02. Genesis

02. Genesis · uit de ‘Synopsis’ deel 1 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Verklaring over Genesis (Synopsis deel I)

Inleiding

De fundamentele beginselen van de relaties van God met de mensen, worden ons in een geheel eigen karakter voorgesteld.

Het boek Genesis bezit een geheel eigen karakter. Het laat ons als het begin van het Heilige Boek al de fundamentele beginselen zien, die men ontwikkeld vindt in de geschiedenis van de relaties van God tot de mens, welke geschiedenis in de volgende boeken opgetekend is. Al deze beginselen zijn erin in de kiem aanwezig, uitgezonderd de wet, hoewel echter aan Adam tijdens zijn staat van onschuld een wet (gebod) gegeven werd en we weten dat Hagar eigenlijk een beeld is van Sinaï. Nagenoeg alles wat later vervuld is, vindt men in dit boek in de een of andere vorm tot uitdrukking gebracht. Terwijl het ons de droevige geschiedenis van de val van de mens uitvoerig meedeelt, beschrijft het ook de relaties van de mens tot God, met een frisheid, die men niet meer aantreft bij de mensen die later gewoon waren deze relaties te misbruiken en te leven in een gemeenschap die zichzelf behaagt.

Maar of het nu de schepping betreft, de mens en zijn val, de zonde, de macht van de Satan, de beloften, de roepstem van God, Zijn oordeel over de wereld, de verlossing, de verbonden, de afzondering van het volk van God, hun toestand van vreemdelingschap op aarde, of de opstanding, het brengen van het volk Israël in het land Kanaän, het zegenen van de volkeren, het zaad (nageslacht) van de belofte, de verheerlijking van een verworpen Heer op de troon van de wereld – we vinden ze hier in dit boek alle in werkelijkheid of in beeld. En nu we de sleutel hebben, ook de Gemeente zelf.

Hoofdstuk 1

De mens als hoofd van de schepping: Gods werk en daarna Zijn rust

Laten we dus de inhoud van dit boek een beetje nader onderzoeken.

Allereerst zien we de schepping, waarin de mens op aarde als middelpunt en hoofd geplaatst wordt. De schepping toont ons het werk van God en daarna, aan het einde van dit werk, de rust van God. Maar er wordt niet gezegd, dat er iemand is, die in deze arbeidsrust deelt. God Zelf rustte van Zijn werk en de mens gaat in dit werk als hoofd zijn gelukzalige plaats innemen.

Het speciale doel van God was, dat de mens een relatie met Hem zou hebben.

Maar laten we hier een ogenblik stilstaan om enkele opmerkingen te maken.
Deze openbaring van God is niet de geschiedenis van alles, wat Hij gedaan heeft, maar van wat God aan de mens, tot zijn nut gegeven heeft. Het is de waarheid met betrekking tot alles, waarmee de mens te maken zou hebben. Het speciale doel van God was, om de mens alles mee te delen wat zijn eigen verhouding tot God betreft. In verbinding gebracht met de laatste Adam, zal de mens eenmaal kennen zoals hij gekend is. Nu al heeft hij de zalving van de Heilige, door middel van het werk van Christus, waardoor hij alle dingen kent. Maar historisch is de openbaring maar gedeeltelijk. Ze beperkt zich tot het meedelen van wat voor het geweten, het hart en de ziel van de mens van belang is. De geschapen wereld wordt daarom gezien zoals zij voor de ogen van de mens is en deze in het midden ervan; en terwijl het zo voorgesteld wordt, laat Genesis ons het werk van God als Schepper zien.
En dit geldt ten opzichte van de hele Bijbel.

Er wordt hier niets van de schepping gezegd, dan alleen wat de mens in de positie plaatst, die God hem daarin had aangewezen, of wat hem deze bestaanskring, als het persoonlijke werk van God, voorstelt. Zo wordt er bijvoorbeeld geen mededeling gedaan over hemelse wezens en hun schepping. Men vindt deze niet eerder dan op het moment dat ze in verbinding worden gebracht met de mensen, hoewel later op een duidelijke wijze als waarheid erkend wordt, dat ze door God geschapen zijn.

Zo wordt ook niets over deze aarde verteld, behalve haar schepping en wat betrekking heeft op haar tegenwoordige vorm. Het feit wordt vastgesteld, dat God alle dingen geschapen heeft, alles wat de mens ziet, kortom, het hele stoffelijke heelal. “In het begin schiep God de hemel en de aarde”. Wat gebeurd kan zijn tussen dit moment en het ogenblik, waarop de aarde (want alleen van haar wordt gesproken) leeg en zonder vorm was, wordt helemaal in het donker gelaten. De duisternis bedekte toen de afgrond, maar van de duisternis wordt alleen maar gezegd, dat ze de afgrond bedekte.

Uit een toestand van chaos en duisternis heeft God de aarde toebereid

God hief de aarde op uit deze toestand van chaos en duisternis, waarin ze lag, en bracht in de eerste plaats, door Zijn Woord, het licht erin. Daarna formeert Hij de zeeën en het droge en bekleedt de aarde met planten en levende schepselen. Toen eenmaal de aarde zo toebereid en gevormd was, werd de mens (gemaakt naar het beeld van God) als heerser over alles wat zich hier bevond, geplaatst. De vruchten van de aarde worden hem tot voedsel gegeven, terwijl God van Zijn werk rust en de dag waarop Hij Zijn werken beëindigd zag, met Zijn zegen bekroont. De mens rust niet, omdat hij in geen enkel opzicht heeft deelgenomen aan dat werk, maar hij geniet van de vruchten ervan.

Licht en orde uit duisternis en verwarring

De volgorde van dit scheppingswerk van God, is aldus: in de eerste vier dagen schiep God licht en orde uit duisternis en verwarring. Op de eerste dag het licht; op de tweede dag het uitspansel, dat spreekt van hemelse macht boven de aarde. Daarna scheidde Hij op de derde dag wat al gevormd en geordend was af van de bewegende, machtige, maar vormloze watermassa’s en sierde vervolgens wat al geordend en bewoonbaar was met schoonheid en vruchtbaarheid. De symbolen van een besturende macht werden op de vierde dag op een zichtbare wijze op hun plaats gesteld.

De schepping als bewijs van de levengevende macht van God

De plaats waar de mens zich zou ontplooien en heersen, was toebereid, maar de mens was er nog niet. Maar voordat God de mens vormde, schiep Hij levende wezens van alle soort; in de zeeën, op de aarde en in de lucht. Deze wezens, die met leven begiftigd waren, moesten zich voortplanten en vermenigvuldigen: het bewijs van de levengevende macht, waardoor Hij aan stof levende kracht kon meedelen. Zo werd niet alleen een plaats van handeling gevormd, waar de raadsbesluiten van God ten opzichte van de mens uitgevoerd zouden worden, maar waar ook de levende wezens verschenen, waarover de mens moest regeren om zodoende naar de wil van God, als Zijn plaatsvervanger op aarde, zijn krachten en rechten te openbaren. De mens is helemaal apart gesteld en onderscheiden van alles. Hij is het middelpunt van alles, de heerser over alle schepselen, waarvoor hij ook belangstelling heeft, omdat ze hem toebehoren, en hij leeft in zijn eigen sfeer van geluk, overeenkomstig zijn natuur. Wat de andere schepselen betreft, regelt hij alles met zegen, want dit “alles” is aan zijn gezag onderworpen. In één woord, de mens is in het midden van deze zo toebereide schepping geplaatst.

De mens een levende ziel, komt in directe verbinding met God

Maar dit is niet alles. Hij moest niet naar de wil van God door een eenvoudige handeling uit het stof voortkomen, zoals de dieren; geschapen door die macht, die de dingen, die niet zijn, tot bestaan roept, alsof ze waren. God vormde de mens uit het stof en blies hem daarna de adem van het leven in zijn neusgaten. Zo werd de mens een levende ziel en stond hij in directe verbinding tot God Zelf. Zoals de apostel Paulus het in Handelingen 17 aanhaalt: “Wij zijn Zijn geslacht!” Er wordt niet gezegd: “Dat de aarde voortbrengt!” maar “Laten Wij mensen maken!” En Hij formeerde de mens naar Zijn gelijkenis. Hij maakte hem ongetwijfeld opdat hij zich, zoals de andere levende schepselen, zou vermenigvuldigen. Maar Hij gaf hem heerschappij over hen en maakte hem tot hoofd en middelpunt van Gods schepping op aarde. Het zaadzaaiende kruid werd hem tot voedsel gegeven; het groene gras dat de aarde voortbracht, werd aan de dieren gegeven. Dood en geweld bestonden nog niet. 1 We zien in het tweede hoofdstuk nog een ander beginsel van heel grote betekenis, dat met betrekking tot de mens naar voren wordt gebracht, als het gaat om zijn verhouding tot God.

De schepping van de mens onderscheidt zich van al het andere

Hier (hoofdstuk 1) is het de schepping van de mens, onderscheiden van al het andere; hij wordt ons eenvoudig getoond als het werk of het schepsel van God, als het hoofd, het middelpunt en de heerser over al de andere geschapen wezens. Maar het is goed om op te merken, dat, hoewel de mens God vertegenwoordigt en naar Zijn gelijkenis gemaakt is, er hier geen sprake is van gerechtigheid, noch van heiligheid. Deze hoedanigheden worden alleen ontvangen door de verlossing en het delen in de Goddelijke natuur. Er was zonder twijfel geen kwaad aanwezig en in zoverre was er de gelijkenis met God, maar het was onwetendheid ten opzichte van het kwaad; de mens wist niet wat God is tegenover kwaad. We zien hier meer de plaats die de mens inneemt, dan zijn natuur, hoewel, als de mens niet was gevallen, de afwezigheid van het kwaad en de bron van neerbuigende liefde als middelpunt van zijn bestaan in de mens zou worden gevonden. Want de gelijkenis met God komt vooral tot uitdrukking in de eigenschappen: heiligheid en liefde, en het beeld in de positie, die de mens inneemt. Hij was de centrale heerser over alle dingen en alle dingen hadden op hem als hoofd betrekking. Alle autoriteit en alle gevoelens waren verbonden met hem als hun middelpunt en hoofd en er werd geen zonde, moeite, boosheid of ongehoorzame zelfzucht gevonden. In een ongevallen zedelijke orde zou hij zijn vermaak hebben gevonden.

Hoofdstuk 2

Gods rust

De eerste drie verzen van het tweede hoofdstuk behoren tot het eerste hoofdstuk, want het gaat hier om de rust van God. Hij rustte van Zijn eigen werken die alle zeer goed waren. In het overige deel van het tweede hoofdstuk vinden we de relaties van de mens tot God en zijn eigen plaats daarin. Daarom wordt de Schepper hier voor de eerste keer de HEERE God 2 genoemd, Jahweh Elohim.

God in verbinding met de mens; en de bijzondere plek die Hij voor hen gemaakt heeft

Dus niet langer God als Schepper, maar God, in verbinding met hen, die Hij geschapen heeft. Daarom lezen we hier over de bijzondere wijze, waarop de mens geschapen is.
Nog enkele woorden over de hof van Eden. Het was een lusthof. Eden betekent: genot, vermaak. Hij is helemaal verdwenen en was ook daartoe bestemd, maar we zien door het noemen van twee van de rivieren, die in de hof stroomden, dat hij werkelijk op deze aarde heeft bestaan. Jahweh Elohim had de mens geformeerd. Jahweh Elohim had de tuin geplant. De rivier van God, die de aarde moest bevochtigen, had hier zijn oorsprong. De verkwikkende bronnen van God waren in de hof van Zijn vermaak en de mens was erin geplaatst, om haar te bebouwen en te bewaren. Nu zijn zowel de mens als de aarde in verval.

De betrekking van de mens tot God en de betrekking tot zijn vrouw

We vinden in het tweede hoofdstuk dus meer de bijzondere relaties van de mens tot God, zijn relaties tot zijn vrouw (een beeld van de relaties van Christus tot de Gemeente) en zijn relaties tot de schepping.

De twee bomen en de verantwoording van de mens om te gehoorzamen; Met het gevolg: er is verzoening nodig die alleen Christus tot stand kan brengen

Vervolgens de twee grote beginselen die voor alle tijden gelden. Uit deze beginselen komt alles voort. Ze zijn gegeven in de hof, waar de mens, in het genot van Gods zegen, geplaatst was, en houden in:

  • 1) de verantwoordelijkheid van de mens om te gehoorzamen en;
  • 2) een onovertroffen bron van leven; namelijk:
  • a) de boom van de kennis van goed en kwaad,
  • b) de boom des levens.

Het geluk van de mens is met de verzoening van deze twee beginselen verbonden. 3 Buiten Christus is dit echter onmogelijk. Het is de vraag die de wet opwerpt, en die haar antwoord vindt in de genade, in Christus. De wet liet het leven – als gevolg van een absolute gehoorzaamheid – aan hem die het goed en het kwaad kende, dat wil zeggen ze liet het afhangen van de verantwoordelijkheid. Christus daarentegen, Die de gevolgen van de val en van de ongehoorzaamheid van de mens gedragen heeft, wordt, naar de kracht van een leven, dat de overwinning behaald heeft op de dood die het gevolg van deze ongehoorzaamheid is, een bron van eeuwig leven, onaantastbaar voor het kwaad. Hij is de bron van Goddelijk leven geworden, terwijl een volmaakte gerechtigheid tot stand werd gebracht door een werk, dat alle schuld heeft weggenomen van hem, die erin deelt. In deze gerechtigheid staan we nu voor God, naar Zijn eigen voornemen, naar Zijn eigen natuur, naar Zijn rechtvaardige wil en overeenkomstig Zijn eigen heerlijkheid. Het priesterschap 4 van Christus is van toepassing op de bijzonderheden van de ontwikkeling van dit leven, te midden van het kwade, en op de volmaakte Goddelijke positie, waarin we door Zijn werk zijn geplaatst. Het priesterschap verzoent onze tegenwoordige zwakheden met de positie die we van God ontvangen hebben en waarin we voor Hem staan.
In de hof van Eden bestond voor onze eerste vader de kennis van het goed en het kwaad nog niet. De gehoorzaamheid vormde op zichzelf het enige middel om onze stamvader op de proef te stellen. Ze bestond in het zich onthouden van een handeling, die niet als zonde aangerekend zou zijn, als ze niet verboden was geweest. Het was geen verbod om te zondigen, noch een opgelegde verplichting om het goede te doen, zoals op Sinaï, toen het goed en het kwaad bekend waren.

De mens is onderscheiden van ieder ander schepsel en heeft daardoor een directe verbinding met God

Wat de mens van elk ander schepsel op aarde onderscheidt, is dat hij, als levend wezen, niet op het gezag van het woord van God uit de aarde of uit het water voortkomt. Nee, God maakt en formeert hem uit het stof, als een levende ziel, in directe verbinding met Zichzelf, door hem de adem van het leven in zijn neusgaten te blazen. Alle schepselen die leven bezitten worden levende zielen genoemd, en ze worden voorgesteld als wezens die de adem van het leven hebben. Maar God blies nooit in de neusgaten van één van hen opdat hij een levende ziel zou worden. De mens was, enkel door het feit dat hij bestond, in directe verbinding met God, want hij had zijn leven rechtstreeks van Hem ontvangen. Daarom wordt in Handelingen 17 gezegd: “Gods geslacht” en in Lukas 3:38: “(Zoon) van Adam, (Zoon) van God”.

Adams betrekking tot God en tot zijn vrouw en tot de schepping van lagere orde

Het is van belang erop te letten, hoe dit hoofdstuk op een bijzondere wijze, alle beginselen van de relaties van de mens, hetzij tot God, hetzij tot zijn vrouw of tot de schepping van lagere orde, aan ons voorstelt. Hier zijn alle dingen, naar hun aard als schepselen van God en in de orde die hun eigen is, in verbinding met de aarde. Het was niet het werk van de mens, dat groei en vruchtbaarheid aan hen schonk. Het was ook niet de regen van de hemel die vruchtbaarheid gaf. Uit de aarde was een damp opgegaan, die de hele aardbodem bevochtigde. Een kracht die op de aarde ten zegen werkte, deed deze damp opstijgen. Ze daalde niet vanuit de hemel neer. Toch was de mens, ten opzichte van God, in een bijzondere positie geplaatst. De mens woonde niet in de hemel en God woonde niet op de aarde. Het feit dat Hij nu in ons woont en dat wij met Hem wonen, is het resultaat, dat bewerkt is door de genade en door de verlossing, die ook een tempel voor God heeft gevormd. Maar God had voor de mens een plaats van zegening en bijzonder genot als woonplaats gemaakt. En het was daar, dat God hem bezocht.

Vanuit deze hof, waarin de mens door Gods hand geplaatst was als heerser over de aarde, stroomden de rivieren, die de wereld daarbuiten bevochtigden en kenmerkten. Op Adam rustte de plicht om te gehoorzamen. Als het beeld van God op de aarde, terwijl het kwaad volkomen vreemd aan zijn natuur was, en als middelpunt van een geordend geheel in verbinding met hemzelf, moest hij zijn eigen geluk vinden in zijn directe verbinding met en in zijn relaties tot God.

Adams zegen is door zijn afhankelijkheid van God veilig gesteld

Zodra God Zich een volk heeft verlost, woont Hij in het midden ervan (Exodus 29:46). Hier schiep, zegende en bezocht God. Het geluk en de zekerheid van Adam, als bewust middelpunt van alles wat hem omringde, bestond in het afhankelijk zijn van God en in zijn verhouding tot Hem. En dit is het juist, zoals we zullen zien, wat hij verloor. Hij wordt het middelpunt van zijn niet te stillen verlangen en zijn nooit te bevredigen eerzucht. We zien dus: de aardse natuur in haar volmaaktheid met als middelpunt de mens, in verbinding met God door de schepping en door de adem van het leven die in hem is; louter genot, een duurzame bron van leven, en een middel om de verantwoordelijkheid van de mens op de proef te stellen; alles omvattende verkwikkende bronnen voor de wereld erbuiten en … als de mens was gebleven in de toestand, waarin hij werd geplaatst: gezegende relaties met God in die toestand. Zó was de positie van de eerste Adam in zijn staat van onschuld.

In deze staat van onschuld ontvangt Adam een vrouw

Opdat hij niet alleen zou zijn, maar een hulp zou hebben, een metgezellin (de liefde tot haar vormde een andere vreugdebron voor hem), formeerde God niet een andere mens, want dan was de mens niet meer het middelpunt geweest. Maar God maakte uit de mens zelf zijn vrouw, opdat hun verbintenis zo intiem en zo volmaakt mogelijk zou zijn en opdat Adam hoofd en middelpunt van alles zou blijven. Bovendien ontving Adam zijn vrouw uit de handen van God. Zo was de natuur waardoor de mens omgeven was: God erkent haar altijd en als de mens ertegen zondigt, dan gaat dat gepaard met straf. Hoewel de zonde dit alles bezoedeld en bedorven heeft, is het toch het tafereel van wat Christus, de Gemeente en het heelal zijn zullen, als alles door de gehoorzame Mens in kracht zal zijn hersteld. Tot hier toe bevond zich alles nog in de staat van onschuld, dus er was nog geen kennis van het kwaad.

