17. Nehemia

17. Nehemia · uit de ‘Synopsis’ deel 2 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Hoofdstuk 1-8

Het boek Nehemia heeft maar weinig opmerkingen nodig. Toch is het goed het belang van dit boek vast te stellen. Het is een noodzakelijke schakel in de geschiedenis van Gods wegen, in die opsomming van Zijn lankmoedigheid en goedheid tegenover Jeruzalem, dat Hij had uitverkoren.

In Ezra hebben we gezien hoe de tempel herbouwd en het gezag van de wet hersteld werd onder het volk, dat opnieuw van de volken afgescheiden en voor God was afgezonderd. In Nehemia zien we hoe de muren van Jeruzalem worden opgebouwd, en het herstel van wat men zou kunnen noemen de burgerlijke staat van het volk. Dit alles echter in omstandigheden die de onderwerping van het volk aan de volkeren definitief vastleggen.

Door genade had het geloof het altaar weer hersteld, en de volkeren hadden hierin geen enkel aandeel, behalve dan in vrijwillige dienst. Maar bij de wederopbouw van de stad is het de stadhouder – aangesteld door de volkeren – die een overheersende rol speelt. Want God had het hart van deze volkeren geraakt en hen gewillig gemaakt om Zijn volk te bevoordelen. Men ziet bij Nehemia zelf een hart, dat door de ellende van zijn volk is bewogen: een kostbaar bewijs van Gods genade. En Hij Die dit gevoel had bewerkt, maakt het hart van de koning bereid om Nehemia alles te geven wat deze in zijn hart had voor het welzijn van het volk en van Jeruzalem. Ook zien we bij Nehemia een hart, dat zich uit vaste gewoonte naar God keert, en dat zijn kracht in Hem zoekt en zo de grootste moeilijkheden overwint.

De tijd waarin Nehemia voor het welzijn van zijn volk heeft gewerkt, was niet een van die schitterende perioden die – als er geloof is – zelfs de energie van de mens opwekken en hem er de luister van schenken. Het was een tijd die de volharding eiste die voortkomt uit een diepe belangstelling voor het volk van God, omdat het Zijn volk is. Een volharding die – om dezelfde reden – haar doel najaagt door alle miskenning heen die een werk moet verduren dat uiterlijk zo onbetekenend is, maar toch Gods werk is. Een volharding die dit doel nastreeft, ondanks alle haat en tegenstand van de vijanden, en ontmoediging van medearbeiders (hoofdstuk 4:8,10,11). Een volharding die – door zich volkomen aan het werk te geven – alle kwade praktijken van de vijanden verijdelt en alle valstrikken vermijdt, omdat God zorgt voor hen die op Hem vertrouwen.

Het is ook een mooie kant van Nehemia’s karakter dat, ondanks zijn hoge positie, alle bijzonderheden van de dienst en alles wat verband hield met de rechtschapen wandel van Gods volk, zo na aan zijn hart lagen.
Toch voelt men – zelfs te midden van deze getrouwheid – de invloed van de heidense macht, die de gehele stand van zaken controleert. De komst van Nehemia – ja, zelfs zijn houding – dragen het stempel van deze invloed. Het was niet uitsluitend geloof dat werkte, maar ook een beschermende macht (vergelijk Ezra 8:22 – Nehemia 2:7-9). Toch wordt de afscheiding van alles wat niet Joods was, met zorg gehandhaafd (2:20; 7:65; 9:2; 10:30; 13:1-3,29,30).
Deze geschiedenis laat ons eerst zien hoe het geloof, als God handelt, zijn stempel zet op allen die het omringen. De Joden die het verwoeste Jeruzalem zo’n lange tijd geleden hadden verlaten, zijn graag bereid weer aan het werk te gaan. Juda is echter ontmoedigd door de moeilijkheden. En nu zien we de volharding die het ware geloof kenmerkt als het werk van God is, hoe klein en arm dit werk ook mag lijken. Het hele hart is erin, omdat het van God is. Bemoedigd door de wilskracht van Nehemia, is het volk bereid te werken en tegelijkertijd te strijden. Want geloof ziet in het hart altijd God en Zijn volk als één geheel. En dat wordt een bron van toewijding voor allen die het aangaat.

