14. 1 Kronieken
14. 1 Kronieken · uit de ‘Synopsis’ deel 2 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Hoofdstuk 1-9:34
De boeken Koningen hebben ons de openbare geschiedenis getoond van de regering van God in Israël; en, van Rehabeam tot Zedekia, de geschiedenis van de koningen van Israël, een geschiedenis, waarin we als resultaat de val van het koningschap zien in de tegenwoordigheid van het geduld van God. Wat in deze boeken over Juda wordt gezegd, beperkt zich tot de relaties van Juda met het huis van Israël gedurende deze periode.
De boeken Kronieken laten ons de geschiedenis van hetzelfde tijdperk zien, maar vanuit een ander gezichtspunt, namelijk dat van de zegen en de genade van God. Ze spreken ons op een bijzondere manier over de geschiedenis van het huis van David, waaraan deze genade zich heeft geopenbaard. In veel voorvallen zullen we deze gedachte bevestigd zien.
In deze boeken, die geschreven of samengesteld zijn na de ballingschap (zie 1 Kronieken 6:15), wordt ons, van Gods zijde bezien, de geschiedenis van Zijn volk door de Heilige Geest voor de aandacht geplaatst, zoals Hij er graag aan wilde terugdenken. Daarom worden alleen die fouten vermeld die bekend moesten zijn om de onderwijzing van Zijn genade te verstaan.
Hij bewaart tegelijk de namen van hen die door de in de historie genoemde beproevingen zijn gegaan zonder uit het boek te zijn gewist. Het is hier weliswaar alleen het uiterlijke beeld van deze gezegende lijst van het volk van Zijn genade, maar het is toch een feit dat ze hier gevonden worden. Het hele volk vinden we hier niet opgetekend, want: “Niet allen zijn Israël die uit Israël zijn.” Tegelijk gaat de Geest van God nog verder terug en geeft ons vanaf Adam het geslachtsregister van het geslacht dat, overeenkomstig de soevereiniteit van God door genade is gezegend en waarmee het uiterlijk naar het vlees is verbonden. Hij stelt genoeg voor de aandacht om het door genade erkende gedeelte te zien, dat uiterlijk in verbinding stond met het gedeelte dat alleen uiterlijk en natuurlijk was. En Hij stelt altijd, zoals de Apostel zegt, het “natuurlijke” eerst voor (1 Korinthe 15:46).
Beginnend bij Adam hebben we hier dus het geslacht van Seth tot Noach. Dan volgt het geslacht van Jafeth en van Cham, waarvan een nakomeling machtig op de aarde werd. En ten slotte dat van Sem, wiens God Jahweh was en wiens geslachtslijn verder gevolgd wordt tot Abraham. Met Abraham, die uit de volken geroepen wordt, begint als het ware een nieuwe stam. Zijn nakomelingen naar het vlees worden het eerst genoemd en vervolgens die van Izaäk, de zoon van de belofte. Dit was een nieuwe loot, en zijn kinderen naar het vlees worden met hun koningen en hun oversten ons voorgesteld vóór de zoon van de verkiezing.
In het tweede hoofdstuk vinden we dan ten slotte Israël, wiens zonen allen min of meer onder de zorg stonden van God, die Jakob heeft liefgehad.
Dan wordt Juda ingevoerd om ons tot het koninklijk geslacht van David te brengen. Want ook dit geslacht was het voorwerp van de beloften naar de verkiezing van God. We vinden hier tevens een beschrijving van de voorspoed van de familie van Juda in het algemeen, en van die van Kaleb in het bijzonder. De laatste was trouw aan God in zijn geslacht, en op deze plaats maakt God, ter gedachtenis daaraan, een aantekening 1. Ook zien we nog, op welke wijze het land werd bevolkt, en de geschiedenis daarvan wordt ons levendig voor ogen gesteld.
Vervolgens zien we het geslachtsregister van de familie van David tot enkele geslachten na de terugkeer uit de ballingschap, en ten slotte dat van de overige stammen elk in het bijzonder. Evenwel in betrekking tot hun positie in Israël, en met de toevoeging van zekere aanwijzingen van bezittingen, die door families of door een hele stam werden verkregen. Dan en Zebulon ontbreken. Juda wordt genoemd (4:1). Simeon (4:24) had zijn deel ontvangen in het grondgebied van Juda, maar had zijn grondgebied uitgebreid, en sommigen van deze stam zijn de wegvoering naar Babel ontkomen, omdat ze buiten de grenzen van het land waren gegaan. Ruben (5:1), Gad (5:11) en de halve stam van Manasse (5:23) waren ten oosten van de Jordaan gebleven. Ook deze stammen hebben samen hun gebied zeer uitgebreid en zich verrijkt ten koste van hun vijanden.
De stammen worden ons dus als volgt voor ogen gesteld: Ten eerste Juda als de koninklijke stam, en tevens Simeon, omdat zijn grondgebied in dat van Juda lag. Dan volgt Ruben, de eerstgeborene, en met hem de stammen van over de Jordaan als met hem verbonden. Zo zijn ze ook voor alle anderen in ballingschap gevoerd. De God van Israël heeft het oordeel op hen gebracht. Geslachtkundig moet Levi na hen volgen, maar ik veronderstel dat er een sterkere reden is voor deze schikking: Levi was de priesterlijke stam, zoals Juda de koninklijke was.
In het geslachtsregister van Levi (hoofdstuk 6) zien we ten eerste de lijn van hogepriesters tot op de wegvoering. Vervolgens worden de Levieten genoemd, samen met hun dienst en hun steden. Na Levi achtereenvolgens Issaschar (7:1), Benjamin (7:6) en Naftali (7:13), die weinig in getal was. Ten slotte de andere halve stam van Manasse (7:14), Efraïm (7:20) en Aser (7:30). Daarna vinden we in hoofdstuk 8 opnieuw Benjamin als eerste in betrekking tot Jeruzalem en daarna in verbinding met de familie van Saul.
Maar in wat ons van de geslachtsregisters van het volk bewaard is gebleven (door genade een treffend overblijfsel van hen, die onder het droevige oordeel van Lo-Ruchama en Lo-Ammi vielen) zien we een andere omstandigheid duidelijk op de voorgrond treden. Overal, waar geloof werd gevonden, heeft God Zijn volk individueel gezegend. Als Jabez (4:9-10), de zoon van de smart, de zegen zoekt in de tegenwoordigheid van de God van Israël, vindt hij deze. Jahweh vermeerderde zijn gebied en maakte het kwade zo, dat het hem niet smartte. Hoewel Simeon in Israël verstrooid was, wist hij toch de vijand te verdrijven en het land te bezitten zelfs tot het gebergte van Seïr. De twee en een halve stam ten oosten van de Jordaan breidden ook hun gebied uit en bezaten de poorten van hun vijanden “omdat ze tot God riepen.” (5:20). Later zijn ook zij weggevoerd in ballingschap, omdat ze God hadden verlaten. En zo, hoewel er geen koninklijke macht was noch een geordend rijk, zegende God, overal waar geloof werd gevonden, diegenen van Zijn volk, die op Hem vertrouwden.
Deze geslachtsregisters zijn onvolkomen. De toestand van Israël droeg het stempel van het verval, dat voortschreed, maar ook van de goedheid van God, Die een overblijfsel liet terugkeren en Die al datgene in stand had gehouden wat noodzakelijk was om hen, die dit overblijfsel vormden, in de registers van Zijn volk te schrijven. Als het noodzakelijke bewijs van hun afkomst ontbrak, werden zij, hoewel ze deel uitmaakten van het volk, van hun voorrechten uitgesloten en werden de priesters van het priesterschap geweerd, totdat er een priester zou staan met Urim en Tummim (Ezra 2:63). Want deze geslachtsregisters dienden ertoe het volk te herkennen. Gelukkig wie het zijne had bewaard, en de erfenis van Jahweh had gewaardeerd. Het was een bewijs van het geloof, want men zou hebben kunnen zeggen: “Wat voor nut hebben we van deze geslachtsregisters in Babylon?”
En wat de Levieten aangaat (want het is goed de Heer te dienen): hun geslachtsregisters, hun steden en hun diensten waren met genoeg zekerheid bekend, zelfs onder hen, die te Jeruzalem woonden. De barmhartigheid van God had niet vergeten om een lamp in het huis van Saul te bewaren want “in de toorn denkt Hij aan ontferming”.
Hoofdstuk 9 doet ons het nut zien dat men van deze geslachtsregisters had, want zij die hier genoemd worden, zijn degenen die uit de ballingschap terugkeerden zoals men dat in Nehemia 11 kan zien. Dit deel van het boek wordt bij hoofdstuk 9:34 volkomen afgesloten. In vers 35 begint het historisch gedeelte.
Hoofdstuk 9:35-12
Een kort verslag van de val van het huis van Saul dient als inleiding voor de vestiging van het huis van David door Jahweh. Alles wat plaatsvond voordat het volk zich bij David in Hebron verzameld had en het koninkrijk in zijn familie over heel Israël te Jeruzalem gevestigd was, wordt stilzwijgend voorbijgegaan.
En dan zien we hier als het algemene onderwerp de orde van de koninklijke macht en van het koninkrijk, voor zover dit in het huis van David gevestigd is. Het koninkrijk wordt hier gezien als door God in zegen gevestigd en dus hebben we hier niet zozeer een historisch verslag van alles wat er is gebeurd behalve datgene wat noodzakelijk is om het koninkrijk ten volle te tekenen. We zien hier geen volmaaktheid maar de van God gevestigde orde. De fouten en het lijden van David worden hier zonder meer voorbijgezien.
Na de koning zelf, die door Samuel naar het woord van Jahweh gezalfd was om over heel Israël te regeren, genoemd te hebben, begint de geschiedenis met ons datgene voor te stellen wat de kracht en de heerlijkheid van het koninkrijk van David vormt. De hogepriester treedt niet langer op de voorgrond. De gezalfde van Jahweh wordt voornamelijk als een man van strijd gezien, hoewel dit niet altijd zo zal zijn. Joab en de helden, die de metgezellen van David in het leger zijn geweest, worden onmiddellijk na de koning genoemd.
De eerste plaats 2 na de koning is voor hem, die Sion uit de hand van de vijand bevrijd heeft. Deze door Jahweh verkoren plaats wordt de stad van David en de zetel van de koninklijke macht. Dan wordt ons verteld hoe de metgezellen van David zich achtereenvolgens met hem verbonden hadden, hoewel hij nog lange tijd verworpen was en door Saul werd achtervolgd; toen hij nog onaanzienlijk was, een vluchteling en zonder kracht om stand te houden. De eersten, die genoemd worden van hen, die tot hem kwamen (een bewijs dat God en de kennis van Zijn wil in hun ogen meer waarde had dan bloedverwantschap en het voordeel, dat daaraan was verbonden) behoorden tot de verwanten van Saul, uit de stam van Benjamin. Dit waren mannen van grote bekwaamheid in het hanteren van de boog en de slinger; wapens waarmee Saul verslagen was in de strijd, waarin hij voorgoed ten onder ging. Verscheidenen kwamen van over de Jordaan naar David, toen hij zich nog in de woestijn verborg, want het geloof en de openbaring van de macht van God is erop gericht de energie en de kracht van hen die zich daarmee verbinden, in het werk te betrekken. Hij, die met God wandelt, is een aantrekkingspunt voor hem, in wie God werkt, en de energie ontwikkelt zich naar de mate van de openbaring van Zijn tegenwoordigheid en van Zijn genade. Velen van hen waren met Saul geweest, maar met hem waren ze geen helden geworden. En weer anderen hadden Saul nooit gediend. Maar zelfs in de legerplaats van Saul had David, toen geheel Israël van schrik vervuld was, de Filistijn kunnen doden. Later werden dergelijke wapenfeiten meer algemeen. Maar in het begin vragen zulke handelingen de onmiddellijke gemeenschap met God, zodat de invloeden van alles, wat de mens omgeeft, die deze gemeenschap geniet, uitgesloten worden. Later was de invloed van wat hen omringde gunstig zodat het geloof zich in die zin kan uitbreiden. Deze mannen waren alleen maar de oversten van de helden die David had (11:10-47). Als God met macht handelt geeft Hij de zwakken kracht, en brengt Hij door de energie van het geloof en van Zijn Geest een leger van helden voort.
Bij hen, die van Benjamin en Juda kwamen (12:16), zien we dat deze schakel van het geloof er was. Ze erkenden dat de God van David hun hielp. David beveelt zichzelf bij God aan ten opzichte van hen, die zich met hem verbonden, want hij was in een moeilijke positie tegen het einde van zijn loopbaan van beproevingen en moeite. Zij, die energie en kracht van God ontvangen hadden, kwamen in groten getale naar hem toe, want alles was rijp voor zijn troonbestijging in Israël, en om het koninkrijk van Saul in zijn handen te laten overgaan.
Er is verscheidenheid van bekwaamheid in dit leger van God. Allen worden door hun waarde beroemd. Er waren er die ervaren waren in het verstaan van de tijden, opdat ze wisten wat Israël moest doen, en al hun broeders waren in dat geval ter beschikking van David (12:32). Er waren anderen, die toegerust waren tot de strijd, en weer anderen met allerlei krijgswapenen en met onwankelbare harten. Dit alles bezaten zij overeenkomstig de gave van God en allen kwamen met een volkomen hart om David op de troon te plaatsen. Hun broeders hadden alles voor hen in overvloed klaargemaakt want er was vreugde in Israël. Zo is het altijd wanneer Christus, door oprechte harten, die niets anders zoeken dan Zijn heerlijkheid, werkelijk wordt verhoogd.
Hoofdstuk 13-15
David denkt onmiddellijk aan de ark (zie Psalm 132). Hij raadpleegt de bevelhebbers over duizend in Israël om haar terug te brengen. Omdat hij het volk liefheeft en door hen wordt liefgehad, handelt hij met hen en voor hen. Maar er was nog te veel verbinding tussen zijn ijver en zijn krijgszuchtige geest, en terwijl hij zich aan zijn vreugde overgaf hield hij niet voldoende rekening met de wegen van Jahweh. Hij volgde zonder twijfel de middelen na, waardoor God Zich verheerlijkt had toen de ark in de handen van de Filistijnen was gevallen. Deze laatsten hadden reden genoeg om zich niet met de ark te bemoeien. Ze lieten God handelen, Die er getuigenis van gaf dat Hij de God van de schepping was en een macht uitoefent, die de natuur in Zijn schepselen beheerst. Dit was het geloof bij de Filistijnen. Maar het was geen geloof bij Uzza, toen hij de ark aanraakte. Het volk van God moet door het Woord worden geleid. God kan buiten alles en vrij handelen, maar hier moet het Woord alles beheersen. Perez-Uzza is het getuigenis, dat men dit niet ongestraft ter zijde kan stellen, en dat de orde in het huis van God te midden van Zijn volk een zaak is die Hij zal doen eerbiedigen. En omdat David hierin faalde, werd zijn vreugde veranderd in droefheid en vrees. Maar het huis van Obed-Edom is toch een bewijs dat de tegenwoordigheid van God zeker zegen brengt.