Hoofdstuk 3

De val van de mens door ongehoorzaamheid

In het derde hoofdstuk vinden we helaas, wat altijd bij de mens gebeurd is, als God iets aan zijn verantwoordelijkheid toevertrouwde: de ongehoorzaamheid en de val. Zo was het bij Adam, bij Noach, bij Israël met het gouden kalf, en in het priesterschap met vreemd vuur. En zo ging het met Salomo de zoon van David en Nebukadnezar. En, helaas, zo ging het met de gemeente (1 Johannes 2:18-19 en brief van Judas). Het was altijd het eerste feit als aan de mens iets was toevertrouwd. Maar alles is weer opgericht in Christus, de mens van Gods raadsbesluiten. De geslepenheid van de verborgen vijand van onze zielen is direct aan het werk. Het eerste resultaat is het wantrouwen dat hij de mens ten opzichte van God ingeeft; dan komt de begeerte en de ongehoorzaamheid; de grootste ontering van God; zowel ten opzichte van de goddelijke waarheid als de liefde; de kracht van de natuurlijke gevoelens over de mens; het bewustzijn naakt en machteloos te zijn, en de pogingen om deze naaktheid voor zichzelf te verbergen; 5 de angst voor God, die hem ertoe brengt zich voor Hem te verschuilen; de onmogelijkheid om hierin te slagen; de neiging om zich van datgene, waaraan men zelf schuldig is, te rechtvaardigen en dat ten koste van anderen en zelfs van God. En dan zien we niet dat de mens gezegend of hersteld wordt en ook niet dat hem beloften worden gedaan, maar we zien het oordeel, dat over de slang uitgesproken wordt. In dit oordeel wordt de belofte aan de tweede Adam gedaan; de overwinnende Mens, maar die in genade geboren moest worden te midden van de zwakheid en de val. Het is het Zaad van de vrouw, dat de kop van de slang moest vermorzelen.

De mens vertrouwt Satan meer dan God

Merk op hoe volledig de val van de mens en als gevolg daarvan de scheiding van God is. God had de mens overvloedig gezegend. Satan echter fluisterde hem in, dat God hem de hoogste zegeningen onthield en dat Hij dit deed uit jaloersheid, uit angst dat de mens Hem gelijk zou worden. De mens vertrouwt zich meer aan Satan toe (alsof deze het beste met hem voorheeft) dan aan God, Die hij naar de leugen van Satan beoordeelt. Hij gelooft Satan als de waarachtige, in plaats van God, als Satan hem zegt dat hij niet zal sterven, terwijl God had gezegd dat hij juist zou sterven. En om zijn eigen begeerten maar te bevredigen, verwerpt hij God, die hem zó gezegend had. De mens stelt geen vertrouwen in God. Hij volgt zijn eigen weg als het meest zekere middel om het geluk te vinden. En dit doet de mens nu nog.

Tegenoverstelling tussen de eerste en de Tweede Mens (de laatste Adam)

In Filippi 2 zullen we zien, hoe de Heer Jezus in dezelfde omstandigheden God verheerlijkt heeft en Zich gedragen heeft op een wijze die helemaal tegenovergesteld is aan die van Adam. Deze laatste handelde zo om zichzelf te verhogen en – door een onrechtmatig toe-eigenen – te worden als God. Juist het tegenovergestelde zien we bij Christus, Die, zijnde in de Goddelijke heerlijkheid, het niet als een roof geacht heeft God gelijk te zijn, maar Zichzelf ontledigd heeft om aan de mens gelijkvormig te worden. Hij is gehoorzaam geworden, in plaats van ongehoorzaam, gehoorzaam tot in de dood. Merk ten slotte ook nog op, hoe de pogingen, die de mens heeft aangewend om voor zichzelf zijn eigen zonde te verbergen, vergeefs blijken te zijn, zodra God tegenwoordig is. Adam die zijn naaktheid had bedekt, spreekt in de tegenwoordigheid van God erover, alsof hij niets had gedaan om die naaktheid te bedekken. Hetzelfde geldt ook voor al onze pogingen om datgene te rechtvaardigen, wat onze zonde moet verbergen en als het erom gaat onze rechtvaardigheid te bewijzen. Bovendien, de mens vlucht voor het aangezicht van God weg, zelfs voordat God in Zijn rechtvaardigheid, hem uit Zijn tegenwoordigheid verdrijft en hem berooft van Zijn zegen. De kennis van het goed en het kwaad in een staat van ongehoorzaamheid maakt ons bevreesd voor God. Een werk en een gerechtigheid van God is nu nodig om de kennis van het goed en van het kwaad in de ongehoorzaamheid te bedekken. Als vertegenwoordiger van het menselijk geslacht, heeft Adam geen enkele belofte. Die zijn er voor de eerste Adam niet. Geen herstelling van de eerste mens, geen weg terug naar de boom des levens. Alles is in de Tweede Mens, de laatste Adam (1 Korinthe 15:45-49; Romeinen 5:12-21), het zaad van de vrouw. In het oordeel over Satan is Hij en Zijn overwinning beloofd.

De dood en toch leven uit genade, door de dood van een ander

Wat nu volgt is het voorgestelde gevolg onder de regering van God: het tijdelijk oordeel dat uitgesproken wordt over Adam en zijn vrouw, totdat de dood, onder wiens macht ze gekomen waren, zich van hen meester zou hebben gemaakt. Maar er is een teken van genade. Adam erkent, dat het leven er nog is hoewel de dood was ingekomen: Eva is de moeder van alle levenden. Weliswaar een zwak, maar toch een werkelijk getuigenis van zijn geloof, lijkt me. Maar er is nog meer. Voordat ze verdreven worden en hun de terugkeer tot de boom des levens in hun natuurlijke toestand voor altijd onmogelijk wordt gemaakt, bekleedt God hen met een kledingstuk om hun naaktheid te bedekken. Dit kledingstuk ontstond door de dood (de dood van een ander als plaatsvervanger) die in de wereld gekomen was, maar die de gevolgen van de zonde waardoor ze ingekomen was, verborg. De mens was niet langer naakt. Noch in zijn eigen ogen noch in de ogen van hen die hem aanzagen, want God had hem bekleed.

Dus, terwijl we van nature buiten de tegenwoordigheid van God zijn, zien we de kop van Satan nog niet vermorzeld, maar we hebben de zekerheid, dat dit gebeuren zal. De overste van deze wereld is geoordeeld (hoewel hij er nog is) en we weten dit door de Heilige Geest die van de hemel is neergekomen, terwijl Christus, die door de wereld onder Satans leiding gedood is, aan Gods rechterhand zit. Maar hoewel dit alles nog niet is vervuld, zijn wij nu al voor God bekleed met het kleed dat Hij ons heeft aangedaan: Het beste kleed. Het is voor ons niet een belofte of een type, maar een voleindigd werk – een werk van God. God heeft onze kleding gemaakt. De wereld mag de spot drijven met zo’n gedachte, maar wij weten wat het betekent. Maar de mens is met recht uit de hof van Eden verdreven, een uitgeworpene van het paradijs en van God en verhinderd van de boom des levens te eten, opdat hij hier beneden geen leven van ellende en moeite zou bestendigen. De weg naar de boom des levens is voortaan voor de natuurlijke mens, als schepsel van God, niet meer toegankelijk. Ik geloof dat de Cherubijnen altijd oordelende regering en kracht voorstellen.

Er is geen enkele terugkeer naar het paradijs of de staat van onschuld voor de mens mogelijk, want Adam wordt, als hij zich al in een positie van zonde en verwijdering van God bevindt, de vader van een geslacht dat in diezelfde toestand is 6.

Hoofdstuk 4

Twee verschillende naturen brengen scheiding tussen God en wereld

Maar genade kon handelen; de genade van een God, Die verheven is boven het kwaad van de mens, en Abel nadert Hem door het geloof.
Dan volgt de scheiding tussen de familie van God en die van de vijand, tussen die van het geloof en die van de wereld. Abel komt, zich van zijn schuld, maar ook van zijn onbekwaamheid om tot God te naderen, bewust. Hij plaatst dan ook de dood van een ander tussen zich en God. Hij erkent het oordeel over de zonde en gelooft in de verzoening. Kaïn, die op een eerlijke wijze werkt, daar, waar God hem geplaatst heeft om te werken en die uiterlijk een aanbidder is van de ware God, is zich van geen zonde bewust; ja hij brengt zelfs de vruchten die een teken zijn van de vloek. Totale verblinding van het hart en verharding van het geweten van een schuldig geslacht, dat van God verdreven werd! Kaïn denkt, dat alles zó goed gaat. Waarom zou God hem niet aannemen? Er is geen enkel besef van de zonde en van de val bij hem. Het is hier niet alleen de zonde tegen God, zoals bij Adam, maar ook tegen de naaste, zoals we dat zien in het geval van de Heer Jezus. Kaïn is een treffend beeld van de toestand van de Joden.

De zonde en haar bestaande gevolgen

In deze twee hoofdstukken zien we in het gedrag van Adam en Kaïn, de zonde in al haar vormen als een schilderij aan ons voorgesteld. Bij Adam de zonde in haar eigen en oorspronkelijk karakter tegen God. Bij Kaïn meer in het bijzonder in type tegen Christus, met al de nu nog bestaande gevolgen, die zich geopenbaard hebben ten opzichte van de aarde. Want we kunnen, zowel in het geval van Adam, als in dat van Kaïn, opmerken, dat het bestuur van God op de aarde betreffende de gevolgen van de zonde, op de voorgrond wordt gesteld. De scheiding tussen God en de mens, die in staat was gesteld, en oorspronkelijk ook daarvoor geschapen was, om relaties met God te onderhouden bestaat. Maar deze scheiding wordt overgelaten aan het zedelijk besef van de ziel. Het openlijk zichtbaar geworden oordeel, is dat van de gevolgen van de zonde op aarde. De Schrift spreekt duidelijke taal: “God dreef de mens uit,” de mens met wie God relaties had onderhouden. En Kaïn zegt: “U hebt mij verdreven van voor Uw aangezicht.” Maar hier is sprake van de aardse toestand. Adam is verdreven uit een vredig Paradijs (waar hij niet hoefde te werken), om de aardbodem te bebouwen en in het zweet van zijn gezicht zijn brood te eten. Kaïn 7 is, zelfs in deze positie, vervloekt van de aarde waarop hij een vluchteling en zwerver is. Maar hij wil zo gelukkig mogelijk op deze aarde zijn en zoveel als mogelijk is het oordeel van God tenietdoen. En bovendien zich op de aarde vestigen, alsof deze aarde, waar God hem een zwerver had gemaakt, van hem was. En dit is de wereld, voor het eerst getekend in zijn ware karakter.

De toestand en de zonde van de mens, brengt scheiding met God teweeg

Letten we ook op de twee ernstige vragen van God: “Waar bent u?” (dit is de toestand van de mens, die ver van God verwijderd en van elke gemeenschap met Hem beroofd is), en “Wat hebt u daar gedaan?” (wat de in die toestand bedreven zonde is, waarvan de boosheid in haar hoogste graad aan de dag zou treden, toen de Heer gedood en verworpen werd).

Lamech

In de geschiedenis van Lamech, zien we bij de mens eigenwil in vleselijke begeerte (hij had twee vrouwen), en wraakneming bij zelfverdediging. Maar ik geloof in het oordeel van God de volgende aanduiding te zien: Zoals Kaïn de Jood was, die bewaard werd (hoewel hij gestraft werd), zo zou zijn nakomelingschap in het eind, voordat de erfgenaam zou worden verwekt en de mensen Jahweh op de aarde zouden aanroepen, zevenmaal meer het voorwerp van Gods zorg zijn. Lamech erkent dat hij een mens gedood heeft voor zijn wonde, maar hijzelf zal op zijn beurt gewroken worden, als iemand hem mocht aanraken.

Samenvatting van hoofdstuk 2, 3 en 4, Seth, het voorwerp van Gods raadsbesluit

In het tweede hoofdstuk zien we dus de mens in het genot gesteld van de zegeningen van de schepping. Dat is de toestand, waarin hij zich bevindt. In het derde hoofdstuk de val van de mens, waardoor hij zijn verbinding met God verliest. In het vierde hoofdstuk zijn boosaardigheid in verband met de genade, in de slechte toestand die ontstaan is door zijn val. Verder wat er van de wereld wordt, als de mens wordt verdreven van het aangezicht van Hem, die op grond van het offer, in genade aannam. En ook hoe de mens zich dan op zijn gemak gaat voelen door zich genoegens te verschaffen buiten God om, hoewel Hij hen verdraagt. Ten slotte zien we een behouden overblijfsel, en de erfgenaam naar de raadsbesluiten van God, Seth, en de mensen die de Naam aanroepen van God, dat wil zeggen de Naam van Jehova, want God staat hier met hen in verbinding.

Verdreven uit Gods tegenwoordigheid, zoekt Kaïn tijdelijke troost in de belangrijkheid van zijn familie, in de kunst en de genietingen van het tegenwoordige leven en spant zich in om van de wereld, waarin God hem als zwerver heeft gezonden, een zo aangenaam mogelijke verblijfplaats, ver van God verwijderd, te maken.

De zonde heeft hier het karakter van “alles vergeten wat er met de geschiedenis van de mens is gebeurd,” van afkeer van de genade en van hem die het voorwerp en de drager ervan is; het karakter van trots en onverschilligheid, en ten slotte van vertwijfeling die haar troost in de wereldgelijkvormigheid zoekt.

Ook zien we de mens van de genade (Abel, het beeld van Christus en de Zijnen) hier beneden verworpen en zonder erfdeel gelaten. Verder de mens, zijn vijand, die geoordeeld en aan zichzelf overgelaten is. En ten derde zien we Seth, het voorwerp van Gods raadsbesluiten, die van de zijde van God de erfgenaam van de wereld wordt. Echter moeten we er wel aan denken, dat dit maar typen, beelden, zijn. De Antitype, de verworpen mens, die de erfgenaam van alles is, is dezelfde als Hij, die ter dood gebracht werd.

Hoofdstuk 5-9

De familie van God op aarde, Noach en Henoch

Hoofdstuk 5 stelt ons de familie van God op aarde voor, die onderworpen is aan de dood, maar toch de bewaarder van de raadsbesluiten en het getuigenis van God is. Hier kunnen we Henoch noemen, wiens deel in de hemel is en die op de aarde getuigenis aflegt van de komst van Jezus ten oordeel (brief van Judas), maar die vóór die komst opgenomen wordt in de hemel. En dan, aan de andere zijde, is daar Noach, die, zelf gewaarschuwd, gerechtigheid en oordeel predikt, en die deze oordelen doormaakt om een nieuwe wereld te beginnen. We zien in Henoch dus het beeld van de Gemeente en in Noach dat van de Joden, in verband met de komst van Christus.

Het gevolg van afval eindigt ten slotte in oordeel

Ten slotte vinden we hier, in de reuzen, de kracht en de macht op aarde, die het gevolg zijn van het feit, dat de zonen van God tot afval kwamen, doordat ze hun oorspronkelijke staat verlieten. En dan zien we God die het oordeel uitvoert, na met de mensen gepleit te hebben door het getuigenis van Zijn Geest, een genade, waarvan God het einde bepaald had. De gehoorzaamheid van het geloof is de zekerheid van het gewaarschuwde overblijfsel; maar het beginsel van verdorvenheid werkt ondanks het getuigenis door, totdat het oordeel uitgevoerd wordt, waarvan het getuigenis dat veracht werd, had gesproken. De mens zakt al dieper weg. De schepping van God is volkomen verdorven en vol van geweld, wat twee algemene kentekenen zijn van de werkzaamheid van de wil die geen rekening houdt met God. Wat de mens betreft, nu hij overgelaten was aan zichzelf (want dat was het geval met hem vóór de zondvloed, behalve een getuigenis in genade), werd bewezen, dat al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten, te allen tijde alleen boos was. God schept en vernietigt. Hij roept en het berouwt Hem niet. De schepping was volkomen verdorven en God vernietigt alles, wat de adem van het leven heeft. Het getuigenis van deze dingen is tot alle plaatsen onder de heidenen doorgedrongen. We hebben er hier een nauwkeurig maar beknopt overzicht van, dat meer dan genoeg is om aan te tonen wat de mens was en is, en Gods wegen met hem.

Toch een weg om behouden te worden door het oordeel heen

Te midden van verval en oordeel geeft God een weg tot behoudenis aan, die door de oordelen heen gaat. Het overblijfsel dat door God onderwezen is, maakt er gebruik van.
Over hen, die God niet willen gehoorzamen komt de zondvloed. Het oordeel van God voltrekt zich, maar God denkt aan Zijn genade. Tot hier toe waren er geen bijzondere relaties geweest tussen God en de mens, al was het Zaad van de vrouw beloofd, het offer ingevoerd en een getuigenis gegeven. De mens wandelde in zijn boosheid voor het aangezicht van God. Er was geen roeping van God, geen wet, geen oordeel. De wereld en de mens werden toen geoordeeld en hun daden werden bedekt door een alles omvattende zondvloed. Alleen Noach en zijn familie ontkwamen aan dit alles.

De geschiedenis van de nieuwe aarde

In het negende hoofdstuk begint de geschiedenis van de nieuwe aarde. God zegent de aarde meer dan tevoren, en het antwoord op de aangename reuk van het offer, geeft aan de wereld de verzekering, dat in de toekomst geen algemene zondvloed meer zal plaatsvinden. God maakt daarom een verbond 8 met de schepping. Het bestuur wordt in de handen van de mens gelegd en de dood begint hem voedsel te verstrekken. Het blijkt niet dat vóór dit tijdstip de mens het bestuur in handen had, of dat er afgoderij was. Wel was er de zonde tegen God, een ongebreidelde geweldpleging tegen de naaste, en het verderf: dit zijn de twee blijvende kenmerken van de zonde onder de mensen en zelfs bij Satan voor zover dit mogelijk is.9 God droeg, in Zijn ontferming, zorg voor Zijn schepping, maar met Noach komen ook nieuwe beginselen. Het offer van Christus (in beeld) wordt de grondslag van de wegen van God ten opzichte van de aarde, en niet alleen van de aanneming van de mens zoals in het geval van Abel. Op deze grondslag wordt het verbond tot stand gebracht, dat wil zeggen God verbindt Zichzelf in genade, zodat het geloof een vaste basis heeft, waarop het zich kan verlaten.

Het bestuur in handen van de mens gelegd

Een tweede beginsel dat toen werd ingebracht, is ook van groot belang, namelijk het leggen van het bestuur in de handen van de mens. Het verbond was zeker en vast want God is getrouw, als Hij Zichzelf verbindt. Het bestuur (regering) werd toevertrouwd aan de mens. Helaas, deze nieuwe proef had al gauw hetzelfde resultaat als de vorige. Het bestuur dat aan Noach is toevertrouwd, verliest al dadelijk zijn glans. De aarde die onder de genade geriefelijk wordt, door de zorgen die men besteedt aan de landbouw zoals Lamech had aangekondigd, wordt door haar vruchten een strik voor Noach, die zich bedrinkt. Zijn eigen zoon onteert hem en brengt hierdoor de vloek op zijn geslacht. Dit wordt ons meegedeeld met het oog op het volk, dat tegenover Israël vijandig gezind is; Israël, dat het middelpunt is van het aardse bestuur van God en van de relaties van God tot die familie.

