62. 2 Timotheüs

62. 2 Timotheüs · uit de ‘Synopsis’ deel 8 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Hoofdstuk 1

De tweede brief aan Timotheüs heeft heel bijzondere kenmerken. Het is de uiting van het hart van hem, die in dienst van God, buiten Palestina de gemeente van God op aarde had gesticht en opgebouwd. En deze brief wordt geschreven terwijl hij het falen van de gemeente ziet, en haar afwijking van de beginselen waarop hij haar gevestigd had. God bleef trouw. Zijn fundament was vast en onbeweeglijk; maar het werk dat aan de handen van mensen was toevertrouwd was al verzwakt en was al in verval. Het bewustzijn van deze stand van zaken, die bovendien aan het licht kwam door de manier waarop de apostel toen zelf werd in de steek gelaten, drukte hem op het hart. En hier stort hij zijn hart uit tegenover zijn trouwe Timotheüs. Door middel hiervan onderwijst de Geest ons in de plechtige waarheid, dat de gemeente haar oorspronkelijke toestand niet heeft bewaard. En de Geest stelt aan ons voor wat in zo’n toestand de zekere weg is voor hen die God zoeken, en Hem wensen te behagen.

De apostel Johannes geeft de geschiedenis van het verval van de gemeente hier beneden, en van het oordeel over de gemeente, en eveneens van het oordeel over de wereld. Ook stelt hij ons een leven voor dat, los van alle problemen betreffende de toestand van de gemeente, altijd hetzelfde blijft. Een leven, dat ons in staat stelt ons in God te verheugen, en dat maakt dat wij Hem gelijken in Zijn natuur en Zijn kenmerken.

Als getuige zou Johannes blijven tot de Heer kwam: maar Paulus ziet zelf de puinhoop van wat hij had gebouwd en waarover hij zo trouw had gewaakt. Hij had zijn leven opgeofferd aan de gemeente, en had aangevuld in zijn vlees wat nog ontbrak aan de verdrukkingen van Christus voor Zijn lichaam. Hij moest het aanzien dat de gemeente die hij zo lief had gehad zwak werd wat betreft haar toestand en getuigenis in de wereld. En hij had nog wel voor haar gezorgd zoals een moeder haar zuigeling koestert; hij had haar geplant als Gods akkerwerk op aarde. Hij moest zien hoe de gemeente haar bron van kracht verliet, en verdorven werd. Wat een pijnlijke ervaring! Maar het is de ervaring van de dienaar van God in alle tijden en in alle bedelingen. Hij ziet wel de kracht van God die werkzaam is om het getuigenis op aarde te planten, maar hij ziet ook dat de mensen spoedig in dit getuigenis tekortschieten. Het huis dat bewoond wordt door de Heilige Geest vervalt en raakt in wanorde. Toch (en we herhalen het graag met de apostel), het vaste fundament van God staat en blijft voor altijd. Wat ook de toestand mag zijn van het geheel, de enkeling moet zich altijd onttrekken aan alle ongerechtigheid, en zo nodig, door zichzelf het ware getuigenis van de naam van de Heer handhaven. Hiertoe zal de trouwe gelovige steeds in staat zijn.

Met het oog op de vermenging en verwarring die zich begon te vertonen in de gemeente berustte de troost van de apostel op deze twee beginselen. Tegelijkertijd herinnerde hij zich de gemeenschap en de trouw van enkele kostbare zielen en met vreugde genoot hij van hun trouw en gemeenschap. Te midden van de verdrukkingen van het evangelie, en in het verdriet dat hij erover had om in de steek gelaten te worden door zo velen, die het zegel waren van zijn getuigenis voor het aangezicht van de Heer, had hij nog zulke mensen als Timotheüs en Onesiforus.

Vers 1. De apostel begint met zich te stellen op de grondslag van de genade en van het persoonlijke leven – dat in z’n wezenlijke kenmerken nooit verandert – en laat de voorrechten van de gemeente buiten beschouwing. Niet dat deze veranderd waren; maar hij kon ze niet langer in verbinding brengen met het lichaam in het algemeen op aarde. Hij noemt zich hier een apostel overeenkomstig de belofte van het leven dat in Christus Jezus is. Het is niet alleen de Messias, het is niet het Hoofd van het lichaam, het is de belofte van het leven dat in Hem is.

Paulus richt zich tot zijn innig geliefde zoon Timotheüs, wiens genegenheid hij zich herinnert. Hij verlangde er zeer naar hem te zien, en dacht aan de tranen, die Timotheüs waarschijnlijk gestort heeft toen Paulus gevangen werd genomen, of toen hij bij die gelegenheid van hem werd gescheiden, of toen hij ervan hoorde. Het is de vertrouwelijkheid van een vriend die spreekt tot iemand wiens hart hij kent. Iets hiervan, maar in de volmaaktheid die Hem eigen was, zien we in Jezus aan het kruis, in de woorden die Hij sprak tot Johannes en tot Zijn moeder. Zoiets zou ongepast zijn geweest voor Paulus. De genegenheden van mensen worden openbaar in en door hun behoeften, de behoeften van hun hart. De genegenheden van de Heer werden openbaar door Zijn neerbuigende goedheid. Bij Hem is alles op zichzelf volmaakt. Bij ons is het alleen door genade dat alles op de juiste plaats is. Maar wanneer de afzondering om in kracht te dienen voorbij is – een afzondering die van niets anders wist dan dienen in kracht – neemt de natuur in overeenstemming met God haar juiste plaats in. In het gewijde spijsoffer, dat met vuur gemaakt werd, was geen plaats voor honing.

Vers 3. De apostel spreekt niet meer over de hoge aard van zijn werk, maar over zijn persoonlijke positie die hij in overeenstemming met de Geest juist aanvoelde. Hij had God met een rein geweten gediend, tredend in de voetstappen van zijn voorouders. In ieder opzicht was hij een vat tot eer. Meer dan een geslacht lang hadden zijn voorouders zich onderscheiden door een goed geweten; en persoonlijke godsvrucht, gegrond op de waarheid, werd zichtbaar in de dienst van God. Paulus spreekt hier geen oordeel uit over de innerlijke toestand van zijn voorouders: hij zegt wat hen kenmerkte. Hij herinnert aan een dergelijk feit met betrekking tot Timotheüs. In diens geval spreekt hij echter over persoonlijk geloof, waarvan Paulus zelf wist. Wat hen verbond was zodoende wel een zaak van persoonlijk gevoelen, maar ook de christenband 1. Het Jodendom, met zijn uiterlijke verplichtingen, ontbreekt hier geheel. Want de vader van Timotheüs was een Griek, en het huwelijk van zijn joodse moeder was onrein volgens de wet. Het zou Timotheüs ook onrein gemaakt hebben zodat hij de joodse voorrechten had moeten missen. En hij was als kind ook werkelijk niet besneden. Paulus besneed hem, wat ook niet volgens de wet was, tenzij Timotheüs jodengenoot was geworden. Zowel heidenen als hun kinderen werden buitengesloten, zoals we lezen in Nehemia. De handeling van Paulus stond boven de wet. Hier gaat hij eraan voorbij; hij laat de vader die uit de volken was buiten beschouwing, en spreekt alleen over het persoonlijke ongeveinsde geloof van de moeder en grootmoeder van Timotheüs, en over het geloof van de geliefde discipel zelf.

De toestand van de gemeente was alleen een extra aanleiding voor de oefening van zijn geloof, en voor de moedige ijver en werkzaamheid van hart. De moeilijkheden en gevaren namen aan alle kanten toe; de ontrouw van christenen kwam nog bij al de overige dingen. Maar God is toch bij Zijn volk. God heeft ons niet een geest van vreesachtigheid gegeven, maar een geest van kracht, van liefde en van bezonnenheid. Daarom moest de arbeider van de Heer, de man Gods, hij die zichzelf bewaarde in gemeenschap met God, om Hem op aarde te vertegenwoordigen, de genadegave die in hem was, aanwakkeren. En, zoals de apostel het met bewonderenswaardige en treffende kracht en helderheid uitdrukt: hij moest de verdrukkingen lijden van het evangelie, overeenkomstig de kracht van God. Hier, in het geval van Timotheüs, kon de apostel melding maken van een bijzondere gave van de Geest, die aan Timotheüs was geschonken, door de oplegging van zijn handen. In de eerste brief had hij over de profetie gesproken, waardoor hij was geroepen of aangewezen om deze gave te bezitten. Daar vertelde hij ons dat dit vergezeld was gegaan van de oplegging van de handen van de gezamenlijke oudsten. Hier zegt hij ons dat de oplegging van zijn eigen handen het middel was om hem deze gave te verlenen.

De apostel herinnert hem aan dit bewijs van kracht en echtheid in zijn dienst (en in de dienst van Paulus zelf), met het oog op die tijd waarin het moeilijker was de dienst uit te oefenen. Wanneer alles voorspoedig gaat, en het evangelie opmerkelijke vooruitgang maakt, zodat zelfs de wereld daardoor wordt getroffen, blijkt het werk gemakkelijk te zijn, ondanks moeilijkheden en tegenstand. En, – zo is de mens, – zelfs als gevolg van die tegenstand is men moedig en volhardend. Maar wanneer anderen, zelfs christenen, de arbeider in de steek laten, wanneer het kwaad en de bedriegerijen van de duivel binnenkomen, wanneer de liefde is verkoeld, en wanneer anderen die liever wat voorzichtig zijn, ongerust worden, omdat er één trouw is, en zij liever een beetje minder vooruitstrevend zijn in hun wandel, dan is het geen gemakkelijke zaak om in dergelijke omstandigheden standvastig te zijn, om te volharden in het werk, en moed te houden. Wij moeten het Christendom hebben met God, opdat we weten waarom we vaststaan: wij moeten zelf in gemeenschap zijn met Hem, om de nodige kracht te bezitten om in Zijn naam te blijven arbeiden, en om te allen tijde door Zijn genade ondersteund te worden.

God dan, heeft ons gegeven de Geest van kracht, van liefde en van bezonnenheid. De apostel had een zodanige positie van God ontvangen, dat hij Timotheüs de genadegave had kunnen geven die hij nodig had voor zijn dienst. Maar de toestand van geest en ziel om die genadegave te kunnen gebruiken hoorde bij het erfdeel van iedere christen die werkelijk op God leunde. Hij moest zich ook niet schamen voor het getuigenis, dat uiterlijk in z’n voorwaartse beweging werd geremd in de wereld, en evenmin voor Paulus die nu gevangen was. Wat is het kostelijk om datgene te bezitten wat eeuwig is, wat berust op de kracht en op het werk van God Zelf! Er waren wel de verdrukkingen van het evangelie, maar hij moest daaraan deelnemen en niet terugdeinzen, en volharden overeenkomstig de kracht van God. God heeft ons behouden en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, alsof er iets van de mens afhing, maar naar Zijn eigen voornemen en de genade die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden van de eeuwen. Dit is het vaste en onwankelbare fundament, een rots voor onze zielen, waartegen de golven van de moeilijkheden tevergeefs breken; golven die een kracht tonen die wij geen ogenblik zouden kunnen weerstaan, maar die ook hun volkomen machteloosheid tonen tegenover het voornemen en het werk van God. De pogingen van de vijand bewijzen alleen dat hij zonder kracht is tegenover wat God is en wat Hij voor ons heeft gedaan. En de apostel verbindt zijn dienst en het lijden dat hij onderging hiermee. Maar hij wist Wie hij geloofd had, en zijn geluk was veilig bij Hem weggelegd. Wat wij moeten zoeken, is de kracht van de Geest, opdat wij deze gave van God door het geloof verwerkelijken en met ons hart, in ons praktische geloof, in het besef van onze eenheid met Christus blijven op dit onveranderlijke fundament, dat niets minder is dan de onveranderlijkheid en de heerlijkheid van God Zelf. Want Zijn voornemen is geopenbaard; dat voornemen, dat ons een plaats en een deel gaf in Christus Zelf, werd nu geopenbaard door de verschijning van die Christus. Het is niet langer een volk dat in de wereld is uitverkoren om daarin de beginselen te tonen van de regering van God en van Zijn wegen in gerechtigheid, in geduld, in goedheid en in macht op de aarde (hoe onveranderlijk Zijn raadsbesluiten ook zijn, hoe zeker Zijn roeping), zoals die openbaar werden in Zijn handelingen met het volk dat Hij riep. Het is een raadsbesluit van God, gevormd en vastgesteld in Christus voordat de wereld bestond, dat zijn plaats heeft in de wegen van God buiten en boven de wereld, in eenheid met de Persoon van Zijn Zoon, om een volk te openbaren dat met Hem verenigd is in heerlijkheid. Zo is het een genade die ons in Hem gegeven is, voordat de wereld was. Dit voornemen van God, verborgen in Zijn raadsbesluiten, werd geopenbaard met de openbaring van Hem in Wie het zijn vervulling had. Het waren niet alleen zegeningen en handelingen van God met de mensen – het was leven, eeuwig leven in de ziel, en onvergankelijkheid in het lichaam. Zo was Paulus apostel overeenkomstig de belofte van het leven. Zolang Christus Zelf leefde, werd dit voornemen van God met betrekking tot ons niet vervuld, hoewel het leven in Hem was. De kracht van het leven, Goddelijke kracht in het leven, moest zich openbaren in de vernietiging van de macht van de dood, die door de zonde was binnengekomen en waarin satan over zondaars heerste. Christus heeft dan in Zijn opstanding de dood tenietgedaan, en door het evangelie zowel leven als onvergankelijkheid aan het licht gebracht, dat wil zeggen: die toestand van eeuwig leven die de ziel en het lichaam buiten de dood en zijn macht plaatst. Zo werd de blijde boodschap van dit werk tot alle mensen gericht. Het evangelie van Paulus was gegrond in de eeuwige raadsbesluiten van God en gevestigd in de Persoon van Christus, en het werk dat voor de vervulling ervan nodig was, is door Hem volbracht; het had een karakter dat geheel buiten het Jodendom en de enkele regering van God op aarde lag: het was voor alle mensen. Omdat het de openbaring was van de eeuwige raadsbesluiten en de kracht van God, en te maken had met de mens die onder de macht van de dood lag en met de voltooiing van een overwinning die de mens buiten die macht plaatste, in een volkomen nieuwe toestand die afhing van de kracht van God en Zijn voornemens, richtte het zich tot de mens, tot alle mensen, Joden of heidenen, zonder onderscheid. Omdat hij Adam kende als dood door de zonde en Christus als levend in de kracht van het Goddelijke leven, verkondigde hij deze blijde boodschap aan de mensen – verlossing, en een volkomen nieuwe stand van zaken.

