41. Haggaï

41. Haggaï · uit de ‘Synopsis’ deel 4 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

De laatste drie profeten profeteerden na de Babylonische ballingschap.

Zoals we in de boeken van Ezra en Nehemia gezien hebben, bracht God een gering overblijfsel van Zijn volk terug om zich opnieuw in Jeruzalem en het land te vestigen. Maar de troon van God werd er niet opnieuw opgericht, noch werd het koningschap van het huis van David in zijn oorspronkelijk gezag in ere hersteld. Het wereldrijk van het hoofd van de volken was in zeker opzicht geoordeeld, omdat het zijn plicht niet vervuld had tegenover God die hem zijn gezag gegeven had. Een ander koninkrijk, onder de volkeren verrezen, had de plaats van het eerste ingenomen. En hoewel dit, onder Gods besturende hand (Die alle harten neigt naar Zijn wil), de Joden welgezind was, bleef het volk van God toch onderworpen aan zijn juk, het juk van hen die vreemdelingen waren van Gods verbond en Zijn beloften.

God erkende het gezag van het rijk, dat Hij gevestigd had. Daarom was Israël afhankelijk van de gunst van hen die, vanwege hun zonden, over hen heersten. Zij moesten op God wachten om deze heersers gunstig voor hen te stemmen, en Hem aanbidden overeenkomstig de dienst die Hij in genade had verordend, totdat de Messias zou komen, Die hun Verlosser en Bevrijder zou zijn.

Hoewel van bijna alles beroofd, was Israël niet verstoken van de barmhartigheid van hun God, waarop zij hadden moeten vertrouwen en waarvan zij een doorslaand bewijs hadden ontvangen in de terugkeer van het overblijfsel uit de landen van hun ballingschap. Al was al het andere verloren, de vreze van God en Zijn geboden hadden een plaats in hun hart kunnen behouden, betoond in godsvrucht, op de wijze zoals God had voorgeschreven in Zijn Woord (Deuteronomium 30).

De profeten Haggaï, Zacharia en Maleachi tonen ons hoe God het volk bemoedigde, opdat het getrouw zou zijn in de nieuwe positie die het nu innam. En zij geven ons het getuigenis tegen hun ontrouw, die bleek uit de achteruitgang van hun vroomheid en uit het totale gebrek aan eerbied voor Jahweh, waarin het volk vervallen was.

De tempel was noodzakelijk het middelpunt van deze onvolmaakte en tijdelijke toestand van het volk. Daar moesten de harten van het volk hun middelpunt vinden, wanneer God hun het voorrecht schonk van het herstel van hun eredienst. Dat was de uitwendige vorm waarin hun vroomheid als een volk zich moest openbaren. Alleen daardoor zouden zij het bewijs leveren dat hun harten waren teruggekeerd tot God. Welke gebreken er ook in de herstelde Levitische eredienst waren, het was toch Gods huis, waaraan alles wat hersteld kon worden was toegevoegd, en wat het centrum was voor al hun geestelijke energie.

Maar het geloof van de Joden was spoedig verzwakt en zij staakten het bouwen. Ongetwijfeld waren er moeilijkheden. Het was nu niet als in de dagen van Salomo, die alles wat hij nodig had tot zijn beschikking had, omdat zijn macht zich over al de naburige landen uitstrekte. Maar God had Zijn goedheid ten opzichte van Zijn volk getoond, door het hart van de koning van Perzië gunstig voor hen te stemmen. Israël had vertrouwen moeten hebben in Gods goedheid, en de vruchten daarvan moeten verwachten. Maar vol van ongeloof waren ze zeer spoedig ontmoedigd.

God kastijdde Zijn volk maar Hij deed dat op de juiste tijd. Hij gebruikt de middelen die Hij in Zijn soevereine genade al zo vaak had gebruikt in de geschiedenis van Zijn volk. Hij verwekt een profeet, zelfs twee, om hun moed te laten herleven en hen aan te sporen het werk te hervatten. In Gods handelingen zijn twee dingen, die de rechte tijd van Zijn tussenkomst bepalen, namelijk morele overwegingen en een volgorde in de gebeurtenissen, die God het meest doeltreffend acht.