Een nieuwe aarde begint met nieuwe beginselen

In deze hoofdstukken wordt ons dus voorgesteld: de oude aarde die eindigt, en de nieuwe aarde die met nieuwe beginselen begint, en die zal blijven bestaan totdat ze door vuur wordt geoordeeld. De val van de mens op de oude aarde wordt eerst meegedeeld in Adam en Kaïn en Gods oordeel daarover. Dan beginnen zich het bijzondere oordeel en de bijzondere zegening met betrekking tot Israël af te tekenen, want we zijn hier nog op aarde. De geschiedenis van Noachs familie wordt ons voorgesteld in verbinding met twee punten: de zegen over Sem en de vloek over Cham. God geeft ons hier in enkele woorden de hele geschiedenis van de nieuwe wereld in zijn drie stamvaders Sem, Cham en Jafeth in een korte uiteenzetting wat hun positie op aarde kenmerkt. Hoe machtig is het Woord van God toch in alles! Hij Die alles weet, kan ook alles op een korte en betrouwbare wijze weergeven. Hoofdstuk 10 brengt ons naar een nieuw onderwerp, namelijk naar de geslachten of de geschiedenis van Noachs zonen. We zien ook de vestiging van de nieuwe aarde, en de algemene profetische geschiedenis ervan, in de eerste mededeling die over Noach gedaan wordt, en de verbindingen die God met hem had, terwijl Sem erkend wordt als de oorsprong van Gods familie. De naam van deze familie wordt verbonden aan die van Jehova. En dan zien we het bijzondere oordeel dat over Kanaän komt, wiens plaats door Israël wordt ingenomen.

Hoofdstuk 10-11

De geschiedenis van de wereld na de zondvloed

De hoofdstukken 10-11 stellen ons de wereld voor, zoals die na de zondvloed bevolkt en gevormd is, en de wegen van de mensen in deze nieuwe wereld: Het grote schouwtoneel van de hele ontwikkeling van het menselijk geslacht, dat de wereld na de zondvloed heeft bevolkt, als ook de beginselen en de oordelen waarop deze wereld is gegrond. Hoofdstuk 10 toont ons de feiten; hoofdstuk 11 hoe ze uitlopen op het oordeel, want in deze hoofdstukken moet men geen chronologische volgorde zoeken, want de scheiding van de volken vond plaats toen men uit menselijke hoogmoed zich bij de torenbouw van Babel probeerde te verenigen. Dan zien we de erkende familie van Jehova, om de geslachtslijn te kunnen volgen tot aan de “drager van de belofte”: Samen met Gods regelingen van de wereld. Het nageslacht van Noach wordt in families en volkeren aan ons voorgesteld, wat helemaal nieuw is op de aarde. Uit deze volkeren (uit het geslacht van Cham) komt de eerste macht voort, die geheerst heeft door haar eigen kracht en een rijk heeft opgericht; want wat naar het vlees is, komt het eerst. Naast dit alles zien we vervolgens het eensgezinde samengaan van mensen, met het doel zich tegen God te verzetten en zich een naam te maken, geheel onafhankelijk van Hem. 10 Het is een streven, dat door de naam van Babel (verwarring) gekenmerkt wordt, terwijl het tegelijkertijd hun voornemen in de war stuurt en slechts uitloopt in het oordeel en in het feit, dat het geslacht, waarvan de leden van nu aan jaloers en vijandig tegen elkaar worden,11 verstrooid wordt. Ten slotte zien we de geslachtslijn van de familie, waarvan God Zichzelf de God noemde, want van Sem wordt gezegd: “Gezegend is de HEERE, de God van Sem”. 12

De geschiedenis van de tegenwoordige wereld en haar grote beginselen en oorsprong

Enkele woorden zullen voldoende zijn om de belangrijkheid van deze hoofdstukken te laten voelen. De voorgaande hoofdstukken gaven ons, na de schepping, de oorspronkelijke grote beginselen van het verval van de mens, die eindigden in het oordeel dat een einde maakte aan de oude wereld. Hier vinden we de geschiedenis van onze tegenwoordige wereld en, zoals altijd in het boek Genesis, (dat de gronden blootlegt van alles wat er moet zijn, om hierdoor Gods bedoelingen en de ontvouwing van Zijn regering te openbaren) gezien in haar grote beginselen en in haar oorsprong die het verdere verloop van deze geschiedenis duidelijk kenmerken. Totdat een ander oordeel van de zijde van God alles uitwist, behalve de verantwoordelijkheid van de mens, en plaats geeft aan een andere, betere wereld.

De wereld verdeeld in verschillende families

Het gevolg van deze geschiedenis is, dat de wereld verdeeld wordt in families. De moderne leefwijze van deze wereld is in staat geweest de herinnering aan en het begrip van dit alles uit te wissen, maar de kracht ervan is gebleven. Deze wereld vindt zijn oorsprong in het oordeel van God. En naarmate de kracht die ze zich verworven heeft, zwakker gaat worden, zal men dit telkens meer gaan merken, zoals dat nu al het geval is. De hoofden van deze families zijn drie in getal, en worden de eerste keer in deze volgorde genoemd: Sem – Cham – Jafeth. Het eerste vormt de familie, waarin het verbond moest worden gevestigd op de aarde en waarmee God in verbinding wilde zijn. Dan komt hij, die in vijandschap zou zijn met de familie van God. En ten slotte, hoewel hij de eerstgeborene was en de meest hoogmoedige, Jafeth, de heiden.

Jafeth

Als de bijzonderheden van de geslachten van deze drie hoofden gegeven worden, wordt Jafeth het eerst genoemd. De eilanden van de volkeren in het algemeen, dat is de landstreken die ons het meest bekend zijn, en een groot deel van Noord-Azië, zijn bevolkt met de afstammelingen van Jafeth. Maar de grote zedelijke vraagstukken, en de macht van het goed en van het kwaad in de wereld, traden ergens anders aan de dag. En het kwaad kwam het eerst, want het was de dag van de mens.

Cham

Het Middenoosten, zoals wij het noemen, Palestina, Egypte, de Eufraat enzovoort, was in het bezit van Cham. Daar werd voor de eerste keer de macht door de wil van de mens gevestigd, in Nimrod die een machtig jager was. Hij gebruikte zijn kracht en handigheid, om de teugelloze mensen, en ook de dieren, onder zijn macht te brengen. Steden kwamen op, maar Babel was het begin van zijn regering; daarna ging hij uit om te bouwen en te veroveren. Dan komen de welbekende Egyptenaren, de “Mizraïm.” Een andere tak van de familie van Cham wordt getekend, als te zijn samengesteld uit de volksstammen die het erfdeel bezaten, dat God voor Zijn volk bestemd had.

Sem

Sem komt het laatst. Hij is de vader van de Hebreeën, de broer van hem, die het eerstgeboorterecht bezat, en die hem lang heeft veracht.
Dit is het algemene resultaat van de onder Gods leiding tot stand gekomen bevolking van de wereld.

De mens tracht een centrum (middelpunt) voor zichzelf te maken

Zo vond alles plaats. De mens probeerde voor zich een centrum te maken. Adam, die op de aarde leefde, had het centrum van die aarde kunnen zijn en haar verbinding met God, zoals Christus het straks zal zijn en zoals het naar de raadsbesluiten van God was; want Adam is het type van Hem die komen zou. Maar de wil van de mens ziet niets en niemand anders dan zichzelf. Voor Noach, wiens invloed rechtvaardig en goed had moeten zijn, is er na zijn offer geen plaats in de geschiedenis. Alleen zijn dronkenschap wordt vermeld, waardoor hij de plaats van gezag verliest, omdat hij in de zonde viel en zich niet wist te beheersen.13 Van dit moment af, drukt de eigenwil zijn stempel op alles. Maar wat te doen met zoveel eigenwillige mensen, die alle op zichzelf staand onmachtig zijn? Men zocht, door God erbuiten te sluiten, een gemeenschappelijk centrum en een gemeenschappelijk belang, dat onafhankelijk van God zou zijn. De mensen moesten de aarde bevolken, maar ze wilden zich niet in vrede laten verspreiden en zo onbelangrijke mensen worden. Ze moesten een naam verwerven, om een centrum te kunnen zijn, maar God verstrooit en verdeelt hen, die de aarde niet in vrede gezinsgewijze wilden bewonen, door een oordeel in naties. Talen en volkeren moeten aan de families worden toegevoegd om de mensen op de aarde aan te duiden. De geoordeelde stad wordt de zetel van de krachtige wil van de mens, van de afvallige macht: het begin van de regering van Nimrod was Babel. De mensen werden door de talen die een ijzeren keten rondom hen vormden, in bedwang gehouden.

Gods geschiedenis begint bij Sem

Met Sem begint de geschiedenis van God. Hij is Jehova, de God van Sem. We vinden data en tijdperken aangegeven, want de wil van de mens mag sterk zijn, God regeert en de wereld moet volgen: De mens behoort aan God. Ongetwijfeld werd ook de leeftijd van andere mensen dan de hier genoemden verkort; hier zien we ook nog, wanneer de leeftijd van de mensen werd verkort en de aarde verdeeld, want, ondanks alles, beschikt God over alle dingen. Het leven van de mens verloor nog de helft van de duur, waarop het direct na de zondvloed was teruggebracht.

Het volk van God is altijd het middelpunt geweest van de bekende geschiedenis. Dit brengt ons tot Abraham. En hier werd weer een nieuw boos beginsel algemeen, ten minste in de praktijk: de afgodendienst (zie Jozua 24:2), hoewel het hier niet wordt genoemd. Het is de mens in de wereld, terwijl we in Sem, de plannen en de geheimen van God Zelf zien. En toch eindigt alles in de macht van het kwaad, zelfs in de familie van Sem.

Algemene afgodendienst

We hebben de slechtheid en de gewelddadigheid van de mens gezien en zijn opstandigheid tegen God; ook de behendigheid van Satan om de mens daartoe te krijgen. Maar hier wordt een geweldige stap gedaan, want het kwaad verschijnt hier in een verschrikkelijke vorm op het toneel. Satan plaatst zichzelf, in de geest van de mens, op de plaats van de macht. Of anders gezegd, hij maakt zich in de geest van de mens meester van de gedachte van God, door zichzelf tussen God en de mens te plaatsen, zodat deze laatste de demonen aanbidt als God. De schrift zegt ons niet wanneer de afgoderij begon, maar Jozua 24:2 toont ons, dat ze zelfs de familie van Sem had verontreinigd, in de tak van deze familie, waarvan ons de schrift zelf de geslachtslijst geeft als het geslachtsregister van God op aarde op het tijdstip, waarop we nu gekomen zijn. Er kunnen nog wel vrome, godvruchtige mensen geweest zijn, maar de band die de wereld met God verbond, was verbroken. De mensen hadden zich aan de verering en macht van Satan overgegeven zelfs in de familie van Sem, die, als geslacht, in verbinding was met God. Wat een tafereel van de menselijke natuur! Wat een tafereel van Gods geduld!

Hoofdstuk 12-14

Een nieuw tijdperk, een nieuwe bedeling; Abraham geroepen en uitverkoren in genade

Bijgevolg verandert het systeem hier helemaal en we krijgen een andere gedachtegang te zien. Een beginsel, dat ongetwijfeld al van het begin af gewerkt heeft, in verbinding met persoonlijk heil, maar dat nog helemaal niet als grondslag van een orde van zaken op de aarde geopenbaard was, wordt bekend gemaakt en neemt vaste vormen aan in de geschiedenis van de aarde. Abraham wordt geroepen en uitverkoren en wordt de persoonlijke bewaarder van de belofte.
Opdat het grote beginsel van de roeping en de uitverkiezing, dat het een daad van God is, in zijn zuiverheid bewaard zou worden, wordt hier van de gelegenheid die er aanleiding toe geeft, of het feit waarop we gezinspeeld hebben, geen melding gemaakt. We vinden het in Jozua 24. Na het oordeel treedt God in Zijn soevereine genade tussenbeide, om Zich een familie te verkiezen, die Hem, door de roeping van de genade, zou toebehoren. Dat is een beginsel van het allerhoogste belang.

Abraham de vader van de gelovigen, het hoofd van het geslacht van God op aarde

Maar het is goed om een ogenblik stil te staan, bij wat werkelijk een belangrijk tijdstip was in de geschiedenis van de wegen van God met de wereld, omdat hier de eigenlijke geschiedenis van het geloof begint, hoewel er zonder twijfel vóór dat tijdstip ook individuele gelovigen waren. Maar zoals Adam het hoofd was van een gevallen geslacht, zo was Abraham de vader van de gelovigen, het hoofd van het geslacht van God op de aarde, zowel naar het vlees als naar de geest. Wij kennen Christus, de volheid van alle zegen, in Wie we veel hogere zegeningen hebben dan die in Abraham zijn geopenbaard. Maar in de wegen van God op aarde, was Abraham altijd het hoofd van het aangenomen geslacht.

Het is echter goed om op te merken, wat de Bijbel ons op een andere plaats zegt, namelijk dat op dit tijdstip, de afgoderij vaste voet heeft gekregen, zelfs in de familie van Sem. Jozua zegt: “Aan de overzijde van de rivier hebben uw vaderen van oude tijden af gewoond, namelijk Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend”. Nu, deze “goden” waren demonen volgens 1 Korinthe 10:20, wat een aanhaling is van Deuteronomium 32:17. Dit doet ons zien, dat van het ogenblik af, dat God in oordeel 14 en macht tussenbeide kwam, de demonen zich deze plaats in de geest van de mens hadden toegeëigend. Naar de mening van de mens waren zij de bronnen, waaruit het gezag dat zich openbaarde, voortkwam. En ook de bronnen van de zegeningen die nog altijd aan de mens verleend werden. Bovendien zag de mens in de demonen de bewerkers van de kastijdingen, die hem werden opgelegd. Verder waren het deze demonen, die de begeerten van het verdorven hart van de mens bevredigden, zodat de macht, waardoor aan de verlangens van de mens werd voldaan, of waardoor de dingen, die de mens vreesde, gekeerd werden, aan deze demonen werd toegeschreven. Zo werd de mens ertoe gebracht hen eer te bewijzen, te erkennen en te vrezen. Het is hier niet alleen de verdorven mens, die in opstand is tegen God, maar het is zijn godsdienst zelf die hem bedierf; en hij maakte zich van zijn eigen verdorvenheid een godsdienst. De demonen hadden in zijn geest de plaats ingenomen van God en omdat ze overwicht op zijn geweten hadden verkregen, verhardden en misleidden ze het. Zó werd de mens in zijn godsdienstigheid slecht, wat het ergste verval is. Wat een toestand! Wat een dwaasheid! Hoe lang, o Heer?

God roept ons en voert ons in, in Zijn eigen gedachten

Maar, als het menselijk geslacht zo in de duisternis wegzinkt door de demonen als hun “goden” te accepteren; als het zich in de onmogelijkheid bevindt om zichzelf te handhaven, en de opstandigheid tegen God vervangt door de onderwerping aan machten die in de opstandigheid nog verhevener waren dan de mensen en het zich onder de treurige afhankelijkheid van hen plaatst – dan verrijst God en plaatst ons boven al dit kwaad. Dit doet Hij, doordat Hij ons roept en ons zó invoert in Zijn eigen gedachten, die kostbaarder zijn dan de wederoprichting van wat gevallen is. Hij zondert Zich een volk af en geeft het een hoop, die getuigt van de Majesteit en liefde van Hem Die het volk roept. Hij plaatst de mens in de nabijheid van Zichzelf, waar de zegeningen van de wereld onder Zijn bestuur, hem nooit geplaatst zou hebben. Hij is hun God. Hij onderhoudt Zich met hen op een wijze, die in overeenstemming is met deze innigheid en we horen voor de eerste keer spreken van het geloof (hoofdstuk 15:6). Dit geloof nu is gegrond op de rechtstreekse omgang en getuigenissen van God, hoewel het in feite van het begin af gewerkt kan hebben.

Een nieuwe loop van gebeurtenissen in verband met de roeping van God…

Van hoofdstuk 12 af, ontwikkelt zich dus een geheel nieuwe loop van gebeurtenissen, in verbinding met de roeping van God, Zijn verbonden, Zijn beloften, Zijn raadsbesluiten, de openbaring van Zijn volk als een bijzonder volk op aarde.
Vóór de zondvloed was het de mens, die in zijn val voor God stond. En hoewel er van het begin af een getuigenis aanwezig was, bestond er wat de wegen van God betreft, nog geen ingrijpen in verbinding met de bedelingen. Integendeel, de mens die met dat getuigenis van Goddelijke instellingen 15 aan zichzelf was overgelaten, gaf zich aan zo’n geweldpleging en verdorvenheid over, dat God als oordeel de zondvloed op de aarde zond. Na de zondvloed, dus nadat God in oordeel had ingegrepen, zien we het bestuur van de wereld en wat hieruit voortkomt: mislukking en de gevolgen ervan. Maar als de volken dan eenmaal ontstaan zijn en zich aan de macht van de demonen hebben onderworpen, worden ons de roeping van God, het neerleggen van de belofte in hem die door God verkoren was, Zijn uitverkorenen (zaad van de drager van de belofte) en als gevolg Zijn volk, voor onze aandacht gesteld.

God roept op tot afzondering

Daarom zien we, dat deze direct geroepen worden om zich helemaal af te scheiden van alles wat hun met hun natuurlijke toestand op de aarde verbindt. Om tegelijkertijd God toe te behoren, naar het beginsel van de belofte en het vertrouwen op het Woord dat God had gesproken: “Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal” (hoofdstuk 12:1). Dat was een plechtige gebeurtenis. In beginsel was dit: het oordelen van de wereld, hoewel in de weg van genade ten opzichte van hen, die geroepen waren, die wereld te verlaten.

De wereld en zijn vorsten en Abraham de wortel van de beloften

Om dit goed te begrijpen moeten we eraan denken, dat de wereld was gesticht door het oordeel van God, dat uitgevoerd werd over het werk van de torenbouw van Babel. Volkeren en landen waren gevormd, zoals dat in onze dagen nog het geval is. Dat was de wereld en Satan heerste er volledig over. Abraham was nu geroepen, om zelfs deze wereld die door de toelating van zijn God gevormd was, te verlaten. God wilde voor Zichzelf een familie, een volk bezitten, dat niet van de wereld was, hoewel het wel uit deze wereld getrokken was. Een ander feit maakt de belangrijkheid van Abraham nog groter. Hoewel er afzonderlijke gelovigen geleefd hadden, bekende en onbekende, was er sinds Adam toch geen nieuw geslachtshoofd geweest. De gevallen Adam was de vader van een gevallen geslacht. Abraham werd geroepen om de wortel van de boom van de belofte te zijn, de oorsprong van het volk van God, zowel in natuurlijk als in geestelijk opzicht. Hij was de vader van de besnijdenis en de vader van allen die geloven.

Een nieuw beginsel om te regeren

In het begin bleef Abraham nog met zijn familie verbonden, tenminste hij brak er niet mee. En hoewel hij zijn land verliet nadat God hem riep, bleef hij nog even ver van het land van de belofte als voor die tijd. Want als de mens zo geroepen wordt, moet hij op grond van een nieuw beginsel ook helemaal aan God toebehoren. Eindelijk gaat Abraham, zoals God het hem gezegd had.

Abraham geroepen door de openbaring van de heerlijkheid van God

Zo zien we dus Abraham, die door de openbaring van de heerlijkheid van God (vergelijk Handelingen 7), geroepen wordt tot de reis van het geloof. Hij ontvangt de beloften, zowel die van een talrijk nageslacht, als die van de zegen, die in hem over alle geslachten van de aarde komen zou. 16 Abraham verlaat dan zijn land en zijn maagschap en komt in het land Kanaän. Er zijn niet veel ervaringen, hoewel er wel een diepere kennis van God wordt verkregen in een wandel, die helemaal uit en door het geloof is. Er is kracht en de mens reist met God. In de geschiedenis van Jakob daarentegen merkt men een groot aantal ervaringen op. Als Abraham in Kanaän aankomt, bezit hij daar niets, want zijn leven moet altijd een leven van het geloof zijn. Als men dit hoofdstuk vergelijkt met Hebreeën 11, zien we wat het voor de gelovigen betekent, dat ze als vreemdelingen en bijwoners op de aarde achtergelaten zijn, zonder in het bezit te zijn gesteld van wat hun is beloofd. Door de gehoorzaamheid van het geloof gaat Abraham het beloofde land binnen en bezit daar zelfs niets, waarop hij zijn voet kan zetten. Maar, juist daardoor ziet de aartsvader de stad die fundamenten heeft, en heeft hij een beter vaderland voor zich.

Want hoewel God de mens dikwijls beproeft, laat Hij het geloof toch niet onbeantwoord. Als Abraham nog niets bezit, plaatst de kracht van het geloof hem, door de genade in een positie, die hem noodgedwongen in verbinding brengt met de betere en hogere dingen, want God had hem geroepen met een persoonlijke roeping om hem te zegenen.
Op dezelfde wijze zijn wij hier beneden, praktisch, de Gemeente binnengegaan en in verbinding gebracht met de hemelse dingen. Maar we maken de reis van het geloof en bezitten nog niets. Echter, de hemelse bron van alles staat tot onze beschikking. In Ur kon Abraham het hemelse vaderland niet zien. Omdat hij een vreemdeling was in het land van de belofte, was dat vaderland het natuurlijke voorwerp van zijn ziel en dit overeenkomstig de genade. Dit is ook het geval met ons. Maar Abraham komt boven zijn roeping uit en wij verkrijgen door de Geest alle dingen, waartoe we geroepen zijn.

Een tweede openbaring van de Heer voor gemeenschap, die leidt tot aanbidding

Maar dan openbaart de Heer Zich voor de tweede keer aan Abraham in het land, in de plaats waarheen Hij hem had geroepen. De eerste keer verscheen de God van de heerlijkheid, om hem het land dat hij bewoonde te doen verlaten, en hem de smalle weg van de belofte te laten gaan. De tweede keer openbaart Jahweh Zich aan hem voor gemeenschap. Jahweh onderhoudt Zich met hem, ontvouwt hem hoe de belofte vervuld zal worden; en dan aanbidt Abraham Hem. De getrouwe pelgrim en vreemdeling heeft op de aarde niets dan zijn tent en altaar.
Hier zien we het tweede gedeelte van het leven van het geloof. De openbaring van God, als we nog ver van Hem verwijderd zijn, doet ons uitkomen op de weg van het geloof en leidt onze gang naar de hemel. Als we ons hemels deel genieten openbaart God Zich aan ons, om deel te hebben aan Zijn gemeenschap en Hem te aanbidden, en ook om Zijn wegen volledig aan ons bekend te maken. De Kanaäniet is in het land en de erfgenaam van de belofte bezit niets van wat hem beloofd is. We hebben hier te doen met geestelijke boosheden in de hemelse gewesten. Maar Jahweh openbaart Zich en wijst de erfgenaam en de erfenis aan als de Kanaäniet weg zal zijn. Zo aanbidt Abraham door het geloof, zoals hij van tevoren door het geloof wandelde. Hier zien we de volle dubbele functie van het geloof.

Abrahams gebrek aan geloof

De rest van dit hoofdstuk is het geschiedkundig overzicht van Abrams gebrek aan geloof. Benauwd door de omstandigheden, raadpleegt hij God niet. Hij bevindt zich in de tegenwoordigheid van de wereld, waarbij hij toevlucht zoekt en waarvan hij hulp verlangt, en ontkent zijn werkelijke verhouding tot zijn vrouw. Precies zoals dat heeft plaatsgevonden met de Gemeente. Immers deze laatste ontkent dikwijls haar verhouding tot Christus, haar Bruidegom. Abram wordt geëerd door de wereld, die ten slotte door God wordt geoordeeld en waaruit hij door God wordt weggezonden. Van het moment af dat Abram zich op weg heeft begeven naar Egypte, tot het tijdstip, waarop hij terugkeert, heeft hij geen altaar ter ere van Jehova. Als hij echter Egypte verlaat en zijn plaats als vreemdeling in Kanaän inneemt, heeft hij het weer als voorheen. Maar hij moest eerst naar de plaats terugkeren, waar hij in het begin zijn altaar had gebouwd, en waar hij het ook terugvindt. Wat een waarschuwing voor de gelovigen, ten aanzien van de relaties van de Gemeente met Christus! 17 Hoewel de wereld de Gemeente soms te hulp kan komen, kunnen de relaties met Christus niet gehandhaafd worden, zodra we die hulp zoeken.
Laten we nog één opmerking maken, en wel deze, dat als personen gebruikt worden om een type aan te duiden, de vrouw altijd de positie voorstelt, waarin zij die ons in dat beeld naar voren worden gebracht zich bevinden, terwijl de man ons het praktische gedrag (trouw of ontrouw) laat zien van hen, die in die positie verkeren.

Abraham en Lot

Dan zien we in hoofdstuk 13, in het gedrag van Abraham ten aanzien van Lot, de onbaatzuchtigheid en zelfverloochening van het ware geloof. Wat een tegenstelling met het gedrag van hem, die, hoewel een gelovige, wat de wandel van het geloof betreft, niets had gedaan dan het geloof van een ander navolgen. Lot wordt nu door de omstandigheden die zich voordoen op de proef gesteld, en dat (opmerkelijk) juist op een moment, dat ze samen hun ongelovige verbindingen met de wereld hadden verbroken; met een wereld, waarbij ze aardse hulp hadden gezocht. Lot had gedaan als Abram, maar in het diepst van zijn hart en naar zijn eigen wil, hield hij toch van de gemakken van die wereld. Abram was in de geest en in oprechtheid, misschien met een diepere ervaring, tot zijn pelgrimschap in Kanaän teruggekeerd. Maar de voordelen die hij in het land bezit, leiden tot moeilijkheden, want een schat op de aarde is nog geen hemel. Zelfs niet als de bezitter van deze schat hemelsgezind is. Een belangrijke les! Echter, de houding van Abram is erg mooi. Lot kiest de wereld die hem mooi lijkt. Niet de wereld als zodanig (Egypte), maar die van de gemakken van het leven; dat wat uiterlijk niet van Kanaän gescheiden is. Hij vermoedde niet, dat het al gauw het toneel en voorwerp zou worden van de vastbesloten oordelen van God.

Abrahams eigenlijke deel en het resultaat van de keus van Lot

Het afstand doen van een tegenwoordig deel hier, en een plaats daarin, bewerkte voor Abram een veel diepere kennis van de uitgestrektheid en de bijzonderheden van de erfenis en een nog grotere zekerheid ten aanzien van de onfeilbaarheid van de belofte zelf. Als Abram alles aan Lot overdraagt, wat deze wilde kiezen, zegt de Heer tot hem: “Sla toch uw ogen op en kijk vanaf de plaats waar u bent, naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen”, en voegt eraan toe dat Hij hem geven zal (“aan hem en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid”), al het land, dat hij zag. In één woord, we zien hier de gelovige voor ons, die handelt in de geest van de hemelse roeping; de getrouwe gelovige dus. Maar aan de andere kant, vinden we de wereldsgezinde gelovige.

Abram bewaart nu zijn nieuwe positie. Hij blijft in Kanaän. Hij trekt met zijn tent het land door, her- en derwaarts als een pelgrim en bouwt er zijn altaar. Dit is de weg van een hemelburger; zijn kenmerkend deel hier was dat van een pelgrim en een aanbidder. Lot had zijn ogen opgeslagen, gedreven door zijn eigen wil en begeerte, en had de welbevochtigde vlakte van de Jordaan bemerkt. Waarom zou hij er niet van genieten? God laat Abram de ogen opslaan en toont hem de gehele uitgestrektheid van de belofte. En met deze belofte zegt Hij hem, dat hij het land moet doorwandelen in zijn lengte en in zijn breedte, opdat de kennis van de gehele uitgestrektheid van de belofte die hem gedaan is, door ervaring werkelijkheid zou worden.
Al gauw verandert het toneel. Wat met de wereld verbonden is, moet ook de wisselvalligheden ervan ondergaan (hoofdstuk 14). De godvruchtige mens mag ontrouw zijn aan zijn beginsel, hij kan zich toch niet verblijden over het kwaad. Lot lijdt (2 Petrus 2:7-8) door de ongerechtigheid waarmee hij omringd is, en moet de verwoesting en vernieling, die door de macht van de wereld wordt teweeggebracht, ondervinden. Maar Abram overwint deze macht, en wil niets ontvangen om zichzelf daardoor te verrijken. Hier zien we tegelijkertijd, de rechtvaardige tucht en de getrouwe wegen van God. Maar dit is niet alles.

De openbaring van Melchizédek

We zien ook, hoe dit alles aanleiding is tot de openbaring van de Koning-Priester, Koning van de gerechtigheid en Koning van de Vrede (beeld van Christus als Koning van de wereld in het duizendjarig rijk). Deze Koning-Priester zegent de zegevierende Abram en uit naam van deze laatste ook de Allerhoogste God, Die de vijanden van Abram in zijn hand gegeven heeft.

De eindoverwinning van de Heer en de familie van het geloof

Dit tafereel stelt ons dus de eindoverwinning voor van de Heer en de familie van het geloof, over de macht van de wereld; een overwinning die in de geest door de Gemeente verwezenlijkt wordt in de hemelse hoop en in haar vereniging met Christus ten slotte in heerlijkheid. Letterlijk zal ze op aarde verwezenlijkt worden voor de Joden, voor wie Christus de Priester zal zijn naar het type van Melchizédek. Het beeld zal ten volle vervuld worden in de positie die Hij als Priester op Zijn troon zal innemen. Hij zal ook Middelaar zijn in hetzelfde karakter, en de mens zegenen uit naam van God, maar ook God namens de mensen. God zelf neemt dan, volledig en in werkelijkheid, het karakter aan van Bezitter van hemel en aarde. De Allerhoogste God is Zijn naam in het duizendjarig rijk; de Almachtige is Hij bij de aartsvaders, Jahweh bij Israël en de Allerhoogste voor het duizendjarig rijk. In Psalm 91 vinden we de vraag, waar de Allerhoogste gevonden wordt, behandeld, en dit in verbinding met de beloften aan Abraham en de Messias. En Jahweh de God van de Joden wordt erkend als Degene die het is. Het is een soort tweegesprek. Dit alles is verbonden met de aarde.

Onze plaats, en de goddelijke naam waardoor wij in verbinding zijn met God, worden hier buiten beschouwing gelaten, want ze zijn geheel hemels. Het is de Zoon die de Vader heeft geopenbaard, en de Heilige Geest die nu ons het bewustzijn geeft van het zoonschap, en ons een Mens, de hemelse Christus toont, aan de rechterhand van de Vader in heerlijkheid, “nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht.”

De overwinning van de hemelsgezinde

Wat ons hier verder op een duidelijke en wonderbare wijze getoond wordt, is wel allereerst de tegenstelling die er bestaat, tussen de hemelsgezinde die zich niet op de aarde vestigt en de volledige overwinning op de macht van de wereld behaalt en hen die dit wel doen, waardoor ze zich aan de macht van de wereld onderwerpen. Ook zien we dan nog de heerschappij van Christus als Koning en Priester, en God Die alle dingen door Zijn tussenkomst in Zijn eigen hand neemt.18

Hoofdstuk 15

Verdere aanwijzingen aan Abraham met betrekking tot zijn nakomelingschap en het land

Dit sluit de algemene geschiedenis van deze grote lijnen van Gods wegen af. De hemelse dingen worden hier niet gevonden, tenzij we verder zien dan het toneel waarop het geloof van Abraham werkzaam was. Toch vinden we hier de weg van het geloof, de verzoekingen van de wereld, de zedelijke overwinning van een onbaatzuchtig geloof, dat naar God en Zijn beloften als zijn deel ziet, en zijn eindoverwinning, op volledige wijze uiteengezet. En ten slotte God, als bezitter van hemel en aarde, onder het Priesterschap van Christus naar de orde van Melchizédek. Dit alles is duidelijk getekend. Hoofdstuk 12-14 vormen in dit opzicht een afgerond geheel.
Als God Zich zo geopenbaard heeft, overeenkomstig Zijn vestiging van zegen in kracht op aarde, door bemiddeling van de Koning-Priester Melchizédek, dan spreekt het vanzelf, dat de met dit feit verbonden zegening van het uitverkoren volk plaatsvindt en we worden dus naar het aardse toneel geleid. In hoofdstuk 15 lezen we de nauwkeurige aanwijzing van Jahweh aan Abram, over zijn aardse nakomelingschap en het land dat Hij hem geeft. Dit wordt bevestigd door een verbond, op grond waarvan God, als licht om te leiden en vuur om te beproeven, zo goed is Zich tot het vervullen van Zijn beloften te verplichten. De dood maakt de zaak zeker. Jahweh gaat, in genade, tussen de delen van het offer waarmee Hij Zich bond door, en bevestigt op deze wijze het verbond. Abram, die de erfgenaam is van de belofte, ondergaat de schrik en duisternis ervan. Wat ons hier wordt voorgesteld door de uitdrukkingen: “vurige fakkel” en “rokende oven”, die tussen de stukken van de slachtoffers doorgingen, is niet bepaald de verzoening, maar een andere krachtdadige werking van het offer, namelijk: de bevestiging van de beloften, die alleen hierdoor gegeven konden worden ten gunste van de zondige mens. Het is duidelijk, dat, hoewel dit verbond gesloten werd ten gunste van het aardse volk, deze ontvouwing van Gods wegen en de oprichting van dit verbond, nieuwe en belangrijke beginselen bevatten. God Zelf was het schild en het loon van Abram, en dit is het hoogste deel, als men zich beperkt tot wat aan de mens 19 gegeven kan worden.

Aardse hoop en de voornemens van God zijn onvoorwaardelijke beloften

Maar Abram voelt nog zijn verbinding met de aarde, die hem een woonplaats is wat het vlees betreft, en het lag inderdaad in Gods bedoeling hem op die manier te zegenen. Dat is in haar aard Joods, en we vinden dan ook hierna het gedeelte dat betrekking heeft op de Joden, uiteengezet. Het hele toneel bepaalt zich hier tot aardse hoop, beloften, verbond en het land. Want de gedachten van Abram dalen af, ze bewegen zich op een lager niveau. Eerst had hij geweigerd iets van de wereld te ontvangen omdat al zijn hoop gevestigd was op de toekomende. En dan, als God gezegd heeft: “Ik ben voor u een schild, uw loon zeer groot”, vraagt hij: “Wat zult U mij dan geven”. Dat is zeker een afdaling. Maar het goddelijk Woord gebruikt dit om hier de voornemens van God te ontvouwen, die, wat betreft de regering van de wereld, van groot belang zijn. “Ik heb geen erfgenaam”, zegt Abram, “niemand om mijn geslacht voort te zetten en mijn erfenis op de aarde overeenkomstig de belofte, in bezit te nemen”. Want op aarde, waar de mensen sterven, moet er een opvolger zijn. En zo moest het ook zijn. Maar zelfs al betreft het hier de aarde, het moet zijn in afhankelijkheid van Jehova, naar belofte en naar het geloof. Hoewel in verbinding met de aarde, was het toch niet naar de natuur: op deze wijze was het voor Abram toch niet mogelijk gezegend te worden, want hij had geen nageslacht. Daarom verschijnt nu het zaad van het geloof en van de belofte. Weliswaar niet het ene zaad, maar de Joden, in hun hoedanigheid van kinderen van de belofte. Het beginsel komt tot uiting en het geloof wordt tot gerechtigheid gerekend omdat Abram God geloofde. Dus voor deze wereld was Israël het zaad van de belofte, de erfgenaam.

Dan komt, wat het land betreft, het verbond dat naar de belofte is, die aan Abram werd gegeven toen God hem riep. De Heer verplicht Zichzelf tegenover Abram, zoals we gezien hebben, door de plechtige belofte van de dood van de slachtoffers. Want het verbond wordt inderdaad bevestigd door de dood van Christus, zonder welke de Joden niets konden bezitten. Wat de hier besproken vervulling betreft, dit in bezit nemen van de erfenis is aan het lijden van het volk in Egypte en aan de bevrijding die daarop volgt, verbonden; dus als de onderdrukkers van het volk en ook de onrechtmatige bezitters van de erfenis zullen geoordeeld zijn.

Een verzekerde erfenis zonder voorwaarde voor Abrahams nakomelingschap, door het verbond

Het karakter van de behandeling, waardoor het verbond werd gesloten, hebben we al getekend. Wat de kracht van deze handeling betreft, kan de lezer Jeremia 34:18,19 vergelijken. Bovendien is het hier niet een belofte, die Abram roept om door het geloof weg te gaan, maar het is de erfenis die aan zijn nakomelingschap zonder voorwaarde verzekerd wordt door het verbond. Het is de belofte aan Israël, het zaad van de belofte, de erfgenaam in verbinding met de aarde en het vlees. Merk bovendien op, dat het onderdrukken en het aanhoudende lijden van het volk van God (het wegblijven van de beloofde erfgenaam), in verband staan met het geduld van God tegenover hen die geoordeeld moeten worden (Vergelijk 2 Petrus 3:9). Merk ten slotte ook nog op dat de onderdrukkers van Israël geoordeeld worden als gevolg van hun handelen met Israël, evenals de onrechtmatige bezitters van zijn erfenis.

Samenvatting van de toestand van de mens en de wegen van God met hem daarin

Hier eindigt de uiteenzetting van de plannen en raadsbesluiten van God, in ieder geval wat het aardse volk betreft. De wegen van de mens en de wegen van God beginnen zich, met het oog op hun vervulling, in hoofdstuk 16 20 af te tekenen. Maar ook de wegen en hinderpalen die van hen komen, met wie Zijn volk in de een of andere vorm in verbinding mocht staan. Deze uiteenzettingen gaan door tot hoofdstuk 23, waar Abraham ophoudt de stam van de belofte voor te stellen. Sara, het vat van het zaad van de belofte, sterft en de opgestane erfgenaam wordt door God naar voren gebracht. Zij die geboren zijn naar het vlees (Ismaël), gaan hen die geboren zijn naar de belofte vóór.

We kunnen niet nalaten op te merken, hoe ons in het boek Genesis alle grote beginselen van de wegen van God en van de toestand van de mens zijn ontvouwd. Ze geven aan dit boek, vooral in de gedeelten die we zo juist hebben behandeld, een treffend karakter en zo’n opmerkelijke frisheid. Het is een beknopte samenvatting van de toestand van de mens, en van de wegen van God met hem daarin. We vinden er niet de verlossing, noch de gelukzalige gevolgen hiervan, hoewel het offer en de bedekking van de zonden er wel in voorkomen. De verlossing vindt men in het boek Exodus. De toestand van de mens, de wegen van God en Zijn fundamentele beloften zijn het onderwerp van het boek Genesis.