Om dit evangelie bekend te maken was de apostel geroepen als prediker. Om die reden leed hij, en, in het besef van wat dit lijden veroorzaakte, schaamde hij zich er niet voor. Want hij wist Wie hij geloofd had; hij kende Zijn kracht. Hij geloofde in het evangelie dat hij predikte, en daarom ook in de overwinningskracht van Hem in Wie hij geloofd had. Hij kon sterven met betrekking tot het leven dat hij van de eerste Adam ontvangen had, hij kon gesmaad worden en te schande gemaakt in de wereld en door de wereld: het leven in Christus, de kracht waardoor Christus de mens een plaats heeft verworven buiten de toestand van de eerste Adam, het leven zoals Christus nu bezit, bleef daardoor onaangeroerd. Het is niet zo, dat er tevoren geen leven geweest zou zijn; maar de dood en hij die de macht van de dood had waren niet overwonnen, en alles dat achter het graf lag was duister. Een lichtflits kon misschien deze sombere duisternis wel eens verlichten, er kon voldoende grond zijn voor de juiste slotsom van de Farizeeër, maar leven en onvergankelijkheid waren nog niet aan het licht gebracht: dit gebeurde pas door Christus en in Zijn opstanding.

Maar dit is niet alles wat hier gezegd wordt. De apostel zegt niet: “ik weet, wat ik geloofd heb”, maar: “ik weet, Wie ik geloofd heb”; een belangrijk verschil! Het plaatst ons (wat ons vertrouwen betreft) in verbinding met de Persoon van Christus Zelf. De apostel had over de waarheid gesproken, maar de waarheid is verbonden met de Persoon van Christus. Hij is de waarheid; en in Hem heeft de waarheid leven en kracht. In Hem is de waarheid verbonden met de liefde die de waarheid toepast, die de waarheid in het hart bewaart, en het hart door de waarheid. “Ik weet”, zegt de apostel, “Wie ik geloofd heb”. Hij had zijn geluk aan Christus toevertrouwd. In Hem was het leven waarvan de apostel deelgenoot was. In Hem de kracht die dit leven droeg. In Hem de kracht waardoor in de hemel die heerlijke erfenis wordt bewaard die zijn deel was, daar waar dat leven zich ontvouwde.

Door deze hoop aangemoedigd, terwijl hij zich aan Jezus toevertrouwde, had hij alle dingen verdragen, voor Hem en voor hen die de Zijnen waren. Hij had al het lijden hier aanvaard, en hij was bereid om dagelijks te sterven. Zijn geluk, in de heerlijkheid van dat nieuwe leven, had hij aan Jezus toevertrouwd. Ondertussen arbeidde hij in verdrukking, terwijl hij er zeker van was dat hij zou terugvinden, (hierin kon hij onmogelijk teleurgesteld worden), wat hij aan de Heer had toevertrouwd. Hij zou het terugvinden op die dag dat hij Hem zou zien, wanneer al zijn smart ten einde zou zijn. In de verwachting van die dag, om het op die dag weer te vinden, had hij aan Hem zijn geluk en vreugde toevertrouwd.

Bovendien zou zijn eigen loopbaan spoedig ten einde zijn; daarom richt hij het oog op Timotheüs voor het welzijn van de gemeente hier beneden. Hij moedigt hem aan om standvastig te zijn, de waarheid vast te houden, zoals hij die hem had geleerd: het was het getuigenis van de Heer. Maar hij moest de waarheid vasthouden in de verwerkelijking ervan door het geloof in Christus, en in overeenstemming met de kracht van de liefde die te vinden is in gemeenschap met Hem. Dit is het, – we zagen het al – wat de apostel zelf verwerkelijkt had. De waarheid, en levende genade in Jezus, in geloof en in liefde, die de waarheid haar kracht en haar waarde geven, – dat zijn de punten die in alle tijden beslissend zijn voor kracht en trouw, en wel vooral voor de mens Gods, in een tijd dat de gemeente in het algemeen ontrouw is.

De waarheid zoals die geleerd en onder woorden gebracht werd door de apostelen, de manier waarop zij de waarheid voorstelden, “het voorbeeld van de gezonde woorden”, is de geïnspireerde uitdrukking van wat het God heeft behaagd te openbaren. En wel in alle verhoudingen waarin de waarheid samen verbonden is, in al haar verschillende delen, overeenkomstig de levende natuur en kracht van God, die noodzakelijkerwijs het middelpunt van de waarheid is zoals Hij er de bron van is. Niets dan openbaring kon dit onder woorden brengen. God spreekt over alles zoals het is en op een levende manier; en door Zijn woord bestaat alles. Hij is de bron en het middelpunt van alle dingen. Alles vloeit uit Hem voort – alle dingen staan in verhouding tot een levende Persoon, namelijk Hemzelf. Hij is hun oorsprong, aan Hem danken alle dingen hun bestaan. Dit bestaan bestaat alleen in verbinding met Hem; en de verhouding van alle dingen tot Hem, en van de dingen onderling, vinden we in de uitdrukking van Zijn gedachten. Tenminste, in die mate waarin Hij Zich in verbinding stelt tot de mens in al deze dingen. Als er kwaad in komt, ten aanzien van de wil of de gevolgen daarvan in het oordeel, gebeurt dat omdat die verhouding verbroken is. En de verhouding die verbroken is geeft de mate aan van het kwaad.

Zo zien we het onmetelijke belang van het Woord van God. Het is de openbaring, de uitdrukking, van de verhouding van alle dingen tot God. Hetzij ten aanzien van hun bestaan – dat wil zeggen, de schepping – of met betrekking tot Zijn raadsbesluiten. Of zelfs betreffende Zijn eigen natuur, en de verhouding van de mens tot Hem, en de mededeling van het leven dat men ontvangt van Hem, en de handhaving van wat Hem waarlijk kenmerkt. Het komt uit de hemel evenals eens het levende Woord, het openbaart wat daar is, maar het past zich, evenals eens het levende Woord deed, aan de mens hier beneden. Het wijst de mens hier de weg als er geloof is, maar het leidt hem omhoog, daarheen, waar het levende Woord als Mens is heengegaan.

Hoe meer we het Woord overdenken en beschouwen, des te meer zullen we zien hoe belangrijk het is. Zoals Christus, het levende Woord, heeft het zijn oorsprong in de hoogte, en openbaart het wat daar is. Het is ook volmaakt aangepast aan de mens hier beneden, terwijl het een volmaakte regel geeft in overeenstemming met wat daarboven is. En als wij geestelijk zijn leidt het ons daarheen, omhoog: ons burgerschap is in de hemelen. Wij moeten onderscheid maken tussen de verhouding waarin de mens stond als kind van Adam, en waarin hij staat als kind van God. De wet geeft op volmaakte wijze uitdrukking aan de eisen die voor de eerste verhouding gelden; de wet is de leefregel voor hem. Het blijkt dat dit voor hem de dood betekent. Zijn we eenmaal zonen van God, dan wordt het leven van de Zoon van God als Mens hier beneden onze leefregel. “Weest dan navolgers van God, als geliefde kinderen; en wandelt in liefde, zoals ook Christus ons heeft liefgehad”.

Als de Oorsprong van alles wat bestaat, en het Middelpunt van alle gezag en van alles wat voort bestaat buiten Hem, is God, in Zijn natuur het Middelpunt van alles en Degene die alles in stand houdt. Wat Zijn raadsbesluiten betreft, is Christus het middelpunt, en hier neemt de mens een bijzondere plaats in. Het welbehagen van de wijsheid was van eeuwigheid in Hem, en alles zal onder Zijn voeten gelegd worden. Opdat de natuur en de raadsbesluiten van God niet zouden worden gescheiden (iets wat wel onmogelijk is, maar wat in Zijn raadsbesluiten was opdat het niet zou gebeuren) werd God mens. Christus is God geopenbaard in het vlees, het Woord dat vlees is geworden. Zodoende vinden we de Goddelijke natuur, de uitdrukking van die natuur, in het voorwerp, en het middelpunt van Zijn raadsbesluiten. Zodoende is Christus de waarheid – Hij is het middelpunt van alle bestaande verhoudingen: alles heeft betrekking op Hem. Wij zijn, door Hem, voor Hem, of we zijn tegen Hem; alles blijft in stand door Hem. Als wij geoordeeld worden, is het als Zijn vijanden. Hij is het leven (op geestelijke wijze) van allen die zich verheugen in de mededeling van de Goddelijke natuur; zoals Hij ook alles wat bestaat draagt. Zijn openbaring brengt de ware plaats van alle dingen aan het licht. Zodoende is Hij de Waarheid. Alle woorden die Hij zegt, zijn geest en leven, want het zijn woorden van God; levendmakend, werkend overeenkomstig de genade, oordelend met betrekking tot de verantwoordelijkheid van Zijn schepselen.

Maar er is nog meer dan dit. Hij is de openbaring van de liefde. God is liefde, en in Jezus is de liefde werkzaam, en het hart dat Hem kent, kent die liefde. Het hart dat Hem kent leeft in de liefde, en kent de liefde in God. Maar Hij is ook het voorwerp in wie God aan ons geopenbaard is, en Hij is het voorwerp geworden van volkomen vertrouwen. Het geloof wordt geboren door Zijn verschijning. Het geloof bestond wel door gedeeltelijke openbaring van dit zelfde voorwerp, door middel waarvan God Zich bekend maakte. Maar dit was slechts gedeeltelijk en wees vooruit naar wat volledig tot stand is gebracht in de verschijning van Christus, de Zoon van God. Het voorwerp is hetzelfde: vroeger was Hij het onderwerp van belofte en profetie; nu is Hij de persoonlijke openbaring van alles wat God is, het beeld van de onzienlijke God, Degene in wie wij ook de Vader kennen.

Zodoende vinden geloof en liefde hun ontstaan, hun oorsprong, in het voorwerp dat door genade geloof en liefde in de ziel heeft bewerkt. Dat voorwerp waarin de ziel heeft geleerd wat liefde is, en ten aanzien waarvan het geloof wordt geoefend. Door Hem geloven wij in God. Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem verklaard.

De waarheid is zodoende geopenbaard, want Jezus is de waarheid, de uitdrukking van wat God is, om alle dingen volmaakt op hun plaats te zetten, in hun ware verhoudingen tot God en tot elkaar. Geloof en liefde vinden de aanleiding tot hun bestaan in de openbaring van de Zoon van God, van God als een Heiland in Christus.

Maar er is nog een kant aan het volbrengen van het werk en het vervullen van de raadsbesluiten van God, waarover we nog niet gesproken hebben. Namelijk, de mededeling van de waarheid en van de kennis van God. Dit is het werk van de Heilige Geest, waarin de waarheid en het leven zich verenigen, want wij zijn voortgebracht door het Woord. Het is de Goddelijke werkkracht in de Godheid, die werkzaam is in alles wat God verbindt met het schepsel of het schepsel met God. De Heilige Geest, werkzaam in Goddelijke volmaaktheid als God, in eenheid met de Vader en de Zoon, openbaart de raadsbesluiten waarover we gesproken hebben. Hij maakt dat ze in het hart aan hun doel beantwoorden, overeenkomstig het voornemen van de Vader, en door de openbaring van de Persoon en het werk van de Zoon. Ik heb gezegd: Goddelijke werkkracht, niet als theologische definitie – dat is hier niet mijn doel – maar als een praktische waarheid. Want, terwijl alles wat het schepsel betreft wordt toegeschreven aan de Vader en de Zoon, (behalve het oordeel, dat geheel aan de Zoon wordt toevertrouwd, omdat Hij de Mensenzoon is) wordt de rechtstreekse werkzaamheid in de schepping en aan het schepsel, waar deze ook plaatsvindt, toegeschreven aan de Geest.

