71. 3 Johannes

71. 3 Johannes · uit de ‘Synopsis’ deel 8 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Deze derde brief wekt de gelovige op, gastvrij te zijn, voor de broeders die hij kent of voor vreemdelingen, en hen met alle welwillende zorg voort te helpen op hun reis wanneer zij weer vertrekken; mits zij met de waarheid en ter wille van de waarheid komen, zonder dat ze een vast salaris ontvingen of andere voorzieningen genoten. Naar het schijnt ontving Gajus hen, en was hij hen behulpzaam zowel in zijn eigen huis als op hun reis. Diótrefes daarentegen had deze vreemdelingen niet lief, die, zoals gezegd, rondreisden zonder formele zending en zonder zichtbare bron van inkomsten. Zij waren uitgegaan voor de Naam van de Heer en hadden niets van de Volken aangenomen. Als ze werkelijk uit liefde voor die Naam kwamen, deed men er goed aan hen te ontvangen.

Opnieuw dringt de apostel aan op de waarheid, als het kenmerk van de ware liefde: “die ik liefheb in de waarheid”, zegt hij tot Gajus. Hij had zich verblijd, toen de broeders (ik denk degenen die Gajus in huis had opgenomen en op hun reis had voortgeholpen) getuigenis gegeven hadden van de waarheid die in hem was, omdat hij werkelijk in de waarheid wandelde. De apostel had geen grotere blijdschap, dan wanneer hij hoorde, dat zijn kinderen in de waarheid wandelden. Doordat zij hen ontvingen die waren uitgegaan om de waarheid te prediken, hielpen zij de waarheid zelf; ze waren medearbeiders van de waarheid. Diótrefes wilde hier niets mee te maken hebben; niet alleen weigerde hij deze rondreizende predikers op te nemen, maar hij wierp hen die dit wel wilden uit de gemeente. Hij eiste gezag op voor zichzelf. De apostel zou dit in herinnering brengen. Het was hun plicht goed te doen. “Wie goeddoet, is uit God”.
Met betrekking tot de waarheid, gaat Johannes zo ver, dat hij zegt, dat de waarheid zelf aan Demétrius getuigenis heeft gegeven. Ik veronderstel dat hij de waarheid had verbreid, en dat het een getuigenis was voor Demétrius zelf, dat de waarheid overal – tenminste waar hij had gearbeid – was aangenomen en bevestigd.

De nadruk die de apostel voortdurend legt op de waarheid, als de toetssteen in de laatste dagen, is onze aandacht zeer waard; en dat geldt ook voor die rondreizende predikers. Deze namen niets aan van hen die tot de Volken behoorden wanneer zij uitgingen, omdat zij het aan God overlieten ervoor te zorgen dat zij ontvangen werden door degenen wie de waarheid na aan het hart lag. De waarheid was zodoende hun enige geloofsbrief onder de christenen, en ook het enige middel waarmee de apostel de gelovigen kon beschermen. Het schijnt, dat ze van joodse afkomst waren, want er staat: “zonder iets aan te nemen van hen die tot de volken [behoren]”. Zo maakt Johannes dus het onderscheid: Joden – Volken. Ik merk dit op, omdat, daardoor, als het zo is, de strekking van de woorden “en niet voor onze ([zonden]) alleen” in 1 Johannes 2:2, eenvoudig en duidelijk wordt; wat ze niet voor iedereen zijn. Evenals Paulus, maakt Johannes het onderscheid: ons, Joden, en u, volken; al zijn ze één in Christus. Het valt ook op, dat de apostel aan de gemeente schreef, en niet aan Diótrefes, die het hoofd ervan wilde zijn. En merk op dat deze voorganger, die graag de eerste wilde zijn, zich verzette tegen de woorden van de apostel, en dat de gemeente, naar het schijnt, niet geneigd was dit te doen. Gajus volhardde in zijn godvruchtige wandel, ondanks het kerkelijk gezag dat Diótrefes (met welk recht of liever aangematigd recht ook) uitoefende: want hij wierp mensen uit de gemeente.

Wanneer de apostel Johannes kwam, zou hij (evenals Paulus) zijn werkelijke macht tonen. Hij kende aan zichzelf niet een kerkelijk gezag toe om deze zaken door middel van een bevel in orde te brengen. Deze Brieven zijn in dit opzicht heel merkwaardig. Met betrekking tot hen die rondreisden om te prediken, was het enige middel dat hij bezat, zelfs als het een vrouw betrof: de aandacht te vestigen op de waarheid. Alleen daarop berustte het gezag van een prediker. Zijn bevoegdheid was een andere zaak.

De apostel wist niets van een gezag dat hun zending zou rechtvaardigen en, bij gebrek waaraan de zending vals en onwettig zou zijn. De hele kwestie, van het wel of niet opnemen van zulke predikers, werd alleen beslist door de leer die zij brachten. De apostel bezat geen ander middel om het gezag van hun zending te beoordelen: en er was ook geen ander; want, als het er geweest was, zou dat gezag van hem zijn uitgegaan. Dan had hij kunnen zeggen: “Waar zijn de bewijzen van hun zending?” Hij kende geen ander bewijs dan dit: brengen zij de waarheid? Zo nee, groet hen dan niet. Maar als ze de waarheid wel brengen, zult u er goed aan doen hen te ontvangen, ondanks alle Diótrefessen in de wereld.

EINDE 3e BRIEF JOHANNES

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 8.11

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!