De geschiedenis van het koningschap wordt voortgezet. David vestigt zich te Jeruzalem, Jahweh bevestigt het koninkrijk in zijn handen en omwille van Zijn volk is het hoog verheven. Als David God geraadpleegd heeft, en nauwkeurig Zijn richtlijnen heeft gevolgd behaalt hij tweemaal een volkomen overwinning op de Filistijnen. En waar hij zo gezegend wordt door Jahweh, wordt zijn naam in alle landen genoemd.
Hij bouwt zich huizen te Jeruzalem, en bereidt door een tent voor haar te spannen een plaats voor de ark van God.
Gewaarschuwd door de ramp 3 die zijn onbedachtzaamheid over Uzza had gebracht, toen hij de eerste maal de ark trachtte over te brengen, verzamelt David nu niet alleen geheel Israël, maar ook de Levieten en de kinderen van Aäron. Dit geeft gelegenheid, de gehele orde van de Levietische eredienst voor te stellen zoals deze door David werd gevestigd, en de verbinding te laten zien tussen het priesterschap en het koningschap; dat wil zeggen dat het eerste ondergeschikt is aan het laatste, omdat de koning door God is gezalfd, hoewel de dienst van het heiligdom het priesterschap toekwam.
Als het hoofd van alle dingen, regelt David alles en vestigt de zang voor de dienst van God. Daarna wordt met de hulp van God de ark van het huis van Obed-Edom naar de tent, die David voor haar op de berg Sion had klaargemaakt, overgebracht. Er werden offeranden gebracht aan Hem, die door Zijn macht de Levieten ondersteunde en alles gebeurt met vreugde en triomfgezang. Gekleed in een rok van fijn linnen en een efod, danst en speelt David voor de ark en verheugt zich, dat deze naar de plaats van rust in Sion wordt gebracht. Hoewel deze handeling en het gedrag van de koning onverstaanbaar was voor de ongelovige Michal, was deze toch van groot belang. Want hierin zien we de vereenzelviging van het koningschap te Sion (dat wil zeggen het koningschap van Christus als bevrijder in genade) met het teken van het verbond van Jahweh met Israël. Een teken, dat in genade in Sion gevestigd wordt als Israël onder de wet al volledig heeft gefaald, en zelfs nadat het God als zijn koning heeft verworpen.
Het priesterschap van Aäron had de betrekking van het volk met zijn God niet kunnen handhaven, en bijgevolg had de uiterlijke orde van zaken geheel gefaald. Het altaar waar de priesters moesten offeren was elders (te Gibeon), en niet voor de tent waarin de ark was. En de ark, die het teken van het verbond en van de troon van Jahweh was, bevond zich ver van het altaar, waar de priesters dienden.
Hoofdstuk 16
Het verbond van Jahweh wordt hier met het koningschap verbonden; en wel te Jeruzalem, de plaats, die Hij tot Zijn rust had verkoren. David zelf laat hier iets zien van het karakter van Melchizedek, maar slechts als een getuigenis vóór de bestemde tijd (16:1-3). In deze verzen zien we geen priesters.
Om de belangrijkheid van het overbrengen van de ark naar Sion beter te verstaan, doet men er goed aan Psalm 78:60-72, Psalm 132 te overwegen, en vers 8 van de laatste te vergelijken met wat Mozes heeft gezegd tijdens de reis van Israël door de woestijn in Numeri 10:35-36. Het is zeer interessant te zien hoe elke vraag aan het begin van deze psalm wordt overtroffen door het antwoord aan het einde.
Het feit, dat de ark niet in de tabernakel te Gibeon werd gelaten, is ook van grote betekenis. Het betekende het oordeel over het gehele stelsel dat met de tabernakel verbonden is. De tabernakel was er nog wel, evenals het altaar, en de priesters offerden daar hun slachtoffers. Maar de ark van het verbond van Jahweh werd daarvandaan weggenomen. De koning beschikte daarover vanwege zijn gezag, en gaf hem een andere plaats. Sinds de ondergang van Silo had dit oordeel voortgeduurd als kastijding, door de vijanden uitgevoerd; maar nu God door middel van David tussenbeide kwam en met macht handelde, werd door deze macht het zichtbaar teken van Zijn verbond met Zijn volk elders geplaatst. De koninklijke macht wordt in Jeruzalem gevestigd en het teken van het verbond van God wordt van de tabernakel van de getuigenis weggenomen om op de berg Sion, de zetel van de koninklijke macht, te worden geplaatst.
Als het volk in vroeger dagen moest optrekken, zei Mozes: 4 “Sta op, HEERE, laat Uw vijanden overal verspreid worden en hen die U haten, van Uw aangezicht vluchten!” Dit gebeurde als de ark voor hen uitging om een rustplaats voor hen te zoeken. En wanneer ze rustte, sprak Mozes: “Keer terug, HEERE, tot de tienduizenden van de duizenden van Israël” (Numeri 10:35-36). Maar toen God tot op zekere hoogte aan Israël rust had gegeven, wisten ze deze niet te genieten. Ze hebben, toen ze vanwege hun ontrouw door hun vijanden werden geslagen, de ark van haar plaats genomen en deze in de legerplaats van Israël gebracht. Geen enkel woord van wat Mozes had gesproken stond hun toe de ark in het midden van het leger te brengen. De ark werd genomen, en zoals we dat eerder hebben gezien, werd het woord “Ikabod” over het volk uitgesproken 5. Maar de trouw van God is gebleven, en nu Hij in genade en macht tussenbeide is gekomen en de troon als werktuig van deze macht en genade gevestigd heeft, wordt een ander woord gegeven: “Sta op, HEERE, ga naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw macht” (Psalm 132:8). Israël, de legerplaats en het priesterschap waren niet langer de rust van God. Laten we nu de belangrijke betekenis bezien van de vestiging van de koninklijke macht te Sion, zoals deze wordt voorgesteld in de psalm, die David bij deze gelegenheid schreef.
Het is waar, dat voor zover de koninklijke macht aan de mens werd toevertrouwd, deze heeft gefaald 6. Maar het is niet minder waar, dat ze in het huis van David gevestigd is, overeenkomstig de raadsbesluiten, de gift en de roeping van God, en dat alle beloften daarmee verbonden (de betrouwbare gunstbewijzen aan David) in Christus zullen worden vervuld.
In het gedeelte, dat we nu voor ons hebben (hoofdstuk 16) wordt het koningschap gezien in het licht van Gods gedachten en de zegen, die daaraan verbonden is. David offerde brandoffers en dankoffers en zegende daarna het volk. Dan geeft hij aan iedereen, zowel mannen als vrouwen een brood, een goed stuk vlees en een fles wijn, want God wil “haar voedsel rijk zegenen, haar armen met brood verzadigen.” Ten slotte geeft David aan de Levieten een psalm om Jahweh te loven en te prijzen.
Deze psalm is samengesteld uit een deel van Psalm 105, Psalm 96 met enkele veranderingen; vervolgens de eerste verzen van Psalm 106, 107, 118, en 136. Deze laatste is wel zeer bijzonder wat betreft de samenstelling. Ten slotte nog Psalm 106:47-48.
