54. 2 Korinthe
54. 2 Korinthe · uit de ‘Synopsis’ deel 7 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Hoofdstuk 1
De apostel schrijft de tweede brief aan de Korinthiërs onder de invloed van de vertroostingen van Christus. Hij ondervond deze vertroostingen toen de verdrukking die hem in Asia overkwam op haar hoogtepunt was. En hij ondervond ze opnieuw toen hij deze brief schreef, door het goede nieuws dat Titus had meegebracht uit Korinthe. Nu hij blij is over de Korinthiërs deelt hij hun deze vertroostingen mee. Door genade waren zij in het laatste geval zelfs de oorzaak ervan.
De eerste brief had hun geweten doen ontwaken en had geleid tot het herstel van de Godsvrucht in hun hart en de oprechtheid in hun wandel. Het bedroefde hart van de apostel leefde weer op toen hij dit goede nieuws hoorde. De toestand van de Korinthiërs had hem ontmoedigd en had de gevoelens enigszins weggenomen, die in zijn hart waren gewekt door de vertroostingen waarmee Jezus het vervulde tijdens de beproevingen in Efeze. Hoe verschillend en hoe moeilijk zijn de ervaringen van iemand die Christus dient en die zorg draagt voor de zielen! Maar het geestelijk herstel van de Korinthiërs had de angst van Paulus weggevaagd en had hem opnieuw de blijdschap van deze vertroostingen doen ondervinden, die was onderbroken door het bericht van hun slechte gedrag. Hij komt later nog terug op dit onderwerp van zijn lijden in Efeze en hij geeft dan een opmerkelijke uiteenzetting van de kracht van het leven waardoor hij leefde in Christus.
Hij richt zich zowel tot alle heiligen in Achaje als tot hen die woonden in de stad Korinthe, de hoofdstad van dat land. En omdat hij door de Heilige Geest werd geleid om te schrijven in overeenstemming met de werkelijke gevoelens die deze Geest in hem werkte, plaatst hij zich onmiddellijk te midden van de vertroostingen die in zijn hart vloeiden. Zo erkent hij in die vertroostingen de God die ze in zijn beproefde geest uitstortte.
Er is niets dat zo treffend is als het werk van de Geest in het hart van de apostel. De mengeling van dankbaarheid en aanbidding ten opzichte van God, van blijdschap in de vertroostingen van Christus en van liefde voor hen over wie hij zich nu verheugde, heeft een schoonheid die volkomen onnavolgbaar is voor de geest van de mens. De eenvoud en de waarheid ervan verhogen alleen maar de voortreffelijkheid en het verheven karakter van dit Goddelijk werk in een menselijk hart: “Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader der ontfermingen en [de] God van alle vertroosting, Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij hen kunnen vertroosten die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting waarmee wijzelf door God vertroost worden. Want zoals het lijden van Christus overvloedig over ons komt, zo is door Christus ook onze vertroosting overvloedig. Hetzij wij dan verdrukt worden, het is tot uw vertroosting en behoudenis; hetzij wij vertroost worden, het is tot uw vertroosting, gewerkt in [het] volharden onder hetzelfde lijden dat ook wij lijden” (verzen 3-7). Terwijl hij God dankt voor de vertroostingen die hij had ontvangen, aanvaardt hij het lijden, omdat zijn delen in het lijden tot bemoediging was van het geloof van de Korinthiërs die ook leden, doordat dit hun de weg toonde die God bepaald had voor de voortreffelijksten. En tegelijk stort hij zijn eigen vertroosting uit in hun hart, zodra hij troost van God ontvangt. Zijn eerste gedachte is God te danken en Hem te erkennen als de Bron van alle troost. En zo is het altijd met iemand die zich bewust is van zijn afhankelijkheid van God en die in Zijn tegenwoordigheid blijft – zie Genesis 24. Maar de Christus, die hij zowel in het lijden als in de vertroosting heeft ondervonden, richt zijn hart dan onmiddellijk op de geliefde leden van Zijn lichaam.
We zien hier tegelijk de verdorvenheid van het menselijk hart, maar ook het geduld van God. Terwijl ze leden ter wille van Christus, konden ze deelhebben aan de zonde die Zijn Naam onteerde – een zonde die onbekend was onder de volken. Ondanks deze zonde wilde God het getuigenis niet van hen afnemen, dat ze door dit lijden hadden met betrekking tot de echtheid van hun christen zijn. Dit lijden gaf de apostel de zekerheid dat de Korinthiërs ook de vertroostingen zouden genieten die gepaard gingen met het lijden ter wille van Hem.
Het is mooi om te zien hoe de genade het goede aangrijpt om daaruit op te maken dat het kwade zeker gecorrigeerd zal worden, in plaats van niet te geloven in het goede vanwege het kwade. Paulus was dicht bij Christus – de Bron van kracht.
Hij gaat dan verder en stelt proefondervindelijk voor wat de leer is van de kracht van het leven in Christus 1. Dit leven vond zijn ontplooiing en zijn kracht door de dood ten opzichte van alles dat tijdelijk is, van alles dat ons verbindt met de oude schepping, ja van het sterfelijke leven zelf. Daarna roert hij bijna elk onderwerp aan dat hem beziggehouden had in de eerste brief, maar met een onbezwaard hart, hoewel met een beslistheid die hun welzijn beoogde en de eer van God, al kostte hem dit misschien ook nog zoveel smart.
Let hier op de prachtige verbinding tussen de persoonlijke omstandigheden van Gods arbeiders en het werk waartoe ze geroepen zijn, en zelfs de omstandigheden van dat werk. De eerste brief had die heilzame uitwerking op de Korinthiërs gehad waartoe de apostel hem, onder de leiding van de Heilige Geest, geschreven had. Hun geweten was ontwaakt en ze waren ijverig geworden ten opzichte van het kwaad. Hun ijver was evenredig aan de diepte van hun val. Dit is altijd het gevolg van het werk van de Geest, als het geweten van de christen die gevallen is werkelijk geraakt is. Het hart van de apostel is nu vervuld met blijdschap om hun volledige en oprechte gehoorzaamheid. Ondertussen was hijzelf door verschrikkelijke beproevingen gegaan, zodat hij gewanhoopt had aan zijn leven. En hij had door genade de kracht kunnen verwerkelijken van dat leven in Christus dat de overwinning over de dood behaald had. Zo kon hij in de harten van de Korinthiërs in overvloed de vertroostingen uitstorten van dat leven, dat ook hen zou moeten opwekken. Er is een God die alle dingen leidt in de dienst van Zijn heiligen, zowel de smart die ze meemaken als al het andere.
Merk ook op dat hij niet hoeft te beginnen met de Korinthiërs te herinneren aan hun roeping en hun voorrechten als geheiligden in Christus, zoals hij dat in de eerste brief had gedaan. Hij begint meteen met een dankzegging aan de God van alle vertroosting. Er wordt gewezen op heiligheid als die praktisch ontbreekt onder de gelovigen. Maar als ze in heiligheid wandelen, verblijden ze zich in God en spreken ze over Hem. In de uitdrukkingen die uit zijn dankbaar hart stromen zien we de wijze waarop de verschillende delen van het werk van God met elkaar verbonden zijn, in en door middel van de apostel. God troost hem in zijn lijden. En de vertroosting is van die aard dat ze geschikt is om ook anderen te troosten, in wat voor verdrukking ook. Want het is God Zelf die de vertroosting is, doordat Hij in het hart Zijn liefde en Zijn gemeenschap uitstort, zoals die genoten worden in Christus.
