61. 1 Timotheüs

61. 1 Timotheüs · uit de ‘Synopsis’ deel 8 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Hoofdstuk 1

De brieven aan Timotheüs en Titus zijn vanzelfsprekend van een bijzondere aard en hebben een bijzondere strekking, omdat ze gericht zijn aan personen die de apostel afvaardigde om in zijn naam te handelen, of om gedurende zijn afwezigheid voor de gemeenten te zorgen. Ondanks dat zijn ze toch rechtstreeks van toepassing op ons. Immers ze onderwijzen ons niet alleen met betrekking tot de toestand van de gemeente, en de herderlijke zorg die de apostel eraan wijdde, maar Timotheüs krijgt de opdracht om de gelovigen te leren een bepaalde gedragslijn te volgen: en die gedragslijn behoren de gelovigen zelf altijd te volgen. Het zou evenwel de grootste verwarring stichten in de bediening in de beste zin van het woord, als men de aanwijzingen die aan Timotheüs en Titus gegeven worden, gaat verwarren met de woorden die rechtstreeks tot de gelovigen worden gericht.

Een groot gedeelte van deze eerste brief aan Timotheüs behoeft maar weinig uitleg; niet omdat het onbelangrijk is, maar omdat het aanwijzingen bevat die zo duidelijk en eenvoudig zijn, dat verklaring overbodig is. En de praktische vermaningen zouden alleen minder duidelijk worden en minder op de man af als we zouden proberen erover uit te weiden. Anderzijds bevat deze brief enige algemene beginselen die van groot belang zijn voor de positie van de gemeente in het algemeen.

God neemt hier ten aanzien van de wereld op een bijzondere manier het karakter aan van Heiland-God. Dit is een geweldig belangrijk beginsel voor alles wat onze wandel in deze wereld betreft en voor onze omgang met mensen. Wij vertegenwoordigen in ons godsdienstige karakter een God van liefde. In het jodendom was dit niet het geval. Het was wel dezelfde God, maar daar werd Hij gekenmerkt als Wetgever. Weliswaar zouden allen naar Zijn tempel komen overeenkomstig de uitspraken van de profeten, en Zijn tempel stond voor hen open, maar Hij kenmerkt zich niet als een Heiland-God voor allen. In Titus vinden we dezelfde uitdrukking.

We kunnen wel begrijpen, dat de apostel in deze vertrouwelijke mededelingen aan zijn geliefde kinderen in het geloof, en zijn metgezellen in het werk, duidelijk de belangrijke beginselen wil vaststellen waarop het rentmeesterschap berustte dat hem was toevertrouwd. Dat alle mensen de voorwerpen waren van de wegen van God in genade, was de algemene grondslag waarop het rentmeesterschap berustte – dat het kenmerkende van God ten opzichte van de wereld was, dat Hij een Heiland is (vergelijk 2 Korinthe 5). De wet heeft z’n eigen plaats en heeft die nog steeds, zoals de apostel aantoont – de wet overtuigt onrechtvaardige mensen van schuld 1.

Maar de soevereine genade van God was het uitgangspunt van alles wat de apostel had mee te delen. Deze gedachte, deze gezindheid, moest zelfs de eredienst van de gelovigen beheersen. Dan volgen er bijzonderheden. Ondanks deze liefde van God voor de wereld, was er hier beneden een gemeente van de levende God, de pilaar en grondslag van de waarheid, en de getuige ervan op aarde. De Persoon van Christus, en alles wat Hem betreft, is het onderwerp van de belijdenis, de grondslag van het bestaan, en het voorwerp van het geloof van die gemeente. De vijand zou in de laatste dagen een aanval doen op dit geloof. Hij zou onder een schijn van heiligheid, zich verheffen tegen God de Schepper en Onderhouder van alle mensen en van de gelovigen in het bijzonder. Aanwijzingen voor de wandel van de gemeente vormen de rest van de brief. Aan Timotheüs wordt voorgesteld wat voor ieder het passende gedrag is, zodat hij, en ook wij, kunnen begrijpen wat betamelijk is voor de gemeente van God. We zullen nu de inhoud van de brief wat nauwkeuriger bezien.

Vers 1. Van het begin van de brief af duidt de apostel God aan als de Heiland-God. Paulus is de apostel van Jezus Christus door het bevel van God onze Heiland. De Heer Jezus Christus is het vertrouwen en de hoop van de ziel.

Vers 2. We merken ook op dat de wens van de apostel verschilt van die welke hij uitspreekt als hij zich tot een gemeente richt. “Genade, barmhartigheid” zegt hij, “en vrede”. Tot de gemeenten zegt hij niet “barmhartigheid”; de gemeenten als zodanig staan voor God, als gevolg van de barmhartigheid die hun bewezen is; en hoe laag hun toestand ook mag zijn, ze worden gezien als gemeenten overeenkomstig de natuur waarin zij door de Geest leven. In die natuur is geen sprake van barmhartigheid, omdat die natuur zelf van God is. Genade en vrede wenst hij dat ze zullen genieten van de zijde van God. Maar als het om een persoon gaat, hoe groot ook zijn godsvrucht of trouw is, hij is vlees en geest, en er moet nog gezorgd worden voor een gedeelte van zijn loopbaan op z’n minst, hij heeft daarom altijd barmhartigheid nodig. Daarom wenst de apostel zowel Timotheüs als Titus barmhartigheid toe 2.

In het geval van Filémon voegt hij erbij: “en aan de gemeente in uw huis” en daarom heeft zijn wens verder niet de persoonlijke vorm. Maar bij Timotheüs en Titus is het de vertrouwelijkheid van de apostel met zijn geliefde medearbeiders. Hij wist hoezeer zij barmhartigheid nodig hadden. Het was zijn eigen hulpbron en toevlucht; hij had de troost ervan ervaren voor zijn eigen ziel.

Vers 3. Het bepaalde doel waartoe Paulus Timotheüs te Efeze had achtergelaten, toen hijzelf naar Macedonië ging, was, dat hij zou waken over de leer die gebracht werd. Maar nu hij daar is geeft hij hem aanwijzingen voor de inwendige orde van de gemeente. Het kwaad dat de vijand poogde binnen te voeren, met betrekking tot de leer, had een tweevoudig karakter:

  1. fabels die producten waren van menselijke fantasie, en
  2. de invoering van de wet in het Christendom. Het eerste was niets dan kwaad en stichtte niemand.

De apostel zegt er hier niet veel over; hij waarschuwde hen vooraf voor het kwaad. En het geloof van de gemeente te Efeze was gezond genoeg om hem toe te laten het hele systeem als niets dan fabels en geslachtsregisters af te doen. De Geest waarschuwde, dat het in latere tijden rampzalige gevolgen zou hebben; maar nu hoefde de apostel de gelovigen er alleen maar voor te beschermen als voor iets dat geen enkele waarde had. Timotheüs kreeg van de apostel de opdracht hierop toe te zien.

Vers 5. Maar wat ons in het Christendom wordt toevertrouwd als een dienst die we moeten verrichten, staat, wat het doel en de aard betreft, altijd op de hoogte van Gods eeuwige beginselen, en behoort tot de grondslag van onze zedelijke relatie met Hem.

Het doel van Paulus’ bevel is liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en uit een ongeveinsd geloof, en nooit listigheden van menselijke fantasie of redenering. Dit is een duidelijk en zeker kenteken voor zielen die gezond zijn in het geloof en door de Geest van God geleid worden. Zuiver theoretische kwesties, bespiegelingen, werken niet op het geweten en brengen de ziel ook niet in de tegenwoordigheid van God.

Vers 6. Sommigen hadden deze belangrijke kentekenen van het Christendom verlaten en zich gewend tot zinloze discussies. En hier vinden we opnieuw diezelfde mensen die het Christendom bedierven, die, nadat ze de Heiland hadden verworpen het pad van de apostel met doornen bezaaiden: het waren de Judaïzerende leraars. Zij wilden de mensen de wet inprenten. Het menselijk gemoed is hiervoor geschikt.