Hoofdstuk 16

In Hagar het verbond van de wet

In hoofdstuk 16 probeert Abram op aansporing van zijn vrouw, vooruit te grijpen op de wil van God en het ogenblik dat de vervulling van de belofte zou plaatsvinden. En zo brengt dit in Hagar het verbond van de wet, een bron van moeite, smart en onrust, voor onze aandacht. God zorgt evenwel voor het nageslacht dat naar het vlees is. De toepassing hiervan als type, wordt duidelijk verklaard in Galaten 4. De hoogmoed van de mens onder de wet, wordt ons hier voorgesteld door de geest van Hagar. Maar haar zoon kan geen erfgenaam zijn. Het ongeduld van de mens, die niet op God kan wachten met betrekking tot de middelen waardoor de vervulling van de belofte zou komen, (hetzelfde kunnen we van Jakob zeggen ten opzichte van de zegen, die hij zou ontvangen), houdt voor ons een ernstige waarschuwing in. Ongeduld is altijd een bron van onrust en smart. Hagar was een Egyptische, waardoor we herinnerd worden aan nog een ander gebrek aan geloof bij Abram (hoofdstuk 12). De wet en het vlees en feitelijk ook de zonde, gaan altijd hand in hand (zie Johannes 8:34-36) en veelal in verbinding met het ongeloof van de natuur, dat is Egypte.

Melchizédek

De hoofdstukken 12-14 vormen één onderwerp, in verbinding met de tweevoudige openbaring van God aan Abram. Eerst wordt Abram geroepen en daarna zien we hem in Kanaän. In deze hoofdstukken vinden we de macht, de val en de terugkeer uiteengezet, vervolgens een hemels geloof dat volhardt, in tegenstelling tot wereldsgezindheid, en ten slotte de ontvouwing van de aardse macht aan dit geloof verbonden, die ten slotte met de overwinning eindigt. Vervolgens God als bezitter van hemel en aarde, en Melchizédek.

Sara poogt op een vleselijke wijze de belofte te ontvangen, dit moet wel mislukken

Hoofdstuk 15 staat op zichzelf. Hoofdstuk 16 is in zoverre ermee verbonden dat het ons de vleselijke poging van Sara weergeeft, als ze zelf voor het zaad wil zorgen, dat door het Woord van Jahweh aan Abram (15:4) beloofd is. Hier is alles mislukking. De raadsbesluiten van God zullen echter tot vervulling komen, maar dan naar de belofte en niet naar het vlees of naar de wil van de mens.

Hoofdstuk 17

God openbaart zich nu aan Abraham als de “Almachtige”, in de verschillende onderdelen van Zijn raadsbesluit

In hoofdstuk 17 zien we een nieuwe openbaring van Jahweh aan Abram, en, naar ik denk, op verhevener en heiliger grond. Het gaat hier niet om roeping, of aanbidding, of om de wereld en de overwinning van de wereld (in de geschiedenis van Lot) (12-14) 21. Het gaat ook niet om een openbaring door het Woord, hoe God Zijn aardse beloften zal vervullen en langs welke wegen Zijn volk zal hebben te gaan (15). Het is hier dus niet de vraag wat God voor Abram is, maar wat Hijzelf is. Hier wordt niet gezegd: “Ik ben uw schild en uw grote loon,” maar: “Ik ben God, de Almachtige”. God openbaarde Zich hier niet volkomen in heel Zijn Wezen, maar toch drukte die naam uit wat Hij was. Het was Zijn eigen naam en Abram wordt geroepen te wandelen op een wijze, die aan deze naam beantwoordde. Daarom aanbidt Abram ook niet, en stelt ook geen enkele vraag, hoe verheven dit voorrecht ook zou zijn geweest, maar het is ELOHIM, Die met hem spreekt.

De verschillende onderdelen van Zijn raadsbesluiten ten aanzien van Abram worden ontvouwd, als ook wat Abraham voor Hem, in Wie hij geloofd heeft, moet zijn. Het is het beginpunt van Gods geschiedenis van Zijn verbinding met –, en wegen in, de wereld (jood en heiden), te beginnen bij Zijn oorspronkelijke soevereine titel. Wat hier voor onze aandacht staat brengt zowel de volkeren als Israël in. Het is niet het individuele zaad van de belofte, zoals in hoofdstuk 22, waar de belofte van hoofdstuk 12 wordt bevestigd, maar de titel van God, met de eerste dragers van de belofte als wortel van een volk dat voor God afgezonderd wordt. In het algemeen, Gods verbond was met hem. Het is niet een wettische binding, maar een vrijwillige verbintenis van God in genade en naar Zijn eigen gedachte, dat Abraham zou zijn de vader van een menigte van volken. Dit verbond heeft drie onderdelen:

  1. God zou voor Abraham en voor zijn zaad na hem een God zijn;
  2. het land, waar hij als vreemdeling woonde, zou voor hem en zijn zaad zijn;
  3. volken en koningen zouden uit hem voortkomen.

Besnijdenis brengt de dood van het vlees tot uitdrukking, daarna komt de belofte voor het nakomelingschap

Al deze beloften zijn zonder voorwaarden; maar er worden beginselen ontvouwd, die Abraham verplichtingen opleggen en die het karakter van hen die van Gods voorrechten genieten tot uitdrukking brengen. Deze beginselen zijn de besnijdenis en de vrije en soevereine belofte. De besnijdenis in tegenstelling met de wet (zie Johannes 7:22), maar die dan de dood van het vlees tot uitdrukking brengt (vergelijk Romeinen 4:10-13) 22. Daarna wordt de belofte van de op handen zijnde toekomst van het zaad gegeven, maar dit, toen Abraham, wat zijn lichaam betreft, dood was. En zoals het kenmerk van de besnijdenis haar absolute aard was, zo gold dit ook voor de belofte. Ze was aan de zoon van de belofte gegeven, want het vlees kan in het licht niets te doen hebben met God. Hoewel God het zaad naar het vlees uiterlijk kan zegenen, wordt het verbond toch alleen met de erfgenaam van de belofte gesloten. De dood van het vlees (want wij zijn ver van God verwijderd) en de eenvoudige soevereine genade zijn beslissend. Het was de onvruchtbare vrouw, die de moeder moest worden van een menigte van volken. Abraham verblijdt zich in de belofte en handelt in gehoorzaamheid naar het woord van God.

God geeft namen aan Abraham, Saraï en Izaäk

Er is hier nog een algemeen beginsel: God geeft een naam aan Abraham en Saraï. Het kenmerkt de positie van directe autoriteit en het op deze grondslag aangaan van een verbinding. Zo bij Adam, Farao en Nebukadnezar. Hier geeft God aan Abram een naam in verbinding met Zichzelf, nadat Hij eerst Zijn eigen naam geopenbaard heeft. Daarom is Hij de God van Abraham, Die Abrahams plaats openbaart en het teken van het verbond in afzondering tot Hemzelf. Abraham is de vader van vele volkeren; Ismaël wordt bewaard en gezegend; maar het beloofde zaad staat alleen, heeft ook zijn naam (lachen), het kind van “alleen belofte” van haar die ook van God een naam gekregen heeft, waarin opstanding opgesloten ligt, hoewel het niet geopenbaard is (vergelijk Romeinen 4:19-22). Wat de plaats in deze wereld betreft, is de levende Sara met haar nieuwe naam, een beeld van Israël naar de belofte; na haar dood van Israël naar het vlees.

Hoofdstuk 18

Het zaad van de belofte, de erfgenaam van de wereld, een direct voorwerp van de hoop

In hoofdstuk 18 zien we een nieuwe ontvouwing van Gods wegen, maar hier speciaal in verbinding met het zaad. Het was al op een algemene wijze, als deel van Gods raadsbesluiten, bekend gemaakt, dat het naar de genade en belofte, als het vlees geen hoop had, dus niet naar het vlees, Abrahams zaad zou zijn. Maar nu wordt het speciaal als een tegenwoordig feit aan Abraham voorgesteld. Dit zaad van de belofte zien we hier als het voornaamste onderwerp, en het werkelijke en directe voorwerp van de hoop. Dit blijft zo tot het eind van hoofdstuk 21. Maar ik geloof dat hij (dat is het Zaad, maar die tegelijkertijd Jahweh is, de Eerste en de Laatste) gezien wordt als de erfgenaam van de wereld en als Rechter; terwijl de persoonlijke verhouding van Abraham tot God in genade is, door de belofte, als de erfgenaam nog niet gezien wordt. En in zoverre is deze verhouding gebaseerd op het geloof en stelt ze ons, in beeld, de positie van de Christen voor. Vandaar dat Abraham, die God Zelf kent (niet alleen Zijn gaven), in dit hoofdstuk geestelijk hoger staat dan in hoofdstuk 15, en in plaats van gunsten voor zichzelf te vragen, voor anderen pleit. Dit alles is het gevolg van het feit, dat de gave van de erfgenaam nu bekend is. Na hoofdstuk 22 ziet men de werkelijke typen van de nog niet geopenbaarde Gemeente tevoorschijn komen, want de erfgenaam is gekomen. We zien in dit alles echter grote fundamentele beginselen met betrekking tot personen.

Abrahams Bezoek en het berispen van het ongeloof

Abraham is gewend aan de Goddelijke tegenwoordigheid en bemerkt haar direct. En hoewel hij niets zegt met betrekking tot de hemelse heerlijkheid, totdat de Heer, in Zijn goedheid, Zichzelf bekend maakt, handelt hij toch, van het eerste ogenblik af, met een instinctieve eerbied, die dan ook ten volle wordt erkend door Hem die hem bezoekt.

In vers 3 richt Abraham het woord tot Eén hoewel hij in zijn gastvrijheid tot allen spreekt. Allen antwoorden hem en vragen naar Saraï. Maar in vers 10 is het weer persoonlijk, de bindende belofte van de HEERE. In het berispen van het ongeloof van Saraï openbaart Jahweh Zichzelf. Als Hij beloften geeft, oordeelt Hij het vlees en het ongeloof. Abraham vergezelt de drie op hun weg. Twee gaan weg en Abraham wordt alleen gelaten met Jehova. In dit opzicht is het een liefelijk toneel van heilig bewustzijn van de tegenwoordigheid van God, en van een eerbiedig wachten op Zijn goedheid.

De geboorte van het zaad wordt aangekondigd. Abraham geniet de meest intieme gemeenschap met Jehova, die hem, als aan een vriend, Zijn raadsbesluiten openbaart.
De vrucht van deze openbaring is, dat Abraham bemiddelend kan optreden (vergelijk Jesaja 6). Het oordeel komt over de wereld. En terwijl Abraham op de top van de berg zich met God onderhoudt, over het oordeel dat moet neerkomen op de wereld daar beneden waar hij niet is, wordt Lot, die deze plaats midden in de wereld gekozen heeft, gered, maar als door het vuur.
Een rechtvaardige die met de wereld wandelt brengt zichzelf daardoor in de positie van rechter, en wordt tegelijkertijd nutteloos en onduldbaar. Abraham ontkomt aan het oordeel en ziet dit alles vanaf de hoogte. Lot wordt gered uit het oordeel, dat over de wereld komt waarin hij zich bevindt. De plaats op de berg waar Abraham van de tegenwoordigheid van God geniet, is voor Lot een plaats van onvruchtbaarheid en angst. Ten slotte is hij gedwongen ook daar zijn toevlucht te zoeken, omdat hij bevreesd is ergens anders te zijn!

In gemeenschap met God, pleit Abraham voor anderen, hierdoor wordt het geduld en het volmaakte oordeel van God zichtbaar

In het algemeen heeft Abraham hier het karakter van iemand die in gemeenschap is met God, wat mogelijk is door het geloof zonder aanschouwen. Vanzelfsprekend niet door de inwoning van de Heilige Geest, zoals dit het voorrecht is van de Gemeente; dat werd bewaard tot de tijd, waarin het Hoofd van de Gemeente verheerlijkt en de zegeningen volkomen zouden zijn. Abraham toont hier dus het algemene beginsel waarin de zegeningen worden genoten. Van het beloofde zaad wordt gezegd dat het komen zal, maar het is nog niet in de wereld gekomen, dat wil zeggen niet in de weg van geopenbaarde heerlijkheid. Evenwel Abraham kent en gelooft het. En dit is juist de reden, zoals we gezien hebben, dat God hem als vriend behandelt en hem niet alleen de dingen zegt die hemzelf betreffen, maar ook wat de wereld aangaat. Met een vriend bespreek ik alles wat ik op mijn hart heb, en niet alleen mijn zaken ten aanzien van hem. En als Abraham dan deze mededeling van God heeft ontvangen, pleit hij voor anderen bij Hem, als vreemdeling in het land van de belofte, maar in gemeenschap met Hem op de berg. En dit is, door de Heilige Geest, meer de plaats van de tegenwoordige heiligen: de volle gemeenschap van de gevoelens en de wegen van God in het Woord, en de komst van de Heer om hen op te nemen in de heerlijkheid. Dit is het toneel waarin we door het geloof leven en gegrond daarop volgt de bemiddeling voor anderen. De belofte van de erfgenaam had Abraham al. Hier is hij het vat van goddelijke kennis betreffende dat wat over de wereld zal komen. Dat plaatst hem in een positie van volle genade waarin hij bemiddelend kan optreden. Zijn geloof verenigt hem met de gedachten en het wezen van God. Het doet bovendien het geduld en de volmaaktheid van oordeel van God uitkomen.

Hoofdstuk 19-21

Lot wordt bevrijd door de voorzienigheid van God en door verdrukking heen

Omdat hij in verbinding staat met Abraham, de hemelse mens en ingewijde in de raadsbesluiten en wijsheid van God, de bemiddelaar, wordt Lot, die zich beneden in de vlakten van deze wereld bevindt, die hij had gekozen, zoals de Joden dat ook hebben gedaan, door de voorzienige zorg van God bevrijd.

Maar hij gaat door de verdrukking en verliest alles waarvoor hij de hemelse positie had geweigerd en de aarde had gezocht, onwetend als hij blijkbaar was óf over het oordeel, of over de hemelse schat. Dit is de positie van het volk van het geloof, als het gezonken is in de wereld van oordeel. Als hij overgelaten is aan de besluiteloosheid van het ongeloof, in tegenwoordigheid van het zichtbare oordeel, zoekt hij al gauw een toevlucht in de plaats waar Abraham gezegend was; die plaats, die hij eerst had prijsgegeven voor de welbevochtigde vlakten van de Jordaan, en waarheen hij daarna niet durfde te vluchten. Nu wordt hij daar – o wat een donkere geschiedenis – de vader van de geslachten, die een voortdurende kwelling zouden worden voor het volk van God. Dit laatste gedeelte is alleen als geschiedenis gegeven, opdat Israël de oorsprong zou kennen van Moab en Ammon, en om een algemeen beginsel aan te geven dat toepasselijk is in alle tijden, namelijk dat bij ongehoorzaamheid (bij het leven in de wereld), de gelovige zelf de verwekker is van zijn toekomstige moeilijkheden.

Zo had het geloof zijn plaats, en was de wereld geoordeeld. Zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen. Maar hier is de erfgenaam, hoewel verwacht, nog niet werkelijk aanwezig, en het pad van het geloof tot Hij komt, of het tegenovergestelde, afgetekend.

De erfgenaam en de weg van het geloof

In de hoofdstukken 20-21 wordt het onderwerp: de erfgenaam en de weg van het geloof, uit een ander gezichtspunt bezien. Abraham ontkent zijn verbinding met zijn vrouw en wordt terechtgewezen door de wereld, die beter dan hij weet wat dié verbintenis behoorde te zijn. God houdt echter, in Zijn getrouwheid, Zijn belofte en oordeelt hen, die het wagen de vrouw van hem aan wie de beloften toekomen, aan te raken. De erfgenaam van de belofte wordt geboren en de erfgenaam naar het vlees, de zoon van de dienstmaagd of van de wet, wordt volkomen verworpen. Nu berispt Abraham de machtigen van de wereld, tegenover wie hij eerst zijn verbintenis met zijn vrouw had ontkend.

De werken van het ongeloof: God bewaart Sara

Maar deze twee hoofdstukken vragen een meer uitvoerige behandeling. Zoals bij zijn reis naar Egypte, zien we hoe Abraham in ongeloof handelt met betrekking tot de bijzondere weg van het geloof, waartoe hij door genade was geroepen. Abraham had moeten tonen, hoe hij als gelovige nauwgezet wandelde, overeenkomstig de verhouding waarin God hem had geplaatst, en welke verhouding we in de typen voorgesteld vinden door de vrouw. Hier is Sara de moeder van de erfgenaam van de wereld, de vrouw van Abraham, naar de belofte. En wat Abraham aangaat is ze zijn vrouw, naar de hoop van de Gemeente, zoals we gezien hebben, hoewel naar het vlees, Israël het vat van zowel het een als het andere is. Deze positie ontkent Abraham nu. Sara is weer zijn zuster. Dit is meer te veroordelen dan vroeger, omdat ze voor het geloof de moeder van de erfgenaam van de wereld is. Abimelech had ongelijk en handelde uitsluitend om zijn vlees te behagen, maar zonder te weten wat hij deed. Abraham was voor God echter in een veel valsere positie. God waarschuwt Abimelech en bewaart Sara door Zijn eigen macht, als ze door Abrahams gebrek aan geloof in verbinding wordt gebracht met de wereld. Abimelech zendt haar terug, met deze scherpe berisping aan het adres van de Gemeente (Sara is hier het beeld van de Gemeente), dat ze toch op zijn minst behoorde te weten verbonden te zijn met Christus. Ondanks alles was Abraham echter in een positie van geloof en zegen. En als profeet van God, die door niemand benadeeld mocht worden, bemiddelt hij voor de schuldige Abimelech, want het is hier alles genade. Er is hier nog iets anders op te merken. Het was een afspraak van het ongeloof; gemaakt direct toen Abraham uit het huis van zijn vader wegging (20:13). Toen al was de kiem van het ongeloof aan het werk in hem die door de belofte geroepen was. Maar God handhaaft door alle eeuwen heen, Zijn goddelijk recht op de trouw van de gemeente.

De erfgenaam van de belofte is geboren en de erfgenaam van de dienstmaagd wordt uitgedreven

Maar nu is de erfgenaam geboren, de erfgenaam van de belofte. En dit heeft ten gevolge, dat niet alleen het onderscheid door het geloof gezien wordt, maar ook dat de erfgenaam van de dienstmaagd wordt uitgedreven, en in het geheel geen deel heeft aan de erfenis. Historisch wordt hij overeenkomstig de belofte van God bewaard; een beeld van Israël onder de wet. Maar als het erom gaat, dat hij in een of andere vorm deel zou hebben aan de erfenis, dan is hij volkomen verworpen.

Abraham heeft recht op deze wereld

Bovendien vreest Abraham voortaan de overste van deze wereld niet meer maar berispt hem zelfs, nu de erfgenaam gekomen is.