Als hij verdrukt werd, was dat tot troost van anderen. Omdat ze soortgelijke verdrukkingen zagen in hen die door God geëerd werden en omdat ze zich met hen verbonden wisten in dezelfde heerlijke zaak en dezelfde verhouding met God (nu de harten geraakt en tot deze gevoelens teruggebracht waren door dit middel). Als hij vertroost werd, was dat om anderen te troosten met de vertroostingen die hijzelf genoot in de verdrukking. En de verdrukkingen van de Korinthiërs waren voor hem een getuigenis van het feit dat ze deelhadden aan de vertroosting die hijzelf genoot, hoe groot hun morele zwakheid ook geweest was. Deze vertroostingen waren zo diep en zo echt, ze kwamen van God en waren een teken van Zijn gunst. Wat een kostbare banden van genade! En wat is het ook voor ons in kleine mate waar, dat het lijden van de arbeider aan de ene kant de liefde voor hem weer opwekt en aan de andere kant de arbeider weer opnieuw verzekert van de oprechtheid van de voorwerpen van zijn liefde, doordat hij ze opnieuw ziet in de liefde van Christus. De verdrukking van de apostel had hem geholpen om de Korinthiërs te schrijven met de droefheid die paste bij hun toestand. Maar wat een geloof had hij dat hij zich met zo’n energie en zo’n volkomen zelfverloochening kon bezighouden met de droevige toestand van anderen, te midden van de omstandigheden die hem toen omringden! Zijn kracht was in Christus.
Zijn hart ontsluit zich voor de Korinthiërs. We zien dat zijn gevoelens onbelemmerd stromen en dat is iets van grote waarde. Hij rekent op de belangstelling die zij zullen hebben voor het verslag van zijn verdrukkingen. Hij is er zeker van dat ze zich zullen verblijden over wat God hem heeft gegeven, zoals hij zich ook over hen verblijdt als de vrucht van zijn werk, en dat ze zullen erkennen wat hij is. En hij is ermee tevreden een schuldenaar te zijn van hun gebeden met betrekking tot de gaven die in hemzelf geopenbaard werden, zodat zijn succes in het evangelie als het ware een van hun eigen persoonlijke belangen was. Hij kon hen met recht vragen om voor hem te bidden, want zijn gedrag was altijd zuiver en oprecht geweest, speciaal onder hen. Dit brengt hem ertoe de motieven van zijn reizen te verklaren, waarover hij tot nu toe niet met hen gesproken had. Hij voert deze reizen terug tot zijn eigen plannen en motieven, onderworpen aan de Heer. Hij is altijd meester, in afhankelijkheid van Christus, van zijn gaan en staan. Maar hij is nu in staat om vrijuit te spreken over zijn besluitvorming, wat eerder niet mogelijk was vanwege de toestand van de Korinthiërs. Hij wil hen nu tevreden stellen en een verklaring van de dingen geven, om zo zijn volkomen liefde voor hen te tonen. Terwijl hij tegelijk ook zijn volkomen vrijheid in Christus handhaafde en liet zien dat hij niet verplicht was om tegenover hen verantwoording af te leggen van zijn daden. Hij was inderdaad hun dienstknecht in de verdrukking, maar hij was dat vrijwillig, omdat hij alleen verantwoording schuldig was aan Christus. Hoewel hij hun geweten geruststelde als dat oprecht was, juist omdat hij Christus diende.
Maar zijn eigen geweten was zuiver. En hij schreef hun alleen wat ze wisten en erkenden en, zoals hij vertrouwde, tot het einde toe zouden erkennen. Zodat ze zouden roemen in hem, zoals hij dat deed in hen. Maar was er enige lichtvaardigheid in zijn beslissingen geweest, omdat hij (zoals hij hun nu meedeelde) eerst van plan was geweest hen te bezoeken op zijn reis naar Macedonië (waar hij was toen hij deze brief schreef) en daarna voor de tweede keer op zijn terugreis uit dat land? Absoluut niet! Het waren geen plannen die hij lichtvaardig maakte, naar het vlees, en dan weer opgaf. Het was zijn liefde, het was om hen te sparen dat hij nog niet gekomen was. Hij kon de gedachte niet verdragen dat hij met de roede bij hen zou komen, die hij liefhad.
Let erop hoe hij zijn gezag handhaaft, hoewel hij zijn liefde en teerheid toont. Ze hadden de uitoefening van dit gezag nodig. Maar terwijl hij hen herinnert aan zijn gezag, laat hij al zijn zachtheid zien. Ze waren misschien geen Kretenzen, voor wie het nodig was om scherp bestraft te worden. Maar er was een losheid van zeden die fijngevoeligheid en zorg nodig maakte opdat ze niet koppig zouden worden, maar ook gezag en toom en bit, opdat ze niet in allerlei slechte gewoonten zouden vervallen als ze de vrijheid kregen.
Maar dan gaat hij onmiddellijk over tot de zekerheid die er in Christus was en die de grondslag was van al zijn eigen zekerheid. Hij wilde niet te veel nadruk leggen op de toon die hij eerst had aangeslagen. Hij laat zijn gezag voelen als iets dat hij had kunnen uitoefenen, maar hij gebruikt het niet. De grondslagen van het christendom waren daar nodig, om hun zielen in een toestand te brengen dat ze zich grondig zouden veroordelen. Ze waren er werkelijk toe geneigd, door de intriges van valse leraars en hun gehechtheid aan filosofische scholen, zich los te maken van de apostel en, in de geest, van Christus. Maar Paulus brengt hen terug tot het fundament, tot de zekere leer die allen gemeen hadden die onder hen gewerkt hadden in het begin. Hij wilde satan geen gelegenheid geven om hen van hem los te maken (zie hoofdstuk 2:11).
Daarom stelt hij de grote beginselen vast van de blijdschap en de zekerheid van de gelovige. Ik spreek niet over het bloed, de enige bron van vrede voor het geweten voor het aangezicht van God als Rechter, maar over de manier waarop we door de kracht van God in Zijn tegenwoordigheid zijn geplaatst, in de positie en de staat waarin die kracht ons brengt volgens Zijn raadsbesluiten van genade. Eenvoudige zekerheid was er in Christus, in overeenstemming met wat er gepredikt was. Het was niet eerst ja en dan nee. Het ja bleef altijd ja. Dit is een beginsel van enorme betekenis. Maar om dit tot stand te brengen was de kracht en de vastheid en zelfs de volmaaktheid en de wijsheid van God nodig. Want om iets zeker en vast te maken dat niet wijs en volmaakt was, zou Hem zeker onwaardig geweest zijn.
