36. Jona

36. Jona · uit de ‘Synopsis’ deel 4 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

De profeet Jona geeft ons gelegenheid zijn geschiedenis toe te passen op zeer veel gevoelens, die in het menselijk hart in alle tijden opkomen. Zijn persoonlijke geschiedenis, de geschiedenis van een man die in het algemeen oprecht was, maar die niet de moed had met beslistheid naar de wil van God te handelen, is zo verweven met zijn profetie, dat deze persoonlijke toepassing tamelijk gemakkelijk en natuurlijk wordt. Toch is de geschiedenis van Jona er meer een van iemand die namens God een getuigenis aflegt, dan van een gelovige in zijn gewone leven. Het is de geschiedenis van het menselijk hart, als het getuigenis van God ten aanzien van de wereld eraan toevertrouwd wordt, en dat van Gods soevereine en regeringswegen in verbinding met de werken van dat hart. Daarom vinden we in de geschiedenis van Jona in dit opzicht een beeld van de geschiedenis van de Joden en zelfs in zekere opzichten de geschiedenis van de Messias, behalve dan, dat Christus in genade de plaats van getuige op aarde innam, en dat Hij hierin altijd volmaakt was. We zullen wijzen op de grote lijnen, die de Geest van God in dit verhaal heeft willen doen uitkomen. Want ze zijn van erg groot belang, als we ze vanuit het aangeduide gezichtspunt overdenken.

Het is duidelijk, dat in deze profetie de profetische feiten alleen maar de gelegenheid en de omlijsting vormen van de grote beginselen die eruit voortvloeien, of beter gezegd het profetische feit. Want de profetie beperkt zich tot de bedreiging, dat Ninevé met 40 dagen verwoest zou worden, waarvan de vervulling evenwel werd afgewend, omdat de stad zich bekeerde. De geschiedenis van Jona vormt het grootste deel van dit boek.

Hoofdstuk 1

Ninevé, dat de wereld voorstelt in haar natuurlijke grootheid, vol van hoogmoed en ongerechtigheid, niet denkende aan God en Zijn gezag, had het rechtvaardige oordeel van God verdiend. Dit geeft aanleiding tot de gehele ontwikkeling van de wegen van God, die men in dit boek vindt. Jona wordt geroepen dit oordeel aan te zeggen. De ellendige neiging van de natuur van de mens, aan wie het getuigenis van God is toevertrouwd, is, zichzelf te verbinden met de belangrijkheid van de boodschap, waarmee hij belast is. Dat God in Zijn genade hem met deze belangrijkheid bekleden kan, zien we in de geschiedenis van die genade. Maar als die mens het doet, aan wie het brengen van die boodschap is opgedragen, dan is dat niets anders dan hoogmoed en ijdelheid. Het gevolg bij zulke mensen is dat ze het niet kunnen verdragen, wanneer God anderen genade bewijst, of Zijn gedachten of Wezen door een ander middel openbaart, zelfs wanneer dit in genade zou moeten geschieden. Zijzelf moeten de dingen doen; zijzelf moeten er de eer van hebben; en al hun gedachten over God zijn begrensd tot hun eigen gezichtspunt – tot de boodschap van God die hun is toevertrouwd. Vergelijk ook wat we gezien hebben bij Mozes en Elia, deze eminente dienstknechten van God. Het gevoel van deze opperhoogheid in God die vergeven kan, is te hoog voor het menselijk hart; het kan het niet verdragen. Die zelfverloochening, die alleen maar zoekt de wil van God te doen, waarin die wil ook bestaat, laat alle heerlijkheid aan God. En als Hij Zichzelf verheerlijkt door genade te betonen, dan dankt zij Hem van harte daarvoor. Zonder deze zelfverloochening willen wij graag het zwaard van Zijn wraak hanteren, iets wat, helaas, meer in overeenstemming is met onze natuurlijke harten, en meer dienen kan onze eigen belangrijkheid te vergroten.

“Heer, wilt U dat wij zeggen dat vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren <zoals ook Elia heeft gedaan>” (Lukas 9:54), is de uitdrukking van de natuurlijke gevoelens van ons hart. Want uitoefening van wraak is de openbaring van macht. Genade stelt de zondige mens in de gelegenheid zich in barmhartigheid te verblijden. Het wil geen macht openbaren, maar juist diegene, tegen wie de macht zou zijn uitgeoefend, sparen. Aan de andere kant: het is God alleen Die genade kan tonen.