Laten we nog opmerken, dat in moeilijke tijden het geloof zich niet laat zien in de luister van het resultaat, maar in de liefde voor het werk van God, hoe klein dit ook is. En ook in de volharding waarin men het werk doet, door alle moeilijkheden heen die met deze toestand van zwakheid zijn verbonden. Want dat waarmee het geloof zich bezighoudt, is de stad van God en het werk van God. En deze dingen hebben altijd dezelfde waarde, wat ook de omstandigheden mogen zijn waarin men ze vindt.
God zegent het werk van de getrouwe Nehemia en Jeruzalem wordt weer omringd door muren. Deze toestand is niet zo treffend als die waarbij de stad van God beschermd werd door het altaar van God, wat een getuigenis was van Gods tegenwoordigheid en van het geloof van hen die het hadden opgericht. Het is wel een bewijs van de getrouwheid en goedheid van God, Die hen wel uiterlijk herstelt, maar in geen enkel opzicht het oordeel herroept dat Hij over Zijn volk en Zijn stad had uitgesproken. Hij, die de muren weer had opgericht, was maar de plaatsvervanger van een vreemde koning. Dit te erkennen was de veiligheid van het volk en wat oprechtheid van hart van hen vroeg. En dit gebeurt dan ook (9:37). Toch zegent God het volk. Nehemia gaat terug naar de telling van het volk, volgens de geslachtsregisters die bij de eerste terugkeer uit de gevangenschap waren samengesteld – dus al van lang geleden. Zo wordt het volk opnieuw in zijn steden gesteld.

Hoofdstuk 9-10

Door de tussenkomst van Ezra en Nehemia krijgt de wet weer haar gezag. En dit op verzoek van het volk zelf, want God had hun harten bereid. Daarom had God hen dan ook op de eerste dag van de zevende maand bijeengebracht. Het was werkelijk de bazuin van God – hoewel het volk zich hiervan niet bewust was – die het samenbracht in de tijd van de nieuwe maan, die de genade weer opnieuw deed schijnen, al mochten er ook wolken zijn, die het zwakke licht verduisterden. Het hart van het volk was geraakt door het getuigenis van de wet en het weent. Maar Nehemia en Ezra wekken de Israëlieten op zich te verblijden, want die dag was heilig. Zonder twijfel hadden deze mannen van God gelijk. God had immers Zijn volk hersteld, en het paste het volk zich te verblijden en te danken.

De volgende dag, toen ze doorgingen met het onderzoeken van het heilige Boek, vonden ze dat Israël op de vijftiende van dezelfde maand feest moest vieren. Als men pas een tijdperk van kastijding achter zich heeft, en de gemeente zich weer voor het aangezicht van God bevindt, dan gebeurt het vaak dat men aan de geboden denkt, die in de voor het volk van God schijnbaar betere dagen vergeten en verloren waren. En met de geboden krijgt men ook de zegeningen die gepaard gaan met de naleving van die geboden. Sinds de dagen van Jozua hadden de Israëlieten deze voorschriften van de wet niet opgevolgd. Wat een les! Dit Loofhuttenfeest wordt met grote blijdschap 1 gevierd: een treffende uitdrukking van het belang, dat God aan de terugkeer van Zijn volk hechtte! Het was weliswaar maar een gedeeltelijke terugkeer, die spoedig verduisterd zou worden. En zelfs de hoop, waartoe het aanleiding gaf, is volkomen tenietgedaan door het verwerpen van de Messias, Die er de kroon van moest zijn. Maar het was toch van grote waarde, als eersteling in genade van dat herstel, die de terugkeer van het hart van Israël tot Christus zal vergezellen en zich openbaren in hun woorden: “Gezegend wie komt in de Naam van de HEERE!” De blijdschap was oprecht en werkelijk, maar alles was onvolkomen. De tiende dag had zijn antitype niet. Israëls vernedering had nog geen verbinding met dat sterven, dat de maat van zijn ongerechtigheid deed overlopen en er tegelijkertijd verzoening voor deed. De blijdschap was wel op een degelijke grond gebaseerd, maar het was niet meer dan een voorbijgaande blijdschap.
Op de vierentwintigste dag komt het volk bijeen, om zich op een wijze die overeenkomt met zijn positie, te verootmoedigen, en het scheidt zich af van alle vreemden. Te beginnen bij de zegen die aan Abraham beloofd was, noemen ze al de bewijzen van Gods genade over Israël, en de herhaalde ontrouw waaraan zij zich later hadden schuldig gemaakt. Dit was een ware uitdrukking van het berouw van hun harten en ze erkennen hun toestand, zonder zich anders voor te doen, dan ze zijn (9:36-37). Ze wekken elkaar op de wet te gehoorzamen, zich volkomen van de volken van het land te scheiden, en in getrouwheid te vervullen wat de dienst van het huis van God eist (hoofdstuk 10).