Hij bezit zowel de wereld als de hemelse gemeenschap; en de wereld erkent, dat God in alle dingen met hem is. De put waar Abraham en Abimelech gezworen hebben, is tegelijkertijd het bewijs van Abrahams rechten op de wereld en van Abimelechs erkenning, dat God daar met Abraham is. Daar in die wereld plant Abraham een eikenbos, overeenkomstig de eed die hij en Abimelech gezworen hebben, en naar de rechten die door de wereld erkend zijn. Dat wil zeggen hij neemt in figuurlijke zin bezit van de aarde en aanbidt God, door Hem onder de Naam van de HEER, de eeuwige God, aan te roepen. Abraham loopt vooruit op de volle openbaring van Hem, Die, omdat Hij beloften heeft gegeven aan Israël, Zijn eigen voornemen ten gunste van dit volk nooit zal laten varen, en dit bewijst door, wat Zijn mond gesproken heeft, op de aarde in vervulling te brengen. Het is waar, dit is niet zo’n gezegend voorrecht als het hebben van hemelse relaties en het bezit van het geloof. Maar het is toch een bewijs van de onwankelbare trouw van God, Die de beloften heeft gegeven. Op die plaats nu, waar de macht van de wereld was, woont Abraham nu in type. Dit zal voor Israël letterlijk worden vervuld. Maar zij, op wie de einden van de eeuwen gekomen zijn, bezitten het in een betere en hogere weg. Het is het onderpand van wat moest zijn en zal zijn. Onze hoop is in de hemel waar Christus is ingegaan. En wij regeren daar op een betere manier.

Hoofdstuk 22-25

De erfgenaam van de belofte wordt geofferd en in beeld weer opgewekt, de roeping en bereidwilligheid van de gekozen bruid

Maar nu de erfgenaam gekomen is, is hij noodzakelijk het voornaamste voorwerp geworden, waarmee de Geest zich bezighoudt. Hoofdstuk 22 begint met de woorden: “En het gebeurde na deze dingen”. Inderdaad, we krijgen hier een nieuw schouwspel te zien: de erfgenaam van de belofte wordt geofferd en in beeld weer opgewekt, en de belofte aan Abraham gedaan, wordt opnieuw bevestigd aan het zaad. 23 De oude draagster, of de oude vorm van het verbond van de belofte (Sara), de moeder van de erfgenaam, verdwijnt (hoofdstuk 23). Abraham zendt Eliëzer, de beheerder van zijn huis, om een bruid te zoeken voor de opgestane erfgenaam, voor zijn enige zoon, in dat land, waarheen Izaäk niet mocht terugkeren – de wereld zoals die tegenwoordig is. Het is een prachtig beeld van de zending van de Heilige Geest, Die, na de dood en de opstanding van de Heer, Zijn dienst vervult met de uitverkorenen van God, die naar de raadsbesluiten van de Vader, de Bruid van het Lam moeten vormen. Hij leidt deze Bruid (die al versierd is met de gaven van haar Bruidegom, maar wacht op het ogenblik dat zij Hem, als erfgenaam van alles wat Zijn Vader toebehoort, zal zien) door de woestijn naar haar hemelse Bruidegom.

De roeping en bereidwilligheid van de gekozen bruid is prachtig geschilderd en zij gaat met hem, die een type is van de Heilige Geest, naar de bruidegom, die de erfgenaam van alles is. Maar merk op, hoe slecht en ongelukkig de positie van de vrouw was geweest, als Izaäk zijn macht over haar hart had verloren. Haar natuurlijke huis had ze verlaten, en ze was in de woestijn met één, die niets voor haar betekende, als hij niet haar leidsman naar Izaäk was. De wandel van de Geest (maar in de mens) wordt op de meest leerzame wijze beschreven in de houding van Eliëzer in de bijzonderheden van deze geschiedenis: de eenvoudige onderwerping aan wat voor hem het Woord van God was, zelfs dan als alles goed schijnt te gaan (verzen 21-23); zijn eerste gevoelen: God als zijn Heer erkennen (vers 26); zijn getrouwheid in de dienst (vers 33) en nog meer dergelijke dingen.

De uitverkiezing van God zondert zijn aardse volk af, voorgesteld in Jakob

In hoofdstuk 25 vinden we de uitverkiezing van God, Die nu Zijn aards volk afzondert. Als type gezien moet het ons opvallen, hoe weinig over Izaäk wordt gesproken, behalve dan dat er gezegd wordt, dat hij in hemelse plaatsen woont, terwijl men hem een bruid zoekt op aarde. We bevinden ons op aarde; maar toch zijn de hemelse dingen ons volkomen geopenbaard en hebben wij de eerstelingen van alles. In Abraham zijn de beloften en de beginselen uitvoerig voor ons ontvouwd, en het aardse volk van de belofte is in Jakob geheel geopenbaard; beginselen die we in het hele hoofdstuk vinden. Jakob hecht veel waarde aan de beloften van God. Maar, zoals Lot werd aangetrokken door de welbevochtigde vlakte van de Jordaan, openbaart Jakob zijn ongeloof in de keuze van vleselijke middelen, om de vervulling van de beloften te verkrijgen, in plaats van op God te wachten. Zijn jaren waren dan ook “weinig en kwaad”, en hij werd voortdurend het slachtoffer van de bedriegerijen, die men ook bij hem had gevonden. Merk hierop, dat de ervaring van Abraham altijd hoger en beter was, en hij vollere gemeenschap met God had in Zijn gezindheid. Zo is het ook met de getrouwe Christen, die zich verblijdt in de dingen die nog niet gezien worden. Hij kan de wereld verzaken en voorbidding doen voor anderen. Maar de ontrouwe gelovige heeft veel meer ervaringen op zijn weg, omdat hij niet met God leeft. Dat zien we in Jakob. Door genade kan hij door zijn geloof overwinnen. Maar hij moet voor zichzelf worstelen terwijl Abraham voor anderen kan bidden.
Terwijl we in Izaäk het beeld zien van de opgestane Christus, de Bruidegom van de Gemeente (de Heilige Geest daalde neer om hier beneden de Gemeente, de Bruid van Christus te zoeken, voor de Heer, Die in de hoogte is), vinden we in Jakob Israël voorgesteld, die verdreven is uit het land van de belofte, maar door God bewaard wordt, opdat het later van de belofte zou genieten. Toch geloof ik, dat in de huwelijken van Jakob wordt getoond, hoe de Heer, hoewel Hij Israël (Rachel) bemint, toch eerst de Heidenen of de Gemeente heeft ontvangen, en daarna eerst de Joden.

Samenvatting van de hoofdstukken 22-25, het offer en de opstanding van Christus voorgesteld in Izaäk

Deze onderwerpen brengen ons tot aan het einde van hoofdstuk 25. Het offer en de opstanding van Christus, de roeping van de Gemeente in de figuur van Rebekka en de uitverkiezing van Israël (Rachel de jongste dochter) tot de belofte en zegening op de aarde. Wat het eerste punt betreft, de beloften werden bevestigd in Izaäk toen hij op aarde leefde. Hetzelfde zien we ook in de persoon van Christus. Abraham moest alles in een volkomen en absoluut vertrouwen op God prijsgeven, en alles, met inbegrip van Izaäk, in de handen van God teruggeven. Dat heeft Christus ook gedaan. Alles behoorde Hem toe in verbinding met de beloften in Israël. Hij deed op het kruis afstand van alles, om in de opstanding alles weer te ontvangen uit de hand van Zijn Vader. Merk op, dat nooit iets geofferd wordt, of in genade wordt ons een heerlijker grondslag voor onze relaties tot God gegeven, dan die welke we voor die tijd bezaten. Want God geeft ons bij het offeren ondersteunende kracht, die we niet nodig hadden zolang we genoten van het opgegeven bezit. God had in Izaäk beloften gegeven. Maar, om God te vertrouwen met een “geofferde” Izaäk, (die de grondslag was voor de belofte), moest de opstanding gekend worden. En zo vertrouwde Abraham, dat God machtig was om Izaäk weer op te wekken uit de doden. Want God kan in Zijn beloften niet falen.

De belofte om de geslachten van de aarde te zegenen wordt bevestigd aan het ene zaad, Izaäk

In de brief aan de Galaten wordt aan de betekenis van dit Schriftgedeelte gedacht. Ik beperk me hier tot de opmerking, dat de belofte in hoofdstuk 12 aan Abraham gedaan, hier bevestigd wordt aan het ene zaad: Izaäk, die geofferd werd en weer is opgewekt. Er waren ook andere beloften, die gedaan zijn aan een zaad dat talrijk is als de sterren van de hemel, (wat ook een belofte was). Maar de belofte om de geslachten van de aarde te zegenen, werd eerst aan Abraham alléén gegeven (hoofdstuk 12) en hier bevestigd aan het ene zaad. De Apostel Paulus spreekt dan ook van het ene zaad. Deze belofte aan Abraham gedaan wordt in andere gedeelten niet genoemd. Ze wordt bevestigd aan het opgewekte zaad. Aan het einde van het hoofdstuk wordt, naast de algemene herkomst van verschillende volken, ook de afstamming van Rebekka gegeven.

Sara verdwijnt, om plaats te maken voor Rebekka, een type van de gemeente

Zoals we in hoofdstuk 23 al gezien hebben, verdwijnt Sara, Gods werktuig van de belofte, om plaats te maken voor Rebekka, de bruid van de zoon. Maar met dit alles heeft Abraham, hoewel hij nog niets bezit in het land waar hij een graf moet kopen, de absolute zekerheid, dat hij het land hierna zal bezitten. Hij begraaft er zijn dode.

De werking van de heilige Geest

Nu gaat het erom de bruid voor de erfgenaam te vinden. Merk op hoe Rebekka eerst genade bewijzen ontvangt, en daarna als een bruid geschenken. Ze legt, door de genade, bereidheid aan de dag om de roeping te volgen die tot haar gericht is; en ze wordt door Eliëzer, in de eenzaamheid door de woestijn geleid, het huis van haar vader verlatend, om alles te bezitten met Izaäk, aan wie zijn vader alles had gegeven. Hier zien we in type duidelijk de Gemeente voor ons. Izaäk (de uit de doden opgewekte man, die hier staat tussen Abraham, de man van de belofte en Jakob in wie de geschiedenis van Israël begint), mag onder geen enkel voorwendsel terugkeren naar het land van de natuur, waaruit zijn vrouw zou worden geroepen. Izaäk is bij uitstek de “hemelse” mens. Rebekka moet tot hem gaan. Omdat ze Izaäk in haar gedachten heeft, is de reis gezegend. Als ze haar bruidegom had kunnen vergeten, was ze niet meer dan een vreemde geweest, die voor niets alles verlaten zou hebben, om uiteindelijk zonder vaderland en zonder erfenis te zijn. Dit is ook van toepassing op de Gemeente. Terug te keren betekent: Izaäk prijsgeven.

Merk ten slotte nog, in de werking van de Heilige Geest Die voorgesteld wordt door Eliëzer, het volkomen vertrouwen op God op. Hij vraagt en wordt verhoord; maar het moet helemaal in overeenstemming zijn met het Woord (hier het woord van Abraham): Is ze uit zijn familie? Dan, als de zegening bekend is, komt vóór de blijdschap de dankzegging. Ten slotte toont Eliëzer een volkomen en uitgesproken toewijding te bezitten, in de dienst die hij moet vervullen. Hij wil niet eten, voor hij zijn boodschap heeft bekend gemaakt. Vervolgens vindt men er geen spoor van aarzeling. Hij heeft een opdracht te vervullen en niets anders. Kon men dit maar zeggen van allen, die Christus toebehoren! Eliëzer leidt Rebekka tot Izaäk, die uitgegaan is, om haar te ontmoeten, en na de ontmoeting leidt deze haar in de tent. Hier vervangt ze, tot troost van haar man, Sara het vat van de belofte, in de positie van vrouw van de door God opgewekte erfgenaam. Een positie die nog beter is dan die van Sara.

Abrahams loopbaan eindigt, Izaäk is erfgenaam van alles

De loopbaan van Abraham was afgesloten. De beloften hadden plaats gemaakt voor de Gemeente, die door de genade geroepen was. Maar alles wat uit Abraham voortkomt heeft een plaats ontvangen in het Woord van God. Niettemin, Izaäk is de erfgenaam van alles, hoewel Ismaël groot is en vorsten bezit, die uit hem zijn voortgekomen. 24

Ezau en Jakob: hun karakter en de oorsprong van hun gedrag

Met hoofdstuk 25:19, begint in een zeker opzicht een nieuw tafereel. We hebben een vluchtige blik geworpen op de hemelse dingen, in Izaäk, en keren nu terug naar de aardse en Joodse dingen, die in Jakob worden gezien. Uit de onvruchtbare vrouw (want alles moet genade en Goddelijke kracht zijn), worden twee kinderen geboren, in wie de uitverkiezing tot openbaring komt. En dit niet alleen door de genade die roept, maar in soevereiniteit en in tegenstelling tot de werken. We zien het voornemen van God aan Rebekka geopenbaard, maar de geschiedenis geeft ons niet meer dan genoeg is om het karakter en de oorsprong van het gedrag van Ezau en Jakob te zien. In Jakob is naar de natuur, menselijk, niets aantrekkelijks, maar Ezau minachtte de gave van God. Zijn oordeel over wat waardevol is, vindt zijn oorsprong in hemzelf. Hij was goddeloos, maar toch, God had in Zijn geheime raadsbesluiten de zegen voor Jakob bestemd. Ezau zag alleen de aardse voordelen van de gave. Hij stelde geen belang in de Gever noch in zijn verbinding met Hem. De tegenwoordige dingen regeerden hem. Hierin vond hij zijn voldoening en de belofte van God had voor hem geen verdere betekenis. Jakob daarentegen waardeerde de belofte ter wille van zichzelf, hoe verdraaid zijn wegen ook waren. Hij gaf hiervoor de tegenwoordige dingen op; dingen van weinig waarde zonder twijfel, maar die voldoende waren om het hart van Ezau te regeren en deze ertoe te brengen het door Jakob zo vurig begeerde aan hem af te staan. We hebben hier alleen de voorstelling van de karakters van de twee zonen. De wegen van God ten opzichte van hen zullen we later zien.

Nu pas begint de geschiedenis van Izaäk. Hij is hier de aangewezen erfgenaam van de wereld. Maar als zodanig moet hij het deel van Israël op de aarde bezitten. Hoofdstuk 24 toonde ons, in type, de verborgen geschiedenis van de Gemeente, in verbinding met de opgewekte erfgenaam.

Hoofdstuk 26

De openbaring aan Abraham gedaan wordt nu ook aan Izaäk gegeven

In hoofdstuk 26 zien we hoe Abraham als erfgenaam op de aarde, door Izaäk vervangen wordt. Omdat Izaäk zelf in een vreemd land is, is dit een nieuwe openbaring, die overigens overeenkomt met die welke in het begin aan Abraham werd gedaan; behalve dan dat Izaäk zich al in een positie bevond, die het gevolg was van de roeping van God, al was hij nog niet in het genot van de belofte.

Er was een hongersnood in het land en Izaäk kon er niet langer blijven. Hij ging naar hen die een deel van het land in bezit hadden (maar zonder recht), en die later de vijanden en onderdrukkers van zijn volk zouden worden. Maar God verschijnt hem daar en zegt hem dat hij niet moet terugkeren in de wereld, maar wonen in het land, dat God hem zou zeggen. Hij blijft in hemelse plaatsen, maar als een plaats van belofte. Hij zoekt ze niet als onbekend, maar toch als een voorwerp van het geloof. Het was een nieuwe roeping. Jehova, de Eeuwige, verschijnt aan Izaäk in omstandigheden die verschillen van die, waarin Abraham zich bevond, en zegt hem, niet naar een ander land te reizen maar te wonen in het land waarin hij was, en ook niet de natuurlijke hulpbronnen (Egypte) te zoeken. Hij wilde niet teruggaan, maar door geloof leven. Het land wordt hem getoond en de beloften opnieuw bevestigd, zowel ten aanzien van Israël, als ten aanzien van de volken en het land.
Izaäk moest dus als vreemdeling in het land blijven, waar hij zich bevond, dat wil zeggen waar de Filistijnen woonden. Zó werd hem het hele land met inbegrip van dat waarin de Filistijnen woonden, gegeven. En hij woonde in Gerar.

Izaäks persoonlijke wandel ten aanzien van het geloof

Dit is dus de positie van Izaäk, zoals we in het begin van hoofdstuk 12 de positie van Abraham vinden. Van vers 7 af tot aan het eind wordt ons zijn persoonlijke wandel ten aanzien van het geloof getoond (zoals die van Abraham in het laatste deel van hoofdstuk 12). Tevens wordt hem meegedeeld, wat zijn deel zou zijn in zijn nakomelingschap, naar het geloof dat hij had. Izaäk faalde in geestelijk opzicht, zoals Abraham, maar vooral wat zijn geestelijke kracht betreft. Hij verloochent zijn vrouw, zoals Abraham had gedaan, en laat de putten die Abraham gegraven had in handen van de vijand. Hij had gebrek aan geloof in God, toen hij voor Abimelech stond en hoewel God hem had gezegd: “Verblijf als vreemdeling in dit land”, moest hij zich terugtrekken voor de wil van Abimelech. Dan wordt Izaäk van de ene put naar de andere gedreven en vindt alleen daar plaats, waar de Filistijnen ook hun plaats hebben. Hij ontmoet God in Berseba, waar hij zijn tent opslaat, en waar Abraham de grenslijn met Abimelech getrokken had na de geboorte van Izaäk. Maar Abraham had nooit aanwijzingen ontvangen ten aanzien van zijn wonen in dat land. Hij had Abimelech, wiens dienstknechten zich van een put hadden meester gemaakt, zelfs berispt, zodat deze die put aan Abraham liet. Abraham had al die putten gegraven, naargelang hij er als vreemdeling behoefte aan had en ze werden hem niet ontnomen. De enige put, waarover strijd ontstond, was die te Berseba en Abimelech liet deze put aan Abraham. Maar volgens de Goddelijke voorzienigheid gaf Berseba de grens aan van het land naar het geloof van Israël. De Filistijnen woonden daar, totdat David kwam, die het beeld is van Christus. Zij die de erfgenamen van het land waren, bezaten het niet geheel. Daar verscheen de Heer aan Izaäk en zegende hem. Daar in dat land, verbleef Israël en aanbad de Heer. Dit hoofdstuk geeft ons de geschiedenis van Izaäk. Het komt overeen met de hoofdstukken 12-20, die de geschiedenis van Abraham weergeven.

De wegen van Ezau worden door zijn persoonlijke behoeften geleid

De wegen van Ezau waren even zorgeloos, als zijn gedachten met betrekking tot zijn eerstgeboorterecht goddeloos waren. Hij trouwde met een vrouw van het land.

Hoofdstuk 27-31

Jakob als erfgenaam van beloften die hij waardeert, maar met oneigenlijke middelen wil verkrijgen

En nu begint de geschiedenis van Jakob. 25 Omdat hij de erfgenaam van de beloften is en hij deze beloften op prijs stelt, wil hij ze ook bezitten en gebruikt hiertoe slechte en schandelijke middelen. God beantwoordt zijn geloof, maar straft ook zijn zonde en ongeloof. God had de zegeningen op Zijn eigen wijze voor Jakob kunnen bereiden, (of Hij had de handen van Izaäk kunnen besturen, zoals Hij bij Jakob gedaan heeft). Jakob geleid door zijn moeder, volgt zijn eigen wegen en wacht niet op God. Maar de zegen was naar de profetie en niet te herroepen. De wegen en het voornemen van God konden niet veranderd worden. Izaäk was schuldig en Jakob nog meer. Alles werd vanuit de hemel geleid om het geloof te beantwoorden, en het kwaad in de gelovige te bestraffen. Ezau, die de keuze had, deed willens en wetens afstand van zijn recht. Aan God dacht hij helemaal niet. Als de gevolgen van dit alles zich openbaren, kan hij niet meer het voorwerp zijn van de zegeningen. Als men gezegend wil worden, is het noodzakelijk dat men alleen door het geloof wandelt. Jakob wordt nu het beeld van Israël in ballingschap; weliswaar de erfgenaam van de beloften, over wie God waakt, maar een banneling.
Abraham trok als een pelgrim rond in het beloofde Land, maar Jakob erbuiten.