Vers 8. Nu zien we hier, op welke manier iemand die op de hoogte is van de waarheid van God, alles op z’n juiste plaats kan zetten. Paulus behandelt de voortbrengselen van de menselijke fantasie als louter fabels. Maar de wet was van God, en er kon een nuttig gebruik van gemaakt worden indien hij op de juiste wijze werd toegepast. De wet bewees een belangrijke dienst om het kwaad te beoordelen en te veroordelen en om te doden – om aan te tonen welk oordeel God velde over alle verkeerde dingen die verboden werden door het evangelie dat de heerlijkheid openbaarde van de zalige God. Die heerlijkheid duldde geen kwaad, en ze was aan de apostel toevertrouwd. De wet zou gebruikt kunnen worden om op deze manier op het geweten te werken, maar dat bouwde de rechtvaardige niet op. En als er nog onder de wet waren, waren ze onder de vloek. Als een zwaard voor het geweten kan de wet gebruikt worden. Maar alleen de genade is de bron van onze prediking en de steun voor onze ziel.

Deze twee systemen en de plaats die ze elk innemen worden voorgesteld in de verzen 5-17. Deze verzen vormen een soort tussenzin, terwijl de apostel in vers 18 zijn aanspraak tot Timotheüs hervat. Het nut van de wet wordt uitgelegd in de verzen 8-13. De apostel verlaagt hier in zekere zin het nut van de wet, terwijl hij erkent dat de wet nuttig is op zijn eigen gebied, als het wapen van de gerechtigheid tot veroordeling. Hij stelt de wet tegenover het evangelie dat in verbinding staat met de heerlijkheid van God Zelf. Het evangelie maakt deze heerlijkheid bekend, terwijl de wet in verbinding staat met de boosheid die erdoor wordt veroordeeld.

Vers 12. Nadat hij gesproken heeft over het evangelie van de heerlijkheid dat aan hem was toevertrouwd, richt de apostel zijn aandacht op de vrijmachtige genade die hem tot de kennis had gebracht van deze heerlijkheid, die ervan getuigt dat het genadewerk volbracht is.

Hij zegt: “Ik dank Christus Jezus, onze Heer, Die mij kracht gegeven heeft, dat Hij mij trouw heeft geacht, daar Hij mij in [de] bediening gesteld heeft, mij die vroeger een lasteraar, een vervolger en een smader was”. Dit was inderdaad genade.

De apostel spreekt over twee dingen in zijn bekering:

  1. hoe God hem barmhartig kon zijn in zo’n toestand – hij had het in onwetendheid gedaan;
  2. God had de bedoeling dat de apostel een voorbeeld van genadebetoning zou zijn voor allen.

Hij had het onwetend gedaan en in ongeloof, maar dat was geen verontschuldiging voor zijn zonde – al maakte deze toestand het mogelijk dat barmhartigheid bewezen werd. Want als hij willens en wetens een vijand was geweest, die bekend was met de genade van het evangelie, zou het onmogelijk zijn geweest. In zijn geval was het zuivere en volkomen genade, die meer dan overvloedig was – hij was de voornaamste van de zondaren. Dit was inderdaad waar. De hogepriesters hadden zich tot het uiterste verzet tegen de Heilige Geest. Paulus had hen hierin geholpen: maar hij was daar nog niet mee bevredigd. Hij wilde de actieve vijand zijn van het geloof, overal waar het bestond, en hij verlangde ernaar de naam van Jezus uit te delgen. Hij had veel gedaan in Jeruzalem, maar hij wilde zijn haat zelfs in buitenlandse steden koelen. We kennen zijn geschiedenis in de Handelingen. Zijn leven was de uitdrukking van het verzet van de Joden tegen de genade, en onder de mensen gaf hij ook uitdrukking aan de actieve vijandschap van de mens tegen Hem die God wilde verheerlijken. De genade was groter dan de zonde, het geduld van God volmaakter dan het uithoudingsvermogen van de vijandige mens. Diens vijandschap werd beperkt door de belangrijkheid van de mens, de genade kent geen grenzen in de natuur van God dan Zijn eigen vrijmachtige wil. Hoe schuldig een mens ook is, zijn zonde kan nooit zo hoog stijgen dat ze de onafhankelijke werking van Gods natuur zou verstoren of Zijn plannen veranderen. Het behaagde Hem, in Paulus een voorbeeld te laten zien van de vrijmacht van die genade en volmaakte goedheid. Een voorbeeld – voor de Joden later, die als volk in de toestand zullen verkeren van Saulus. Een voorbeeld ook voor alle mensen als vijanden van God en van nature kinderen van de toorn. De voornaamste, de ijverigste, de meest verbitterde vijand was de beste en krachtigste getuige dat die genade van God overvloedig was over de zonde, en dat het werk van Christus volmaakt in staat was die zonde weg te doen.

Vers 17. “God zij eer”, – Hij is God, Hij is van nature God en bezit de ontwikkeling van alle eeuwen in Zijn raadsbesluiten. De onvergankelijke, onzienlijke, enige God kent hij alle prijs en alle heerlijkheid toe. Zodanig was de grondslag van Paulus’ bediening in tegenstelling tot de wet. Zijn dienst berustte op de openbaring van genade. Maar die openbaring was verbonden met het feit dat Paulus in zijn eigen geval de toepassing van die genade had ondervonden. Petrus die zich schuldig had gemaakt aan de verloochening van een levende Heiland, kon tot de Joden over een genade spreken die voorzag in hun omstandigheden, waarin ook Petrus zelf verkeerd had. Paulus, die vroeger de vijand was van een verheerlijkte Heiland, en die zich verzette tegen de Heilige Geest, kon spreken van een genade die zelfs zó’n zondige toestand overtrof en dus alles te boven ging wat uit de menselijke natuur voortvloeide. Genade, die, in overeenstemming met Gods eigen raadsbesluiten, de deur opende voor de Volken toen de Joden alles hadden afgewezen, en die de hemelse gemeente voor hen in de plaats stelde. Genade, die groot genoeg was om in de toekomst dat schuldige volk hogere voorrechten te geven dan die ze verbeurd hadden.

Dat was de roeping van deze apostel, dat was zijn dienst. Nu hij de tegenstelling heeft laten zien tussen wat aan hem was toevertrouwd en de wet, hervat hij zijn aanspraak tot Timotheüs betreffende de bijzonderheden van zijn opdracht onder de Efeziërs. (Als hij over de wet spreekt bevestigt hij het nut dat de wet heeft, niet om tot gerechtigheid te leiden, of om een leidsman te zijn voor het volk van God, maar om het verkeerde te oordelen.)

Vers 18. Aan het eind van hoofdstuk 1 vertrouwt hij hem de opdracht toe – zendt hij hem zijn lastbrief. Met de woorden “deze opdracht” wijst hij terug naar verzen 3 en 5. Hij had Timotheüs in Efeze gelaten om sommigen daar te bevelen geen andere leer te brengen dan de waarheden van het evangelie. Het doel nu van het bevel, van deze evangelische opdracht, was liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en uit een ongeveinsd geloof. Want terwijl het evangelie de wonderbare raadsbesluiten van God openbaart, handhaaft het de grote eeuwige beginselen van Zijn natuur. Juist dit onderscheidt de waarheid van de hoogmoedige aanmatigingen en fantasieën van dwaalleraars. Het evangelie eist dat de mens werkelijk van harte en in waarheid in betrekking staat tot God, overeenkomstig de beginselen van Gods natuur. En deze opdracht vertrouwde de apostel nu toe aan Timotheüs, zijn eigen kind in het geloof. Hij moest die opdracht uitvoeren met een gezag dat berustte op een Goddelijk getuigenis. Dit gezag kreeg hij nu formeel van de apostel, die hem ervoor aanstelde. Timotheüs deed dit niet zonder meer uit eigen beweging, maar overeenkomstig de profetieën die hem voor dit doel hadden aangewezen, en die hem sterk konden maken in de strijd waarin hij zodoende zou komen. De voorwaarden voor de overwinning stemden overeen met de aard van de opdracht. Hij moest het geloof behouden en een goed geweten. Met het geloof wordt hier bedoeld: de leer van het Christendom; echter niet louter als een leer, maar als datgene wat de ziel vasthoudt, wat er is tussen de ziel en God en wat van Hem komt. Hij moest de waarheid handhaven, de christelijke leer. Maar hij moest de waarheid vasthouden als zo door God Zelf aan de ziel geopenbaard, zodat het de waarheid was. Het licht moest met de hoofdpunten duidelijk en goed omschreven het gezag van God hebben. Het was het geloof, dat wat God had geopenbaard en dat met zekerheid als zodanig was aangenomen – aangenomen als de waarheid.

