zou daarmee zelfs niet in overeenstemming zijn. En wat Zijn Persoon betreft is het duidelijk, dat Hij Zich daarvan bewust was, toen Hij op twaalfjarige leeftijd in de tempel was (zie Lukas 2:49). Maar terwijl Hij dat is, is Hij tevens een mens, de Zoon van God op aarde, en wordt als mens verzegeld. Als een mens heeft Hij het bewustzijn van de onmiddellijke tegenwoordigheid van de Heilige Geest op Hem. Deze tegenwoordigheid is in verbinding met het karakter van nederigheid, zachtmoedigheid en gehoorzaamheid, waarin de Heer Zich op aarde openbaarde. De Heilige Geest daalt op Hem neer in de gedaante van een duif, zoals Hij later neerdaalde op de hoofden van de discipelen in de gedaante van “tongen als van vuur”, voor hun getuigenis in kracht in deze wereld en naar de genade die een ieder aansprak in zijn eigen taal.

Zo heeft de Heer Jezus, in Zijn eigen positie als mens, de plaats geschapen waarin Hij ons door de verlossing brengt (Johannes 20:17). Maar de heerlijkheid van Zijn Persoon wordt altijd zorgvuldig bewaakt. Er wordt Hem geen voorwerp voor ogen gesteld, zoals met Saulus het geval was, en in een nog meer overeenkomend geval, met Stefanus, die, vol van de Heilige Geest ook de hemelen geopend ziet en dan daar Jezus, de Zoon des mensen, aanschouwt en naar Zijn beeld veranderd wordt. Jezus is gekomen, en Hijzelf is het Voorwerp waarboven de hemel geopend wordt. Hij heeft geen voorwerp nodig om op te zien om daarnaar veranderd te worden zoals Stefanus, of zoals wij in de Geest. Integendeel, de hemel ziet neer op Hem, het volmaakte Voorwerp van welbehagen. En wat verzegeld wordt, is Zijn al bestaande verhouding met de Vader 18. Ook schiep de Heilige Geest Zijn karakter niet, behalve voor zover Hij naar Zijn menselijke natuur, door de kracht van de Heilige Geest in de schoot van de maagd Maria was ontvangen. Hij had Zich met de armen verbonden in de volmaaktheid van dat karakter, voordat Hij verzegeld was, en handelt daarna naar de energie en de kracht van wat Hij zonder mate in Zijn leven als mens op aarde ontving (vergelijk Handelingen 10:38; Mattheüs 12:28; Johannes 3:34).

We vinden in het Woord vier gedenkwaardige gelegenheden, waarbij de hemelen geopend werden. In al deze openbaringen is Christus het voorwerp, en elk heeft een bijzonder karakter. Hier daalt de Heilige Geest op Hem neer en wordt Hij erkend als de Zoon van God. (vergelijk Johannes 1:33,34). Aan het eind van Johannes 1 verklaart Hij Zelf dat Hij de Zoon des mensen is. Daar zijn het de engelen die opklimmen en nederdalen op Hem. Hij is, als Zoon des mensen, het voorwerp van hun dienst 19. Aan het eind van Handelingen 7, zien we een geheel nieuw tafereel. De joden verwierpen daar het laatste getuigenis dat God hen zond. Stefanus, die dat getuigenis gaf, is vol van de Heilige Geest, en de hemel wordt boven hem geopend. Het aardse systeem wordt voorgoed afgesloten, door de verwerping van het getuigenis van de Heilige Geest betreffende de heerlijkheid van de ten hemel gevaren Christus. Maar het is niet slechts een getuigenis. De christen is vervuld met de Geest; de hemel is voor hem geopend; de heerlijkheid van God is aan hem geopenbaard, en de Zoon des mensen, staande aan de rechterhand van God, openbaart Zich aan hem. Dit is iets anders dan het opengaan van de hemel boven Jezus, het voorwerp van Gods welbehagen op aarde. De hemel is geopend voor de christen zelf, die, op aarde verworpen, zijn Voorwerp daar ziet. Hij ziet daar door de Heilige Geest de hemelse heerlijkheid van God, en Jezus, de Zoon des mensen, het bijzondere voorwerp van het getuigenis dat hij aflegt, in die heerlijkheid van God. Het onderscheid is voor ons even merkwaardig als belangrijk. Het toont ons op een treffende wijze de ware plaats van de christen als op aarde zijnde, en daarnaast de verandering die het verwerpen van Jezus door Zijn aardse volk heeft teweeggebracht. Maar de Gemeente, die vereniging van de gelovigen in één lichaam met de Heer in de hemel, was nog niet geopenbaard. Later, in Openbaring 19, gaan de hemelen open, en de Heer Zelf verschijnt als de Koning van de koningen en de Heer der Heren. We zien dus achtereenvolgens:

  1. Jezus, de Zoon van God op aarde, het Voorwerp van het welbehagen van de hemel, verzegeld met de Heilige Geest.
  2. Jezus, de Zoon des mensen, het Voorwerp van de dienst van de hemel, terwijl de engelen Zijn dienaren zijn.
  3. Jezus in de hoge, aan de rechterhand van God, en de gelovige, vol van de Heilige Geest, en lijdende hier beneden om Zijnentwil, ziende de heerlijkheid in de hemel en de Zoon des mensen in die heerlijkheid.
  4. Jezus, de Koning van de koningen en de Heer der Heren, die verschijnt om te oordelen en krijg te voeren tegen de honende mensen die Zijn gezag betwisten en de aarde verdrukken.

Maar laten we terugkeren naar het slot van hoofdstuk 3. De Vader Zelf erkent Jezus, de gehoorzame Mens op aarde die als de ware Herder door de deur ingaat, als Zijn geliefde Zoon in wie al Zijn welbehagen is. De hemel is voor Hem geopend. Hij ziet de Heilige Geest om Hem te verzegelen, de onfeilbare kracht en steun van de volmaaktheid van Zijn menselijk leven. En Hij heeft het getuigenis van de Vader Zelf van de tussen Hen bestaande verhouding. Aan Hem wordt geen voorwerp gegeven, zoals aan ons, waarop Zijn geloof rusten moet. Het is Zijn eigen verbinding met de hemel en met de Vader die verzegeld wordt. Zijn ziel geniet het door het neerdalen van de Heilige Geest en de stem van Zijn Vader.

Maar deze plaats in Mattheüs vraagt nog een nadere beschouwing. De gezegende Heer, of juister gezegd, wat Hem overkwam, toont ons de plaats of het voorbeeld, waarin Hij de gelovigen stelt, hetzij jood of uit de volken. Natuurlijk worden we daar alleen door de verlossing gebracht. “Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en [naar] Mijn God en uw God” zijn Zijn gezegende woorden na Zijn opstanding. Maar de hemel is voor ons geopend, we zijn verzegeld met de Heilige Geest, en de Vader erkent ons als zonen. Maar de goddelijke waardigheid van de Persoon van Christus wordt altijd zorgvuldig gehandhaafd, zowel hier in Zijn vernedering, als later op de berg van de verheerlijking. Mozes en Elia zijn in dezelfde heerlijkheid, maar zij verdwijnen als Petrus’ voorbarigheid, toegestaan zich uit te spreken, hen op gelijke lijn met de Heer wil stellen. Hoe dichter we bij een goddelijk Persoon zijn, hoe meer we aanbidden zullen en inzien wat Hij is.

Maar we zien hier nog een ander zeer opmerkelijk feit. Als Christus in nederigheid Zijn plaats inneemt onder de mensen, wordt voor de eerste maal de Drie-eenheid van God ten volle geopenbaard. Zonder twijfel worden de Zoon en de Geest in het Oude Testament genoemd. Maar daar is de éénheid van de Godheid het grote punt van de openbaring. Hier wordt de Zoon in de mens erkend. De Heilige Geest daalt op Hem neer, en de Vader erkent Hem als Zijn Zoon. Wat een wonderbare verbinding met de mens! Wat een plaats voor de mens om daarin te zijn! Door de verbinding van Christus met de Godheid wordt Deze in haar eigen volheid geopenbaard. Zijn menszijn is de aanleiding om die volheid te ontvouwen. Toch was Hij werkelijk een mens, maar de Mens waarin de raadsbesluiten van God over de mens vervuld moesten worden.

En zoals Hij in Zijn eigen Persoon, de plaats heeft geopenbaard en verwezenlijkt waarin de mens gesteld wordt voor God, en onze betrekking met God in de raadsbesluiten van genade over ons, zo ging Hij ook van de andere kant in onze positie in, waar we een strijd hebben met de vijand. Wij hebben onze verhouding met God en onze Vader, en we hebben nu ook te doen met satan. Christus overwint voor ons en laat ons zien hoe wij kunnen overwinnen. Laten we erop letten, dat eerst de verhouding met God volledig vastgesteld en voorgesteld wordt, en dat daarna, als zijnde op die plaats, de strijd met satan begint. Zo is het ook met ons. Maar de eerste vraag was: zou de laatste Adam staande blijven, waar de eerste bezweken is? En deze vraag zou niet beantwoord worden in de positie waarin de eerste Adam verkeerde: te midden van de zegeningen van God, maar in de woestijn van deze wereld en de macht van satan. Want daar bevonden wij ons.

Nog een ander punt moet hier onderstreept worden, om volkomen duidelijk te maken welke plaats de Heer hier inneemt. De wet en de profeten waren tot op Johannes de Doper. Dan wordt het nieuwe aangekondigd, het koninkrijk der hemelen. Maar het oordeel zal afsluiten met het volk van God. De bijl ligt al aan de wortel van de bomen, de wan in de hand van Hem die komt, de tarwe wordt in de schuur van God vergaderd en het kaf wordt verbrand. Dat wil zeggen, dat er door oordeel een eind wordt gemaakt aan de geschiedenis van het volk van God. Wij komen in, op grond van te zijn verloren en op het oordeel wachtende. De geschiedenis van de mens als verantwoordelijk schepsel is afgesloten.

Daarom wordt er gezegd: “Nu is Hij eenmaal in [de] voleinding van de eeuwen geopenbaard om <de> zonde af te schaffen door het slachtoffer van Zichzelf” (Hebreeën 9:26). Zo is het uiterlijk en letterlijk Israël overkomen, maar in zedelijke zin is het ook waar voor ons. Alleen, wij worden vergaderd voor de hemel (zoals toen, in resultaat, het overblijfsel), en zullen in de hemel zijn.

Maar omdat Christus verworpen is, is de geschiedenis van de verantwoordelijkheid ten einde, en wij komen op de grondslag van genade, als schepsels die al verloren zijn. Na de aankondiging van bovenstaande als onafwendbaar, komt Christus. En terwijl Hij Zich één maakt met het overblijfsel dat door bekering aan het oordeel ontkomt, maakt Hij deze nieuwe plaats voor de mens op aarde. Alleen, wij konden die niet innemen, voor de verlossing volbracht was. Toch openbaart Hij de Naam van de Vader al aan hen, die de Vader Hem uit deze wereld had gegeven.

Hoofdstuk 4

Nadat de Heer zo in genade Zijn plaats als mens op aarde heeft ingenomen, begint Hij Zijn aardse loopbaan en wordt door de Geest in de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel. De rechtvaardige en heilige Mens, de Zoon van God, die de voorrechten genoot die passend zijn voor zulk een Persoon, Hij moest de beproeving ondergaan van de listen waardoor de eerste Adam gevallen was. Zijn geestelijke toestand wordt hier beproefd. Het is hier niet een onschuldig mens, in het genot van al Gods natuurlijke zegeningen die, te midden van die zegeningen die hem aan God hadden moeten herinneren, op de proef wordt gesteld! Het is Christus, als de geliefde Zoon dicht bij God, maar te midden van de verzoeking, goed en kwaad kennende; en wat Zijn uiterlijke omstandigheden betreft, neergekomen in het midden van de gevallen toestand van de mens. Zijn trouw aan deze positie, moest tot het uiterste worden beproefd met het oog op Zijn volkomen gehoorzaamheid. Om de positie die Hij innam te bewaren, moest Hij geen andere wil hebben dan die van Zijn Vader. Hij moest deze wil vervullen, of ondergaan, wat voor Hem de gevolgen ook mochten zijn. Hij moest ze volbrengen te midden van alle moeilijkheden, ontberingen, de verlatenheid, en de woestijn, waar de macht van satan was, om Hem te bewegen een gemakkelijker weg te volgen dan die, welke alleen tot eer van de Vader was. Hij moest afstand doen van al Zijn persoonlijke rechten (tenzij Hij deze van God ontving) en ze in een volkomen vertrouwen aan God overgeven.

De vijand deed zijn uiterste best om Hem over te halen van Zijn voorrechten gebruik te maken. “Als U Gods Zoon bent”. En dit, buiten het bevel van God om, voor Zijn eigen verlichting, en met vermijding van het lijden dat met het volbrengen van de wil van God gepaard kon gaan. Het doel van satan was, om Hem te brengen tot het doen van Zijn eigen wil en niet die van God.

Terwijl Jezus dan in Zijn eigen Persoon en Zijn verbinding met God de volle gunst van God en het volle licht van Zijn aangezicht genoot als Zoon van God, gaat Hij in de woestijn, om daar 40 dagen lang in strijd met de vijand te zijn. Hij onttrok Zichzelf niet aan de mensen en aan de omgang met hen en het hunne, om alleen met God te zijn, zoals Mozes en Elia. Want Hij was altijd volkomen bij God. Maar Hij wordt door de kracht van de Heilige Geest afgezonderd van de mensen, om geheel alleen te zijn in de strijd met de vijand. Bij Mozes was het, de mens buiten zijn natuurlijke plaats, om met God te zijn. Bij de Heer was het tegenovergestelde het geval, namelijk om met de vijand te zijn. Met God zijn was Zijn natuurlijke plaats.

De vijand verzoekt Hem eerst door voor te stellen Zijn lichamelijke behoeften te bevredigen. Om, in plaats van op God te wachten, de macht waarmee Hij was toegerust te gebruiken naar Zijn eigen wil en ten eigen bate. Maar als Israël in de woestijn gevoed was met het manna van God, wilde de Zoon van God, hoe groot Zijn macht ook was, handelen in overeenstemming met datgene wat Israël daardoor had moeten leren, namelijk dat de mens van brood alleen niet zal leven, maar van alle woord, dat door de mond van God uitgaat. De Mens, de gehoorzame Jood, de Zoon van God, wachtte op dit woord en wilde zonder dat niets doen. Hij was niet gekomen om Zijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem die Hem gezonden had. En dit is het beginsel, dat de Geest van Christus in de Psalmen kenmerkt. Geen bevrijding wordt aanvaard, dan alleen die van Jahweh en op Zijn tijd. Het is volmaakt geduld, om “volmaakt en voleindigd te zijn in al de wil van God” (Kolosse 4:12). Er kon geen zondige begeerlijkheid in Christus zijn. Hongerig te zijn was geen zonde. Het was een menselijke behoefte, en wat voor kwaad steekt erin om te eten als men honger heeft? Maar er was hier geen wil van God, die Hem tot eten riep, en het was juist die wil, door het Woord gekend, die Hij wilde volbrengen. De inblazing van satan was: “Als U Gods Zoon bent, gebied …” Maar Christus had de plaats van een dienstknecht ingenomen, en dat was niet de plaats om te bevelen. Satan probeerde de Heer uit de plaats van dienst en gehoorzaamheid, uit de plaats van een dienstknecht te doen uitgaan.

Let hier wel op de plaats, die het geschreven Woord inneemt, en op het karakter van de gehoorzaamheid van Christus. Het is niet alleen, dat de wil van God het richtsnoer is, maar dat die wil de enige drijfveer tot handelen is. Wij hebben een wil, die dikwijls tegengehouden wordt door het Woord. Zo was het bij Christus niet. De wil van Zijn Vader was Zijn beweegreden. Hij handelde niet alleen naar de wil van God, maar omdat het de wil van God was. Wij verheugen ons als we een kind zien, dat, terwijl het iets doet waarin het zin heeft, daarmee direct ophoudt en vrolijk de wil van zijn ouders doet, als deze dat gebieden. Maar Christus heeft nooit op deze manier gehoorzaamd. Hij heeft nooit Zijn eigen wil gezocht, om dan tegengehouden te worden door de wil van de Vader. En wij zijn geheiligd tot de gehoorzaamheid van Christus. En zie verder, dat Hij leeft bij en overwint door het geschreven Woord. Zoals alles afhankelijk was geweest van de val van Adam, zo was hier alles afhankelijk van de overwinning van Christus. Voor Christus was één Schriftplaats, juist gebruikt vanzelfsprekend, voldoende. Hij zoekt geen andere erbij: dat is gehoorzaamheid. En dat is voldoende tegenover satan, die er niets tegenin kan brengen. Zijn listen zijn zo verslagen.

Het eerste beginsel voor overwinning is eenvoudige en absolute gehoorzaamheid, leven van woorden uit de mond van God. Het tweede is een volkomen vertrouwen in de weg van gehoorzaamheid.

Bij de tweede verzoeking, stelt de vijand de Heer op de dakrand van de tempel, opdat Hij op Zichzelf de beloften zou toepassen die aan de Messias waren gegeven, zonder te blijven in de weg van God. Hij die trouw is, mag vast rekenen op de hulp van God zolang hij in Zijn wegen blijft. De vijand wilde dat de Zoon des mensen (in plaats van op Hem te rekenen, terwijl Hij in de wegen van God wandelde) God verzocht, om te zien of Hij werkelijk op Hem kon vertrouwen. Maar dat zou gebrek aan vertrouwen in God en geen gehoorzaamheid zijn geweest. En ook hoogmoed, die aanspraak maakt op de voorrechten, in plaats van in de weg van de gehoorzaamheid op God te rekenen 20.

Terwijl de Heer zo Zijn plaats inneemt met Israël in hun werkelijke toestand, zonder koning in het land en terwijl Hij de richtlijnen aanhaalt die hen in Deuteronomium gegeven zijn om hen te leiden in de weg van God daarin voorgesteld, gebruikt Hij voor Zijn eigen leiding dat gedeelte van het Woord waarin het goddelijk gebod voor deze gelegenheid voorkomt, nl.: “U mag de HEERE, uw God, niet op de proef stellen.” Het is een tekst, die dikwijls wordt aangehaald, alsof Hij verbood te veel te vertrouwen op God. Maar de bedoeling is juist, dat het verkeerd is niet te vertrouwen en God uit wantrouwen te beproeven. Israël verzocht God toen het zei: “Is God werkelijk onder ons?” En satan wilde dat de Heer dit ook zou doen.

Nadat de vijand gefaald had dit gehoorzame hart te misleiden, zelfs toen hij zich verborg onder het gebruik van het Woord van God, vertoont hij zich in zijn ware gedaante. Hij verzoekt de Heer voor de derde maal door Hem te verlokken, al het lijden dat Hem wachtte te ontgaan. Hij toont Hem de erfenis die de Zoon des mensen op aarde wachtte, nadat Hij zou gegaan zijn door al de moeilijke wegen die voor de heerlijkheid van de Vader noodzakelijk waren en die de Vader al voor Hem had afgebakend. Alles zou nu al voor Hem zijn, als Hij satan, de god van deze wereld wilde erkennen door hem te aanbidden. In werkelijkheid hadden de koningen van de aarde dit gedaan, voor slechts een deel van deze dingen, (hoe dikwijls is het gedaan voor beuzelingen!), maar Hij zou alles hebben. Maar al zou de Heer Jezus aardse heerlijkheid (en elke andere), beërven, het doel van Zijn hart was de verheerlijking van God, Zijn Vader. Wat de waarde van de gift ook mocht zijn: het was als de gift van de Gever dat Zijn hart het waardeerde. Bovendien nam Hij de plaats in van een mens die beproefd werd, van een getrouwe Israëliet. En hoe zwaar de beproeving van het geduld ook mocht zijn waarin de zonde van het volk Hem had gebracht: Hij wilde geen ander dienen dan Zijn God alleen.

Maar als de duivel de verzoeking, de zonde, tot het uiterste wil drijven, en zich als satan, de tegenstander, openbaart, heeft de gelovige het recht om hem uit te werpen. Als hij als verzoeker tot ons komt, moet de getrouwe hem antwoorden met de betrouwbaarheid van het Woord dat naar de wil van God de volmaakte gids is voor de mens. Het is niet noodzakelijk om alles te doorzien en te weten. Het Woord, is het woord van Hem die dat wel doet! Als we dat volgen, wandelen we overeenkomstig een wijsheid die alles weet, en in een weg die door die wijsheid is gelegd, en waarin dus absoluut vertrouwen in God opgesloten is. De eerste twee verzoekingen waren listen van satan. De derde was openlijke vijandschap tegen God. Als satan komt als een openlijke tegenstander van God, heeft de gelovige het recht om niets met hem te doen te willen hebben. “Weerstaat echter de duivel en hij zal van u vluchten”. Hij weet dan dat hij Christus heeft ontmoet en niet het vlees. Mochten de gelovigen werkelijk weerstaan als satan hen met de wereld wil verzoeken, en bedenken dat die het terrein van satan is in de gevallen mens.

De veiligheid van de gelovige in zedelijke zin (dat wil zeggen wat de toestand van zijn hart betreft) is gelegen in een eenvoudig oog. Als ik niets anders zoek dan de heerlijkheid van God, dan zal alles wat geen ander motief heeft dan wat tot mijn eigen verheffing of bevrediging leidt, hetzij lichamelijk of geestelijk, geen vat op mij hebben. Integendeel. Het zal in het licht van het Woord, waardoor het eenvoudig oog wordt geleid, in tegenspraak blijken met de gedachten van God. En dit is geen hoogmoed, die de verzoeking verwerpt op grond van eigen goedheid. Het is gehoorzaamheid, die ootmoedig aan God de plaats geeft die Hem toekomt, en dus ook aan Zijn Woord. “Ík ben overeenkomstig het woord van Uw lippen op mijn hoede geweest voor de paden van de gewelddadige” (Psalm 17:4), namelijk voor hem, die zijn eigen wil doet en deze tot zijn gids maakt. Als het hart God alleen zoekt, wordt de meest geslepen list van satan ontdekt, want de vijand verzoekt ons nooit om alleen God te zoeken. Maar hiervoor moet een rein hart aanwezig zijn en geen zoeken van zichzelf. In de Heer Jezus wordt ons daarvan het voorbeeld gegeven.

