11. 2 Samuël

11. 2 Samuël · uit de ‘Synopsis’ deel 2 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

In het tweede boek van Samuel zien we de definitieve bevestiging van David in het koningschap, en daarna de ellende van zijn huis, nadat de voorspoed de deur voor de eigen wil had geopend.
De weg van het geloof en de daarmee verbonden moeilijkheden, is de weg, waarop we met God wandelen, en waar we de overwinningen vieren, waarvan Zijn tegenwoordigheid ons verzekert. Een toestand van voorspoed stelt op duidelijke wijze in het licht hoe weinig de mens in staat is van deze voorspoed te genieten zonder dat deze voor hem een strik wordt. Als de voorspoed niet in de weg van het geloof en in de kracht van het geloof genoten wordt, komt het kwaad, dat in het hart aanwezig is, spoedig in de wandel naar voren. Vergelijk 2 Samuel 22 (het lied waarmee David de weg van de moeilijkheden afsluit) eens met hoofdstuk 23, waarin we zijn laatste woorden lezen die hij gesproken heeft, nadat hij de door zijn geloof verkregen voorspoed en heerlijkheden genoten had, met de ervaringen ermee verbonden.

Hoofdstuk 1

Toch waren de vroomheid en de godvruchtige (en daardoor edelmoedige) gevoelens in David oprecht. Hij huichelde niet, toen zijn hart ontroerd werd door de dood van Saul, om daarna zonder wroeging het koninkrijk in bezit te nemen toen Saul er niet meer was. Bij het ontvangen van het bericht, dat Saul gestorven is, wordt zijn hart werkelijk week. En wee de verharde mens, die, aangespoord door de hoop op een beloning, dacht dat hij de drager van goede berichten was, toen hij David van deze dood op de hoogte stelde. Wat Saul geweest mocht zijn: hij was voor David de koning van Israël. Welke fouten hij ook gemaakt had: hij was een ongelukkige koning. Hij had van David gehouden en deze had in zijn huis gewoond, waar de bezoeking van de koning zich openbaarde en het respect afdwong van allen die zo dicht bij hem waren. En al had Saul David zonder oorzaak vervolgd: het viel David op dit ogenblik gemakkelijk dat te vergeten. David wil bij de dood van Saul alleen aan datgene denken, wat hem, die gevallen was, kon eren. En bovenal denkt hij eraan, dat het de gezalfde van de Heere en het volk van Jahweh is, dié voor hun vijanden gevallen zijn.

Op bevel van David wordt de man gedood, die door zelfzucht misleid, zichzelf veroordeelde vanwege het gemis aan vreze Gods en elk goed en edel gevoel. Want David vreest God, en de gezalfde van God heeft in zijn ogen grote waarde. Hij stort zijn hart uit voor God in roerende bewoordingen van smart. Op een aandoenlijke wijze somt hij alles op wat Saul kon eren. Hij laat de tedere en liefdevolle gevoelens, die in zijn hart zijn, de vrije loop. Een mooi tafereel van de vruchten van de Geest van God! Maar ook zien we, dat hij de moed niet verliest, want het geloof is werkzaam in hem. Deze nederlaag doet hem verdriet, maar geeft hem tevens de gelegenheid om anderen voor een dergelijk onheil te bewaren. Hij leert Juda de boog, dat wil zeggen hij leert hen het gebruik van dit wapen, waardoor Saul was gevallen. David wandelt, in zijn ootmoed, nog steeds goed. Hij vraagt aan Jahweh of hij naar Juda zal optrekken, en naar welke plaats. En Jahweh leidt hem. David betuigt ook aan de inwoners van Jabes-Gilead zijn voldoening over hun gedrag ten opzichte van Saul.

Hoofdstuk 2-4

Maar de strijd houdt nog niet op. Als deze niet tegen de vijanden van buiten gestreden wordt, dan is het tegen de vijanden van binnen. Zij, die willen vasthouden aan de vleselijke belangen van Saul, steunen David niet. Maar in de grond van de zaak is nu toch alles anders geworden. Want Isboseth was niet de gezalfde van de Heere, en zijn regering is in feite opstand tegen God. Door zijn oversten voert David oorlog tegen hem.

Maar helaas! De geschiedenis van deze periode voert ons op de wegen van de mens. We zien hier niet meer de David, die de weg van het geloof bewandelt. Maar Joab treedt meer en meer naar voren, de vaardige, eerzuchtige, bloeddorstige en harteloze man. En tevens zien we Abner, die in zedelijk opzicht de meerdere van Joab is, maar die op vleselijke wijze, als een partijman, tegen de koning strijdt die door God is uitverkoren. Abner is verbonden met Isboseth, zoals Joab met David. Nadat de trots van Abner gekwetst is, kiest deze de kant van David, maar Joab doodt hem uit afgunst, en niet minder om de dood van zijn broeder te wreken. En waarin openbaart zich nu de dapperheid in deze “legerplaats van sterke mannen”? Waarin bestaat de moed van de oversten van Benjamin en Juda? Dat de een de ander doodt! Men heeft de Filistijnen vergeten! En toch was de familie van Saul in het ongelijk. In haar zien we de natuurlijke mens, die zich met zijn vermeende rechten niet aan God en Zijn wil onderwerpt.
Zoals David begint met alles aan zich te onderwerpen, zo zal ook Christus, de koning van Juda, nadat Hij Zijn regering zal hebben aangevangen, alles wat rondom Hem is onderwerpen. Maar het is goed om erop te letten, dat David in dit alles niet op de voorgrond treedt. Joab is meer de handelende persoon, en door de bijzonderheden, die ons hier worden gegeven, lijkt het me, dat het kwaad hier al begint. Ik zie niet dat David Jahweh heeft gevraagd, en Joab heeft het zeker niet gedaan. Want deze laatste was niets meer dan een goddeloos mens, die inzag dat het wijzer was God te eerbiedigen en niet al te ver van Hem verwijderd te zijn, om zijn hartstochten te kunnen botvieren. Maar dit was geen beletsel, dat hij ten slotte in zijn eigen netten werd gevangen. En alles wel beschouwd, is het koningschap niet in handen van David gekomen door de kracht van Joab, maar door de gekwetste trots van Abner. Als hoofd van de partij van Isboseth, maaide deze laatste ten slotte wat hij gezaaid had. Maar hoe droevig is dit alles!

In Zijn voorzienigheid vervult God Zijn voornemens en David heeft voorspoed. In de strijd, die David in deze periode als verhoogde koning voert, is hij in het algemeen een beeld van de Heer Jezus. En ik twijfel er niet aan, dat de vestiging van het koningschap van Christus een werk is, dat na Zijn verschijning stuk voor stuk in vervulling zal gaan. Hiervan getuigen de profetieën van Zacharia en het vijfde hoofdstuk van Micha.
Maar historisch bezien is de geschiedenis, die we bestuderen, zoals ik al zei die van mensen. Bij de dood van Isboseth toont David zijn rechtvaardigheid, en bij het vermoorden van Abner openbaart hij de gevoelens, die een man Gods betamen. Maar niettemin zien we in hoofdstuk 3:39 de zwakheid van de mens als werktuig van de regering van God. David doet een beroep op de God van het oordeel.