Maar om in gemeenschap te zijn met God, moet het geweten goed zijn, het moet rein zijn. Indien we niet in gemeenschap zijn met God, kunnen we niet de kracht hebben die ons zou bewaren in het geloof; de kracht die ons in staat zou stellen om te volharden in de belijdenis van de waarheid, zoals God die ons geeft. Dan heeft de satan vat op ons, en als iemand die in deze toestand verkeert een actief intellect heeft, vervalt hij in ketterij. Het verlies van een goed geweten zet de deur open voor satan, omdat het ons berooft van gemeenschap met God. En de actieve geest gaat onder invloed van satan allerlei ideeën bedenken in plaats van de waarheid van God te belijden. De apostel beschouwt de vruchten van zo’n toestand als “lasteringen”. De menselijke wil is aan het werk, en hoe verhevener het onderwerp, hoe teugellozer de wil wordt onder invloed van de vijand. Men gaat dwalen, verheft zich tegen God en tegen de onderwerping van alle gedachten aan de gehoorzaamheid van Christus. Zo verzet men zich tegen het gezag van de openbaring van God.

De apostel had twee personen die zich hierdoor kenmerkten, aan de satan overgegeven – dat wil zeggen, uitwendig. Hoewel ze al door satan misleid waren, waren ze toch niet onder zijn heerschappij zodat hij macht had om hen te pijnigen en te doen lijden. Want in de gemeente (wanneer die in de normale toestand verkeert) bezit satan dat soort macht niet. De gemeente wordt daartegen beschermd, omdat ze de woonplaats is van de Heilige Geest, en ze staat onder bescherming van God en de kracht van Christus. Satan kan ons persoonlijk verzoeken, maar hij heeft geen enkel recht op de leden van de gemeente als zodanig. Zij bevinden zich binnen en hoe zwak ze misschien ook zijn, satan kan daar niet binnenkomen. Ze kunnen wel voor hun bestwil aan hem overgegeven worden. Dit kan te allen tijde plaatsvinden – getuige de geschiedenis van Job. Maar de gemeente behoort de kennis te bezitten, en de bewaarder en het instrument te zijn van de wegen die God gaat met de Zijnen. God vertrouwt die regering aan de gemeente toe. In de gemeente is de Heilige Geest; God woont daar door de Geest als in Zijn huis. Buiten is de wereld waarvan satan de overste is. Door de macht die aan hem was verleend 3, want het is een daad die duidelijk van kracht getuigt, gaf de apostel deze twee mannen over in de macht van de vijand – hij ontnam hun de bescherming die zij hadden genoten. Ze hadden naar de vijand geluisterd, – waren zijn instrumenten geweest. Dit had niet mogen gebeuren in de gemeente, bij leden van Christus. Ze moesten nu leren te voelen wie het was aan wie zij het oor geleend hadden. Zodoende maakte God gebruik van satan zelf als een stok om Zijn weerspannige kinderen tot hun bestwil te kastijden. Satan zou hun leermeester worden, door middel van de pijnen die hij hen zou doen lijden. Het kon lichamelijke pijn zijn of zielsangst. Het eerste zou het directe resultaat zijn, met het doel dat hun wil werd gebroken en aan God onderworpen zou worden. Ernstige tucht! Wonderbare macht in handen van de mens! Maar een bewijs, dat de liefde van God over alle dingen kan beschikken als Hij zich ten doel stelt een ziel te bevrijden en tot Zichzelf te brengen.

Hoofdstuk 2

Vervolgens geeft de apostel Timotheüs aanwijzingen die berusten op de grote beginselen die hij had vastgesteld – op de genade. De joodse geest kon wellicht gezind zijn om de koningen van de Volken als vijanden te beschouwen, en om de Volken in het algemeen de Goddelijke gunst onwaardig te keuren. De christenvervolgingen gaven het vlees aanleiding om zo’n gezindheid te koesteren en om te denken in de geest van de wet. De genade gaat ver uit boven al deze gedachten – al die gevoelens van het hart. De genade leert ons aan alle mensen met liefde te denken. Wij behoren toe aan een Heiland-God, die in het evangelie in liefde handelt tegenover alle mensen. Ze moesten vooral bidden voor koningen en hen die hoge plaatsen bekleedden in de wereld, opdat God hun harten ertoe zou neigen ons in vrede en rust in eerbaarheid te laten leven. Dit is goed en aangenaam voor God onze Heiland, die wil dat alle mensen behouden worden en tot de kennis van de waarheid worden gebracht. Het gaat hier niet over de raadsbesluiten van God, maar over Zijn wegen met mensen onder het evangelie. Hij handelt in genade. Het is de aangename tijd – de dag van het heil. Hij opent de deur door het bloed van Christus, en kondigt vrede en een goede ontvangst aan, voor allen die komen. Het werk is volbracht; Hij is volmaakt verheerlijkt met het oog op de zonde. Indien ze weigeren te komen is dat de wil van de mens. Dat God ten slotte toch Zijn raadsbesluiten zal uitvoeren, brengt geen verandering in Zijn wegen, en evenmin in de verantwoordelijkheid van de mens. Wij hebben aan alle mensen de liefde bekend te maken – in de geest van liefde in onze gedragingen tegenover hen. Het onderscheid tussen Joden en Volken verdwijnt hier geheel en al. Er is één God, en één Middelaar tussen God en mensen, een mens, Christus Jezus. Dit zijn de twee grote waarheden die de grondslag vormen van alle ware godsdienst. Van de eerste waarheid was het Jodendom al de openbaring geweest en het getuigenis in de wereld: er was één enig God. Dit blijft eeuwig waar, maar het was niet voldoende om mensen in betrekking tot God te brengen. Met betrekking tot mensen bleef Hij binnen de voorhang in de duisternis die Zijn majesteit verborgen hield. Het Christendom, dat de enige God volkomen openbaart, stelt tevens de volle waarheid voor: er is één Middelaar tussen God en mensen. Er is er één, en er is er slechts één. Het is even waar dat er maar één Middelaar is als dat er maar één God is. Dit is de grote kenmerkende waarheid van het Christendom.

Twee dingen kenmerken hier de Middelaar. Hij is een mens en Hij heeft Zichzelf gegeven tot een losprijs voor allen. De tijd voor dit getuigenis had God vastgesteld. Kostbare waarheid. Wij zijn zwak, schuldig, we konden onszelf nooit dichter bij God brengen. We hadden een Middelaar nodig, die, terwijl Hij de heerlijkheid van God handhaafde, ons in zo’n positie zou brengen, dat Hij ons, in rechtvaardigheid die overeenstemde met die heerlijkheid, aan God kon voorstellen. Christus gaf Zichzelf als losprijs. Maar Hij moest mens zijn om voor mensen te lijden, en om mensen te vertegenwoordigen. En dit was Hij. Maar dit is niet alles. Wij zijn zwak – hier beneden, waar we de openbaring van God moeten ontvangen. En we zijn zwak met betrekking tot het gebruik dat we mogen maken van onze hulpbronnen in God; zwak in ons gemeenschapsleven met Hem, – zelfs wanneer onze schuld is uitgedelgd. En, opdat wij in onze zwakheid de openbaring van God zouden kunnen ontvangen, heeft Christus God geopenbaard, en alles wat Hij is, in Zijn eigen Persoon, onder al de omstandigheden waarin een mens naar lichaam of ziel in nood kon verkeren. Hij kwam neer tot in de diepste diepten, opdat er niemand zou zijn, zelfs van de allerellendigste, die niet zou kunnen voelen dat God in Zijn goedheid dicht bij hem was en ook volkomen toegankelijk was voor hem – neergekomen tot hem – omdat Zijn liefde aanleiding vond in de ellende. Iedereen kon ervaren dat er geen nood was die Hij niet kende, waarin Hij niet kon voorzien.