God had in dit geval Zijn volk voldoende gekastijd, om hen Zijn regeringswegen in de verbindingen van de genade met hen, die Hij nu door middel van de profeten vestigde, duidelijk te maken. En Hij had een vorst verwekt, die – als het volk in geloof wilde handelen – Gods wil en de bevelen van Cyrus zou erkennen en volbrengen.

Waar Hij zo, zowel met het oog op de toestand van hun harten als op de wegen van Zijn voorzienigheid, alles voorbereid had (want Hij laat alle dingen medewerken ten goede), zendt Hij Zijn profeten om hun moed en geloof op te wekken, opdat zij de taak zouden voltooien die zij altijd al hadden moeten volbrengen.

Ze hadden altijd alleen op God moeten steunen en, tenzij verhinderd door geweld,1 het werk moeten voortzetten. Ook nu worden ze geroepen met het werk voort te gaan en in God hun rust te vinden, zonder de gedachten van de koning te kennen. Hun vertrouwen moest geheel in God Zelf zijn. Sterker nog, zonder dat was er geen godsvrucht of geloof in hun arbeid. God had het hart van de koning zo bereid, dat hij hen juist zijn hulp bood op het ogenblik dat hun geloof tot openbaring kwam.

Natuurlijk bleven de moeilijkheden niet uit. Maar nu hun geloof werkzaam was, gingen ze met bouwen voort ondanks hun vijanden. De wijsheid van God leidde hen in het beantwoorden van deze vijanden, en de koning gaf zijn goedkeuring tot het voortzetten van het werk.

Wanneer wij wandelen naar Gods wil kunnen er werkelijke moeilijkheden ontstaan, maar zij zullen alleen een hindernis zijn, wanneer er ongeloof in ons hart aanwezig is. Want geloof rekent op God en doet wat Hij wil; en voor God zijn er geen moeilijkheden. Het ongeloof zal altijd uitvluchten weten te vinden, die vaak zelfs niet ongegrond zijn: alléén hebben ze dit grote gebrek, dat ze geen rekening met God houden.

Het onderwerp in Haggaï is de tempel. Nu God de ballingen teruggebracht had, dachten ze niet aan het herbouwen van het huis van Jahweh: ze dachten allereerst aan het zoeken van hun eigen gemak.

Was het dan zo’n geschikte tijd om hun eigen huizen te bouwen? Zeker, de tijd was er rustig genoeg voor, er was geen geloof voor nodig, want er was geen tegenstand van de wereld. Maar de profeet toont hun het praktische resultaat van zo’n houding, namelijk de gevoelige kastijding van God, zelfs in hun aardse belangen. En waarom moesten ze deze kastijding ondergaan? Omdat het verachten van Gods huis een verachten van God Zelf was. Hadden ze aan God gedacht dan zou de bouw van Zijn huis hun voornaamste doel geweest zijn.

Bewogen door de vreze des Heeren, luisterde het volk naar de woorden van Zijn dienstknecht. Maar nu is er weer een andere moeilijkheid die het geloof in de weg staat: het is het pijnlijke besef dat alles wat door het overblijfsel van Gods volk tot stand kan worden gebracht, van zo’n minderwaardig karakter is, nadat Hij het uit de ballingschap heeft laten terugkeren. Niets van wat zij doen, kan de vergelijking doorstaan met de vroegere heerlijkheid te midden van Zijn volk. Het resultaat van het verval en van de ballingschap die het had moeten doormaken, werd in alles gevoeld. God kon onmogelijk Zijn heerlijkheid verbinden met een gezag van een zo geheel verschillend karakter als het Zijne, uitgeoefend over Zijn volk als een noodzakelijk gevolg van Zijn rechtvaardig oordeel, in Zijn regering op aarde. Hij mag hen weer oprichten, hen herstel schenken, omdat Hij hen liefheeft, maar dan is het toch niet meer hetzelfde. Die directe verbinding, die noodzakelijk vergezeld gaat van de openbaring van Zijn macht en heerlijkheid, kon Hij niet herstellen. Die verbinding was beëindigd door het oordeel. Het besef van deze nederigere toestand heeft de neiging het geloof te verzwakken.
Door het getuigenis van de profeet helpt God in Zijn genade in deze moeilijkheid. Het is diep bedroevend, het verval te zien van wat God in zegen geschonken had, en dan het zwakke en onvolmaakte wat op deze ruïne gebouwd is, zelfs als dit de kostelijke vrucht van Zijn genade is.