Hoofdstuk 5

De verkiezing van de gezalfde van God gaat noodzakelijkerwijs vooraf aan zijn vestiging op de plaats, die Jahweh had verkoren. En het is nog vanzelfsprekender, dat deze verkiezing aan de rust van de gezalfde van Jahweh voorafgaat. Dit is waar, wat Christus zelf betreft, alleen was het in genade, dat Hij hier beneden kwam.
Gedurende zevenenhalf jaar is David koning van Juda in Hebron. Daarna wordt hij, na de dood van Isboseth, koning over geheel Israël. Maar nu zien we hem niet meer als een man van geloof zoals vroeger, toen hij als overste van de legerscharen van Israël in afhankelijkheid van God wandelde en de ondernemingen leidde, die vanwege Israëls omstandigheden van het geloof werden gevraagd. Hij is nu een koning, die verhogen kan wie hij wil. We zien al spoedig de mens op de voorgrond treden. Weliswaar de mens vol energie, maar niet de mens Gods. “Hij die de watergang zal bereiken, zal een beloning ontvangen” zegt de koning, “en hij zal hoofd en bevelhebber worden” (vers 8). Joab bereikt dit doel en verwerft daardoor zekere rechten op David 1.
Niettemin wordt David in het algemeen genomen door God geleid, en hij neemt de stad in, die God voor Zijn troon op aarde heeft uitverkoren. In dit verband zegt hij dat “die kreupelen en blinden door David met heel zijn ziel worden gehaat”. En inderdaad, zij, die in het bezit zijn van de ware zetel van de macht van God, van de plaats, die Hij liefheeft, en die, op hun vleselijke kracht vertrouwend, de koning weerstaan, die God heeft uitverkoren, en met hem de spot drijven, zijn meer te haten dan alle anderen. Vandaar dat ze gehaat worden door hen, die de Geest bezitten van Hem, Die Zijn troon op aarde vestigt.
Het is goed om hierop te merken, dat David niet alleen een beeld is van Christus in Zijn verwerping, maar ook een beeld is van de verhoogde Christus, Die Zijn macht in de strijd openbaart, wanneer Hij het koninkrijk vestigt. Salomo is een beeld van Christus die in het duizendjarig vrederijk regeert. De oorlogen van David met de Filistijnen komen na de inname van Jeruzalem en na de algehele onderwerping van Israël aan David. Als Jeruzalem wordt ingenomen regeert David nog niet. En ook Christus zal nog niet regeren als Hij Jeruzalem in bezit zal nemen. Als Christus neerdaalt van de hemel, zal Hij eerst de Antichrist vernietigen. En daarna zal Hij, door middel van Zijn eigen volk, de vijanden van Israël verdelgen, na Zijn troon in Jeruzalem gevestigd te hebben, (vergelijk Zacharia 9-10). Ik wil bij deze dingen niet lang stilstaan, maar zal me beperken tot het geven van de grote lijnen, die ons door het Woord worden gegeven.

David vestigt zich in Sion. Hij wordt erkend door de welgezinde heidenen. Hij is er zich ook van bewust, dat God hem tot koning heeft aangesteld. Maar het natuurlijk hart laat zich al spoedig zien. Als hij van de zijde van Jahweh in zijn koningschap bevestigd is, doet hij wat hij wil en handelt naar eigen goeddunken, (vergelijk Deuteronomium 17:17).
Maar de bevestiging van zijn troon vernietigt nog niet de hoop van zijn oude vijanden 2. Integendeel, het wekt hun afgunst op. Zij kennen de arm van zijn sterkte niet, noch het raadsbesluit van Jahweh, die hem heeft verhoogd. Ze gaan hun ondergang tegemoet. En hier vinden we de man Gods weer terug. Het gevaar heeft hem weer waakzaam gemaakt. Hier is David weer een type van de Heer, die naar Jahweh vraagt en Zijn Woord gehoorzaamt. Hij behaalt glansrijke overwinningen onder de leiding van God, Wiens kracht voor hem uitgaat en zijn vijanden op de vlucht jaagt. Hij geeft dan ook God in alles de eer.

Hoofdstuk 6

God heeft nu een koning gevestigd en deze tegelijkertijd gesteld als de zegevierende leidsman van Zijn volk. Maar de banden van het verbond zijn nog niet hersteld. De Ark is nog steeds daar, waar de persoonlijke vroomheid van enkelen haar had bewaard, nadat God Zelf verplicht was Zijn heerlijkheid te handhaven. En David wil de Ark daar brengen, waar nu zijn troon gevestigd is. Hij wil dat Jahweh van de legermachten, die tussen de cherubim woont, geëerd wordt, en dat Deze tevens de heerlijkheid van de troon van Israëls koning zal zijn. Want naar zijn gedachten zijn deze twee dingen met elkaar verbonden. In al deze dingen wordt het koningschap van Melchizedek nog niet uitgeoefend. Zelfs nog niet in het type. Want Melchizedek is koning van Salem, dat wil zeggen koning van de vrede. Maar nu handhaaft God zelf nog Zijn heerlijkheid. Hij kon David, de uitverkoren en gezalfde koning, wel zegenen, maar de stand van zaken, die alles onder het gezag van de koning verenigde, was nog niet gekomen. Deze zou eerst later, onder Salomo, worden gevestigd.

Israël had deze door God gewilde orde moeten erkennen. Maar zelfs als David de eer van God zoekt, denkt hij toch aan zichzelf, en er is ten slotte niets anders aanwezig dan een gebrekkige nabootsing van wat de Filistijnse priesters hadden gedaan onder de indruk van de vrees voor Jahweh. En de uitwerking van dit alles was al zeer ongelukkig. Wat de mens gemaakt heeft, wil hij ook ondersteunen. Maar terwijl hij dit doet, tast hij de heerlijkheid van Jahweh aan, en valt voor Zijn majesteit. Jahweh handhaaft Zijn heerlijkheid. Hij woont nog niet in het midden van Zijn volk.
Verdrietig en tegelijkertijd bevreesd, laat David de Ark in het huis van Obed-Edom brengen. Hij zocht werkelijk de heerlijkheid van Jahweh, hoewel hij de volle omvang ervan niet verstond, en daardoor de majesteit vergeten had van Hem, die hij dichter bij zich wenste te hebben. In Obed-Edom laat de Heer hem zien, dat het Zijn bedoeling uiteindelijk is om te zegenen, als men Zijn majesteit maar niet op zo’n wijze vergeet, dat men over Hem beschikt zoals men dat zelf verkiest. Als men Zijn heerlijkheid aantast zal Hij deze handhaven, zoals Hij ook anderzijds laat zien, wie Hij is door de zegen die Hij geeft. Het hart en de liefde van David worden weer versterkt en hersteld. Hij laat de Ark uit het huis van Obed-Edom wegdragen en plaatst deze dan in een tent die hij voor haar heeft gespannen. Hier zien we niemand anders dan David, en we zien hem hier bekleed met de efod. Hij is het hoofd van zijn volk, als hij de betrekking 3 van dit volk met zijn God herstelt. En hij doet dit met vreugde, met lofzangen en met offers. Hij zegent ook het volk, en is in dit alles een merkwaardig beeld van de Heer Jezus en van wat Deze in de laatste dagen in Israël zal vervullen.
Dit alles was evenwel niet het bouwen van de tempel, een werk dat bewaard bleef voor de vredekoning. We zien hier de koning, die door het geloof, als priester naar de ordening van Melchizedek, tot op een zekere hoogte handelt, zonder dat de zegen en de orde, die aan deze titel verbonden zijn, nog waren gevestigd. De koning offert offeranden. Hij zegent het volk. Als hun enig hoofd, had hij geheel Israël verenigd en hun vijanden verslagen.
Maar alles wel beschouwd, was dit een overgangstijd. De Ark van het verbond bevond zich nog in de tent. David had gezegevierd, maar hij genoot van de vrede alleen als van een voorbijgaande zaak. De vestiging van de Ark op de berg Sion is evenwel van bijzondere betekenis. Want Sion was de berg van de koninklijke genade, waar de koning, die geleden had, zijn troon met betrekking tot Israël in macht en genade had gevestigd. En dit geeft ons de sleutel voor Openbaring 14. Het komt me voor, dat we in dit boek het Lam altijd zien als de Messias, Die geleden heeft, maar die ook gezeten is in de troon van God in afwachting van de openbaring van Zijn heerlijkheid. In dit karakter is Hij op de troon gezeten, hoewel Hij heel wat voortreffelijker dingen vervuld heeft. Want het heil voor zondaars en de gemeente zijn belangrijker dingen dan het koninkrijk. En het is duidelijk dat we ons hier nu met het koninkrijk bezighouden. Ik twijfel er niet aan, of de honderdvierenveertigduizend, die zich met het Lam op de berg Sion bevinden, zijn zij, die voor de Messias hebben geleden in de geest van Zijn eigen lijden te midden van Israël. Zij zijn met Hem in Zijn koninklijke positie in Sion, en ze volgen Hem overal waarheen Hij gaat. In zedelijk opzicht zijn ze dicht genoeg bij de hemel, om het lied dat men er zingt, te leren. Niemand anders op de aarde kan dit lied leren. Ze zijn de eerstelingen van de aarde. Ze zijn niet in de hemel.
Dit laat ook Hebreeën 12:22 zien. Daar zien we Sion in tegenstelling met Sinaï, waar het volk onder hun eigen verantwoordelijkheid geplaatst was, terwijl het vanwege de wet beangst was voor de tegenwoordigheid van Jahweh. Maar in de aangehaalde Schriftplaats is Sion op zeer duidelijke wijze onderscheiden van het hemelse Jeruzalem 4.