Men zal inzien dat de vraag was of Paulus zijn plannen lichtvaardig veranderd had. Hij zegt dat dat niet zo was. Maar dan gaat hij over van de gedachte aan dat wat hem persoonlijk betrof tot een ander onderwerp. Hij gaat spreken over dat wat zijn gedachten helemaal in beslag nam, namelijk Christus. Want te leven was voor hem werkelijk Christus. Maar er was een moeilijkheid op te lossen, als het ging om de vraag van de onveranderlijkheid van Gods beloften. Die is dat wij niet in een toestand zijn om nut te hebben van dat wat onveranderlijk is, vanwege onze zwakheid en veranderlijkheid. De apostel lost deze moeilijkheid op door de machtige werkingen van God in genade uiteen te zetten.
Er zijn dus twee punten: het vastleggen van al de beloften in Christus, en het genot door ons van het resultaat van deze beloften. De kwestie is niet alleen iets te beloven, zoals we zagen, maar om niet van voornemen te veranderen en niet af te wijken van wat gezegd is, zodat men zijn woord houdt. Nu waren er beloften geweest. God had beloften gedaan, hetzij onvoorwaardelijk aan Abraham of op voorwaarde van gehoorzaamheid aan Israël bij de Sinaï. Maar in Christus was er, niet beloften, maar het amen op Gods beloften, de waarheid en de verwerkelijking ervan. Welke beloften er ook geweest waren van de kant van God, in Hem was het ja en in Hem het amen. God had de vervulling van al Zijn beloften vastgelegd – gedeponeerd om zo te zeggen – in de Persoon van Christus. Leven, heerlijkheid, gerechtigheid, vergeving, de gave van de Geest – het is alles in Hem. In Hem is alles waarachtig, in Hem is het ja en amen. We bezitten van geen enkele belofte het resultaat buiten Hem. Maar dit is niet alles: Wij, gelovigen, zijn de voorwerpen van deze raadsbesluiten van God. Ze zijn tot heerlijkheid van God door ons.
Maar in de eerste plaats is de heerlijkheid van God de heerlijkheid van Hem die altijd Zichzelf verheerlijkt door Zijn wegen van soevereine genade tegenover ons. Want in deze wegen openbaart Hij en spreidt Hij ten toon Wie Hij is. Het ja en het amen dus van de beloften van God, de vervulling en de verwerkelijking van de beloften van God, tot Zijn heerlijkheid door ons, zijn in Christus.
Maar hoe kunnen we daarin delen, als het alles Christus is en in Christus? Hier stelt de Heilige Geest het tweede deel voor van Gods wegen van genade. Wij zijn namelijk in Christus en dat we in Hem zijn is niet in overeenstemming met de onbestendigheid van de wil van de mens en de zwakheid die hem kenmerkt in zijn vergankelijke en veranderlijke werken. Want God Zelf heeft ons hecht bevestigd in Christus. De vervulling van al de beloften is in Hem. Onder de wet en onder voorwaarden waarvan de vervulling afhing van de standvastigheid van de mens, werd het resultaat van de belofte nooit bereikt. Wat beloofd werd lag buiten het bereik van de mens, omdat de mens in een toestand moest zijn waarin hij dat kon verwerven door gerechtigheid, maar hij was niet in die toestand. De vervulling van de belofte werd dus altijd uitgesteld. Het resultaat van de belofte zou komen als – maar het “als” werd niet vervuld. Daarom kon het ja en amen niet komen. Maar alles wat God heeft beloofd is in Christus. Het tweede deel is het “door ons”, en in hoeverre we het genieten. We zijn hecht bevestigd door God in Christus, in Wie al de beloften worden waargemaakt, zodat we in Hem het zekere bezit hebben van alles wat ons is beloofd. Maar we genieten dat niet als iets waarvan het bestaan in onze eigen handen ligt.
Maar verder heeft God Zelf ons gezalfd. We hebben door Jezus de Heilige Geest ontvangen. God heeft ervoor gezorgd dat we door de Geest zouden begrijpen wat ons om niet in Christus gegeven is. Maar de Geest is ons ook gegeven, volgens de raadsbesluiten van God, voor andere dingen dan alleen het inzicht in Zijn gaven in Christus. Wie de Geest heeft ontvangen is verzegeld. God heeft Zijn zegel op hem gedrukt, evenals Hij Zijn zegel hechtte aan Christus toen Hij Hem zalfde na Zijn doop door Johannes. Bovendien wordt de Geest het onderpand in onze eigen harten van de dingen die we straks volkomen zullen bezitten in Christus. Dus we begrijpen de dingen die ons in de heerlijkheid zijn gegeven; we zijn gekenmerkt door het zegel van God om ze te genieten; en we hebben het onderpand ervan in onze harten – onze gevoelens worden erdoor in beslag genomen. Bevestigd in Christus, hebben we de Heilige Geest, die ons verzegelt als we geloven, om ons zelfs hierbeneden al het genot te geven van wat in Christus is.
Hoofdstuk 2
Nadat hij opnieuw heeft gesproken over de zorg die het bewijs was van zijn liefde voor hen, geeft hij als zijn overtuiging te kennen dat wat hem bedroefd had ook tot droefheid van hen was geweest. En dit werd duidelijk getoond door de manier waarop ze de overtreder hadden behandeld. Hij vermaant hen nu deze arme schuldige weer te ontvangen en te troosten, omdat hij het gevaar liep volkomen overstelpt te worden door de tucht die ten opzichte van hem was uitgeoefend door het geheel van de gelovigen. En hij voegt eraan toe dat als zij hem zijn zonde vergaven, hij die dan eveneens vergaf. Hij wilde niet dat de satan enig voordeel zou behalen door dit geval, door tweedracht te zaaien tussen de apostel en de Korinthiërs. Want Paulus wist heel goed wat de bedoeling van de vijand was, voor welk doel hij gebruik maakte van deze kwestie.
Dit geeft hem de gelegenheid om te laten zien hoezeer hij hen altijd in zijn hart had. Toen hij in Troas kwam voor het evangelie en hem een grote deur geopend was, was hij toch niet in staat daar te blijven omdat hij Titus niet gevonden had. Daarom verliet hij Troas en zette zijn reis voort naar Macedonië. We zullen ons herinneren dat de apostel niet langs de westkust van de archipel reisde om via Korinthe naar Macedonië te gaan en dan langs dezelfde route terug te reizen. In plaats daarvan had hij Titus gestuurd met zijn eerste brief en was hij via Klein Azië gegaan, of langs de oostkust van de zee, waardoor hij in Troas kwam waar Titus hem zou ontmoeten. Maar omdat hij hem niet vond in Troas en ongerust was over de Korinthiërs, kon hij niet tevreden zijn met het feit dat er een werk in Troas te doen was, maar reisde hij verder om Titus te ontmoeten en ging naar Macedonië. Daar vond hij hem, zoals we straks zullen zien.