Onze bescherming tegen de verzoeking is het Woord, dat gebruikt wordt met het onderscheidingsvermogen van een volkomen rein hart, dat leeft in de tegenwoordigheid van God en de gedachten van God in Zijn Woord leert verstaan 21 en daardoor weet toe te passen op de aanwezige omstandigheden. Het is het Woord dat de ziel bewaart voor de listen van de vijand.
Laten we dus opmerken, dat onze kracht alleen gelegen is in deze geest van eenvoudige en ootmoedige gehoorzaamheid. Waar deze gevonden wordt, kan satan niets doen. God is aanwezig en dientengevolge is de vijand overwonnen.

Het lijkt me, dat deze drie verzoekingen de Heer verzoeken, als Mens, als Messias en als Zoon des mensen.

Als Mens, had Hij geen zondige begeerte zoals de gevallen mens, maar Hij leed honger. De verzoeker trachtte Hem te bewegen om deze behoefte buiten God om te bevredigen.
Als Messias; de beloften in de Psalmen behoorden Hem, omdat ze aan de Messias gegeven waren.

Als Zoon des mensen; alle koninkrijken van de wereld waren van Hem omdat Hij de Zoon des mensen was.

De Heer antwoordt satan altijd als een getrouwe Israëliet die persoonlijk verantwoordelijk is tegenover God. Hij maakt daarbij gebruik van het boek Deuteronomium, waarin de verantwoordelijkheid van Israël wordt gezien in verbinding met het bezit van het land en de voorrechten van het volk in verbinding met deze gehoorzaamheid. En dit los gezien van de organisatie die Israël tot een verenigd lichaam voor God maakte 22.

Satan verlaat de Heer en de engelen komen om Hem, de Messias, de Zoon des mensen, door gehoorzaamheid overwinnende, te dienen. Hij heeft nu ten volle, waartoe satan Hem heeft willen verleiden: de engelen komen en dienen Hem. Ook voor ons zijn de engelen dienende geesten.

Maar hoe bijzonder belangrijk is het, om onze gezegende Heer te zien als op aarde gekomen; de Zoon van God uit de hemel, het vleesgeworden Woord, die Zijn plaats inneemt onder de arme vromen van deze aarde. En als Hij Zijn plaats heeft ingenomen, wordt Hij door de Vader erkend als Zijn Zoon, terwijl de hemel voor Hem geopend wordt. Geopend voor Hem als mens, terwijl de Heilige Geest neerdaalt op Hem als mens en op Hem blijft: zonder mate. Zo heeft Hij het model van de plaats gevormd die wij zouden innemen, hoewel we er nog niet in waren. De gehele Drie-eenheid wordt, zoals ik al heb gezegd, dan voor het eerst ten volle geopenbaard, als Hij Zich zo met de mens heeft verenigd. En daarna, waar wij slaven van satan waren, gaat Hij in datzelfde karakter en in diezelfde betrekking satan voor ons ontmoeten, om zo de sterke man te binden, en zo de mens door Zichzelf deze plaats te geven. Maar natuurlijk was voor ons de verlossing noodzakelijk om ons te brengen waar Hij is.

Nadat Johannes in de gevangenis is geworpen, vertrekt de Heer naar Galilea. Deze verandering, die bepaalt dat de dienst van de Heer Jezus buiten Jeruzalem en Judea wordt uitgeoefend, heeft grote betekenis ten opzichte van de joden. Immers, hun middelpunt was Jeruzalem. Zij roemden in het bezit van de beloften, de offeranden, de tempel en het zijn van de koninklijke stam. Maar zij verloren nu de aanwezigheid van de Messias, de Zoon van David. Om Zichzelf te openbaren, en tot een getuigenis van de tussenkomst van God in Israël, gaat Hij nu naar de armen en verachten van de kudde. Want het overblijfsel en de armen van de kudde zijn al in hoofdstuk 3-4 duidelijk onderscheiden van de oversten van het volk. In plaats van een rank te zijn van wat vroeger was geplant (Israël naar het vlees), wordt Hij op deze wijze de ware wijnstok, hoewel de uitwerking daarvan nog niet ten volle werd gezien. Het tijdstip waarop dit plaats heeft, komt overeen met Johannes 4.

In het Evangelie van Johannes worden de joden altijd onderscheiden van de massa, in de Evangeliën “de schare” genoemd. De taal, of liever de uitspraak, van de Galileeërs was een heel andere dan die van de joden. In Galilea werd geen Aramees gesproken.

Tevens was de openbaring van de Zoon van David in Galilea de vervulling van een profetie van Jesaja. De betekenis van bedoelde profetie is de volgende: hoewel de Romeinse overheersing veel erger was dan de vroegere invallen van de Assyriërs in het land van Israël, was er echter een omstandigheid die alles veranderde, namelijk de aanwezigheid van de Messias, het ware Licht, in het land.

We merken hierop, dat de Geest van God zwijgt over de gehele geschiedenis van Jezus, tot op het ogenblik dat Zijn dienstwerk begint, na de dood van Johannes de Doper. Hij geeft Jezus Zijn ware plaats in het midden van Israël: Emmanuël, de Zoon van David, de Geliefde van God, erkend als Zijn Zoon, de Getrouwe in Israël, hoewel blootgesteld aan alle verzoekingen van satan. En dan terstond daarna, zien we Zijn profetische positie, zoals deze door Jesaja wordt aangekondigd, en de prediking van het koninkrijk nabij gekomen 23.

Dan roept Hij tot Zich, hen die Hem geheel in Zijn dienstwerk en verzoekingen moesten volgen, en zich verbinden aan Zijn deel en lot met verzaking van al het andere.
De sterke was gebonden, zodat Jezus hem zijn goederen nu kan ontnemen (Lukas 11:21-22), en het koninkrijk proclameren met de bewijzen van die macht die in staat zou zijn het te vestigen.

Hoofdstuk 5-7

In het begin van dit Evangelie zien we dus twee belangrijke dingen. Ten eerste de kracht, die de verkondiging van het koninkrijk vergezelt. In twee of drie verzen 24 wordt dit feit meegedeeld, zonder andere bijzonderheden. De prediking van het koninkrijk gaat gepaard met daden van macht, die de belangstelling opwekken van het gehele land; het gehele gebied van het oude Israël. De Heer openbaart Zich aan hen met deze macht bekleed. Ten tweede zien we in hoofdstuk 5-7 het karakter van het koninkrijk en de personen die er deel aan zouden hebben. Dit wordt in de Bergrede voorgesteld. Hier wordt tevens de Vadernaam geopenbaard. De Heer had de komst van het koninkrijk aangekondigd en door de aanwezige kracht van goedheid de vijand overwonnen. Nu toont Hij het ware karakter waarin het koninkrijk zou worden opgericht, en wie, en op welke wijze men er kon ingaan. Van verlossing wordt hier in het geheel niet gesproken. Het gaat hier om de aard en het karakter van het koninkrijk, en wie er konden ingaan. Hieruit blijkt duidelijk welke zedelijke betekenis deze rede heeft in het onderwijs van de Heer.

Het is duidelijk, dat de Geest ons in dit gehele gedeelte van het Evangelie de positie wil tonen die de Heer hier inneemt, en niet zozeer de bijzonderheden van Zijn leven. Deze bijzonderheden komen later, opdat duidelijk zou blijken wat Hij in het midden van Israël was; wat Zijn relaties met dat volk waren, en hoe Zijn wandel is geweest in de kracht van de Geest, en die uiteindelijk heeft geleid tot de breuk tussen de Zoon van David en het volk dat Hem aan had moeten nemen. Terwijl de opmerkzaamheid van het gehele volk op Zijn machtige daden is gericht, stelt de Heer aan Zijn discipelen (maar ten aanhoren van het gehele volk) de beginselen van het koninkrijk voor.

Deze rede kan als volgt worden verdeeld:25

  1. Het karakter en het deel van hen, die in het koninkrijk zouden zijn. (verzen 1-12).
  2. Hun positie in de wereld (13-16).
  3. De verbinding tussen de beginselen van het koninkrijk en de wet (17-48) 26.
  4. De geest waarin de discipelen goede werken zouden doen (6:1-18).
  5. Afzondering van de geest en de bezorgdheid van de wereld (19-34).
  6. De geest van hun verhouding tot anderen (7:1-6).
  7. Het vertrouwen in God dat ze behoren te hebben (7-12).
  8. De energie die hen moet kenmerken om in het koninkrijk te kunnen ingaan. En niet alleen om in te gaan, want velen willen dat doen, maar om erin te gaan overeenkomstig de beginselen van God en die het de mens moeilijk maken. Het kan alleen door de enge poort. En tevens worden hun dan de middelen gegeven om hen te onderscheiden die ze zoeken te misleiden, zowel als de waakzaamheid om niet misleid te worden (7:13-23).
  9. En ten slotte: praktische gehoorzaamheid aan de woorden van de Heer is de ware wijsheid van hen die Zijn woorden horen (7:24-29).

Er is nog een ander beginsel, dat de Bergrede kenmerkt. Dat is de invoering van de naam “Vader”. Jezus brengt de discipelen in verbinding met Zijn Vader als “hun Vader”. Hij openbaart hun de naam van de Vader, opdat ze met Hem in verbinding zouden zijn, en zouden handelen in overeenstemming met wat de Vader is.

De Bergrede toont ons de beginselen van het koninkrijk, maar veronderstelt tevens de verwerping van de koning, en toont daarom de positie waarin de Zijnen daardoor zouden worden gebracht. Als gevolg moesten ze een hemelse beloning verwachten. Waar God bekend was en handelde, moesten ze een goddelijke reuk zijn en ze zouden een schouwspel zijn voor de gehele wereld. En dat was de bedoeling van God met hen. Hun belijdenis moest zo duidelijk zijn, dat de wereld hun werken zou toeschrijven aan de Vader. Ze moesten enerzijds handelen overeenkomstig een oordeel over het kwaad dat doordrong tot het hart en de beweeggronden, maar anderzijds in genade, overeenkomstig het karakter van de Vader. Daardoor zouden ze de goedkeuring van de Vader verwerven, die in het verborgen ziet, waar het oog van de mens niet kon doordringen. Ze moesten een volkomen vertrouwen hebben in Hem voor alles wat ze nodig hadden. Zijn wil was de regel waarnaar er een ingaan in het koninkrijk was.

We kunnen hier zien, dat deze rede verband houdt met de aankondiging van het koninkrijk als nabij zijnde, en dat al deze beginselen voor het gedrag gegeven worden als kenmerken van het koninkrijk en als voorwaarden om erin te gaan. Het spreekt vanzelf, dat ze ook passend zijn voor hen die ingegaan zijn. Maar deze rede wordt uitgesproken in het midden van Israël,27 vóór de oprichting van het koninkrijk, om de vereiste toestand aan te geven die noodzakelijk was om erin te gaan, en om de fundamentele beginselen van dit koninkrijk in verbinding met dit volk voor te stellen en in morele tegenstelling met de gedachten die zij zich ervan hadden gevormd.

Als we de zaligsprekingen bezien, vinden we daarin in het algemeen het karakter van Christus zelf afgeschilderd. Ze veronderstellen twee dingen: het toekomstige bezit van het land van Israël door de zachtmoedigen, en de vervolging van het getrouwe overblijfsel, dat in al hun wegen werkelijk rechtvaardig is en dat de rechten handhaaft van de ware koning terwijl de hemel voor hun aandacht wordt gesteld als hoop voor de toekomst om hun harten te ondersteunen 28.
Dit zal de positie van het overblijfsel zijn in de laatste dagen vóór de invoering van het koninkrijk. En zedelijk gezien, was dit zo met de discipelen van de Heer in hun verhouding tot Israël, terwijl het aardse deel van het koninkrijk voorlopig nog niet werd gezien. Met het oog op de hemel, worden de discipelen hier gezien als getuigen in Israël. Maar terwijl ze het enige bederfwerende van de aarde waren, waren ze ook een getuigenis voor de wereld. De discipelen worden dus gezien in verbinding met Israël, maar tegelijkertijd als getuigen van Gods zijde in deze wereld, terwijl het koninkrijk voorgesteld wordt maar nog niet is opgericht. Het verband met de laatste dagen is zeer duidelijk, maar voor hun dagen had hun getuigenis toch, zedelijk hetzelfde karakter. Alleen, de vestiging van het koninkrijk op aarde is uitgesteld, en de Gemeente, die hemels is, ingevoerd. Hoofdstuk 5:25 zinspeelt duidelijk op de positie van Israël in de dagen van Christus. En in feite zal hij in de gevangenis blijven, totdat hij zijn volle straf heeft ontvangen. Dan zal hij eruit komen.

De Heer handelt en spreekt altijd als de gehoorzame mens, bewogen en geleid door de Heilige Geest. Maar we zien op de meest duidelijke wijze in dit Evangelie Wie het is die zo handelt. En dat is het wat juist aan het koninkrijk der hemelen het ware zedelijke karakter geeft. Johannes de Doper kon het aankondigen als een verandering van bedeling, maar zijn dienst was een aardse. Christus kon ook diezelfde verandering aankondigen (en die verandering van bedeling was van het allergrootste belang), maar in Hem was meer dan dat aanwezig. Hij was van de hemel, de Heer die van de hemel gekomen was. Als Hij over het koninkrijk der hemelen sprak, deed Hij dat uit de diepe en goddelijke overvloed van Zijn hart. Niemand was in de hemel geweest, dan alleen Hij, die eruit was neergedaald, de Zoon des mensen die in de hemelen is (Johannes 3:13). Daarom, als Hij over de hemel sprak, sprak Hij over dingen die Hij wist, en getuigde Hij van wat Hij gezien had. Dit wordt in het Evangelie van Mattheüs op tweeërlei wijze gezien. Het was niet langer een aardse regering naar de wet; Jahweh, de Verlosser, Emmanuël was aanwezig. En kon Hij anders dan hemels zijn in Zijn karakter, Zijn geest, in de toon en het wezen van Zijn gehele leven?

En bovendien, toen Hij Zijn openlijke dienst begon en verzegeld was door de Heilige Geest, werd de hemel boven Hem geopend. Als een mens verzegeld met de Heilige Geest op aarde, werd Hij vereenzelvigd met de hemel. Hij was dus de voortdurende uitdrukking van de geest en de werkelijkheid van de hemel. De uitoefening van de rechterlijke macht, die dit karakter zou handhaven tegenover ieder die het zou weerstaan, was nog wel niet aanwezig. Nu was het zijn openbaring in verdraagzaamheid en geduld, ondanks de tegenstand van alles rondom Hem en de onbekwaamheid van Zijn discipelen om Hem te begrijpen. Dus vinden we in de Bergrede de omschrijving van datgene wat passend was voor het koninkrijk der hemelen, en zelfs de verzekering van beloning in de hemel voor hen die voor Hem zouden lijden op aarde. Deze beschrijving is, zoals we al gezien hebben, in wezen het karakter van Christus Zelf. Zo openbaart zich een hemelse geest op aarde. De Heer leerde deze beginselen, omdat Hij ze liefhad, Hijzelf daarin werd gezien, en Hij er Zijn vreugde in vond. Omdat Hij de God van de hemel was, en als Mens zonder mate met de Heilige Geest was vervuld, was Zijn hart volkomen in overeenstemming met een hemel die Hij volmaakt kende. En daarom eindigt Hij de beschrijving van het karakter, dat Zijn discipelen moesten bezitten met de woorden: “Weest u dan volmaakt zoals uw hemelse Vader volmaakt is.” Hun gehele gedrag moest een heenwijzing zijn naar hun Vader in de hemel. Hoe meer we de goddelijke heerlijkheid van de Heer Jezus leren kennen, en hoe meer we zien hoe Hij als mens in verbinding met de hemel stond, des te beter kunnen we ook verstaan wat het koninkrijk der hemelen voor Hem was, ten opzichte van alles wat daarvoor passend was. Als dit koninkrijk in de toekomst in kracht zal worden opgericht, zal de wereld naar deze beginselen worden geregeerd, hoewel het in eigenlijke zin niet zijn beginselen zijn.

Zonder enige twijfel zal het overblijfsel in de laatste dagen (als het alles rondom zich in tegenspraak ziet met getrouwheid, en elke joodse verwachting ziet falen voor hun ogen) genoodzaakt worden om naar de hemel te zien en meer en meer dit karakter aannemen, dat, zo niet hemels, dan toch zeer nabij dat van Christus komt 29.

Er zijn twee dingen die verbonden zijn met de aanwezigheid van de schare op de berg. Waar Hij al gevolgd werd door de schare, eiste het ogenblik, dat de Heer een ware voorstelling gaf van het karakter van Zijn koninkrijk. Waar Zijn macht zich deed voelen was het belangrijk dat Hij Zijn karakter bekend maakte. Ten tweede was de schare die Jezus volgde een strik voor de discipelen, en de Heer liet hen het algehele onderscheid zien tussen de uitwerking die de schare op hen zou kunnen hebben, en de ware geest die hen zou moeten leiden. Dus, waar Hij vervuld is met wat werkelijk goed is, laat Hij terstond zien wat Zijn eigen hart vervulde. En dat is het ware karakter van het overblijfsel, dat hierin op Christus gelijkt. Zo zien we het dikwijls in de Psalmen.

Het zout van de aarde is iets anders dan het licht van de wereld. Het lijkt me, dat de aarde datgene voorstelt, wat belijdt al licht van God te hebben ontvangen – krachtens dat licht in verbinding staat met God – en een zekere vorm voor Hem aangenomen heeft. De discipelen van Christus waren het bewarende beginsel in de aarde. En tevens waren ze het licht van de wereld, die dat licht niet bezat. Dat was hun positie, of ze het wilden of niet. Het was de bedoeling van God dat ze het licht van de wereld zouden zijn. Men ontsteekt geen kandelaar om hem te verbergen.

Dit alles gaat uit van de veronderstelling dat er een mogelijkheid is om het koninkrijk in deze wereld op te richten, maar dat het merendeel van de mensen die vestiging tegenstaat. Het gaat hier niet om de verlossing van de zondaar, maar om de verwezenlijking van het karakter, dat behoort bij een plaats in het koninkrijk van God; dat wat de zondaar moet zoeken gedurende de tijd dat hij op de weg is met zijn tegenpartij, opdat deze hem niet aan de rechter overlevert. Dit laatste is de Joden inderdaad overkomen.

Tegelijkertijd worden de discipelen persoonlijk in verbinding gebracht met de Vader. Dit is het tweede grote beginsel van de Bergrede en het gevolg van de aanwezigheid van de Zoon. Hiermee verbonden stelt de Heer Jezus hun een nog betere zaak voor dan hun positie als getuige voor het koninkrijk. Ze moesten in genade handelen evenals hun Vader dat deed. En hun gebed moest gericht zijn op een orde van zaken waar alles zedelijk beantwoordde aan het wezen en de wil van hun Vader. “Moge Uw Naam worden geheiligd, Uw koninkrijk komen” (namelijk het koninkrijk van de Vader. Vergelijk Mattheüs 13:43). Alles zou moeten beantwoorden aan het wezen van de Vader en een uitwerking zijn van Zijn macht. “Uw wil gebeuren, zoals in [de] hemel, zo ook op aarde”, dat is volkomen gehoorzaamheid. Onderwerping van alle dingen in de hemel en op aarde aan God, zal, tot op zekere hoogte, het resultaat zijn van de tussenkomst van Christus in het duizendjarig vrederijk, en het zal volkomen zijn als God zal zijn alles en in allen. Intussen drukt het gebed de dagelijkse afhankelijkheid uit, de behoefte aan vergeving, de behoefte om bewaard te worden tegen de macht van de vijand, het verlangen om niet door hem gezift te worden als een toelating van God, zoals Job en Petrus, en om bewaard te worden voor het boze.

Dit gebed is ook aangepast aan de positie van het overblijfsel.
Het gaat voorbij aan de bedeling van de Geest en zelfs aan datgene wat eigen is aan het duizendjarig rijk als een aards koninkrijk opdat het volkomen de juiste verlangens zou uitdrukken van het overblijfsel en zou spreken van hun toestand en hun gevaren totdat het koninkrijk van de Vader zou gekomen zijn. Veel van deze beginselen zijn altijd waar, want wij zijn ook in het koninkrijk en behoren in de geest de kentekenen ervan te openbaren. Maar de speciale en letterlijke toepassing is die welke ik heb gegeven. Ze zijn in gemeenschap met de Vader gebracht in de verwerkelijking van Zijn karakter, die door de kracht van deze verhouding in hen geopenbaard moet worden. Dit brengt hen tot het verlangen naar de vestiging van Zijn koninkrijk, de moeilijkheden van een vijandige wereld te overwinnen, bewaard te blijven voor de strikken van de vijand en de wil van de Vader te doen. De Heer Jezus kon hen dit geven. En zo gaat Hij over van de wet, 30 die erkend wordt als van God gekomen, naar haar vervulling, als ze, als het ware, opgegaan zal zijn in de wil van Hem, die ze gaf, of vervuld zou zijn in haar bedoelingen door Hem, die dit alleen kon doen, in welke zin ook.

Hoofdstuk 8

Hier begint de Heer, in het midden van Israël, Zijn geduldig leven van getuigenis, dat eindigen zou met Zijn verwerping door het volk dat God zolang voor Hem had bewaard, en voor hun eigen zegen.

Hij heeft het koninkrijk aangekondigd en in het gehele land Zijn macht getoond. Hij heeft Zijn karakter getoond, en de geest geopenbaard van hen die het koninkrijk zouden binnengaan.

Maar tot op Zijn verwerping, dragen Zijn wonderen, 31 evenals het gehele Evangelie, het karakter van Zijn positie in het midden van de joden en van de handelingen van God met dit volk. Hij is Jahweh, maar ook de mens gehoorzaam aan de wet. De intrede van de volken in het koninkrijk laat Hij al doorschemeren, als Hij spreekt over de oprichting van het koninkrijk in verborgenheid in deze wereld (Mattheüs 13:11). Hij voorzegt dat de Gemeente zal worden gebouwd op de erkenning dat Hij de Zoon van de levende God is (Mattheüs 16:18), en spreekt tevens over de oprichting van het koninkrijk in heerlijkheid. En terwijl door Zijn aanwezigheid de verdorvenheid van Israël eerst recht wordt gezien, draagt Hij toch, met een volkomen geduld, de last van Israël op Zijn hart 32.
Het is Jahweh in goedheid aanwezig, uiterlijk een van hen! Wonderbare waarheid!

