23. Prediker

23. Prediker · uit de ‘Synopsis’ deel 3 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

Het boek Prediker is, tot op zekere hoogte, het omgekeerde van het boek Spreuken. (Zie de noot bij de inleiding op Spreuken 1.) Het is de ervaring van een mens, die, terwijl hij wijsheid bezit om alles te beoordelen, gebruik maakt van alles wat onder de zon is; van alles wat een mens zich door zijn energie kan verwerven en waarvan verondersteld kan worden, dat het hem gelukkig maakt om het te beproeven. Het gevolg van deze beproeving is, dat hij ontdekt heeft dat alles ijdelheid en kwelling des geestes is. Iedere poging om door het bezit van de dingen van deze aarde gelukkig te zijn is tevergeefs. Er is een kankerworm die aan de wortel knaagt. Hoe groter het vermogen is om zich te verheugen, des te dieper en breder is de ervaring van teleurstelling en geestelijke kwelling. Vermaak geeft geen voldoening. En zelfs de gedachte om zich in deze wereld geluk te verschaffen, door een buitengewoon hoge graad van gerechtigheid, kan niet verwezenlijkt worden. Het kwaad is aanwezig, en de regering van God in een wereld als deze wordt niet uitgeoefend om de mens hier beneden een blijvend geluk te geven (een geluk dat zijn oorsprong heeft in de dingen hier beneden, en rust op hun bestendigheid), hoewel deze regering als een algemene regel hen beschermt, die met God wandelen: “Wie zal u kwaaddoen, als u ijveraars voor het goede bent geworden?” 2
Er is hier in het geheel geen aanduiding van de waarheid, dat we dood zijn in zonden en misdaden. De schrijver wil ons hier de resultaten in zijn hart voorstellen, van de ervaringen waardoor hij is gegaan. Wat de dingen betreft die ons omringen, is er niets beters, dan ons te verheugen in alles wat God ons heeft gegeven; terwijl als slotsom van alles, de vreze des Heren alles is voor de mens, als de regel voor zijn wandel hier beneden. Zijn eigen bekwaamheden maken hem niet gelukkig, noch het bevredigen van zijn eigen wil, zelfs al zou hij over alles de beschikking hebben. Want: “Wat zal de mens doen die na de koning komt?” De mens kan zijn vreugde niet vastmaken en een blijvende vreugde bestaat er niet. En dientengevolge: als men vreugde heeft, is het met een gevoel dat men het niet vast kan houden.
De strekking van dit boek gaat verder dan die van de Spreuken, tenminste enerzijds. Want we moeten ons herinneren, dat het hier gaat om deze wereld; om alles wat onder de zon gebeurt. Wijsheid baat niets meer dan dwaasheid. Hoewel het onderscheid tussen hen even groot is als dat tussen licht en duisternis; allen overkomt eenzelfde zaak. Veel nadenken over deze dingen heeft tot gevolg dat men het leven gaat haten. Het hart wordt moe van het onderzoeken en na alles sterft de een zowel als de ander. De wereld, als stelsel bezien, is geruïneerd en de dood snijdt de draad van alle gedachten en plannen af en vernietigt elke betrekking tussen de meest vakkundige werker en de vrucht van zijn arbeid. Welk voordeel heeft hij er dan van? Alles heeft zijn bestemde tijd. Men moet alles op de juiste tijd doen en zich intussen verheugen in alles wat God op de weg geeft. Maar God is Dezelfde in al Zijn werken, opdat men Hem zou vrezen. De Prediker weet, dat God de rechtvaardige en de onrechtvaardige zal oordelen. Maar voor zover de kennis van de mens gaat is het zo, dat hij sterft als de beesten, en wie zal zeggen wat er nadien uit hem worden zal? We zien, dat het hier niet gaat om de openbaring van de toekomende wereld, maar alleen over gevolgtrekkingen die gemaakt worden naar aanleiding van de ervaringen die in deze wereld worden opgedaan. De kennis van God leert, dat er een oordeel is. Maar voor de mens zelf is alles buiten dit tegenwoordige leven duisternis.

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 4 laat het diepe leed zien, dat veroorzaakt wordt door een ten hemel schreiende ongerechtigheid van een zondige wereld en de niet herstelde ongerechtigheden, waaruit de geschiedenis van ons geslacht is samengesteld. Ze maken voor iemand die een gevoel heeft voor natuurlijke gerechtigheid, deze geschiedenis onverdragelijk en doen de begeerte ontwaken er een eind aan te maken. Werken en luiheid dragen beide hun deel bij aan het verdriet. Maar te midden van dit drijfzand, waarin de mens niet kan staan, zien we de gedachte aan God verrijzen, die het hart en de gedachten vaste grond geeft.

Hoofdstuk 5-12

Dit is hoofdstuk 4:17 en het begin van hoofdstuk 5. God vraagt eerbied van de mens. De dwaasheid van het hart is in waarheid dwaasheid in Zijn tegenwoordigheid. Vanaf hier vinden we, dat datgene wat de ijdele hoop op aards geluk uit het hart wegneemt, een meer werkelijke vreugde geeft aan het hart dat wijs wordt en daarom gelukkig, doordat het zich steeds meer afzondert van de wereld. Als gevolg is ook de bijzondere genade van het geduld aanwezig. De zelfgenoegzame poging rechtvaardig te zijn eindigt in beschaming; werkzaam te zijn in het kwade eindigt in dood. Ten slotte wordt nog aangetoond, dat het streven naar wijsheid door middel van de kennis van de dingen die hier beneden zijn, een vergeefse arbeid is.