In het gevoel van de mens, is de bedreiging met wraak verbonden met de man, die gezag ontvangen heeft de wraak aan te kondigen. De boodschap en de boodschapper worden beide gevreesd. Een man die vergeving ontvangen heeft daarentegen, is op dat ogenblik meer bezig met zijn eigen vreugde, en met Hem die vergeven heeft, dan met de boodschapper van de vergeving. Bovendien verbindt de genade zich juist met de onrust, die door het aangekondigde oordeel veroorzaakt is. En als de boodschapper niet zelf vervuld is met de geest van liefde, dan voelt hij zich in tegenwoordigheid van een God, Die boven zijn gedachten staat, en hij is bevreesd voor Hem, omdat hij Hem niet kent. Ook vreest hij, dat zijn belangrijkheid in de ogen van de mensen kleiner wordt, als deze God genadiger zou zijn, dan de engheid van zijn hart verlangt, en als de boodschap luidt die hij brengen moet.

Zo was het bij Jona, hoewel hij God vreesde. Hij vlucht uit de tegenwoordigheid van Jahweh, omdat hij voelt dat hij niet op Hem kan rekenen, voor de bevrediging van de kleinzielige eisen van zijn bekrompen hart. Vergelijk hoofdstuk 1:3 met 4:2. Men voelt, dat God boven de wensen van het menselijk hart staat. En anderzijds bevalt de waarheid van God ons, als we ons ermee kunnen bekleden, om onze eigen belangrijkheid daardoor groter te maken.

Zo was het met Israël. Het was het vat van Gods getuigenis in de wereld en roemde daarin, omdat het hen zelf met eer bekleedde. Daarom kon het niet verdragen, dat aan de heidenen genade bewezen werd. Door hun tegenstand hiertegen, maakten ze de maat van hun ongerechtigheid vol, om de toorn van God over hen te brengen. Vergelijk Jesaja 43:10 met 1 Thessalonika 2:16.

In deze profetie zijn dus twee beginselen ontvouwd, waarop in feite het getuigenis van God rusten moet. Allereerst wordt de mens geroepen dit getuigenis af te leggen, als een teken van de getrouwheid tegenover God waarvoor hij verantwoordelijk is. Zoals we al hebben gezien, was dit de positie waarin Israël was geplaatst. Hun gehele geschiedenis bevestigt deze gedachte. Door God gezegend met een plaats in Zijn nabijheid, had Israël tegenover de gehele wereld een getuigenis moeten zijn, van wat de ware God is. Maar volkomen onbekwaam om Zijn genade tegenover de heidenen te begrijpen (hoewel Jahweh’s huis altijd het huis van gebed voor alle volken was), faalde Israël zelfs in het bewaren van hun eigen getrouwheid, het enige middel waardoor de wereld als zodanig het ware karakter van God had kunnen leren kennen. In plaats van daarom een zegen voor anderen te zijn, sleepten ze die mee in de Goddelijke oordelen, die over henzelf zouden komen. Dit is het beeld, dat we in de geschiedenis van Jona zien, als hij de eerste keer de boodschap van God ontvangt. Hetzelfde zal straks in de laatste dagen plaatsvinden. Israël, ontrouw tegenover God te midden van de golven van deze wereld, ongevoelig door hun blind ongeloof voor het oordeel dat gereed staat hen te verslinden, zal al de volken meetrekken in de gevolgen van hun eigen zonde. En dan zullen, door het ingrijpen van God, ook deze volken ertoe gebracht worden, Zijn macht en Zijn heerlijkheid te erkennen.

Laten we eraan denken dat het beginsel waarover we spraken, altijd waar is. Als zij, aan wie God in Zijn genade een getuigenis heeft toevertrouwd, dit niet in overeenstemming met deze genade, ten gunste van anderen uitoefenen, dan zullen zij zelf ook al heel gauw ontrouw worden in hun eigen wandel voor God. Als zij waarlijk God kenden, dan zouden ze zich verplicht voelen Zijn Naam bekend te maken, opdat anderen in deze zegen konden delen. Als Zijn heerlijkheid en Zijn genade niet alles voor hen is, zullen ze zeker niet in staat zijn, hun wandel, op de hoogte van hun verantwoordelijkheid, voor Hem te handhaven. Het kan ook niet anders, want die God vol van genade is onze enige kracht.