Maar deze gedachte dat hij Troas had verlaten was eigenlijk pijnlijk voor hem. Want het is in feite een ernstige zaak, die pijnlijk is voor het hart, als men een kans moet missen om Christus te prediken. En dit is nog meer het geval als de mensen bereid zijn Hem aan te nemen, of in elk geval van Hem te horen. Daarom was zijn vertrek uit Troas werkelijk een bewijs van zijn liefde voor de Korinthiërs. En de apostel noemt deze bijzonderheid hier als een krachtig getuigenis van die liefde. Maar nu hij dit evangelisatiewerk gemist heeft, troost hij zich met de gedachte dat God hem uiteindelijk altijd in triomf omvoert (niet “doet triomferen”). Het evangelie dat hij met zich omdroeg, het getuigenis van Christus, was als de reuk die veroorzaakt werd door het verbranden van welriekende kruiden in triomftochten. Dit was een teken van de dood voor sommige gevangenen, maar een teken van het leven voor anderen. En deze reuk van het evangelie was zuiver in zijn handen. De apostel was niet zoals sommigen die de wijn vervalsten die ze leverden. Hij werkte in gelovige oprechtheid voor Gods aangezicht.
Hoofdstuk 3
Deze woorden geven aanleiding tot een uiteenzetting van het evangelie in tegenstelling tot de wet, die de valse leraars vermengden met het evangelie. Hij geeft deze uiteenzetting met een bijzonder treffend beroep op het hart van de Korinthiërs, die door middel van hem tot bekering waren gekomen. Begon hij over zijn dienst te spreken om zichzelf opnieuw aan te bevelen, of had hij zoals anderen aanbevelingsbrieven aan hen of van hen nodig? Zij waren zijn aanbevelingsbrief, het treffende bewijs van de kracht van zijn dienst, een bewijs dat hij altijd in zijn hart droeg en dat hij bij elke gelegenheid klaar had om te tonen. Hij kan dit nu zeggen omdat hij blij is over hun gehoorzaamheid. En waarom dienden ze als een brief ten gunste van hem? Omdat ze in hun geloof de levende uitdrukking waren van zijn leer. Ze waren een aanbevelingsbrief van Christus, die door middel van zijn dienst op de vlezen tafelen van het hart geschreven was door de kracht van de Heilige Geest, zoals de wet op stenen tafelen was gegraveerd door God Zelf.
Dit was het vertrouwen dat Paulus had met betrekking tot zijn bediening. Zijn bekwaamheid was uit God, voor de bediening van het nieuwe verbond, niet van de letter – zelfs niet de letter van dit verbond evenmin als de letter van iets anders – maar van de Geest, de ware kracht van de bedoeling van God zoals de Geest die gaf. Want de letter doodt, als een regel opgelegd aan de mens. Maar de Geest maakt levend, als de kracht van God in genade – de bedoeling van God werd meegedeeld aan het hart van de mens door de kracht van God, die ze hem meedeelde opdat hij ze zou genieten. Maar nu deed het onderwerp van deze bediening het verschil hiertussen en de bediening van de wet nog sterker uitkomen. Het geven van de wet, die op stenen gegraveerd was, ging gepaard met heerlijkheid, hoewel de wet een zaak was die verdwijnen moest als een middel voor de verhouding tussen God en mensen. Het was een bediening van de dood, want ze zouden alleen leven als ze de wet hielden. Het kon ook niet anders bepaald worden dan op dit principe. Een wet moest gehouden worden. Maar omdat de mens van nature al een zondaar was en een zondige wil had, verlangens die de wet verbood, kon die wet alleen maar de dood voor hem betekenen – het was een bediening van de dood. Het was ook een bediening van de veroordeling, omdat het gezag van God erbij kwam dat de wet de sanctie gaf van de veroordeling van elke ziel die de wet zou breken. Het was een bediening van dood en van veroordeling omdat de mens een zondaar was.
En merk hier op dat de vermenging van wet en genade niets afdoet van het resultaat ervan. Alleen wordt de straf nog zwaarder als gevolg van de grotere schuld van hem die de wet overtrad, omdat hij ze ondanks de goedheid en de genade toch overtrad. Want de wet bleef onveranderd en de mens was verplicht om te voldoen aan de verantwoordelijkheid waaronder de wet hem plaatste. “Wie tegen Mij zondigt”, zei Jahweh tegen Mozes, “zal Ik uit Mijn boek schrappen”. Het beeld dat de apostel gebruikt bewijst dat hij spreekt over de tweede afdaling van Mozes van de berg Sinaï, toen hij de Naam van Jahweh had horen uitroepen in Zijn barmhartigheid en genade. Het gezicht van Mozes straalde niet toen hij de eerste keer afdaalde. Toen verbrak hij de tafels voor hij de legerplaats binnenging. Maar de tweede keer liet God al Zijn goedheid aan hem voorbijgaan en toen weerspiegelde het gezicht van Mozes de heerlijkheid die hij gezien had, hoe gedeeltelijk dat misschien ook was. Maar Israël kon deze weerspiegeling niet verdragen. Want hoe kan men die verdragen als ze ten slotte toch de geheimen van het hart moet oordelen? Want hoewel God genade had bewezen op grond van Mozes voorbede en het volk had gespaard, bleef de eis van de wet toch van kracht en moest ieder de gevolgen van zijn eigen ongehoorzaamheid ondergaan. Zo vormde het karakter van de wet een verhindering voor Israël om zelfs de heerlijkheid die er in de inzettingen was te begrijpen. Ze zagen niet dat ze een beeld waren van dingen die beter en blijvend waren en het hele systeem dat door de hand van Mozes verordend werd was bedekt voor hun ogen. Zo kwam het volk onder de letter, zelfs in dat deel van de wet dat een getuigenis was van dingen die later gesproken zouden worden. Het was in overeenstemming met Gods wijsheid dat het zo zou gaan. Want op die manier is al de uitwerking van de wet, zoals die uitgeoefend wordt op het hart en het geweten van de mens, volledig tentoongespreid.
Er zijn veel christenen die een wet maken van Christus Zelf. Als ze aan Zijn liefde denken als een nieuw motief waardoor ze verplicht zijn Hem lief te hebben, zien ze die alleen als een verplichting, als een heel grote verzwaring van de plicht die op hen rust. En ze voelen zich genoodzaakt aan deze verplichting te voldoen. Maar dat houdt in dat ze nog onder de wet zijn en dus onder het oordeel.
Maar de dienst die de apostel vervulde was niet zo. Zijn dienst was de bediening van de gerechtigheid en van de Geest, niet om gerechtigheid te eisen om voor God te bestaan, maar om die te openbaren. Christus was deze gerechtigheid en Hij was die van Godswege geworden voor ons; en wij zijn gerechtigheid van God geworden in Hem. Het evangelie verkondigde gerechtigheid van Godswege, in plaats van die van de mens te eisen volgens de wet. Nu kon de Heilige Geest het zegel van die gerechtigheid zijn. Hij kon neerdalen op de Mens Christus, omdat Hij volkomen welgevallig was voor God. Christus was rechtvaardig, de Rechtvaardige. Maar op ons daalde Hij neer, omdat wij gerechtigheid van God geworden zijn in Christus. Daarom was het de bediening van de Geest, Zijn kracht werkte daarin. Hij werd gegeven als dat wat deze bediening verkondigde door het geloof werd aangenomen. En met de Geest ontvingen ze ook inzicht in de gedachten en de plannen van God, zoals die geopenbaard werden in de Persoon van een verheerlijkte Christus, in Wie de gerechtigheid van God geopenbaard was en voor eeuwig bestond voor Zijn aangezicht.