Allereerst zien we de genezing van de melaatse. Jahweh alleen kon in Zijn vrijmachtige goedheid de melaatse genezen (zie Leviticus 14). Hier doet Jezus het. “Indien Gij wilt”, zegt de melaatse, “Gij kunt”. “Ik wil”, antwoordt de Heer. Maar terwijl de Heer Jezus laat zien, dat Zijn Persoon elke mogelijkheid van verontreiniging uitsluit, omdat Hij boven de zonde verheven is, openbaart Hij de volmaaktste neerbuigende liefde voor de verontreinigde. Hij raakt de melaatse aan en zegt: “Ik wil, word gereinigd”. We zien hier de genade, de macht, en de onaantastbare heiligheid van Jahweh neerdalen, in de Persoon van Jezus, en wel zo dicht bij de zondaar dat deze, om zo te zeggen, door Hem aangeraakt wordt. Hier is het inderdaad: “De HEERE, uw Heelmeester” 33. Tegelijkertijd verbergt Jezus Zich, en beveelt de man die genezen was, overeenkomstig de verordening van de wet, naar de priester te gaan om zijn gave te offeren. Hij verlaat Zijn plaats als Jood niet, onderworpen aan de wet; maar Jahweh was in goedheid aanwezig.

In het tafereel dat nu volgt, zien we een niet-jood, die door het geloof de volle uitwerking geniet van de macht die zijn geloof Jezus toekende. Dit geeft de Heer de gelegenheid om de ernstige waarheid uit te spreken, dat velen van deze arme heidenen zouden komen om in het koninkrijk der hemelen aan te zitten met de vaders die door het joodse volk werden vereerd als de eerste vaders van de erfgenamen van de belofte, terwijl de kinderen van het koninkrijk in de buitenste duisternis zouden zijn. Het geloof van deze hoofdman erkende een goddelijke macht in Jezus. Een macht die (zonder Israël te verloochenen) door de heerlijkheid van Hem die ze bezat, de deur voor de heidenen zou openen, om zo in de olijfboom van de beloften de takken van de wilde olijfboom te enten, op de plaats waar de natuurlijke takken zouden worden afgehouwen.

De manier waarop deze dingen zouden worden vervuld in de gemeente, kwam hier niet ter sprake.

De Heer laat Israël nog niet los. Hij gaat in het huis van Petrus en geneest zijn schoonmoeder. Hij doet hetzelfde met alle zieken die zich tegen de avond, toen de sabbat voorbij was, bij het huis verzamelen. Ze zijn genezen en de duivelen zijn uitgeworpen, zodat de profetie van Jesaja was vervuld: “Onze ziekten heeft Híj op Zich genomen, onze smarten heeft Hij gedragen”. Jezus plaatste Zich met Zijn gehele hart onder het gewicht van al de smarten die Israël drukten, om hen op te heffen en te genezen. Het is steeds Emmanuël, die medegevoel heeft voor hun ellende en benauwd is in al hun benauwdheden. Maar Hij was gekomen met een macht die toonde dat Hij bekwaam was om hen te verlossen.

Deze drie gevallen van genezing laten ons het karakter van Zijn dienst op een duidelijke en treffende wijze zien. Dan verbergt Hij Zich, want tot op het ogenblik dat Hij het oordeel zou tonen aan de heidenen, zou Hij Zijn stem niet verheffen op de straten. Het is de duif, die op Hem rust. Door de openbaringen van Zijn macht, worden de mensen tot Hem getrokken, maar dat misleidt Hem niet. In Zijn geest verlaat Hij nooit, de plaats die Hij heeft ingenomen. Hij is de door de mensen verachte en verworpene, en heeft niets waarop Hij Zijn hoofd kan neerleggen. De aarde had meer plaats voor de vossen en de vogels dan voor Hem, die we een ogenblik tevoren hebben geopenbaard gezien als de Heer en als zodanig werd erkend door de ellendigen. En nooit is Hij in gebreke gebleven, hun noden te vervullen. Wie Hem daarom wil volgen moet van alles afstand doen, om een metgezel van Hem te worden, die niet op aarde was gekomen als niet alles op het spel stond, en Hij geen absolute rechten had bezeten, hoewel Hij tegelijkertijd een liefde openbaarde die zich slechts kon bezighouden met Zijn zending en met de noodzaak die Hem daar had gebracht.

De Heer op aarde was alles of niets. Dit moest weliswaar zedelijk ervaren worden in de gevolgen, door de genade die, handelende door het geloof, de gelovigen met een onverbreekbare band aan Hem verbond. Als het anders was geweest, zou het hart zedelijk niet op de proef gesteld zijn. Maar dit maakte het niet minder waar. Welnu, de bewijzen werden gezien. De wind en de golven waaraan Hij naar menselijke gedachten scheen overgegeven, gehoorzaamden onmiddellijk aan Zijn stem: een treffende terechtwijzing voor het ongeloof dat Hem uit Zijn slaap had gewekt en het mogelijk achtte dat de golven Hem zouden verzwelgen, en met Hem tevens de raadsbesluiten en de macht van Hem die winden en golven geschapen had. Het is zeer duidelijk, dat deze storm werd toegelaten om het geloof van de discipelen te beproeven en de goddelijkheid van Zijn Persoon te doen uitkomen. Als de vijand het middel was om de storm te veroorzaken, was de uitwerking alleen maar dat de Heer Zijn heerlijkheid tentoonspreidde. Dat is, wat Christus betreft, altijd het gevolg, en voor ons als er geloof is.

De werkelijkheid van deze macht en de wijze waarop ze werkzaam was, worden zeer sterk gezien in wat nu volgt. De Heer ontscheept Zich in het land van de Gergesénen. De macht van de vijand vertoont zich daar in al zijn verschrikkelijkheid. Al kende de mens, tot wie de Heer in genade gekomen is, Hem niet: de duivelen (demonen) kennen hun Rechter in de Persoon van dé Zoon van God. De vrees die ze hebben voor de pijn op de jongste dag, verbindt zich hier, in de tegenwoordigheid van de Heer, met de geest van de mens die door hen bezeten was en wordt uitgedrukt in de woorden: “Bent U hier gekomen om ons vóór [de] tijd te pijnigen?” De boze geesten werken op de mens door hen vrees aan te jagen voor hun macht, maar ze kunnen niets beginnen als er geen vrees voor hen bestaat. Maar alleen geloof kan deze vrees bij de mens wegnemen. Ik spreek nu niet van de begeerten waarop ze werken, noch over de strikken van de vijand, maar alleen over zijn macht. “Weerstaat echter de duivel en hij zal van u vluchten”. Hier willen de demonen de werkelijkheid van hun macht tonen, en de Heer staat het hen toe, opdat het duidelijk zou zijn dat het in de wereld niet slechts gaat om de mens, hetzij goed of slecht, maar ook om datgene wat sterker is dan de mens. De demonen varen in de zwijnen en deze komen om in het water. Een droevig beeld, dat duidelijk bewees dat het niet alleen ging om ziekte of zinnelijke begeerten, maar om boze geesten! Maar dank zij God, het gaat hier tevens over Iemand die, hoewel mens op aarde, machtiger was dan deze demonen. Deze worden gedwongen deze macht te erkennen en ze doen er een beroep op zonder enige gedachte aan tegenstand. Bij de verzoeking in de woestijn was satan overwonnen. De Heer bevrijdt volkomen deze man, die de demonen met hun boze macht hadden overweldigd. De macht van deze demonen was voor Hem als niets. Als dat het enige zou zijn geweest, zou Jezus de wereld hebben kunnen bevrijden van al de macht van de vijand en van al de kwalen van de mensheid. De sterke man was gebonden, en de Heer ontroofde hem zijn goederen. Maar de aanwezigheid van God, van Jahweh, hindert de wereld zelfs meer dan de macht van de vijand die geest en lichaam beheerst en vernedert. De heerschappij van de vijand over het hart (al te vredig en helaas veel te weinig opgemerkt) is machtiger dan zijn kracht. Zijn kracht moet bezwijken voor het woord van Jezus. Maar de wil van de mens aanvaardt de wereld zoals ze is; geregeerd door de invloed van satan. De gehele stad, die getuige was geweest van de bevrijding van de bezetene en de macht van Jezus die Zich in hun midden bevindt, verzoekt de Heer weg te gaan. Droevige geschiedenis van de wereld! De Heer kwam op aarde met macht, om de wereld, de mens te bevrijden van alle macht van de vijand, maar zij wilden het niet. Hun verwijdering van God was moreel en niet alleen slavernij onder de macht van de vijand. Zij onderwierpen zich aan dit juk, waren eraan gewend en wilden de aanwezigheid van God niet.

Ik twijfel er niet aan, dat, wat de zwijnen overkomen is, een beeld is van wat met de goddeloze en onheilige joden is gebeurd, die de Heer Jezus verwierpen. Niets kan treffender zijn dan de wijze waarop een goddelijk Persoon, Emmanuël, hoewel in genade mens op aarde, in dit hoofdstuk is geopenbaard.

Hoofdstuk 9

Hier zien we de Heer handelen in het karakter en naar de macht van Jahweh, zoals we in Psalm 103 lezen: “Die al uw ongerechtigheid vergeeft, Die al uw ziekten geneest”. Het is de genade in zichzelf, waarin Hij kwam ten behoeve van Israël. We zien het karakter van Zijn dienst, zoals het vorige hoofdstuk de waardigheid van Zijn Persoon voorstelde en het getuigenis van wat Hij was. De Heer biedt Zichzelf aan Israël aan als hun ware Verlosser en Bevrijder. Om Zijn rechten (waartegen het ongeloof zich al verzet had) deze zegen voor Israël te zijn, en hun ongerechtigheden te vergeven die een slagboom tussen hen en God plaatste te bewijzen, vervult Hij het tweede gedeelte van dit vers, en heelt hun zieken. Treffend en kostelijk getuigenis van goedheid tegenover Israël, en tevens de openbaring van de heerlijkheid van Hem die in het midden van Zijn volk was. In dezelfde geest waarin Hij vergeven en genezen had, roept Hij de tollenaar en gaat zijn huis binnen. Hij was niet gekomen om de rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.

Maar nu komen we tot een ander gedeelte van het onderwijs dat dit Evangelie ons geeft, namelijk de ontwikkeling van de tegenstand van de ongelovigen, en vooral van de geleerde en godsdienstige mensen, en van de verwerping van de Persoon en het werk van de Heer.
In het geval van de bezetene zagen we al wat er gaande was, namelijk de macht van God die aanwezig was, om, als ze de Heer aannamen, Zijn volk en de wereld geheel te bevrijden. Deze macht werd door de duivelen erkend als datgene, waardoor ze later zouden worden geoordeeld en uitgeworpen. Maar hoewel ze zich hier openbaarde in zegening voor al de mensen van de plaats, werd ze verworpen, omdat ze zo’n macht niet in hun midden wensten. Ze wilden de tegenwoordigheid van God niet.

Nu begint de geschiedenis van de bijzonderheden van deze verwerping. Hoofdstuk 8:1-27, geeft de openbaring van de macht van de Heer – een macht die werkelijk die van Jahweh op aarde is. Vanaf vers 28 zien we hoe deze macht in de wereld ontvangen wordt en de invloeden die de wereld regeren, hetzij als macht, hetzij moreel in het hart van de mens. En hiermee zijn we tevens gekomen bij de historische ontwikkeling van de verwerping van deze tussenkomst van God op aarde.

De schare verheerlijkt God, die zulk een macht aan een mens had gegeven. Jezus aanvaardt deze plaats. Hij was mens: de schare zag dat Hij mens was en erkende tevens de macht van God, zonder te weten hoe ze deze twee gedachten moest verenigen in Zijn Persoon.

De genade, die de aanspraken van de mens op de gerechtigheid niet acht, wordt nu op de voorgrond geplaatst. Mattheüs de tollenaar wordt geroepen, want God ziet het hart aan en genade roept de uitverkoren vaten. De Heer maakt de gedachten van God over dit onderwerp bekend en tevens Zijn eigen zending. Hij is gekomen om zondaars te roepen; Hij wil barmhartigheid. Het is God in genade en niet de mens met zijn aangematigde gerechtigheid op grond van zijn vermeende verdiensten.

De Heer geeft twee redenen op die het onmogelijk maken om Zijn handelwijze te verzoenen met de eisen van de farizeeën. Hoe zouden de discipelen kunnen vasten nu de Bruidegom bij hen is? Als de Messias zal zijn weggegaan, dan zullen ze het doen. Bovendien is het onmogelijk de nieuwe beginselen en de nieuwe macht van Zijn zending, in te voegen in de oude vormen van de farizeeën.

We zien hier dus genade voor zondaars, maar omdat de genade verworpen wordt zien we terstond een nog sterker bewijs dat de Messias – Jahweh, aanwezig is en wel in genade. Als Hem wordt gevraagd om een jong meisje van haar doodsbed op te wekken, geeft Hij daaraan gehoor. Op Zijn weg erheen, wordt een arme vrouw, die alle geneesmiddelen had aangewend zonder baat te vinden, terstond genezen als ze de zoom van Zijn kleed aanraakt. Deze gebeurtenis laat ons de twee hoofdpunten zien van de genade die in Jezus werd geopenbaard. Christus kwam om het dode Israël op te wekken; in de volle zin van het woord, zal Hij dit later doen. Wie Hem in die tussentijd door het geloof aanneemt, te midden van de schare die Christus vergezelt, wordt genezen, hoe hopeloos zijn toestand ook moge zijn. Wat in Israël gebeurde toen Jezus er was, is in beginsel ook waar voor ons. De genade in Jezus is een macht die opwekt uit de dood en die geneest. Zo opende Hij de ogen van hen in Israël die Hem erkenden als de Zoon van David, en geloofden in Zijn macht om in hun behoeften te voorzien. Hij wierp ook de duivelen uit en deed de stomme spreken.

Maar als Hij deze machtige handelingen in Israël heeft verricht, zodat het volk Hem, wat de feiten betreft, met bewondering erkent, schrijven de farizeeën, het meest godsdienstige deel van het volk, deze macht toe aan de overste van de duivelen. Dat was het resultaat van de aanwezigheid van de Heer op de oversten van het volk. Ze waren jaloers op Zijn heerlijkheid die zo werd geopenbaard in het midden van hen over wie zij hun invloed uitoefenden. Maar dit onderbreekt in het geheel niet de zegenrijke loopbaan van de Heer. Hij kan nog steeds getuigen in het midden van het volk. Ondanks de farizeeën, kan Zijn goedheid nog werken. Hij gaat voort met prediken en genezen. Hij heeft medelijden met het volk, dat als een kudde zonder herder was en zedelijk aan zichzelf overgelaten. Hij ziet dat de oogst nog steeds groot is en de arbeiders weinig. Dat wil zeggen, dat Hij nog alle deuren geopend ziet om tot het volk te spreken. Hij gaat voorbij aan de boosheid van de farizeeën.

Laten we nu samenvatten wat we in dit hoofdstuk vinden, namelijk de geopenbaarde genade in Israël. Ten eerste genade, genezende en vergevende, zoals in Psalm 103. Vervolgens genade gekomen om zondaars te roepen, en niet rechtvaardigen; de bruidegom was er en nu kon genade in macht niet worden opgesloten in joodse en farizese vaten. Het was iets nieuws, zelfs ten opzichte van Johannes de Doper. Christus komt in werkelijkheid om leven aan de doden te geven, niet om te genezen. Maar toch, wie Hem ook door het geloof aanraakte (want er waren zulke) werden op de weg genezen. Als Zoon van David opent Hij de ogen opdat ze zien en de stomme mond van hem die door de duivel was bezeten. Dit alles wordt met laster verworpen door de eigengerechtige farizeeën. Maar de genade ziet de schare als geen herder hebbende, en zolang de deurwachter de deur opent, houdt Hij niet op de schapen op te zoeken en te dienen. Zolang God Hem toegang geeft tot het volk, zet Hij Zijn arbeid van liefde voort. Toch ziet Hij de ongerechtigheid niet voorbij waardoor het volk werd bestuurd, hoewel Hij Zijn eigen heerlijkheid niet zocht.

Hoofdstuk 10

Nadat de Heer Zijn discipelen heeft opgewekt om te bidden om arbeiders in Zijn oogst, begint Hij Zelf naar dit verlangen te handelen. Hij roept Zijn twaalf discipelen, geeft hen macht om demonen uit te werpen en zieken te genezen en zendt hen tot de verloren schapen van het huis van Israël. We zien in de zending van de twaalf, hoezeer de wegen van God met Israël het onderwerp van dit Evangelie zijn. De discipelen moesten, uitsluitend aan dat volk, de nabijheid van het koninkrijk aankondigen, terwijl ze tegelijkertijd de krachten konden uitoefenen die ze hadden ontvangen. Zo zouden ze een treffend getuigenis geven van Hem die gekomen was, en die niet alleen Zelf wonderen verrichtte maar ook aan anderen de macht kon geven dit te doen. Hij gaf hun voor dit doel macht over de boze geesten. Dit is het, waardoor op bijzondere wijze het koninkrijk wordt gekenmerkt. De mens wordt van alle ziekten genezen en de duivelen worden uitgeworpen. Daarom worden wonderen in Hebreeën 6 de krachten van de toekomende eeuw genoemd 34.

De discipelen moesten ook, wat hun behoeften betreft, geheel afhankelijk zijn van Hem die hen had gezonden. Emmanuël was aanwezig. De wonderen waren voor de wereld een bewijs van de macht van hun Meester; en het feit dat het henzelf aan niets ontbrak zou het bewijs voor hun eigen hart zijn. Het voorschrift werd ingetrokken voor de tijd van hun dienst die volgde op het heengaan van Jezus uit deze wereld (Lukas 22:35-37). Het hier in Mattheüs 10 gegeven gebod staat in verbinding met Zijn aanwezigheid als Messias, als Jahweh Zelf, op aarde. Daarom besliste de ontvangst of de verwerping van Zijn gezanten over het lot van hen tot wie ze waren gezonden. Die hen verwierp, verwierp de Heer, Emmanuël, God met Zijn volk 35.

Maar in feite zond Hij Zijn discipelen als schapen te midden van wolven. Ze zouden de wijsheid van de slangen nodig hebben en de oprechtheid van duiven moeten openbaren. Een zeldzame vereniging van deugden, alleen te vinden bij hen die door de Geest van de Heer wijs waren in het goede en onwetend ten opzichte van het kwaad (Romeinen 16:19). Als ze niet op hun hoede waren voor de mensen (droevig getuigenis van deze), zouden ze slechts van hen te lijden hebben. Maar als ze gegeseld zouden worden, of voor raadsvergaderingen, stadhouders of koningen geleid, zou dat tot een getuigenis voor deze zijn. Het zou een goddelijk middel zijn om het evangelie van het koninkrijk voor te stellen aan koningen en prinsen, zonder het karakter van dit evangelie te veranderen of het aan te passen aan de wereld, of het volk van de Heer te vermengen met de gewoonten en de valse grootheid van de wereld. Bovendien zouden zulke omstandigheden hun getuigenis meer opzienbarend maken, dan wanneer ze zich één gemaakt hadden met de groten van deze aarde. En om dit te kunnen doen, zouden ze zulk een kracht en leiding van de Geest van hun Vader ontvangen, dat de woorden die ze zouden spreken niet de hunne zouden zijn, maar van Hem die ze hun ingaf.

Hier wordt opnieuw, zoals zo kenmerkend is voor de Bergrede, de verbinding met hun Vader de basis gemaakt van hun bekwaamheid voor de dienst die ze moesten volbrengen. We moeten steeds in gedachten houden, dat dit getuigenis tot Israël alleen gericht is. Maar omdat Israël sinds de tijd van Nebukadnezar onder het juk van de heidenen was, zou het getuigenis komen tot hun regeerders.

Maar dit getuigenis zou een tegenstand opwekken die elke familieverbinding zou verbreken. Het zou een haat opwekken die het leven van de meest geliefden niet zou ontzien. Maar wie, ondanks dit alles, volharden zou tot het einde, zou behouden worden. Toch was het een zaak van het grootste belang. Ze moesten geen tegenstand bieden, maar als de tegenstand het karakter aannam van een vervolging moesten ze vluchten en het evangelie op een andere plaats gaan prediken. Want vóór ze met de steden van Israël klaar zouden zijn, zou de Zoon des mensen komen 36.

Ze moesten het koninkrijk aankondigen. Jahweh, Emmanuël, was daar te midden van Zijn volk, en de oversten van het volk hadden de Meester van het huis Beëlzebul genoemd. Dit had het getuigenis van Jezus niet doen ophouden, maar het kenmerkt zeer sterk de omstandigheden waarin het moest worden afgelegd. Hij zendt Zijn discipelen uit, en waarschuwt hen voor deze stand van zaken opdat ze zolang mogelijk hun getuigenis te midden van Zijn geliefd volk handhaven. Dat getuigenis werd toen gegeven, en als de omstandigheden het toelaten kan het gegeven worden totdat de Zoon des mensen zal komen om het oordeel uit te voeren. Dan zal de Heer des huizes zijn opgestaan om de deur te sluiten. Dan zal het “heden” van Psalm 95 voorbij zijn. Het voorwerp van het getuigenis is: Israël in het bezit van zijn steden. Als ze niet meer in het land zijn, wordt het getuigenis dus noodzakelijkerwijs opgeschort. Het getuigenis aangaande het toekomstige koninkrijk, zoals dat door de apostelen te midden van Israël werd gegeven na de dood van de Heer, is een aanvulling van deze zending, voor zover dit getuigenis werd gegeven in het land van Israël zelf. Het koninkrijk kon worden aangekondigd als nabij gekomen, omdat Emmanuël op aarde was; of, zoals Petrus het aankondigt in Handelingen 3, als Christus uit de hemel terugkeert. En dat zou kunnen plaats hebben, als Israël in het land was, zelfs totdat Christus terug zou komen. Dus kan het later worden voortgezet, zodra Israël zich weer in het land bevindt en als God de geestelijke kracht geeft die nodig is om zulk een getuigenis te kunnen geven.