De Geest van God zweefde op het oppervlak van de wateren toen deze aarde werd gevormd; door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; (Job 26:13); wij zijn uit de Geest geboren; verzegeld met de Geest; heilige mensen Gods hebben, door de Heilige Geest gedreven gesproken; gaven waren de werking van de Geest, die aan een ieder in het bijzonder toedeelt, zoals Hij wil; Hij getuigt met onze geest; Hij slaakt in ons onuitsprekelijke verzuchtingen; wij bidden door de Heilige Geest, als ons die genade wordt geschonken. De Heer Zelf, geboren als Mens in deze wereld, werd door de Heilige Geest verwekt; door de Geest van God wierp Hij boze geesten uit. De Geest geeft getuigenis van alle dingen, dat wil zeggen, van alle waarheid in het Woord: – de liefde van de Vader, de natuur en de heerlijkheid van God Zelf, wat Hem kenmerkt, de Persoon en heerlijkheid en liefde van de Zoon, Zijn werk vormen de inhoud van Zijn getuigenis, met alles wat betrekking heeft op de mens in verbinding met deze waarheden. Het getuigenis van de Geest betreffende deze dingen is het Woord, en – voortgebracht door middel van mensen – neemt dit getuigenis de vorm aan van de waarheid die door openbaring formeel wordt bekend gemaakt. Christus is de waarheid, zoals we gezien hebben, het middelpunt van al de wegen van God; maar wat we nu bespreken is de Goddelijke mededeling van die waarheid; en in dit opzicht kan worden gezegd dat het Woord de waarheid is 2. Maar al wordt de waarheid meegedeeld door middel van mensen, zodat de vorm van de waarheid aan de mens is aangepast, de oorsprong is Goddelijk. En Hij die de waarheid meegedeeld heeft is Goddelijk: Hij van wie geschreven staat: “Hij zal vanuit Zichzelf niet spreken” (dat wil zeggen: los van de Vader en de Zoon). Bijgevolg bezit de openbaring van de waarheid al de diepte, de algemeenheid, van de betrekking, de onlosmakelijke verbinding met God. Zonder dit zou het de waarheid niet zijn, want alles wat los staat van God is verkeerd, vals. En de waarheid bezit die diepte en verbinding met God – bezit die noodzakelijkerwijs – omdat de waarheid de uitdrukking is van de verhouding waarin alle dingen staan tot God in Christus. Dat wil zeggen: de waarheid geeft weer wat Gods gedachten zijn, waarvan al deze verhoudingen slechts de uitdrukking zijn. Het is waar dat deze openbaring ook alles oordeelt wat niet in overeenstemming is met deze verhoudingen, en oordeelt overeenkomstig de waarde van de verhouding die is verbroken ten aanzien van God Zelf, en de plaats die deze verhouding in Zijn gedachten heeft 3.

Wanneer dit Woord door het levendmakende werk van de Heilige Geest in het hart wordt ontvangen, heeft het een krachtige uitwerking; er is geloof, de ziel staat in werkelijke, levende praktische betrekking tot God in overeenstemming met wat in de openbaring die het ontvangen heeft wordt gezegd. Wanneer de waarheid – die spreekt van de liefde van God, van heiligheid, van reiniging van alle zonde, van eeuwig leven, van de betrekking van kinderen – in het hart wordt aangenomen, plaatst ze ons in werkelijke, tegenwoordige, levende betrekking tot God. Dit gebeurt in overeenstemming met de kracht van al die waarheden, zoals God ze Zich denkt en zoals Hij ze aan de ziel heeft geopenbaard. Zodoende zijn die waarheden levend en krachtig door de Heilige Geest. En het bewustzijn van die openbaring van de waarheid, en van de waarheid van wat geopenbaard wordt, en van het werkelijk horen van de stem van God in Zijn Woord, is geloof.

Maar dit alles is in het geopenbaarde Woord, voordat ik erin geloof, en opdat ik erin zou geloven – in de waarheid zou geloven – hoewel de Heilige Geest alleen maakt dat wij de stem van God erin horen, en Hij zo het geloof bewerkt. En wat in het Woord is geopenbaard is enerzijds de Goddelijke uitdrukking van wat tot het oneindige behoort, en wordt anderzijds weergegeven in het eindige. Het is de uitdrukking van de diepte van de natuur van God, uit Wie alles voortkomt tot Wie en tot wiens rechten alles in betrekking staat, maar het ontwikkelt zich – immers buiten God – in de schepping en in het eindige.

De eenheid van God en mens in de Persoon van Christus is het middelpunt – nu wij het weten, mogen we zeggen: het noodzakelijke middelpunt, van dit alles; zoals we al gezien hebben. En het ingegeven Woord is er de uitdrukking van, overeenkomstig de volmaaktheid van God en in menselijke vormen. Immers, en we prijzen God hiervoor, de Heiland is het grote onderwerp van de Schriften, Hij heeft gezegd: “die zijn het die van Mij getuigen”.

Maar dit Woord, dat Goddelijk is, dat ingegeven is, is de Goddelijke uitdrukking van de Goddelijke natuur, personen, en raadsbesluiten. Er is niets dat niet op deze manier geïnspireerd is dat de plaats kan innemen die het Woord heeft. Want niemand dan God alleen kan op volmaakte wijze uitdrukken of openbaren wat God is. Daarom is het Woord oneindig in z’n inhoud. Het is immers de uitdrukking van, en het is verbonden met de diepten van de Goddelijke natuur, en is dus in die verbinding oneindig, al wordt het uitgedrukt in eindige zin, en is het in zoverre in zijn uitdrukking eindig, en zodoende aangepast aan de eindige mens. Niets anders is de Goddelijke uitdrukking van de Goddelijke gedachten en waarheid, of is rechtstreeks één met de onvermengde bron, zelfs al ontsprong het aan dezelfde bron. De onmiddellijke verbinding is dan verbroken; wat gezegd wordt is niet langer Goddelijk. Het kan veel waarheden bevatten, maar het oorspronkelijke leven, het oneindige, de eenheid met God, de onmiddellijke en ononderbroken herkomst van God, ontbreken. Het oneindige is niet langer daar. De boom groeit van de wortel uit, en vormt één geheel; de levenskracht doortrekt de boom, – het sap dat toestroomt uit de wortel. We kunnen een gedeelte aandachtig bekijken, zoals God het daar heeft geplaatst, als deel van de boom. We kunnen letten op de belangrijkheid van de stam; we kunnen zien hoe mooi de kleinste deeltjes zich ontwikkelen; we zien hoe statig het geheel is, waarin de levenskracht vrijheid paart aan schoonheid van vorm. We zien dat het een geheel is, tot een geheel verenigd door hetzelfde leven dat de boom voortbracht. De bladeren, de bloemen, de vruchten, alle spreken ze ons van de warmte van die Goddelijke zon die ze ontwikkelde, van die overvloeiende, onuitputtelijke stroom die ze voedt. Maar we kunnen geen enkel deel, al is het nog zo mooi, losmaken van de boom, zonder het te beroven van de levenskracht en de betrekking die het heeft tot het geheel.

Wanneer de kracht van de Geest van God de waarheid voortbrengt, ontwikkelt de waarheid zich in eenheid met haar bron, hetzij in openbaring of zelfs in het leven en de dienst van de enkeling. Hoewel er in de laatste twee gevallen een vermenging is met andere elementen, als gevolg van de zwakheid van de mens. Wanneer iemand inzicht heeft in de waarheid, en hij wil daaraan vorm geven, dan doet hij dit overeenkomstig menselijke bekwaamheid, en die is niet de bron van de waarheid. De waarheid zoals hij die onder woorden brengt, zelfs al zou dit zuiver gebeuren, is in hem los van haar oorsprong en haar totaliteit. Maar, bovendien draagt de vorm die een mens eraan geeft altijd het stempel van menselijke zwakheid. Hij heeft de waarheid slechts ten dele verstaan, en hij brengt slechts een gedeelte naar voren. Daarom is het niet langer de waarheid. Bovendien, wanneer hij een deel losmaakt uit de hele kring van de waarheid waarin God dat gesteld heeft, moet hij het noodzakelijkerwijs in een nieuwe vorm voorstellen, in een kleed dat van de mens afkomstig is: meteen vermengt dwaling zich met de waarheid. Zodoende is het niet langer een levend deel van het geheel, het is onvolledig, en daarom niet de waarheid; en in feite is het vermengd met dwaling. Dat is theologie.

In de waarheid, als God die onder woorden brengt, is liefde, heiligheid, gezag, daar deze in Hem de uitdrukking zijn van Zijn eigen relatie met de mens, en van de heerlijkheid van Zijn wezen. Wanneer de mens er vorm aan geeft, ontbreekt dit alles en het kan er niet in aanwezig zijn, omdat het de mens is die er vorm aan geeft. Het is niet langer God die spreekt. God geeft de waarheid een volmaakte vorm; dat wil zeggen: Hij drukt de waarheid uit in woorden van zekerheid. Indien de mens er vorm aan geeft, is het niet langer de waarheid die door God gegeven is. Daarom is het van alle belang om de waarheid vast te houden in de vorm die God heeft gegeven; het voorbeeld, het model waarin Hij de waarheid onder woorden heeft gebracht. Wij zijn daarin in betrekking tot God overeenkomstig de zekerheid van wat Hij heeft geopenbaard. Dit is de veilige toevlucht die de ziel heeft, wanneer de gemeente haar kracht en energie kwijt is geraakt, en niet langer zwakke zielen ondersteunt, en wanneer dat wat de naam “gemeente” draagt niet meer beantwoordt aan het kenmerk dat in de eerste brief van haar wordt gegeven: “[de] pilaar en grondslag van de waarheid” 4.

Wat wij moeten vasthouden is: de waarheid, de duidelijke en besliste waarheid, die als openbaring van Godswege is gegeven in de woorden – bekleed met Zijn gezag – waarin Hij de waarheid gestalte heeft gegeven, en waardoor Hij de feiten en de Goddelijke gedachten meedeelt die nodig zijn voor de behoudenis van mensen, en voor hun deel hebben aan het Goddelijke leven.

Wij zijn alleen zeker van de waarheid als we precies die woorden van God vasthouden waarin de waarheid vervat is. Door genade mag ik in alle vrijheid over de waarheid spreken, ik mag ernaar streven de waarheid te verklaren, ze mee te delen, het geweten ervan te doordringen, en wel overeenkomstig de maat van het licht en de geestelijke kracht die mij geschonken is. Ik mag pogen de schoonheid van de waarheid te laten zien, en het verband dat er bestaat tussen de verschillende delen van de waarheid. Iedere christen mag dit doen en vooral degenen die een gave van God hebben tot dit doel. Maar de waarheid die ik verklaar en voorstel is waarheid zoals God die gegeven heeft, en in Zijn eigen woorden, in de openbaring die Hij heeft gegeven. Ik houd het voorbeeld vast van de gezonde woorden, die ik ontvangen heb uit een Goddelijke bron en van Goddelijk gezag: dat geeft mij zekerheid in de waarheid.

En hier is het belangrijk om op te merken wat het deel is van de gemeente wanneer ze trouw is. Zij ontvangt, zij handhaaft de waarheid in haar eigen geloof; ze waakt erover, ze is er trouw aan, ze is eraan onderworpen, als een waarheid, een openbaring, die van God Zelf komt. Zij is niet de bron van de waarheid. Als gemeente verbreidt zij de waarheid niet, onderwijst zij de waarheid niet. Zij zegt: “Ik geloof”, en niet “Geloof!” Dit laatste is de uitoefening van de bediening, waarin de mens altijd individueel in betrekking staat tot God door middel van een gave die hij van Godswege bezit, en voor de uitoefening waarvan hij verantwoordelijk is tegenover God. Dit is van het hoogste belang. Degenen die deze gaven bezitten zijn leden van het lichaam. De gemeente oefent haar tucht uit ten aanzien van alles in hen wat van het vlees is, in de uitoefening of schijnbare uitoefening van een gave, zoals in alle andere dingen. Zij bewaart haar eigen reinheid zonder aanzien des persoons, hierin geleid door het Woord (want dit is haar verantwoordelijkheid). Maar zij leert niet, zij predikt niet.

Het Woord gaat vóór de gemeente; want zij is samen vergaderd door het Woord. De apostelen, een man als Paulus, zij die verstrooid werden door de vervolging, een duizend trouwe gelovigen hebben het Woord verkondigd. En zodoende is de gemeente samen vergaderd. Er is weleens gezegd dat de gemeente bestond voordat de Schriften er waren. Wat betreft de geschreven inhoud van het Nieuwe Testament is dit waar; maar het gepredikte Woord was er vóór de gemeente. De gemeente is de vrucht van dit Woord, maar ze is nooit de bron ervan. De opbouw van de gemeente zelf, wanneer deze bijeen is vergaderd, komt rechtstreeks van God, door middel van de gaven die Hij heeft gegeven. Terwijl de Heilige Geest aan een ieder in het bijzonder toedeelt, zoals Hij wil.

De Schriften zijn het middel dat God heeft gebruikt om de waarheid te bewaren, om er ons zekerheid in te geven; met het oog op de feilbaarheid van de instrumenten door wie de waarheid wordt verbreid, sinds de openbaring is opgehouden.