Het eerste wat ons voorgesteld wordt, is dus een man, die geroepen wordt Gods getuige te zijn, in het midden van een hoogmoedige en verdorven wereld, die haar eigen wil volgt, zonder rekening te houden met het gezag of de heiligheid van God. Maar deze man is niet dicht genoeg bij God om te delen in Diens heilige en liefdevolle wegen. Omdat hij weet dat God genadig is, schrikt hij terug voor de taak zo’n God in de wereld te vertegenwoordigen. Zichzelf met de naam van God te bekleden om zo zelf verheerlijkt te worden, dat had Jona, de Jood, niet afgeslagen. Maar de last te dragen die noodzakelijk verbonden is aan het handhaven van het getuigenis van zo’n God, Die even genadig en lankmoedig is als heilig, dat was te zwaar voor het hoogmoedige en ongeduldige hart van een man, die verlangde zijn eigen wil in oordeel uit te voeren, als de anderen niet in heiligheid wilden gehoorzamen.

Merk op, dat Jona niet vlucht voor de vleselijke tegenstand van Ninevé, waar hij had moeten prediken, maar van de tegenwoordigheid van Jahweh. Christus, onze gezegende Heer, is de Enige Die de taak waarvan we hier spreken volbracht. Hij is de getrouwe Getuige. We kunnen Psalm 40 vergelijken, waarin Hij spreekt van de wijze waarop Hij deze taak op Zich nam en volbracht. Hij woont in een heerlijkheid die Hem zo volkomen boven een dergelijke positie plaatst, dat alleen vrijmachtige genade Hem toch daarin brengen kon. En toch maakte deze heerlijkheid alleen Hem bekwaam, deze taak op Zich te nemen en te volbrengen, ondanks al de moeilijkheden, die de vijandschap van de mens in Zijn weg stelde. En hoe groot Zijn heerlijkheid ook was, Hij volbracht de op Zich genomen taak om te dienen, als een plicht in de ootmoed van gehoorzaamheid, ja, een gehoorzaamheid tot de dood. Zie in Psalm 40:2-3 hoe ver Hij ging en hoe Hij, Zich voor niets verbergend, Zijn vertrouwen op God stelde. Hij werd mens om deze taak te vervullen (verzen 7-9). Hij voert het in getrouwheid uit, door de waarheid en gerechtigheid van Jahweh niet te verbergen voor de gemeente van Israël (verzen 10-11). Vanaf vers 12 zien we Hem onder de zware druk van de positie, waarin Hij was gekomen door de ongerechtigheid van de mensen en doordat Hij de zaak van het volk op Zich nam. Hij beveelt Zichzelf aan in de tedere barmhartigheden van Jahweh. En nadat Hij met een volmaakt geduld getuigenis heeft afgelegd, bidt Hij om oordeel over Zijn vijanden, de vijanden van Gods getuigenis. Want het is de tijd van oordeel in de Joodse bedeling.

Hoofdstuk 2

We zien, dat de oordelen die over de ontrouwe getuige komen, ten slotte door hemzelf erkend, de middelen zijn waardoor de Naam van Jahweh bekend en aangebeden wordt onder de volken. Hier begint de tweede geschiedenis van het getuigenis: de volledige en algehele verwerping van de getuige, die de drager van de eerste boodschap was. Hij ondergaat het oordeel van God en wordt uit Zijn tegenwoordigheid weggedaan naar de diepten van de hades (dodenrijk).

Dit is het rechtvaardige lot van Israël, als ontrouw aan het getuigenis van God, ja, volkomen onbekwaam om het te dragen. Christus in Zijn oneindige genade daalde af tot deze plaats, maar werd verworpen, juist omdat Hij getrouw was. In het gebed van Jona zien we heel duidelijk de geest van het overblijfsel van Israël; hoofdstuk 2:7-9 is wel heel duidelijk!

Hoewel het overblijfsel van Israël door genade oprecht is, is het toch maar vlees. Het getuigenis is hun toevertrouwd, maar ze falen. Waar het vlees geen kracht heeft, moet het oordeel van de dood komen over alles wat van de mens is. Hij is maar ijdelheid. En wie kan hem opwekken als hij in de dood afdaalt? Wie kan een dood man tot een getuige van God maken?