Zo heeft Hij Zichzelf doen kennen op aarde. En nu Hij in de hoge is, is Hij nog altijd dezelfde. Hij vergeet niet wat Hij als mens ondervonden heeft: door Zijn Goddelijke kracht weet Hij het voor eeuwig. Hij leeft met de Zijnen mee met het medegevoel van Zijn mensheid, overeenkomstig de kracht van die Goddelijke liefde die de bron en drijfveer was. Hij is nog steeds een mens in de heerlijkheid, en in Goddelijke volmaaktheid. Zijn Godheid deelt de kracht van haar liefde mee aan Zijn Mensheid, maar Zijn Godheid doet Zijn Mensheid niet teniet. Er is niets te vergelijken met zo’n Middelaar; niets kan Zijn tederheid evenaren, of Zijn kennis van het menselijk hart, het medegevoel, de ondervinding van allerlei noden en moeilijkheden. In de mate waarin de Godheid dat aan wat Hij deed kon geven, en in de kracht van haar liefde, kwam Hij neer, nam deel aan al de smart van de mensheid, en ging in alle omstandigheden in waarin het menselijk hart zou kunnen verkeren; Hij werd gewond, gekwetst, verdrukt, en ontmoedigd, Hij ging gebukt onder het kwaad. Geen tederheid, geen krachtig medegevoel, geen Mensheid, als de Zijne. Geen menselijk hart dat zo kan begrijpen, zo met ons kan meevoelen, welke last het hart van een mens ook kan drukken. Het is de Mens, de Christus Jezus, die onze Middelaar is. Niemand die zo dichtbij is, niemand die zo diep neergedaald is, en met Goddelijke kracht ingetreden is in de nood, en in al de nood, van de mens. Het geweten is gereinigd door Zijn werk, het hart heeft verlichting gekregen door wat Hij was, en wat Hij voor eeuwig is.

Er is maar één Middelaar: te denken dat er nog een middelaar is zou betekenen dat men Hem van Zijn heerlijkheid berooft, en dat men ons onze volmaakte troost ontneemt. Zijn neerdalen uit de hoge, Zijn Goddelijke natuur, Zijn dood, Zijn leven als Mens in de hemel, het wijst er allemaal op dat Hij de ene en enige Middelaar is.

Maar er is nog een andere kant waarvan we deze waarheid, en het feit dat Hij een Mens is, mogen bezien. Namelijk: Hij is niet alleen maar Middelaar als een Priester op Zijn troon, tussen Israël en de Heere; Hij is niet alleen de Messias, om Israël in betrekking te brengen tot hun God, maar een Mens tussen God en mensen. Het is in overeenstemming met de eeuwige natuur van God Zelf en van de behoeften van de mensen in Zijn tegenwoordigheid. Van deze waarheden, eeuwig en alles omvattend in hun strekking, was Paulus de prediker en apostel.

Terwijl al deze feiten van zodanige aard zijn dat ze van alle tijden zijn en alle tijden te boven gaan, was er een bepaalde tijd dat ze geopenbaard zouden worden. Met alle middelen, waarbij het van de mens afhing om er een goed gebruik van te maken, was met mensen de proef genomen – en tevergeefs, wat betreft hen terug te roepen tot God. En nu moesten de noodzakelijke grondslagen van hun betrekking tot God aan de mensen voorgesteld worden. Deze grondslagen waren gelegd door God Zelf, en de Volken zouden het getuigenis van genade horen. En dat was nu het getuigenis van de apostel, “leraar van [de] volken in geloof en waarheid”.

Vers 8. Paulus heeft nu duidelijk de grote beginselen uiteengezet, en gaat nu over tot bijzonderheden. De mannen moesten in elke plaats bidden met opheffing van heilige handen, zonder toorn, en zonder zinledige menselijke redeneringen. De vrouwen moesten zich stemmig kleden en bescheiden zijn met als versiering goede werken, en zich stil laten leren. Het was een vrouw verboden onderwijs te geven of over de man gezag uit te oefenen; zij moest rustig en stil zijn. De reden die hiervoor gegeven wordt is opmerkelijk, en laat ons zien, hoe in onze relatie met God, alles afhangt van het begin- en uitgangspunt. In onschuld nam Adam de eerste plaats in; in de zonde, Eva. Eva was het die verleid werd en in overtreding viel. Adam werd niet verleid, al was hij schuldig aan ongehoorzaamheid aan God. Verenigd met zijn vrouw volgde hij haar, niet verleid door de vijand maar zwak door zijn genegenheid. Dit deed de tweede Adam, zonder die zwakheid, in genade: Hij volgde Zijn misleide en schuldige bruid, maar met het doel haar te verlossen en te bevrijden door haar schuld op Zich te nemen. Eva onderging op aarde de straf op haar overtreding op een manier die aangeeft dat het een oordeel is van God. Maar als de vrouw wandelt in schaamte en ingetogenheid, als ze blijft in geloof, liefde en heiligheid, zal ze gered worden in het uur van haar beproeving. En wat het stempel draagt van het oordeel zal aanleiding worden voor het betoon van Gods barmhartigheid en hulp.

Hoofdstuk 3

Dan zet de apostel aan Timotheüs uiteen wat de noodzakelijke eigenschappen zijn voor een opziener of een dienaar (diaken), en ook voor hun vrouwen. Hij veronderstelt hier, dat er sommigen waren die dit werk op zich wilden nemen. Het was een goed werk. De opziener moet zorg hebben voor de zielen en een wakend oog houden op de wandel van gelovigen. Hij moet over hen waken opdat de leden van Christus aan Zijn liefde beantwoorden en geen christelijke voorrechten teloor laten gaan. Hij moet dit doen met handhaving van die blijde orde en die kostbare eenheid die de gelovigen in die tijd verwerkelijkten. Hij moet de kudde van de Heer beschermen tegen die verscheurende wolven die probeerden in de gemeente binnen te dringen. Dit was inderdaad een waardevol werk, en als de Heer iemand op het hart had gelegd om zo voor de zielen van Zijn volk te zorgen dan mocht hij er wel naar streven het opzienerschap uit te oefenen. De apostel voelde dit: het was een waar en betrouwbaar woord. Maar er waren bepaalde eigenschappen nodig om iemand geschikt te doen zijn voor zo’n ambt. Deze eigenschappen sluiten geen gaven in, tenzij men “bekwaam om te leren” als een gave beschouwt. Maar zelfs deze bekwaamheid wordt hier als een eigenschap beschouwd en niet als een gave – de man moet de bekwaamheid ervoor hebben.4 Het vermogen om de waarheid zo te gebruiken voor anderen was zeer nuttig bij het vervullen van dit ambt, zonder dat er beslist staat dat hij in het openbaar leerde in de gemeente. Het voornaamste was, dat wat zedelijk overwicht gaf.

Timotheüs was niet door Paulus in Efeze gelaten om ouderlingen aan te stellen; maar deze eigenschappen waren nodig voor een opziener, en Paulus vermaant hem waakzaam te zijn op dit punt. We hoeven niet in bijzonderheden te treden bij deze eigenschappen, ze waren duidelijk genoeg, evenals die welke vereist waren voor een dienaar. We zien in vers 6 wat “de misdaad van de duivel” was: hij verhief zich, werd hoogmoedig bij de gedachte aan zijn eigen belangrijkheid (vergelijk Ezechiël 28). “De strik” van de duivel is iets anders. Als iemand geen goed getuigenis heeft, zal hij op een of ander punt bezwijken voor de vijand, doordat hij hem niet vrijmoedig durft te weerstaan.

Let erop dat de apostel spreekt over de vrouwen van de dienaars, en niet over die van de opzieners 5 behalve dan dat de opziener de man van één vrouw moet zijn.

Opzieners hadden een ambt, waarin zij zich met zielen bezighielden, en gezag uitoefenden in de gemeente, waarin vrouwen niet moesten optreden. Dienaars hielden zich noodzakelijkerwijze bezig met bijzonderheden van gezinnen en familieomstandigheden. Hierbij konden vrouwen heel goed betrokken zijn en vaak zeer nuttig zijn. Met de geestelijke zorg van ouderlingen hadden zij niets te doen. Daarom was het een vereiste dat de vrouwen van dienaars eigenschappen bezaten waardoor hun mannen gerespecteerd werden, en die henzelf ervoor zouden bewaren bemoeiziek en kwaadsprekend te worden.