In het begin vervulde Hij bepaalde mensen met Zijn Geest op zo’n manier dat dwaling van de prediking werd uitgesloten. Hij gaf toen bovendien openbaringen waarin niets anders was dan Zijn eigen Woord. Maar de prediking is in het algemeen de vrucht van de Heilige Geest in het hart, en de prediking is slechts tot op zekere hoogte geestelijk, en de mogelijkheid van dwaling is aanwezig. Hier, wat ook de kracht is van het werk van de Geest, moeten wij oordelen (zie Handelingen 17:11; 1 Korinthe 14:29). Verderop zullen we zien dat, bij het vormen van dit oordeel, het de Schriften zijn die zekerheid geven aan hen die zich door God laten leiden.

Zodoende hebben we in de wegen van God met betrekking tot dit onderwerp drie dingen die nauw met elkaar verbonden zijn en toch verschillend zijn.

  1. De bediening;
  2. De gemeente;
  3. Het Woord van God, dat wil zeggen: het geschreven Woord. Wanneer het Woord niet geschreven is, behoort het tot de bediening.

De Bediening – wat het Woord betreft, want dit is niet de enige dienst, – predikt aan de wereld, en onderwijst of bemoedigt de leden van de gemeente.

De gemeente geniet gemeenschap met God, wordt gevoed, en groeit op door middel van wat de verschillende leden aanbrengen. Zij bewaart, en, in haar belijdenis getuigt zij van, de waarheid. Zij handhaaft heiligheid, en, door de genade en de aanwezigheid van de Heilige Geest, geniet zij de onderlinge gemeenschap. En, in liefde zorgt zij voor de tijdelijke behoeften van al haar leden. Het geschreven Woord is de regel die God heeft gegeven, het bevat alles wat Hij heeft geopenbaard. Het is volledig, (Kolosse 1:25). Het kan, omdat het de waarheid is, het middel zijn om de waarheid aan een ziel mee te delen: de Heilige Geest kan het als middel gebruiken. Maar in alle gevallen is het de volmaakte regel, de gezaghebbende mededeling van de wil en de gedachten van God, voor de gemeente.

De gemeente is onderdanig, moet trouw zijn, moet geen eigen wil hebben. Zij geeft geen openbaring, ze handhaaft door haar belijdenis, ze waakt over wat ze bezit; zij doet geen mededeling daarvan. Ze heeft ontvangen en moet dat trouw bewaren. De man geeft leiding, dat wil zeggen, Christus: de vrouw gehoorzaamt, en is trouw aan de gedachten van haar man – ten minste dat hoort zo te zijn (1 Korinthe 11) – dat is de gemeente. De woorden van God zijn aan haar toevertrouwd. Zij geeft ze niet; zij gehoorzaamt ze.

De dienaar is persoonlijk verplicht tot dezelfde trouw. Dit begrijpen we wel; en in onze brief hebben we vooral te maken met deze persoonlijke verantwoordelijkheid. Wat de gemeente in dit opzicht is wordt in de eerste brief geopenbaard (hoofdstuk 3:15). Hier is het de enkeling die dit voorbeeld van de gezonde woorden vast moet houden, dat hij uit een Goddelijke bron heeft ontvangen. Want in zijn ambt van apostel, als instrument, was de apostel een Goddelijke bron. Noch Timotheüs, noch de gemeente kon zo’n voorbeeld van gezonde woorden maken; hun taak was dat voorbeeld vast te houden, nu zij het ontvangen hadden. En zoals we gezegd hebben, hoe ontrouw de gemeente ook mag zijn, hierin is de enkeling verplicht om trouw te zijn en wel altijd.

Dit is dan wat wij te doen hebben: de waarheid die wij voor ons hebben in het ingegeven Woord moeten we (en moet ik) vasthouden, in de vorm waarin ze aan ons wordt voorgesteld. Ik moet dat vasthouden, niet louter als mededeling, maar in eenheid met het Hoofd, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is. De kracht om dit te volbrengen komt van boven. Want hier wordt nog een punt voor onze aandacht gesteld. De Heilige Geest is wel aan de gemeente geschonken; maar hier wordt gedacht aan een tijd dat er ontrouw is (vers 15). De Heilige Geest is geschonken aan de mens Gods, aan elke christen, en aan elke dienstknecht met betrekking tot de dienst die hij moet verrichten. Door de Heilige Geest moeten wij het goede pand bewaren. In zulke dagen was dat de plicht van de mens Gods. En in onze tijd zijn we al in een veel verder stadium. Hij bezit de belofte van het leven, en als de grote massa van de christenen zich van hem afkeert, moet hij de waarheid vasthouden in de woorden waarin die door Goddelijk gezag eenmaal onder woorden gebracht is. (Dit is het wat wij bezitten in het Woord, het is niet louter een leer: de mensen kunnen wel zeggen, dat zij de leer hebben van Petrus en Paulus, maar ze kunnen niet zeggen dat zij hun woorden, de vorm van de waarheid zoals Paulus en Petrus die gaven, ergens anders hebben dan in hun geschriften.) En de mens Gods moet dat voorbeeld vasthouden in geloof en liefde die in Christus Jezus is. Bovendien moet hij, door de kracht van de Heilige Geest, de wezenlijke inhoud van de waarheid vasthouden, die ons als een schat is toevertrouwd – het pand van de Goddelijke waarheid en rijkdom, dat ons als deel hier beneden is gegeven.

In verzen 15-18 zien we dat allen die in Asia waren zich van de apostel hadden afgewend. Daardoor werd de liefde en trouw van een enkeling hem zeer kostbaar. Wat een verandering al sinds het begin van het evangelie! Vergelijk de brieven aan de Thessalonicenzen; en aan de Efeziërs – dat waren dezelfde mensen, (want Efeze was de hoofdstad van Asia) onder wie Paulus had gepredikt, zodat heel Asia het evangelie had gehoord. En zie hoe ze hem nu allen in de steek laten!

We moeten echter niet van de veronderstelling uitgaan dat zij allemaal de belijdenis van het Christendom hadden opgegeven. Nee, maar hun geloof was verzwakt; en ze vereenzelvigden zich liever niet met een man, die in ongenade was gevallen bij de gezaghebbende personen, die veracht werd en vervolgd, een gevangene. Een man, die door zijn energie zich smaad op de hals haalde en zich in persoonlijke moeilijkheden bracht. Ze onttrokken zich aan hem, en verlieten hem. Hij moest maar voor zichzelf verantwoording afleggen. Droevig gevolg van geestelijke achteruitgang!

Hoofdstuk 2

Maar wat voor gevoelens moeten de mens Gods op zo’n ogenblik bezielen? Hij moet zich sterken in de genade die in Christus Jezus is. Christus was niet veranderd, wat ook met mensen het geval mocht zijn. Paulus leed er wel onder, dat hij door zoveel mensen in de steek werd gelaten, maar hij was niet ontmoedigd en vermaant zijn geliefde Timotheüs voortdurend in het Woord te blijven. Nergens vinden we ook dat de mens Gods wordt geroepen tot zulke grote en onwankelbare moed als juist in deze brief, die het getuigenis is van het falen en het verval van de gemeente.

De waarheid was de bijzondere schat die aan hem was toevertrouwd. Hij moest die niet alleen vasthouden, zoals we gezien hebben, maar ook zorgen dat de waarheid werd verbreid en meegedeeld aan anderen na hem, en misschien nog verder. Hij moest aan trouwe mensen, die bekwaam waren om anderen te onderwijzen, meedelen, wat hij van Paulus had gehoord in het bijzijn van vele getuigen. (Deze getuigen konden Timotheüs bevestigen in zijn overtuiging ten aanzien van de waarheid, en ze konden anderen de zekerheid geven dat hij dit inderdaad van Paulus had ontvangen). Dit was het gewone middel om de waarheid voortgang te laten vinden. Het is niet de Geest in de gemeente, zodat de gemeente een autoriteit was; het is niet langer openbaring. Timotheüs was goed onderwezen in de leer die de apostel predikte, hij was in zijn inzichten bevestigd door vele andere getuigen die eveneens door Paulus onderwezen waren. Zij wisten allen wat de waarheid was, die zij ook hadden aangenomen. Timotheüs moest nu zorgen dat die waarheid werd meegedeeld aan andere, trouwe mensen. Dit was ook helemaal geen kwestie van gezag verlenen aan zulke mensen, of hen wijden, zoals weleens is gezegd. Het gaat om het meedelen van de waarheid, die hij van Paulus had ontvangen, aan zulke trouwe mensen. Deze gang van zaken sluit de gedachte uit, dat de gemeente degene is die de waarheid verbreidt. Nee, het was het werk van de trouwe zoon in het geloof van de apostel, het werk van de bediening.

Timotheüs zelf was ook niet iemand met gezag. Hij was een instrument voor de mededeling van de waarheid, en hij moest anderen bekwamen om dit ook te worden: dat is heel wat anders dan de richtlijn van de waarheid te zijn. Wat hij had gehoord, dat moest hij meedelen. En de andere getuigen waren een waarborg tegen de invoering van iets dat vals was, of zelfs tegen zijn eigen inzichten, als hij geneigd was geweest die te huldigen.

Op die manier wordt de bediening, in de gewone zin van het woord, voortgezet. Bekwame mensen dragen zorg voor de mededeling, niet van gezag, maar van de waarheid, aan andere trouwe mensen. God kan voorzien in mensen die Hij zelf uitkiest en die Hij de kracht van Zijn Geest geeft. Waar dit het geval is, is kracht en een doeltreffend werk. Maar het gedeelte dat wij overdenken veronderstelt de mededeling van de waarheid aan mensen die voor dit werk geschikt zijn. Beide beginselen sluiten evenzeer het denkbeeld uit van de mededeling van ambtelijk gezag, en ook het denkbeeld dat de gemeente gezag uitoefent met betrekking tot de waarheid of dat de gemeente de waarheid verbreidt. Als God voorziet in mensen die het Hem behaagt te geven, op welke manier het Hem ook behaagt dit te doen, is het middel dat Hij gebruikt (als er geen bijzondere werking is van Gods kant) de waarheid te laten mededelen aan mensen die bekwaam zijn om de waarheid te verbreiden. Dit is heel wat anders dan het verlenen van gezag, of dan het uitsluitende, ambtelijke recht om te prediken. En hij moest de bekende, geopenbaarde waarheid meedelen, die het rechtstreekse gezag van openbaring had – iets wat wij nu alleen hebben in de geschriften van Paulus, of natuurlijk andere ingegeven geschriften.

Vervolgens toont de apostel de eigenschappen die Timotheüs moest bezitten, om het werk voort te zetten onder de omstandigheden die hem omringden, en waarin de gemeente zich bevond. Hij moest ontberingen kunnen verdragen, verdrukkingen, moeilijkheden, smart en verdriet, als een goed soldaat van Jezus Christus; hij moest ervoor oppassen zich te verwikkelen in de dingen van dit leven. Een soldaat kan dit niet doen als hij in dienst is genomen; hij moet vrij zijn van alle belemmeringen om diegene te behagen die hem onder de wapenen heeft geroepen. Zo moest hij ook, zoals in de arena’s gebeurde, vechten volgens de regels, in overeenstemming met wat betamelijk was voor een dienstknecht van de Heer en wat naar de wil van de Heer was. En hij moest eerst arbeiden, om recht te hebben de vruchten van zijn arbeid te genieten. Dit zijn de praktische voorwaarden voor de dienst van God, die gelden voor een ieder die deze dienst uitoefent. Hij moet verdragen en lijden, niet door de wereld in beslag worden genomen, vechten volgens de regels en eerst arbeiden voordat hij vruchten zoekt.

De apostel keert terug tot de eenvoudige fundamentele beginselen van de waarheid en tot het lijden dat de bediening meebracht. Dit lijden was overigens op geen enkele manier een belemmering voor de werkingen van de Geest van God om het gebied uit te breiden waarin de waarheid werd verbreid en het Woord van God bekendgemaakt. Niets kon de macht beteugelen van dat instrument van het werk van God.

De waarheid van het evangelie (leerstuk of dogma is hier het onderwerp niet) wordt verdeeld in twee delen. Hierover spreekt de apostel ook in de brief aan de Romeinen. Deze delen zijn:

  1. de vervulling van de beloften;
  2. de kracht van God in de opstanding, “Jezus Christus, uit het geslacht van David; opgewekt uit de doden”.

Dit zijn in feite de twee hoofdpunten van de waarheid waarom, als het ware, alles draait. God die trouw is aan Zijn beloften (trouw die vooral bewezen wordt in verbinding met de Joden); en God die machtig is om iets geheel nieuws teweeg te brengen door Zijn scheppende en levendmakende kracht, zoals geopenbaard in de opstanding. De opstanding, die ook Gods zegel drukte op de Persoon en het werk van Christus.

De verdrukkingen die men lijdt op het pad van de dienst in het evangelie, krijgen hier, in de gedachten van de lijdende en gezegende apostel, een zeer hoog en bijzonder kenmerk. Dat lijden is deel hebben aan het veelvuldige lijden van Christus, en, in het geval van Paulus, tot een zeer opmerkelijke hoogte. De uitdrukkingen die hij gebruikt zijn zo, dat ze gebruikt zouden kunnen worden als we spreken over Christus Zelf wat betreft Zijn liefde. Wat het verzoeningswerk betreft, kon vanzelfsprekend geen ander daaraan deelnemen. Maar in toewijding en in lijden ter wille van de liefde en de gerechtigheid mogen wij met Hem lijden; dat is ons voorrecht. En welk deel had de apostel aan dit lijden? Hij zegt: “Daarom verdraag ik alles ter wille van de uitverkorenen”. Dit is werkelijk wat de Heer heeft gedaan. De apostel volgde Hem van zeer nabij, en met hetzelfde doel van liefde voor ogen – ‘opdat ook zij [de] behoudenis verkrijgen, die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid’. Hier moet de apostel er natuurlijk aan toevoegen “die in Christus Jezus is”; en toch, het zijn wonderbare woorden op de lippen van iemand anders dan de Heer Zelf. Want het is juist wat Christus heeft gedaan.