Intussen moeten de discipelen delen in de positie van Christus zelf. Als ze de Heer des huizes Beëlzebul hebben genoemd, hoeveel te meer Zijn huisgenoten. Maar ze hoefden niet te vrezen. Het was het noodzakelijke deel van hen, die te midden van het volk de zijde van God kozen. Maar er was niets verborgen, dat niet zou worden geopenbaard. En zijzelf moesten ook niets terughouden, maar vanaf de daken prediken alles wat hen was geleerd. Want alles zou in het licht gesteld worden; zowel hun trouw aan God in dit opzicht als andere dingen. Terwijl dit alles de geheime plannen van hun vijanden zou doorkruisen, zou het juist de weg van de discipelen kenmerken. God, die licht is, en in de duisternis ziet als in het licht, zou eenmaal alles in het licht stellen. Maar zedelijk moesten zij dit nu al doen. Ze moesten daarom niets en niemand vrezen in het volbrengen van dat werk, dan God alleen, de rechtvaardige Rechter op de laatste dag. Bovendien waren zelfs de haren van hun hoofd alle geteld. Ze waren kostbaar in de ogen van hun Vader, Die zelfs acht sloeg op de dood van een enkele mus. Zelfs dat kon niet gebeuren buiten Hem om, die hun Vader was. Tenslotte moesten de discipelen er goed van doordrongen zijn, dat de Heer niet gekomen was om vrede te brengen op aarde. Het tegendeel zou waar zijn. Zelfs in de schoot van de familie zou er verdeeldheid zijn. Maar Christus moest voor de Zijnen kostbaarder zijn dan vader of moeder, ja, zelfs meer dan hun eigen leven. Hij die ten koste van zijn getuigenis voor Christus zijn leven zou willen behouden, zou het verliezen. Terwijl hij, die het om Christus wil verliezen zou, het zou behouden. Degene die dit getuigenis zou ontvangen in de persoon van de discipel, zou Christus Zelf ontvangen, en in Christus Hem die Hem had gezonden. En terwijl God zo zou worden erkend in de persoon van Zijn getuigen hier op aarde, zou Hij aan allen die deze getuigen ontvingen, een loon geven overeenkomstig het getuigenis dat ze daardoor hadden afgelegd. Hij, die de getuige van de verworpen Christus erkende door hem slechts een beker koud water te geven, zou zijn loon niet verliezen. Hij, die in een vijandige wereld het getuigenis van God gelooft, en (ondanks die wereld) de drager van dat getuigenis ontvangt, belijdt werkelijk God evenals Zijn dienstknecht. Dat is alles wat we kunnen doen. Door Zijn verwerping is Christus de toetssteen geworden voor iedereen.

Vanaf dat ogenblik zien we het definitieve oordeel over het volk. Nog wel niet openlijk uitgesproken zoals in hoofdstuk 12, en ook nog niet door het eindigen van de dienst van Christus, want Hij ging voort, ondanks de tegenstand van het volk, met het vergaderen van het overblijfsel, en wat nog belangrijker is, in de openbaring van Zichzelf als Emmanuël.

Maar dat het oordeel onafwendbaar is, wordt duidelijk gezien in het karakter van Zijn gesprekken en in de positieve verklaringen van de Heer over de toestand van het volk, terwijl het ook wordt gezien aan het gedrag van de Heer te midden van de omstandigheden die voor Hem de aanleiding waren om uit te drukken hoe Hij tegenover hen stond.

Hoofdstuk 11

Nadat de Heer Zijn discipelen had uitgezonden om te prediken, zet Hij Zelf Zijn werk voort. Het gerucht van Zijn werken drong door tot Johannes in de gevangenis. Ondanks zijn profetische gave, waren er in zijn hart toch nog joodse voorstellingen en verwachtingen gebleven. Daarom zendt hij zijn discipelen tot Jezus met de vraag of Hij Degene was die komen zou, of dat ze nog een ander moeten verwachten 37. God heeft deze vraag toegelaten om alles zijn juiste plaats te geven. Christus moet Zijn eigen getuige zijn, omdat Hij het Woord van God is. Hij moet getuigen zowel van Zichzelf als van Johannes, en geen getuigenis ontvangen van Johannes. En dat getuigenis gaf Hij, in de tegenwoordigheid van de discipelen van Johannes. Hij genas alle ziekten van de mensen en predikte het evangelie aan de armen. De boden van Johannes moesten dit ware getuigenis van wat Jezus was aan hun meester brengen, en Johannes moest het aannemen. Door deze dingen werd de mens op de proef gesteld. Gezegend hij die zich niet ergerde aan de nederige verschijning van de Koning van Israël. “God geopenbaard in het vlees” kwam niet de luister van het koningschap zoeken, hoewel Hij daarop recht had, maar Hij kwam tot verlossing van lijdende mensen. Zijn werk openbaarde een veel dieper goddelijk karakter en had een veel heerlijker beweegreden dan het bezitten van de troon van David, en een veel heerlijker verlossing dan die welke Johannes uit de gevangenis zou hebben gebracht en een einde zou hebben gemaakt aan de tirannie die hem in de gevangenis had geworpen.

Dit dienstwerk op zich nemen –, afdalen tot de plaats waar het vervuld moest worden –, de smarten en lasten dragen van Zijn volk –, dit alles kon een steen des aanstoots zijn voor een vleselijk gezind hart dat uitzag naar de oprichting van een heerlijk koninkrijk dat de hoogmoed van Israël zou bevredigen. Maar was het niet meer goddelijk en meer noodzakelijk voor de toestand van het volk zoals God die zag? Daarom moest het hart van iedereen op de proef worden gesteld, opdat zou blijken of hij behoorde bij het berouwhebbend overblijfsel, dat de wegen van God onderscheidde, of bij de hoogmoedige menigte die alleen zijn eigen heerlijkheid zocht en geen geoefend geweten bezat voor God noch een gevoel van hun eigen nood en ellende.

De Heer plaatst dus Johannes onder de verantwoordelijkheid dit getuigenis aan te nemen, dat geheel Israël op de proef stelt, en het overblijfsel onderscheidt van het volk als geheel. Nu richt de Heer Zich tot het volk, om van Johannes te getuigen. Hij herinnert hen eraan, hoe ze de prediking van Johannes zijn gevolgd. Hij laat hen nauwkeurig het punt zien waartoe Israël was gekomen in de wegen van God. De invoering van het koninkrijk, in getuigenis, maakte het onderscheid tussen wat voorafging en wat volgde. Onder allen die van vrouwen geboren waren, was niemand groter geweest dan Johannes de Doper. Er was niemand die zó dicht bij Jahweh was geweest, dan hij, die uitgezonden was voor Zijn aangezicht. Niemand die een nauwkeuriger en vollediger getuigenis had afgelegd. Niemand die zo afgezonderd was geweest van al het kwaad door de kracht van de Heilige Geest; een afzondering die passend was bij de vervulling van een dergelijke zending onder het volk van God. Maar toch was Johannes nog niet in het koninkrijk: het was nog niet opgericht. En in de tegenwoordigheid van Christus in het koninkrijk te zijn, de vruchten genietend van de vestiging van Zijn heerlijkheid 38, was iets groters dan het getuigenis van de komst van dat koninkrijk.

Toch was er vanaf het optreden van Johannes de Doper een merkwaardige verandering. Vanaf die tijd was het koninkrijk aangekondigd. Het was nog niet gevestigd, maar het was gepredikt. Het was iets geheel anders dan de profetieën die van een toekomstig koninkrijk spraken, terwijl zij het volk steeds vermaanden om terug te keren tot de wet die door Mozes was gegeven. De Doper ging voor de Koning uit. Hij verkondigde de nabijheid van het koninkrijk, en riep de joden op tot bekering om erin te kunnen gaan. Dus de profeten en de wet spraken van Gods kant tot op Johannes. De wet was het richtsnoer. En terwijl de profeten de wet handhaafden, versterkten zij de hoop en het geloof van het overblijfsel. Maar nu dreef de kracht van de Geest de mensen aan om zich een weg te banen door iedere moeilijkheid heen en door alle tegenstand van de oversten van een verblind volk, om tot elke prijs te komen tot het koninkrijk van een Koning die verworpen was door het blinde ongeloof van hen die Hem hadden moeten ontvangen. De Koning was gekomen in vernedering en verworpen. Daarom moest er wel geweldige kracht worden uitgeoefend om het koninkrijk binnen te gaan. De enge poort was de enige ingang.
Als het geloof, wat deze dingen betreft, werkelijk kon ingaan in de gedachten van God, was Johannes de Elia die komen zou. Wie oren had om te horen, moest horen. In feite was het voor deze alleen.

Als het koninkrijk verschenen was in de heerlijkheid en de macht van Hem die er het Hoofd van was, zou geweldoefening niet nodig zijn geweest. Men zou het dan in bezit hebben gekregen door de zekere uitwerking van deze macht. Maar God wilde hen zedelijk op de proef stellen. Zo hadden ook zij Elia in een geestelijke zin moeten aannemen.

Het resultaat van deze proef wordt ons getoond in de woorden van de Heer die volgen. Ze laten ons het ware karakter zien van “dit geslacht” en de wegen van God in verbinding met de Persoon van Jezus, juist in Zijn verwerping geopenbaard. Noch de bedreiging van de gerechtigheid, noch de aantrekkelijkheid van de genade hadden enige invloed op hen. De kinderen der wijsheid, zij die werkelijk in hun geweten door God geleerd waren, erkenden de waarheid van het getuigenis van Johannes over hen, als ook de genade van de wegen van Jezus, die zo noodzakelijk was voor schuldigen.

Johannes, gescheiden van de ongerechtigheid van het volk, had in hun ogen een demon (duivel). De Heer Jezus daarentegen, vriendelijk tegen de ellendigste, beschuldigden zij van gemeenschap met boze wegen. Toch zouden deze gebeurtenissen sterk genoeg zijn geweest om Tyrus en Sodom te verootmoedigen; en het rechtvaardige verwijt van de Heer waarschuwt het verdorven ongelovige volk voor een nog verschrikkelijker oordeel dan de hoogmoed van Tyrus en de verdorvenheid van Sodom te wachten stond.

Deze proef betrof juist het meest bevoorrechte volk. Men zou hebben kunnen vragen, waarom deze boodschap niet naar Tyrus was gezonden dat gereed was om te luisteren, of naar Sodom zodat deze mensen het vuur dat hen verteerde hadden kunnen ontvluchten? Het was omdat de mens op alle manieren op de proef gesteld moet worden en om de volmaakte raadsbesluiten van God te openbaren. Als Tyrus en Sodom de voorrechten die God in Zijn schepping en voorzienigheid hen had gegeven hadden misbruikt: de joden zouden openbaar maken wat er in het hart van de mens aanwezig was, als hij alle beloften bezat en het vat was waaraan alle woorden van God waren toevertrouwd. Zij roemden op wat hen gegeven was en verwijderden zich van de Gever. Hun verblind hart herkende hun God niet maar verwierp Hem zelfs.

De Heer voelde de verachting van Zijn volk dat Hij liefhad. Maar, als de gehoorzame Mens op aarde, onderwierp Hij Zich aan de wil van Zijn Vader, Die, in vrijmacht handelende, als Heer van de hemel en de aarde, in de uitoefening van Zijn vrijmacht de goddelijke wijsheid en de volmaaktheid van Zijn wezen openbaarde. Jezus aanvaardt de wil van Zijn Vader in al zijn gevolgen en zo onderworpen ziet Hij de volmaaktheid ervan.

Het was passend, dat God aan de zachtmoedigen alle gaven van Zijn genade in Jezus, deze Emmanuël op aarde, openbaarde, en dat Hij ze verborg voor de hoogmoed die niet schroomde ze uit te pluizen en te veroordelen. Maar dit opende de deur voor de heerlijkheid van de raadsbesluiten van God hierin.

De waarheid was, dat Zijn Persoon te heerlijk was om door de mens doorgrond of begrepen te kunnen worden, hoewel Zijn woorden en Zijn werken het volk geen enkele verontschuldiging lieten in hun weigering tot Hem te komen om de Vader te leren kennen.

Jezus, onderworpen aan de wil van de Vader, hoewel diep gevoelig voor alles wat door de gevolgen Zijn hart treft ziet de gehele omvang van de heerlijkheid die zou volgen op Zijn verwerping. Alle dingen waren Hem door de Vader overgegeven. Het is de Zoon, die aan ons geloof wordt geopenbaard, nadat het deksel dat Zijn heerlijkheid verborg werd weggenomen, nadat Hij als Messias was verworpen. Niemand kent Hem dan de Vader. Welke hoogmoedige geest kon doorgronden wat Hij was? Hij die van alle eeuwigheid één was met de Vader werd mens en overtrof in de diepe verborgenheid van Zijn wezen alle kennis, behalve die van de Vader zelf. De onmogelijkheid om Hem te kennen die Zich ontledigd had om mens te worden, handhaafde de zekerheid en de werkelijkheid van Zijn Godheid, die door deze zelfvernedering wellicht voor de ogen van het ongeloof verborgen kon blijven. Het ondoorgrondelijke in een wezen van een begrensde vorm, openbaarde de Oneindige die zich daarin bevond. Zijn Godheid was gewaarborgd voor het geloof, tegen de invloed die Zijn mensheid zou kunnen hebben op de geest van de mens. Maar als niemand de Zoon kent dan de Vader alleen, dan is de Zoon, Die waarlijk God is, bekwaam om de Vader te openbaren. Niemand heeft ooit God gezien. De eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, die heeft Hem verklaard. Niemand kent de Vader dan de Zoon en aan wie de Zoon Hem wil openbaren. Arme onwetendheid, die in zijn trots Hem verwerpt! Het was dus naar het welbehagen van de Zoon dat deze openbaring was gedaan. Wat een bijzondere eigenschap van goddelijke volmaaktheid. Hij kwam om de Vader te openbaren en Hij deed dit overeenkomstig Zijn eigen wijsheid. Dit was de waarheid van de verbinding van de mens met de Zoon, hoewel de Zoon Zich moest onderwerpen aan de pijnlijke vernedering, verworpen te worden door Zijn eigen volk, als de laatste proef van hun toestand; de toestand van de mens.

Merk hier ook op dat dit beginsel – deze waarheid wat Christus betreft – de deur voor de heidenen opent; voor ieder die geroepen zou worden. De Zoon openbaart de Vader aan wie Hij wil. Hij zoekt altijd de heerlijkheid van Zijn Vader. Hij alleen kan Hem openbaren, Hij, aan Wie de Vader, de Heer van hemel en aarde, alles had overgegeven. De heidenen zijn ingesloten bij de rechten die bij deze titel behoren, en zelfs elke familie in de hemel en op de aarde. Christus oefent deze rechten uit in genade, ieder die Hij wil roepende tot de kennis van de Vader.

We hebben dus achtereenvolgens gezien: het verdorven en ongelovig geslacht; vervolgens een overblijfsel van het volk, dat de wijsheid van God, die in Johannes en Jezus in oordeel en genade geopenbaard is, rechtvaardigt. Daarna zien we het vonnis van het oordeel over de ongelovigen, en de verwerping van Jezus in het karakter waarin Hij Zich aan het volk had voorgesteld. Tenslotte zien we Zijn volkomen onderwerping, als mens, aan de wil van Zijn Vader in deze verwerping, terwijl daardoor een gelegenheid wordt geschapen voor de openbaring aan Zijn ziel van de heerlijkheid die Hem als Zoon van God toebehoorde – een heerlijkheid die geen mens kon kennen, zoals Hij alleen die van de Vader kon openbaren.

De wereld, die Hem afwees, bevond zich dus in een totale onwetendheid, buiten het welbehagen van de Zoon, Die Zijn welbehagen vindt in het openbaren van de Vader.

Men ziet hier ook, dat de zending van de discipelen tot Israël voortgaat nadat zij Christus hadden verworpen (met de voorwaarde dat Israël in het land is), tot op de komst van Christus als Zoon des mensen (Zijn titel in oordeel en heerlijkheid, als erfgenaam van alle dingen, dat wil zeggen tot het oordeel waardoor Hij bezit zal nemen van het land Kanaän met een macht die geen ruimte laat voor Zijn vijanden). De uitdrukking “Zoon des mensen”, Zijn titel in oordeel en heerlijkheid als erfgenaam van alle dingen, vinden we in Johannes 5; Daniël 7; Psalm 8 en Psalm 80.

In hoofdstuk 11 zien we ook, dat de verdorvenheid van het geslacht dat het getuigenis van Johannes, en ook dat van de Zoon des mensen, Die in genade gekomen was en Zich in goedheid had ééngemaakt met de joden, had verworpen, de deur opent voor het getuigenis van de heerlijkheid van de Zoon van God en van de openbaring door Hem in vrije genade van de Vader; een genade die Hem kon bekend maken als voldoende voor een arme heiden zowel als voor een jood. Het ging niet langer over de verantwoordelijkheid van het aannemen van Hem die gekomen was, maar om de soevereine genade, die meedeelde aan wie zij wilde. Jezus kende de mens, de wereld, het geslacht, dat de grootst mogelijke voorrechten had genoten van allen die in de wereld waren. Er was geen rustpunt voor Zijn voet in de modderpoel van wat afgevallen was van God. Te midden van een wereld van boosheid, bleef Jezus de enige die de Vader openbaarde, de Bron van al het goede. En wie nodigt Hij nu tot Zich? Wat geeft Hij aan hen die komen? Als enige Bron van zegen en verklaarder van de Vader, roept Hij allen tot Zich die vermoeid en belast zijn. Het is mogelijk, dat zij de bron van alle ellende niet kennen namelijk het gescheiden zijn van God, de zonde. Maar de Heer wist het, en Hij alleen kan genezing geven. Als ze onder het bewustzijn van zonde gebukt gingen: zoveel te beter. De wereld voldeed, in elk geval, hun hart niet meer. Ze waren ellendig en bijgevolg de voorwerpen van het hart van Jezus. En meer dan dat, Hij wilde hen rust geven. Hij zegt hier niet op welke manier. Hij kondigt alleen het feit aan. De liefde van de Vader, die in genade in de Persoon van de Zoon de ellendigen zoekt, zou rust geven aan ieder die tot Jezus kwam. Niet maar verzachting of medegevoel, maar rust. Het was de volkomen openbaring van de Naam van de Vader aan het hart van ieder die er behoefte aan had. En dat gebeurde door de Zoon. Het was de vrede; de vrede met God. Het was voldoende tot Christus te komen. Hij nam alles op Zich en gaf rust.

Maar er is in rust nog een tweede bestanddeel. Er is meer dan de vrede door de kennis van de Vader in Jezus. En er is ook meer nodig. Want zelfs waar de ziel volmaakte vrede met God heeft, levert de wereld veel oorzaken op van onrust voor het hart. En in dat geval is de kwestie of er onderworpenheid is of eigenwil. Christus, in het bewustzijn van Zijn verwerping, in de diepe smart, veroorzaakt door het ongeloof van de steden waarin Hij het meest Zijn wonderen had gedaan, had juist de meest volkomen onderworpenheid aan Zijn Vader geopenbaard en vond daarin volmaakte rust voor Zijn ziel. En tot deze onderwerping roept Hij allen die Hem horen; allen die behoefte hebben aan rust voor hun ziel. “Neemt Mijn juk op u en leert van Mij”. Dat wil zeggen, het juk van een volkomen onderwerping aan de wil van Zijn Vader. Van Hem lerende hoe we ons moeten gedragen in de moeilijkheden van het leven. Want Hij was “zachtmoedig en nederig van hart”. Hij was tevreden om op de laagste plaats te staan door de wil van Zijn God. En inderdaad, niets kan iemand neerwerpen, die reeds de laagste plaats heeft ingenomen. Het is de plaats van volmaakte rust voor het hart.

Hoofdstuk 12

In dit hoofdstuk wordt de verwerping van het volk, als gevolg van hun verwerping van de Heer duidelijk aangetoond. Ook zien we het afbreken van alle relaties van de Heer met hen als volk, om van Gods kant een geheel ander systeem te openbaren, namelijk het koninkrijk onder een geheel bijzondere vorm. Dus, hoofdstuk 11 is het grote keerpunt in de geschiedenis. Christus is een Goddelijk getuige voor Zichzelf en Johannes de Doper moest Hem zo erkennen zoals elk ander. Hij wordt niet langer voorgesteld als Messias, maar als Zoon van God. Maar Hij geeft een volkomen getuigenis van Johannes. Het volk had God verworpen, zowel in waarschuwing als genade geopenbaard. Maar er was een overblijfsel. De wijsheid werd gerechtvaardigd door haar kinderen. En hoe verschrikkelijk Zijn verwerping ook was, we zien dat de Heer er Zich volkomen aan onderwerpt, als de wil van de Vader. En dit leidt Hem tot het bewustzijn van Zijn persoonlijke heerlijkheid, die de werkelijke grond van die verwerping was. Alle dingen waren Hem door de Vader overgegeven. Niemand kon Hem kennen, of de Vader kennen, tenzij Hij Hem openbaarde. Op de proef gesteld door de volmaaktheid van de Heer, had de gehele wereld bewezen dat ze in ongerechtigheid lag, uitgezonderd een overblijfsel. De mens was in zijn geheel ver van God verwijderd. God had neergezien uit de hemel, zoals we lezen, maar allen waren afgeweken. Er was zelfs geen enkele rechtvaardige. Toen Jezus op de zee wandelde, stond Hij alleen te midden van een geoordeelde wereld; geoordeeld door Zijn verwerping. Maar nu, in de soevereine genade van de Vader, openbaart de Zoon de Vader, en roept ieder tot de openbaring van deze genade in Zichzelf. En dat is nu juist de nieuwe positie. Hij had de mens beproefd. En juist dat wat Hij in Zichzelf was, belette de mens Hem aan te nemen. Maar die vermoeid waren konden nu tot Hem komen Die zo alleen stond, en Hij zou hen rust geven. Ze moesten leren van Hem, Die Zich zo geheel had onderworpen, en ze zouden rust hebben ten opzichte van de wereld en alles wat hier beneden was. Zo is het ook met ons. Als we ons volkomen buigen, komen we in het bewuste bezit van onze voorrechten als verworpenen op de hemelse en hogere grond.