Zo verbindt de apostel in een en dezelfde gedachte de volgende dingen met elkaar: De bedoeling van God in het Woord volgens de Geest; de heerlijkheid van Christus die erin verborgen was onder de letter; en de Heilige Geest Zelf, die de betekenis van het Woord meedeelde, die heerlijkheid openbaarde en de gelovige in staat stelde ervan te genieten door in hem te wonen en te werken. Op die manier was er vrijheid, daar waar de Geest was. Ze waren niet langer onder het juk van de wet, van de vrees voor de dood en van de veroordeling. Ze waren in Christus voor God, in vrede voor Zijn aangezicht, in overeenstemming met volmaakte liefde en met die goedertierenheid die beter is dan het leven, evenals die straalde op Christus, zonder een bedekking, in overeenstemming met de genade die heerst door gerechtigheid.
Als er staat: “De Heer nu is die geest”, wordt er gezinspeeld op vers 6. De verzen 7-16 vormen een tussenzin. De verheerlijkte Christus is de echte gedachte van de Geest die God vroeger verborgen had onder beelden. En dit is het praktische resultaat: Ze aanschouwen de Heer met onbedekt aangezicht, ze konden dat doen. De heerlijkheid van het gezicht van Mozes oordeelde de gedachten en de overleggingen van het hart en veroorzaakte vrees door de ongehoorzame en de zondaar te dreigen met dood en veroordeling. Wie kon bestaan in de tegenwoordigheid van God? Maar de heerlijkheid van het aangezicht van Jezus, een Mens daarboven, is het bewijs dat al de zonden van hen die het aanschouwen zijn uitgewist. Want Hij die daar is droeg ze allemaal voordat Hij opvoer, en het was nodig dat Hij ze allemaal wegdeed om in die heerlijkheid binnen te gaan. We aanschouwen die heerlijkheid door de Geest, die ons gegeven is op grond van het feit dat Christus daarin is ingegaan. Hij zei niet zoals Mozes: “Nu zal ik naar de HEERE opklimmen. Misschien zal ik verzoening kunnen bewerken”. Maar Hij deed verzoening en klom op. Daarom aanschouwen we die heerlijkheid met blijdschap, we houden ervan die te zien. Elke straal die we ervan zien is het bewijs dat onze zonden er niet meer zijn in Gods ogen. Christus is voor ons tot zonde gemaakt en nu is Hij in de heerlijkheid. En als we de heerlijkheid zo met liefde en inzicht zien en er onze vreugde in vinden, worden we nu naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid. Namelijk als door de kracht van de Heilige Geest, die ons in staat stelt deze dingen te verwerkelijken en te genieten; en hierin ligt onze groei als gelovigen. Zo wordt de gemeente ook de brief van Christus.
De zinspeling die tegelijk ook gemaakt wordt op de joden aan het eind van de tussenzin, waarin de apostel een vergelijking trekt tussen de twee systemen, is bijzonder treffend. De bedekking, zegt hij, wordt weggenomen in Christus. Niets is nu bedekt. De heerlijke werkelijkheid is vervuld. De bedekking is op het hart van de joden, als ze het Oude Testament lezen. Nu deed Mozes elke keer zijn bedekking af als hij de tabernakel binnenging om tot God te spreken of naar Hem te luisteren. Zo, zegt de apostel, zal de bedekking worden weggenomen, als Israël zal terugkeren tot de Heer.
Er is nog één andere opmerking die gemaakt moet worden. Dat “wat blijft” (zie vers 11), is het onderwerp dat het evangelie behandelt, niet de bediening die het aankondigt – de heerlijkheid van de Persoon van Jezus Christus, de werkelijkheid van dat wat de joodse inzettingen alleen maar in type voorstelden.
Hoofdstuk 4
De apostel komt nu terug op het onderwerp van zijn dienst in verbinding met zijn lijden. Hierbij toont hij dat deze leer van een Christus die de dood heeft overwonnen ons ook overwinnaars maakt – als we deze leer werkelijk met ons hart aannemen – van alle vrees voor de dood en van al het lijden dat verbonden is met het aarden vat waarin deze schat gedragen wordt.
Nu hij deze bediening van de gerechtigheid en van de Geest ontvangen had, die gegrond was op het aanschouwen van de verheerlijkte Christus met onbedekt aangezicht, gebruikte hij niet alleen grote vrijmoedigheid in zijn spreken, maar werd zijn ijver ook niet minder en zijn geloof niet zwakker door moeilijkheden. Bovendien hield hij, met de moed die hem door genade gegeven was door deze leer, niets achter en verzwakte niets van deze heerlijkheid. Hij vervalste de leer niet, hij openbaarde ze in alle zuiverheid en helderheid waarmee hij ze had ontvangen. Het was het woord van God; zoals hij het ontvangen had, ontvingen zij het van hem als het ongewijzigde woord van God. Zo beval de apostel zichzelf aan het geweten van alle mensen aan voor het aangezicht van God. Allen konden dat niet zeggen. De heerlijkheid van de Heer Jezus werd door de prediking van Paulus bekendgemaakt met al de duidelijkheid en helderheid waarmee ze aan hemzelf was geopenbaard. Als de blijde boodschap die hij verkondigde dus verborgen was, bedekt was, dan was dit niet zo als in het geval van Mozes. Niet alleen werd de heerlijkheid van de Heer volledig geopenbaard met onbedekt aangezicht door Christus, maar ze werd ook zonder bedekking gemanifesteerd door de zuivere prediking van de apostel. Dit is de band die gelegd is tussen de heerlijkheid die in de Persoon van Christus tot stand is gebracht als gevolg van het verlossingswerk, en de dienst die deze heerlijkheid aan de wereld bekendmaakte door de kracht van de Heilige Geest die werkte in het instrument dat de Heer had uitgekozen. Hierdoor werden de mensen verantwoordelijk gesteld om de waarheid aan te nemen en zich te onderwerpen aan deze verheerlijkte Christus, die Zichzelf in genade van de hemel openbaarde en bekendmaakte dat Hij gerechtigheid had aangebracht voor de zondaar. Zo nodigde Hij hem uit te komen en de liefde en zegen van God om niet te ontvangen en te genieten.
Nu was er geen ander middel om tot God te komen. Het brengen van een ander middel zou inhouden dat men terzijde stelde wat Christus gedaan had en wat Hij was, en dat men verklaarde dat dit onvolkomen en onvoldoende was. En het zou inhouden dat men iets bracht dat beter was dan Hij. Maar dat was onmogelijk. Want wat de apostel predikte was de manifestatie van de heerlijkheid van God in de Persoon van de Zoon, in verbinding met de openbaring van volmaakte liefde en de totstandbrenging van volmaakte en Goddelijke gerechtigheid. Zodat het reine licht het gelukkige verblijf was van hen die door dit middel daarbinnen gingen. Iets meer kon er niet zijn, tenzij er iets meer was dan God in de volheid van Zijn genade en van Zijn volmaaktheid. Als deze openbaring dus bedekt was, was dat in het geval van hen die verloren gingen. Hun gedachten waren verblind door de god van deze eeuw, opdat het licht van de blijde boodschap van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is, niet in hun harten zou schijnen.
Dit wordt genoemd: “Het evangelie van de heerlijkheid”. Maar we hebben gezien dat het feit dat Christus in de heerlijkheid is en dat de heerlijkheid van God in Zijn aangezicht gezien wordt, het speciale onderwerp van het vorige hoofdstuk is. Daarop zinspeelt de apostel hier als wat kenmerkend was voor het evangelie dat hij predikte. Dit feit was het bewijs dat de zonde die Christus gedragen had volkomen was weggedaan, dat de dood was overwonnen en dat de mens gebracht was in de tegenwoordigheid van God in heerlijkheid volgens Gods eeuwige raadsbesluiten van liefde. Bovendien was het de volle openbaring van de Goddelijke heerlijkheid in de mens volgens Gods genade, die de Heilige Geest neemt en toont aan ons om ons te vormen naar dezelfde gelijkenis. Zo was dit evangelie van de heerlijkheid de heerlijke bediening van de gerechtigheid en van de Geest, die de vrije toegang opende voor de mens tot God, zelfs tot in het heilige der heiligen, in volmaakte vrijheid.
Als Christus zo verkondigd werd was er óf de blijde aanvaarding van het goede nieuws en onderwerping van het hart aan het evangelie, óf anders de verblinding door satan. Want Paulus predikte niet zichzelf (wat anderen niet ophielden te doen), maar Christus Jezus als Heer, en zichzelf als hun slaaf om Jezus’ wil. Want in feite – en dit is een ander belangrijk beginsel – is de lichtglans van dit evangelie van de heerlijkheid van Christus het werk van Gods macht. En wel van dezelfde God die alleen door Zijn woord plotseling het licht liet schijnen uit het midden van de duisternis.
Hij had in het hart van de apostel geschenen om het licht tevoorschijn te brengen van de kennis van Zijn eigen heerlijkheid in het aangezicht van Jezus Christus. Het licht van het evangelie straalde naar buiten door een Goddelijke werking, die overeenkwam met de werking die in het begin door een enkel woord het licht had doen schijnen uit de duisternis. Het hart van de apostel was het vat, de lamp, waarin dit licht was aangestoken om te midden van de wereld te schijnen voor de ogen van de mensen. Het was de openbaring van de heerlijkheid die scheen in de Persoon van Christus door de kracht van de Geest van God in het hart van de apostel, opdat deze heerlijkheid in het evangelie zou uitstralen voor de wereld. Het was de kracht van God die daarin werkte, op dezelfde manier als toen het licht tevoorschijn werd gebracht door het woord: “Laat er licht zijn! En er was licht”.
Maar de schat van deze openbaring van de heerlijkheid werd in bewaring gegeven in aarden vaten, opdat de kracht die erin werkte alleen van God zou zijn en niet van de instrumenten. In alles werd de zwakheid van het instrument zichtbaar door de moeilijke omstandigheden waardoor God het getuigenis liet gaan, juist met dit doel (onder andere). Maar doordat het vat zijn zwakheid toonde in de moeilijkheden die op zijn weg kwamen, werd niettemin de kracht van God des te duidelijker in hem openbaar. Het getuigenis werd afgelegd, het werk werd gedaan, het resultaat werd getoond, zelfs al bezweek de mens en bleek hij zelf hulpeloos te zijn tegenover de tegenstand die werd opgewekt tegen de waarheid.
Bezwaard door de verdrukking, dat was het deel van het vat; maar niet benauwd, want God was met het vat. Zonder middel tot ontkoming, dat was het vat; maar toch niet zonder uitweg, want God was met hem. Vervolgd, dat was het vat; maar niet verlaten, want God was met hem. Neergeworpen, dat was het vat; maar niet vernietigd, want God was met hem. Altijd droeg het vat het sterven, of beter: “de doding”, van de Heer Jezus in zijn lichaam om. Het werd aan Hem gelijk gemaakt, doordat de mens als zodanig tenietgedaan werd. Maar het doel hiervan was dat het leven van Jezus, dat niet aangetast kon worden door de dood en dat de dood heeft overwonnen, zou worden geopenbaard in zijn lichaam, ook al was dat sterfelijk. Hoe meer de natuurlijke mens tenietgedaan werd, des te duidelijker bleek dat daar een kracht was die niet van de mens was. Dit was het principe, maar het werd moreel verwerkelijkt in het hart door het geloof. Als dienstknecht van de Heer verwerkelijkt Paulus in zijn hart de dood van alles dat menselijk leven was, opdat de kracht zuiver Gods kracht zou zijn door de opgestane Jezus.
Maar bovendien liet God hem deze dingen verwerkelijken door de omstandigheden waardoor hij moest heengaan. Want als levend in deze wereld, werd hij altijd overgegeven aan de dood om Jezus’ wil, opdat het leven van Jezus geopenbaard zou worden in zijn sterfelijk vlees. Zo werkte de dood in de apostel. Wat alleen van de mens was, van de natuur en het natuurlijke leven, verdween. Opdat het leven in Christus, dat zich in hem openbaarde van Godswege en door Zijn kracht, door middel van hem zou werken in de Korinthiërs. Wat een dienst! Wat een zware beproeving voor het menselijk hart, maar wat een heerlijke roeping voor een mens, om zo aan Christus gelijkvormig gemaakt te worden en zo het vat te zijn van de kracht van Zijn leven alleen! En dat door middel van een volkomen zelfverloochening, een verloochening van het leven zelf, om moreel gelijk te zijn aan Jezus. Wat een positie door genade! Wat een gelijkvormigheid aan Christus. En toch gebeurde dit op een manier waardoor het van hart tot hart was. Het ging via het menselijk hart om het menselijk hart te bereiken (wat inderdaad behoort tot het wezen van het christendom zelf). Zeker niet door menselijke kracht, maar door Gods kracht die volbracht werd in menselijke zwakheid.
Daarom kon de apostel de taal gebruiken van de Geest van Christus in de Psalmen: “Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken”. Dat wil zeggen: “Ten koste van alles, ondanks alles, alle gevaren, alle tegenstand, heb ik namens God gesproken en mijn getuigenis afgelegd. Ik heb voldoende vertrouwen in God gehad om van Hem en van Zijn waarheid te getuigen, wat de gevolgen ook zouden zijn, zelfs al was ik daardoor gestorven”. Dat betekent dus dat de apostel zei: “Ik heb gedaan zoals Christus Zelf deed, omdat ik weet dat Hij die Jezus opwekte hetzelfde zou doen voor mij en me, samen met u, zou stellen voor Zijn aangezicht in dezelfde heerlijkheid waarin Christus nu in de hemel is, en voor mijn getuigenis waarvan ik evenals Hij de dood heb ondergaan”. We moeten hier wel duidelijk onderscheid maken tussen het lijden van Christus voor de gerechtigheid en voor Zijn liefdewerk, en Zijn lijden voor de zonde. We hebben het voorrecht in het eerste lijden met Hem te mogen delen, maar in het laatste staat Hij alleen.
De apostel zei: “Hij zal ons met u voor Zich stellen”. “Want”, zoals hij eraan toevoegt in overeenstemming met het hart en de gedachten van Christus ten opzichte van de Zijnen, “alles is ter wille van u, opdat de genade, toegenomen door de velen, de dankzegging overvloedig doet zijn tot de heerlijkheid van God”.
En daarom liet hij zich niet ontmoedigen. Maar integendeel, ook al kwam de uiterlijke mens om, de innerlijke mens werd van dag tot dag vernieuwd. Want de lichte verdrukking, die maar voor een ogenblik was (want zo dacht hij erover in het licht van de heerlijkheid – het was maar de kortstondige verdrukking van dit arme stervende lichaam), bewerkte voor hem een eeuwig gewicht van heerlijkheid die elke uitdrukking van de meest verheven menselijke gedachte of taal overtrof. En deze vernieuwing vond plaats en hij werd niet ontmoedigd wat er ook mocht gebeuren, omdat hij niet zag op de dingen die men ziet en die tijdelijk zijn, maar op de dingen die men niet ziet en die eeuwig zijn. Zo werd de kracht van het Goddelijke leven, met al zijn gevolgen, in zijn ziel geopenbaard door het geloof. Hij wist het resultaat van alles van Godswege.
Hoofdstuk 5
Het was niet alleen zo dat er onzichtbare en heerlijke dingen waren. Maar christenen hadden deel daaraan. Wij weten, zegt de apostel namens hen, dat als dit aardse huis (dat van voorbijgaande aard is) afgebroken zou worden – en het scheelde maar heel weinig of dat was het geval geweest met hemzelf – wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, eeuwig in de hemelen. Kostbare zekerheid! Hij wist het. Christenen weten het als een deel van hun geloof. Wij weten 2. Dit was een zekerheid die maakte dat deze heerlijkheid, waarvan hij wist dat hij ze bezat, een werkelijke en praktische hoop in zijn hart was door de kracht van de Heilige Geest – een huidige realiteit door het geloof. Hij zag deze heerlijkheid als het deel dat hem toebehoorde, waarmee hij bekleed zou moeten worden. En daarom zuchtte hij ook in zijn tabernakel, niet (zoals zovelen) omdat de wensen van zijn vlees niet vervuld konden worden en omdat het menselijk hart geen voldoening kan vinden, zelfs al worden die wensen vervuld. Evenmin zuchtte hij omdat hij er niet zeker van was of God hem aannam of dat de heerlijkheid zijn deel was of niet. Maar hij zuchtte omdat het lichaam een hindernis was, die ertoe leidde dat het Goddelijk leven werd onderdrukt en dat het volle genot hem ontnomen werd van die heerlijkheid die het nieuwe leven zag en wenste, en die Paulus zag en bewonderde als zijn eigen deel. Het was een last, deze aardse menselijke natuur. Het was geen verdriet voor hem dat hij niet kon voldoen aan de wensen daarvan. Zijn droefheid was te merken dat hij nog in deze sterfelijke natuur was, omdat hij iets beters zag.
Maar het was niet zo dat hij wenste ontkleed te worden. Want hij zag in de verheerlijkte Christus een levenskracht die machtig was om elk spoor van sterfelijkheid te verslinden en uit te wissen. Want het feit dat Christus boven in de heerlijkheid was, was het resultaat van deze kracht en tegelijk ook de openbaring van het hemelse deel dat toebehoorde aan hen die de Zijnen waren. Daarom wenste de apostel niet ontkleed, maar overkleed te worden, opdat het sterfelijke in hem zou worden verslonden door het leven. Dan zou de sterfelijkheid die deze aardse, menselijke natuur kenmerkte verdwijnen voor de kracht van het leven dat hij zag in Jezus en dat zijn leven was. Die kracht was van die aard dat het niet nodig was te sterven. En dit was geen hoop die geen ander fundament had dan wat tot stand kon komen door het verlangen dat gewekt was door het zien van de heerlijkheid. Maar God had de gelovigen juist voor deze zaak bereid. Wie een christen was, was hiertoe bereid en niet voor iets anders. God Zelf had hem hiertoe bereid, tot deze heerlijkheid waarin Christus, de laatste Adam, aan de rechterhand van God was. Kostbare zekerheid! Blij vertrouwen op de genade en het machtige werk van God! Wat een onuitsprekelijke vreugde is het alles aan God Zelf te kunnen toeschrijven, zo van Zijn liefde verzekerd te zijn en Hem te verheerlijken als de God van liefde, als onze Weldoener. Wat een blijdschap te weten dat het Zijn werk was, en te rusten op een volbracht werk – het werk van God. Hier is het niet het rusten op een werk dat voor ons gedaan is, maar de heerlijke zekerheid dat God ons hiertoe bereid heeft. Wij zijn Zijn maaksel.
Toch was er nog iets anders nodig opdat wij het genot hiervan zouden hebben, omdat we in feite nog niet verheerlijkt zijn. En God heeft dat ook gegeven: het onderpand van de Geest. We hebben dus de heerlijkheid voor ogen, we zijn ertoe bereid door God Zelf en we hebben het onderpand van de Geest tot we daar zijn. En we weten dat Christus de dood zo volkomen heeft overwonnen, dat we – als de tijd zou zijn gekomen – veranderd zouden worden in heerlijkheid, zonder nog te sterven. Het sterfelijke zou worden verslonden door het leven. Dit is ons deel door genade in de laatste Adam, door de kracht van het leven waarin Christus werd opgewekt.
Maar dan gaat de apostel het resultaat behandelen met betrekking tot het natuurlijke deel van de eerste gevallen mens: de dood en het oordeel. Want het getuigenis is hier erg volledig.
Wat is dan het gevolg van het bezit van het leven in Christus ten opzichte van de dood en het oordeel, de twee natuurlijke voorwerpen van vrees voor de mens als vrucht van de zonde? Ook al is ons lichaam nog niet veranderd en is het sterfelijke nog niet verslonden, toch zijn we vol goede moed. Want God heeft ons bereid voor de heerlijkheid en Christus, die de overwinningskracht geopenbaard heeft die de weg naar de hemel voor Hem opende, is ons leven. Daarom blijft dit leven onaangetast, al zouden we deze tabernakel verlaten en uit het lichaam uitwonen voordat we overkleed worden met de heerlijkheid. Het heeft in Jezus al getriomfeerd over al deze gevolgen van de macht van de dood. We zouden bij de Heer wonen. Want we wandelen door geloof, niet door het zien van deze voortreffelijke dingen. Daarom willen we liever uit het lichaam uitwonen en bij de Heer inwonen. Om die reden beijveren we ons Hem welbehaaglijk te zijn, hetzij we uitwonend uit dit lichaam gevonden worden, of inwonend in dit lichaam, als Christus zal komen om ons tot Zich te nemen en ons Zijn heerlijkheid te laten delen.