Let ook hierop, dat, hoe groter het lijden is (en hoe klein is het onze in dit opzicht) als de vrucht van de liefde voor de voorwerpen van de raadsbesluiten van God, des te groter is ons voorrecht, en des te meer hebben we deel aan datgene wat de heerlijkheid was van Christus hier beneden.

Deze gedachte ondersteunt de ziel in dit soort verdrukking: men heeft hetzelfde doel als de Heer Zelf. De kracht van de liefde om het evangelie te prediken richt zich tot de hele wereld. Te midden van verdrukking en moeilijkheden, en als men door anderen in de steek wordt gelaten, is het mogelijk te volharden, doordat men beseft dat men arbeidt voor de vervulling van de raadsbesluiten van God. Men verdraagt alles ter wille van de uitverkorenen, van de uitverkorenen van God, opdat ook zij de behoudenis verkrijgen en eeuwige heerlijkheid. Dit besef was in het hart van Paulus aanwezig. Hij kende de liefde van God, en hij streefde ernaar – hoeveel lijden dit ook voor hem meebracht op de onstuimige wereldzee – dat degenen die de voorwerpen waren van dezelfde liefde, zouden genieten van die behoudenis en die heerlijkheid die God geeft. Dit was een betrouwbaar woord, namelijk, wat hij juist had gezegd. Want als wij met Christus zullen sterven, zullen we ook met Hem leven; als wij lijden, zullen wij ook met Hem heersen. Als iemand Hem verloochende, zou Hij ook diegene verloochenen. De gevolgen van zo’n daad behielden al hun kracht, ze waren verbonden met de onveranderlijkheid van Zijn natuur en Zijn wezen, en werden openbaar in het gezag van Zijn oordeel. Hij kon niet Zichzelf verloochenen omdat anderen ontrouw waren.

Timotheüs werd erin gesterkt om deze belangrijke beginselen te handhaven, beginselen die behoorden bij de zedelijke natuur van de Heer. En Timotheüs moest zich ook niet laten aftrekken door bespiegelingen die de zielen in verwarring brachten en het geloof verdierven. Hij moest laten zien dat hij een arbeider was die de goedkeuring van God had. Als hij vervuld was van de waarheid, en wist hoe hij die waarheid moest ontvouwen in haar verschillende delen, in overeenstemming met de gedachten en het voornemen van God, dan zou hij zich niet hoeven te schamen over zijn werk voor hen die het mochten beoordelen. De ongoddelijke en nutteloze denkbeelden van menselijke bespiegeling moest hij vermijden. Die konden niet anders dan nog meer goddeloosheid voortbrengen. Misschien leken het wel zeer diepe en hoge gedachten (zoals in het geval van de bewering, dat de opstanding al had plaatsgevonden, wat op een vleselijke manier alle grenzen overschreed ten aanzien van onze positie in Christus) – maar deze leringen woekeren voort als kanker. De mensen over wie de apostel sprak hadden het geloof van sommigen al omvergeworpen, dat wil zeggen, hun overtuiging wat de waarheid betreft en hun belijdenis van de waarheid. Maar hier vindt de ziel van de apostel zijn toevlucht in wat onwankelbaar is, wat niet omver te werpen is, hoe groot het falen van de gemeente of de ontrouw van de mens ook is. Het vaste fundament van God blijft. Het heeft dit zegel: de Heer kent die de Zijnen zijn. Dit is Gods zijde, die door niets te veranderen valt 5. De andere zijde is de kant van de mens; wie de naam van de Heer belijdt moet zich onttrekken aan alle ongerechtigheid. Dit is de verantwoordelijkheid van de mens, maar het kenmerkt het werk en de vruchten van de genade overal waar het werk echt is en ware vrucht draagt.

Maar hier blijkt duidelijk wat voor stand van zaken deze brief onder ogen ziet; namelijk, dat de gemeente uiterlijk door iets heel anders wordt gekenmerkt, heel anders is dan in het begin; en dat de afzonderlijke gelovige wordt geworpen op zijn persoonlijke trouw als toevlucht, en als middel om aan het algemene verderf te ontsnappen. Het vaste fundament van God blijft – Zijn Goddelijk weten wie de Zijnen zijn; en persoonlijke afzondering van al het kwaad. Maar de uiterlijke gemeente neemt in de ogen van de apostel de kenmerken aan van een groot huis. In dat grote huis vinden we allerlei dingen, vaten tot eer en vaten tot oneer, kostbare en verachtelijke. De mens Gods moet zich van de laatstgenoemde afzonderen, hij moet apart staan en zich niet verontreinigen met wat vals en verdorven is. Dit is een uiterst belangrijk beginsel, dat de Heer ons in Zijn Woord heeft gegeven. Hij liet toe dat het kwaad openbaar werd in de tijd van de apostelen, maar alleen in zoverre dat er aanleiding was om door openbaring dit beginsel vast te stellen, waardoor de christen zich moet laten leiden. De eenheid van de gemeente is zo kostbaar en oefent zoveel invloed uit op het hart van de mens, dat er een gevaar aanwezig is: namelijk dat het verlangen naar eenheid, nu het tekortkomen van de gemeente is gebleken, zelfs de trouwe mensen ertoe zou kunnen brengen het kwaad te accepteren en er in gemeenschap mee te wandelen, liever dan die eenheid te verbreken. Daarom wordt het beginsel van persoonlijke trouw, van persoonlijke verantwoordelijkheid aan God, vastgesteld en boven alle andere overwegingen verheven. Want het gaat daarbij om de natuur van God Zelf, en Zijn eigen gezag over het geweten van ieder persoonlijk. God kent degenen die de Zijnen zijn: dit is de grondslag van het vertrouwen. Ik zeg niet wie dat zijn. En laten zij die de naam van Jezus noemen, zich afzonderen van alle kwaad. Hier heb ik iets wat ik kan herkennen en erkennen. We lasteren de Naam als we in de praktijk de mogelijkheid tot eenheid tussen die Naam en het kwaad handhaven.

Het geheel van wat zichzelf christelijk noemt wordt hier gezien als een groot huis. De christen is daar uitwendig een deel van; ondanks zichzelf; want hij noemt zichzelf een christen, en het grote huis omvat alles wat zichzelf christelijk noemt. Maar persoonlijk reinigt hij zich van ieder vat dat niet tot eer van de Heer is. Dit is de regel van christelijke trouw; en als hij zich zodoende persoonlijk gereinigd heeft van alle gemeenschap met het kwaad, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, geschikt om door de Meester gebruikt te worden. Hij moet zich reinigen, afzonderen, van alles wat strijdig is met de eer van Christus, in hen die Zijn Naam dragen.

Het onderwerp is hier niet de tucht wegens persoonlijk gemaakte fouten; evenmin gaat het over het herstel van zielen in een gemeente die gedeeltelijk haar geestelijke gezindheid had verloren. Nee, maar er wordt een gedragslijn gegeven voor de christen persoonlijk, met het oog op wat op welke wijze ook tot oneer is van de Heer.

Dit onderwijs is ernstig en belangrijk. Dat het nodig is zulke aanwijzingen te geven is droevig; maar dit alles stelt de trouw en de genade van God nog duidelijker in het licht. De aanwijzingen zijn duidelijk, en kostbaar als we ons in soortgelijke omstandigheden bevinden. De persoonlijke verantwoordelijkheid kan nooit ophouden.

Wanneer de Heilige Geest krachtig werkt en zegeviert over de macht van de vijand, ontwikkelen de afzonderlijke personen, die samen vergaderd zijn in de gemeente, hun leven in de gemeente overeenkomstig God en Zijn aanwezigheid. En de geestelijke kracht die in het hele lichaam aanwezig is werkt, zo nodig, op het geweten, en leidt het hart van elke gelovige. Op die manier gaan de afzonderlijke personen en de gemeente in haar geheel onder dezelfde invloed samen verder. De Heilige Geest, die in de gemeente aanwezig is, ondersteunt de enkeling zodat hij blijft op die hoogte: in de tegenwoordigheid van God Zelf. Zelfs vreemden zijn verplicht te erkennen dat God daar is. Daar heersen liefde en heiligheid. Wanneer we de uitwerking van die kracht niet meer aantreffen in de gemeente, en de christenheid langzamerhand niet meer beantwoordt aan de kenmerken van de gemeente zoals God haar heeft gevormd, houdt toch de persoonlijke verantwoordelijkheid tegenover God om die reden niet op. Die kan nooit ophouden of minder worden. Want het gezag en de rechten van God Zelf over de ziel, zijn in het geding.

Maar in een geval als dit, is dat wat zichzelf christelijk noemt geen gids meer. De afzonderlijke gelovige moet zich onderwerpen aan en voegen naar de wil van God, door de kracht van de Geest, naar het licht dat hij ontvangen heeft.

God kan getrouwen samen vergaderen. Het is genade van Hem; het is ook naar Zijn gedachten. Maar de persoonlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan – de verantwoordelijkheid om de eenheid, hoe zwak die ook mag zijn, niet te verbreken, als eenheid mogelijk is in overeenstemming met God. Maar ook de verantwoordelijkheid om de Goddelijke kenmerken van het Christendom in onze wandel te bewaren, en om te beantwoorden aan de openbaring van Zijn natuur en van Zijn wil, die wij ontvangen hebben.

Door zich te reinigen van al diegenen, die tot oneer zijn, zal de dienstknecht van God tot eer zijn, geheiligd, en voor alle goed werk geschikt. Want die afzondering van het kwaad is niet iets louter negatiefs; die afzondering is het gevolg als het Woord van God in het hart verwerkelijkt wordt. Dan begrijp ik wat de heiligheid van God is, Zijn rechten over mijn hart, hoe onverenigbaar Zijn natuur is met het kwaad. Ik voel dat ik in Hem blijf en Hij in mij; dat Christus geëerd moet worden ten koste van alles; dat alleen die dingen tot Zijn eer zijn die zijn zoals Hij is; dat Zijn natuur en Zijn rechten op mij mijn enige leefregel zijn. Wat mij zodoende afzondert tot Hem, en wel overeenkomstig wat Hij is, zondert mij daardoor af van het kwaad. Wij kunnen onmogelijk wandelen samen met hen die Hem oneer aandoen, en tegelijkertijd Hem in onze eigen wandel eren.

Wat hierop volgt laat ons de heiligende aard van deze vermaning zien. De apostel zegt: “Ontvlucht de begeerten van de jeugd en jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart.” Dat betekent dat we ademhalen in de zuivere atmosfeer, die te vinden is in de tegenwoordigheid van de Heer; waar de ziel gezond en sterk is.

Alles wat verdorven is is ver weg. En, verder, vinden we hier, wat zo dikwijls betwist wordt, dat wij hen kunnen en moeten onderscheiden die de Heer aanroepen uit een rein hart. Wij maken niet uit wie van de Heer zijn; de Heer kent ze. Maar wij moeten ons verbinden met hen die zich openbaren als christenen die de Heer aanroepen uit een rein hart. Die moet ik kennen, erkennen, en met hen wandelen. De bewering, dat ik niet kan weten, wie dat zijn, is in strijd met een nadrukkelijke uitspraak van de Schrift, die van toepassing is op een toestand waarin, door bederf, velen die mogelijk het Christendom bezitten niet als christenen openbaar zijn.

Zoals we telkens in deze brieven zien, vermaant de apostel hier weer om nutteloze twistvragen te vermijden, waarin geen Goddelijk onderricht te vinden is. Ze brengen alleen maar onvruchtbare discussies en twist teweeg: en de slaaf van de Heer behoort niet te twisten. Hij komt, van Godswege, om de waarheid te brengen in vrede en liefde. Deze kenmerken moet hij bewaren in de verwachting dat God in Zijn genade bekering zal geven aan hen die tegenstand bieden (want het gaat hier om het hart en het geweten), opdat zij de waarheid mogen erkennen.

De waarheid van God is niet iets van het menselijk verstand; ze is de openbaring van wat God is, en van Zijn raadsbesluiten. Welnu, wij kunnen onmogelijk met God te maken hebben zonder dat het hart en geweten erbij betrokken zijn. Als dit het geval is, is het niet de openbaring van God aan ons. Christenen worden in verbinding gebracht met God Zelf, en door werkingen die de krachtigste invloed horen te hebben op het hart en geweten. Is dit niet het geval dan is zowel het hart als het geweten in een slechte toestand en verhard. De Geest van God werkt ongetwijfeld op het verstand en door het verstand; maar de meegedeelde waarheid richt zich tot het geweten en tot het hart, en als deze niet door de waarheid bereikt worden, is er niets tot stand gekomen. Men heeft ook pas echt iets begrepen als het hart en geweten bereikt zijn. Want in de Goddelijke waarheid begrijpt men eerst de dingen en dan de woorden, zoals “opnieuw geboren” (vergelijk Johannes 8:43). Anderzijds sluit satan God buiten het verstand door middel van dwaling; door te maken dat het verstand bezig is met die dwaling; en hij leidt de hele mens als gevangene weg, zodat hij de wil doet van die vijand van de ziel.