Dit alles geeft de positie van de Israëlieten een heel eigen karakter. Terwijl ze de aan Abraham gedane belofte erkennen, en ook de invoering van het volk in Kanaän op grond van die belofte, en hun falen daarna, plaatsen ze zich weer opnieuw onder de verplichting van de wet, terwijl ze de goedheid van God, Die hen had gespaard belijden. Ze zien niet meer dan een voorwaardelijk en Mozaïsch herstel. Noch de Messias, noch het nieuwe verbond hebben een plaats als de oorzaak en grond van hun blijdschap, of hoop. Ze zijn en blijven slaven van de volken.
In deze toestand is Israël gebleven, totdat, door de soevereine goedheid van God, de Messias aan hen werd voorgesteld. De Messias had hen uit deze positie kunnen uitvoeren en hen onder Zijn vleugelen vergaderen, maar ze hebben niet gewild.

Hoofdstuk 11-13

Het is deze positie, die in het boek Nehemia duidelijk omschreven wordt. Het is het bevel van de koning dat in het onderhoud van de zangers voorziet. Een Jood is gevolmachtigde van de koning, voor alles wat het volk betrof (11:23-24).
We hebben al gezien, dat blijdschap het deel van het volk was; een blijdschap, die God erkende, want God had immers het volk bewaard en gezegend. Maar de leiders van het volk waren al snel ontrouw geworden. Tijdens de afwezigheid van Nehemia waren de kamers van de tempel waarin men voorheen de offeranden bewaarde, ontruimd om voor Tobia, de listige en volhardende vijand van Gods volk, plaats te maken. Maar bij de inwijding van de muur van Jeruzalem, wordt het volk door zijn eigen blijdschap en door de getrouwheid van Nehemia weer tot het Woord teruggebracht, en Israël scheidt zich opnieuw af van elke vermenging (13:3). Alles wat Tobia toebehoort wordt buiten de kamer geworpen die hem in de tempel gegeven was. Het in acht nemen van de Sabbat wordt weer gehandhaafd. Zij die met vreemde vrouwen getrouwd waren en van wie de kinderen half de taal van de vreemden en half die van de Joden spraken, worden onder de vloek geplaatst en ernstig berispt en gestraft. De orde en de reiniging naar de wet zijn weer hersteld. En met deze hoofdgedachte over de toestand van het volk eindigt de geschiedenis.
Wat er gezegd is zal wel een idee hebben gegeven van het grote beginsel, dat we in dit boek vinden.

Ik zal hieraan nog enkele opmerkingen toevoegen.
Het boek Nehemia plaatst Israël, of liever gezegd de Joden, in de positie waarin ze zich in hun land, tot aan de komst van de Messias, moesten bevinden; gescheiden van de volken, getrouw ten aanzien van de inachtneming van de wet, maar beroofd van de voorrechten, die hun als Gods volk hadden toebehoord, onder het juk van de volkeren, in staat aan God te geven wat van God is. Maar God is niet tegenwoordig in hun midden, zoals ze voorheen Zijn tegenwoordigheid genoten hadden in de tempel. En ten slotte zijn ze verplicht aan de keizer te geven, wat van de keizer is. Toen de Engel (Bode) van het Verbond kwam, (de Zoon van God, Die de tempel had kunnen reinigen en de heerlijkheid daarin brengen) hebben ze Hem niet ontvangen en zijn nog steeds onder dé last en de druk van de gevolgen van deze verwerping. In deze toestand bevinden ze zich op dit ogenblik tot aan de komst van Christus.

Dit is wat het boek Nehemia zijn belang geeft. Het geloof van Nehemia omvat de beloften van God, die verbonden zijn aan Zijn regering, zoals men ze bijvoorbeeld in hoofdstuk 26 van het boek Leviticus beschreven vindt. Maar zijn geloof ging niet verder (zie hoofdstuk 1). Dit geloof werd gezegend en bracht de raadsbesluiten van God in vervulling, maar het liet Israël waar het was. De kostelijke uitdrukking: “Zijn goedertierenheid is voor eeuwig”, wordt in dit boek niet gevonden. Nehemia’s geloof komt niet tot zo’n hoogte. Hij is zelf de dienaar van de volkeren, en hij erkent hen. Het vertrouwen in God, tot uitdrukking gebracht in de woorden die we zo-even hebben aangehaald, stond in verband met het altaar en met de tempel, waar Jahweh alles was voor het geloof, en waar de volkeren niets waren, behalve dan vijanden (Ezra 3-4).
Hoewel het boek Nehemia de Joden in een heel wat betere toestand laat dan voorheen – door de goede hand van God, die over hen is en hen meteen zegent – bezit het toch geen profetische toekomst, noch toekomst voor het geloof 2. De Joden zijn nog steeds “Lo-Ammi” (Niet Mijn volk). De tegenwoordigheid van God, Die gezeten is tussen de cherubs, is niet met hen en kon dit ook niet zijn, omdat God de troon in het midden van de volken had geplaatst. Ik spreek van Zijn tegenwoordigheid in de tempel, de woning van Zijn heerlijkheid. Op deze wijze gezegend en geplaatst onder de verantwoordelijkheid, moest de komst van de Messias alles op de proef stellen. Deze beproeving openbaarde een leeg huis, schoongeveegd en versierd, waaruit de onreine geest weggegaan was, maar waarin niets was. De onreine geest zal weer terugkeren, met andere geesten die nog bozer zijn dan hijzelf. Terwijl het Christus heeft verworpen, zal dit ongelukkige volk de antichrist aannemen. Maar dit komt niet eerder tot openbaring, dan bij de komst van Christus.
In afwachting van deze dingen zien we in het boek Nehemia het volk uitsluitend in deze positie van zegening geplaatst. De profetieën van Zacharia en Haggaï houden verband met het werk van Zerubbabel, en niet met dat van Nehemia; dat wil dus zeggen met het eenvoudige geloof, waardoor het altaar wordt opgericht als middel van zegening en veiligheid. Daar (Zacharia 1:16) kan Jahweh zeggen, dat Hij “tot Jeruzalem is weergekeerd met ontfermingen.” Maar het is “na de heerlijkheid”, dat Hij zal weerkomen om daar te wonen (2:8-13).

De profetie bemoedigt het volk door zegening en belooft het de komst van Christus en de tegenwoordigheid van Jahweh, maar voor een tijd die nog moet komen. Hoofdstuk 8 van dezelfde profeet verbindt deze twee dingen, met het doel het volk aan te moedigen in oprechtheid te wandelen. Maar als men dit leest, zal men zien, dat zeer duidelijk wordt aangegeven dat de vervulling aan het einde van de tijden zal plaatsvinden. De verwerping van Christus (hoofdstuk 11) wordt de oorzaak van de oordelen die over het volk moesten komen. Maar ze geeft tevens – op een nog meer schitterende wijze – de gelegenheid aan de soevereine genade, die de macht van de verworpen Messias zal gebruiken, om Zijn volk te verlossen als deze door zijn ongerechtigheid volkomen te gronde gericht is.
De profetie van Maleachi, die later is uitgesproken, verklaart en vertelt de verdorvenheid die was binnengekomen nadat de zegening tot op zekere hoogte – door genade – was teruggekeerd. Daarna voorspelt ze de komst van Jahweh ten oordeel.
Men kan nog aan de opmerkingen die al gemaakt zijn toevoegen, dat noch in het boek Zacharia noch in dat van Haggaï, God het volk: “Mijn volk” noemt. Profetisch wordt gezegd dat dit in de toekomstige tijd zal gebeuren: in de laatste dagen, als Christus zal komen om Zijn heerlijkheid te vestigen. Maar het oordeel dat in Hosea is uitgesproken is nooit herroepen. En er is ook niet één uitdrukking gebruikt, die het zou tegenspreken.
Het boek Nehemia geeft ons dus het gedeeltelijke en uiterlijke herstel van de Joden in het land, zonder de troon van God of de troon van David, terwijl het de openbaring van de Messias verwacht, en Zijn komst om de vruchten van zoveel genade te zoeken. In één woord: hun herstel, opdat Christus aan hen kan worden voorgesteld. We zien dus dat het volk – van de zijde van God – voorlopig in het land is, maar onder de macht van de volkeren die de troon bezitten.

EINDE NEHEMIA

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 2.11

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Het Loofhuttenfeest was de viering van hun rust en van het bezit van het land, nadat ze door de woestijn waren getrokken. De loofhutten herinnerden eraan, dat ze als pelgrims in tenten hadden geleefd.

2 En omdat er geen geloof was, en ze innerlijk ver van God verwijderd waren, werd hun wettische nauwgezetheid zonder genade in het hart tot een bekrompenheid en schijnheiligheid. Angstvallige nauwgezetheid is geen oprechtheid.