Maar, geprezen zij God! Christus daalde af in de dood. Zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de vis was, zo daalde ook de Zoon des mensen voor dezelfde tijd af in het hart (of de schoot) van de aarde. En wie kon Zijn opstanding verhinderen? Hier was het de dood die machteloos was en niet de mens. De dood streed tegen Een Die de macht van het leven had. En, hetzij dat we op de macht van God zien, van welke Christus met recht Zijn opstanding kon verwachten op grond van Zijn werk, hetzij dat we op de Persoon van de getrouwe Getuige zien, het was niet mogelijk, dat Hij vastgehouden kon worden in de banden van de Scheol. Hij is niet alleen de getrouwe Getuige, maar ook de Eerstgeborene uit de doden.

Hoofdstuk 3

En nu begint het tweede getuigenis. Alles wat Israël had kunnen zijn, alles wat behoorde tot de mens als verantwoordelijk in zichzelf, voor zover het het getuigenis betrof, heeft volkomen gefaald. Christus Zelf, de Getrouwe, is verworpen.

Als gevolg is Israël, als de drager van Gods getuigenis in het vlees, terzijde gesteld. Het is de Opgestane alleen Die nu het getuigenis kan dragen. En we kunnen eraan toevoegen, Die Zelf het getuigenis is voor Israël, die nu het voorwerp van barmhartigheid is, in plaats van de drager van de beloften en van het getuigenis te worden. En dit brengt God ertoe, als ik me zo mag uitdrukken, terug te keren tot Zijn eigen karakter van goedertierenheid. Als Israël niet als een rechtvaardige de drager van het getuigenis en van gerechtigheid kan zijn, ja, het zelfs als een zondaar verworpen heeft, keert God terug tot Zijn eigen genadig karakter, als een getrouwe Schepper. In werkelijkheid, in de diepte van Zijn eigen Zijn, is God daar nooit van afgeweken, hoewel Hij de mens op de proef stelde door hem in verbinding met Zichzelf te brengen, met ieder denkbaar voorrecht, om te zien of hij een getuige voor God op aarde kon zijn, van gerechtigheid.

In zijn hart wist Jona, dat God genadig was. Hij en zijn volk hadden het zeker ondervonden. Maar hier wilde hij alleen een getuige van God zijn, als de gerechtigheid gescheiden werd van de barmhartigheid, zodat hij, die als een getuige van deze gerechtigheid moest optreden, daardoor eer zou ontvangen. Als deze gerechtigheid niet het aangekondigde oordeel ten uitvoer liet komen, zodat hij als getuige van dit oordeel werd verheerlijkt, wilde hij niets met de zaak te doen hebben. Daardoor werd hij onbekwaam een waar getuigenis af te leggen. Want in werkelijkheid is God genadig. En het is dus onmogelijk een getuigenis van Hem af te leggen als Jona wilde. Het zou een onwaar getuigenis zijn geweest.

Op deze grond wordt de genade, dat is de openbaring van de genade, vereenzelvigd met barmhartigheid voor de volken. Is God de God van de Joden alleen? Nee, ook van de volken. En het afbreken (van de olijfboom, Romeinen 11) van de Joden als Joden, is de verzoening van de wereld. Dezelfde Heer is rijk over allen die Hem aanroepen, opdat de volken God mogen verheerlijken voor deze barmhartigheid.1

Dit is aan het eind Gods verschilpunt met Jona. Deze wilde God het recht ontnemen barmhartigheid te tonen aan Zijn hulpeloze schepselen. Hij staat erop dat God het aangekondigde oordeel zonder verschoning ten uitvoer brengt, zonder zelfs ruimte te laten tot bekering. God begint niet met de raadsbesluiten van Zijn genade te ontvouwen tegenover Jona. Maar Hij beroept Zich op de rechten van Zijn vrijmachtige goedertierenheid, op Zijn natuur, op Zijn eigen karakter. Ninevé had naar God geluisterd. Nu, als God dreigt, dan is dat opdat de mens zich afkeert van zijn ongerechtigheid en zo gespaard blijft. Waarvoor zou Hij de zondaar anders waarschuwen? Waarom hem dan niet ongewaarschuwd rijp laten worden voor het oordeel? Maar dat zijn niet de wegen van God!
We kunnen nog opmerken, dat het bij Ninevé niet gaat om geloof in Jahweh, zoals bij de met vrees vervulde zeelieden. Het resultaat van de verschrikkelijke moeilijkheden, die in de laatste dagen over Israël zullen komen, als oordeel over het ontrouwe getuigenis van Jahweh, zal zijn, dat deze God van oordelen bekend wordt en de grote Naam van Jahweh verheerlijkt zal worden op de hele aarde (hoofdstuk 1:14,16). We hebben al gezien, dat dit het getuigenis voor de laatste dagen is van alle profeten, zowel als van de psalmen. Zie Jesaja 66; Ezechiël 36:36; 37:28; 39:7,22; Zacharia 2:11; 14 en heel veel andere plaatsen. Zie verder Psalm 9:16-17; 83:19 en alle psalmen aan het eind van het boek.
Bij Ninevé gaat het eenvoudig om God. De inwoners van de stad geloofden God. Het is de uitwerking van het Woord van God op het geweten. Ze belijden hun zonde en keren zich af van hun boze weg. Ze erkennen, dat het oordeel van God rechtvaardig is en Zijn Woord waar. En God vergeeft hen en voert Zijn oordeel niet uit. Dit is ook in overeenstemming met Zijn wegen, zoals we die in Jeremia geopenbaard zagen.

Hoofdstuk 4

De God van de genade heeft medelijden met de werken van Zijn hand, als zij zich voor Hem verootmoedigen en sidderen als ze horen van Zijn rechtvaardige oordelen. Maar Jona, in plaats van zorg voor hen te hebben, denkt alleen aan zijn eigen reputatie als profeet. Armzalig hart van de mens, zo onbekwaam zich te verheffen tot de goedheid van God. Als Jona dichter bij God geweest was, dan zou hij hebben geweten, dat dit waarlijk de God was Die hij verkondigde, en Die hij dan had liefgehad, omdat hij Hem kende. Dan was hij in staat geweest om te zeggen: “Nu kennen de Ninevieten waarlijk die God van Wie het mijn eer was getuigenis af te leggen, en zij zullen gelukkig zijn”. Maar Jona dacht alleen aan zichzelf. De ruwe zelfzucht van zijn hart verbergt voor hem de God van de genade, Die getrouw is aan Zijn liefde voor Zijn hulpeloze schepselen. Hoofdstuk 4:2 laat de geest van Jona in haar gehele wanstaltigheid zien. De genade van God is onverdragelijk voor de trots van de mens. Met Zijn gerechtigheid kan men wel akkoord gaan; de mens kan zichzelf daarmee bekleden tot zijn eigen heerlijkheid; de mens houdt wel van de aankondiging van de wraak als ze verbonden is met de macht ze uit te voeren. God moet Zijn gerechtigheid proclameren. Hij redt niet in de zonde! Hij maakt de mens met zijn zonde bekend, om hem met Zichzelf te verzoenen, opdat dit herstel werkelijk zou zijn – zou zijn dat van zijn hart en geweten met God. Maar het is met het doel Zichzelf bekend te maken, in het vergeven van hem.

Maar God staat boven al het armzalige kwaad van de mens en behandelt zelfs Jona met goedheid. Toch laat Hij hem tegelijkertijd voelen, dat Hij Zijn genade, Zijn natuur, niet verloochenen wil, om de weerspannigheid van het menselijk hart te bevredigen. Hij verzacht het verdriet van Jona, die teleurgesteld is door het niet in vervulling gaan van zijn woorden, en de zelfzucht van Jona’s hart verblijdt zich in deze verlichting. Hij vergeet bijna de wraak die hij gewenst had, in zijn voldoening, beschermd te zijn tegen de hitte van de zon. Hij was uit Ninevé gegaan en had zich op een eenzame plek neergezet om te zien wat er gebeuren zou met deze stad, waarvan de bekering zijn boze hart ergerde. En in zijn boosheid verblijdt hij zich over de wonderboom die God voor hem liet groeien.

Wat een getuigenis van de volkomen verdorvenheid van het vlees. De bekering van de zondaar, en diens terugkeer tot God, irriteert zijn hart. Dit is het werkelijk, want de stad is gespaard, omdat ze zich bekeerde. Zal God iemand slaan die in verootmoediging over zijn zonden tot Hem terugkeert? Wie het menselijk hart niet kent, kan de toepassing van een woord als: “De liefde verblijdt zich niet over de ongerechtigheid” niet begrijpen. Hier, bij de profeet Jona, zien we een geval waar het toegepast kan worden. In de gelijkenis van de verloren zoon, zien we bij de oudste zoon hetzelfde, terwijl we bij God weer geduldige genade zien. Maar als de mens tevreden is, met datgene wat verlichting geeft in zijn eigen mismoedigheid, en in zijn zelfzucht zelfs kwaad wordt, als dat wat hem verlicht verwoest wordt, zou God dan de werken van Zijn hand niet sparen, en geen medelijden hebben met wat Hij in Zijn goedheid geschapen heeft? Zeker zal Hij niet luisteren naar de mens die Zijn goedertierenheid voor hen die het nodig hebben, wilde verhinderen zich te openbaren.