Trouw in het ambt van dienaar – waarvan de uitoefening werkelijk een zaak van uiterste kiesheid is, en waarvoor veel christelijke liefde en geduld nodig is – was een middel om sterk te worden in het werk van God. Stefanus en Filippus zijn hier voorbeelden van: hun geestelijke kracht maakte al spoedig dat ze meer werk deden dan hun dienst als dienaars.

Wat was de gemeente in die gelukkige dagen? Stellig wat ze altijd is in het oog van God; maar in die tijd, toen liefde zich openbaarde in een orde die in stand werd gehouden door de krachtige werking van de Heilige Geest, en toen de eenheid van het lichaam tot uitdrukking kwam in de werkzaamheid van al haar leden, toen was de gemeente in feite het huis van God. God zij dank, dit is altijd zo; maar toch, wat een verschil in de praktische toestand van toen en nu!

Vers 14. Maar laten we hier nagaan welke kenmerken de apostel geeft van de gemeente op aarde. Hij schreef in de hoop spoedig tot Timotheüs te komen, maar met het doel dat Timotheüs, in het geval Paulus lang uitbleef, wist hoe hij zich moest gedragen in de gemeente. Dan zegt hij ons wat de gemeente is.

In de eerste plaats: het huis van God. God woont daarin op aarde (vergelijk Efeze 2:22). We begrijpen dat de gemeente hier gezien wordt op aarde, omdat de apostel erover spreekt hoe men zich erin moet gedragen. Maar deze waarheid is belangrijk. Ze geeft een kenmerk aan van de gemeente dat voor ons van het hoogste belang is met betrekking tot onze verantwoordelijkheid. Het gaat niet over iets vaags, iets dat samengesteld is uit gestorvenen en levenden, iets waarvan we niet weten waar we het kunnen vinden, omdat het ene deel ervan levend op aarde is en het andere deel uit zielen bestaat die in de hemel zijn. Het is het huis van God hier beneden waarin wij ons moeten gedragen (welke andere positie we ook mogen innemen) op een manier die passend is voor het huis van God. God woont in de gemeente op aarde. We kunnen niet ernstig genoeg aan dit feit herinneren. Alles wat verwarring teweegbrengt in de voorstelling van de waarheid, door het denkbeeld dat sommigen gestorven zijn en dat de hele gemeente niet hier is, is afkomstig van de vijand en in strijd met het Woord. De gemeente, beschouwd als bestaand op aarde, is het huis van God.

In de tweede plaats: [de] gemeente van [de] levende God. God, in Wie de kracht van leven is, in tegenstelling tot mensen en tot dode afgoden, heeft een gemeente die niet van de wereld is, maar die Hij voor Zichzelf afgezonderd heeft. Het is niet een volk zoals Israël. Die natie was de gemeente van God in de woestijn. De gemeente is nu de gemeente van de levende God.

In de derde plaats: de pilaar en grondslag van de waarheid. Christus op aarde was de Waarheid. Hij is het altijd, maar Hij was het op aarde. Hij is nu verborgen in God. De gemeente is niet de waarheid: het Woord van God is de waarheid. Zijn Woord is waarheid. De waarheid bestaat voordat de gemeente er is; het geloof in de waarheid vergadert allen die geloven samen tot de gemeente. Maar het is de gemeente die de waarheid op aarde handhaaft 6. Als de gemeente van de aarde weg is, zullen de mensen worden overgegeven aan een krachtige dwaling.

Het kan zijn dat er maar een klein overblijfsel is van degenen die zich christenen noemen die het Woord van de waarheid handhaven. Maar het is niettemin waar dat de gemeente – zolang ze hier beneden blijft – de enige getuige is voor de waarheid op aarde. Zij is de getuige van Godswege om de waarheid aan de mensen voor te stellen. Aan het einde zullen degenen die God als zodanig erkent de zwakke kudde vormen te Filadelfia. En dan zal dat wat de verantwoordelijke plaats inneemt als zijnde de gemeente (Laodicea) uit de mond van Christus worden gespuwd. Hijzelf kenmerkt zich dan als de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige. Maar de gemeente, zoals ze door God op aarde is geplant, is de pilaar en ondersteuning van de waarheid. Het gaat hier niet om gezag, maar om het handhaven en voorstellen van de waarheid. Wat de waarheid niet handhaaft en voorstelt is niet de gemeente naar Gods gedachten.

Welnu, de aanwezigheid van de levende God, en de belijdenis van de waarheid zijn de kenmerken van het huis van God. Overal waar deze gemeente van de levende God is, overal waar de waarheid is, is Zijn huis 7.

De verborgenheid van de godsvrucht, die het middelpunt vormt van wat de gemeente handhaaft tegenover de wereld, is groot, en heeft wezenlijk betrekking op de Persoon van Christus. Vanzelfsprekend ontwikkelt de apostel niet al de verschillende delen van de waarheid, maar dat wat het levende middelpunt is van het geheel – wat de kern raakt van de relatie tussen God en mensen.

God was geopenbaard in het vlees; waarlijk een wonderbare waarheid! Daar waar alles verwarring is en zonde, in de natuur van degene door wie al die zonde en al die verwarring zijn binnengekomen, is God, die liefde is, openbaar geworden in het vlees. Hij, het Middelpunt van alle zegen, Hij die Zelf het Licht is, Die als het Licht alles zedelijk zijn eigen plaats geeft, en Die door het feit van Zijn aanwezigheid bewijst dat de liefde alles te boven gaat. Waar de zonde was, daar ging de liefde de zonde te boven. De mens, die de slaaf van de zonde is, ziet hier in zijn eigen natuur de bron en kracht van al het goede. Te midden van zonde en zwakheid, in de menselijke natuur, is God Zelf geopenbaard. Was er dan kwaad in Hem die zo kwam? Onderging Hij het lot van de algemene slavernij? Volstrekt niet! Terwijl Hij waarlijk in dezelfde omstandigheden verkeerde, in dezelfde natuur was, bewees Hij dat Hij boven al het kwaad stond, en in ieder opzicht volmaakt was. De afwezigheid van ieder spoor van zonde werd aangetoond door de kracht van de Heilige Geest gedurende Zijn hele leven, en met kracht door de opstanding (vergelijk Romeinen 1:4). Het eerste hadden de mensen kunnen onderscheiden: in feite was het ook aan het geweten van ieder mens openbaar, want Hij was het waarachtige Licht, dat licht werpt op iedere mens.

Zo werd God zichtbaar voor de engelen, werd Hij gepredikt onder de Volken (Hij is niet alleen de God van de Joden), werd Hij het Voorwerp van geloof in de wereld (het was niet de openbaring van zichtbare macht, waarbij Hij aanspraak maakt op Zijn rechten en op Zijn heerlijkheid), en ten slotte nam Hij plaats in de hoge, in de heerlijkheid waaruit Hij was neergedaald. Zo wordt God gekend in de gemeente in overeenstemming met de waarheid. Buiten de handhaving van deze openbaring van de Persoon van Christus is er geen waarheid.

Het is de moeite waard om erop te letten, dat in deze brief, en zelfs in de Tweede, de apostel nergens spreekt over de verhouding van christenen tot God als Zijn kinderen, over de voorrechten van kinderen, of over wat gekend wordt binnen de intieme familiekring. Hij spreekt over waarheden die van wezenlijk belang zijn als getuigenis tegenover de wereld; over wat de gemeente uitwendig is, wat de gemeente is als getuige van God ten opzichte van de mensen. Het is het huis van God, de gemeente van de levende God, de pilaar en grondslag van de waarheid: wat ze is in haar verantwoordelijke plaats in de wereld, en opdat alle mensen zouden leren wat God is. Hieraan beantwoordt de verborgenheid van de godsvrucht, waarvan de gemeente het getuigenis draagt. Het is de belangrijke kernwaarheid waarop alle relaties tussen God en mensen berusten, door middel waarvan God met mensen handelt. Daarom zegt hij ook al eerder, in hoofdstuk 2:5: ‘Er is één God en één Middelaar tussen God en mensen, [de] Mens Christus Jezus’.