De eerste omstandigheid, waarin de vraag van Zijn Persoon, en het recht dat Hij bezat om aan de toenmalige bedeling een einde te maken aan de orde kwam was, toen Zijn discipelen, om hun honger te stillen, aren plukten en deze met de handen fijnwreven. De farizeeërs berispten hen, omdat het sabbat was. Jezus stelt hen voor, dat de koning, die door de boosheid van Saul verworpen was, genomen had van datgene wat alleen voor de priesters was bestemd. De Zoon van David mocht, in een overeenkomstig geval, wel van dezelfde voorrechten genieten. Tenslotte handelde God in genade. En ontheiligden de priesters de sabbat niet door de dienst in de tempel? En Eén die groter was dan de tempel was hier. En als de farizeeërs werkelijk de gedachten van God kenden, als ze vervuld waren van de Hem welgevallige gezindheid: “Barmhartigheid wil Ik en geen offer”, zouden ze de onschuldigen niet hebben veroordeeld. En ten overvloede was de Zoon des mensen Heer, ook van de sabbat. Hier gebruikt Hij niet langer de titel Messias, maar die van Zoon des mensen. Het is een naam, die getuigenis aflegt van een nieuwe orde van zaken, en van een meer uitgebreide macht. Wat de Heer zei, had grote betekenis, want de sabbat was het teken van het verbond tussen Jahweh en het joodse volk (Ezechiël 20:12-20), en de Zoon des mensen verklaarde Zijn macht daarover. Als de sabbat werd aangetast, was het met het verbond voorbij. Dezelfde kwestie rijst in de synagoge. De Heer gaat voort om in genade te handelen en goed te doen. Hij toont hen aan, dat zij hetzelfde zouden doen voor één van hun schapen. Maar het bewijs van Zijn zegenende macht, kon alleen maar hun haat opwekken. Ze waren kinderen van de moordenaar. Hij gaat van hen weg en velen volgen Hem. Hij geneest zieken, en verbiedt hun Hem bekend te maken. Maar in dit alles waren Zijn handelingen slechts de vervulling van een profetie; die duidelijk liet zien wat de positie van de Heer op dat ogenblik was. Het uur zou komen dat Hij het oordeel zou uitbrengen ter overwinning. Maar tot die tijd bleef Hij op de plaats van volkomen nederigheid, waar genade en waarheid zich konden aanbevelen aan hen die ze waardeerden en nodig hadden. Maar terwijl Hij in genade handelt en van de waarheid getuigenis geeft, wil Hij niets doen wat dit nederige karakter zou kunnen verzwakken, noch wat de aandacht zou trekken van de mensen. Want dat zou een belemmering geweest kunnen zijn voor Zijn eigenlijke werk en Hij zou verdacht kunnen worden dat Hij Zijn eigen eer zocht. Toch was de Geest van Jahweh op Hem, als de Geliefde in wie Zijn ziel een welbehagen had. Hij zou het oordeel verkondigen aan de volken en op Zijn Naam zouden ze vertrouwen.

De toepassing van deze profetie op Jezus op dit ogenblik, is zeer in het oog vallend. We zien, hoe Hij op Zijn hoede was voor de joden. Hij weigert hun vleselijke wensen betreffende Hemzelf te vervullen en was tevreden om op de achtergrond te staan, als God Zijn Vader maar werd verheerlijkt. En door het goede te doen, verheerlijkte Hijzelf Zijn Vader op een volkomen wijze. Weldra zou Hij de volkeren aangekondigd worden; hetzij in de uitvoering van het oordeel van God, hetzij dat Hij Zich aanbood als Degene op Wie ze konden vertrouwen.

Deze plaats uit Jesaja is klaarblijkelijk door de Heilige Geest hier genomen, om de plaats van de Heer duidelijk in het licht te stellen, voordat nieuwe dingen, met Zijn verwerping verbonden, werden getoond.

Daarna werpt de Heer een duivel uit, bij een man die blind en stom was. Een droevige toestand, duidelijk de toestand schilderende van het volk ten opzichte van God. De schare riep vol bewondering uit: “Is Deze niet de Zoon van David?” Maar de godsdienstige mensen onder hen verklaren, dat Jezus dit wonder deed door de macht van Beëlzebul. Ze waren jaloers op de Heer en tevens vijanden van het getuigenis van God. Zo bezegelden ze hun eigen toestand en brengen zichzelf onder het definitieve oordeel van God. Jezus laat de ongerijmdheid zien van hun beschuldiging. Satan zou zijn eigen rijk niet verwoesten. Hun eigen kinderen, die beweerden hetzelfde te doen, zouden hun ongerechtigheid veroordelen. Maar als het niet door de macht van satan was (en de farizeeërs erkenden dat de duivelen waren uitgeworpen), dan was het de vinger van God en was het koninkrijk van God tot hen gekomen. Hij, die in het huis van de sterke inging om hem zijn goederen te ontroven, moest hem eerst binden.

De aanwezigheid van Jezus stelt alles op de proef. Alles wat van God kwam, was in Hem als middelpunt verenigd. Het is Emmanuël Zelf die daar was! Die niet voor Hem was, was tegen Hem en die niet vergaderde met Hem, verstrooide.

Alles hing nu af van Hem alleen. Hij zou alle ongeloof aan Zijn persoon verdragen. De genade kon dit ongeloof wegnemen. Hij kon elke zonde vergeven. Maar het spreken tegen en het lasteren van de Heilige Geest (namelijk de uitoefening van een macht die van God is erkennen, terwijl men ze toeschrijft aan satan) kon niet vergeven worden. Want de farizeeërs gaven toe dat de duivel was uitgeworpen, en het was enkel uit boosheid en uit weloverwogen haat tegen God dat ze dit toeschreven aan satan.

En hoe zou daarvoor vergeving kunnen zijn? Noch in de bedeling van de wet 39 noch in de bedeling van de Messias zou die gevonden kunnen worden. Het lot van hen die zo handelden was dus al beslist, en de Heer wilde dat ze dit zouden verstaan. Aan de vruchten herkent men de boom. En deze was werkelijk slecht. Ze waren een addergebroed. Johannes had hen dat al gezegd. Hun woorden veroordeelden hen. Hierop vroegen de schriftgeleerden en farizeeërs een teken. Het was niets anders dan boosheid want ze hadden genoeg tekenen gezien. Het was slechts het ongeloof van anderen opwekken.

Deze vraag geeft de Heer de gelegenheid om het oordeel over dit geslacht uit te spreken. Er zou geen ander teken aan dit boze geslacht gegeven worden dan dat van Jona. Zoals Jona 3 dagen en 3 nachten in de buik van de vis was, zo zou de Zoon des mensen 3 dagen en 3 nachten zijn in het hart van de aarde. Maar helaas! dan zou Christus al verworpen zijn.

In de dag van het oordeel zouden de mannen van Ninevé door hun gedrag dit geslacht veroordelen, want zij hadden zich bekeerd op de prediking van Jona; en meer dan Jona was hier. De koningin van het zuiden getuigde op dezelfde wijze tegen de boosheid van dit verdorven geslacht. Haar hart, aangetrokken door het gerucht over de wijsheid van Salomo, had haar van het einde van de aarde tot hem gebracht. En zie, meer dan Salomo was hier! Arme onwetende heidenen verstonden beter de wijsheid van God in Zijn Woord, hetzij door de profeet hetzij door de koning, dan Zijn geliefd volk, zelfs toen de grote Koning en Profeet er was.

En dan volgt het oordeel van God: De onreine geest (de afgoderij) die uit het volk gegaan was en buiten Israël (helaas zijn eigen huis, terwijl het Gods huis behoorde te zijn) geen rust vond, zou terugkeren met zeven andere geesten, bozer dan hijzelf. Ze zouden het huis leeg vinden; geveegd en versierd, en de laatste toestand zou erger worden dan de eerste.

Wat een ernstig oordeel over het volk! Zij, onder wie Jahweh had gewandeld, zouden de woonplaats worden van een groot aantal onreine geesten. Niet slechts van zeven, wat het volkomen getal is maar met deze zeven (die hen zouden opzetten tot alle dwaasheid tegen God en tegen hen die God eerden, hen zo naar hun eigen verderf voerende) ook nog de andere onreine geest die hen terug zou brengen naar de ellendige afgoderij waaraan ze ontkomen waren! Zo was het oordeel over Israël uitgesproken.

Als gevolg verbreekt Jezus openlijk de banden die van nature bestonden tussen Hem en Israël naar het vlees. Hij erkent alleen hen, die door het Woord van God waren gevormd en die openbaar werden in het doen van de wil van Zijn Vader Die in de hemel was. Hij erkende slechts als Zijn familie hen, die gevormd waren naar het model van de Bergrede. Zijn handelingen en Zijn woorden geven vanaf dat ogenblik getuigenis van het nieuwe werk dat Hij werkelijk op aarde deed.

Hoofdstuk 13

Hij verlaat het huis en zet Zich neer aan de oever van het meer. Hij neemt een nieuwe positie in, buiten Israël, om de schare aan te kondigen wat werkelijk Zijn werk was. Een zaaier ging uit om te zaaien.

De Heer zocht niet langer vrucht in Zijn wijngaard. Het was noodzakelijk geweest, dat Hij, overeenkomstig Gods verbinding met Israël, deze vrucht zocht. Maar Zijn ware dienst, dat wist Hij zeer goed, was niet het zoeken van vrucht bij de mensen, maar om datgene te brengen aan de mens wat vruchten zou kunnen voortbrengen.

Het is belangrijk op te merken, dat de Heer spreekt van het zichtbare en uiterlijke gevolg van Zijn werk als Zaaier. De enige gelegenheid waar Hij Zijn oordeel uitspreekt over de inwendige oorzaak is, als Hij zegt: “Het heeft geen wortel”, en zelfs hier is alleen het feit maar genoemd. De leer betreffende de goddelijke werking die noodzakelijk is om vrucht voort te brengen, wordt hier niet besproken. Er is hier alleen sprake van de Zaaier en van het resultaat van Zijn werk, en niet van datgene wat het zaad doet ontkiemen in de aarde. In ieder geval, uitgezonderd het eerste, is er een of ander gevolg.

De Heer wordt ons dus hier voorgesteld als iemand die een werk begint dat onafhankelijk is van elke vroegere verhouding tussen God en de mens. Hij draagt het zaad van het Woord, wat Hij door Zijn dienst zaait in de harten. Waar het blijft, waar het verstaan wordt, waar het niet verdroogt of verstikt wordt, brengt het vrucht voort tot heerlijkheid van de Heer en tot zegen en voordeel van hem die vrucht draagt.

In vers 11 laat de Heer zien waarom Hij in bedekte woorden tot de schare spreekt. Er wordt nu beslist onderscheid gemaakt tussen het volk en het overblijfsel. Het volk was onder het oordeel van de verblinding, dat door de profeet Jesaja was aangekondigd. Gezegend waren de ogen van de discipelen die de Emmanuël zagen, de Messias, het voorwerp van de hoop en de verwachting van zoveel profeten en rechtvaardige mensen. Dit alles laat het oordeel zien en ook een geroepen en afgezonderd overblijfsel 40.

Ik wil hier nog enkele opmerkingen toevoegen over het karakter van de personen waarover de Heer in de gelijkenis spreekt. Als het woord gezaaid is in een hart dat het niet begrijpt, waar het dus geen enkele verbinding te voorschijn roept door het verstand, het gevoel of het geweten, tussen het hart en God, neemt de vijand het weg; het blijft niet in het hart. Die het hoorde is niet minder schuldig, want wat in het hart was gezaaid, was aangepast aan alle behoeften wat de natuur en de toestand van de mens betreft.

In het volgende geval zien we, dat het woord terstond met vreugde wordt ontvangen. Het is eigenlijk een bewijs dat het hart het niet bewaren zal, want het is bijna niet mogelijk dat het geweten geraakt is. Een geweten dat door het woord getroffen is, maakt de mens ernstig. Hij ziet zichzelf in de tegenwoordigheid van God, en dat is altijd een ernstige zaak, wat ook de aantrekkingskracht van de genade moge zijn of de hoop die door Zijn goedheid wordt gewekt. Als het geweten niet geraakt is, is er geen wortel. Het woord werd ontvangen om de vreugde die het gaf, maar als de beproeving komt laat men het los. Als het geweten al geoefend is, brengt het evangelie terstond vreugde. Maar wanneer dat niet het geval is, zal het, als er een wezenlijk werk is in het hart, het geweten doen ontwaken. In het eerste geval is het evangelie het antwoord op behoeften die al bestaan. In het tweede geval zal het die behoeften opwekken. De geschiedenis van elke dag is helaas de droevige duidelijke verklaring van het derde geval. Er is daar geen boze wil, maar onvruchtbaarheid.

Dat het woord verstaan was wordt alleen gezegd van hen die vrucht dragen. Een waar verstaan van het woord brengt de ziel in verbinding met God, want het woord openbaart God en laat zien wie Hij is. Als ik het versta, dan ken ik Hem, en de ware kennis van God (van de Vader en van Zijn Zoon Jezus Christus) is het eeuwige leven. Wat nu ook de mate van licht moge zijn, het is altijd God die zo geopenbaard wordt door het woord door Jezus gezaaid. En op deze wijze door het woord verwekt, zullen we in de wereld in meer of mindere mate, de vruchten van het leven uit God openbaren. Want het onderwerp hier is de uitwerking in de wereld van de waarheid die door Jezus is gebracht. (Het gaat hier niet om de hemel, noch over wat God doet in het hart om te maken dat het zaad vrucht draagt.)

Deze gelijkenis spreekt niet van het koninkrijk, hoewel het gezaaide woord, het woord van het koninkrijk is. Ze spreekt van het grote grondbeginsel van de dienst van Christus in de algemeenheid van zijn toepassing, en zoals dit verwezenlijkt werd in Zijn eigen Persoon en dienst toen Hij op aarde was, en ook nadat Hij was heengegaan, hoewel toen vollediger openbaringen van genade zijn gedaan.

In de zes volgende gelijkenissen, vinden we de zinnebeeldige voorstellingen van het koninkrijk. We moeten ons herinneren dat het gaat over het gedurende de tijd dat de Koning verworpen is gevestigde koninkrijk, 41 en dus een geheel eigen karakter heeft. Dat wil dus zeggen dat het is gekenmerkt door de afwezigheid van de Koning. In de verklaring van de eerste gelijkenis is het gevolg van Zijn terugkeer er nog aan toegevoegd.

De eerste drie van de zes gelijkenissen stellen ons het koninkrijk voor in zijn uiterlijke vormen in de wereld. Deze drie zijn tot de schare gericht. De laatste drie tonen ons het koninkrijk naar de waardering van de Heilige Geest, naar de werkelijkheid van zijn karakter zoals God het ziet; ze bevatten de gedachten en de raadsbesluiten van God. Deze zijn daarom alleen tot de discipelen gericht. De openlijke vestiging van het koninkrijk overeenkomstig de gerechtigheid en de macht van God wordt ook aan de discipelen verklaard in de uitlegging van de gelijkenis over het onkruid.

Laten we nu eerst de uiterlijke vorm van het koninkrijk overdenken, zoals het in het openbaar aan de schare is verkondigd – de uitwendige vorm dus, die het koninkrijk zou aannemen.
We herinneren ons dat de Koning, de Heer Jezus, op aarde was verworpen, en dat de joden door Hem te verwerpen zichzelf hadden veroordeeld. Het Woord van God was gebruikt, om het werk te volbrengen van Hem Die de Vader gezonden had. En dat de Heer had aangekondigd, dat Hij het koninkrijk nu niet zou vestigen door Zijn macht, in gerechtigheid en oordeel uitgeoefend, maar door het geven van getuigenis tot de harten van mensen. Hij laat zien dat het koninkrijk nu een karakter zou aannemen dat in verband stond met de verantwoordelijkheid van de mens en met de gevolgen die zich zouden openbaren als het woord van licht op de aarde gezaaid, en gericht tot de harten van de mensen, als een systeem van waarheid toevertrouwd werd aan hun trouw en hun zorg. (Hoewel God steeds Zijn soevereine rechten behoudt om Zijn kinderen en de waarheid zelf te bewaren.) Dit laatste is niet het onderwerp van deze gelijkenissen. Maar ik noem het hier, omdat men anders zou kunnen denken, dat alles geheel van de mens afhankelijk is. In dat geval zou alles verloren zijn. De gelijkenis van het onkruid is de eerste. Deze geeft ons een algemene gedachte van de uitwerking van het zaaien op het koninkrijk. Beter gezegd, wat het resultaat is als het koninkrijk hier beneden tijdelijk wordt overgegeven in de handen van de mens.

Het gevolg daarvan was, dat het koninkrijk hier beneden in zijn geheel genomen, niet meer het aanzien had van het eigen werk van de Heer. Hij zaait geen onkruid. Door de zorgeloosheid en zwakheid van de mens, vond de vijand gelegenheid om het te zaaien. Laten we er wel op letten, dat dit onkruid niet de betekenis heeft van heidenen of joden, maar van het boze dat door satan in het midden van de christenen gedaan werd door valse leringen, dwaalleraars en hun aanhang. De Heer Jezus heeft gezaaid. Maar terwijl de mensen sliepen zaaide satan ook. Er waren joodsgezinde leraars, filosofen, ketters die het met beide genoemden hielden, of de waarheid van het Oude Testament verwierpen.

Toch had Christus alleen maar goed zaad gezaaid. Moest het onkruid dan worden uitgetrokken? Het is duidelijk, dat de toestand van het koninkrijk gedurende de afwezigheid van Christus afhangt van het antwoord op deze vraag, en dat dit antwoord tevens licht geeft over deze toestand. Maar er was nog minder kracht om een middel te vinden om het kwaad weg te doen, dan er was om het te voorkomen. Alles moest gelaten worden zoals het was, totdat de Koning Zelf, op de dag van de oogst, tussenbeide zal komen. Het koninkrijk der hemelen op aarde, zoals het is in de handen van de mens, moet een gemengd stelsel blijven. Ketters, valse broeders, zullen er zijn, zowel als de vrucht van het werk van de Heer. In deze laatste handeling van God met de mens, getuigt dit alles van de onbekwaamheid van de mens, om wat goed en rein is, in zijn eerste toestand te bewaren. Zo is het altijd geweest 42.

In de oogsttijd, (een uitdrukking die een zekere tijdsruimte aangeeft, waarin de gebeurtenissen zullen plaatsvinden die met de oogst in verband staan), zal de Heer, in Zijn voorzienig bestuur, Zich eerst bezighouden met het onkruid. Ik zeg: in Zijn voorzienig bestuur, omdat Hij de engelen gebruikt. Het onkruid zal in bossen worden gebonden, zodat het gereed staat om verbrand te worden.

We moeten in het oog houden, dat hier de uiterlijke dingen in de wereld het onderwerp zijn; handelingen die het bederf wegnemen dat in het midden van de christenheid is gegroeid.

De dienstknechten zijn niet bekwaam om dat te doen. De vermenging die gekomen is door hun zwakheid en zorgeloosheid is een zodanige, dat zij met het onkruid ook de tarwe zouden kunnen uittrekken. Niet alleen het onderscheidingsvermogen, maar ook de praktische kracht tot afscheiding zou ontbreken, om hun voornemen uit te voeren. Als het onkruid eenmaal aanwezig is, hebben de dienstknechten niets meer te maken met de aanwezigheid ervan in de wereld, in het christendom. Hun dienst betreft het goede. Het werk om de christenheid van onkruid te zuiveren is niet hun zaak. Het is een werk van oordeel over wat niet van God is, dat Hem toekomt, Die het kan uitvoeren overeenkomstig een volmaakte kennis die alles omvat en een macht waarin niets kan ontvluchten. Een kennis die alles zal weten van twee die op hetzelfde bed zijn; een macht die in staat is de een weg te nemen en de ander te laten. De uitvoering van het oordeel over de bozen behoort niet tot het werk van de dienstknechten van Christus 43.

De Heer zal het oordeel voltrekken door middel van de engelen van Zijn macht, aan wie Hij de uitvoering van het oordeel opdraagt. Na het binden van het onkruid, vergadert Hij de tarwe in Zijn schuur. De tarwe wordt niet in bossen gebonden; Hij neemt ze op tot Zichzelf. Zo is het einde, van wat hier beneden het uiterlijke aanzien van het koninkrijk betreft. Dit is niet alles wat deze gelijkenis ons leren kan, maar het sluit het onderwerp af waarvan dit gedeelte van het hoofdstuk spreekt. Gedurende de afwezigheid van Jezus zal, in zijn geheel op aarde genomen, de werking van het zaaien worden verdorven, door het werk van de vijand. Aan het einde zal de Heer het gehele werk van de vijand in bossen laten binden. Dat wil zeggen: Hij zal hen in deze wereld toebereiden voor het oordeel. Daarna neemt Hij de Gemeente op. Het is duidelijk dat hiermee het toneel eindigt, dat verband houdt met wat gedurende Zijn afwezigheid gebeurt. Het oordeel is nog niet voltrokken. Voordat Hij daarover spreekt, geeft de Heer andere beelden van de vorm die het koninkrijk zal aannemen tijdens Zijn afwezigheid.

Wat gezaaid werd als een mosterdzaad, wordt een grote boom; het zinnebeeld van een grote macht op aarde. De Assyriër, Farao en Nebukadnezar, worden ons ook in het Woord getoond als grote bomen. Dat zou de vorm worden van het koninkrijk, dat zo klein begon, door het Woord dat de Heer en daarna Zijn discipelen hadden gezaaid. Wat uit dit zaad voortkwam, zou langzamerhand de vorm aannemen van een grote macht, die een vooraanstaande plaats op aarde zou innemen, zodat anderen daaronder een schuilplaats zouden zoeken, zoals vogels in de takken van een boom. En dat is inderdaad gebeurd.

In vers 33 zien we verder, dat het koninkrijk niet alleen een grote macht op aarde zou zijn, maar dat het ook het karakter zou dragen van een leerstellig systeem, dat zich ver zou uitbreiden en dat allen zou omvatten die in de invloedssfeer ervan kwamen. Alle drie maten meel zouden doorzuurd worden. Ik hoef hier niet stil te staan bij het feit, dat het woord “zuurdeeg” in de Schrift altijd wordt gebruikt in een slechte zin. De Heilige Geest geeft ons door deze uitdrukking te verstaan, dat het hier niet gaat om de wederbarende kracht van het Woord in het hart van de enkeling, waardoor deze terug komt tot God, noch om een macht die door uiterlijke kracht handelt zoals bij Farao, Nebukadnezar, en de andere grote bomen in de Schrift. Het is een leerstellig systeem dat, alles doordringend, de massa zou kenmerken. Het is geen geloof, in de werkelijke betekenis van het woord, en ook geen leven. Het is een religie: de christenheid. Een belijdenis van een leer, in een hart dat noch God noch de waarheid verdraagt, gaat altijd gepaard met verderf van die leer zelf.