Ik twijfel er niet aan, of er zal in het einde een soortgelijke betrekking bestaan tussen Christus en het overblijfsel van Zijn volk, dat Hem heeft verwacht. Het is een tijdperk waarin de Heer Jezus op een volkomen wijze zegeviert en als koning in macht handelt, maar nog niet in vrede regeert. In deze periode vormt, ontwikkelt en vestigt Hij door Zijn overwinningen de relaties van de Zijnen met Hem in Zijn koninkrijk op de aarde, en in overeenstemming met de rechten, die hieruit voortvloeien, onderwerpt Hij Zijn vijanden aan Zich. Ook de Psalmen verduidelijken ons dit gedeelte van Zijn regering, zowel profetisch gezien als in het type (zie Psalm 110). Nadat Hij de Heer van David, aan de rechterhand van de majesteit in de hemelen heeft gezet, zegt de Heilige Geest: “De HEERE strekt Uw machtige scepter uit vanuit Sion en zegt: Heers te midden van Uw vijanden. Uw volk is zeer gewillig op de dag van Uw kracht, getooid met heilig sieraad; uit de baarmoeder van de dageraad (de nieuwe morgen van Zijn heerlijkheid) is voor U de dauw van Uw jeugd” (van de jonge mensen die Hem volgen zullen). Deze gehele Psalm laat dezelfde gedachte zien: Het door strijd groeiende koninkrijk van Christus, dat Sion als een door God gekozen zetel en uitgangspunt heeft van waaruit Zijn macht zich zal openbaren in de overwinningsoorlogen van de Messias.
Laten we op dit laatste punt nog even terugkomen.
Na de afval van Israël te hebben beschreven, laat Psalm 78:65 ons de Heer zien, die ontwaakt. Maar Hij stelt alle rechten op het erfdeel, en het getuigenis van Zijn vorige handelingen met Israël terzijde. Want Jozef (1 Kronieken 5) bezat het eerstgeboorterecht. “Hij verkoos de stam Juda, de berg Sion, die Hij liefhad. Hij verkoos Zijn dienaar David en haalde hem bij de schaapskooien vandaan,” enzovoort (Psalm 78:68,70). Deze Psalm maakt weliswaar melding van Zijn heiligdom, maar de berg waarop het is gebouwd wordt nooit als een voorwerp van de uitverkiezing van God beschouwd. Deze Psalm gaat veel verder dan de historie, waar we ons nu mee bezighouden maar de uitverkiezing wordt op David en op Sion toegepast.

Psalm 132 geeft ons juist de gevoelens weer, die David door de Geest werden ingegeven, toen hij de Ark op de berg Sion had geplaatst. Het was slechts een tent, maar deze behoorde toe aan de Machtige van Jakob op aarde. En Jahweh heeft Sion verkoren. Daar zal de hoorn van David uitspruiten.
Merk hierop, dat het antwoord van Jahweh elke keer de vraag en de wens van David overtreft. Een mooi getuigenis van de goedheid van God. De rust van Jahweh is in het midden van Zijn volk. Hier wil Hij van deze rust genieten, in het midden van de Zijnen, hoewel Hij Zijn heerlijkheid in de tempel vestigt, en het daar de plaats is waar ieder van deze heerlijkheid spreekt. In de woestijn had deze heerlijkheid geen plaats van rust gevonden. Israël was op reis, en Jahweh, Die in het midden van het volk woonde, ging voor Israël heen om een rustplaats voor hen te zoeken (Numeri 10:33). Ook in Silo was dit niet het geval, want daar hing de rust in het midden van Zijn volk af van hun getrouwheid. “Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo, … Hij gaf Zijn macht over in gevangenschap, Zijn luister in de hand van de tegenstander” (Psalm 78:60,61). Alleen door uitverkiezing en genade (vervuld door middel van hem, die was “een verkorene uit het volk” Psalm 89:20) wordt de rust van God in het midden van de Zijnen gevestigd.
Er dient nog één opmerking gemaakt te worden met betrekking tot Psalm 132. We hebben gezien dat God Zijn majesteit in Zijn regering handhaaft en niet toestaat dat iemand Zijn ark aanraakt. Hij laat David de tijd om te leren, dat God een God van zegen en genade is. Maar hoe goed de bedoelingen van de Zijnen ook mogen zijn, het is nodig dat de waarheid (dus wat Hijzelf is) duidelijk gezien wordt in Zijn openbare wegen. Als het anders was, als Zijn regering niet vast was (Psalm 89:15), zou alles in verval geraken. De mens zou door zijn lichtvaardigheid steeds de weg van zijn eigen wil bewandelen. Weliswaar is God vol geduld en handelt Hij, na de relaties tussen Zijn volk en Zich te hebben gevestigd, zolang mogelijk in overeenstemming met deze relaties, al moet Hij ook tegelijkertijd kastijden. Maar ten slotte komt toch het oordeel.
In het geval, dat ons bezighoudt, had God deze relaties verbroken, die oorspronkelijk gevestigd waren door Zijn aanwezigheid tussen de Cherubim. Hij had Zijn sterkte in de gevangenis gegeven en Zijn heerlijkheid in handen van de vijand. Maar de zegevierende David geeft Hem Zijn plaats terug, en dit geschiedt op grond van een nieuw beginsel: op dat van genade en macht. Niettemin, als we Psalm 132 onderzoeken, dan ontdekken we nog diepere gevoelens. We zien een hart, dat God verheerlijkt wil zien in het midden van Zijn volk. En dit op een meer geopenbaarde en een vertrouwelijker manier dan de uiterlijke praal en de gevolgen ervan, waaraan Israël kon deelnemen. God beantwoordt deze gevoelens op een geheel andere wijze dan door de dood van Uzza. Het is waar, dat Psalm 132 (zoals dit door verzen 11-12 wordt bewezen) geschreven werd, na de treffende mededelingen die in 2 Samuel 7 zijn geopenbaard. Niettemin leert deze Psalm ons in welke geest David de Ark haalde. En ook, dat het de vurige wens van zijn hart was “een plaats voor Jahweh” te vinden.5 Zoals we al hebben gezien, zal dit door Christus vervuld worden (vergelijk Exodus 29:46). Nu komt het me voor, dat juist het zich bewust zijn van deze wens de aanleiding was, dat David deze fout maakte. Wat is toch de mens! Hij tracht een vrome wens, die hij heeft, te vervullen, en vergeet voor een ogenblik de hoogste heerlijkheid van God, de zonde, waardoor God Zich van het volk had moeten verwijderen, en de met God verbonden Majesteit. Als God overeenkomstig de eisen van Zijn heerlijkheid handelt, en de mens slaat, die David geholpen had om de wens van zijn hart te vervullen, wordt David daarover ontstemd. De dood van Uzza was het gevolg van het gedrag van David, en deze komt nu in opstand tegen Jahweh. Het is wel duidelijk dat hier het vlees werkzaam is. Maar daarna maakt God David opmerkzaam op alles wat in overeenstemming is met de dienst van de God van Israël, (1 Kronieken 15:12-13) 6 en Hij verkwikt zijn ziel door hem te laten zien, dat Hij de ware bron van zegen is en dat met de terugkeer van de ark ook de zegen terugkeert.
Zoals Psalm 132 ons laat zien, handhaaft David in zijn verheven positie met liefde en toewijding het bewustzijn van de heerlijkheid van Jahweh. Hij neemt hier een zedelijk schone plaats in, en dit is van bijzondere betekenis, met het oog op de goddelijke bedelingen. De plaats, die Salomo tijdens de inwijding van de tempel inneemt, stelt ons ongetwijfeld een nog treffender tafereel voor. Daar zien we het priesterschap van Melchizedek in zijn eenvoud en volkomenheid, maar dit was de vrucht van de vervulling van de zegen. En de zedelijke toestand van hen, die erin deelden, was niet zozeer de vrucht van diepe gevoelens van het hart en van innige gemeenschap met God als gevolg daarvan. Deze toestand was dus veel minder aan een verstandelijke verwachting van Christus verbonden. Salomo geniet van de verwezenlijking van de heerlijkheid, terwijl David deze door het geloof verwachtte, namelijk de werkelijke vervulling ervan in Christus. Salomo heeft geen hogere bron dan het geloof van David en de verantwoordelijkheid van het volk, die eruit voortvloeide. En dit alles met de tempel als middelpunt. David komt tot een hogere trap. Hij verstaat de bedoeling van God in verband met de zetel van het koningschap van Jahweh. En als dat op een gegeven moment geloof eist, wordt hij, voor zover dit mogelijk is, de koninklijke priester.