De profeet, zonder zich te bekommeren om de bedoelingen van de koning, bemoedigt het volk, door hun gedachten te richten op Jahweh Zelf, en voornamelijk daarop, dat Jahweh ten slotte regeert, dat Hij voor hen zorgt en wenst dat zij, in al wat zij deden, dit deden met het oog op wat Hij in deze omstandigheden voor hen was, en tot Zijn verheerlijking. Want al waren zij nog zo zwak, op die wijze zou Hij in verbinding met hen zijn.

Maar God hield, in Zijn genade rekening met de natuurlijke gevolgen van de minderwaardige indruk van wat zij voor Hem deden, en doet dat in Zijn getuigenis uitkomen, want Hem ontgaat niets van wat Zijn volk moet doormaken. Hij was dezelfde getrouwe God voor hen, nu, als in de beste periode van hun geschiedenis. Dit bleek nu zelfs op nog sterkere wijze. Hij was met hen. Het woord dat Hij gesproken had toen Hij hen indertijd uit Egypte leidde, zou Hij handhaven. Zijn Geest zou ook nu in hun midden blijven, ze hoefden niet te vrezen. Maar terwijl Hij het geloof van dit zwakke overblijfsel door Zijn tedere ontferming ondersteunde en verlevendigde, ging Hij nog veel verder. Al kon Hij Zich nu niet persoonlijk in hun midden openbaren, door hun vervallen toestand en de geheel gewijzigde orde van zaken, er zou weer een tijd aanbreken, dat Hij in Zijn eigen macht zou ingrijpen. Hij zou alle dingen doen beven, omdat het schepsel het gewicht van Zijn heerlijkheid niet zou kunnen verdragen, dan zou Hij door Zijn eigen macht Zijn heerlijkheid weer vestigen en Zijn aardse woning opnieuw met Zijn heerlijkheid vervullen.

Niet alleen zou de aarde beven – dat was al vaak gebeurd. Maar de vijand die de macht van de duisternis uitoefende, had steeds de mens ertoe gebracht alles opnieuw te verderven, en naar beneden te halen, alles wat God in een weg van zegening tot stand had gebracht.

Maar nu zou God de hemelen en de aarde en de zee doen beven: alle van boven uitgeoefende gezag en al wat hier beneden georganiseerd was (alle gevestigde orde) en alles wat ongeorganiseerd in de wereld heen en weer golft en al de volken, zouden door God bewogen worden. De wens aller heidenen zal komen. En het huis, dat zij met zoveel moeilijkheden herbouwden en dat zo verachtelijk scheen in vergelijking met zijn vroegere heerlijkheid, zou door de Heer met Zijn heerlijkheid vervuld worden.

De uitdrukking die ik vertaald heb met: “De wens aller heidenen zal komen” is zeer moeilijk te vertalen. Het lijkt mij dat ik, gezien het verband, de juiste betekenis gegeven heb 2 en dat de Geest van God zich expres in zulke vage termen heeft uitgedrukt, opdat, wanneer het geestelijk gemoed de ware heerlijkheid van het huis zou zien, het tevens zou verstaan dat deze uitdrukking de Messias insluit. Het doel van de passage is, de zekerheid te geven, dat het huis met heerlijkheid vervuld zal zijn. 3

In de tussentijd zou het een uiterlijke heerlijkheid bezitten. Jahweh heeft de beschikking over al het zilver en goud, als Zijn eigendom. Maar de volken, hun tronen omvergeworpen, hun macht verbroken, verdrukt en elkaar onderdrukkend, niet wetend waar geluk, kracht en vrede te vinden zijn, zullen in Hem, Die alleen de heerlijkheid van Jahweh voor altijd in stand zal houden, en ware vrede zal schenken, – in één woord, zullen alleen in Christus gelukzaligheid en vrijheid vinden; en Hij zal de heerlijkheid uitmaken van dat huis, dat door dit arme overblijfsel gebouwd werd.