Met de gelijkenis van het zuurdeeg eindigt het onderwijs dat de Heer aan de schare geeft. Alles was nu in gelijkenissen tot hen gericht, want ze ontvingen Hem niet, hun koning; en Hij sprak van dingen die Zijn verwerping vooronderstelden en van een zijde van het koninkrijk dat onbekend was in de openbaringen van het Oude Testament. Het Oude Testament spreekt, óf van het koninkrijk in macht, óf van een klein overblijfsel dat, te midden van het lijden, het woord aannam van de Koning – Profeet die verworpen was.

Na de gelijkenis van het zuurdeeg blijft Jezus niet langer met de schare bij de zee, – een plaats die paste bij de positie waarin Hij tegenover het volk stond, na het getuigenis aan het slot van hoofdstuk 12 afgelegd, en waar Hij gekomen was toen Hij het huis verliet. Nu gaat Hij, met Zijn discipelen, het huis weer binnen, en daar, in een afgezonderde vertrouwelijkheid met hen, openbaart Hij het ware karakter en doel van het koninkrijk der hemelen. En ook het resultaat van wat erin gedaan was en de middelen die gebruikt zullen worden om alles op aarde te reinigen, wanneer de uiterlijke geschiedenis van het koninkrijk gedurende Zijn afwezigheid, zou zijn beëindigd. Dat wil zeggen, we vinden hier datgene, wat het koninkrijk kenmerkt voor de geestelijk gezinde mens. Wat deze verstaat als de ware gedachten van God in verbinding met het koninkrijk. En van het oordeel dat alles daaruit zou wegdoen wat in strijd is met Hem, door middel van de uitoefening van een macht, die het koninkrijk uitwendig in overeenstemming zou brengen met het hart van God.

We hebben gezien, dat de uiterlijke geschiedenis van het koninkrijk eindigt met deze twee dingen: de tarwe in de schuur geborgen, en het onkruid in bossen gebonden op de aarde gelaten, gereed om verbrand te worden. De verklaring van deze gelijkenis resumeert de geschiedenis van het koninkrijk in die tijd. Maar ze doet ons tevens de verschillende delen van de vermenging begrijpen en onderscheiden, door elk deel daarvan toe te schrijven aan zijn ware bewerker. De akker is de wereld; 44 daar werd het woord gezaaid, om op deze wijze het koninkrijk op te richten. Het goede zaad waren de kinderen van het koninkrijk. Zij behoorden, volgens de gedachten van God, werkelijk daarbij. Zij zijn de erfgenamen ervan. De joden waren dat niet meer, en het was niet langer een voorrecht van de natuurlijke geboorte. Men werd een kind van het koninkrijk door de geboorte door het Woord. Maar, om het werk van de Heer te verderven, bracht de vijand in hun midden allerlei soort van personen, de vruchten van de leringen die de vijand had gezaaid, onder hen die uit de waarheid geboren waren. Dat is het werk van satan, op de plaats waar de leer van Christus was geplant. De oogst is het eind van de eeuw 45. De maaiers zijn de engelen. Men zal opmerken, dat de Heer hier niet uitlegt wat historisch gebeurd is, maar uitdrukkingen gebruikt, die de ontknoping laten zien als de oogst gekomen is. De vervulling van het geschiedkundig gedeelte in de gelijkenis wordt voorondersteld. De Heer gaat verder, om het grote resultaat te laten zien, afgezien van wat het koninkrijk gedurende Zijn afwezigheid zou zijn. De tarwe (dat is de Gemeente) is in de schuur, en het onkruid is in bossen gebonden op de aarde. Maar de Zoon des mensen zal alles nemen waaruit deze bossen samengesteld zijn, alles wat als kwaad God in het koninkrijk mishaagt, en zal het in de vurige oven werpen waar wening is en knersing der tanden. Na dit oordeel zullen de rechtvaardigen stralen zoals Hijzelf, (de ware Zon van die dag van heerlijkheid, en van die toekomende eeuw), in het koninkrijk van de Vader. Christus zal dan het koninkrijk ontvangen hebben van de Vader, Wiens kinderen zij waren, en ze zullen er blinken met Hem als kinderen van het koninkrijk.

De Heer stelde dus aan de schare voor: de resultaten op aarde van het goddelijk zaaien en de listige kuiperijen van de vijand; het koninkrijk vanuit dit gezichtspunt bezien. Daarna de verbindingen van de bozen onder elkaar buiten hun natuurlijke plaats als groeiende op de akker. Ten slotte de wegneming van de Gemeente. Maar voor Zijn discipelen verklaart de Heer alles wat nodig was om hen ten volle de taal van de gelijkenis te laten verstaan. Daar vinden we het oordeel over de bozen, uitgevoerd door de Zoon des mensen. Ze worden in het vuur geworpen. En ook de openbaarwording van de rechtvaardigen in de heerlijkheid. Deze laatste gebeurtenissen zouden vervuld worden, nadat de Heer zou zijn opgestaan en een einde zou gemaakt hebben aan de uitwendige vorm van het koninkrijk der hemelen op aarde, terwijl de bozen in bossen gebonden zouden zijn en de heiligen in de hemel opgenomen. 46

Nadat nu de Heer, om Zijn discipelen ten volle te onderwijzen, de verklaring gegeven heeft van de uiterlijke geschiedenis en de resultaten ervan in oordeel en heerlijkheid, deelt Hij hen de gedachten van God mee in verbinding met wat op aarde voorviel gedurende de ontwikkeling van de uiterlijke en aardse gebeurtenissen in het koninkrijk; dat wat de geestelijke mens daarin moet onderscheiden. Het koninkrijk der hemelen was voor hen die inzicht hadden in het voornemen van God, als een schat die in een akker verborgen was. Een man vindt de schat en koopt de akker om de schat te bezitten. De akker was niet het doel, maar de schat die erin was verborgen. Zo heeft Christus de wereld gekocht. Hij bezit haar naar recht! Maar Zijn doel is de schat die erin verborgen is, Zijn eigen volk, al de heerlijkheid van de verlossing die daarmee verbonden is. In één woord: de Gemeente, niet zozeer gezien in haar zedelijke, en tot op zekere hoogte goddelijke schoonheid, maar als het bijzondere voorwerp van de verlangens en van de opoffering van de Heer; dat wat Zijn hart heeft gevonden in deze wereld, naar de raadsbesluiten en de gedachten van God.

In deze gelijkenis is het de machtige aantrekkingskracht van deze “nieuwe zaak”, die Hem, die hem gevonden heeft, ertoe brengt om de gehele akker te kopen om die schat te bezitten.

De Joden waren geen “nieuwe zaak”, en de wereld had geen aantrekkelijkheid. Maar deze nieuwe schat gaf hem die hem ontdekt had, aanleiding om alles wat hij had te verkopen om de schat te bezitten. Inderdaad heeft Christus alles opgegeven. Niet alleen heeft Hij Zichzelf ontledigd om ons te verlossen, maar Hij gaf alles op wat Hem toekwam als mens, als Messias op aarde. Hij gaf de beloften, Zijn koninklijke rechten, Zijn leven, ja alles prijs, om de wereld te bezitten die de schat bevatte, namelijk het volk dat Hij liefhad.

Dezelfde gedachte, maar enigszins gewijzigd, vinden we terug in de gelijkenis van de parel van grote waarde. Een mens zoekt mooie parels. Hij wist wat hij zocht. Hij bezat smaak, onderscheidingsvermogen, en kennis van wat hij zocht. Het was de welbekende schoonheid van de zaak, die maakte dat hij zoekende was. En als hij een parel heeft gevonden die aan zijn gedachten beantwoordt, weet hij dat het de moeite waard is om alles te verkopen om deze te bezitten. De parel is deze prijs waard in de ogen van één die de juiste waarde weet te schatten. Dus koopt hij hem en niets anders erbij. Zo heeft Christus in de Gemeente als zodanig, een schoonheid en (vanwege deze schoonheid) een waarde gevonden, die Hem ertoe bracht alles op te geven om haar te bezitten. Zo is het ook met het koninkrijk. Gezien de toestand van de mens, zelfs van de joden, eiste de heerlijkheid van God dat alles moest worden prijsgegeven om deze nieuwe zaak te bezitten, want er was niets in de mens wat Christus voor zichzelf kon nemen. De Heer was bereid alles op te geven om dit “nieuwe” te bezitten. Maar dat niet alleen. Wat Zijn hart zocht en Hij nergens anders vindt, vindt Hij in wat God Hem in het koninkrijk heeft gegeven. Hij kocht geen andere parels. Voordat Hij deze vond, had Hij geen enkele reden om alles wat Hij had te verkopen. Maar zodra Hij haar vond wist Hij wat Hij doen zou; Hij gaf alles voor haar prijs. De waarde gaf de beslissing, want Hij wist hoe te beoordelen en zocht met kennis van zaken.

Ik wil niet zeggen, dat de kinderen van het koninkrijk niet door dezelfde beginselen worden geleid. Als we geleerd hebben wat het is een kind van het koninkrijk te zijn, verlaten we alles om het te genieten, om bij de parel van grote waarde te behoren. Maar wij kopen de akker niet om de schat te bezitten. En ook zoeken wij geen schone parels voordat we deze parel van grote waarde hebben gevonden. In hun volle betekenis zijn deze gelijkenissen alleen toepasselijk op Christus. Het doel van deze gelijkenissen is om voor te stellen wat toen gaande was, in tegenstelling met de toestand van zaken zoals ze vroeger bestond, namelijk de relaties van de Heer met de joden.

Nu is er nog één van de zeven gelijkenissen te overdenken, namelijk die van het net dat in de zee wordt uitgeworpen. Hierin vindt geen verwisseling plaats ten opzichte van de handelende personen; dat wil zeggen, in de gelijkenis zelf. Dezelfde vissers die het net hebben uitgeworpen, trekken het aan de oever en maken de scheiding, door de goede vissen in de vaten te doen en zich met de slechte niet bezig te houden. De goede vissen op te bergen, is het werk van hen die het net optrekken. En dat werk wordt alleen gedaan als men op de oever is. Het sorteren is zonder twijfel hun werk, maar ze houden zich alleen bezig met de goede vissen. Deze kennen ze. Het doel van hun vissen is: goede vissen te hebben. Zonder twijfel worden er met de goede ook andere vissen in het net gevonden, maar die zijn niet goed. De vissers kennen de goede vissen en meer is niet nodig. De goeden worden apart gezet. Dit vormt een deel van de geschiedenis van het koninkrijk der hemelen. Het oordeel over de slechten vinden we hier niet. Ze worden terzijde geworpen op het strand, als de vissers de goeden in de vaten vergaderen. Die uiteindelijke bestemming wordt hier niet gegeven, noch van de goeden, noch van de slechten. De beslissing ligt niet in het bijeenvergaderen in de vaten, of het wegwerpen op de oever. Het volgt na de behandeling in de gelijkenis. En wat de kwaden betreft: hun oordeel is niet alleen dat ze gescheiden worden van de goeden, maar dat ze in de vurige oven worden geworpen. Noch in deze gelijkenis, noch in die van het onkruid onder de tarwe, is de uitoefening van het oordeel een deel van de gelijkenis zelf. Het onkruid werd in bossen gebonden op het land gelaten en hier worden de slechte vissen weggeworpen. Op deze wijze wordt het net van het evangelie in de volkerenzee geworpen en brengt allerlei soort van mensen bijeen. Na de algemene inzameling die het net heeft vol gemaakt, houden de arbeiders van de Heer zich met de goeden bezig. Ze verzamelen ze, en scheiden ze af van de kwaden. Vergeet niet, dat dit een gelijkenis van het koninkrijk is. Het is het karakter dat het koninkrijk aanneemt als het evangelie een massa bozen en goeden heeft samengebracht. Als dan ten slotte het net wordt opgetrokken, en er allerlei soorten vis in verzameld zijn, worden de goeden afgezonderd omdat ze kostbaar zijn en de anderen worden op de oever gelaten. De gelovigen worden vergaderd in de vaten. Niet door de engelen, maar door het werk van hen die in de Naam van de Heer hebben gewerkt. De onderscheiding vindt niet plaats door oordeel, maar door de dienstknechten die bezig zijn met de goeden.

De uitvoering van het oordeel is een geheel andere zaak, waarmee de arbeiders niets te maken hebben. Aan het einde van de eeuw zullen de engelen komen en de bozen van de goeden afscheiden, (niet de goeden van de bozen zoals de vissers deden) en ze in de vurige oven werpen, waar wening is en knersing der tanden. Hier wordt niets gezegd over een bezig zijn met de goeden. Het is niet het werk van de engelen, maar van de vissers om de goeden in de vaten te doen. In beide gelijkenissen houden de engelen zich met de bozen bezig. In de gelijkenis van het onkruid wordt het openbare resultaat gegeven, hetzij in de tijd van het koninkrijk der hemelen, hetzij daarna. Dat wordt hier niet herhaald. Maar het werk, dat met het oog op de rechtvaardigen moet worden gedaan als het net vol is, wordt er hier bijgevoegd. Het lot van de bozen wordt herhaald, om het werk dat aan hen gedaan wordt door de engelen, te onderscheiden van het werk van de vissers die de goeden vergaderen in de verschillende vaten. Maar toch wordt het lot van de bozen hier vanuit een ander oogpunt gezien en worden de rechtvaardigen gelaten waar ze zijn. In de gelijkenis van het onkruid wordt het oordeel over de bozen uitgesproken evenals hier; ze worden uitgeworpen daar waar wening is en knersing der tanden. Daar wordt de algemene toestand van het koninkrijk geopenbaard en we zien de rechtvaardigen blinken als de zon – het hogere deel van het koninkrijk. Hier is het alleen, wat zij verstaan die inzicht hebben; wat het geestelijk oog ziet; de rechtvaardigen zijn in de vaten gedaan.

Er is, vóór het oordeel, door geestelijke kracht een afscheiding gemaakt, die niet bestond in de algemene openlijke toestand van het koninkrijk. Daar was alleen maar wat de voorzienigheid openlijk op de akker deed en het bergen van het goede graan in de hemel. Hier heeft de afzondering plaats, doordat met de goeden gehandeld wordt. Dat was het hoofdpunt voor het geestelijk inzicht. Niet zozeer een openbaar handelen, hoewel het oordeel in de toekomst over de bozen in feite zal worden voltrokken, en dan zullen de rechtvaardigen gelaten worden waar ze zijn 47.

In de verklaring van de tweede gelijkenis, zien we absoluut oordeel over het onkruid, waardoor alles wat in Gods voorzienigheid samengebracht, en van het goede graan gescheiden, op de akker was achtergebleven, wordt vernield en verteerd. De engelen worden aan het einde uitgezonden; niet om het onkruid van de tarwe af te zonderen, (dat was al gedaan), maar om het onkruid in de oven te werpen en zo het koninkrijk te reinigen. In de verklaring van de gelijkenis van de vissen (vers 49) heeft de sortering al plaats. Er zullen rechtvaardigen op aarde zijn en de bozen zullen van hen worden afgezonderd. Het praktische onderwijs van deze gelijkenis is de afscheiding van de goeden van de bozen en het vergaderen van velen van de eersten. Dat is meer dan eenmaal gebeurd. Veel goeden zijn overal tot één geheel verenigd. De dienstknechten van de Heer zijn de instrumenten die gebruikt worden om dat te doen wat we in de gelijkenis zien voorgesteld.

Deze gelijkenissen bevatten oude en nieuwe dingen. De leer van het koninkrijk bijvoorbeeld, was een welbekende zaak. Maar dat het koninkrijk de vormen aan zou nemen die de Heer beschrijft; dat het de gehele wereld zonder onderscheid zou omvatten, terwijl het volk van God zijn bestaan niet aan Abraham maar aan het Woord zou te danken hebben; dat waren alle nieuwe dingen. Alles was van God. De schriftgeleerde had kennis van het koninkrijk, maar was volkomen onbekend met het karakter dat het zou aannemen, als koninkrijk der hemelen geplant in deze wereld door het Woord, waarvan alles hier afhankelijk is.

Daarna neemt de Heer Zijn werk onder de joden weer op 48. Voor hen was Hij slechts “de Zoon van de timmerman”. Ze kenden Zijn familie naar het vlees. Het koninkrijk der hemelen was niets in hun ogen. Het werd nu op andere plaatsen geopenbaard. Daar werd de kennis van goddelijke dingen meegedeeld. De joden zagen niets van de dingen die het bevattingsvermogen van het natuurlijk hart te boven gingen. De zegen van de Heer was gestuit op hun ongeloof. Hij was door Israël verworpen als profeet en als koning.

Hoofdstuk 14

Hier gaat het evangelie weer verder door ons de historische gang van zaken te beschrijven van deze openbaringen. Het doet dat op zulk een wijze, dat duidelijk de geest aan het licht komt waardoor het volk was bezield. Herodes wilde liever zijn aardse macht en heerlijkheid handhaven, dan zich te onderwerpen aan het getuigenis van God. Hij was meer gebonden door een vals menselijk begrip dan door zijn geweten, hoewel hij in veel dingen de kracht van de waarheid erkend schijnt te hebben. Hij had de voorloper van de Messias, Johannes de Doper laten onthoofden, nadat hij hem al in de gevangenis had gezet. Op deze wijze had hij de getrouwe berisper van de zonde waarin zijn vrouw leefde, uit haar oog verwijderd.

Jezus voelt de draagwijdte van deze daad, die aan Hem wordt meegedeeld. Omdat Hij samen met Johannes in nederige dienst (hoewel persoonlijk ver boven hem verheven), het getuigenis van God aflegde te midden van de vergadering van Israël, voelde Hij Zich in Zijn hart en werk met Johannes verenigd. Want trouw te midden van het kwaad bindt de harten samen. En Jezus had Zich verwaardigd om een plaats in te nemen waar het juist om trouw ging (zie Psalm 40:9-10). Toen Hij dan ook van de dood van Johannes hoorde, trok Hij Zich terug in de woestijn. Maar terwijl Hij Zich aan de schare onttrok, die zo in openlijke handelingen het getuigenis van God begon te verwerpen, hield Hij niet op in al hun behoeften te voorzien en hen het getuigenis te geven dat Hij, die op een goddelijke wijze in al hun noden kon voorzien, in hun midden was. Want de schare die deze noden voelde, en die, al was er geen geloof, toch bewondering had voor de macht van Jezus, volgde Hem in de woestijn. En Jezus, door ontferming bewogen, genas al hun zieken. ’s Avonds vroegen Zijn discipelen Hem om de schare heen te zenden, opdat ze voedsel voor zich zouden kunnen kopen. Maar Hij weigert dit en legt een merkwaardig getuigenis af van de aanwezigheid in Zijn eigen Persoon van Hem, die de armen van het volk met brood kon verzadigen (Psalm 132). Jahweh, de Heer, die de troon van David vestigde, was in hun midden in de Persoon van Hem die deze troon zou erven. Ik twijfel er niet aan, dat twaalf korven met brokken wijzen op het getal dat in de Schrift altijd de volmaaktheid van besturende macht in de mens aanduidt.

Merk op, dat de Heer verwacht dat Zijn twaalf discipelen bekwaam zullen zijn om de instrumenten te zijn van Zijn handelingen van zegen en macht, in het naar Zijn eigen kracht uitdelen van de zegeningen van het koninkrijk. Hij zegt: “Geeft gij hen te eten”. Dit ziet op de zegeningen van het koninkrijk van de Heer, en op de twaalf discipelen van Jezus als bedienaars van die zegen. Maar het is tevens een heel belangrijk beginsel in verband met het resultaat van geloof, in elke tussenkomst van God in genade. Het geloof zou in staat moeten zijn, om van de macht die handelt in deze tussenkomst gebruik te maken, om werken te verrichten die aan deze macht eigen zijn, overeenkomstig de orde van de bedeling en het inzicht dat het geloof ervan heeft. We zullen dit beginsel op een andere plaats opnieuw volkomen ontvouwd zien.

De discipelen wilden de schare wegzenden, omdat ze niet wisten hoe ze de macht van Christus konden gebruiken. Ze hadden bekwaam moeten zijn, om ze ten gunste van Israël te gebruiken, overeenkomstig de heerlijkheid van Hem die Zich in hun midden bevond.

Maar al bewees de Heer met volkomen geduld door Zijn daden, dat Hij die Israël zó kon zegenen in het midden van Zijn volk was, toch legde Hij getuigenis af van Zijn afzondering van dat volk als gevolg van hun ongeloof. Hij dwingt Zijn discipelen alleen in een schip te gaan om de zee over te steken. En nadat Hij de schare heeft weggezonden gaat Hij Zelf alleen op een berg om te bidden; en dit terwijl het schip waarin de discipelen zich bevonden heen en weer werd geslingerd door de golven en de wind hun tegen was. Het is een levend tafereel van wat gebeurd is. God heeft inderdaad Zijn volk weggezonden om alleen de stormachtige zee van deze wereld over te steken. En ze ontmoeten een tegenstand waartegen het moeilijk strijden is. Gedurende die tijd bidt de Heer Jezus alleen in de hoge. Hij heeft het joodse volk weggezonden, dat Hem gedurende Zijn aanwezigheid hier beneden had omringd.