Als gevolg daarvan verheft zijn geloof zich tot God zelf, Die de bron is van dit priesterlijke koningschap. Door God onderwezen, heeft hij verstaan, dat Sion als zetel van de koninklijke heerlijkheid van Christus uitverkoren was. En in deze zin lijkt mij zijn zedelijke positie, toen hij voor de ark danste als mens van weinig aanzien en tot schande in de ogen van de wereld, van verhevener aard te zijn geweest dan die van Salomo op zijn koperen podium.

De ark is dus het teken, dat de macht van God in het midden van Zijn volk door deze zedelijke band hersteld is. Maar dit herstel is gekomen door de overwinning en de energie van David, de triomfator over zijn vijanden, en dus niet louter door van de heerlijkheid te genieten. In dit alles zien we een type van wat Christus in de toekomst zal doen.
In deze gehele geschiedenis (we spreken hier niet van zijn persoonlijke tekortkomingen) is David een type van Christus. Terwijl de moeilijkheden bestaan, vestigt hij de relaties van het volk met God. Vóór het vrederijk begint en voordat de macht alle ergernissen heeft verwijderd, zegent en verzadigt hij het volk, zoals Melchizedek dat heeft gedaan. De zegen vloeit voort uit zijn persoon, ondanks de aanwezigheid van de tegenstand en ondanks elke moeilijkheid. De positie, die David steeds inneemt, is die van een dienstknecht. Door genade de directe dienstknecht van God. Hij is geen priester op zijn troon. Maar de koning maakt zichzelf priester, terwijl hij nog steeds zijn dienst vervult.
Samuel was met een linnen efod bekleed als iemand, die Jahweh was toegewijd. Dit was de priesterlijke kleding, maar hij was geen priester van de orde van Aäron. Hij diende in de tabernakel door genade en door de Geest, als een persoon, die uitverkoren en door God afgezonderd was. Hij nam de rechte plaats in, maar van Gods kant was het genade. Want de donkere nacht van het “Ikabod” bedreigde het volk al met zijn duisternis.
Maar hier zien we een koning, die, terwijl hij deze plaats inneemt, de efod van de priester aandoet. Dus niet de kleding, die God aan de priesters tot heerlijkheid en tot sieraad gegeven had, maar die, waarin de priester een beeld was van de persoon van Christus als priester 7 en die verbonden waren met het wezen van zijn dienst 8. Feitelijk nam hij meer de plaats in van een Leviet, dat wil zeggen hij werd geheiligd om vóór de Ark, voor het aangezicht van Jahweh, te dienen. De overheersende gedachte, die met de efod verbonden is, is wel deze, dat hij, die dit kledingstuk aandoet, zich voor Gods aangezicht stelt. Maar zelfs als Melchizedek zich tot God wendt, stelt hij zichzelf nog eerder voor het volk, hoewel hij ten behoeve van het volk voor het aangezicht van God als koning en priester op zijn troon is.

Nadat de koning zijn offers gebracht heeft zegent hij het volk. De Filistijnen, de Syriërs en de andere volken moesten nog worden onderworpen. Maar de banden van het volk met God waren door de koning in Sion in zekerheid gevestigd en werden op dezelfde wijze gehandhaafd, hoewel de Ark, waarop deze verbinding gegrond was, zich nog steeds onder de gordijnen bevond. De zegen was ook verzekerd door de koning zelf, die het teken van het verbond en de uitverkoren koning had samengevoegd op de plaats, die door God uitverkoren was. Maar hij was nog steeds een dienaar. De efod behoorde niet zozeer bij Melchizedek. Maar door Jahweh, die het volk had bewaard, te eren, handhaafde hij, die de efod droeg als priester, de zegen van het volk bij God. Michal, die naar de geest van haar vader Saul alleen maar droomde van een aardse heerlijkheid, kan in dit alles niet delen. Vernedering voor Jahweh was haar onbegrijpelijk. Zij heeft nooit Zijn heerlijkheid verstaan, noch de blijdschap van het kennen van Hem als de enige Meester van het hart. Wat bij Saul hoort kan niet delen in de regering van David. Het weet ook niet te lijden met een verworpen en verachte koning. Dus alles samengenomen, zien we hier de aan Jahweh en het volk toegewijde koning, die het volk de zegen verzekert en meedeelt. Dus nog niet een koning, die boven alle dingen gekenmerkt wordt door het genot van een gevestigde zegen. Deze toestand zullen we bij Salomo vinden. Naar het mij lijkt, stelt de eerste van deze twee toestanden ons Christus voor, zoals Hij altijd in beginsel en naar recht was; en in het bijzonder zoals Hij zal zijn na de vernietiging van de Antichrist, en vóór de verdelging van Zijn vijanden die zich nog tegen de vestiging van het vrederijk zullen verzetten. Zijn volk, dat wil zeggen geheel Israël, zal onder Hem verenigd worden. De scepter van Zijn sterkte zal uit Sion voortkomen en Hij zal in het midden van Zijn vijanden heersen (Psalm 110). Maar het zal dan nog niet de vervulling zijn van Psalm 72, noch van Zacharia 6:12-13. Vergelijk ook nog Psalm 2, waar Christus wordt gezien als de Zoon van God, geboren op aarde, en waar Zijn rechten op de aarde (die eruit voortvloeien) door God worden erkend en aan de koningen van de aarde worden bekendgemaakt.
In Psalm 110 zien we Christus gezeten aan de rechterhand van God, terwijl Hij wacht dat Zijn vijanden gesteld zullen worden tot een voetbank van Zijn voeten.
In Psalm 8 is Hij de Zoon des mensen en alle dingen zijn Hem onderworpen.
Onder Salomo geniet Israël al het goede, dat Jahweh aan Salomo en aan David gegeven had. Maar hier geeft David persoonlijk wat nodig is om het volk te verzadigen. Hij voorziet een ieder van een “goed deel” 9. Dan keert hij terug om zijn huis te zegenen, want David heeft een eigen huis, waarheen hij terugkeert na Israël te hebben gezegend. Dat huis is hem nader dan Israël zelf. Zoals we al hebben gezien, kon Michal hiertoe niet behoren. David vindt er zijn blijdschap in, zich voor Jahweh te vernederen. Maar hoe vernietigend is zijn antwoord aan Michal, als hij haar bestraft!