Hier volgt de volgorde van onderwerpen, die in deze psalm worden gevonden. Ten eerste Psalm 105, waarin de daden van Jahweh worden bezongen en tevens Zijn wonderwerken en de oordelen van Zijn mond. Israël wordt, als Zijn volk en de vergadering van Zijn uitverkorenen, opgeroepen om zich deze dingen te herinneren want Hij is Jahweh, hun God, en Zijn oordelen gaan over de gehele aarde. Israël werd erop gewezen, aan deze dingen te gedenken. Dus niet aan Mozes en de voorwaardelijke beloften, die door hem aan het volk waren gegeven, maar aan het onvoorwaardelijke verbond met Abraham. Dit is een eeuwig verbond, en houdt in dat het land aan zijn zaad (nageslacht) zal gegeven worden. Ze werden erop gewezen, op welke wijze God deze erfgenamen van de belofte heeft bewaard toen ze van land tot land trokken. De rest van deze psalm is weggelaten; ze bespreekt historisch de wegen van God in betrekking tot de bewaring van het volk in Egypte en hun bevrijding om in Kanaän te worden gebracht, opdat ze de inzettingen van Jahweh zouden kunnen bewaren. Daarom zou dit deel van deze psalm op deze plaats niet passen. Want hier wordt, bij de vestiging van het volk in macht, de genade bezongen nadat de inzettingen van Jahweh waren geschonden. Het begin van deze psalm daarentegen bezingt de genade voor Israël overeenkomstig de beloften, die aan Abraham, Izaäk en Jakob waren gedaan, toen Zijn oordelen over de gehele aarde waren. Dit is de eerste zaak, die op de aanwezigheid van de ark en de vestiging van de troon in Sion is gegrond.
De verzen 23-33 zijn bijna gelijk aan de woorden van Psalm 96. Het is een oproep aan de heidenen om Jahweh te erkennen, Wiens heerlijkheid aan alle volken zal worden bekendgemaakt. Deze psalm behoort bij een serie psalmen, die vanaf de eerste kreet van het volk tot aan de algemene vreugde van de volken, de volgorde beschrijft van alles wat verband houdt met het inbrengen van de Eerstgeborene in de wereld. Alleen de woorden “Zeg onder de heidenvolken: De HEERE regeert” hebben een plaats in Psalm 96, en geven daaraan een meer profetisch karakter. Maar hier wordt de boodschap aan de heidenen voorafgegaan door de vreugde van de hemelen en de aarde, en in plaats van “In Zijn voorhoven” (Psalm 96:8) wordt er gezegd “voor Zijn aangezicht”. De woorden “Hij zal over de volken op billijke wijze rechtspreken” 7 ontbreken ook, evenals de tweede helft van het laatste vers, dat dit oordeel op de wereld toepast. Afgezien van deze veranderingen waardoor deze psalm, naar het mij lijkt, meer het karakter van een aanwezige vreugde te zien geeft, komen deze verzen overeen met Psalm 96.
De weglating van het oordeel over de volken is merkwaardig. Want het onderwerp is hier de vreugde; de genade van de verlossing in de vestiging van het gezag, en daaruit voortvloeiend de regering over de aarde. De volken worden opgeroepen om naar Jeruzalem te komen en zich voor Jahweh te stellen. Dit is hier de leidende gedachte.
Deze twee gedachten laten ons dus, in de vreugde van Israël voor Jahweh, de vervulling zien van het verbond, dat met de vaderen gemaakt was nadat ze Zijn machtige werken hadden gezien, terwijl tevens de volken worden opgeroepen om naar de plaats van Zijn heerlijkheid te komen 8.
Vervolgens lezen we de volgende zin: Zijn goedertierenheid duurt tot in eeuwigheid. Dit laat zien dat, ondanks de fouten, zonden en ontrouw van Israël de goedheid van God niet is veranderd. Dit zal ten volle worden geopenbaard, wanneer het Lam, de ware ark van het verbond en de ware David, op de berg Sion zal verschijnen en nog vóór Hij het karakter van Salomo zal aannemen. Overeenkomstig dit alles wordt het sinds David gezongen. (Vergelijk vers 41; 2 Kronieken 5:13; Ezra 3:11; Jeremia 33:11).
Psalm 106, de laatste van het vierde boek van de psalmen, laat breedvoerig de bewijzen zien van deze kostbare verklaring, terwijl de psalm, die we nu overdenken (1 Kronieken 16), nadat ze de beloften aan Abraham heeft verhaald, de gehele geschiedenis, die in het verdere gedeelte van deze psalm wordt gegeven, voorbijgaat. (Want van Psalm 105 worden slechts de verzen 1-15 aangehaald, en wordt vers 16 tot het einde weggelaten, omdat dit laatste gedeelte spreekt van de verantwoordelijkheid, waaronder Israël in Kanaän werd geplaatst) en dan direct vervolgt met het eerste vers van Psalm 106, dat laat zien dat de goedertierenheid van God, ondanks alles, blijft tot in eeuwigheid.
Psalm 107 behandelt hetzelfde onderwerp, maar in verbinding met de verlossing en de terugkeer van Israël aan het einde van de eeuw.
Psalm 118 laat het licht op deze waarheid vallen in verbinding met de persoon van de Messias, die met Zijn volk lijdt, maar ten slotte gekend en aangenomen wordt in de dag, die Jahweh heeft gemaakt.
Ten slotte wordt in Psalm 136 dezelfde lof bezongen in verbinding met de volle zegen van Israël en van de gehele schepping. Het begint met de schepping zelf, en terwijl het door alles heen deze goedertierenheid roemt, eindigt het met de zegening van de gehele aarde als gevolg van de verlossing van Israël.
We merken hier nog op dat er vanaf Psalm 132 (de Psalm, die de vestiging van de ark op de berg Sion bezingt) tot en met Psalm 136 een opeenvolging is, hoewel we terloops opmerken, dat deze psalmen nog van andere dingen spreken dan alleen van het onderwerp, dat ons nu bezighoudt, hoewel er steeds van Sion als de plaats van zegen gesproken wordt. (Zie bijvoorbeeld Psalm 133, 134, 135, en ten slotte Psalm 136 die als een slotzang deze serie besluit).
En eindelijk hebben we de laatste twee verzen van Psalm 106. Het eerste van deze twee vraagt of God Israël 9 wil vergaderen uit de volken. Dit zal het resultaat zijn van de vestiging van de troon van de Heer Jezus in Sion 10. Het andere waarmee de psalm sluit, (evenals aan het eind van ieder boek van de psalmen) looft Jahweh, de God van Israël. De aanwezigheid van Christus op de berg Sion zal de aanleiding zijn dat alle onderwerpen, die deze psalm bevat, bezongen zullen worden. Dit zal gebeuren als Hij al verschenen zal zijn om daar in genade Zijn macht te vestigen, maar voordat de gevolgen van Zijn aanwezigheid overal ervaren worden.
Aan het slot van hoofdstuk 16 zien we, dat de koning alles regelt wat er voor de ark en voor het altaar, dat op de hoogte van Gibeon is, gedaan moet worden. Dus voor de dagelijkse dienst vóór de ark, en voor de offeranden op het altaar. Hij wijst ook de Levieten aan om “de HEERE te loven; want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.”