Behalve de algemene lering, brengt het heengaan van de discipelen vooral het joodse overblijfsel voor ons. Petrus, persoonlijk uit het schip klimmende, stijgt in type uit boven de positie van dit overblijfsel. Hij stelt dat geloof voor, dat, terwijl het het aardse hulpmiddel van het schip prijsgeeft, uitgaat om Jezus te ontmoeten die Zich aan hen heeft geopenbaard. Petrus wandelt op de zee. Het is een gewaagde onderneming, maar gegrond op het woord van Jezus: “Kom”. Maar merk op, dat dit wandelen op de zee van Petrus geen ander fundament heeft dan de woorden: “als U het bent”, dat wil zeggen Jezus Zelf. Er is geen enkele steun, geen enkele mogelijkheid tot wandelen, als men Christus uit het oog verliest. Alles is afhankelijk van Hem. Het schip is een bekend hulpmiddel om over de zee te gaan, maar alleen het geloof, dat op Jezus ziet, kan wandelen op het water. De mens als mens zinkt, als hij zich daarop begeeft. Niets kan zich staande houden op het water, dan alleen dat geloof dat uit Jezus de kracht put die in Hem is, en Hem daarom navolgt. Maar het is zoet voor het hart Hem na te volgen; en men is dan dichter bij Hem, Hem meer gelijk. Dit is de ware positie van de Gemeente, in tegenstelling met het overblijfsel in haar gewone karakter. Jezus wandelde op het water als op vaste grond. Hij die de elementen schiep zoals ze zijn, kon naar Zijn welgevallen over hun eigenschappen beschikken. Hij staat toe dat stormen ons geloof beproeven. Hij wandelt zowel op de woedende golven als op de kalme zee. Ja meer, de storm maakt geen onderscheid. Hij die in het water zinkt doet dit evengoed bij een kalme zee als met storm. En hij die op het water kan wandelen, zal dit zowel bij kalmte als bij storm doen. Maar vanaf het ogenblik dat men op de omstandigheden ziet, bezwijkt het geloof en de Heer wordt vergeten. Want dikwijls laten de omstandigheden ons de Heer vergeten, daar, waar het geloof in Hem die boven alle omstandigheden staat, ons bekwaam moest hebben gemaakt ons erboven te verheffen. Maar God zij geloofd! Hij die door Zijn eigen macht op het water wandelde, is daar om het geloof en de wankelende schreden van de arme discipel te ondersteunen. En in ieder geval had dat geloof Petrus zó dicht bij de Heer gebracht, dat Zijn uitgestrekte hand hem kan ondersteunen. De fout van Petrus was, dat hij op de golven zag en op de storm (die er in feite niets mee te maken had), in plaats van op Jezus die niet veranderd was en die op dezelfde golven wandelde, wat het geloof van Petrus had moeten opmerken. Toch bracht zijn noodkreet de macht van Jezus in beweging; dat wat zijn geloof had moeten doen. Maar het was nu tot zijn beschaming, in plaats van te zijn in het genot van gemeenschap met de Heer en te wandelen zoals Hij.

Zodra Jezus in het schip was, stilde de wind. Zo zal het ook zijn, als de Heer terugkeert tot het overblijfsel van Zijn volk in deze wereld. Ook dan zal Hij worden aangebeden als de Zoon van God door allen die in het schip zijn, met het overblijfsel van Israël. In Gennézareth oefent Jezus opnieuw de macht uit, die in de toekomst al het kwaad van de aarde zal verdrijven dat satan erin heeft gebracht. Want als Hij wederkomt, zal de wereld Hem erkennen. Dit voorval is een fijne tekening van het resultaat van de verwerping van Christus, waarover dit Evangelie al gesproken heeft, als plaats hebbende in het midden van het joodse volk.

Hoofdstuk 15

Dit hoofdstuk laat ons zien wie de mens is en wie God is; de zedelijke tegenstelling tussen de leer van Christus en die van de joden. En zo is het joodse stelsel zedelijk door God verworpen. Als ik van het stelsel spreek, bedoel ik de gehele zedelijke toestand van de joden. Het was tot een stelsel gemaakt, door hun huichelarij die de ongerechtigheid zocht te verbergen, maar het juist daardoor groter maakte in de ogen van God voor Wie ze zich stelden. Ze bedienden zich van de Naam van God, om onder het voorwendsel van vroomheid, lager te zinken dan de wetten van het natuurlijk geweten. Op deze wijze wordt een godsdienstig stelsel het grote instrument van de macht van de vijand. En dit vooral, als datgene waarvan dat stelsel nog steeds de naam draagt, door God was ingesteld. Maar dan is de mens ook geoordeeld; want het judaïsme was de mens met Gods wet en Gods opvoeding!

Het oordeel dat de Heer hier uitspreekt over dit stelsel van huichelarij geeft, terwijl het de daaruit voortvloeiende verwerping van de joden openbaart, aanleiding tot onderwijs dat veel verder gaat. Terwijl ze het hart van de mens doorzoekt en de mens oordeelt naar wat daaruit voortkomt, bewijst ze dat het hart een bron is van alle ongerechtigheid. Zo maakt ze duidelijk, dat alle ware zedelijkheid haar grondslag heeft in de overtuiging en belijdenis van zonde. Want zonder dit is het hart altijd onoprecht en bedriegt zichzelf. Zo dringt Jezus ook door tot de wortel van alle dingen, en ziet de bijzondere en tijdelijke relaties van het joodse volk voorbij, om de ware zedelijkheid te tonen die alle eeuwen door dezelfde blijft. De discipelen hielden de tradities van de ouden niet.

De Heer had voor deze geen belangstelling. Maar Hij maakt er gebruik van om op het geweten van hun beschuldigers de waarheid te binden, dat het oordeel, veroorzaakt door het verwerpen van de Zoon van God, ook gewettigd was op grond van deze relaties die al tussen God en Israël bestonden. De schriftgeleerden en farizeeërs maakten het gebod van God krachteloos door hun inzettingen. En dat op een zeer belangrijk punt, waarvan zelfs alle aardse zegeningen voor de kinderen van Israël afhingen. Jezus laat hen door hun eigen inzettingen zien, de grote huichelarij, zelfzucht en gierigheid van hen, die voorgaven het volk te leiden en hun hart te vormen tot zedelijkheid en tot dienst van Jahweh. Jesaja had reeds hun oordeel uitgesproken.

Vervolgens toont Hij de schare dat het erom gaat wat de mens is; wat uit zijn hart voortkomt, uit het binnenste van zijn bestaan. Hij wijst op de slechte stromen die uit deze bedorven bron vloeien. Het was de eenvoudige waarheid over het hart van de mens, zoals God het kende. En dit ergerde juist de eigengerechtige mensen van de wereld en werd zelfs door de discipelen niet begrepen. Niets is zo eenvoudig als de waarheid, als ze gekend wordt. Maar niets is zo moeilijk en zo donker, als het hart van de mens dat de waarheid niet bezit, er zich een oordeel over moet vormen. Want hij oordeelt naar zijn eigen gedachten, en daarin is de waarheid niet. Israël, en in het bijzonder het godsdienstige Israël, en ware zedelijkheid, worden hier tegenover elkaar geplaatst. De mens wordt in zijn eigen verantwoordelijkheid en in zijn werkelijke gedaante voor God gesteld.

Jezus doorgrondt het hart. Maar in genade handelende, handelt Hij naar het hart van God. Hij openbaart dat door, voor het oog van iedereen, verder te gaan dan de verbondsbepalingen van Gods verbinding met Israël. Een goddelijk Persoon, Godzelf, kan wandelen binnen de grenzen van het verbond dat Hij gegeven heeft, maar kan daartoe niet beperkt worden. En de ontrouw van Zijn volk aan dat verbond is de aanleiding, om ons de Heer te tonen als Hij de grenzen van dat verbond overschrijdt. Merk hierop, hoe het gevolg van overgeleverde godsdienst is, dat het zedelijk onderscheidingsvermogen verblind wordt. Wat kon duidelijker en eenvoudiger zijn, dan dat niet wat de mens eet, maar wat uit de mond en het hart komt de mens verontreinigt? Maar de discipelen konden het niet begrijpen, door de verlagende invloed van de leringen van de farizeeërs op hun harten. Want deze laatsten stelden uiterlijke vormen boven innerlijke reinheid.

Christus eindigt nu de gesprekken met de schriftgeleerden van Jeruzalem, en verlaat de grenzen van Israël om die plaatsen te bezoeken, die het verst verwijderd waren van de joodse voorrechten. Hij gaat naar de landstreek van Tyrus en Sidon, de steden die Hijzelf als voorbeelden had gesteld van wat het verst verwijderd was van berouw. Zie hoofdstuk 11, waar Hij deze steden op dezelfde lijn stelt als Sodom en Gomorra, als meer verhard dan deze.

Uit die streken komt een vrouw. Naar de beginselen die Israël kenmerkten, behoorde zij tot een vervloekt geslacht, want ze was een Kanaänitische. Ze komt de tussenkomst vragen van de Heer Jezus ten behoeve van haar dochter die van een duivel was bezeten. Terwijl ze dat vraagt, spreekt ze Jezus aan met de titel, waarvan het geloof weet dat ze Hem toekomt in Zijn verbinding met de joden. Ze noemt Hem: “Zoon van David”. Dat geeft aanleiding dat de Heer Zijn positie ten volle kon openbaren. En tegelijkertijd tot de openbaring van de voorwaarden, op grond waarvan de mens hopen kan deel te krijgen in de gevolgen van Zijn goedheid, ja, van God Zelf.

Als de Zoon van David, had Hij niets te maken met een Kanaänitische vrouw. Hij antwoordt haar niet. De discipelen wensen van haar ontslagen te worden, door aan haar verzoek te voldoen. De Heer antwoordt hen, dat Hij alleen maar gezonden is tot de verloren schapen van Israël. En dat was inderdaad de waarheid. Want, wat ook de raadsbesluiten van God waren, geopenbaard bij Zijn verwerping (zie Jesaja 49): Hij was de Dienstknecht van de besnijdenis ter wille van de waarheid van God, om de beloften aan de vaderen gedaan te bevestigen (zie Romeinen 15:8).

De vrouw smeekt nu eenvoudiger en meer rechtstreeks, (de meer natuurlijke uitdrukking van haar gevoelens), om de genadige tussenkomst van Hem, in Wiens macht ze vertrouwen stelt. De Heer antwoordt haar, dat het niet past om het brood van de kinderen te nemen en het de honden voor te werpen. We zien de ware positie van de Heer als tot Israël gekomen; de beloften waren voor de kinderen van het koninkrijk. De Zoon van David was de dienstknecht van deze beloften. Kon Hij, als zodanig, de bijzondere plaats van het volk van God vergeten?

Maar dat geloof, dat kracht put uit de noodzaak en geen andere hulpbron vindt dan in de Heer Zelf, aanvaardt de vernedering van positie en weet dat er bij de Heer brood is om de honger te stillen van hen die er geen recht op hebben. Dat geloof volhardt ook, omdat er een gevoelde behoefte is en geloof in de macht van Hem die in genade gekomen is.

Wat had de Heer nu met Zijn schijnbare hardheid bereikt? Hij heeft de arme vrouw ertoe gebracht haar ware plaats voor God te voelen en uit te spreken; dat wil zeggen, de waarheid betreffende haarzelf. Maar wil dat nu zeggen dat God minder goed was dan zij verwachtte? Minder rijk in barmhartigheid voor de hulpeloze, wier enige hoop en vertrouwen op deze barmhartigheid was gericht? Nee, verre van dat. Dat zou een ontkennen zijn van het karakter en de natuur van God, waarvan de Heer de uitdrukking was, de waarheid en het getuigenis op aarde. Het zou een loochenen zijn van Zichzelf en van het doel van Zijn zending. Hij kón niet zeggen: “God heeft geen kruimel voor zulke mensen”. Hij antwoordde uit de volheid van Zijn hart: “O vrouw, groot is uw geloof; moge u gebeuren zoals u wilt”. God treedt hier buiten de enge grenzen van Zijn verbond met de joden, om in soevereine goedheid overeenkomstig Zijn eigen natuur te handelen. Hij openbaart Zich de God van goedheid te zijn en niet alleen Jahweh in Israël.

Maar deze goedheid wordt bewezen aan iemand, die in de tegenwoordigheid van die goedheid gebracht is om te weten dat ze er geen recht op heeft. Daartoe had de schijnbare hardheid van de Heer haar gebracht. Ze ontving alles van de genade terwijl ze in zichzelf totaal onwaardig was. Op deze wijze, en zo alleen, kan een ziel zegen ontvangen. Het is niet het gevoel van nood alleen. De vrouw had dit vanaf het begin, en dat was het wat haar daar bracht. Het was niet voldoende, alleen de Heer te erkennen als Degene die alle noden kan vervullen. De vrouw kwam met deze kennis. We moeten in de tegenwoordigheid van de enige bron van zegen tot het gevoel gebracht worden dat we, hoewel we daar zijn, geen enkel recht hebben om er iets van te genieten. Dat is een ontzettende toestand. Maar als men eenmaal daar is, is alles genade. Dan kan God handelen overeenkomstig Zijn eigen goedheid en Hij antwoordt op elk verlangen van het hart dat het gelukkig kan maken.

We zien Christus dus hier als de dienstknecht van de besnijdenis terwille van de waarheid van God, om de beloften te vervullen die aan de vaderen waren gedaan, opdat de heidenen God zouden verheerlijken voor Zijn barmhartigheid (zie Romeinen 15:8-9). Tegelijkertijd openbaart deze laatste waarheid de ware toestand van de mens en de volle en volmaakte genade van God. God handelt overeenkomstig deze genade, terwijl Hij toch trouw blijft aan Zijn beloften. Zo wordt Zijn wijsheid op zulk een wijze geopenbaard, dat het onze bewondering wekt.

We zien, hoe de geschiedenis van de Syro-Fenicische vrouw, juist op deze plaats, dit deel van het evangelie op een bijzondere wijze verduidelijkt. Het begin van het hoofdstuk laat de zedelijke toestand van de joden zien, en de valsheid van de godsdienst van de farizeeën en priesters. We zien de werkelijke toestand van de mens; wat er uit het menselijk hart opwelt. En tenslotte zien we het hart van God zoals het in Jezus is geopenbaard. Zijn handelwijze met de vrouw toont ons de trouw van God aan Zijn beloften. En de uiteindelijk gegeven zegen openbaart de volkomen genade van God in verbinding met het openbaar worden van de werkelijke toestand van de mens, erkend door het geweten. De genade verheft zich boven de vloek die op het voorwerp van de genade lag. Ze gaat boven alles uit, om zich een weg te banen tot de nood die het geloof aan haar voorstelt.

Nu gaat de Heer weg van daar, en naar Galilea, de plaats waar Hij in verbinding was met het verachte overblijfsel van de joden. Het is geen Sion, geen tempel, en geen Jeruzalem, maar de armen van de kudde, waar het volk in diepe duisternis was (Jesaja 8-9). Zijn erbarmen volgt het arme overblijfsel en wordt weer ten behoeve van hen werkzaam. Hij vernieuwt de bewijzen, niet alleen van Zijn teer erbarmen, maar van Zijn aanwezigheid, die de armen van het volk met brood verzadigt. Maar hier is het niet in Zijn besturende macht, die Hij ook aan Zijn discipelen kon overdragen, maar naar Zijn eigen volmaaktheid, terwijl Hij Zelf handelt. Hij zorgt voor het overblijfsel van Zijn volk. En daarom worden er zeven korven met brokken brood ingezameld. En zonder dat er andere dingen gebeurd zijn, gaat Hij weg.

We hebben gezien, dat eeuwige zedelijkheid en waarheid in het innerlijke, in de plaats gesteld werden van de huichelarij van vormendienst; dat het gebruik van wettische godsdienst door de mens en zijn hart een bron van kwaad blijken te zijn en niets anders, terwijl het hart van God volledig wordt geopenbaard als zich verheffende boven elke bedeling, om in Christus volmaakte genade te tonen. Hoewel de bedelingen dus worden erkend, worden ze toch terzijde gesteld. En daardoor wordt zowel de mens als God in zijn ware karakter gezien. Het is een wonderbaar hoofdstuk, in het tonen van de eeuwige waarheid van wat God is en ook in wat deze openbaring van God toont dat de mens is. En dat geeft aanleiding om in het volgende hoofdstuk de Gemeente te openbaren. Deze is niet een bedeling, maar gegrond op wat Christus is, de Zoon van de levende God. In hoofdstuk 12 werd Christus, voor zover het de bedeling aangaat, verworpen, en in hoofdstuk 13 wordt het koninkrijk der hemelen ervoor in de plaats gesteld. Hier wordt de mens, en al wat hij van de wet heeft gemaakt, terzijde gesteld, en God handelt in Zijn eigen genade boven alle bedelingen uit. Dan volgt de Gemeente en het koninkrijk in heerlijkheid.

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 5.1.2

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

9 Het uitgangspunt is hier: “na Zijn opstanding in Galilea” en niet “de hemelse heerlijkheid”, zoals we zien op de weg naar Damaskus.

10 Er staat geschreven: “Want Hij zal Zijn volk behouden van hun zonden”. Hieruit blijkt duidelijk, dat de titel “Jahweh” ingesloten is in het woord “Jezus” of “Jehoshua”. Want Israël was het volk van de Heer, dat is van Jahweh.

11 De betrekking van wijdere omvang wordt meer in het Evangelie van Lukas gevonden, waar het geslachtsregister teruggaat tot Adam, maar daar is de titel “Zoon des mensen” speciaal gepast.

12 De ster geleidde de wijzen niet van hun eigen land naar Judea. Het behaagde God, dit getuigenis te laten brengen tot Herodes en de oversten van het volk. Geleid door het Woord (de uitlegging ervan was gegeven door de overpriesters en de schriftgeleerden zelf, en daarom had Herodes hen naar Bethlehem gezonden) zien ze de ster, die ze in hun eigen land hadden gezien, opnieuw, en worden door hem naar het huis gebracht. Hun bezoek had dan ook plaats, enige tijd nadat Jezus geboren was. Zonder twijfel zagen ze de ster voor de eerste maal op het ogenblik dat Hij werd geboren. En Herodes maakt zijn berekeningen in verband met het ogenblik waarop de ster verschenen was, waarnaar hij uitdrukkelijk geïnformeerd had bij de wijzen. Hun reis moet enige tijd geduurd hebben. De geboorte van Jezus wordt verteld in hoofdstuk 1. Het hoofdstuk 2:1 moet dus als volgt gelezen worden: “Jezus nu geboren zijnde”; het spreekt van een tijd die al voorbij is.

Ik wil hier ook opmerken, dat de profetieën van het Oude Testament op drieërlei manier worden aangehaald, wat niet door elkaar gehaald moet worden: opdat vervuld zou worden; zodat vervuld werd; toen werd vervuld.

In het eerste geval is het het onderwerp van de profetie, zoals bijvoorbeeld in 1:22,23. In het tweede is het een vervulling binnen de omvang van de profetie, een gedeeltelijke vervulling dus, maar niet de enige en volledige gedachte van de Heilige Geest (zie 2:23). In het derde geval is het eenvoudig een gebeurtenis die overeenstemt met de aanhaling. Dus een feit, dat naar de geest op de profetie betrekking heeft, maar niet het werkelijke doel van de profetie is. Zie bijvoorbeeld 2:17. De eerste twee uitdrukkingen zijn in de Nederlandse en Engelse vertalingen niet altijd te onderscheiden. Waar de zin het vereist, hoop ik het onderscheid aan te geven.

13 In vers 5 krijgt Christus deze titel van “Dienstknecht”. Deze zelfde vervanging van Israël door Christus vinden we in Johannes 15. Israël was de wijnstok, die uit Egypte was overgeplant. Christus is de ware Wijnstok.

14 Deze naam vinden we alleen in Mattheüs, omdat deze zich bijzonder bezighoudt met de bedelingen en de wegen van God ten opzichte van Israël. Het “koninkrijk van God” is de algemene uitdrukking. Het “koninkrijk der hemelen” is het koninkrijk van God in het bijzondere karakter van hemelse regering (Daniël 4:26). We vinden het later onderscheiden in “het koninkrijk van de Vader” en “het koninkrijk van de Zoon des mensen”.

15 We moeten eraan denken, dat, naast de bijzondere beloften aan en de roeping van Israël als het aardse volk van God, zij gewone mensen waren, gezien in hun verantwoordelijkheid voor God en onder de volmaaktste opvoeding die God hen kon geven. Tot op de zondvloed was er wel een getuigenis, maar geen handelingen volgens een bedeling, of inzettingen, van God. Na de vloed, in de nieuwe wereld, zien we een menselijke regering, roeping en beloften in Abraham, de wet, de Messias. God komt in genade. Alles wat God kon doen was gedaan, en dat in volmaakt geduld, maar Hij zocht tevergeefs naar iets goeds in het vlees. En nu zou Israël, als in het vlees zijnde, terzijde gesteld en het vlees zelf geoordeeld worden. De vijgenboom werd als onvruchtbaar vervloekt, en de man van God, de laatste Adam, kwam in de wereld. In Hem kwam de zegen door verlossing. In de eerste drie Evangeliën wordt, zoals we gezien hebben, Christus voorgesteld aan de mens, opdat Hij zou worden aangenomen. In Johannes is de mens en Israël terzijde gesteld, en worden de soevereine wegen van God, in genade en in verlossing, ingevoerd.

16 Zo is het ook met het gevoel van onze nietigheid. Hij maakte Zichzelf tot niets, en als wij onze nietigheid voelen, zijn we in Zijn gezelschap, en worden tegelijkertijd met Zijn volheid vervuld. Zelfs als we vallen, kunnen we niet ervaren dat Jezus ons opricht, voordat we ertoe gebracht zijn, onszelf te kennen zoals we werkelijk zijn.

17 In het begin van Ezechiël wordt wel gezegd dat de hemelen geopend werden. Maar dat was alleen in een visioen, zoals de profeet zelf zegt. In dat geval was het de openbaring van God in oordeel.

18 Dat is ook waar van ons, als we ons door genade in die verhouding bevinden.

19 Het is een grote vergissing, als men Christus als de ladder ziet. Hij is, zoals vroeger Jakob, het voorwerp van hun dienst en werkzaamheid.

20 Om de moed te hebben te gehoorzamen, hebben we vertrouwen nodig. Maar het ware vertrouwen wordt slechts in de weg van gehoorzaamheid gevonden. Satan gebruikte het Woord als een strik, maar kon Christus de Heer er daardoor toch niet van aftrekken. Deze blijft het Woord aanwenden als het enige passende wapen, en satan heeft weer geen antwoord. Als satan gehoorzaamheid verboden had, zou hij zichzelf als satan ontmaskerd hebben. Wat de plaats betreft, die de Heer in de bedelingen innam, zien we, dat Hij altijd teksten aanhaalt uit Deuteronomium.

21 Er behoort geen ander motief voor handelen te zijn dan de wil van God die, voor de mens, altijd in het Woord te vinden is. Als satan ons dan verzoekt om vanuit een ander motief te handelen (zoals hij altijd doet), dan wordt dat andere motief openbaar als in strijd zijnde met het Woord dat het hart regeert en met de drijfveren die het hart leiden. En daardoor wordt hij openbaar als de tegenstander. Er is geschreven: “Ik heb Uw Woord in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou” (Psalm 119:11). Daarom is het dikwijls zo belangrijk als we in twijfel zijn, dat we ons afvragen door welke beweegreden wij beïnvloed zijn.