Hoofdstuk 7

David ijvert voor de heerlijkheid van Jahweh, en wil niet in een huis van cederhout wonen terwijl Jahweh in een tent woont. Hij wenst Hem een huis te bouwen. Dit was inderdaad een goede wens, maar toch kon God hem niet verhoren. Het bouwen van de tempel zou het werk zijn van de Vredevorst. David is een type van de lijdende en overwinnende Christus, en bijgevolg niet degene, die naar een recht, dat niemand meer bestrijdt, van het aardse koninkrijk geniet, en waarbij de poorten van de tempel, waar de Heer van de gerechtigheid wordt aangebeden, voor alle volken geopend worden. We zien hem dus nu weer in zijn persoonlijke positie, waarin God hem op zeer bijzondere wijze heeft gezegend. David was meer dan een type. Hij was de stamvader van het geslacht, waaruit de Christus moest voortkomen. Dat leert ons dat mooie hoofdstuk 7. Hij was een uitverkoren vat om de belangen van het volk van God in het lijden te behartigen, en om in het midden van dat volk de heerlijkheid van de Naam van Jahweh (verzen 8,9) weer te herstellen. Jahweh was met hem geweest. Hij had op een bijzondere wijze eer en heerlijkheid ontvangen. En vanwege zijn trouw is hij nu ook een vat van belofte van de toekomstige vrede en voorspoed, die naar de raadsbesluiten van God voor Israël zullen komen. Maar dit waren nog toekomstige dingen. De voortzetting van het koningschap over Israël wordt bevestigd in zijn familie, die God zou kastijden als er reden toe was, maar die door Hem niet zou worden afgesneden. De zoon van David zou het huis bouwen. Al ten tijde van de uittocht (Exodus 15:2) 10, was het de gedachte van de geestelijke mens, om Jahweh een woning te bouwen. Maar hiervoor was de Messias nodig. Tot zolang was Israël een zwerver, en God met hem.
Nu volgen de voornaamste punten van de openbaring die aan David is gegeven, en van zijn antwoord: Gods soevereine roeping; wat God voor David gedaan heeft; de zekerheid van de toekomstige rust voor Israël; de vestiging (van Gods kant) van het huis van David; Zijn zoon zou Zoon van God zijn; hij zou het huis bouwen; de troon van zijn Zoon zou voor altijd gevestigd blijven.
De eerste gedachte van David gold niet zijn blijdschap, maar de verheerlijking van God. Dit is altijd zo wanneer de Geest van God werkzaam is. De opvallende karaktertrekken van zijn dankzegging zijn de volgende: Hij is in vrede en in vrijheid voor Gods aangezicht. Hij gaat tot Hem in en is voor Hem gezeten. Hij erkent tegelijkertijd zijn kleinheid en hoe onwaardig hij geweest was voor alles, wat God al had gedaan.

Toch was dit maar weinig in de ogen van God, die hem de toekomstige heerlijkheid van zijn huis had aangekondigd. Dit was Gods wijze van doen, en niet van de mens. Wat kon David verder nog zeggen? God kende hem, en hierin lag zijn vertrouwen en zijn blijdschap. Hij erkende dat God deze dingen “in waarheid en naar Zijn hart” deed. Het was genade, om Zijn dienstknecht dit mee te delen. Het doel van dit alles was, David de voortreffelijkheid van Jahweh te doen erkennen. Niemand was er zoals Hij. En op de aarde was er niets te vergelijken met Zijn uitverkoren volk, dat Hij voor Zichzelf had verlost en dat Hij nu bevestigd had, opdat Israël voor altijd Zijn volk en Hijzelf hun God zou zijn. Het meest verheven gebed is wel dat, waarvan de oorsprong niet ligt in onze eigen behoeften, maar in de verlangens en het inzicht, die voortgebracht worden door de openbaring van de raadsbesluiten van God, die Hij in liefde, ten behoeve van Zijn volk en voor de heerlijkheid van Christus vervullen wil. Ten slotte vraagt hij, of zijn huis de plaats mag zijn van de zegen van God. In één woord, hij wenst dat het voornemen van God, dat al zijn genegenheid had opgewekt, vervuld mag worden door Jahweh zelf, Die dit alles aan Zijn dienstknecht had geopenbaard.

Hoofdstuk 8-9

Als David volkomen bevrijd is van “de twisten van zijn volk” 11 oefent hij zijn macht uit door zijn vijanden aan zich te onderwerpen. De Filistijnen, die binnen het grondgebied van Israël woonden, worden onderworpen. METHEGAMMA wil zeggen: “breidel van de hoofdstad”. David hield de sleutel van de macht. Moab wordt onderworpen en schatplichtig gemaakt. Ten slotte worden ook de Syriërs, de vijanden van buiten, overwonnen of onderwerpen zich. De Edomieten worden David tot knechten, en Jahweh bewaart David overal waar hij heen gaat.
In dit alles zien we nog eens de man van het geloof en het beeld van de Heer Jezus, de Koning van Sion, Die de overwinning behaalt over de vijanden van Israël, en het volk in het bezit stelt van het beloofde land (Genesis 15:18) tot aan de Eufraat toe. Hij bestemt de buit voor Jahweh. Hij regeert over geheel Israël en oefent recht en gerechtigheid uit over het gehele volk. De medegenoten van zijn pelgrimschap delen nu in de heerlijkheid van Zijn koninkrijk. In dit alles zien we weer het beeld van de regering van Christus.
Hij handelt ook in genade ten aanzien van het vernederd overblijfsel van het huis van Saul. En al is Mefiboseth niet verbonden met de heerlijkheid van zijn koninkrijk, hij geniet toch het voorrecht dat hij aan de tafel van de koning aanzit. David handelt vriendelijk tegenover hem, hoewel Mefiboseth tot de familie van zijn vijand en vervolger behoort. Maar tegelijkertijd behoort hij ook tot dat kleine overblijfsel, dat de door God uitverkoren koning begunstigde en daarom zelf door hen, die de macht hadden, werd gehaat. Hij genoot ook ten volle van het erfdeel van zijn familie.
Dit treffende getuigenis van de goedheid en trouw van David toont ons, naar mij voorkomt, het tafereel van de relaties van Christus met het overblijfsel van Israël of tenminste van de geest van deze relaties. Het was “Gods weldadigheid” die de familie van Saul, de vijand van het koningschap, zocht, en die blijft rusten op de vertegenwoordiger van Jonathan, wiens geschiedenis we gelezen hebben. Jonathan is een beeld van hen, die zich met het oog op het koninkrijk, bij de Heer Jezus willen voegen, maar die in hun gedachten niet verder gaan dan dit begrip. Het overblijfsel geniet van wat de vestiging van het koninkrijk heeft bewerkt. Maar we vinden het niet bij degenen, die de troon zullen omringen, na het lijden van de miskende en verworpen koning te hebben gedeeld.

Hoofdstuk 10

We zullen bij de bijzonderheden van dit hoofdstuk niet stilstaan. Het laat ons het algemene beginsel zien van de regering van de koning in Sion. Als de genade wordt miskend door hen aan wie deze genade zich heeft geopenbaard, volgt het oordeel van de koning. De tegenstand en de opstand maken alleen maar, dat zijn gezag wordt gevestigd, zelfs daar, waar men hem weerstaat. Het is nutteloos tegen de macht van de door God uitverkoren koning te strijden.