We vinden hier niet de voorrechten die de kinderen bezitten, evenmin de hemelse bruid van Christus, maar de grondslag van de relatie van God met alle mensen. Zodoende wordt de Vader niet genoemd; zelfs niet de Geest, behalve hier in verbinding met de Persoon van de Heer, als de rechtvaardiging van Zijn getuigenis. Het is: God, de Middelaar, en de mens, en de gemeente als de draagster en bewaarster van deze waarheid van het getuigenis van God; of anders boze geesten die de mensen van het geloof afkeren. Dit verdient al onze aandacht.

Niet alleen, zoals we elders gezien hebben, handhaaft het getuigenis van de genade van het evangelie de grote, eeuwige beginselen van de natuur en heerlijkheid van God, en Zijn relaties met mensen in overeenstemming met die heerlijkheid; maar zelfs in de moeite die de apostel zich getroost opdat er voor de gemeente wordt gezorgd en opdat ze bewaard wordt, gedurende zijn afwezigheid, voor de aanvallen van de vijand en voor wanorde en ongepaste dingen in de gemeente zelf, spreekt hij niet over de voorrechten die de gelovigen in de gemeente genieten. God wordt ons voor de aandacht gesteld, en de Heer Jezus Christus. God, in de majesteit van Zijn onveranderlijke waarheid, in Zijn relatie met de mensen als zodanig, en in de openbaring van Hemzelf in het vlees – God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende; God, wonend in de gemeente, opdat zij de waarheid voorstelt en vasthoudt tegenover de wereld. De waarheid, (zoals we gezien hebben) met betrekking tot Christus, de waarheid van de openbaring van God in Hem. God wenst in betrekking te staan tot de mensen: op deze wijze brengt Hij dit tot stand. De gemeente handhaaft de rechten van de Schepper en Heiland-God op aarde. De gemeente zelf moet in zedelijke orde staande blijven om de vijand die in de wereld is te kunnen weerstaan, en om in staat te zijn het getuigenis te dragen.

Hoofdstuk 4

Maar er zouden er zijn die van het geloof zouden afvallen, van deze kennis van de ene Schepper en Heiland-God – van Hem die geopenbaard was in het vlees. Zij zouden juist die punten aanvallen die we genoemd hebben. Wellicht zouden ze voorwenden om het denkbeeld van de christelijke voorrechten verder door te voeren dan al de anderen hadden gedaan; en ook het denkbeeld van diepgaande kennis van God. Maar ze zouden zondigen tegen de eerste beginselen, tegen het geloof dat de Heiland-God geopenbaard in het Christendom, verbond met de ene, enige Schepper-God. Volgens het Christendom had de eeuwige God niet alleen de wereld geschapen, maar had Hij Zich geopenbaard in Christus. Deze afvalligen, die leringen van boze geesten zouden invoeren, wilden ontkennen dat het deze ene en enige God, de Schepper van de natuur, was, die Zich in genade had geopenbaard. Verleid door boze geesten, en met een geweten dat ze hadden dichtgeschroeid, verboden zij wat God in de schepping had ingesteld, waartoe Hij de mens het volste recht had gegeven na de zondvloed: alsof de hogere heiligheid die zij predikten, en de betrekking tot een verhevener God, onverenigbaar waren met zulke gewoonten. Terwijl zij de ware en praktische heiligheid van gemeenschap met God, en van wat Hij had geboden door middel van Christus hadden prijsgegeven, schiepen zij voor zich een valse heiligheid. Deze heiligheid loochende wat God van het begin af had verordend. Zodoende verhieven zij zich tegen het gezag van Hem die het verordend had, alsof Hij een onvolmaakt of misschien boos wezen was.

Hierdoor ging de beteugeling die de vrees van God bewerkt teloor, en werd de deur opengezet voor ontucht en losbandigheid. De Geest van God waarschuwde de gemeente hiervoor, en de trouwe apostel deelt het aan Timotheüs mee en waarschuwt via Timotheüs de gelovigen om op hun hoede te zijn. Hij spreekt hier daarom niet over voorrechten. Getrouw aan de heerlijkheid van God keert hij terug tot de eerste beginselen van Zijn heerlijkheid, en handhaaft de onbetwistbare rechten van de ene, enige God. Hij is trouw aan God, en pocht niet op zijn kennis, maar hij zoekt in liefde de gemeente te bewaren voor elk afdwalen van God.

We moeten de enkelen die hier het geloof prijsgeven niet verwarren met de algemene afval in 2 Thessalonika. Hier zijn het sommigen die de waarheid verlaten, verleid door boze geesten; en de gemeente bestaat nog want ze wordt gewaarschuwd om op haar hoede te zijn voor het binnendringen van deze schadelijke beginselen. Dat is heel iets anders dan de algemene afval, en de openbaring van de mens van de zonde, die hier volstrekt niet wordt genoemd.
Hier hebben we de trouw die de dwaling terugdrijft door middel van de waarheid, en de broeders herinnert aan de waarheid, opdat ze niet verleid worden. In 2 Thessalonika 2 is het de openbaring van die ene die in de tempel van God zit, en die vernietigd wordt door de heerlijkheid van de tegenwoordigheid van de Heer. Alles wat hier in 1 Timotheüs 4 te doen stond, was in eenvoudigheid te herinneren aan de goedheid van de Schepper, en dat Zijn gaven, met dankzegging aangenomen, altijd goed waren, en niet verwerpelijk. Ze kregen deze gaven beslist niet om ze te gebruiken voor de bevrediging van hun begeerten. Maar ze ontvingen Zijn gaven als geheiligd door het Woord van God, dat ze ons als gaven van God doet toekomen, en door het gebed, dat ons in het gebruik van Zijn gaven met God verbindt. Ze moesten aangenomen worden als afkomstig van Hem, als de gave uit Zijn hand. En ze waren geheiligd, zoals dat het geval is met alles wat van Hem komt en het stempel draagt van Zijn wil en Zijn goedheid. De mens had alles verbeurd door God te verlaten; wat hij had bezat hij nu niet met God, en zou hij louter als een dier opeten, en als nog minder dan een dier aangezien hij God had verlaten. Het Woord van God herstelde de betrekking in genade, en het gebed maakte er gebruik van op deze grondslag. Hier (al is het onder andere omstandigheden veel verder gegaan), wordt het beginsel van de kloostergedachte geheel en al veroordeeld, hoe oprecht iemand ook zijn mag die dit beginsel volgen wil om God te eren. God onthoudt de mens Zijn gaven niet die deze, om zo te zeggen, door zijn wil heeft bemachtigd. Maar in plaats dat hij ze nu gebruikt om zijn begeerten en wil te bevredigen, neemt de mens ze nu van God aan met dankbaarheid omdat Hij ze geven wil, en hij erkent God.

Dit laat de apostel feitelijk zien in wat volgt. Door de broeders aldus te leren zou Timotheüs een goede dienaar zijn van Christus Jezus; opgevoed in de waarheid: de oefening van het lichaam was van weinig nut, maar de godsvrucht was van veel nut – zowel hier beneden als voor de eeuwigheid. Het is een waarschuwing voor Timotheüs tegen de nutteloze en zinledige bespiegelingen van de menselijke geest; telkens weer komt hij op het gevaar hiervan terug. Voor deze leer van God, een betrouwbare leer, die alle aanneming waard is, arbeidde de apostel en leed hij smaadheid, omdat hij geloofde in de levende God, die door Zijn voorzienigheid en oppermacht 8 over alle mensen regeerde, hen bewaarde en voor hen zorgde, en vooral voor hen die geloofden. Het was deze zelfde enige God, Schepper en Heiland, op Wie hij zijn vertrouwen stelde terwijl hij werkte voor de Heer. Timotheüs moest deze dingen onderwijzen en er met gezag de hand aan houden.
In verband met deze gezaghebbende opdracht, spreekt de apostel verder over de persoon en positie van Timotheüs zelf. Hij was jong, maar hij moest de plaats die hij had blijven innemen, en door zijn gedrag dat overwicht verwerven dat de jaren hem nog niet gaven. Hij moest een voorbeeld zijn voor de gelovigen, en totdat Paulus kwam, moest hij zich bezighouden met voorlezen, vermanen en onderwijzen. Bovendien had God in zijn geval een bijzondere voorbereiding gegeven voor zijn werk; hij moest dit niet vergeten of veronachtzamen. Hij had een genadegave gekregen; hiertoe had God hem door middel van profetie aangewezen. En dit rechtstreekse getuigenis van God, waarmee de werking van Zijn kracht was verbonden, was vergezeld gegaan van het zegel van menselijk getuigenis: dat wil zeggen, het getuigenis van de oudsten onder de christenen (vergelijk Handelingen 13:1-3). Zo werkten alle dingen samen om Timotheüs te sterken in zijn dienstwerk, en in het gezag dat hij op dat ogenblik in plaats van de apostel uitoefende. Hij moest altijd het voorbeeld geven door een onberispelijk gedrag; dit was heel belangrijk omdat het hem invloed zou geven op de harten en gewetens. Maar hij werd innerlijk gesterkt door het bewustzijn dat God hem formeel had afgezonderd tot dit werk; de gave van God was hem gegeven, en allen die gezag hadden in de gemeente hadden hun instemming betuigd en dit als het ware bezegeld. Nu hij zo gesterkt was, moest hij zich toewijden aan de dingen van de Heer. Hij moest dit doen op zo’n manier dat het voor allen duidelijk zou worden, dat hij vorderingen maakte – het zou bewijzen dat hij leefde in gemeenschap met de Heer. Tevens moest hij acht geven op zichzelf en op de leer, en wel voortdurend, want dit zou zowel voor hemzelf als voor hen die hem hoorden, het middel zijn tot behoudenis.