De Prediker heeft twee kwade dingen gevonden. Ten eerste wat de vrouw betreft, naar de ervaring van deze wereld, heeft hij er geen goede gevonden; onder de mannen één uit duizend. Kortom: God heeft de mens recht gemaakt, maar deze, gescheiden van God, heeft vele bedenksels gezocht (hoofdstuk 7).
God moet geëerd worden, en ook de koning aan wie God macht heeft gegeven.

We zien ook in hoofdstuk 9-10 hoe weinig dingen hier beneden beantwoorden aan de schijnbare bekwaamheid van de mens. En zelfs als dit werkelijke bekwaamheid is, hoe weinig wordt het geacht. Toch hebben de wijsheid van de oprechte en de dwaasheid van de dwaas, ieder hun eigen gevolgen. En uiteindelijk oordeelt God alles. Het geheel samengevat: Men moet God gedenken, en dat vóórdat zwakte en ouderdom ons overvallen. Want van alles wat gezegd is, is de geopenbaarde eindconclusie: “Vrees God, en houd u aan Zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen.”

Het voornaamste onderwerp in dit boek is dus, de dwaasheid van alle krachtsinspanningen van de mens om het geluk hier beneden te zoeken, en, dat de wijsheid die alles wil beoordelen niets anders uitwerkt dan dat het de mens nog ongelukkiger maakt. Ten slotte wordt al deze ervaring, van iemand die de hoogste menselijke capaciteiten bezit, geplaatst tegenover het eenvoudige beginsel van alle ware wijsheid, namelijk onderwerping en gehoorzaamheid aan God, die alle dingen kent en alles regeert en ieder werk in het gericht zal brengen.
Als we ons herinneren, dat dit boek ons de ervaring voorstelt van een mens, en de overleggingen van een mens over alles wat onder de zon gebeurt, dan is er geen moeilijkheid, om de plaatsen te verstaan die een schijn van ongeloof hebben. De ervaring van de mens voert noodzakelijk tot ongeloof. Hij moet zijn onwetendheid erkennen, want van datgene wat buiten het zichtbare is, kan de ervaring niets weten. Maar de oplossing van alle zedelijke problemen ligt boven en buiten het terrein van het zichtbare. Het boek Prediker laat dat zien. De enige regel voor het leven is dus: het vrezen van God, Die over ons leven beschikt en die alle handelingen van elke dag van dit ijdele leven oordeelt. Het gaat in dit boek niet over genade of verlossing, maar alleen over de ervaringen van dit tegenwoordige leven en over wat God in betrekking hiermee heeft gezegd, namelijk Zijn wet, Zijn geboden, en het toekomende oordeel. Alles dus wat de mens bevolen is.
Een jood onder de wet zou deze dingen kunnen zeggen, na de ervaring opgedaan te hebben van alles wat God de mens kon geven om hem in deze positie te zegenen en met het uitzicht op het oordeel van God dat ermee verbonden is.

In de Spreuken hebben we een praktische zedelijke leidraad door deze wereld. De Prediker laat het resultaat zien, van al de inspanningen van de menselijke wil, om het geluk te zoeken met alle middelen die hem ten dienste staan. Maar in alle onderzoekingen van het boek Prediker, is er niets te zien van een verbondsbetrekking of van een openbaring. Het is slechts de mens met zijn natuurlijke gaven, en zoals hij is. Zonder twijfel met het bewustzijn, dat hij het met God te doen heeft, maar die toch door zijn eigen gedachten geleid zoekt, waar het geluk te vinden is. Alleen moet er toegevoegd worden, dat het geweten in al deze dingen betrokken is en dat de vreze Gods wordt erkend, aan het einde van het boek. Maar al wordt God erkend, het is toch slechts de mens in deze wereld, met de volle ervaring van alles wat zich daar bevindt.

EINDE PREDIKER

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 3.4

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Ik laat hier het woord “Heer” staan, als een uitdrukking van algemene toepassing, hoewel in het Hebreeuws “Jahweh” staat. In Israël is altijd “Jahweh” Zijn naam, en ook in verbinding met Zijn regering, behalve in enkele gevallen waar “Adonai” (Heer) staat in de eigenlijke betekenis van het woord. We moeten opmerken, dat in de Spreuken altijd de naam “Jahweh” wordt gebruikt, omdat het onderwijs er in een gekende betrekking en met gezag wordt gegeven. In Prediker is dat niet zo, want daar hebben we “God”, in tegenstelling met de mens als iemand die zijn eigen ervaringen heeft op aarde. De naam “God” in abstracte zin komt alleen voor in Spreuken 25:2. In hoofdstuk 2:17 lezen we: “Haar God”.

2 De brieven van Petrus houden zich, nadat ze het fundament van verlossing en wedergeboorte hebben beschreven, verder bezig met de regering van God. In de eerste brief wordt ze toegepast op de heiligen, in de tweede op de wereld en de onrechtvaardigen hier beneden. Daarom gaat de tweede brief tot de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde.