35. Obadja
35. Obadja · uit de ‘Synopsis’ deel 4 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
De Schriftplaatsen die over Edom spreken, zijn tamelijk talrijk in de profeten. Het stamde evenals Jakob van Izaäk af. Het had echter een ingewortelde haat tegen de nakomelingen van de jongere zoon, die de gunst ontvangen hadden het volk van Jahweh te zijn. Psalm 137:7 spreekt van deze haat. In Psalm 83 zien we hoe Edom deel uitmaakt van het laatste bondgenootschap tegen Jeruzalem met de bedoeling de naam van Israël van de aarde weg te vagen. Ezechiël 35 spreekt ook over deze altijddurende haat van Edom, en laat zien, dat deze al van het begin af openbaar was, toen het Israël de doortocht weigerde door zijn land, en hoe de Edomieten het land van Israël wensten te bezitten. Obadja weidt over de bijzonderheden van de openbaring van deze haat uit, die tot uitbarsting kwam toen Jeruzalem ingenomen was. Het is mogelijk, dat er iets dergelijks was toen Jeruzalem door Nebukadnezar veroverd werd. Edom is in Psalm 137, als de onverzoenlijke vijand van Jeruzalem, verbonden met Babel.
Maar het is duidelijk, dat de profetie zich tot andere gebeurtenissen uitstrekt. Jeruzalem zal opnieuw door de volken aangevallen worden, die zullen trachten hun haat tegen de stad van Jahweh uit te leven en hun eerzuchtige plannen bevredigen. Bij deze gelegenheid speelt Edom een droevige rol en het oordeel over hem is in verhouding tot zijn zonde; het volk wordt volkomen afgesneden. Als de rest van de wereld zich zal verblijden, zal de verwoesting van Edom volkomen zijn. Edom had zich voorgesteld voordeel te trekken uit de aanvallen van de volken op Jeruzalem, om zo zelf het land te bezitten. Hij had zich bij hen aangesloten voor de gemeenschappelijke aanval en legde hinderlagen, zoals men dit van een volk kan verwachten, dat naar de gewoonten van de Arabische stammen leefde, om zo de vluchtelingen de terugtocht af te snijden, hen zoveel als het maar mogelijk was te beroven en ze aan hun vijanden over te leveren. De mannen van Edom wisten niet, dat de dag van Jahweh over al de volken was en dat hun gedrag alleen maar een bijzondere vloek over hun hoofden zou brengen. Hun oordeel wordt zo beschreven: God neemt hun wijsheid van hun weg; hun hoogmoed misleidt hen, hun kracht begeeft hen, opdat ze allen zouden worden verdelgd.
We hebben gezien, hoe ze zich hebben verenigd met het laatste bondgenootschap tegen Jeruzalem en hoe ze deelnamen aan de verwoesting van die stad. Maar het schijnt, dat hun bondgenoten hen bedriegen (vers 7). En Edom, door zijn vroegere bondgenoten zo slecht behandeld, wordt klein onder de volken (verzen 1-2). De volken zijn de eerste instrumenten van Gods wraak.
Maar een andere, veel verschrikkelijker gebeurtenis, verbindt zich aan de naam van Edom of Iduméa. En dit is de gelegenheid waardoor Jahweh’s oordeel over dit volk wordt voltrokken. De legers van de volken zullen in de laatste dagen in Edom bijeenverzameld worden. Dit wordt ons in Jesaja 34 en 63 verteld. Zie in het bijzonder Jesaja 34:5-6. De rest van het hoofdstuk schildert ons het oordeel van verwoesting in de meest krachtige bewoordingen. Jesaja 63 toont ons Jahweh Zelf, Die van dit oordeel terugkeert, waar Hij de pers alleen heeft getreden. Want van de volken was daar niemand met Hem.
Ten slotte zal Israël zelf een werktuig in de hand van Jahweh zijn, om Zijn oordeel tegen Ezau uit te voeren (Obadja vers 18). Bij Jesaja heeft de verwoesting in het bijzonder betrekking op de legers van de volken, die tijdens hun opmars zich in Edom verzameld hebben. Het aandeel, dat Israël in het oordeel neemt, is over het volk in het algemeen, en hierna, vermoed ik, als Christus als Messias aan hun hoofd zal staan. (Vergelijk verzen 17-18). Jesaja 11:14 schijnt de wijze waarop we deze Schriftplaats verstaan te bevestigen. In elk geval is het, als Israël de zegening al ontvangen heeft.
Dat er van Edom niemand zal overblijven, blijkt ook uit Obadja verzen 5,6,9,18; Jeremia 49:9; 10-22, en het valt op, dat er geen herstel van een overblijfsel is, zoals in het geval van Elam en andere volken (Jeremia 49:39). Een gedeelte van de profetie van Jeremia bevestigt dezelfde feiten als die van Obadja, in bijna dezelfde bewoordingen. Hetzelfde oordeel wordt in Ezechiël 35 en Jesaja 34 uitgesproken, zoals al aangehaald. Men ziet in deze hoofdstukken, zoals ook in Jesaja 63, dat Jahweh Edom oordeelt wegens hun houding tegen Jeruzalem (Ezechiël 35:11; Jesaja 34:8 en 63:4). In deze Schriftplaatsen vergeet Jahweh niet Zijn gedachten van liefde tegenover Sion en Zijn volk.
De profetie van Obadja eindigt met een getuigenis van het resultaat van Gods oproep tot bekering, van Zijn onveranderlijke getrouwheid ten aanzien van Zijn beloften, en van Zijn onvermoeide liefde. Macht en kracht tegen deze zo verschrikkelijke vijanden zouden aan Israël gegeven worden. Het zou zijn grondgebied, dat door die vijanden overweldigd was, in vrede bezitten. De verlossing zou zijn op de berg Sion. Vandaar zou de berg van Ezau geoordeeld worden en het koninkrijk zou aan Jahweh toebehoren.
Zoals in Babel de verdorven macht was geoordeeld, zo in Edom de haat tegen het volk van God.
EINDE OBADJA
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 4.9
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- Gods bemoeiingen met Israël en de volken (over de kleine profeten), H. Rossier
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!