Hoofdstuk 11-12

Nu volgt de geschiedenis van David en de vrouw van Uria. David handelt niet meer door het geloof in de dienst van God. Als het jaargetijde er weer is dat de koningen ten strijde trekken, blijft David op zijn gemak thuis en stuurt anderen in zijn plaats om de strijd van Jahweh te strijden. Als hij zo op zijn gemak is en de ledigheid hem kenmerkt, valt hij gemakkelijk in de zonde. Dit was hem ook overkomen toen hij rust zocht te midden van de Filistijnen. Hij was niet meer in de positie, waarin het geloof hem had geplaatst.
Hoe dichter David bij God was, hoe meer zijn pogingen faalden, om zijn zonde te bedekken. Als hij voor een ogenblik, bij wijze van straf, aan zichzelf is overgelaten, voegt hij aan de eerste zonde nog een tweede toe. Hij brengt ook deze ten uitvoer met alle gevolgen, die ermee verbonden zijn, als door het niet aanwezig zijn van hindernissen aan zijn handelwijze een schijn van wettigheid wordt verleend. Wat een treurige geschiedenis! Wat een onwaardigheid! Hij vergeet zijn positie van koning; en wel van een koning, die door God was bevestigd. Was dat regeren in gerechtigheid, als hij van zijn koninklijke macht misbruik maakt en Uria onderdrukt? Hij maakt zich een slaaf van de ellendige Joab, door deze medeplichtig te maken aan zijn ongerechtigheid. Hoe verlaagt hij zich! Toen hij als een patrijs op de bergen werd voortgedreven was hij gelukkiger! Toen had hij een levend geloof en een goed geweten! Maar wie kan zich voor het oog van God verbergen? En God, Die hem kent, en hem bemint, laat dan ook niet na om zijn zonde te bezoeken.
Deze zonde was zeer groot. David had haar heimelijk bedreven. God straft hem voor de ogen van geheel Israël. Hij heeft God niet verheerlijkt, noch, terwijl hij in Zijn Naam regeerde, het ware getuigenis van het wezen van Gods koninkrijk gehandhaafd. Integendeel, hij heeft het karakter van het koninkrijk vervalst. En nu zal God zelf voor de ogen van iedereen de grondtrekken van dat koninkrijk laten zien door de straf, die Hij gaat uitoefenen over hem, die Hem zo had onteerd, en die het enige getuigenis, dat God voor de ogen van de mensen van Zijn regering had gegeven, had weggenomen.
Deze geschiedenis laat ons zien, in welke mate de zonde het hart verblindt, zelfs dan, als het zedelijk oordeel gezond blijft; en toont ons tevens de macht van het Woord van God. God toont tegelijkertijd de soevereiniteit van Zijn genade. Want hoewel David gestraft wordt door de dood van het kind, wordt toch het tweede kind, dat Bathseba hem baart, de uitverkorene van God. Dit kind wordt koning en hoofd van de koninklijke familie; de man van de vrede en van de zegen, de geliefde van Jahweh. David buigt zich onder de hand van God. Hij buigt zich in het diepst van zijn gevoelens. Hij verstaat deze straf veel beter dan zijn dienstknechten, hoewel hij schuldiger was dan zij. Hij handelt op passende wijze, naar het geestelijk inzicht dat hij heeft. Er is vertrouwen op God en een innige omgang met Hem. Daarom opent David Hem het meest gevoelige deel van zijn hart, namelijk de plaats waar God hem had geraakt. Want als hij de wil van God eenmaal weet, onderwerpt hij zich volkomen.
Men ziet hier op duidelijke wijze het werk van de Geest. Het is dezelfde Geest, die in de Heiland in Gethsemane werkte, hoewel de aanleiding tot en de uitgestrektheid van Zijn lijden niet alleen geheel verschillend, maar ook van een volkomen andere betekenis was. Maar het hart is volkomen open voor God, en de onderwerping is eveneens volkomen zodra de wil van God wordt gekend.

De zonde van David was buitengewoon groot, maar men ziet in hem op duidelijke wijze het kostbare werk van de Geest. Verward door de eenvoudige trouw van Uria, kan hij aan de hand van Gods regering niet ontsnappen. David ontvangt vergeving, want hij belijdt zijn zonde. Maar ten aanzien van Zijn regering toont God Zich onverbiddelijk. Want hoewel God David als koning spaart (hij verdiende toch de dood), kondigt Hij hem aan, dat het zwaard van zijn huis niet zou wijken. Iets dergelijks zagen we ook bij de ontrouw van Jakob. De straf van David beantwoordt dus aan zijn zonde, (vergelijk verzen 10 en 12 met de geschiedenis van Absalom). Voor David bestaat de straf hierin, dat het kind sterft. Voor deze straf is hij zeer gevoelig. Het openbaar oordeel van al wat er is gebeurd vindt plaats in het volle licht en vóór geheel Israël; precies zoals God het had gezegd.
Het is mogelijk, dat de Ammonieten een streng oordeel hadden verdiend, en dat dit tijdstip juist het ogenblik was van hun oordeel. Ze waren de onbeschaamde vijanden van de koning, die door God was bevestigd en die tegenover hen zeer welwillend was geweest. Maar wat de persoonlijke toestand van David betreft, weet ik niet, of hij zijn vijanden op dezelfde wijze zou behandeld hebben, toen hijzelf op de smalle weg van het geloof wandelde. Als type doet dit rechtvaardig oordeel ons denken aan het rechtvaardig oordeel van de Messias, en aan de ontzettende gevolgen, veroorzaakt door het feit, dat men Hem heeft veracht en zelfs in Zijn heerlijkheid heeft bespot. Het laat ons eveneens zien, dat als een volk rijp is voor het oordeel, God dit oordeel over hen brengt. Zelfs dan, als de mensen in genade zoeken te handelen.

Hoofdstuk 13-20

Nadat David God vergeten had, en zich niet volkomen afhankelijk van Hem had gevoeld, komt al gauw de ellende over zijn huis. Hij had meerdere vrouwen genomen. De wortel van bitterheid spruit opwaarts en brengt bittere vruchten voort.
In de grond van de zaak had David voor God een oprecht hart, en een vroomheid, waardoor God op volkomen wijze werd erkend. Maar nu hij eenmaal, ten gevolge van de zegeningen, waarmee God hem had overladen, de weg van de nederige gehoorzaamheid (door het geloof en het bewustzijn van de tegenwoordigheid van God gewerkt) verlaten heeft, door te midden van deze zegeningen naar zijn eigen wil te handelen, heeft hij het einde van zijn dagen bitter gemaakt. Er is zonde in zijn huis, toorn ten opzichte van deze zonde, en tevens weifeling, omdat hij partijdig was ten opzichte van Absalom. Joab verschijnt op het toneel, zoals dit steeds gebeurt als men intriges en boosaardigheden in deze geschiedenis ontmoet. En dit is alles wat er van deze treurige geschiedenis van Amnon en Absalom te zeggen valt.
De partijdigheid van David voor Absalom heeft nog andere, meer pijnlijke gevolgen, en veroorzaakt bovendien nog zware straffen. Het is droevig te zien hoe de overwinnaar van Goliath uit zijn eigen huis en van zijn troon wordt verjaagd door zijn geliefde zoon. En dit alles onder de hand van God. Want als God dit niet had toegestaan, wie zou dan de uitverkorene van God van de koninklijke zetel, waarop God hem had geplaatst, kunnen verjagen? Het zwaard was in zijn huis, in overeenstemming met het Woord van God, dat scherper is dan enig tweesnijdend zwaard. Hoe rechtvaardig is God toch! Maar Hij kastijdt degene, die Hij liefheeft. Hoewel we hier de openbaring van de rechtvaardige regering van God zien, geeft dit alles aan David voldoende gelegenheid om zijn hart te oefenen en God in Zijn wezen meer en beter te leren kennen. Want de ware en hemelse band van het hart met God werd in hem gevonden, zodat al zijn moeiten geestelijke vruchten droegen, hoewel ze door zijn fouten waren voortgebracht.
Ook in dit opzicht (hoewel de oorzaak van zijn droefheid een geheel andere was dan die van de Zaligmaker) wordt David, in het lijden, het beeld van de lijdende Christus, en tevens de persoon, waardoor Zijn medelijden met Zijn volk tot uitdrukking wordt gebracht. Dit was hier zelfs nog meer het geval, omdat met een trouw hart, en in zekere zin met een ten aanzien van God volkomen oprechtheid, de fouten en zonden van de koning aanleiding gaven tot die belijdenissen, en tot die verootmoediging, die de Geest van Christus in het overblijfsel van Israël zal werken. Hij laat enerzijds zijn oprechtheid zien, terwijl hij anderzijds zijn fouten belijdt. Welnu, dit alles zal Christus de Zijnen laten uitspreken. En dit is het ook, wat Hij voor hen uitspreekt.

We moeten er evenwel aan denken, dat het niet David zelf is, die als een man Gods in de Psalmen spreekt, maar dat de Geest hem deze dingen laat zeggen. En het is voor ons zeer kostelijk te weten dat in omstandigheden, waarin ons geloof in gebreke zou blijven, en het hart ontmoedigd zou kunnen worden, het Woord datgene geeft, wat de ware uitdrukking is van het geloof van iemand, die mogelijk ontrouw is geweest. Het is een kostbaar getuigenis. God verwerpt ons in zo’n toestand zelfs niet, en Christus heeft medelijden met ons. Vandaar dat Hij ons uitdrukkingen en gevoelens geeft, die bij een dergelijke toestand passend zijn. Deze gevoelens vinden we in de Psalmen, en heel in het bijzonder in verband met de toestand van het overblijfsel van Israël in de laatste dagen. Oprechtheid van hart en belijdenis van zonde, dat is het waardoor het overblijfsel zal worden gekenmerkt. De Geest van Christus geeft de gevoelens en de verzekering van Zijn medelijden. Psalm 16 geeft ons op treffende wijze deze positie van Christus weer. Zijn goedheid strekt zich niet uit tot God. Hij neemt niet Zijn goddelijke plaats van gelijkheid met God in. Hij noemt Jahweh Zijn Heer; maar van de heiligen die op de aarde zijn zegt Hij: “In hen vind ik al mijn vreugde” (Psalm 16:3). Door Zijn doop, die hiervan de uitdrukking was, verbindt Hij zich met Israël. Niet met Israël in zijn zonde, maar wel met de eerste werkingen van de Geest, die in het overblijfsel het antwoord zullen zijn op de veroordeling van het volk. Dit is het beginsel van de Psalmen: de oprechte en getrouwe mens, die als voorwerp van de raadsbesluiten en plannen van God wandelt te midden van het verdorven volk. Het boek begint met het door God gemaakte onderscheid. Dan laat het ons de koning van Sion zien naar het besluit van God, maar verworpen door het volk en gehaat door de volken, die het volk onderdrukken. Dit alles ontwikkelt zich door velerlei omstandigheden. En alle relaties van het overblijfsel, en ook alle gevoelens van het hart worden erin beschreven. Alles wat hierop betrekking heeft wordt nauwkeurig door de hand en de pen van God beschreven, en wel overeenkomstig de Geest en het medegevoel van Christus.

Hoofdstuk 20

Met dit hoofdstuk eindigt dit gedeelte van de geschiedenis van David en ook zijn geschiedenis in het algemeen. Hij wordt weer op zijn troon bevestigd en zegeviert over alle krachtsinspanningen van zijn vijanden en over de opstand in het midden van zijn eigen volk. De orde aan zijn hof en met zijn officieren is weer in vrede hersteld, terwijl nog diverse andere bijzonderheden door de Geest van God worden toegevoegd.

Hoofdstuk 21-22

Ten eerste zien we de regering van God, bij David en het volk, door middel van de Gibeonieten, in herinnering gebracht. God vergeet niets, en bij Hem draagt alles vrucht. Omdat de regeringsorde van God gevestigd is, is het niet meer nodig dat David het huis van Saul nog langer vervolgt. Er is een rechtvaardig oordeel van God, een zedelijk beginsel dat boven elke gevestigde orde uitgaat.
Met een formele en vleselijke ijver, hoewel voor God, had Saul eertijds niet in de vreze Gods gehandeld. Dit onderscheidt een goddelijke ijver in bijzondere mate van een ijver die slechts ten behoeve van de uiterlijke belangen van Zijn koninkrijk wordt aangewend. Saul denkt niet aan de eed, die Israël aan de Gibeonieten had gedaan, maar God denkt er wel aan en wil deze arme mensen niet verachten. En nadat David God gevraagd had waarom Israël zo’n driemaal herhaalde kastijding was opgelegd, houdt hij er eveneens rekening mee, en onderwerpt zich aan de eisen van de Gibeonieten. Maar als hij het verzoek van de Gibeonieten inwilligt, vraagt hij niet aan Jahweh om raad.
We staan hier tegenover de regering van God in betrekking tot het huis van Saul, en tegenover de handelwijze van Saul ten aanzien van hen, die onrechtvaardig behandeld waren. Maar hoewel deze handeling rechtvaardig en eerlijk was: als David Jahweh geraadpleegd had, zou er misschien een beter middel gevonden zijn om gerechtigheid te oefenen.
Behalve een klein overblijfsel, dat met David was verbonden, gaat het gehele huis van Saul ten onder. De trouwe en roerende liefde van Rizpa herinnert David aan de glansrijkste ogenblikken uit de levensloop van de ongelukkige Saul. En hieraan denkende, zorgt hij voor een eervolle begrafenis van diens gebeente. Na deze dingen zien we dat God het land genadig is.
Het geloof kan met een slinger en een steen zijn vijanden overwinnen. Het vlees daarentegen raakt bij aanvallen van de vijand het spoor bijster. Zoals we al gezien hebben, gaf David toen hij koning was geworden, zich meer aan zijn begeerten en eigen wil over dan toen hij de lijdende was. Toch is het mooi om te zien, dat daar waar het geloof te midden van het verval van het volk handelde, het ook zeer veel andere werktuigen heeft verwekt. En deze, bezield en bemoedigd door het succes van het geloof, zijn zonder vrees en met dezelfde kracht werkzaam geweest als hij, die de eerste overwinning behaalde. We moeten evenwel opmerken, dat het behalen van overwinningen op machtige vijanden, in een tijd waarin geheel Israël vertrouwde op de behaalde successen en met alle kracht zijn helden steunt, iets geheel anders is dan het bezitten van geloof, dat op God vertrouwt als de kracht en het succes bij de vijand is en het volk vlucht zodra het de vijand ziet. Het laatste hebben we gezien bij David toen hij Goliath versloeg, en het eerste zien we bij de sterke mannen die de reuzen gedood hebben.

Het lied, dat ons in hoofdstuk 22 beschreven is, leert ons belangrijke lessen. Met een overwinningsgezang komt David uit zijn lijden en smart te voorschijn. In zijn lijden had hij geleerd wie God was. Hij herdenkt alles wat God voor hem is geweest; alles wat hij in zijn noden en gevaren in Hem had gevonden; de uitwerking van de macht van God ten behoeve van hem; en het heerlijke en gezegende resultaat van die macht. Al deze dingen worden tot uitdrukking gebracht in het lied, dat de uitdrukking is van wat in Christus eerst volkomen vervuld zal worden.

Hoofdstuk 23-24

Hier bezingt David zijn voorspoed. Maar wat een verschil! Weliswaar zegt hij wat Christus zal zijn als Hij regeren zal, en hij doet dat in de mooiste bewoordingen. De geest wordt erdoor opgeheven en in gedachten verplaatst naar de regering van Christus; naar het “toekomstige aardrijk waarover wij spreken”. Maar dan komt de smartelijke uitdrukking erbij: “Hoewel mijn huis zo niet is bij God”.
In het eerste van deze twee liederen (hoofdstuk 22) is er iets wat heel belangrijk is. David spreekt hier als profeet. En zoals we al meer gezien hebben, stelt hij ook hier de Heer Jezus weer voor. De Heer Jezus in verbinding met Israël. Deze Psalm laat ons het lijden van Christus zien als de oorzaak van de verlossing uit Egypte, en van alle zegeningen voor Israël, tot aan de vestiging van de Messiaanse heerlijkheid in de toekomende eeuw toe. Christus vertegenwoordigt hier Israël, en spreekt vaak over het volk, alsof Hijzelf dat volk was, terwijl op het lijden een verlossing volgt, die alle andere verlossingen verre overtreft. David omgeeft het sterven van Christus met de gehele geschiedenis van Israëls verlossing en zegen, van Pithom en Raamses af (Exodus 1:11), tot aan de vernietiging van de “man des gewelds” aan het einde van de dagen, en de onderwerping van de volken aan de scepter van de Messias. Hun nood in Egypte heeft Hij op bijzondere wijze beantwoord! In hoofdstuk 23 is het eeuwig verbond dat God met hem gevestigd heeft, al zijn heil en vreugde, hoewel God het in die tijd “nog niet laat opkomen”. Voor de volle zegen, die hij verwachtte, was het nodig dat het oordeel werd uitgevoerd. En deze doornen van ongerechtigheid zouden “ter plekke volledig verbrand worden.” Bij de verschijning van Christus zal dat dan ook gebeuren.

Als David door God wordt geëerd en verheerlijkt, worden zij evenmin vergeten, die door de kracht van het geloof van David rondom hem vergaderd zijn geworden. De Heilige Geest telt de dappere mannen van David en verhaalt hun moedige en toegewijde daden; daden, waardoor hun een plaats en een naam wordt gegeven als God de volken opschrijft (Psalm 87). Joab wordt bij dezen niet gevonden.

Hoofdstuk 24

Het onderwerp dat we hier vinden, vraagt een bijzondere aantekening. De toorn van God ontbrandt opnieuw tegen Israël. Het is niet de bedoeling van de Heilige Geest, om ons te laten zien waarom deze toorn ontbrandde, maar om ons de wegen van God te laten zien in Zijn regering en in Zijn genade. In het vorige hoofdstuk toonde God ons de dappere mannen. Zij stellen de medegenoten van de ware David voor in heerlijkheid. Hier zien we Zijn genade die de toorn doet ophouden om Zijn zegen daarvoor in de plaats te geven.
God straft de trots en weerspannigheid van Israël, door hen over te laten aan de ingeving van Davids natuurlijk hart. De bekwaamheid en het goede verstand van Joab hadden de dwaasheid ervan opgemerkt. Want als het vlees in anderen werkzaam is kan men het gemakkelijk onderscheiden. Joab zag in, dat het de moeite niet waard was om God te miskennen, als er niets bij te winnen was. Want in dit geval heeft het vlees vrees voor God. Maar de zaak was van Jahweh, en Satan bereikt er zijn doel mee.
Wat baat inderdaad de goede wil van de mens tegen de op bestraffing gerichte wil van God en tegen de boosheid van Satan? Het is een ernstige zaak aan zijn wil te zijn overgeleverd. Negen maanden van zonde van de zijde van David en van geduld aan Gods kant, laten ons de noodlottige invloed van de vijand zien. Maar het geweten van David ontwaakt niet eerder, dan nadat het kwaad is bedreven. Het genot van de vruchten van de zonde ontnuchtert ons. Maar zolang we voortgaan met zondigen, worden onze zielen verleid. Nadat Satan erin geslaagd is de kinderen van God het kwaad te laten volbrengen, waarmee hij hen heeft verzocht, houdt hij niet langer de waardeloosheid en de dwaasheid van dit alles voor hen verborgen. Gelukkig dat daar, waar leven is, het geweten zijn overwicht weer krijgt.
Evenwel moet de zonde, die ondanks zo’n langdurig geduld was voortgezet, door bestraffing worden gevolgd. Maar God, die het geweten van Zijn dienstknecht raakt, gebruikt diens oprechte liefde, om Zijn soeverein doel te bereiken. David laat dit onfeilbare teken van een hart dat de Heer kent, zien – een boven alles verheven vertrouwen op God, wat het hem ook mag kosten. Want hij zegt: “Laat mij toch in de hand van de HEERE vallen.” Wat een zoete en kostelijke gedachte, van wat de Heer voor de Zijnen is! En hoe weet Hij het hart de zekerheid te geven, dat Hij zijn vertrouwen verdient! Zelfs als Hij straft, is God liefdevoller, zachtmoediger, getrouwer, en meer vertrouwen waard dan elk ander. Dan breekt de pest uit. Maar te midden van het oordeel denkt God aan Zijn barmhartigheid en beveelt de engel van het verderf zijn hand, die al over Jeruzalem was uitgestrekt, terug te trekken. Het is Jeruzalem, de stad van Zijn verkiezing, die Zijn belangstelling heeft. God had deze stad uitverkoren als de plaats, waar Zijn altaar moest worden gebouwd en Zijn genade zou worden geopenbaard; dus als plaats van verzoening. Hier houdt Zijn toorn, die overigens terecht tegen Israël ontstoken was, op. En juist de zonde is de aanleiding geweest, dat de plaats ingesteld en het werk bevestigd wordt, waarop Hij Zijn volk kan ontmoeten in overeenstemming met de genade, die de zonde heeft weggedaan. Dit kenmerkt het kruis van Christus. En dit zal ook de plaag in Israël doen ophouden, en de regering van de ware Vredevorst inleiden. David staat op de bres voor de bevrijding van zijn volk. Op zijn kosten, (vers 24) en in overeenstemming met de raadsbesluiten van God, brengt hij als type het offer, dat de toorn van God moet stillen.

Bij de beschouwing van het eerste boek van de Kronieken, zullen we vollediger op dit laatste gedeelte van de geschiedenis van David ingaan. Maar is het niet treffend, dat dit boek, na de gehele geschiedenis van het bestuur van God ten aanzien van David weergegeven te hebben, eindigt met het verzoenend offer, dat door genade de toorn tegenhoudt en de grondslag wordt van de plaats, waar God en Israël elkaar ontmoeten kunnen en het volk zal aanbidden?

EINDE 2 SAMUEL

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 2.5

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Het is voor allen duidelijk dat Joab bekwaam en ondernemend was, maar het is opmerkelijk, dat hij niet voorkomt onder de mannen die zich onderscheiden hebben door in het oog lopende daden toen het persoonlijk geloof voor de heerlijkheid van God moest strijden. Maar als het erom gaat om hoofd of overste te worden, (een plaats, die David tot dusver had ingenomen) dan treedt Joab onmiddellijk op de voorgrond.

2 Uit veel profetieën van het Oude Testament is het duidelijk, dat hetzelfde gezien zal worden als Christus terug zal komen op aarde. De mens zal zich dan tot het uiterste verheffen, maar gaat tevens zijn haastig verderf tegemoet.

3 Ik zeg: “de betrekking”, omdat de Ark van het Verbond inderdaad de uiterlijke band was; het teken van de formele betrekking tussen God en Israël. Dit maakt de omstandigheid, die we hier bestuderen zeer belangrijk. Want het verlies van de Ark was het “Ikabod” voor het volk geweest.

4 De vorm, waarin Hebreeën 12:22 geschreven is, laat ons duidelijk het onderscheid tussen de verschillende delen zien. Het woord “en” scheidt ze van elkaar. “[[De]] berg Sion; en tot [de] stad van [de] levende God, [het] hemelse Jeruzalem; en tot tienduizenden van engelen, [de] algemene vergadering; en tot [de] gemeente van [de] eerstgeborenen, die in [de] hemelen staan opgeschreven, en tot God, [de] Rechter van allen; enzovoort”

5 Wij kunnen Exodus 15:2 in de Engelse vertaling hiermee vergelijken, hoewel de vertaling twijfelachtig is. Maar zie Exodus 29:46.

6 Dit wordt in Samuel niet vermeld omdat David door de Geest van God hier wordt voorgesteld als een beeld van de Heer Jezus.

7 De hogepriester schijnt, nadat zijn zonen op de dag van hun wijding vreemd vuur hadden geofferd, zijn kleding van heerlijkheid en versiering nooit gedragen te hebben in het heilige der heiligen. Op de grote verzoendag alleen ging hij er binnen, en dan in de linnen kleren.

8 Dit priesterschap wordt nu door Christus uitgeoefend. In zijn kleren van heerlijkheid zal Hij uit het Heilige der heiligen komen. Als persoon is Hij nu al gekroond met heerlijkheid en eer, maar “alle dingen” zijn Hem nog niet onderworpen, en Hij heeft Zijn troon van Melchizedek nog niet, die inderdaad op aarde zal zijn. Nu zit Hij nog in de troon van Zijn Vader, terwijl Zijn mede-erfgenamen bijeenvergaderd worden.

9 Psalm 2 laat ons de Koning zien, Die op de heilige berg Sion bevestigd is; de Zoon van God, verwekt in de tijd en als zodanig door Jahweh erkend. (Een onderscheiden waarheid van Zijn betrekking als Zoon, één met de Vader voordat de wereld was; een leer, die we in Johannes 1; Hebreeën 1; Kolosse 1, en op andere plaatsen vinden. Hoewel ik niet geloof dat het eerste zonder het tweede mogelijk was. Toch laat het “daarom” van Lukas 1:35 het als een onderscheiden waarheid zien, en is het Zoonschap op deze plaats ook een waarheid van het grootste belang). De koningen van de aarde worden dan opgeroepen om zich aan Hem te onderwerpen. Psalm 8 spreekt van Hem als de Zoon des mensen, aan Wie alle dingen onderworpen zijn naar de eeuwige raadsbesluiten van God. In Psalm 110 zien we, dat Hij, Die miskend en verworpen was, nu verhoogd is aan de rechterhand van God, en moet heersen in het midden van Zijn vijanden. Vergelijk verder Psalm 24 en 102. In de eerste Psalm wordt Hij als Jahweh van de legermachten erkend; als de Koning der eer, nadat Hij Zijn vijanden zal hebben overwonnen. In Psalm 102 zien we Hem als de Schepper zelf.

10 De vertaling van Exodus 15:2 is zeer aanvechtbaar; het was echter de gedachte van God. Zie Exodus 29:46.

11 Vergelijk Psalm 18:44, waar Christus de lijdende rechtvaardige, (onder het beeld van David) de bron is van alle zegeningen voor Israël, te beginnen bij Egypte en tot het einde toe.