Hoofdstuk 3

Welnu, deze kwaadaardige invloed zou maar al te zeker worden uitgeoefend. De kracht van Gods heilige waarheid zou verloren gaan in de gemeente en onder de christenen. Zij die de naam van christenen droegen, zouden (onder de invloed van de vijand) uitdrukking geven aan de menselijke wil en hartstochten, terwijl ze toch altijd nog aan de vormen van de godsvrucht vasthielden. Dat is een heel bijzondere toestand, die op merkwaardige wijze de invloed en het werk van de vijand verraadt. Dit was te verwachten; en het zouden gevaarlijke, zware tijden zijn.

De openlijke tegenstand van de vijand is ongetwijfeld een pijnlijke zaak, maar hij bedriegt en misleidt de zielen door de schone schijn waarover de apostel hier spreekt. Wat de naam draagt: Christendom, wat voor de ogen van de mensen het kenmerk heeft van godsvrucht, en wat het vlees zo veel gemakkelijker accepteert dan de ware godsvrucht, omdat die tegen het vlees ingaat. Niettemin verbindt men al de slechtste trekken en eigenschappen van het menselijke hart met de naam: Christendom. Wat wordt er dan van het getuigenis? Dat is, om zo te spreken, een individuele profetie, waarbij de profeet gekleed gaat in zak en as.

Dit gevaarlijke kwaad van de laatste dagen is werkzaam: die bedriegers sluipen de huizen binnen, en vinden gehoor bij zwakke zielen, die, geregeerd door hun eigen hartstochten, altijd maar leren en toch nooit iets leren. Dergelijke leraars verzetten zich tegen de waarheid, het zijn mensen die bedorven zijn van verstand, verwerpelijk wat het geloof betreft. Maar zij zullen niet meer toenemen. God zal hun dwaasheid en hun verkeerdheid aan het licht brengen, en wel door middel van hun eigen aanmatigingen, die zij zo niet langer staande kunnen houden.

De mens Gods moet zich van zulke mensen afwenden, terwijl zij doorgaan met bedriegen en hun invloed uitoefenen. God zal hen te zijner tijd aan de kaak stellen. Dan zullen allen hen oordelen, en hun aanmatigingen veroordelen; de geestelijke mens doet dit al terwijl zij in hun gewaande zekerheid anderen misleiden.

Laten we hier letten op die dingen, die getuigen van de droevige en gevaarlijke kenmerken van die laatste dagen, waarover de apostel spreekt. De reeks zonden en afschuwelijkheden, die Paulus aan het begin van de Romeinenbrief opsomt toont de kenmerken van het leven van de heidenen en van de zedelijke verwording gedurende die duistere tijden van de aanbidding van boze geesten. Hier vinden we de lijst van zonden die kenmerkend zijn voor hen die ogenschijnlijk godsvrucht bezitten. Als we deze twee opsommingen vergelijken, zullen we merken dat ze bijna eender zijn; ja, zedelijk zijn ze precies eender. Alleen ontbreken hier in 2 Timotheüs enkele openlijke zonden die horen bij de mens die uitwendig niet beteugeld wordt; de ogenschijnlijke godsvrucht is een beletsel voor die zonden en komt ervoor in de plaats.

Het is een ernstige gedachte, dat dezelfde ontaarding die onder de heidenen bestond, onder het Christendom weer tevoorschijn komt. Maar nu onder de dekmantel van de naam Christendom, en zelfs in de gedaante van godsvrucht. Maar in feite is het dezelfde natuur, zijn het dezelfde hartstochten, dezelfde macht van de vijand, met de toevoeging van huichelarij. Het is slechts de afwijking van en het bederf van de ware leer van de Middelaar; zoals het heidendom dat was van de ware leer van de enige God.

De mens Gods ontvangt aanwijzingen voor zijn gedrag die verschillen ten opzichte van de vaten tot oneer, en ten opzichte van de mensen die handelen in de geest van de laatste dagen. Van eerstgenoemde moet hij zich reinigen: hij moet erop letten dat hij trouw is in zijn eigen wandel. Door zich te reinigen van die vaten, die de naam van Christus niet eren, die (wel in het grote huis zijn, maar) niet het stempel dragen van een zuiver verlangen Hem te verheerlijken, zal hij een vat tot eer zijn, bruikbaar voor de Meester. Door afgezonderd te blijven van zulke vaten, is hij beschermd tegen die invloeden die het getuigenis dat hij voor Christus moet afleggen verschralen en verlagen; hij is vrij van wat het getuigenis schaadt en vervalst.

In het andere geval – dat van de mensen die de laatste dagen het kenmerk “zware tijden” bezorgden, de verdorven tegenstanders van de waarheid, die de naam hadden godvruchtig te zijn – ten opzichte van hen is zijn getuigenis beslist en duidelijk. Hier moet hij zich niet alleen maar van hen reinigen; hij betuigt zijn zedelijke afschuw, zijn walging van hen die, terwijl ze werktuigen van de vijand zijn, dit kenmerk dragen van vormelijke godsvrucht. Hij wendt zich van hen af, en laat ze over aan het oordeel van God.

Timotheüs had de wandel en gezindheid van de apostel als zijn voorbeeld. Hij was veel met hem samen geweest; hij had hem in tijden van beproeving gezien; hij kende zijn geduld en zijn lijden, de vervolgingen die hij had ondergaan, maar uit alle had de Heer hem gered. Het zou net zo zijn met allen die ernaar streefden te leven overeenkomstig de godsvrucht die in Christus Jezus is: 6 ze zouden vervolging ondervinden. Boze mensen en verleiders zouden van kwaad tot erger gaan; ze misleiden anderen, en worden tegelijkertijd zelf misleid.

Het kenmerk van de laatste dagen wordt hier heel duidelijk aangegeven, en laat geen hoop bestaan voor het Christendom in zijn geheel. De vooruitgang van het kwaad wordt beschreven als een ontwikkeling die door twee verschillende dingen wordt gekenmerkt; we hebben hier al op gezinspeeld. Enerzijds het grote huis – de christenheid in haar geheel – waarin vaten tot oneer zijn, waarvan wij ons moeten reinigen. Anderzijds de besliste werkzaamheid van het verderf, en van de werktuigen die het verderf verbreiden en de waarheid tegenstaan; hoewel zij die zich verderven de vorm van godsvrucht aannemen. Het betreft deze wijze van de ontwikkeling van het kwaad als er staat dat boze mensen van kwaad tot erger zullen gaan. De hand van God zal evenwel op krachtige wijze hun dwaasheid openbaar maken.

In deze tweede groep, de boze mensen, kunnen we het algemene kenmerk van trots en verderf zien in allen die zich aan deze boosaardige invloed onderwerpen, en dezen kunnen we onderscheiden van hen die zelf arbeiden om die invloed uit te breiden. Van deze laatsten zegt de apostel, dat ze de huizen binnensluipen. Het kenmerk hoort bij de massa die misleid wordt; maar er zijn ook misleiders. Deze laatsten verzetten zich tegen de waarheid, en hun onzinnigheid zal openbaar worden gemaakt. Het kan zijn dat God die aan het licht brengt, als er ergens trouw wordt gevonden, om de Zijnen ervoor te behoeden. Maar, in het algemeen, zal hun boze werk voortgaan, en de misleiding zal van kwaad tot erger gaan, tot aan het einde, wanneer God de onzinnigheid openbaar zal maken van hen die van Hem zijn afgeweken. Ze hebben zich overgegeven aan de dwalingen van de menselijke geest, en ze hebben gearbeid om die staande te houden en te verbreiden.

Vers 14. Vervolgens spreekt de apostel tot Timotheüs over de waarborg, de zekerheid, waarop hij kon vertrouwen om, door genade, standvastig te blijven in de waarheid, en in het genot van het heil van God. De veiligheid berust op de zekerheid van de rechtstreekse oorsprong van de leer die hij had aangenomen; en op de ontvangen Schriften, als geschreven bewijsstukken, die door God zijn ingegeven en waarvan de betrouwbaarheid is gewaarborgd en die de wil, de handelingen, de raadsbesluiten, en zelfs de natuur van God bekendmaakten. Wij blijven in wat wij geleerd hebben, omdat wij weten van wie we het geleerd hebben. Dit beginsel is eenvoudig en zeer belangrijk. We maken vorderingen in de kennis van God, maar (voor zover we door God onderwezen zijn) wij geven nooit voor nieuwe meningen prijs wat we geleerd hebben van een rechtstreeks Goddelijke bron, want we weten dat het zo is. Met een bron die rechtstreeks Goddelijk is, bedoel ik, een persoon aan wie God Zelf de waarheid door openbaring heeft meegedeeld met het gezag die waarheid bekend te maken. In dit geval ontvang ik wat hij zegt (als ik weet dat hij zo iemand is als boven omschreven) als een Goddelijke mededeling. Het is waar dat de Schriften altijd overblijven als tegenbewijs, maar wanneer, – zoals in het geval van de apostelen – iemand een dienaar van God blijkt te zijn, begiftigd door Hem voor het doel om Zijn gedachten mee te delen, dan neem ik, wat hij in de uitoefening van zijn dienst zegt aan, als rechtstreeks afkomstig van God. In dit geval wordt ons oog niet gericht op de gemeente. Zij kan niet het vat zijn om de Goddelijke waarheid door te geven die rechtstreeks door God aan haar is meegedeeld. Dat is altijd het werk van afzonderlijke personen. We hebben gezien dat het deel van de gemeente is de waarheid te belijden als ze is meegedeeld, en niet om de waarheid mee te delen. Maar hier spreken we over iemand aan wie en door wie God de waarheid rechtstreeks openbaart – zoals de apostelen en de profeten. Als vaten die tot dit doel waren uitgekozen heeft God aan hen meegedeeld wat Hij aan de wereld wilde meedelen, en zij hebben het zo meegedeeld. Niemand zou dit kunnen doen die het niet zelf als openbaring van God had ontvangen: als dit niet het geval is, heeft de mens zelf er een of ander deel aan. Dan zou ik niet kunnen zeggen: “Ik weet van wie ik het heb geleerd”, want daarvoor moet ik weten dat het rechtstreeks van God komt en door Goddelijke openbaring.

Wanneer God iets had mee te delen aan de gemeente zelf deed Hij dat door middel van zulke mensen als Paulus, Petrus enzovoort. De gemeente is samengesteld uit afzonderlijke personen; zij kan geen Goddelijke openbaring ontvangen in haar geheel, als gemeente, behalve als het gebeurde doordat allen gezamenlijk een Goddelijke stem hoorden, maar dit is niet de manier waarop God spreekt. De Heilige Geest deelt aan een ieder in het bijzonder toe, zoals Hij wil. Er zijn profeten, en de Geest zegt: ‘Zondert Mij nu Barnabas en Saulus af’. Christus heeft de mensen gaven gegeven, sommigen als apostelen, sommigen als profeten, enzovoort. Daarmee in overeenstemming zegt de apostel hier, niet “waar”, maar van wie je het hebt geleerd.

Hier vinden we dan de eerste grondslag van de zekerheid, kracht en verzekerdheid voor de mens Gods, met betrekking tot de waarheid. Deze is niet rechtstreeks aan hem geopenbaard. Paulus en andere werktuigen werden door God uitgekozen voor deze bijzondere gunst. Maar hij weet van wie hij het geleerd heeft; van iemand namelijk (hier was het Paulus) aan wie het rechtstreeks door ingeving was bekend gemaakt, en die gezag van God heeft om het mee te delen. Daarom weten zij, die van hem leren, dat het de Goddelijke waarheid is, precies zoals God die heeft meegedeeld (vergelijk 1 Korinthe 2), en in de vorm waarin het Hem behaagde de waarheid mee te delen.

Er is nog een middel, dat zijn eigen kenmerk draagt: de Schriften, die als zodanig voor de mens Gods de grondslag vormen van het geloof, en die hem leiden op al zijn wegen. De Heer Jezus Zelf heeft, sprekend over Mozes, gezegd: “Als u zijn Schriften niet gelooft, hoe zult u Mijn woorden geloven?” Zijn woorden waren de woorden van God; de Heer maakt geen tegenstelling tussen het gezag van wat Hij zei en het gezag van het geschreven Woord, maar Hij stelt de manieren waarop de mededelingen gedaan zijn tegenover elkaar: het gesproken en het geschreven woord. Het heeft God behaagd het laatstgenoemde middel te gebruiken als blijvend gezag. Petrus zegt: Weet dit voor alles, dat geen profetie van de Schrift…… (2 Petrus 1:20).
Er zijn veel profetieën geweest die niet zijn opgeschreven; ze bezaten gezag van God voor hen tot wie ze werden gericht. Want het Woord spreekt meer dan eens over profeten – die dus geprofeteerd moeten hebben – zonder hun profetieën aan ons mee te delen. Het waren werktuigen om op dat ogenblik de wil van God bekend te maken, om Zijn volk de weg te wijzen in de omstandigheden waarin ze zich bevonden. Maar zulke profetieën waren geen openbaring die het volk van God in alle tijden nodig heeft; of die van toepassing waren op de wereld, Israël of de gemeente in alle tijden. Ze waren geen algemene en blijvende openbaring van Godswege voor de onderwijzing van de ziel in alle tijdperken.

