25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël) · uit de ‘Synopsis’ deel 4 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Inleiding tot de profeten
Nu komen we op het gebied van de profetie. Dit gebied is zeer uitgestrekt en belangrijk en wel met betrekking tot de volgende punten:
- Zedelijk onderricht wordt erin gevonden.
- Grote gebeurtenissen worden erin meegedeeld.
- De regering van God wordt voor ons ontvouwd.
- De openbaring van wat Hij Zelf is in Zijn wegen met de mensen wordt ons door Zijn regering voorgesteld.
Jahweh en Zijn wegen en de Messias zien we door alles heen schitteren. Israël vormt de binnenste cirkel, of de eigenlijke grondslag, waarop de wegen van God zich ontplooien, en het is ook met Israël, dat de Messias in directe verbinding staat. Buiten deze cirkel, meer op de achtergrond, verzamelen zich de volken, die de werktuigen en de voorwerpen van Gods oordelen zijn en later de voorwerpen van Zijn universele regering, als zij onderworpen zullen zijn aan de Messias, Die evenwel speciaal Israël als Zijn eigen volk zal opeisen.
Het is duidelijk, dat het hier niet gaat over de Gemeente of over de plaats van de individuele gelovige. In de gemeente zijn noch joden, noch heidenen (volkeren). In haar kent de Vader de voorwerpen van Zijn eeuwige uitverkiezing als Zijn geliefde kinderen, en Christus, Die in de Hoge verheerlijkt is, kent haar als Zijn Bruid en Zijn Lichaam. De profetie handelt over de aarde en over de regering van God. Want nadat het vraagstuk van het persoonlijke heil geregeld is, vinden we twee grote onderwerpen in de Schriften behandeld, namelijk de regering van deze wereld, en de soevereine genade, die arme zondaars genomen heeft om ze in dezelfde positie te plaatsen als Gods eigen Zoon, als de verheerlijkte Mens, en om ze als zonen aan te nemen. De Goddelijke heerlijkheid, en dat in Christus, is vanzelfsprekend het middelpunt van alles.
Als we de dingen niet naar onze eigen belangrijkheid afmeten, maar in overeenstemming met de belangrijkheid van de openbaring van God, dan zal datgene wat Zijn wegen, als gezien in Zijn regering, openbaart een veel grotere betekenis krijgen in onze ogen.
Ongetwijfeld is de gemeente en de christen – als enkeling beschouwd – van een nog verhevener orde dan Israël, omdat God hier al de geheimen van Zijn eeuwige liefde en van Zijn diepste tegenwoordige Goddelijke genegenheden heeft geopenbaard. Maar laten wij er wel aan denken, dat het hier niet alleen gaat om het terrein, waarop gehandeld wordt, maar ook en vooral om Hem, Die er handelt. Dit zal ons doen zien, hoe belangrijk de wegen van God ten aanzien van Israël en de aarde zijn.
En dit zijn de onderwerpen van de profetie. De andere onderwerpen (gemeente en gelovige) zullen wij vooral in de geschriften van Paulus en Johannes vinden.
We vinden in de profeten twee onderafdelingen:
- De profetieën die betrekking hebben op Israël, gedurende de tijd dat het door God erkend is, en die dus ook de toekomstige heerlijkheid betreffen.
- De profetieën die ons inlichten over wat zal plaatsvinden, gedurende de tijd, dat God Zijn volk verworpen heeft, maar die dit ook doen met het oog op de eindzegening van het volk.
Dit onderscheid berust op het feit, dat de troon van God – Die tussen de cherubs gezeten is – van Jeruzalem was weggenomen en dat het heersen over de aarde aan de volken werd toevertrouwd. De tijd van dit heersen wordt “de tijd der volken” genoemd. Het eerste deel van de profetieën heeft betrekking op wat aan dit tijdvak vooraf gaat en erop volgt. Het tweede deel betreft het tijdvak zelf. Er is een overgangstijd gedurende welke tijd het om het herstel van het volk gaat, als het einde van de “tijden der volken” nadert. Deze overgangstijd wordt in het bijzonder behandeld in die profetieën die verband houden met de “tijden der volken”.