Het laatste vers van het boek is van ontroerende schoonheid. God openbaart daarin deze kracht, deze verheven noodzakelijkheid van Zijn liefde, zich te openbaren. De strafaankondigingen van Zijn gerechtigheid worden gehoord en moeten noodzakelijk gehoord worden, en moeten juist ook voltrokken worden, als de mens in zijn opstand tegen God volhardt. Maar deze liefde blijft in de rust van die volmaakte goedheid, die door niets veranderd kan worden, en die iedere gelegenheid aangrijpt zich te openbaren, zo vaak de mens God toestaat hem te zegenen, om zo te zeggen. De rust van een volmaaktheid waaraan niets ontgaan kan, dat alles gadeslaat, juist om in overeenstemming met zijn onverstoorbare natuur te handelen – de rust van God Zelf die wezenlijk tot Zijn volmaaktheid behoort, en waarvan al onze zegening en al onze vrede afhangt.
Het is goed eraan te denken, dat het onderwerp in dit boek niet is, het oordeel over alle verborgenheden in alle harten in die grote dag (Prediker 12:14), maar de regering van God met het oog op de mensen op aarde. Dat is trouwens zo in alle profeten. We kunnen verder ook opmerken, dat God Zichzelf in dit boek openbaart als God de Schepper (Elohim). Wij weten, dat de gehele schepping, dus ook de dieren, zucht onder de gevolgen van onze zonde. Maar zij deelt ook in de goedheid en het erbarmen van God. Zijn tedere barmhartigheden zijn over hen. Geen musje valt zonder Zijn wil op de aarde. De dag komt, dat de vloek opgeheven zal worden, en de schepping, vrij van slavernij en verderving, zich verblijden zal in de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God (Romeinen 8). God is onze Vader geworden en Hij zal Zich ook in het karakter van Jahweh openbaren, Die Israël oordelen zal en Zijn beloften en raadsbesluiten in verbinding met hen zal vervullen, ondanks de tegenstand van de gehele wereld. Maar Hij houdt ook nooit op de Schepper – God te zijn. Hij legt niet één van Zijn karakters af om een andere aan te nemen, evenmin als Hij ze vermengt; want zij openbaren Zijn natuur en dat wat Hij is.

Na alles wat we gezien hebben, is het toch gelukkig op te merken, dat Jona zich ten slotte toch liet onderwijzen door het Woord van God. Dit blijkt uit het bestaan van dit boek zelf, waarin de Geest hem gebruikt om duidelijk te maken, wat in het hart van de mens is als het vat van het getuigenis van God. En tevens om, in tegenstelling met Jona (die later echter al zijn fouten beleed), de goedheid van God te openbaren, tot welke Jona zich niet kon verheffen, en waaraan hij zich ook niet onderwerpen kon.

We weten, dat de geschiedenis van Jona in het Nieuwe Testament op twee manieren aangehaald wordt, die we niet met elkaar moeten vermengen:

  1. Als een getuigenis in de wereld, door het Woord van God. De Heer Jezus vergelijkt deze dienst dan met Zijn eigen dienst.
  2. Als in de buik van de vis. De Heer gebruikt dit feit als een beeld van de tijd, dat Hij in het graf zou zijn. Jona was door zijn prediking een teken voor de Ninevieten, zoals de Heer dat was voor de Joden, die harder van hart en dover van oor waren dan deze heidenen die ver van God leefden.

In wat Jona ondervond als gevolg van zijn weigering om als getuige van God op te treden, was hij ook een type van wat over de Heer Jezus kwam, toen Hij de straf droeg van de zonde van het volk. En van datgene dat de Heer, als de Opgestane uit de doden, het getuigenis werd van de genade en tegelijkertijd de oorzaak van oordeel voor hen die Hem hadden verworpen. Dat Jona een opmerkelijk zedelijk beeld is van Israël, tenminste van Israëls gedrag en gezindheid, hebben we al in de geschiedenis gezien.

EINDE JONA

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 4.10

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


1 We kunnen er daarom nog bijvoegen, dat het in haar vervulling verbonden is met de opstanding. Maar dit heeft toch nog een diepere oorzaak, namelijk de natuurlijke toestand van de mens. Maar onder het bestuur van God openbaarde zich dit bij het falen van de Joden toen Christus in het vlees kwam.