Heel veel dingen, die door de Heer Jezus Zelf zijn gesproken, worden in de Schriften niet weergegeven. Zodoende is het niet alleen de vraag van wie wij een waarheid gehoord hebben, maar is het ook een kwestie van de aard van wat is meegedeeld. Wanneer het voor het blijvend nut van het volk van God of voor de gemeente van God is, heeft God het laten opschrijven in de Schriften. En het blijft alle eeuwen door als het onderwijs en voedsel voor Zijn kinderen.

De uitdrukking: “daar je weet van wie je het hebt geleerd”, plaatst ons op persoonlijk apostolisch gezag, doordat het ons de apostelen voorstelt als leraars die gezag van de Heer hebben ontvangen. Johannes zegt: “Wie God kent, hoort ons”. Het is niet nodig, dat de Schrift geheel door apostelen is geschreven; God heeft daarin Zijn wil en de waarheid bekend gemaakt, en heeft dit gewijde pand aan Zijn volk toevertrouwd om alle eeuwen door nuttig voor hen te zijn. De Schriften hebben als zodanig gezag. En dit gezag is niet beperkt tot wat iemand, als geestelijk mens, uit de Schrift ontvangt, tot het nut dat wij van de Schrift hebben, (al is dit voor iemands eigen ziel eigenlijk alles). Maar de hele heilige Schrift, zoals wij die bezitten, heeft dit gezag.

Van kindsbeen af had Timotheüs de heilige Schriften gelezen; en die geschriften, zoals hij ze als kind had gelezen, bewaarden hem – als Goddelijk gezag – voor dwaling. En ze verschaften hem de Goddelijke waarheden die nodig waren voor zijn onderwijs. Om ze goed te gebruiken, was het nodig dat men in Christus geloofde: maar wat hij gebruikte waren de Schriften die hij van zijn jeugd af kende. Het is belangrijk er hier op te letten, dat de apostel spreekt over de Schriften zoals die op zichzelf zijn, zoals een kind ze leest; hij spreekt zelfs niet over wat een bekeerde of geestelijke persoon in de Schriften vindt, maar eenvoudig: de heilige Schriften zelf.

Men zal misschien zeggen, dat Timotheüs als kind alleen het Oude Testament bezat. Aangenomen: maar hier vinden we wat kenmerkend is voor alles wat met recht heilige Schrift genoemd wordt. Zo zegt Petrus van de geschriften van Paulus: “die de onwetenden en onstandvastigen verdraaien, zoals ook de overige Schriften” 7. Van het ogenblik af dat we erkennen dat het Nieuwe Testament recht heeft op die naam, bezitten de nieuwtestamentische geschriften dezelfde kenmerken en hebben hetzelfde gezag als het Oude Testament.

De Schriften zijn de blijvende uitdrukking van de gedachten en de wil van God en bezitten als zodanig Zijn gezag. Ze zijn Zijn uitdrukking van Zijn eigen gedachten. Ze bouwen op, ze zijn nuttig: maar dat is niet alles – ze zijn ingegeven. Het is niet slechts zo dat de waarheid door ingeving in de Schriften is. Dat wordt hier niet gezegd. De Schriften zelf zijn ingegeven.

Het grootste deel van het Nieuwe Testament ligt opgesloten in de eerste bron van gezag, “je weet van wie je het hebt geleerd”, namelijk, alles wat de apostelen geschreven hebben. Als ik daarin de waarheid leer, kan ik immers zeggen van wie ik die geleerd heb – ik heb die geleerd van Paulus, of van Johannes, of van Petrus enzovoort. Maar behalve dit hebben ze, omdat ze als Schriften worden aangenomen, het gezag van Goddelijke geschriften, waaraan God, als vorm van mededeling de voorkeur heeft gegeven boven het gesproken woord. De Schriften zijn de blijvende maatstaf waarnaar ieder gesproken woord moet worden beoordeeld.

Om kort te gaan, de Schriften zijn ingegeven. Ze onderwijzen, ze oordelen het hart, ze verbeteren, ze onderwijzen in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, dat wil zeggen, door en door onderwezen in de wil van God, zijn gedachten gevormd in overeenstemming met die wil, en tot alle goed werk ten volle toegerust. De kracht om deze goede werken te verrichten komt door de werking van de Geest. De waarborg tegen dwaling en de wijsheid tot behoudenis vloeien voort uit de Schriften; die kunnen ons die waarborg en wijsheid geven. Wij moeten blijven in wat we van de apostelen geleerd hebben, en ons laten leiden en beheersen door de Schriften van God.

Stelt dit volkomen en allerhoogste oppergezag van de Schriften de bediening opzij? Helemaal niet; het is de grondslag van de bediening van het Woord. Men is dienaar van het Woord; men verkondigt het Woord – steunend op het geschreven Woord – dat gezaghebbend is voor allen, en de garantie voor alles wat een dienaar zegt. Het geschreven Woord deelt aan zijn woorden het gezag van God over het geweten mee van hen die hij onderwijst of vermaant. Bovendien is de liefde werkzaam in het hart van hem die deze dienst uitoefent (als deze echt is), en de krachtige werkzaamheid van de Geest, als hij vervuld is met de Heilige Geest. Maar dat wat het Woord zegt legt alle tegenstand in het hart of de gedachten van de gelovige het zwijgen op. Zo heeft de Heer antwoord gegeven aan satan, en satan zelf werd tot zwijgen gebracht.

Wie zich niet onderwerpt aan de woorden van God bewijst daarmee dat hij in opstand is tegen God. De door God gegeven regel is in de Schriften; de krachtige werking van Zijn Geest is in de bediening, al kan God evengoed rechtstreeks door het Woord zelf aan het hart werken. Nadat echter de openbaringen van God volledig zijn, kan de bediening geen gezag zijn, anders zouden er twee bronnen van gezag zijn; en als er twee waren, zou de een de ander nodeloos herhalen, of anders, als ze verschilden, zou er volstrekt geen gezag zijn.

Als de openbaringen niet volledig zouden zijn, zouden er ongetwijfeld nog meer kunnen volgen. Het Oude Testament vermeldde niet de geschiedenis van Christus, de zending van de Heilige Geest, de vorming van de gemeente. Omdat deze feiten nog niet tot stand gekomen waren konden ze niet het onderwerp vormen van het onderwijs dat het Oude Testament in geschiedenissen en aanwijzingen gaf. Ook was de gemeente zelfs niet het onderwerp van profetie. Maar nu is alles volledig. Zo zegt Paulus, dat hij een dienaar van de gemeente was geworden om het Woord van God volledig te maken (Kolosse 1:25). De onderwerpen van de openbaring waren toen volledig.

Hoofdstuk 4

Let erop dat de apostel, als een kwestie van verantwoordelijkheid, erop aandringt dat Timotheüs zich toelegt op de bediening van het Woord. En dit moest hij met des te meer energie doen omdat de gemeente in verval raakte en eigenwil de overhand kreeg onder de christenen. Paulus laat echter geen twijfel bestaan dat de bediening van het Woord een altijd voortdurende plicht is, in alle tijden, blijde of minder blijde. Zoals we gezien hebben, heeft de apostel twee verschillende tijdperken op het oog. Het verval van de gemeente, dat al had ingezet, en de nog ergere toestand die nog in de toekomst lag. De vermaning hier is in het bijzonder van toepassing op het eerste tijdperk. Hij zegt: “wees paraat, gelegen [en] ongelegen … want er zal een tijd zijn dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen … en zij zullen het oor van de waarheid afkeren en zich tot de fabels wenden”.

Op wat een besliste en duidelijke manier stelt de apostel ons het verval van de gemeente voor ogen! De verzwakte toestand van de gemeente in zijn dagen was voor hem (volgens het inzicht dat de Geest hem gaf) een kwestie van een ontwikkeling tot een nog vollediger val. Dan zou de grote massa, ook al noemde ze zich nog christelijk, en eiste ze de naam van Christus voor zich op, niet meer de gezonde leer van de Heilige Geest verdragen. Maar wat er ook mocht gebeuren, hij moest met volharding, ijver en energie blijven werken zolang ze nog wilden luisteren. Hij moest waakzaam zijn, verdrukking lijden, zoeken naar zielen die nog onbekeerd waren, (een duidelijk bewijs van geloof wanneer het hart de last draagt van de ontrouw van degenen die binnen zijn) en zijn dienst ten volle vervullen. Daarbij kwam nog deze drijfveer, dat de energie van de apostel binnenkort van het toneel zou verdwijnen (hoofdstuk 4:6).

Maar er is nog iets waarop we moeten letten aan het begin van dit hoofdstuk. De volheid van genade, dit is duidelijk, is hier niet kenmerkend voor deze brief. Zijn vermaning tot Timotheüs is “voor God en Christus Jezus, Die levenden en doden zal oordelen, en Zijn verschijning en Zijn koninkrijk”. We hebben hier al over gesproken: de verschijning van de Heer Jezus staat in verbinding met de verantwoordelijkheid; Zijn komst met het doel ons tot Zich te roepen, staat in verbinding met onze voorrechten. Hier in hoofdstuk 4 hebben we het eerste van deze twee gevallen. Het is niet de gemeente, of het Vaderhuis, maar God, de verschijning en het koninkrijk. Alles wat betrekking heeft op de verantwoordelijkheid, de regering, het oordeel wordt in één gezichtspunt samengevat. De apostel spreekt hier echter niet over de gemeente, en hij doet dat nergens in deze hele brief. Bovendien wordt de gemeente, als zodanig, niet geoordeeld; zij is de Bruid van het Lam. Afzonderlijke personen worden geoordeeld. De christenheid, die de naam gemeente draagt en zo ook de verantwoordelijkheid, wordt geoordeeld. En die verantwoordelijkheid draagt ze noodzakelijkerwijs terwijl de Heilige Geest hier beneden is. We worden hiervoor gewaarschuwd in Openbaring 2, in wat geschreven wordt aan de engel van de gemeente te Efeze. Ja, het oordeel begint daar. Dit is de gemeente gezien als het huis, niet het lichaam.

Het deel van de gemeente, en van de leden van de gemeente als zodanig, is genade en niet oordeel. De gemeente gaat de Heer tegemoet vóór Zijn verschijning. Hier spreekt de apostel over Zijn verschijning en Zijn koninkrijk. Verschijnend in heerlijkheid en bekleed met het gezag van het koninkrijk: zó voert Hij het oordeel uit. Hij stelt de gemeente aan Zichzelf voor en voltooit zodoende het werk van de genade met betrekking tot de gemeente. Wanneer de Heer verschijnt, zullen wij met Hem verschijnen in heerlijkheid, maar het zal de heerlijkheid van het koninkrijk zijn (zoals we zien bij de verheerlijking op de berg), en Hij zal de levenden oordelen.

Hij zal het gezag van Zijn koninkrijk, als een nieuwe stand van zaken, gedurende een lange tijd handhaven. En het oordeel zal worden uitgeoefend, als de gelegenheid daartoe zich voordoet, en wel gedurende heel die tijd, want een koning zal heersen in gerechtigheid. Recht en gerechtigheid zullen verenigd zijn. Voordat Hij dit koninkrijk teruggeeft aan God de Vader, oordeelt Hij de doden, want al het oordeel is toevertrouwd aan de Zoon. Het koninkrijk is daarom een nieuwe stand van zaken, die berust op Zijn verschijning, waarbij het oordeel wordt uitgeoefend. Het koninkrijk wordt opgericht als de satan uit de hemel wordt neergeworpen. Het wordt gevestigd, en het gezag ervan wordt uitgeoefend bij de verschijning van de Heer.

Het bewustzijn, dat dit oordeel uitgeoefend zal worden is een prikkel voor de liefde om het werk van de bediening voort te zetten. Dat bewustzijn maakt ons ernstig, en maakt de handen stevig door het besef van onze eenheid met Hem die het oordeel zal uitoefenen en ook door het besef van persoonlijke verantwoordelijkheid.

De apostel gebruikt het feit, dat hij binnenkort zou heengaan, als een extra drijfveer om Timotheüs aan te sporen zijn dienst ten volle te vervullen. Zijn eigen hart verruimt zich bij de gedachte aan dat heengaan.

De afwezigheid van de dienst van een apostel, een heel ernstig feit met betrekking tot de positie van de gemeente, maakt het des te noodzakelijker dat de mens Gods zijn plicht vervult. Zoals de afwezigheid van Paulus een drijfveer was om onze eigen behoudenis met vrees en beven uit te werken, zo is die afwezigheid ook een motief voor degene die bezig is met het werk van het evangelie, om zich meer dan ooit aan zijn dienst te wijden. Door vol ernst zorg te dragen voor de zielen, en door ze te onderwijzen in de waarheid die hij heeft geleerd, kan hij zoveel mogelijk voorzien in het gemis van apostolische dienst.

Wij kunnen geen apostelen zijn, of het fundament van de gemeente leggen. Dit is al gebeurd. Maar wij mogen bouwen op dat fundament, met de waarheid die we van de apostel ontvangen hebben, door middel van de Schriften die God ons gegeven heeft, en met een onvermoeide liefde in de waarheid voor de zielen. Het fundament moet niet voor de tweede maal gelegd worden. Wij hechten de juiste waarde aan het fundament, we geven het de plaats die het toekomt, door erop te bouwen, en door zorg te dragen voor de zielen en de gemeente. Hiervoor heeft het apostelschap een altijd blijvende plaats ingeruimd en een fundament gelegd voor het aangezicht van God. Dit moeten wij doen in de afwezigheid van de gave die het fundament legt.

De apostelen hebben hun zegel gezet op het werk zodat dit het kenmerk draagt dat God heeft vastgesteld: het ene fundament is gelegd. De gemeente heeft haar volstrekt enige en unieke plaats overeenkomstig de raadsbesluiten van God. De door God voorgeschreven richtlijn vinden wij in Zijn Woord. Wij hebben alleen maar te handelen zoals de apostel aangeeft volgens de aandrang die de Geest al heeft gegeven. Wij kunnen geen apostolisch gezag bezitten: niemand is in die zin apostel. Dit zou ook niet kunnen, omdat wij het fundament niet leggen; het zou een ontkenning zijn van wat al gedaan is. Het fundament is gelegd. Wij kunnen arbeiden naar de mate van onze gave; en met des te meer toewijding, naarmate we het werk liefhebben dat de apostel tot stand bracht en omdat hij niet meer hier is om het te ondersteunen.

Wat de apostel betreft, hij had zijn werk beëindigd; als anderen ontrouw waren, hij was trouw geweest. In de goede strijd van Gods evangelie had hij tot het einde toe gestreden, en met goed gevolg al de aanvallen van de vijand afgeslagen. Hij had zijn loop geëindigd: nu restte hem alleen nog gekroond te worden. Hij had het geloof dat hem was toevertrouwd behouden. De kroon van de gerechtigheid, dat wil zeggen, de kroon die gegeven werd door de rechtvaardige Rechter, die zijn trouw erkende, lag voor hem gereed en werd voor hem bewaard. Pas op de dag van de vergelding zou hij die ontvangen. We zien duidelijk, dat hier bedoeld wordt, beloning voor de arbeid en voor de trouw. Dit, of het tegenovergestelde ervan, kenmerkt de hele brief; en niet de voorrechten van de genade.

Het werk dat de Geest door ons doet, wordt beloond met de kroon van de gerechtigheid, en iedereen zal een beloning krijgen in overeenstemming met zijn werk. In overeenstemming met de genade van God brengt Christus ons allen daarbinnen waar wij Zijn eigen heerlijkheid zullen genieten, waar we met Hem zullen zijn en Hem gelijk zullen zijn. Dit is ons gemeenschappelijk deel overeenkomstig de eeuwige raadsbesluiten van God. Maar er is een plaats, die door de Vader bereid is en die door de Zoon wordt gegeven in overeenstemming met het werk dat door de kracht van de Geest is gedaan in elke gelovige in zijn speciale positie. Niet alleen Paulus zal deze kroon ontvangen van de rechtvaardige Rechter; allen die de verschijning van de Heer liefhebben zullen met Hem verschijnen in de heerlijkheid die persoonlijk bestemd is voor een ieder en die aan hem wordt toegekend wanneer de Heer verschijnt. Losgemaakt van deze wereld, in het besef dat het een verdorven en opstandige wereld is, voelend hoezeer de heerschappij van satan het hart bezwaart, verlangt de gelovige naar de verschijning van Hem die een eind zal maken aan die heerschappij, aan opstandigheid, verdrukking en ellende. Want Hij brengt – in Zijn goedheid, hoewel door het oordeel, – verlossing en vrede en vrijheid voor het hart, teweeg op aarde.

De christen zal delen in de heerlijkheid van de Heer wanneer Hij zal verschijnen; maar deze wereld zal ook verlost worden.

We zien ook hier, dat het onderwerp niet is de voorrechten van de gemeente als zodanig, maar de openbare vergelding die gezien zal worden als de Heer Jezus zal verschijnen aan allen; en de openbare vestiging van Zijn heerlijkheid. Het hart heeft Zijn verschijning lief; niet alleen omdat het kwaad wordt weggedaan, maar omdat Hij verschijnt die het wegdoet.

In wat verder volgt zien we welke vorderingen het kwaad al had gemaakt, en hoe de apostel rekent op de persoonlijke genegenheid van zijn geliefde zoon in het geloof. Waarschijnlijk waren er goede redenen voor dat velen waren weggegaan, zeker voor sommigen. Toch is het waar dat de apostel het eerst denkt aan het vertrek van Demas, met louter wereldse beweegredenen. De apostel voelde zich alleen gelaten. Niet alleen had het merendeel van de christenen hem aan zijn lot overgelaten, maar zijn metgezellen in het werk waren weggegaan. De voorzienigheid van God leidde het zo dat hij alleen zou zijn. Hij smeekt Timotheüs om spoedig te komen. Demas had hem verlaten. Met verschillende motieven waren de anderen weggegaan van hem. Sommigen had hij weggezonden in verband met het werk. Er staat niet, dat Demas niet langer een christen was – dat hij de Heer openlijk had verworpen; maar het was niet in zijn hart om met de apostel het kruis te dragen.

Te midden van deze verdrietige dingen schijnt een lichtstraal van genade door de duisternis heen. Vroeger had Paulus de dienst geweigerd van Markus, omdat hij was teruggeschrokken voor de gevaren van het werk onder de Volken, en omdat hij was teruggekeerd naar Jeruzalem. Maar nu verlangt Paulus naar de aanwezigheid van Markus omdat hij van veel nut was voor de dienst. Het is heel belangwekkend om te zien, en het is een aandoenlijk bewijs van Gods genade, dat de verdrukkingen van de apostel en het werk van de genade in Markus samenwerken om ons Markus voor te stellen als trouw en van veel nut voor Paulus. Terwijl Markus toch eens gefaald had, en de apostel toen niets meer met hem te doen wilde hebben. We zien ook de liefde, de genegenheid en het vertrouwen die blijken uit de kleinste bijzonderheden van het leven. De apostel is vol kracht door de Geest van God, en hij is teder, intiem en vertrouwelijk tegenover degenen die oprecht en toegewijd zijn. We zien ook dat er aan het einde van zijn leven, voor deze toegewijde dienaar, gelegenheid was om te studeren (stellig in verband met zijn werk) en om te schrijven wat hij zorgvuldig wilde bewaren – mogelijk zijn brieven.

Dit neemt een belangrijke plaats in, in het onderwijs dat de Schrift ons geeft met betrekking tot het leven van de apostel. Om zo te zeggen, verdwijnt de apostel meestal achter de kracht van de Geest. Maar wanneer hij alleen is, is hij nuchter van geest en houdt hij zich inzichtsvol en zorgvuldig bezig met de dingen van God.

Hij waarschuwt Timotheüs ten aanzien van een man die zijn vijandschap had laten blijken. Timotheüs moest op zijn hoede zijn voor hem. We zien hier ook dat deze brief het kenmerk draagt van rechtvaardigheid, omdat de genade haar loop heeft gehad. Hij zegt: “De Heer zal hem vergelden naar zijn werken”. Wat degenen betreft die niet de moed hadden gehad om hem bij te staan – voor hen bidt hij alleen. Hij was niet ontmoedigd. Zijn hart was wel gebroken door de ontrouw van de gemeente, maar het was sterk en krachtig om de Heer te belijden tegenover de wereld. En hij kan getuigen dat, al werd hij door mensen verlaten, de Heer Zelf hem had bijgestaan en hem had gesterkt. Hij moest zich voor het hoogste gezag verantwoorden, maar dit was slechts een aanleiding om opnieuw in het openbaar bekend te maken waarvoor hij een gevangene was. Heerlijke kracht van het evangelie waar geloof werkzaam is! Alles wat de vijand kan doen wordt een getuigenis, opdat de groten van de aarde, de koningen, zij die anders onbereikbaar zouden zijn, het woord van de waarheid horen, het getuigenis van Jezus Christus.

De trouwe getuige werd ook uit de leeuwenmuil verlost. Zijn sterk en eenvoudig vertrouwen rekende tot aan het eind op de Heer. Hij zou hem verlossen van elk boos werk en bewaren voor Zijn hemels koninkrijk.

Al was de tijd van zijn heengaan genaderd, en zou hij ontslapen in plaats van veranderd te worden, hij bleef altijd uitzien naar de verschijning van de Heer. In de tussenliggende tijd zou hij bij Hem zijn, om dan een plaats te krijgen in het hemelse koninkrijk.

Hij groet de broeders waarmee Timotheüs in verbinding stond, en smeekt hem vóór de winter te komen. Hier leren we ook, dat de kracht die de apostelen bezaten om wonderen te doen, gebruikt werd in de dienst van de Heer. Ze oefenden die kracht niet uit voor hun persoonlijk belang; en ook lieten ze zich daarbij niet leiden door persoonlijke liefde of vriendschap: Paulus had Trofimus ziek te Milete achtergelaten.

Het is duidelijk dat deze brief is geschreven toen Paulus meende dat zijn heengaan aanstaande was, en toen het geloof van de christenen op droeve wijze in verval was geraakt, wat bleek uit het feit dat ze zich van de apostel hadden afgewend. Zijn geloof werd door de genade gesteund. Hij verhulde voor zichzelf niet dat alles verkeerd ging: zijn hart voelde het en werd erdoor gebroken. Hij zag, dat het steeds erger zou worden. Maar zijn eigen getuigenis stond vast; door genade was hij sterk voor de Heer. De kracht van de Heer was met hem om Christus te belijden, en om Timotheüs te bemoedigen, om met des te meer ijver en toewijding zijn dienst te vervullen, omdat de dagen boos waren.

Dit is heel belangrijk. Als we de Heer liefhebben, als we voelen wat Hij voor de gemeente is, beseffen we dat in de gemeente alles in verval is. Onze persoonlijke moed verflauwt niet, want de Heer blijft altijd dezelfde, en Hij gebruikt Zijn kracht ten behoeve van ons. Kan Hij dit niet doen in de gemeente omdat deze het afwijst, dan zal Hij Zijn kracht uitoefenen in degenen die standvastig blijven, en Hij geeft kracht naar ieders behoefte, in verband met de toestand waarin de enkeling verkeert.

Laten we dit niet vergeten! Als wij ongevoelig zijn voor de toestand waarin de gemeente verkeert, is dit geen bewijs, dat we dicht bij de Heer zijn, of dat we ons vertrouwen op Hem stellen. Maar zijn we in het bewustzijn van dit verval, dan zal het geloof, het besef van wat Christus is, vertrouwen wekken in Hem, te midden van het verval waarover wij rouwen. Let er echter op, dat de apostel hier spreekt over de gelovige persoonlijk, de enkeling, over rechtvaardigheid, over oordeel, en niet over de gemeente. Als er over de gemeente wordt gesproken, over de gemeente uitwendig als het grote huis, bevat dit vaten tot oneer, waarvan wij ons moeten reinigen. Toch voorzag de apostel een nog ergere stand van zaken – die er nu al is. Maar de Heer kan nooit tekortschieten in Zijn trouw.

De eerste brief geeft Timotheüs aanwijzingen voor de orde in de gemeente: de tweede, voor het pad van de dienstknecht van God wanneer de gemeente faalt en er wanorde is.

EINDE 2 TIMOTHEUS

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 8.2

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Dit is in werkelijkheid de grondslag van de vermaning in vers 6. Als het geloof van zo velen bezwijkt, keert hij zich tot het persoonlijke vertrouwen dat zijn hart had in Timotheüs, die door genade was grootgebracht in de sfeer waarin hij geleefd had.

2 Vandaar dat er ook staat: (1 Johannes 5): “De Geest is de waarheid”.

3 Dit is waar wat betreft schuld. Maar daar God volmaakt geopenbaard is, en wel in genade, als de Vader en de Zoon, gaat ons begrip van de hopeloze toestand waarin wij ons bevinden veel dieper dan schuldbesef over de verbreking van verhoudingen die al eerder bestonden. Wij waren schuldig overeenkomstig onze plaats als mensen. Maar wij waren zonder God in de wereld, en dit is (wanneer we God kennen) iets vreselijks. Het begin van de Romeinenbrief behandelt de kwestie van schuld; Efeze 2 handelt over de toestand waarin wij ons bevonden. Johannes 5:24 vat in het kort de genade samen ten aanzien van onze schuld en toestand. De verhouding nu is volkomen nieuw, en gegrond op het raadsbesluit, op de verlossing, en op het feit dat wij kinderen van God zijn.

4 De leerstukken of dogma’s van de Schrift hebben voor de eenvoudigste ziel hun belangrijkheid en toepasselijkheid hierin, dat het feiten zijn en dus voorwerpen van geloof, en niet ideeën. Zodoende: Christus is God, Christus is Mens, de Heilige Geest is een Persoon en dergelijke, zijn feiten voor het geloof, die verwerkelijkt worden in de eenvoudigste ziel.

5 Terwijl dit een diepe bron van troost is, is het toch ook een bewijs van verval; want de mensen horen eigenlijk ook te weten wie de Zijnen zijn. Niet langer is het: “De Heere voegde dagelijks mensen die zalig werden, aan de gemeente toe”.

6 Ook in dit geval zien we het verschil in de stand van zaken. Niet alle christenen zullen vervolgd worden, maar: allen die godvruchtig willen leven in Christus Jezus.

7 Dit is ook de ware betekenis van Romeinen 16:26, waar we horen te lezen “door profetische Schriften”.