Op deze tijd zinspelen ook de psalmen in zo rijke mate, terwijl ze hem verbinden met de eerste komst van de Heer en Zijn verwerping door de joden, zoals de Heer ook zegt: “U zult Mij van nu aan geenszins zien, totdat u zegt: ‘Gezegend Hij Die komt in [de] Naam van [de] Heer’”. Maar de algemene geschiedenis van het tijdvak zelf wordt onder verschillende vormen gegeven. De periode die zich uitstrekt van de terugkeer uit Babel tot de geboorte van de Heer Jezus heeft een bijzonder karakter. Want de volken heersen en toch bevindt Juda zich in Jeruzalem, terwijl het de Messias verwacht. God begunstigde Zijn volk met het getuigenis van profeten, die zich voornamelijk tot deze stand van zaken richtten, namelijk Haggaï, Zacharia en Maleachi. Hun profetieën hebben dus een speciaal karakter in overeenstemming met de positie, waarin het volk zich toen bevond, en met Gods wegen ten opzichte van dit volk.
En dan is er nog een profeet die een onderscheiden plaats inneemt: de profeet Jona. Hij was belast met het laatste getuigenis dat rechtstreeks tot de volken gericht werd, om te tonen dat God toch aan hen dacht, en dat Zijn regering zich op een soevereine wijze over allen uitstrekte, hoewel Hij Israël al geroepen had, opdat het een voor Hem afgezonderd volk zou zijn.
Wij zullen later – vanuit andere gezichtspunten – het karakter van deze profeet bestuderen.
Christus is het Middelpunt van alle profetieën, wat overigens ook hun karakter mag zijn. Het is de Geest van Christus, Die erin spreekt. Van de twee delen waaruit de profetieën bestaan, is het ene aanzienlijk groter dan het andere. In het Oude Testament geeft alleen de profeet Daniël bijzonderheden over de “tijd der volken”, met enkele bijzondere openbaringen in het boek Zacharia. Er is een zeer opvallend verschil tussen de twee soorten van profetieën. Die welke betrekking hebben op de tijd waarin Israël erkend is, richten zich tot het volk, tot hun geweten en hun hart. Zij die ons de geschiedenis geven van de “tijd der volken” richten zich niet tot Israël, hoewel het een openbaring is voor het volk. In de boeken van de drie profeten, die na de gevangenschap profeteerden, worden noch Israël, noch Juda ooit het volk van God genoemd, behalve dan als belofte voor de toekomst, als de Messias de zegening weer zal vestigen.
Ik moet nog een beginsel noemen, dat weliswaar eenvoudig is, maar toch belangrijk voor het verstaan van de profetieën. Welke beelden Gods Geest ook gebruikt om de wegen van God of die van de vijand te beschrijven, het voorwerp van de profetie is nooit een beeld. Het gaat hier niet om de profetieën, waarin alles symbolisch gezien wordt, want op hen zou deze opmerking niet toegepast kunnen worden. Overigens is een symbool niet hetzelfde als een beeld. Een symbool of zinnebeeld is een samenstel van zedelijke of historische hoedanigheden (of ook van beide tegelijk), die tot het profetische voorwerp behoren, om de gedachte te tonen die God over dat voorwerp heeft. Ook al kunnen bepaalde onderdelen van het symbool beelden zijn, toch kunnen we het symbool zelf geen beeld noemen, als we ons juist willen uitdrukken, maar een treffend geheel, gemaakt van de hoedanigheden, waaruit zedelijk het voorwerp dat beschreven wordt, bestaat. Er is dan ook niets leerzamers dan een symbool dat goed verstaan wordt. God geeft ons daarin een volmaakt begrip van de wijze, waarop Hijzelf datgene, wat door het symbool wordt vertegenwoordigd, ziet, wat dus in Zijn ogen het zedelijk karakter ervan vormt.