Zelfs zou de latere heerlijkheid van het huis groter zijn, dan de eerste. Het is niet “de heerlijkheid van dit laatste huis”, het huis wordt altijd beschouwd als hetzelfde huis. Aan het eind van de tijden zal God het met meer heerlijkheid vervullen dan aan het begin, en de vrede van Jahweh Zelf zal er zijn zetel hebben. Dit zal in de laatste dagen vervuld worden. Hij, Die het met Zijn heerlijkheid vervullen zal, is inderdaad gekomen. Maar, terwijl Hij voor onze ziel eeuwige vrede aanbracht, bevond de wereld zich in zo’n toestand, dat Hij Zich genoodzaakt zag tot het volk te zeggen: “Meent niet dat Ik gekomen ben om vrede te brengen … maar een zwaard.” Dan echter, wanneer de macht van de naties door Hem ten onder zal zijn gebracht, zal Hij in heerlijkheid verschijnen en de vrede op deze aarde bevestigen 4.

Het Boek Haggaï eindigt met twee andere profetieën, die, evenals het overige van zijn inhoud, in verband staan met het huis. Omdat zij Jahweh hadden vergeten en veracht, was het volk als het ware onheilig geworden. Dat wat heilig is kan nooit onheilige dingen heilig maken, maar iets dat onrein is, verontreinigt wel dat wat heilig is, omdat heiligheid absoluut alle kwaad uitsluit. Waar kwaad aanwezig is, gaat heiligheid teniet, alleen al door het feit dat het aanwezig is, tenzij de heiligheid van zo’n natuur is, dat zij door haar aanwezigheid alles uitsluit wat met haar in strijd is – zoals bij de natuur van God Zelf het geval is. Maar wanneer aan God Zijn plaats wordt gegeven en Hij erkend wordt, dan kan Hij zegenen door de kracht van Zijn tegenwoordigheid. Vanaf de dag dus dat het volk weer zocht Gods tegenwoordigheid te erkennen en Zijn aanwezigheid onder hen te verwezenlijken, ontsproot daaruit een stroom van zegeningen.

De tweede profetie spreekt opnieuw van het bewegen of doen beven van alle dingen. In die dag zal de regeerder van Juda, de erfgenaam van David, een zegelring zijn aan de hand van Hem, die alle dingen zal doen beven. Terwijl ten tijde van deze profetie het volk erdoor bemoedigd werd – juist op een tijd, dat zij die bemoediging zozeer nodig hadden, – heeft deze profetie, door het noemen van Zerubbabel, Hem op het oog, Die, wanneer God de hemelen en de aarde zal doen beven, het ware zaad (nageslacht) van David zal zijn en de erfgenaam van Zijn kroon naar Gods gedachten – de Christus Gods, de Uitverkorene van Zijn volk.

Het oordeel waarvan in vers 22 gesproken wordt, lijkt mij niet het oordeel over de troon van het beest te zijn, maar dat over de naties die in die tijd tegen Jeruzalem zullen optrekken. Alles dat zich zal verzetten tegen de rechten van Jahweh, die Hij, naar Zijn raadsbesluit, binnen Jeruzalem zal vestigen, (rechten die vereenzelvigd worden met het huis dat zij bouwden) zal verdelgd worden. Zonder twijfel kan dit in het algemeen van het koninkrijk van het beest gezegd worden. Maar de voorwaarden van zijn bestaan zijn geheel anders. God plaatste Jeruzalem wel onder de macht van het hoofd van dat rijk. Maar de misdaden, die het oordeel van God over hem brengen zijn veel brutaler en onverdragelijker dan die, waaraan de volken schuldig zijn.

Kort samengevat, is het oogmerk van deze profetie aan te tonen, dat aardse zegeningen in verband staan met het huis, en dat, hoe nederig het huis ook in zijn tegenwoordige toestand is, zijn toekomstige heerlijkheid veel groter zal zijn dan de eerste. God zal bij de vestiging van alles in heerlijkheid, naar de raadsbesluiten van Zijn genade, iets oneindig meer voortreffelijks in het aanzijn roepen, dan alles wat tevoren aan de mens toevertrouwd, en door menselijke hulpmiddelen tot stand gebracht was. Dit alles staat in verband met de nederwerping van alle dingen door Zijn machtige hand en met het naar voren brengen van de erfgenaam van David als het voorwerp van Gods liefde, en het vat van Zijn macht.