Dat is een groot verschil! God was ongetwijfeld met Jakob en heeft hem nooit verlaten. Abraham echter wandelde met God, en in de verwezenlijking van Zijn tegenwoordigheid bouwde hij zijn altaar op de verschillende plaatsen, waar hij zich gedurende zijn pelgrimsreis ophield. Jakob had helemaal geen altaar; hij was niet in de plaats van de belofte. Want zo’n weg sluit alle gemeenschap met God buiten. Het feit, dat God in Zijn getrouwheid met ons gaat, wil nog niet zeggen dat wij met Hem zijn.

Maar zo gauw als Jakob, in zijn armzalige en geïsoleerde toestand, niets anders bezittend dan zijn staf, en een steen als kussen, onder de kastijding buigt, openbaart God Zich aan hem en waarborgt hem al de beloften. Maar God verschijnt hem niet in een volle openbaring van gemeenschap, maar in een droom. In deze droom worden alle beloften herhaald, maar toch is er een opvallend verschil met alle tevoren gedane beloften. De beloften van de zegening van de volken worden nu aan Jakob en zijn zaad gedaan. Want hier brengt ons het type in verbinding met het volk van Israël en met de zegening van de aarde. Dus het gaat hier niet alleen om het ene zaad, Christus, maar ook om het zaad van Israël, dat in het bezit is van het land, in het bezit van de aarde gedurende het Duizendjarig Rijk. Maar er wordt nog een andere, kostbare en belangrijke belofte toegevoegd, die Jakob de verzekering geeft, dat al is hij een banneling en een zwerver, God hem bewaren zal overal waar hij zal gaan. God zal hem terugbrengen naar het land en beslist niet loslaten, voor alles vervuld is wat Hij hem heeft gezegd. God was in de hoogte, op de ladder, en Jakob het voorwerp van de aardse belofte en zegening, op aarde, maar de hele aarde stond onder het voorzienig bestuur van de hemel. En de engelen zorgden voor Jakob en klommen op en daalden af om de wil van God te volbrengen. 26

Ontwaakt uit zijn slaap, wijdt Jakob zich aan Jehova, als zijn God. Want Jahweh stond op de top van de ladder, en wordt op deze wijze (profetisch gezien) de God van een hersteld Israël. En hoewel ver van de hemel verwijderd, is het huis van God op aarde daardoor in verbinding met de hemel. Dit was een gewettigde, maar ook juiste gelofte en in elk opzicht van profetische aard. Jakob is nu een vreemdeling en in veel opzichten stelt hij ons Christus voor, Die lijdt door de beproevingen, Zijn volk aangedaan.

Jakobs twee vrouwen: waarin we Israël en de volkeren zien

Zoals al gezegd, ben ik overtuigd, dat in de twee vrouwen (Rachel eerst geliefd op aarde, maar aanvankelijk niet de zijne, en Lea, de vruchtbare moeder van talrijke kinderen) ons Israël en de Volken worden voorgesteld. Rachel had later ook aardse nakomelingen. Rachel, die ons dus de Joden voorstelt, is de moeder van Jozef en later van Benjamin, dat wil zeggen van een lijdende Christus, verheerlijkt onder de Heidenen, hoewel verworpen door Israël, en van een heersende Christus, Zoon van de smarten van Zijn moeder, maar ook Zoon aan de rechterhand van Zijn vader!

De bedrieger wordt bedrogen, maar God die het beloofde, bewaart hem

In de geschiedenis van Jakob hebben we het trieste verslag van de bedriegerijen en van het onrecht, hem aangedaan. Maar God behoedt hem doorlopend, naar Zijn belofte. Wat een verschil met de geschiedenis van Eliëzer en Abraham, waar we de macht en het karakter van de Heilige Geest zien. Hier is God in Zijn voorzienige zorg aan het werk, maar het is de geschiedenis van Jakob. Bitter bedrogen, zoals hij zelf bedrogen had, maar overeenkomstig de belofte bewaard.

Hoofdstuk 32-36

Als Jakob terugkeert, komen hem de legers van God tegemoet. Hier ontvangt hij een nieuw en wonderbaarlijk bewijs van de machtige en barmhartige zorgen van de Heer en dit had hem aan Beth-El moeten herinneren. Maar het neemt zijn angst niet weg. Hij neemt opnieuw zijn toevlucht tot middelen, die van zijn ongeloof getuigen. Hij stuurt zijn kinderen, zijn vrouwen en alles wat hij had vooruit en zendt geschenk na geschenk aan Ezau om deze te bevredigen; maar in dit alles is geen kracht aanwezig. God, Die Jakob niet in de handen van Ezau wilde laten komen, gaat Zelf met hem handelen. Hij worstelt met Jakob, terwijl Hij tegelijk het geloof van Jakob in de strijd ondersteunt. En daarna geeft Hij hem in de zwakheid (die Hij hem eerst laat voelen en dit voor zijn hele leven), de plaats en het deel van een overwinnaar. Hij is een vorst voor God en mensen (Genesis 32:28). Maar hoewel hij hier overwinnaar is in een strijd waarin God Zich met hem bezighoudt, zien we hier geen openbaring en geen gemeenschap met God.

De wegen van God met een ziel die niet met Hem wandelt

Het is een wonderbaar schouwspel: de wegen van God te zien tegenover een ziel die niet met Hem wandelt. Maar het is niet de rustige gemeenschap van Abraham met Jehova, waarbij Abraham voor anderen bemiddelt, in plaats van voor zichzelf te strijden. God geeft Jakob wel een naam en erkent in zoverre de relaties van Jakob met Hemzelf, maar Hij openbaart Zijn Naam niet, zoals Hij het aan Abraham had gedaan. Bovendien bedient Jakob zich nog altijd van omwegen, want hij dacht er niet aan om naar Seïr te gaan, zoals hij had gezegd. Maar hij wordt bevrijd van Ezau, zoals hij bevrijd is van Laban, en ten slotte vestigt hij zich te Sichem, waar hij land koopt, op die plaats waar hij een vreemdeling had moeten blijven. God bevrijdt hem uit deze situatie, maar door vreemde en verootmoedigende omstandigheden: hij wordt steeds bewaard doordat Gods vrees valt op de volken. Hij is nog niet teruggekeerd naar de plaats, waar God hem de beloften had gegeven en van de zegeningen had verzekerd, dat wil zeggen naar Bethel. Hier echter, was hij in staat een altaar te bouwen en hij bediende zich van de naam, die zijn eigen positie beter deed uitkomen. Hij verhief zich op de zegening die hem was toegekend. Inderdaad was dit een geloofsdaad, maar het ging niet verder dan tot de zegening, in plaats van tot de Weldoener Zelf. Hiertoe was hij ook nauwelijks in staat. God handelde in zijn voordeel en in zekere zin dacht hij ook aan God, maar men kan hier niet bepaald van “gemeenschap” spreken. Kunnen wij niet in vele gevallen hetzelfde van ons zeggen?
Maar God leidt Jakob verder en zegt hem op te gaan naar de plaats, vanwaar hij vertrokken was en een altaar te bouwen op dezelfde plaats, waar hij zijn verbond had gesloten met God; met die getrouwe God, Die met hem was geweest op de gehele weg die hij gegaan was. Maar hier, wat een ontdekking! Nu moet hij God Zelf ontmoeten en is hij niet langer alleen het voorwerp van Zijn zorgen, zonder Zijn Naam te kennen, zonder dat God Zich volledig openbaart. Dat maakt een groot verschil!
Nu herinnert hij zich dat er valse goden in zijn familie zijn. Hij wist dat wel, maar hij besteedt er pas aandacht aan, nu hij God moet ontmoeten. De ontmoeting met God Zelf, nu niet in een verborgen en geheimzinnige strijd, maar van aangezicht tot aangezicht om zo te spreken, brengt al het kwaad aan het licht. Jakob reinigt zich ervan en gaat op naar Bethel.
Daar openbaart God Zich openlijk aan hem, terwijl Hij in genade ongevraagd Zijn Naam bekend maakt, zoals Hij het had gedaan aan Abraham, en Hij geeft Jakob opnieuw de naam van Israël, alsof hij die nog niet had ontvangen.

Rachel schenkt het leven aan hem, die het kind van de smarten van zijn moeder is, maar ook de zoon van de rechterhand van zijn vader, een opvallend type van Christus de Heer. In het type is de tijd nu gekomen, dat de belofte verwezenlijkt wordt. Dit wordt ons voorgesteld in de persoon van Benjamin, terwijl het in kracht in de persoon van Christus vervuld zal worden. De vroegere positie van Israël, die voorgesteld wordt door Rachel, moet verdwijnen. Maar de herinnering aan haar wordt in het land bewaard.

De afvallige wereld in kracht, terwijl de erfgenamen naar belofte nog arme pelgrims zijn

De afvallige wereld vestigt zich in kracht, terwijl de erfgenamen van de belofte nog arme pelgrims zijn op de aarde. Deze laatste omstandigheid is het voorwerp van een bijzondere openbaring.

Hoofdstuk 37-47

Jozef de geliefde van de vader in een situatie van vernedering

Wat nu vanaf hoofdstuk 37 volgt, is de geschiedenis van Jozef. Deze is zo belangwekkend, dat zelfs de kinderen er aandachtig naar luisteren, hoewel ze er niet alle schoonheden in bemerken, die ze voor de gelovigen bevat. De gelovigen die Jezus kennen, herkennen Zijn beeld erin. Dit bewijst opnieuw, dat voor het hart dat nog niet verhard is, een wezenlijke schoonheid te vinden is in alles waarin de Heer Zich openbaart.
Jozef is, volgens de raadsbesluiten van God, erfgenaam van de heerlijkheid en hoofd van zijn gehele familie, zoals hem dit in zijn dromen was geopenbaard. Maar alleen het geloof kan dit erkennen. Het wekt de jaloersheid op van zijn broers, te meer omdat Jozef de geliefde is van zijn vader. Ze verkopen hem aan de heidenen en laten hem doorgaan voor dood, in plaats van hem werkelijk te doden, zoals de Joden hebben gedaan ten opzichte van de werkelijke Jozef.

Hierna valt Juda in vele soorten van schanddaden en zonde, wat hem toch niet van het voorrecht berooft, de stamvader te worden van het koninklijk geslacht.
Jozef wordt vernederd door de heidenen en ten gevolge van valse beschuldigingen in de gevangenis geworpen: “Men drukte zijn voeten vast in de boeien, hijzelf kwam in de ijzers, tot de tijd dat Zijn woord uitkwam, heeft de belofte van de HEERE hem gelouterd” (Psalm 105:17-19).

Alle macht is Jozef in zijn verhoging gegeven

Als hij uit zijn vernedering gehaald is, wordt hij verhoogd tot de rechterhand van de troon. De uitoefening van alle macht over de volken wordt hem toevertrouwd, terwijl hij voor zijn broeders onbekend blijft.
In zijn vernedering is hij de verklaarder van de gedachten en raadsbesluiten van God. In zijn verhoging beheert hij alles met macht en met dezelfde wijsheid. En onderwerpt alles aan het directe gezag van hem die op de troon zit.

Door berouw en verootmoediging, worden ze nu gezegend door hem die ze eens verwierpen

In dezelfde tijd zien we een ander tafereel. Zijn broeders, gedrongen door de hongersnood, worden ten slotte in de weg van berouw en verootmoediging ertoe gebracht, hem, die ze voorheen hadden verworpen (toen hij nog in verbinding met hen was), in heerlijkheid te erkennen. Benjamin, die het beeld is van de macht van de Heer op de aarde onder de Joden, wordt verenigd met hem, die in de tijd dat ze hem niet kennen, de macht van de troon bezit onder de heidenen. In Christus worden deze twee karakters verenigd. Maar dit brengt alle broeders in verbinding met Jozef.

Ten slotte worden Jakob en de zijnen, als een afgezonderd volk, in het meest begunstigde land van alles wat onder het gezag van de troon van de grote koning staat, gesteld.
Niets is treffender dan de houding van Jozef tegenover zijn broers. Maar ik moet deze overdenkingen aan het hart van mijn lezers overlaten, die zich toch (dit is mijn hartenwens) onder de kostbare invloed van de Geest van God willen stellen. Het korte overzicht, dat ik zoeven gegeven heb, is een meer duidelijke toepassing van het type, dan vele bijzonderheden het zouden kunnen geven en dit is van het grootste belang.

Jozef openbaart zich aan zijn broeders in heerlijkheid en genade

Merk alleen op, dat het berouw van de kinderen van Jakob, onmiddellijk verbonden wordt aan hun houding bij de verwerping van Jozef; dit wordt op het geweten van zijn broers gelegd. Zo zal het aan het eind bij Israël zijn. Het gaat hier niet om hun zonden, wat de wet betreft, (dit zullen we nog zien na hun komst bij Sinaï), maar in type, om hun zonde met betrekking tot de Messias. Hun gewetens zijn volkomen overtuigd en ze komen terug op al de omstandigheden van de verwerping van hun broer. Jozef maakt zich pas langzamerhand bekend, terwijl de harten van zijn broers door zijn handelingen op verschillende wijzen beproefd worden. Ten slotte komt vooral Juda op de voorgrond, met betrekking tot Benjamin. En als Juda zich de diepe smart van Israël aangaande Benjamin en het vermeende verlies van Jozef aantrekt en zichzelf als slaaf aanbiedt, openbaart Jozef zich in zijn heerlijkheid aan hen als hun broer. Een aangrijpend tafereel! De volmaakte genade van Jozef, die we aan het einde van deze geschiedenis zien, is een wondervolle afbeelding van de openbaring, die Christus van Zichzelf zal geven (hoofdstuk 45:4-8 en volgende verzen).

De positie van Gods kinderen ten opzichte van de wereld

Het is treffend op te merken, dat, als Jakob aan Farao wordt voorgesteld, hij de verachte herder, hoewel hij erkent, dat zijn leven slecht was geweest, vergeleken bij dat van zijn vaderen, zich toch in staat voelt, de heerser van het gehele land te zegenen. Nu is ontegenzeggelijk “hij die zegent groter, dan hij, die gezegend wordt”. Het kleinste en meest zwakke kind van God heeft het bewustzijn dat hij de meerdere is als hij in de tegenwoordigheid van de hoogste persoonlijkheden van deze wereld is.

Israël is in verbinding met een opgestane Heiland in genade gezegend

Het gaan naar Egypte was naar Gods gedachten. Zo zien we, dat Israël zich hier ophoudt, gedurende de tijd door God gewild, zelfs dan als het volk wordt onderdrukt. We zien het niet als een verdreven en zwervend volk, ten gevolge van zijn ongehoorzaamheid, hoewel beide waar zijn, als het laatste tijdvak van hun onderdrukking zal zijn gekomen. Ja zelfs nu is dat al waar. God verschijnt aan Jakob – merk dit goed op – als de God van Izaäk, zijn vader, en niet als de God van Abraham. De zegening van Jakob was afhankelijk van een opgewekte Christus. Wat de beloften betreft, heeft Israël alles verloren door Christus te verwerpen. Maar God kan voor hen in louter genade verschijnen in verbinding met een opgewekte Redder, om alle beloften naar Zijn getrouwheid te vervullen en dit is het, wat we hier in het type zien. 27 Daarom wordt Israël, ondanks alles, gezegend, hoewel het lange tijd onderdrukt en een vreemdeling is.
Het toneel verandert, zodra Jakob in verbinding is met Jozef. In zijn verbinding, in de wereld, met een verheerlijkte Christus, Die hem hier geopenbaard wordt, bezit hij het beste van het land, dat in algemene orde en onderwerping gebracht is aan Farao, wie Jozef vertegenwoordigt en wiens gezag over het land hij uitoefent. Berseba, de grens van Israël (zodra hij deze grens had gepasseerd, was Jakob een vreemdeling, buiten het land van belofte) is de plaats, waar die openbaring van God geschiedt.
Men kan niet anders dan in de geschiedenis van Jozef, een van de meest opvallende beelden van de Heer Jezus zien, en dat, in heel veel bijzonderheden van de wegen van God ten aanzien van de Joden en de Heidenen.

Hoofdstuk 48-50

Jozef als erfgenaam in Israël

Ten slotte zien we in hoofdstuk 48, naast het profetische karakter dat zó belangrijk is in de geschiedenis van Israël, Jozef als erfgenaam. Hij ontvangt het dubbele deel dat, onder de Joden, aan de eerstgeborene, de erfgenaam van de vader, werd toegewezen, zie 1 Kronieken 5:1-2. En niet alleen maar als erfgenaam, maar als erfgenaam in Kanaän; erfgenaam van Jakob, daar waar Rachel stierf; dat wil zeggen waar Israël, als het door God geliefde Joodse volk, had gefaald en niet meer was. Hier wordt alles geregeld, niet naar de natuur, maar volgens het voornemen en de raadsbesluiten van God. En Jozef bezit als erfenis, in zijn kinderen het deel dat met macht uit de handen van de vijand werd ontrukt. Want, van zijn verwerping af, stelt Jozef altijd een glorierijke Christus voor, en als zodanig de erfgenaam van de wereld.

Waarborgen voor het herstel van Israël in het land, Gods geduld met het kwaad

Vervolgens zien we het lot van de kinderen van Jakob en twee feiten: de begrafenis van Jakob en het bevel aangaande de beenderen van Jozef. Deze worden als zekere waarborgen gegeven: van het herstel van Israël (dat nu in Egypte is) in het land van de belofte, in overeenstemming met wat God aan Abraham had gezegd, en wat God scheen vergeten te hebben, toen Zijn geduld de ongerechtigheden van de Amorieten nog verdroeg. God slaat pas dan, als het onmogelijk is de zonde nog langer te verdragen (hoofdstuk 49-50).
Merk nog op, hoe heerlijk de genade in Jozef werkt (hoofdstuk 45:7-8 en 50:17,19,20).

Het verschil tussen de profetie van Jakob en de profetie van Mozes.

Het lijkt me dat het verschil tussen de profetie van Jakob en die van Mozes met betrekking tot de twaalf stammen, dit is: De profetie van Jakob doelt in de allereerste plaats op de verantwoordelijkheid van de stamhoofden, zoals Ruben, Simeon en Levi; in de tweede plaats op de raadsbesluiten van God die Juda en Jozef op de eerste plaats stellen. Juda is de stamvader van de Heer wat betreft Zijn koninklijke macht en Jozef het type van Christus als Nazarener, gescheiden van zijn broeders en later verhoogd in heerlijkheid. De andere zonen van Jakob (als men Benjamin niet meetelt; Benjamin die “als een wolf verscheurt”), stellen ons enkele algemene karakters voor van de positie en de toestand van de stammen van Israël; Dan in de afbeelding van zijn slechtheid en zelfs van zijn karakter als verrader. Ik wil nog toevoegen, dat, behalve dat de koninklijke plaats van Juda als een onderscheiden stam wordt gehandhaafd tot Christus komt, het tot het eind van Issaschar de droevige geschiedenis van Israël is, in zijn verantwoordelijkheid en in alles wat hem overkomen is. Dan voegt hierbij verraderlijke ontrouw, zoals hij inderdaad ingevoerd heeft wat we “stam-afgoderij” zouden kunnen noemen. Dit brengt het geloof van Jakob ertoe uit te roepen: “Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE”, en genade begint te werken. Alles wat verder volgt is zegen en Christus de Herder en Steen van Israël.
De profetie van Mozes aan het einde van Deuteronomium geeft meer de geschiedenis van Israël zelf, in verband met het binnentrekken van het land Kanaän en het verlaten van de woestijn. Het priesterschap en het volk zijn twee punten, die er naar voren komen, hoewel aan Juda macht en een bijzondere zegening toegekend wordt.