Het is treffend te zien, dat het getuigenis van de kostbare trouw van God zich niet alleen daar bevindt waar Zijn macht de ark had geplaatst, maar ook daar waar het hart van het volk het tussentijds nodig had, namelijk bij het altaar. Hoewel dit de plaats was waar het volk tot God naderde, was het toch, na al wat er gebeurd was, een getuigenis geworden van de toestand van een vervallen volk. Een tabernakel zonder ark.
Het geloof, dat de raad en het werk van God kon onderscheiden, kon in de vestiging van de ark in Sion (een handeling, die volgens de oude orde in werkelijkheid een wanorde was) de voortgang van Gods macht en tussenkomst zien ten behoeve van de vredevolle en heerlijke regering van de zoon van David. Doordat David, de koning, de ark van het verbond op de berg die God tot Zijn eeuwige rust had verkoren had geplaatst, schitterden de betrouwbare gunstbewijzen aan David als het aanbreken van een nieuwe dag voor het oog van het geloof.
Maar niet door allen werden deze wegen en deze tussenkomst van God, die toch zo kostbaar waren voor hen die ze verstonden, begrepen. En daarom daalde de nederbuigende goedheid van God af te Gibeon tot de lage toestand van het volk dat Hij liefhad. Daar sprak Hij nog tot hen naar Zijn eigen hart. Bij het altaar kon dit volk tot God naderen in een onwetendheid, die wellicht niet verder zag, maar waar het, voor zover zijn onwetendheid het toeliet, trouw was aan Hem, die hen uit Egypte had geleid. Op die plaats sprak God tot hen, en zei dat Zijn goedertierenheid voor eeuwig is. Daarvan was dit feit een treffend bewijs. Dan keert David terug om zijn huis te zegenen. Dit was zowel voor David als voor Salomo altijd een zaak die onderscheiden was van het volk en van de heerlijkheid.
Hoofdstuk 17
Maar hoewel het David was toegestaan de koninklijke macht van Sion met de ark van het verbond te verbinden, en zo de zegen te verzekeren door de macht van de koning, die God had verkoren, mocht hij toch als krijgsman het huis van Jahweh niet bouwen. De energie, die de overwinning behaalde op de vijanden van God en van Zijn volk, was nog niet de vreedzame en heerlijke macht, die het volk in het genot van al de zegen van God zou stellen als de vijanden er niet meer zouden zijn en alles absoluut gehoorzaam zou zijn aan de troon van God op aarde. David moest, evenals Abraham, persoonlijk de bewaarder van de beloften zijn, maar zou zelf de uitwerking van de belofte over de aarde niet genieten.
Toen het volk uit Egypte was verlost, was hun eerste begeerte, een woning te bouwen waarin God in het midden van hen zou kunnen wonen. (Exodus 15:2) 11.
Dit verlangen was overeenkomstig de gedachten van God (Exodus 29:44-46).
God had Zijn volk vergezeld op de woestijnreis. Hij had hun ontrouw verdragen, toen Hij hun Zijn heerlijkheid, die Hij hen had beloofd, in het land had toevertrouwd. Het lied: “Zijn goedertierenheid is voor eeuwig” had weerklonken bij Zijn altaar te midden van het verval, en vóór de bevrijding van Zijn volk heeft Hij zelfs een koning naar Zijn hart gevestigd en de ark (gered uit de handen van de vijand) op de berg Sion (de plaats, die Hij tot Zijn rust had verkoren) geplaatst. Maar desondanks blijft het altijd waar dat er een rust overblijft voor het volk van God. De overwinning, die ze hadden ontvangen, was deze rust niet, en evenmin de genade, die hen deze overwinning had gegeven. Als God Zijn volk volledige en gehele rust zou geven, dan zou het huis, waarin Hij in hun midden zou wonen, gebouwd worden, want God komt in het midden van Zijn volk overeenkomstig hun toestand en hun noden 12. Maar de heilige begeerte, dit huis voor de heerlijkheid van God te bouwen, wordt de gelegenheid dat God al Zijn plannen, die op David betrekking hebben, aan hem openbaart. Toen hij nog klein en gering was had de genade van God hem genomen, en ze had hem gesteld om het volk van God te regeren. God Zelf was met David geweest overal waar hij gewandeld had. Hij had zijn vijanden vernietigd en hem verhoogd. En dit was niet alles. Hij had Zijn volk een rust bereid, die niet meer verstoord zou worden, zoals vroeger gebeurd was in de dagen van de richteren.
Bovendien zou God al zijn vijanden onderwerpen en hem een huis bouwen. Het zouden geen bevrijders zijn zoals vroeger, die zo af en toe werden verwekt om het volk uit de ellende te verlossen waarin ze zich vanwege hun ontrouw bevonden. Maar ten behoeve van Zijn volk, zou de raad van God worden voltooid en de zegen voor altijd gevestigd worden in het huis en in het gezin van de koning. De zoon van David zou op zijn troon zitten. Hij zou Jahweh een zoon zijn, Jahweh zou hem een Vader zijn, en de barmhartigheid van Jahweh zou van hem niet worden weggenomen. Hij zou voor altijd in het huis en in het koninkrijk van Jahweh gevestigd worden en zijn troon zou vast staan tot in eeuwigheid.
Men zal opmerken dat de verantwoordelijkheid van het huis van David hier in het geheel niet wordt genoemd 13 en dat alles heenwijst naar de vervulling van de raadsbesluiten van God in Christus, die overeenkomstig de belofte de ware Zoon van David is. Het is God alleen, die we hier zien handelen. Gedurende de tijd dat Zijn volk de erfenis nog niet bezit, stelt Hij Zich ermee tevreden om met hen van tent tot tent te gaan (vers 5), en vraagt niet of men Hem een huis bouwt. En tenslotte zal Hij zelf Hem verwekken, die Hem een huis zal bouwen. Onder Zijn regering zal het volk, dat dan voor altijd met macht gevestigd is, de rust genieten die God Zelf hen zal hebben bereid. Met een bewogen hart antwoordt David Jahweh 14, die uit liefde voor Zijn dienstknecht en overeenkomstig Zijn eigen hart al deze dingen had gedaan en geopenbaard opdat Zijn dienstknecht ze zou kennen. Terwijl hij het heerlijke voorrecht van Israël, het volk van zo’n God, de ware God, erkent, vraagt hij of de God van Israël inderdaad een God voor Israël wil zijn en of Hij alles wat betreffende hem en zijn nageslacht gezegd is, wil vervullen.
Hoofdstuk 18-21
In deze hoofdstukken zien we David triomferen over de heidenen, nadat hij reeds in zijn land is “bevrijd van de aanklachten van het volk” (Psalm 18:44). Hij verspreidt naar alle kanten de heerlijkheid van Israël en van zijn regering. Dit zijn de gebeurtenissen, die de aanleiding waren voor Psalm 18, hoewel deze psalm nog een grotere draagwijdte heeft, (vergelijk verzen 37-46).
Men zal opmerken dat hier al de fouten van David stilzwijgend worden voorbijgegaan. Waar deze op andere plaatsen nauwkeurig vermeld zijn, was het hier de plaats niet om ze neer te schrijven, omdat we hier de vervulling zien van de wegen en de gedachten van God in het huis van de verkoren koning.
De reuzen vielen met de Filistijnen voor het aangezicht van de kinderen van Israël.