We zien dat de Geest van God, hoewel aanwezig om Zijn volk te zegenen, hen te bemoedigen en hen met God te verbinden door de aanbidding die God in Zijn huis wordt toegebracht, toch het gezag dat het wereldrijk van de volken nog over hen uitoefent erkent. Deze profetieën zijn gedateerd naar de regeringsjaren van de heidense monarch. Het is Gods wil, dat aan God gegeven wordt, wat van God is en de dingen van de Keizer aan hem, die op dat ogenblik de plaats van Keizer inneemt. Het was God, die hem daar geplaatst had. Hoe zien wij hierin de volmaakte wijsheid van de Heer in Zijn antwoord in Markus 12:17, en de volmaakte wijze, waarop het Woord zich uitdrukt.

De profetie van Maleachi is van een geheel ander karakter. Hij spreekt niet van oprichting of herstel van de dingen, zoals Haggaï en Zacharia; hij kondigt alleen het oordeel aan over het resultaat van dat, wat God in genade in Israël tot stand had gebracht, bij het herstel van het overblijfsel, en toont hun hoe weinig de eredienst, waardoor Hij Israël opnieuw met Zichzelf verbonden had, op zo’n wijze was gehandhaafd, dat die Hem tot verheerlijking strekte.

EINDE HAGGAÏ

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 4.15

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Dit heeft ook werkelijk plaats gehad (zie Ezra 4:24). Het bleek echter nu, dat zij, ten gevolge van de geest van ongeloof die in hen werkte, geheel ontmoedigd waren, zodat ze geen enkele poging aanwendden om het werk te hervatten. Ze zeiden: “De tijd is nog niet gekomen, de tijd om het huis van de HEERE te herbouwen”. Het was alleen het getuigenis van de Geest, door middel van de profeet, die hen opwekte uit hun geestelijke slaap.

2 De Italiaanse vertaling van Diodati, die als zeer accuraat beschouwd wordt, stemt overeen met de Engelse. De Wette vertaalt “de kostbaarheden”. Maar het Hebreeuwse woord wordt over het algemeen niet veel gebruikt voor “kostbare dingen” hoewel ontstaan uit dezelfde taalwortel. Het ene is “Chemdath”, het andere “Chamudoth”. De moeilijkheid is dat “zal komen” in het meervoud staat. Hoogstwaarschijnlijk is het om die reden, dat De Wette “kostbaarheden” vertaalt, waarbij hij het woord “Chemdath” neemt, omdat “Vahu” eraan voorafgaat als een omschrijving van wat volgt. De Italiaan vertaalt “la scelta verra”, het uitverkoren Voorwerp (de uitverkorene) van de volken zal komen.

3 Maar is dit niet de bedoeling, zodat de betekenis door het volgende vers wordt bepaald, dan zou het in verbinding staan met de gewenste dingen van de volken die het huis zullen versieren. Maar ik geef de voorkeur aan bovenstaande vertaling.

4 Het is opmerkelijk, dat in Lukas, wanneer Christus op een veulen Jeruzalem binnenrijdt, gesproken wordt van: “In [de] hemel vrede” (Lukas 19:38). Want het is inderdaad zo, dat pas dan, wanneer satan van daaruit neergeworpen is, na de laatste beslissende strijd met de hemelse machten, werkelijk op aarde een blijvende toestand van zegen kan worden bevestigd. Tot op dat ogenblik is steeds door de macht van het kwaad en de geestelijke boosheden in de hemelse gewesten, die toestand van zegen verijdeld en verdorven. Maar daar zal dan voor altijd een einde aan komen. Satan mag met Gods toelating als een vijand op aarde komen, maar zijn hemelse macht als geestelijke boosheid is voorgoed ten einde. De overste van de macht van de lucht is er niet meer, zijn plaats werd niet meer in de hemel gevonden.