Het morele karakter en de misstap van Israël; en het raadsbesluit van God

Maar laat ik over deze profetische zegening van Jakob nog enkele bijzonderheden geven, zodat het, naar ik hoop, wat duidelijker wordt.

In de stammen kunnen we de verantwoordelijkheid en de toekomst van Israël, als de eerstgeborene naar de natuur, zien. Ruben vertegenwoordigt Israël in dit karakter. Simeon en Levi die vervolgens komen en die hun recht met geweld willen handhaven, wat naar het vlees is, zijn niets beter. Dan komt het raadsbesluit met betrekking tot de Koning en tot de koninklijke stam, tot aan de komst van Christus, tot Wie alle volken zich zullen verzamelen. Jozef en Benjamin komen aan het slot. Jozef die ons Christus, persoonlijk verheerlijkt, voorstelt en Benjamin die het beeld is van Christus, die ten oordeel op de aarde komt. Jozef stelt ons Christus persoonlijk voor afgezonderd van zijn broeders, verheerlijkt en gezegend als erfgenaam van alles wat van God is. Hiervóór zien we Dan, die, hoewel erkend als een oordelende stam (en in hem zien we Israël ook), ons toch die afval en macht van Satan in Israël toont, die het overblijfsel noodzaakt, over het in elk opzicht ontrouw deel van het volk, heen te zien naar Degene die de Redder is. “Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE” (Genesis 49:18).

Verlossing komt er met de ware Jozef

Ik meen, dat we in de andere stammen een bijzondere tegenstelling zien tussen de toestand van Israël als een verdrukt volk vóór Christus, (Die op een volkomen wijze het karakter van Jozef in de heerlijkheid aanneemt en het geloof van het overblijfsel, dat tot uitdrukking wordt gebracht in vers 18 en verder, beantwoordt), en daarna. Op deze wijze, dus in de karakters van de stammen, hebben we de hele geschiedenis van Israël.

Juda en Jozef zijn al op een bijzondere wijze onderscheiden in de geschiedenis. Juda als borg voor Benjamin en met hem verbonden, en Jozef in zijn hele geschiedenis. Zó zien we, na Juda, in Zebulon en Issaschar, het volk Israël vermengd met de wereld, zich verliezend in zijn bezigheden aan de oevers van de zeeën, waar het zijn voordeel zoekt en zich slaaf maakt van deze wereld om zijn rust te vinden. Maar dit eindigt in Dan en in afval; zodat het overblijfsel, in de geest van de profetie, het heil verwacht dat met de ware Jozef moet komen. De wegen van hem die dit heil verwacht, zijn voorspoedig. Eens overwonnen, zal hij ten slotte triomferen. Zijn koren zal uitnemend zijn en zal hem koninklijke lekkernijen leveren in zijn eigen land, zonder dat hij ze zoekt door zich te vermengen met en te onderwerpen aan de wereld. Naftali staat in de vrijheid van God en geeft woorden, die vol genade zijn. In Jozef en in Benjamin zien we de bekroning van alle zegeningen, in het tweevoudig karakter van Christus, namelijk de hemelse erfgenaam van alle dingen, en de macht en de kracht op aarde om alles te onderwerpen.

Laten we zien, tot welke samenvatting van het hele tafereel men op deze wijze komt: Ruben, Simeon en Levi stellen ons het zedelijk karakter en de val van het verantwoordelijk Israël voor. Men ziet hierin, zoals altijd, verdorvenheid en gewelddadigheid. Zó is de mens. Vervolgens zien we het raadsbesluit van God in Juda. Hij blijft totdat Silo komt, aan Wie alle volken gehoorzaam zullen zijn, (of “tot Wie alle volken worden verzameld”). Maar toen Hij tot Juda kwam, werd Hij verworpen en er was van verzameling in het geheel geen sprake: de stokken “lieflijkheid” en “Samenbinders” werden verbroken (Zacharia 11).

Bevrijding en zegen door de afgezonderde en verheerlijkte hemelse Mens

Daarna was de toestand van Israël als volgt: het onderhield relaties met de volkeren (relaties die, als ze niet in de kracht van de Heer worden onderhouden, alleen verdorvenheid veroorzaken); vervolgens onderwierp het zich aan hun juk met het oog op de rust en de voorspoed; ten slotte is er afval, maar het wordt toch altijd als een volk erkend. En dan ziet het overblijfsel naar de enige bron van bevrijding en verwacht, niet het goede in Israël, maar de zaligheid van de zijde van God de Eeuwige, Jehova. Daarop komt de bevrijding en zegening voor Israël. Ten slotte wat we al gezien hebben als het tweevoudige karakter van Christus: Jozef, afgezonderd van zijn broers 28, en daarna verheerlijkt, stelt ons de verheerlijkte Hemelse Mens voor, aan Wie alles is toevertrouwd en Benjamin, de alles overwinnende Heer op aarde.

Israëls verleden en toekomst, in de profetische zegen die Jakob uitsprak

Samenvattend, hebben we in dit hoofdstuk de volledige geschiedenis van Israël op deze wijze: In de eerste plaats zijn val, de verdorvenheid en gewelddadigheid bij Ruben, Simeon en Levi, zoals we het al opgemerkt hebben. Dan komt Juda, of het voornemen van God in Zijn Volk, in verbinding met het koninklijke geslacht en Silo. Dit is zeer eenvoudig: “Tot hem zullen de volkeren vergaderd worden” (of gehoorzaam zijn) vers 10. Vervolgens worden ons Zebulon en Issaschar getoond, die zich vermengen met de volken en zich aan hen onderwerpen omdat ze zien op winst en voorspoed. Door Dan wordt de sluwheid van de satanische macht vertegenwoordigd, terwijl het geloof op het heil van Jahweh wacht. Dan komt Gad, Aser, Naftali, vervolgens Jozef en Benjamin, de vrucht en de macht van dit heil, als de Herder, de Steen van Israël, daar ook zal zijn en als de voorspoed van Israël zal overvloeien en de overwinnende macht hem (Israël) zal toebehoren.

De vrees (eerbied) voor God is de grondslag voor kracht en zegen van God

Persoonlijk was de vreze van God in Jozef, van het begin tot het einde. Dit is een beginsel van het hoogste belang en de werkelijke grondslag van kracht. Wat zijn heerlijkheid ook was, hij vergat Kanaän niet, noch de aardse belofte. Hij wil dat zijn beenderen naar dat land gebracht zullen worden. Hetzelfde kunnen we van Christus zeggen. Als Israël gestorven is, vergeeft Jozef zijn broeders hun boosheden en onderhoudt hen van zijn rijkdommen. Zo is het ook met Christus: Hij is verheven boven de boosheden en boven de gegronde vrees van hen, die Hem hebben verworpen. Hij wil Israël zegenen uit Zijn eigen bronnen van hemelse heerlijkheid. De Heer verhaaste dit in Zijn dag.

EINDE GENESIS

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Er is niets dat méér opvalt, dan de onderscheiden positie van de mens, van dat wezen waarin ook vervuld moesten worden de raadsbesluiten van God, Wiens vermakingen met de mensenkinderen zijn en die Zijn welbehagen in de mensen (dus niet alleen Zijn goedheid tegenover hen) heeft geopenbaard door het feit, dat Zijn Zoon mens geworden is. We vinden hier zonder twijfel de verantwoordelijke mens, maar het verschil dat er tussen hen en alle andere schepselen bestaat, komt bijzonder sterk naar voren. De dagen van het scheppen worden, vóórdat de mens genoemd wordt, besloten met de gebruikelijke uitdrukking: “En God zag dat het goed was”, (hoofdstuk 1:25). Dan wordt plechtig beraadslaagd een speciale plaats aan de mens te geven. God wil hem scheppen naar Zijn eigen beeld en naar Zijn eigen gelijkenis. Tot tweemaal toe vinden we de woorden: “En God schiep de mens naar Zijn (eigen) beeld”. Om van de mens eenvoudig een dier te maken zou iets afschuwelijks zijn, dat tegelijkertijd de tweevoudige nadrukkelijke verklaring van God Zelf teniet zou doen, en dus met deze uitspraak geen rekening zou houden. In de scheppingsorde is de mens onmiskenbaar de verwezenlijking van de wegen van God, hoewel dit pas in Christus ten volle vervuld is, zoals Psalm 8 ons dit ook toont. (Vergelijk Romeinen 5:14 en Hebreeën 2).

2 Jahweh Elohim is een persoonlijke naam, maar meer in het algemeen wil het ook zeggen: godheid. Het was belangrijk voor Israël te weten, dat zijn God de Schepper was van alle dingen. Toch wordt deze naam alleen gebruikt, als het gaat om de speciale wegen en relaties van God met de mens. Het maken van onderscheid tussen “Jehova” en “Elohim” documenten is kinderspel en komt hieruit voort, dat men totaal onwetend is inzake de gedachten en wegen van God. Er is altijd een reden voor het gebruiken van deze twee namen. ELOHIM wil eenvoudig zeggen: God. Jahweh is Hij, Die handelt en regeert in de tijd; Die steeds Dezelfde blijft, hoewel Hij met de mens in verbinding staat; Die is en Die was en Die komt.

3 In Eden vinden we deze twee grote beginselen, gehoorzaamheid en leven. De mens faalde, haalde de dood over zich, en was van het leven daar uitgesloten. De wet behandelde de mens niet als verloren, hoewel ze aantoonde dat hij het was, maar nam de twee beginselen als bestaande aan en maakte het leven afhankelijk van de gehoorzaamheid. Christus aanvaardde op het kruis de gevolgen van ons falen en is de bron van goddelijk leven voor ons; en dat in een nieuwe positie van opstanding.

4 Het verschil tussen het Priesterschap en de dienst van de Heer als Voorspraak zal, als we aan die plaatsen gekomen zijn, behandeld worden in de eerste brief van Johannes en in die aan de Hebreeën. Hier wil ik alleen opmerken, dat het Priesterschap betrekking heeft op de hulp voor de zwakheden en op de toegang tot God, terwijl de bemiddeling van de Voorspraak in verband staat met de zonden en met het herstel van gemeenschap.

5 Hij nam vijgenbladeren om uit menselijke schaamte zijn naaktheid te bedekken, maar toen God in de hof kwam was hij even naakt als voorheen. “Ik hoorde Uw stem in de hof en ik werd bevreesd, want ik ben naakt, en ik verborg mij”. De vijgenbladeren waren de bedekking van een mens, maar God bekleedde hen met vellen die door middel van de dood waren verkregen.

6 Wat Eva’s positie als iemand die de beloften geloofde ook was, bij Kaïns geboorte meende ze dat de vervulling van de belofte op menselijke wijze, dus volgens de natuur, zou plaatsvinden. Zo’n vervulling was evenwel niet mogelijk. De zonde en de dood hadden immers hun intrede gedaan en dit bracht met zich mee, dat het verwachten van de vervulling van de belofte op een natuurlijke wijze, een onmogelijkheid was (en zo werd over het verwachten van de belofte op die wijze het oordeel uitgesproken). “Ik heb een man van Jahweh ontvangen”, was geloof in de belofte, maar de verwachting van de vervulling op een natuurlijke wijze. Daarom kon Kaïn zich niet in de tegenwoordigheid van Jahweh handhaven, maar moest hij heengaan.

7 Kaïn wordt ons hier voor het eerst in zijn ware karakter getoond. Nod wil zeggen “zwerver”. God had Kaïn tot een zwerver gemaakt. Hij kiest een vaste woonplaats en noemt het land naar zijn naam, of ten minste naar de naam van zijn zoon, alsof het een erfdeel was. Hij verfraait de stad waarin hij woont met kunstvoorwerpen en veraangenaamt het leven erin door muzikaal genot. Dit beeld is onze aandacht waard.

8 Naar het mij lijkt, drukt het woord “verbond”, gebruikt in verbinding met Jehova, altijd de een of andere schikking of ordening uit, die door God is bepaald en die aan de mens wordt bekend gemaakt. Op grond van deze schikking treedt God dan in verbinding met de mens, maar tegelijkertijd geeft het de voorwaarden aan, waarop de mens tot God kan naderen.

9 De zonde openbaart zich in een drievoudig karakter, namelijk geweld, leugen en verdorvenheid. De eerste twee worden direct aan Satan toegeschreven en helaas volgen de mensen hem daarin. De derde is meer aan de mens eigen. Alle drie worden in Kolosse 3:5-9 genoemd. We zien ze in de eindtijd in de valse profeet, het beest en Babylon.

10 Van de opvatting, dat de mensen een toren wilden bouwen, die hoog genoeg was om aan een nieuwe zondvloed te ontsnappen, vinden we niet het minste spoor in dit schriftgedeelte. Het was een poging van de menselijke hoogmoed de mensen samen te brengen, om zich zó buiten God om, een centrum en een naam te maken. Het opkomen van een imperialistische macht en overheersing, waarin de individuele wil en volhardende heerskracht de overhand zou hebben, volgde hierna. Dit zijn twee trappen van ontwikkeling in het menselijk streven, waarbij God wordt uitgeschakeld.

11 Het is heerlijk om te zien, hoe God Zich op het Pinksterfeest boven deze verwarring en oordeel verheft. En hoe Hij zelfs in de gevolgen van het oordeel, het middel vindt om tot het hart van de mens te naderen. Op deze wijze verhief zich de genade boven het oordeel, al ging ze niet gepaard met de kracht die de wereld herschept.

12 In hoofdstuk 9 is alles nog eenvoudig “Elohim” – God, totdat we komen tot vers 26, waar we vinden: Jehova, de God van Sem.

13 Dit feit is in de geschiedenis van de mens na de zondvloed, treffend en kenmerkend. Het stelt duidelijk en onomstotelijk vast, wat de mens was geworden.

14 Te weten door de zondvloed. Er schijnt vóór deze tijd geen afgoderij geweest te zijn.

15 Het offer mag een instelling van God worden genoemd, maar het was persoonlijk. Er was nog geen gevestigd volk op aarde dat het eigendom van God was.

16 Deze laatste belofte wordt in de geschiedenis van Abraham alleen in hoofdstuk 22 herhaald en dan alleen met betrekking tot zijn zaad. De belofte van het land en een talrijk nageslacht wordt dikwijls tot hem en tot zijn zaad gericht. Het is de belofte, die in hoofdstuk 12 aan Abraham wordt gedaan en in hoofdstuk 26 aan zijn zaad wordt bevestigd, waarop de apostel zinspeelt in de Brief aan de Galaten. Het aardse nageslacht moest echter talrijk zijn.

17 Mogelijk is er hier een typische verwijzing naar Israël, dat nu in de wereld en ver van God verwijderd is. Maar al deze dingen zijn hun overkomen tot voorbeelden, en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op wie de einden van de eeuwen gekomen zijn. Abraham was ver van zijn altaar te Bethel verwijderd.

18 Dit is de afsluiting van de algemene geschiedenis van deze grote elementen van de wegen van God. Hemelse dingen zijn ongetwijfeld buiten het zicht, tenzij we achter het toneel kijken, waarheen het geloof van Abraham ging. Toch worden het pad van het geloof, de valstrik van de wereld, de morele overwinning van het onbaatzuchtige geloof, dat God en Zijn beloften tot zijn deel heeft, en zijn feitelijke eindoverwinning, en Gods bezit van hemel en aarde onder het Melchizédekpriesterschap van Christus, de Priester op Zijn troon, volledig duidelijk gemaakt, en het gehele tafereel wordt voltooid. Dit maakt de hoofdstukken 12-14 tot een afgerond gedeelte op zichzelf.

19 Deze verklaring van God houdt, naar ik denk, verband met de weigering van Abraham om iets van de wereld te nemen, wat we aan het eind van hoofdstuk 14 vinden.

20 Hoofdstuk 15 staat op zichzelf tussen de algemene beginselen die al behandeld zijn, en de geschiedkundige feiten die nu volgen, maar die, hoewel historisch, grote leidende beginselen laten zien, die, met uitzondering van Izaäk, met Israël en de aarde in verbinding staan. Het is de onvoorwaardelijke belofte betreffende Israël, het land en het verbond. In de hierna volgende hoofdstukken vinden we het beloofde zaad.

21 In hoofdstuk 12 zien we de weg van het geloof, hoewel met falen verbonden. Dit falen bestaat in het niet erkennen van de afgezonderde verhouding van het volk van God (de gemeente), met de erfgenaam van de wereld. In hoofdstuk 13-14 zien we de gelovige in de wereld geplaatst als zijn tegenwoordige plaats, de overwinning van de afgezonderden, het geloof, dat zelfs geen schoenriem van de wereld neemt, en in hoofdstuk 15 de openbaring van een talloos zaad en de plaats van Israël. In hoofdstuk 16 zien we de poging om de belofte in het vlees te bezitten (Hagar), zie Galaten.

22 Vers 12 lees ik aldus: “En vader van de besnijdenis (dat wil zeggen van de ware afzondering voor God, namelijk dié afzondering die door God wordt erkend), niet alleen voor hen die van de besnijdenis zijn, maar ook voor hen die wandelen in de voetstappen van Abrahams geloof, dat hij al bezat, toen hij nog niet besneden was”. Dit wil dus zeggen, dat God hen (gelovigen uit de heidenen) erkent als werkelijk te zijn besneden.

23 De besliste bevestiging “aan” (niet “in”) het zaad, is wat de apostel in Galaten toeschrijft aan het éne zaad, dat is Christus. De algemene belofte betreffende Israël was “een zaad als de sterren van de hemel in aantal”. Maar dit is de bevestiging aan het éne zaad, als hij opgewekt is, waarvan de belofte in hoofdstuk 12 was gegeven.

24 Hoewel de onderwerpen elkaar in het algemeen opvolgen staat hoofdstuk 25 niet in historische volgorde. Het woord “voer voort” (wederom) heeft geen werkelijke kracht. Het is een algemene opsomming van de nakomelingen van Abraham. Izaäk was de erfgenaam van zijn bezittingen. Hij gaf geschenken aan de zonen van zijn bijwijven en zond ze weg. Dan volgt zijn dood en daarna zijn twee bekende zonen. Maar Ismaël de zoon naar het vlees het eerst. En dan gaat met Izaäk en Jakob de goddelijke geschiedenis verder.

25 In het algemeen is Abraham de oorsprong van alle beloften en het voorbeeld van het leven van het geloof. Izaäk is de “hemelse mens” (Christus), die de Gemeente ontvangt. Jakob het beeld van Israël, de erfgenaam van de beloften naar het vlees.

26 In Johannes 1 is Christus het voorwerp; de ladder dient alleen om beide delen van het tafereel met elkaar te verbinden.

27 Dit is het onderwerp van Romeinen 11:28-33. In vers 31 lezen we: “Zo hebben nu ook dezen niet geloofd dat u barmhartigheid [verkregen hebt], opdat ook <zij> nu barmhartigheid verkrijgen”. Ze hadden de belofte verloren en konden hem nu op geen andere wijze ontvangen dan een heiden; dat is op grond van vrije genade.

28 Dit is het wat Jozef ook in het boek Deuteronomium kenmerkt.