Hoofdstuk 5

Nadat hij nu zo de arbeider beschouwd heeft, keert de apostel terug tot de bijzonderheden van het werk, waarin Timotheüs zijn ijver en waakzame zorg moest tentoonspreiden. Heel de brief door is het onderwerp hier: wat uiterlijk past bij een oprechte levenswandel; wat betamelijk is, hetzij met het oog op de positie van afzonderlijke personen, of met betrekking tot de wereld. De apostel spreekt over oude mannen; over weduwen, over wat betamelijk is voor jonge weduwen; over de eer die trouwe oudsten toekomt, vooral diegenen onder hen die ook leraars waren. Er is niets dat spreekt over het innerlijk, niets over de relatie van de ziel met God. Maar alles heeft betrekking op het openbare getuigenis dat gepast was voor de positie van mensen in deze wereld voor het aangezicht van God. Het is belangrijk hierop te letten, dat, al berust onze vreugde op onze hemelse voorrechten, op onze gemeenschap, wij toch nooit ongestraft kunnen veronachtzamen wat onze gewone plichten zijn en wat ons zedelijk past. We moeten bekend zijn met de praktische gevaren die er voor ons zijn, ten gevolge van wat het vlees is.

We kunnen zien dat er voorzieningen werden getroffen voor alle weduwen die geen familieleden hadden die in staat waren om hen te onderhouden. Ook merken we op dat er oudsten waren die niet leerden. Tegen een oudste moest Timotheüs geen beschuldiging aannemen, tenzij er twee of drie getuigen waren.

Dit alles bewijst, dat de apostel deze aanwijzingen gaf met het oog op de uitwendige orde; om te handhaven wat eerbiedwaardig is in het oog van allen, en om eerbied te eisen voor alles wat geëerbiedigd hoort te worden. Timotheüs moest tegelijkertijd voorzichtig zijn om niet door het opleggen van handen zijn goedkeuring te hechten aan iemand, die zedelijk geen garantie bood, dat hij in de positie die hij had ingenomen, dit bewijs van eerbied van anderen verdiende. Van de kant van Timotheüs zou dit inhouden, dat hij deel had aan de zonden waaraan zo iemand schuldig kon zijn. Hij moest niemand overijld de handen opleggen.

Van sommige mensen zijn de zonden openbaar, en verkondigen bij voorbaat het oordeel dat hun te wachten staat. Van anderen zijn de zonden verborgen: ze zouden hen terugvinden op die grote dag. Maar dit was een reden waarom hij in het hem opgedragen werk niets overijlds moest doen. Hij moest zichzelf rein bewaren.

Hier zien we hoe matig Timotheüs doorgaans was: omdat hij een zwak lichaam had, beveelt de apostel hem aan om van zijn vrijheid gebruik te maken en wat wijn te nemen – het is een verblijdend voorbeeld van de genade. We vinden hier een bewijs van de gewoonten die deze trouwe dienstknecht had. De Geest laat ons zien hoe hij zich zorgvuldig onthield van wat zijn hartstochten in het minst kon prikkelen of bevredigen. Tegelijkertijd is er de volmaakte vrijheid om alles wat goed is te gebruiken als er een geldige reden voor is. Ook zien we de tere belangstelling van de apostel voor zijn medearbeider in het evangelie. Het is een tussenzinnetje dat verbonden wordt aan de uitdrukking “heb geen gemeenschap met [de] zonden van anderen”, maar het is buitengewoon mooi. Deze toegenegenheid en waakzaamheid pasten de apostel; hij verlangde heiligheid in degene die hem vertegenwoordigde, maar hij wist zeer goed hoe hij Timotheüs kon respecteren, hoe hij de welvoeglijkheid die hij had voorgeschreven kon staande houden, en tevens de tederheid van zijn hart tentoonspreiden. Vers 24 is verbonden met vers 22.

Hoofdstuk 6

De apostel treedt vervolgens in bijzonderheden met betrekking tot dienstknechten, dat wil zeggen, slaven. Zij moesten hun eigen meesters eerbiedigen, opdat de leer van de Heer niet zou worden gelasterd. Wanneer de meesters gelovigen waren, was er vanzelfsprekend meer vertrouwelijkheid, want zij waren één in Christus. Maar daarom was ook het gevaar groter (want het vlees is arglistig) dat de slaven hun meesters niet de verschuldigde eerbied zouden bewijzen. De apostel waarschuwt voor dit misbruik van de christelijke liefde, en van de gemeenzaamheid en het vertrouwen, die terecht onder broeders horen te bestaan. Maar deze moesten daarentegen voor de slaaf een drijfveer zijn om zijn meester alle eer waardig te achten, door hem meer liefde en dezelfde eerbied te bewijzen.

Het was noodzakelijk dat de apostel standvastig bleef. Alle andere leer – iedere weigering om de gezonde woorden van de christelijke leer aan te nemen, de woorden van Christus en de leer die overeenstemt met de praktische godsvrucht – kwam voort uit het vlees. Het kwam allemaal voort uit hoogmoed van mensen die voordeel wilden trekken van de godsvrucht, en die de godsvrucht tot een middel maakten om geld te verdienen. Van zulke mensen moest Timotheüs zich afwenden. Nu was de godsvrucht inderdaad een gewin, als ze zich tevreden stelden met wat ze hadden. En de christen, die niet tot deze wereld behoort, moet zich, als hij voedsel en kleding heeft, daarmee tevreden stellen. Hij heeft niets in de wereld ingebracht, en hij zal er zeker niets uit wegdragen. En de liefde tot het geld is een wortel voor alle soorten kwaad. Sommigen waren door die zucht naar geld verleid, waren van het christelijk geloof afgedwaald, en hadden hun eigen hart met smarten doorstoken. Het verlangen om rijk te worden was het pad met strikken en verleiding, het pad van dwaze en schadelijke begeerten. Timotheüs, als mens Gods, moest deze dingen ontvluchten. Dit is hier steeds de gedachte: hij was in de wereld namens God; hij vertegenwoordigde Hem wat betreft zijn deel in het werk. Hij moest daarom andere dingen nastreven dan aardse rijkdom – dat wat een mens Gods kenmerkte: gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid van geest. Dit waren de dingen, die, aanwezig in een mens, God aan de wereld zouden voorstellen, en die Hem verheerlijken.

Vers 12. Intussen was er strijd: hij moest de goede strijd van het geloof strijden. Als iemand God vertegenwoordigt in deze wereld, moet er strijd zijn, omdat de vijand er is. De kracht van het geloof was ook nodig, om het eeuwige leven te grijpen te midden van de verleiding en de moeilijkheden die de “zichtbare dingen” veroorzaakten. Bovendien, God had Timotheüs hiertoe geroepen, en hij had de goede belijdenis afgelegd voor vele getuigen.

Vers 13. Ten slotte beveelt de apostel hem op uiterst plechtige wijze in de tegenwoordigheid van God, de Bron van het leven voor alle dingen, en van Christus Jezus, die Zelf zonder aarzeling getuigenis had gegeven voor de machten van deze wereld. De apostel stelt hem onder de verantwoordelijkheid om het gebod onbevlekt en onberispelijk te bewaren, tot op de verschijning van onze Heer Jezus Christus.