Laten we nu beginnen met de bestudering van de boeken van de profeten.1
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 4.0
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten:
1 Ik wil hier [aan het eind van de inleiding op de Kleine Profeten] in een noot iets uitvoeriger en nauwkeuriger toevoegen aan wat ik aan het begin van Jesaja over de profetie heb gezegd. Profetie is het ingrijpen van Gods soevereine genade in de vorm van een getuigenis, om Zijn betrekking met Zijn volk in stand te houden wanneer dat volk tekortgeschoten is in zijn verantwoordelijkheid tegenover God in de positie die het innam, zodat de betrekking met God in die positie verbroken is, en voordat God zelf in genade door Zijn eigen kracht een nieuwe betrekking heeft gevestigd. De onderwerpen van de profetie zijn daarom de volgende: Gods handelen in Zijn regering op aarde, te midden van Israël; de zedelijke bijzonderheden van het gedrag van het volk die tot zijn ondergang leidden; en Gods ingrijpen aan het einde, in genade, door de Messias, om Zijn volk in een zekere zegen te vestigen door Gods eigen kracht, overeenkomstig Zijn voornemen. Twee dingen hangen met deze hoofdonderwerpen samen: het oordeel over de volken, dat nodig was voor de vestiging van Israël in zijn eigen land, en de verwerping van Christus door de joden bij Zijn eerste komst in deze wereld. Israël was ten slotte het middelpunt en de sluitsteen geweest van de ordening die was ingesteld na het oordeel over de nakomelingen van Noach vanwege hun hoogmoed te Babel. In die ordening waren de troon en de tempel van God in Jeruzalem: de ene de zetel van het goddelijke gezag over alle volken, en de andere de plaats waarheen zij moesten opgaan om Hem te aanbidden Die tussen de cherubs woonde. Toen Israël tekortschoot in de gehoorzaamheid die de voorwaarde van zijn zegen was en de band van heel de door God erkende orde op aarde, werd een andere ordening van menselijke heerschappij opgericht in de persoon van Nebukadnezar. De profetie handelt dus ook over dit ene wereldrijk en over zijn betrekking tot het volk van God op aarde. Schuldig aan opstand tegen God, verbonden met Israël in de verwerping van Christus en aan het einde in opstand tegen Hem komend, wordt deze macht met de joden in het oordeel betrokken, omdat zij met hen in het kwaad verenigd is. Wat hier gezegd is, geldt duidelijk voor de profetie van het Oude Testament, waarmee wij ons hier bezighouden. Maar daarmee komt de vraag op naar het verschil met de profetie van het Nieuwe Testament. De gemeente is niet het toneel van Gods aardse regering, maar zit in de hemelse gewesten; daarom kan de profetie niet de rechtstreekse werking van de Geest op haar tegenwoordige toestand zijn, zoals dat in Israël wel het geval was. De mededelingen komen rechtstreeks van de Vader en van de Heer, overeenkomstig de betrekking waarin de gemeente tot Hen staat, net zoals de profetie bij de joden was. Maar de Geest kan in de gemeente vooruitzien naar de tijd waarin het verval van het uiterlijke stelsel de weg zal bereiden voor de invoering van het rechtstreekse bestuur van God opnieuw in de Persoon van Christus. Dit vinden we over het algemeen in de Openbaring, vanaf het begin van het verval van de gemeente tot zij verworpen wordt, en daarna in de wereld. Zo hebben we ook de profetieën die het verval en de ondergang van de gemeente aankondigen na het heengaan van de apostelen, zoals in 1 Timotheüs 4:1; 2 Timotheüs 3 en 2 Thessalonika 2. Het verval zelf wordt besproken in de brieven van Johannes, Judas en 2 Petrus. Een ander onderwerp hoort hierbij en brengt de profetie in de mond van de Heer, waarmee Jakobus samenhangt, maar dat de gemeente eigenlijk niet aangaat: de verbinding van Christus als dienaar van de besnijdenis met het joodse volk, zoals in Mattheüs 24 en de parallelle gedeelten in Markus en Lukas, en zelfs Mattheüs 10 vanaf vers 15 tot het einde, waar het deel van het overblijfsel in hun dienst in Israël wordt getekend tot aan de komst van de Heer. Zo hebben wij in de zedelijke ondergang van de gemeente op aarde en in de geschiedenis van het overblijfsel de verbindende schakels tussen die dagen en de zending van Christus aan Israël, met Zijn komst in de laatste dagen.