Maar de voorspoed van David stelt hem bloot aan de verzoekingen van de vijand. Als hoofd van Israël en overwinnaar van alle vijanden, wenst hij de kracht van het volk, dat zijn heerlijkheid was, te kennen, en daarmee vergeet hij de kracht van God, die hem dit alles heeft gegeven en Israël heeft groot gemaakt. Deze zonde, die groot is, en te meer nog in dit geval van David, heeft kastijding van Godswege tot gevolg. Een kastijding, die, hoe ze ook moge zijn, een nieuwe openbaring van Zijn genade en van de vervulling van Zijn raadsbesluiten tot gevolg heeft. David kent God in zijn hart, hoewel hij Hem een ogenblik heeft vergeten. Hij geeft zich aan Hem over en valt liever in Zijn handen dan dat hij iets van een mens hoopt. Het gevolg daarvan is dat de pestilentie door God wordt gezonden. Door de genade van God wordt hier nog een ander beginsel van de heerlijkheid van David voor onze aandacht geplaatst, namelijk de eer, die God hem geeft om, als werktuig in de hand van God, de plaats te bepalen waar het altaar van God het middel zal zijn voor de dagelijkse relaties van het volk met Hem. Jeruzalem is door God bemind, en deze verkiezing van Zijn kant wordt hier nu geopenbaard. De plaats was de dorsvloer van een vreemdeling en het ogenblik dat, waarin het volk gebogen ging onder de last van de gevolgen van de zonde. Maar hier is alles genade, en God hield de hand van de engel, die op het punt stond Jeruzalem te slaan, tegen. De genade is elke aandoening in het hart van David voor 15 want deze genade werkt en heeft haar oorsprong in het hart van God.
Door dezelfde genade bewogen treedt David nu tussenbeide ten behoeve van het volk, en neemt de zonde op zich. God hoort zijn gebed, en zendt de profeet om hem te onderwijzen wat betreft het verzoenend offer, dat in feite de grond vormde van alle daaropvolgende relaties tussen het volk en God. We voelen heel goed, (hoe gebrekkig het type in vergelijking met de werkelijkheid ook is) 16, hoe dit verhaal ons aan Hem doet denken, die ten behoeve van datzelfde volk Zich heeft beladen met zonden, die de Zijne niet waren.
Als David het offer naar het bevel van God heeft gebracht, neemt God dit aan door het vuur neer te zenden van de hemel, terwijl Hij tevens de engel gebiedt zijn zwaard in de schede te steken.
Hier is alles genade. Het is niet de koninklijke macht, die tussenbeide treedt om Israël te bevrijden van zijn vijanden en het volk in de rust te bevestigen. Maar het betreft hier de zonde van Israël zelf (want alles is afhankelijk van de koning), daar de ark van het verbond door de kracht van het geloof daar is geplaatst, buiten zijn gewone plaats, die nu verwoest is als gevolg van de zonde van het volk 17. Maar God handelt in genade. Hij verordent het verzoenend offer en neemt het aan. David en de oudsten stellen zich met zakken bekleed in middelaarschap voor God. Op de plaats, waar God zijn gebed heeft verhoord, offert David zijn offeranden, en van deze plaats wordt gezegd: “Dit hier is het huis van de HEERE God, en dit is het brandofferaltaar voor Israël.” Ten overstaan van de zonde handelt God in genade, en regelt door middel van het offer de orde betreffende de godsdienstige relaties tussen Zichzelf en Zijn volk, dat in genade is aangenomen, en ook de plaats van Zijn eigen woning waar men tot Hem zou naderen 18. Het was een nieuwe orde van zaken. De oude gaf geen enkele uitweg tegen het oordeel van God. Integendeel: David zelf vreesde naar de tabernakel te gaan. Het was voorgoed voorbij, dat deze een middel was om God te naderen. De zonde van David is de gelegenheid geweest om het einde aan te tonen van de oude gang van zaken, en om de onmogelijkheid te laten zien om er in zo’n geval gebruik van te maken. Zo werd ze aanleiding om alles op de soevereine genade te grondvesten.
Hoofdstuk 22-27
Vanaf dit hoofdstuk tot verzen 28-29 van hoofdstuk 26 ziet alles op het huis, dat moet worden gebouwd. We zien er de voorraden, die David had gemaakt, van al wat nodig was voor de bouw, de orde voor de dienst van de Levieten, die voor de zang werden aangesteld, voor hen die onder hen waren als portiers, en voor de priesters naar hun orden. Alles werd door David geregeld en in de juiste orde gesteld. En hoe alles afhankelijk was van de koning, wordt ons wel zeer bijzonder getoond in de hierna volgende opsomming van de koninklijke orde van zijn huis, zijn bediening, zijn officieren, zijn lijfwacht, en de voornaamsten onder het volk waarvan het aantal wordt vermeld.
Vanwege de toorn van God werd de telling van het volk niet voltooid.
Het opmerkelijke is, dat alles door David geregeld wordt, tot zelfs de deuren van het huis, dat nog niet gebouwd is. Zo is ook alles in Christus geregeld, voordat het in heerlijkheid geopenbaard wordt.
We zien ook dat dit alles altijd in het hart van David was, en welke grote voorbereidingen hij gemaakt had. Want hoe de strijd ook mag zijn: toch is de heerlijkheid van God in vrede te midden van zijn volk, het voorwerp van het hart van hen, die in verbinding zijn met de Geest van Christus, en altijd in het hart van Christus zelf.
David plaatste Salomo op de troon. Hij beveelt de vorsten hem te helpen en doet in geïnspireerde psalmen profeteren 19. Hij bepaalt de leeftijd waarop de dienst van de Levieten moet beginnen. Dit is een andere leeftijd dan die door Mozes werd voorgeschreven, (vergelijk 23:3 en Numeri 8:24) In elk geval is de periode van vier jaar (waarschijnlijk een proeftijd) daar niet genoemd. David stelt op eigen gezag de leeftijd in. De gehele orde van het huis van God en van de koning is onder zijn hand geplaatst. Het is een nieuw stelsel, dat op de genade als beginsel is gevestigd.
Salomo doet niets anders dan de plannen en de orde van de goddelijke wijsheid, die in David was, uitvoeren. De heerlijkheid is niets anders dan de vrucht van de genade. De gehele orde van het huis behoort Christus toe, die geleden heeft en die de Wijsheid en de Kracht van God is. Al het andere is heerlijk, maar het is slechts een resultaat daarvan. Alleen dienen we nog op te merken dat het huis gebouwd wordt als er vrede is, en door Christus als Vredevorst. Het paste niet bij de gewone openbaring van God, dat er vijanden zouden zijn om te bestrijden, en ook zou het niet behoren bij het karakter van de vreugde van Zijn volk. Het karakter van zulk een staat van zaken moet er een van zegen zijn, die zonder verhindering voortvloeit uit God.
Hoofdstuk 28-29
Het is belangrijk te zien hoe alles hier door David geregeld is. In de eerste plaats wel zedelijk. Het inzicht, het recht om alles te ordenen, het vermogen om alle gedachten van God te verstaan, de gemeenschap met Hem in Zijn gedachten, de kiem en de zedelijke grondslag van deze gedachten, de kracht om deze te handhaven, dit alles is verbonden met het lijden, dat Christus heeft ondergaan tot heerlijkheid van Zijn Vader. Voor ons is dit in onze mate eveneens waar. De vernederde en lijdende Christus is zedelijk op de hoogte van al deze heerlijkheid. Dit is in de tweede plaats belangrijk, wat betreft het inzicht in de wegen van God, want zonder twijfel zal Christus bij de aanvang van Zijn regering naar het karakter van David handelen.
We kunnen hier ook nog opmerken dat het gezag, dat David uitoefende groot en verstrekkend was. De gehele eredienst werd opnieuw samengesteld. Alles, zelfs de leeftijd van de dienende Levieten, hangt af van het gezag en de verordeningen van David, zoals ze voorheen met het gezag van Mozes verbonden waren. Het voorbeeld van alle delen van de tempel en de vaten ervan, werd door goddelijke inspiratie gegeven, evenals in vroeger tijden het voorbeeld van de tabernakel en alles wat daarmee in betrekking stond aan Mozes gegeven was. David voerde ook de zang in, en verschillende muziekinstrumenten, die zelfs “instrumenten voor muziek tot eer van God” (16:42) worden genoemd, en die, evenmin als de zang voordien deel uitmaakten van de eredienst. Met uitzondering van de ark, waren ook de vaten verschillend van die van de tabernakel, en voor ieder voorwerp was het gewicht in goud of zilver door David vastgesteld.
God wil ook het volk met David verbinden in deze gewillige dienst op de dag van Zijn kracht. En evenals ze met hem verbonden waren in zijn oorlogen en strijd, waren ze het ook in de vrijgevigheid die hij openbaart ten opzichte van het huis van zijn God. Ongetwijfeld zijn ze op grote afstand van hem; om zo te zeggen, overbodig, want ze hebben niets te maken met de wijsheid, die alles schikt en regelt. Maar het is hun toegestaan in het werk te delen. Deze gunst wordt hun bewezen en hun goedwilligheid is aangenaam voor God, en ze is ook de vrucht van Zijn genade.
David erkent God hier naar de beloften, aan de vaderen gedaan, en in overeenstemming met de gedachtenis van God van geslacht tot geslacht (Exodus 3:15), als: “God van onze vaderen Abraham, Izak en Israël”. Hij zoekt datgene, wat onder het nieuwe verbond vervuld zal worden (18) en leidt de dankzeggingen van de hele vergadering. Offers van gerechtigheid worden gebracht, en ze eten voor het aangezicht van Jahweh met grote blijdschap.
Dan wordt Salomo voor de tweede maal tot koning uitgeroepen (23:1). De eerste maal was het, toen de genade ten volle was gevestigd in het altaar, dat op de dorsvloer van Ornan was gebouwd en waar de zoon van David als de vredevorst de tempel moest bouwen. De tweede maal wordt Salomo gezien als het hoofd van alles wat gevestigd is, en neemt hij de plaats in die naar de gedachten van God de eerste en de voornaamste is. Een plaats waarvan al het andere afhankelijk was, dat zonder hem nu zelfs niet kon bestaan. Het huis, de inrichting daarvan, de regering ervan, alles heeft betrekking op Salomo; en zijn vereenzelviging met David, (daar beiden tegelijkertijd op de troon zaten) maakt het dus voor ons niet moeilijk om in deze een type van Christus te zien. Het is één persoon, die door lijden en overwinning op de troon van vrede en heerlijkheid is geplaatst. Want hoewel het resultaat van de heerlijkheid nog niet geopenbaard was, had God toch op dit moment Zijn volk rust gegeven, opdat Hij in Jeruzalem zou kunnen wonen (23:25).
Nu verdwijnt David uit onze gezichtskring, hoewel hij het is die Salomo in deze positie heeft gebracht. Wat we nu verder zien, als een aanvulling van het gehele toneel van heerlijkheid, is dat Salomo zelf in vrede regeert over een gewillig volk, dat offers van gerechtigheid aan Jahweh kan offeren. De zoon van David wordt hier gezien in zijn ware, eigen karakter, en in dit karakter alleen, namelijk dat van de gezalfde van Jahweh, de heerser over het volk. En Zadok, de trouwe priester (Abjathar niet), wandelt voor het aangezicht van de gezalfde, zodat nu alle gedachten van God overeenkomstig de lofzang van Hanna en de woorden van de man Gods in 1 Samuel 2 zijn vervuld. “En Salomo zat op de troon van Jahweh” 20. Dit is een merkwaardige uitdrukking. Alles is aan hem onderworpen.
De opmerkzame lezer zal hier ongetwijfeld opmerken op welke wijze de gedachten van God betreffende Christus, de Heer, hiernaar boven komen, en welk een tegenstelling er is tussen dit verhaal en de geschiedenis van Adonia in 1 Koningen. Een geschiedenis, die door de tegenstelling duidelijk laat zien dat het in de Kronieken de bedoeling van de Geest van God is, ons in het type de uitdrukking te geven van de gedachten van God in betrekking tot de ware Zoon van David, van de positie, die Hij moet innemen, en van het karakter van de troon in Jeruzalem in de tijd dat Christus erop zal zitten. Het zal de troon van Jahweh zijn, en de koninklijke majesteit in Israël zal zijn zoals ze nog nooit is geweest. En wat dit laatste betreft, is het boek Kronieken vol onderwijs.
EINDE 1 KRONIEKEN
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 2.8
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- De rol des boeks (1 en 2 Kronieken), H. Rossier
- Koningen bij de gratie Gods (David en Josia), C.H. Mackintosh
- David, G. André
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten
1 Het is goed om hierop te merken, dat in al deze geslachtsregisters, als een familie in een plaats gevestigd is, de naam van de plaats dikwijls wordt gebruikt als naam voor de familie; dat de nakomelingen van verscheidene geslachten tezamen worden genoemd als kinderen van het hoofd van dat geslacht (vergelijk 4:1 met het begin van hoofdstuk 2) en dat de voortreffelijkste van een familie genomen wordt om een nieuw geslacht te beginnen, zonder dat hij eerder genoemd is (hoofdstuk 8:29 en 33).
2 Nadat David de stad vanaf Millo rondom had gebouwd, vernieuwde Joab het overige deel van de stad. We merken op dat Samma de Harodiet hier niet wordt genoemd. Mogelijk is het Sammoth in hoofdstuk 11:27, maar dit is twijfelachtig (zie 2 Samuel 23:25). We merken ook op dat de daden van deze helden uitsluitend bestaan in overwinningen, die op de Filistijnen zijn behaald; de vijanden, waardoor Saul, die verwekt was om ze te vernietigen, werd overwonnen. Wat dan ook hun latere overwinningen geweest mogen zijn: we zien dat ze daar leerden overwinnen en dat ze daar de vermaardheid verwierven, die hun een plaats in de archieven van God heeft gegeven. De lezer zal goed doen om zich hier de verbinding voor ogen te stellen tussen deze geschiedenis, en de vestiging van de macht van Christus, de Zoon van David, op aarde.
3 We moeten hier het volgende opmerken: hoewel de vergeetachtigheid van David de oorzaak van het onheil was, gaf dit leed door genade toch de gelegenheid om David in de rechte positie te brengen en zo alles wat de Levietische dienst betrof te regelen en te bevelen. Zo is het altijd ten opzichte van geloof, want de gedachten van God worden in zijn voordeel vervuld. In zijn ijver kan de mens de wil van God voorbijzien en zal dan door God worden gekastijd. Maar het doel van God is dan om hem eer te geven, door hem steeds meer in de door God verlangde positie te brengen, en hem steeds meer inzicht te geven in de wegen, waarin Hij Zijn dienstknecht wil verhogen.
4 In de woestijn was Israël op reis en zocht rust. Het vond zijn vijanden op de weg, en door het geloof werden deze vijanden als vijanden van Jahweh erkend; en wanneer God hen een tijdelijke plaats van rust gaf, omhulden ze met zorg het teken van Zijn tegenwoordigheid.
5 Uitgedrukt in de woorden van Psalm 78:61: “Hij gaf Zijn macht over in gevangenschap, Zijn luister in de hand van de tegenstander.”
6 Vergelijk in Psalm 132:11-12 de twee beginselen die reeds bij het bestuderen van de boeken der Koningen zijn aangewezen.
7 In Psalm 96 is het Hebreeuwse woord voor volken: “AMMIN”. Ik denk dat dit gewoonlijk wordt gebruikt in de psalmen voor “volken” (“volk” A.V.) in verbinding met “het volk” dat is Israël (1 Kronieken 16:36). Zie echter 1 Kronieken 16:26; in ieder geval worden ze niet als heidenen gezien. In “de volken richten”, is richten: “DEEN” evenals in Psalm 7:9. Dit verwijst naar geschillen en rechtsgeding. “SHAPAT” betekent “rechter” (in Psalm 96:13 tweemaal), en betekent meer de algemene rechterlijke autoriteit. De woorden: “Zeg onder de heidenvolken: De HEERE regeert”, komt in Psalm 96 voor de verheuging van hemel en aarde, maar in 1 Kronieken 16 erna.
8 Psalm 100 kon hier niet gebruikt worden omdat vóór deze psalm Jahweh ons reeds wordt voorgesteld als zittende tussen de Cherubim (99:1). Het brengen van de ark in Sion is daarvan slechts een afschaduwing. Daarom is het duidelijk, dat Psalm 96 hier aangehaald is. Het is de tegenwoordigheid van Christus op de berg Sion om door Zijn macht alle beloften te vervullen. En dit vóór het vrederijk. Dit verklaart al deze zinspelingen, evenals zoveel andere, die op de psalmen worden gemaakt, en die schijnen te spreken over de terugkeer uit de ballingschap om Jeruzalem te herbouwen, terwijl intussen gebeden wordt om de vervulling van deze terugkeer. In sommige van deze psalmen wordt de zegen in de geest bezongen, en het gebed om de vervulling gaat aan het feit van de vervulling vooraf.
9 Deze vraag toont het profetisch karakter van deze Psalmen aan, en laat zien hoe de draagwijdte ervan zich uitstrekt tot de laatste tijden van Israël.
10 Zie Mattheüs 24:31 (hoewel het daar in verband staat met Zijn komst van de hemel) en Psalm 126.
11 Deze vertaling is hier zeer twijfelachtig, maar Exodus 29:46 is zeer duidelijk wat betreft de bedoeling van God.
12 Toen het volk van Israël een slaaf was werd God hun bevrijder; toen het in tenten woonde, was Zijn woning ook een tent; toen het strijden moest openbaarde Hij Zich als de Vorst van het leger van de HEERE; toen het in vrede was gevestigd, vestigde God ook zichzelf in het huis van Zijn heerlijkheid. De tussentijd is de toetssteen van Zijn volk op de aarde geweest. God bleef in de tent en zelfs Zijn ark werd genomen. Hij treedt in genade tussenbeide ter bevrijding. Evenzo is het met Christus. Wij zijn geboren uit een vrouw, en Hij evenzo: toen Zijn volk onder de wet was, werd Hij onder de wet geboren. Nu Hij voor Zich een hemels volk vergadert, is Hij in de hemel voor ons. Als Hij in heerlijkheid zal komen, zullen wij bij Hem zijn; we zullen regeren, als Hij regeert. Maar in de beide laatste gevallen zijn we met Hem.
13 Het laatste gedeelte van 2 Samuel 7:14 ontbreekt hier.
14 In dit treffende gebed van David is het mooi om te zien hoe zijn hart vervuld is met datgene wat God in deze is. “er is niemand zoals U”. En als hij spreekt van de zegen van Zijn volk is Israël niet wat het volk is in zijn openbaring, maar: “Het enige volk op de aarde dat God is gaan verlossen om voor Hem een volk te zijn, om Zich een Naam te maken, groot en ontzagwekkend”. “Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid.” Dit is de specifieke uitwerking van het geloof.
15 Het is van belang, de volgorde te zien, die ons hier in het vestigen van de relaties van de soevereine genade wordt getoond.
- Het hart van God en de soevereine genade in verkiezing, die het verdiende en uitgesproken oordeel opschort (21:15),
- de openbaring van dit oordeel; een openbaring, die verootmoediging voor God teweegbrengt, en een volle belijdenis van de zonde voor Zijn aangezicht. David en de oudsten van Israël, bekleed met zakken, vallen op hun aangezichten en David wijst zichzelf aan als de schuldige.
- zien we de aanwijzing, die van God komt, ten opzichte van wat gedaan moet worden om de pestilentie op een gerechtelijke en afdoende manier te doen eindigen.
Dit middel is het offer op de dorsvloer van Ornan. God neemt het offer aan en het wordt door het vuur verteerd. Daarna beveelt Hij de engel, zijn hand af te trekken. En zo wordt de soevereine genade, gegrond op en gerechtvaardigd door het offer, het middel, waardoor Israël tot God kan naderen en wordt, tevens voor het volk de plaats van toegang tot Hem gevestigd. De tabernakel, die een getuigenis was van de voorwaarden waarin het volk had gefaald, kon, zoals we hebben gezien, in dit geval geen hulp bieden. Integendeel: deze gaf aanleiding tot vrees. David vreesde zich naar Gibeon te begeven. Er was geen ander middel dan de afdoende tussenkomst van God overeenkomstig Zijn eigen genade. Want dit zondegeval, door de koning zelf geschapen, liet geen andere mogelijkheid over. Het gehele stelsel en beginsel van de tabernakel, als een wettige instelling, wordt terzijde gesteld, en de aanbidding van Israël wordt door middel van het offer op de genade gegrondvest, daar, waar zelfs de koning ten opzichte van zijn verantwoordelijkheid had gefaald. Voor degene die dit kon verstaan, was dit de positie van Israël.
16 En historisch zelfs het tegenovergestelde: want hier is het de zonde van de koning zelf die de kastijding van het volk veroorzaakte, terwijl Christus de zonden op Zich heeft genomen en ze beleden heeft als waren ze de Zijne. Toch doet dit ons zien hoe nu alles afhangt van het koningschap. Het is niet de priester, die hier het middel geeft. David treedt tussenbeide en David offert. Het feit dat de koning, de bewaarder van de beloften, gezondigd had, maakt de soevereine genade noodzakelijk.
17 Het onderscheid tussen de verlossing van Israël van hun vijanden en het gevoel van hun eigen zonde voor God in de laatste dagen vinden we in de liederen van Hammaäloth in Psalm 130.
18 Merk ook op, hoe de zonde de gelegenheid geeft om de raadsbesluiten van God tot openbaring te brengen, hoewel het vraagstuk van de verantwoordelijkheid tegelijk werd geregeld. Hetzelfde zien we bij het kruis. (Vergelijk Titus 1:2-3; 2 Timotheüs 1:9-10; Efeze 3; Kolosse 1).
19 Blijkbaar was Heman ook zelf geïnspireerd. Verscheidene psalmen zijn zowel aan hem als aan Asaf toegeschreven.
20 J. N. Darby vertaalt: “En Salomo zette zich op de troon van Jahweh” (Noot van de vertaling).