Let ook hierop: omdat Paulus in deze brief niet heeft gesproken over de voorrechten van de gemeente, maar over haar verantwoordelijkheid, spreekt hij hier ook niet over het feit dat de gemeente wordt opgenomen. Maar hij spreekt over het openbaar worden van hen die tot de gemeente behoren. Dan zullen de vruchten van trouw (of van het falen) geoogst worden, en zal iedereen in de zichtbare heerlijkheid de plaats innemen die met zijn werk overeenkomt. Allen zijn als Christus, allen gaan binnen in Zijn vreugde, maar het zitten aan Zijn rechter- en linkerhand in Zijn koninkrijk is het deel van hen voor wie het door Zijn Vader bereid is. De Vader kent de plaats toe in overeenstemming met het werk dat Hij elk heeft toegestaan te verrichten. Hijzelf geeft ieder kracht om zijn werk af te maken, al beschouwt Hij het in genade als ons eigen werk. Christus Zelf wordt hier gezien als de getrouwe Mens (vers 13), die God in heerlijkheid vertonen zal aan alle schepselen, op het tijdstip dat Hij in Zijn raadsbesluiten heeft vastgesteld.

Het gaat hier aldoor over onze verantwoordelijkheid tegenover de wereld, of over de heerlijkheid als het resultaat van die verantwoordelijkheid. De allerhoogste, onzichtbare God blijft wie Hij is in Zijn majesteit. De Heer Jezus Christus wordt voorgesteld in de schepping als het Middelpunt van de schepping en als Degene in wie Zijn heerlijkheid te vinden is – Hij die een ontoegankelijk licht bewoont, die geen mens gezien heeft of zien kan in Zijn Goddelijk wezen.

Dit kenmerkt de brief op merkwaardige wijze. Nergens anders wordt de ontoegankelijke majesteit van God, als God, zo voorgesteld. Zijn karakter is vaak het onderwerp van onderwijs en openbaring. Hier bezit Hij alleen in Zijn eigen wezen de onsterfelijkheid. Hij woont in ontoegankelijk licht. Hij is te allen tijde onzichtbaar voor de ogen van mensen. Hij alleen bezit kracht. Hij bezit de heerschappij over allen die regeren. Het is God in de abstractie van Zijn wezen, in de onveranderlijkheid van Zijn zijn, in de rechten van Zijn majesteit, voor alle mensen verborgen achter een voorhang.

Welnu, Christus zal het middelpunt zijn van de zichtbare heerlijkheid. Terwijl Hij deel heeft aan de Goddelijke heerlijkheid voor de grondlegging van de wereld, vertoont Hij deze heerlijkheid in de menselijke natuur, waaraan Hij heeft deelgenomen. Die heerlijkheid wordt zichtbaar gemaakt in Hem, terwijl Hij de Zijnen laat delen in Zijn vreugde en in alles wat Hij in dit karakter bezit. Maar hier wordt Hij openbaar gemaakt door God, en met het doel dat allen Hem erkennen 9. En onze verantwoordelijkheid, de trouw in onze verantwoordelijkheid, zal op die dag openbaar worden, die hier aan ons wordt voorgesteld. Hoe klein ons verantwoordelijk aandeel ook is, we zijn de vertegenwoordigers op aarde van zo’n God. Zo is de God voor Wiens aangezicht wij moeten wandelen, en Wiens majesteit wij in ons gedrag direct hebben te eerbiedigen, en ook in onze verhoudingen tot alles wat Hij heeft gemaakt.

Vers 17. De apostel besluit zijn vermaningen aan Timotheüs met de opdracht dat hij de rijken moet waarschuwen om niet te vertrouwen op de onzekerheid van de rijkdom, maar op de levende God die ons alles rijkelijk geeft om te genieten. Nog steeds is het de oppermachtige en Schepper-God die ons voor ogen staat. Bovendien moeten ze rijk zijn in goede werken, en vrijgevig. Als ze daar rijk in zouden zijn zou het waardevol zijn, omdat ze daardoor voor zichzelf een goed fundament weglegden (dit is slechts een beeld) voor de toekomst; en om beslag te leggen op wat werkelijk het leven is. De apostel herhaalt zijn ernstige vermaning aan Timotheüs om het pand dat hem was toevertrouwd te bewaren, om het ongoddelijke en zinledige geklets te vermijden, maar vast te houden aan de gezonde en heiligende waarheid; om niets te maken te hebben met de tegenstellingen van de menselijke wetenschap, die er aanspraak op maakt door te dringen in de Goddelijke dingen, alsof die aan de kennis van de menselijke wetenschap ondergeschikt zouden zijn. Hierin school de oorsprong van de val die velen gemaakt hadden met betrekking tot hét christelijk geloof.

Ik twijfel er niet aan dat de apostel, in de manier waarop hij God aan ons voorstelt, zinspeelt op de dwaze fantasieën waaraan sommigen zich, onder invloed van de vijand, overgeven. Zo spreekt hij over dezen met betrekking tot de majesteit van Zijn wezen als de ene, enige God in Wie al de volheid is, en met betrekking tot de matigheid die praktische zedelijkheid kenmerkt en het hart bewaart onder invloed van de waarheid en gescheiden van al de valse en zinloze bespiegelingen waaraan de trotse mens zich overgaf. Hij hield de zielen staande, bewaarde ze voor een val, door de majesteit van de enige God, in de praktische matigheid waarin de vrede woont. Spoedig zal de sluier worden opgelicht door de verschijning van Jezus, die de almachtige God aan de wereld vertonen zal.

EINDE 1 TIMOTHEUS

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 8.1

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten

1 Het bijzondere is hier niet dat iemand onder de wet is en ook niet dat de wet een leefregel is voor een volk van God. De wet is hier een regel van goed en kwaad om aan het geweten van wie dan ook het kwaad aan te tonen. In vers 5 daarentegen hebben we het doel van de opdracht van het evangelie: deelgenoot te zijn van de Goddelijke natuur – liefde en heiligheid, te handelen overeenkomstig de verantwoordelijkheid, een goed geweten en het hart volkomen toegewijd aan God, Zijn woord aan te nemen en Hem te vertrouwen.

2 Er bestaat echter enige twijfel ten aanzien van de juiste lezing in Titus.

3 We moeten deze daad die van kracht getuigt, niet verwarren met de tucht, die de daad van de gemeente en haar formele plicht is. In 1 Korinthe 5 verbindt de apostel de gemeente met zichzelf in deze daad die van kracht getuigt, maar hij gaf de persoon over met de kracht van Christus. De plicht van de gemeente wordt daar vermeld in vers 13. Wat gelovigen of de gemeente kan doen, als God tucht heeft uitgeoefend, zien we in 1 Johannes 5:16 en Jakobus 5:14-15.

4 Sommigen vertalen dit woord door “bereid om te leren”.

5 Ik zie echter geen reden waarom “hun vrouwen” (vers 11) niet van toepassing kan zijn op de vrouwen van de opzieners. Er staat feitelijk: [de] dienaars [moeten] eveneens eerbaar zijn, [hun] vrouwen [moeten] eveneens eerbaar zijn.

6 Maar de gemeente onderwijst niet. Leraars geven onderwijs in de gemeente, maar door trouw vast te houden aan de waarheid die wordt geleerd, draagt de gemeente de waarheid in de wereld.

7 Om te beoordelen wat de gemeente is, moeten we zodoende de waarheid en de levende God kennen en kunnen onderscheiden. Dit is wat de apostel zegt ten aanzien van ieder persoonlijk: “de Geest is de waarheid”. Dit zijn de kardinale punten met betrekking tot ongeloof en geloof, de waarheid en de Geest; en het Woord van God is de waarheid.

8 Vergelijk Mattheüs 10:29.

9 In Openbaring 19 is Hij Koning der koningen en Heer der heren. Hier wordt Degene die Hem vertoont zo aangeduid. Zo ook in Daniël 7. De Zoon des mensen wordt tot de Oude van dagen gebracht, maar in hetzelfde hoofdstuk is het de Oude van dagen die komt.