22 Een nauwkeurig onderzoek van de 5 boeken van Mozes zal aantonen, dat de inhoud van Exodus, Leviticus en Numeri een typische betekenis hebben, hoewel de noodzakelijke historische feiten worden vermeld. De tabernakel was gemaakt naar het voorbeeld dat op de berg was getoond; het voorbeeld van hemelse dingen. En niet alleen de ceremoniële instellingen, maar ook de historische gebeurtenissen (zoals de apostel leert in 1 Korinthe 10), zijn hun overkomen, tot typen, en zijn tot onze onderwijzing beschreven. Maar terwijl de drie genoemde boeken, zelfs waar ze historische feiten meedelen, van typische betekenis zijn, geeft Deuteronomium daarentegen aanwijzingen voor hun gedrag in het land. Ik weet niet, of er wel één offer is gebracht na de instelling ervan, uitgezonderd misschien de officiële (zie Handelingen 7:42).

23 We kunnen hier opmerken, dat Hij de joden en Jeruzalem verlaat en ook Zijn natuurlijke plaats, om zo te zeggen wat Hem Zijn naam geeft: Nazareth, om Zijn profetische plaats in te nemen. Dat Johannes in de gevangenis was geworpen, was het teken dat Hijzelf verworpen was. Johannes was de voorloper van de Heer, zowel in zijn zending als in zijn verwerping, (zie hoofdstuk 17:12). Het getuigenis van Jezus is hetzelfde als dat van Johannes de Doper.

24 Het is merkwaardig, dat het gehele dienstwerk van de Heer in één vers wordt weergegeven (4:23). Alles wat daarna volgt, zijn feiten van bijzondere zedelijke betekenis, omdat we daar zien wat er in genade onder het volk gebeurde voordat Hij werd verworpen. Het is geen chronologisch geschiedkundig verhaal, maar laat het karakter van het Evangelie naar Mattheüs duidelijk zien.

25 De indeling die ik geef, kan nuttig zijn om de Bergrede praktisch toe te passen. Met betrekking tot de onderwerpen die we erin vinden, kan men ze, hoewel het verschil niet groot is, misschien beter op de volgende wijze indelen: Hoofdstuk 5:1-16 bevat een volledige beschrijving van het karakter en de positie van het overblijfsel dat de instructies van de Heer ontvangt. Het is hun positie zoals die moet zijn naar de gedachten van God. Dit vormt op zichzelf een afgerond geheel.

Vers 17-48, stellen het gezag van de wet vast, die het gedrag van de getrouwe had moeten beheersen tot op de invoering van het koninkrijk. Zij hadden de wet evenals de woorden van de profeten moeten vervullen, opdat zij (het overblijfsel) op deze nieuwe bodem zouden worden geplaatst. Ieder die dit zou versmaden, zou van het koninkrijk worden buitengesloten. Want Christus spreekt niet als in het koninkrijk zijnde, maar als de spoedige komst aankondigende. Maar terwijl Hij zo het gezag van de wet bevestigt, wijst Hij tevens op de twee grote beginselen van het kwaad, die de wet alleen maar in hun openbaring in openlijke daden behandelt namelijk geweld en bederf, en veroordeelt het kwaad in het hart (22, 28) en maant aan om zich tot elke prijs te bevrijden van het kwaad en van de gelegenheid om het te doen. Op deze wijze toont Hij aan wat het gedrag van Zijn discipelen en de toestand van hun ziel moest zijn. Dat moest hen als discipelen kenmerken. Dan spreekt de Heer over sommige dingen die God in Israël had toegelaten en geordend, in overeenstemming met wat zij konden dragen. En zo zien we hier de ware zedelijke maatstaf gegeven ten opzichte van de echtscheiding, want het huwelijk is de van God gegeven grondslag voor alle menselijke verhoudingen. En verder voor het zweren en beloven, de handeling van de wil van de mens in verbinding met God. Daarna nog over het verdragen van het kwaad en de volheid van de genade; Zijn eigen gezegend karakter. Al deze kenmerken zouden de discipelen het morele recht geven op de plaats waarin Hij leefde, namelijk zonen van hun Vader die in de hemel is. In plaats van te verzwakken wat God in de wet gegeven had, wil Hij niet alleen hebben dat dit alles nagekomen zou worden tot de vervulling ervan, maar ook dat Zijn discipelen volmaakt zouden zijn zoals hun Vader in de hemel volmaakt was. Zo wordt de openbaring van de Vader toegevoegd aan hun zedelijke toestand en wandel die bij het karakter van “zonen” paste, zoals Christus dit had geopenbaard.

In hoofdstuk 6 zien we de beweegreden, het voorwerp, dat het hart moet beheersen bij het doen van goede dingen in het leven van een godsdienstig leven. Het oog van de discipelen moest op “hun Vader” gericht zijn. Dit is zeer persoonlijk.

Hoofdstuk 7 houdt zich in hoofdzaak bezig met wat Zijn volk paste in hun omgang onder elkaar en met anderen. Hun broeders moesten ze niet oordelen en op hun hoede zijn voor de onheiligen. Vervolgens wekt de Heer hen op om vertrouwen te hebben in hun Vader. Ze moesten Hem vragen als ze iets nodig hebben. Hij leert hen te handelen tegenover anderen met dezelfde genade waarmee zij zelf behandeld wensten te worden. Dit is gegrond op het kennen van de goedheid van de Vader. Tenslotte vermaant de Heer hen de energie te hebben, die nodig is om de enge poort binnen te gaan en om ten koste van alles de weg van God te kiezen. Want velen zouden het koninkrijk binnen willen gaan, maar niet door de enge poort. Hij waarschuwt hen tegen degenen die hen zouden willen misleiden door zich voor te doen alsof ze het Woord van God bezaten. We hebben niet alleen ons eigen hart en het positieve kwaad te vrezen, als we de Heer willen volgen, maar ook de listen van de vijand en de mensen die hij gebruikt als zijn werktuigen. Maar hun vruchten zullen deze mensen openbaren.

26 Het is echter belangrijk om op te merken, dat hier geen algemene vergeestelijking van de wet wordt gevonden, zoals dikwijls beweerd wordt. De twee grote beginselen van zedeloosheid onder de mensen worden behandeld, namelijk geweld en kwade begeerlijkheid, terwijl het vrijwillig zweren er nog aan wordt toegevoegd. In dit opzicht vormen de eis van de wet en de wil van Christus een tegenstelling.

27 We moeten er altijd aan denken, dat, hoewel Israël wat de bedelingen betreft een grote betekenis heeft als het middelpunt van de regering van God over de wereld, het in zedelijke zin juist de mens was waardoor alle wegen en handelingen van God waren uitgevoerd, om zo aan het licht te brengen wat de mens werkelijk was. De heiden was de mens, die aan zichzelf was overgelaten ten opzichte van de bijzondere wegen van God. Zij hadden geen openbaring. Christus was een licht tot openbaring voor de natiën (Lukas 2:32).

28 We willen hier in het kort de karakters die zalig gesproken worden, bezien. Ze vooronderstellen dat er kwaad aanwezig is, zowel in de wereld als onder het volk van God. Het eerste is, dat ze geen grote dingen voor zichzelf zoeken, maar een plaats van smaad aanvaarden te midden van een toestand die tegen God is. Daarom is hun kenmerk, dat ze treuren en zachtmoedig zijn, en hun wil zich niet verheft tegen God, of hun rechten of plaats wil handhaven. Daarna vinden we het verlangen naar wat positief goed is, want het wordt nog niet gevonden. Dus een hongeren en dorsten ernaar, als gevolg van de innerlijke toestand en de werkzaamheid van de geest. Daarna zien we genade tegenover anderen. Vervolgens reinheid van het hart, dat wil zeggen de afwezigheid van datgene wat God zou buitensluiten. En daarmee is altijd verbonden het vrede hebben en het vrede maken. Ik geloof dat er in deze verzen een zedelijke opklimming te zien is, zodat het ene als een gevolg tot het andere leidt. In de laatste twee verzen zien we de gevolgen van het bewaren van een goed geweten en verbinding met Christus in een boze wereld. Zoals we in 1 Petrus lezen, zijn er twee beginselen van lijden, namelijk omwille van de gerechtigheid en omwille van Christus.

29 Zij die gedood worden, zullen naar de hemel gaan, volgens het getuigenis van Mattheüs 5:12 en de Openbaring. De anderen, die zo gelijkvormig zullen zijn aan Christus als een lijdende Jood, zullen met Hem op de berg Sion staan. Ze zullen het lied leren, dat in de hemel wordt gezongen, en zullen het Lam volgen, waar het ook heengaat (op aarde). We kunnen hier ook nog opmerken, dat in de zaligsprekingen de aarde beloofd wordt aan de zachtmoedigen. Dat zal in de laatste dagen letterlijk worden vervuld. In vers 12 wordt loon in de hemel beloofd aan hen die voor Christus lijden. Dat is nu al waar voor ons, en op een bepaalde wijze ook waar voor hen, die in de laatste dagen om Zijnentwil worden gedood. Ze zullen hun plaats in de hemel hebben, hoewel ze deel uit maken van het joodse overblijfsel en niet tot de Gemeente behoren. Hetzelfde vinden we in Daniël 7, maar we moeten goed opletten dat het daar de tijden en de wetten zijn die in de handen van het beest worden overgegeven en niet de heiligen.

30 De wet is de volkomen leefregel voor een kind van Adam, de regel of maatstaf van wat hij behoort te zijn. Maar het is niet de openbaring van God in genade zoals Christus was, die hierin ons voorbeeld is. De wet is een rechtvaardige eis voor de mens om God lief te hebben en te wandelen in de vervulling van zijn plichten en relaties tegenover de Heere en mensen. Maar ze spreekt niet van een navolgen van God en een wandelen in de liefde, zoals Christus ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven.

31 De wonderen van de Heer hebben een geheel eigen karakter. Het zijn niet slechts handelingen van macht maar in het bijzonder handelingen van de macht van God, die de wereld in goedheid bezocht. Deze macht van God was, speciaal vanaf de tijd van Mozes, al dikwijls openbaar geworden, maar dikwijls in oordeel. De wonderen van de Heer evenwel bevrijdden de mens van de funeste gevolgen die de zonde met zich had meegebracht. Er was één uitzondering, namelijk de vervloeking van de vijgenboom. Maar dit was een rechterlijke uitspraak ten opzichte van Israël. Dat wil zeggen, tegen de mens onder het Oude Verbond toen er een mooi uiterlijk was maar geen vrucht.

32 Ik geef hier nog enkele aantekeningen, gemaakt nadat dit boek al was geschreven. Ze zullen, geloof ik, licht werpen op de samenstelling van dit Evangelie. Hoofdstuk 5-7 beschrijven, welke kenmerken vereist worden om het koninkrijk binnen te gaan. Het zijn karaktertrekken, die het aangenomen overblijfsel zullen kenmerken, terwijl Jahweh nu met het gehele volk op weg is naar het gericht (5:25-26). Hoofdstuk 8-9 laten de andere kant zien, namelijk dat genade en goedheid worden ingevoerd, God geopenbaard, Zijn wezen en Zijn handelingen. Het is een nieuwe zaak, die niet in oude zakken kon worden gedaan. Het blijft nog steeds goedheid die geopenbaard wordt in macht, maar als deze wordt verworpen, heeft de Zoon des mensen (niet de Messias) niets waar Hij het hoofd op kan neerleggen. Hoofdstuk 8 laat deze toenmalige tussenkomst van God zien in de openbaring van tijdelijke goedheid verbonden met macht. Waar het goedheid is gaat het ver buiten de grenzen van Israël, als er in genade gehandeld wordt met datgene wat buiten Gods legerplaats in Israël was gesloten. Het houdt in, dat deze macht van God ver uitgaat boven alle macht van satan, de ziekten en de natuurkrachten. Christus neemt daar, maar in het bewustzijn van Zijn verwerping, de gehele last op Zich. Hoofdstuk 8:17-20 brengt ons bij Jesaja 53:3-4, en bij de toestand van zaken, die eist dat men alles op moet geven als men Hem wil volgen. Dit leidt dan tot het droevige getuigenis, dat, als de goddelijke macht satans macht uitdrijft, de goddelijke tegenwoordigheid daarin geopenbaard onverdraagzaam is voor de wereld. Dan zijn de zwijnen een beeld van Israël. Hoofdstuk 9 laat de geestelijke gevolgen zien van Zijn tegenwoordigheid in genade, namelijk vergeving en het getuigenis dat Jahweh aanwezig was in overeenstemming met Psalm 103. Maar aanwezig om zondaars te roepen en niet rechtvaardigen. En dit nieuwe vooral kan niet worden verdragen door de oude lederzakken. Behalve wat het geduld en de goedheid betreft die voortduren, eindigt met dit hoofdstuk praktisch de geschiedenis van Israël. Hij kwam om het leven van Israël te redden. Het was werkelijk dood bij Zijn komst. Maar toch, waar geloof werd gevonden te midden van de Hem omringende schare, volgde ook genezing. In de farizeeërs wordt de lastering van de leidslieden openbaar. Maar het geduld van de genade duurt voort, en wordt tegenover Israël geopenbaard in hoofdstuk 10, terwijl in hoofdstuk 11 gezien wordt dat alles tevergeefs is. De Zoon openbaart de Vader, en dat blijft en geeft rust. Hoofdstuk 12 laat ten volle het oordeel en de verwerping van Israël zien. Hoofdstuk 13 toont Christus als een zaaier, en niet als iemand die vrucht zoekt in Zijn wijngaard. We zien er ook de tegenwoordige vorm van het koninkrijk der hemelen aangegeven.

33 Iemand die een melaatse aanraakte werd zelf onrein. Maar de gezegende Verlosser kwam zo dicht bij de mens, dat Hij de verontreiniging kon wegnemen zonder evenwel Zelf verontreinigd te worden. De melaatse kende Zijn macht, maar was niet zeker van Zijn goedheid. Het “Ik wil” openbaarde de goedheid. Maar alleen God heeft het recht dit te zeggen.

34 Want dan zal satan gebonden zijn en de mens bevrijd door de macht van Christus. Nu waren er gedeeltelijke bevrijdingen van hetzelfde karakter.

35 Tot vers 15 gaat het over de toenmalige zending. Vanaf vers 16 hebben we meer algemene beschouwingen over hun zending in het midden van Israël als één geheel genomen, vanaf het begin tot het einde. En dat gaat blijkbaar verder dan hun toenmalige zending en veronderstelt het komen van de Heilige Geest. De zending door welke de Gemeente wordt geroepen is iets geheel anders. Wat hier staat slaat uitsluitend op Israël. Het werd hen verboden, tot de volken te gaan. Dit eindigde noodzakelijkerwijs met de verwoesting van Jeruzalem en de verstrooiing van het joodse volk. Maar het zal weer vernieuwd worden aan het einde tot de Zoon des mensen zal komen. Er was alleen een getuigenis aan de heidenen, als de discipelen voor hen als voor hun rechters zouden worden geleid, zoals het met Paulus is gebeurd. Dat deel van zijn geschiedenis, zelfs tot aan Rome, was te midden van de joden (zie de Handelingen). Het laatste gedeelte vanaf vers 16 heeft minder te doen met het evangelie van het koninkrijk.

36 Let hier op de uitdrukking: “Zoon des mensen”. In dit karakter zal (volgens Daniël 7) de Heer komen met een macht en heerlijkheid die veel groter zal zijn dan die van Zijn openbaring als Messias, de Zoon van David, en ook in veel grotere omvang zal worden ontvouwd. Als Zoon des mensen is Hij erfgenaam van alles wat God voor de mens had bestemd (zie Hebreeën 2:6-8, en 1 Korinthe 15:27). Als gevolg moest Hij, gezien de toestand van de mens, lijden om deze erfenis te bezitten. Hij was daar aanwezig als de Messias, maar Hij moest worden ontvangen in Zijn waar karakter, als de Emmanuël, zodat de joden daardoor zedelijk op de proef werden gesteld. Hij wil het koninkrijk niet bezitten op grond van vleselijke beginselen. En nu Hij als de Messias, de Emmanuël, verworpen wordt, stelt Hij dat gedeelte van de gebeurtenissen die een slot zullen vormen van het dienstwerk van Zijn discipelen voor Israël uit, tot op Zijn komst als Zoon des mensen. Intussen heeft God andere dingen geopenbaard, die verborgen waren van de grondlegging der wereld af: De ware heerlijkheid van Jezus, de Zoon van God, Zijn hemelse heerlijkheid als mens, en de vereniging van de Gemeente met Hem in de hemel. Het oordeel over Jeruzalem en de verstrooiing van het volk hebben de dienst onderbroken, die begonnen was op het ogenblik waarvan de evangelist spreekt. En wat in die tussentijd gebeurd is, is niet het onderwerp van de rede van de Heer. Hier gaat het alleen over de dienst ten behoeve van de joden. De raadsbesluiten van God wat de Gemeente betreft, in verbinding met de heerlijkheid van Jezus aan de rechterhand van God, zullen we op een andere plaats besproken vinden. Lukas zal ons meer bijzonderheden geven betreffende de Zoon des mensen. In Mattheüs houdt de Heilige Geest ons bezig met de verwerping van Emmanuël.

37 Het zenden van zijn discipelen tot Jezus laat zien, dat hij volledig vertrouwen heeft in het woord van de Heer als profeet, maar dat hij onkundig is wat Zijn Persoon betreft. En dat wordt hier in het volle licht geplaatst.

38 Dit is niet de Gemeente van God. Maar nu de rechten van de Koning in heerlijkheid geopenbaard, zijn gevestigd en dus de grondslag gelegd is, bevinden de Christenen zich in het koninkrijk. Wel op een bijzondere en uitzonderlijke wijze, omdat ze zich bevinden in het koninkrijk en in de volharding van Jezus Christus, Die wel verheerlijkt is maar nog verborgen in God. Ze delen in het lot van de Koning in deze tijd en zullen er ook in delen als Hij in heerlijkheid regeren zal.

39 Let wel op deze uitdrukking. We zien de wijze waarop de Heilige Geest overgaat van de toenmalige tijd van de joden, die weldra zou eindigen, naar de tijd waarin de Messias Zijn koninkrijk zal oprichten; dat is hun toekomende eeuw of bedeling. Wij staan buiten dit alles, gedurende deze tijd dat de openlijke vestiging van het koninkrijk is opgeschort. De apostelen hebben het slechts gepredikt of aangekondigd, maar ze hebben het niet gevestigd. Hun wonderen waren “[de] krachten van [de] toekomstige eeuw”, (vergelijk 1 Petrus 1:11-13). Dit is van groot belang, zoals we straks zullen zien. Dat is ook het geval met het nieuwe verbond, waarvan Paulus een dienaar was, maar dat hij toch niet vestigde met Juda en Israël.

40 Vergelijk Markus 4:33-34. Het was geschikt voor allen, als ze oren hadden om te horen, maar het was duister voor eigenwillige mensen.

41 Merk hier op dat hoofdstuk 12 ons het oordeel over het joodse volk heeft voorgesteld. Nu in hoofdstuk 13 hebben we het koninkrijk zoals het is tijdens de afwezigheid van de Koning. In hoofdstuk 16 zien we de Gemeente zoals deze door Christus wordt gebouwd, en in hoofdstuk 17 het koninkrijk in heerlijkheid.

42 Het is een ernstige gedachte dat de eerste daad van de mens is geweest, het bederven van wat God goed had gemaakt. Zo was het bij Adam, bij Noach, bij de wet, bij het priesterschap van Aäron, bij de zoon van David, zelfs bij Nebukadnezar en ook bij de Gemeente. In de tijd van Paulus zochten allen het hunne en niet wat van Jezus Christus was. In de Messias zal alles goed, ja beter en hechter zijn.

43 Ik spreek hier van hen die Zijn dienstknechten op aarde zullen geweest zijn gedurende Zijn afwezigheid. Want de engelen zijn ook Zijn dienstknechten, evenals de heiligen van de toekomende eeuw.

44 Het is duidelijk, dat de Heer niet in de Gemeente begon te zaaien, want deze bestond toen nog niet. Maar Hij onderscheidt hier Israël van de wereld, en van deze laatste spreekt Hij. Hij zocht vrucht in Israël, maar Hij zaait in de wereld, omdat Israël, na al Zijn arbeid, geen vrucht voortbracht.

45 Niet maar het ogenblik waarop deze eindigt, maar de handelingen die het voornemen van God in dat einde vervullen.

46 Merk hier ook op, dat het koninkrijk der hemelen hier in twee gedeelten wordt gesplitst, namelijk het koninkrijk van de Zoon des mensen en het koninkrijk van onze Vader: de voorwerpen van het oordeel in datgene wat aan Christus onderworpen is, en een plaats bij de Vader, gelijk aan de Zijne, voor de zonen.

47 In alle zinnebeeldige profetieën en gelijkenissen gaat de verklaring verder dan de gelijkenis zelf, en voegt er feiten bij. Want het uitgevoerde oordeel getuigt openlijk van datgene wat in de tijd van de gelijkenis alleen geestelijk onderscheiden kon worden. Geestelijk kan men het nu verstaan en in het einde zal het oordeel in het openbaar de verklaring geven, zodat we in de uitlegging altijd verder moeten gaan dan de gelijkenis zelf. Het oordeel geeft een openlijke uitlegging van wat nu slechts geestelijk kan begrepen worden en voert een nieuwe toestand van zaken in (Daniël 7).

48 De hoofdstukken die nu volgen hebben een zeer bijzonder karakter. De persoon van Christus wordt als de Jahweh van Psalm 132 voorgesteld, terwijl Israël wordt weggezonden. De discipelen worden alleen gelaten, terwijl Hij op de berg bidt. Hij keert terug, voegt zich weer bij de discipelen, en de Gadarenen erkennen Hem. Dan hebben we in hoofdstuk 15 de gehele zedelijke beschrijving van de grond waarop Israël werkelijk stond en behoorde te staan, maar verder uitgewerkt in wat in het hart van de mens is. Daarna zien we wie God is, geopenbaard in genade aan het geloof, zelfs waar dit in een heiden wordt gevonden. Historisch erkent Hij Israël nog, maar in goddelijke volmaaktheid, en nu in een menselijke administratieve macht. Dan wordt in hoofdstuk 16 de Gemeente profetisch gezien en in hoofdstuk 17 het koninkrijk in heerlijkheid. In hoofdstuk 16 wordt het de discipelen verboden om te zeggen dat Hij de Christus is. Want daarvoor was het nu te laat.