En dat brengt de apostel tot het tweede punt: het oordeel. Want wij moeten allen geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder mag ontvangen volgens wat hij zal hebben gedaan in het lichaam, hetzij goed of kwaad. Hoe ernstig deze gedachte ook mag zijn, het is uiteindelijk een blijde en kostbare zaak. Want als we de genade werkelijk hebben leren kennen, als we staan in de genade, als we weten dat God volkomen liefde en volkomen licht voor ons is, dan zullen we graag in het volle licht zijn. Het is een heerlijke verlossing in het licht te zijn. Het is een last, een hindernis om iets verborgen te houden. En hoewel we veel zonde in ons hebben gehad die niemand kent (misschien zelfs zonde die we hebben bedreven en waarvan niemand nut zou hebben ze te kennen), is het een troost – als we de volmaakte liefde van God kennen – dat alles in het volle licht komt omdat Hij daar is. Dit is zo door het geloof en voor het geloof, als er maar gevestigde vrede is. Wij zijn voor God zoals Hij is, en zoals wij zijn – niets dan zonde in onszelf helaas!, behalve voor zover Hij in ons gewerkt heeft door ons levend te maken. En Hij is enkel liefde in dit licht waarin we gebracht zijn. Want God is licht en Hij openbaart Zichzelf. Zonder de kennis van de genade vrezen we het licht, dat kan ook niet anders. Maar als we de genade kennen, als we weten dat de zonde is weggedaan wat betreft de heerlijkheid van God en dat de overtreding niet langer voor Zijn ogen is, dan zijn we graag in het licht. Dan is het een vreugde voor ons, juist dat wat het hart nodig heeft en waarbuiten het geen voldoening kan vinden, als daar het leven van de nieuwe mens is. De natuur van dat leven is het licht lief te hebben, de reinheid lief te hebben in al die volmaaktheid die het kwaad van de duisternis niet toelaat en die alles buitensluit wat niet van haarzelf is. Nu, zo in het licht te zijn is hetzelfde als geopenbaard te worden. Want het licht maakt alles openbaar.
We zijn in het licht door het geloof als het geweten in de tegenwoordigheid van God is. We zullen in overeenstemming zijn met de volmaaktheid van dat licht als we verschijnen voor de rechterstoel van Christus. Ik heb gezegd dat dit een ernstige zaak is. En dat is ook zo, want alles wordt geoordeeld volgens dat licht. Maar dat is juist waar het hart van houdt, omdat we – dankzij onze God! – licht zijn in Christus.
Maar er is meer dan dit. Als de gelovige zo geopenbaard wordt is hij al verheerlijkt en volkomen gelijk aan Christus. Er zijn dan geen overblijfselen van de boze natuur waarin hij zondigde. En hij kan nu terugzien op heel de weg waarop God hem in genade leidde, hielp, oprichtte, voor struikelen bewaarde, Zijn oog niet afwendde van de rechtvaardige. Hij kent nu zoals hij gekend is. Wat een opsomming van genade en barmhartigheid! Als ik nu terugzie drukken mijn zonden niet meer op mijn geweten, hoewel ik er een afschuw van heb. Maar ze zijn achter Gods rug geworpen. Ik ben gerechtigheid van God in Christus. Maar hoe ben ik me bewust van Zijn liefde en geduld, Zijn goedheid en genade! Hoeveel te meer zal dat dan in volmaaktheid het geval zijn, als ik alles overzie! Het is ongetwijfeld een groot voordeel met betrekking tot licht en liefde, dat we rekenschap zullen geven voor onszelf aan God. En er blijft geen spoor van het kwaad in ons over. We zijn zoals Christus. Als iemand bang is om alles zo voor God bloot te leggen, dan geloof ik niet dat hij in zijn ziel vrij is wat betreft gerechtigheid. Hij ziet niet dat hij gerechtigheid van God is in Christus, hij is niet volkomen in het licht. En we hoeven niet voor iets geoordeeld te worden, want Christus heeft het allemaal weggedaan.
Maar er ligt nog een gedachte in deze verzen, namelijk die van vergelding. De apostel spreekt hier niet van het oordeel over personen, omdat de gelovigen erbij inbegrepen zijn en Christus in hun plaats heeft gestaan voor alles wat betrekking heeft op het oordeel over hun persoon. Want “er is geen veroordeling voor hen die in Christus zijn”. Zij komen niet in het oordeel. Maar ze zullen geopenbaard worden voor Zijn rechterstoel en ontvangen wat ze in het lichaam gedaan hebben. Het goede geeft nergens recht op. Het goede wat ze gedaan hebben, hebben ze ontvangen; de genade heeft het in hen gewerkt. Toch zullen ze de beloning ervoor ontvangen. Wat ze gedaan hebben wordt beschouwd als hun eigen daad. Ze zullen de gevolgen dragen als de vruchten die de Geest had willen werken niet zijn voortgebracht, doordat ze de genade veronachtzaamd hebben en het getuigenis van de Geest in hen. Het is niet zo dat God hen zal hebben verlaten in dit geval. Het is niet zo dat de Heilige Geest niet in hen zal werken met betrekking tot de toestand waarin ze zich bevinden. Maar het zal in hun geweten zijn dat Hij werkt, door het vlees te oordelen dat verhinderd heeft dat ze de normale vruchten droegen van Zijn tegenwoordigheid en werkzaamheid in de nieuwe mens; zodat de Heilige Geest alles zal hebben gedaan wat nodig is met betrekking tot de toestand van hun hart, en de volle raad van God volbracht zal zijn met betrekking tot hun persoon en Zijn geduld, Zijn wijsheid, Zijn regeringswegen en de zorg die Hij in Zijn grote neerbuigende liefde aan ieder persoonlijk besteedt, geopenbaard zullen zijn. Iedereen zal zijn plaats hebben zoals die voor hem bereid was door de Vader. Maar de normale vrucht van de tegenwoordigheid en de werkzaamheid van de Heilige Geest in een ziel die een zekere mate van licht heeft (of had moeten hebben volgens de voorrechten die ze genoten heeft), zal niet zijn voortgebracht. Er zal worden gezien wat dit verhinderde. De ziel zal in overeenstemming met het oordeel van God alles oordelen wat goed en kwaad was in zichzelf, met een ernstige eerbied voor dat wat God is en een vurige aanbidding vanwege dat wat Hij voor ons is geweest. Het volle licht zal op prijs worden gesteld. De wegen van God zullen in al hun volmaaktheid worden gekend en begrepen, door de toepassing van het volle licht op de hele loop van ons leven en van Zijn handelwijze met ons. We zullen ten volle erkennen dat Zijn liefde – volmaakt, soeverein boven alle dingen – geregeerd heeft met onuitsprekelijke genade.
Zo zal de majesteit van God worden gehandhaafd door Zijn oordeel, terwijl de volmaaktheid en de liefdevolle zorg van Zijn wegen tegelijk ook de eeuwige herinnering van onze ziel zal zijn. Het licht zal in zijn eigen volmaaktheid worden begrepen, zonder wolken of duisternis. Het licht te begrijpen betekent dat we in het licht zijn en dat we ons erin verblijden. En God Zelf is licht. Wat heerlijk om zo geopenbaard te worden! Wat een liefde die in haar volmaakte wijsheid en in haar wonderbare wegen, die alle kwaad overwinnen, in staat was om schepselen zoals wij zover te brengen dat we dit onbewolkte licht konden genieten! En dan te bedenken dat het gaat om schepselen die goed en kwaad kenden (het natuurlijke voorrecht alleen van hen van wie God kon zeggen “één Onzer”), maar die onder het juk van het kwaad waren dat ze kenden. Ons slechte geweten had ons verdreven uit de tegenwoordigheid van God, aan Wie deze kennis toebehoorde, en het getuigenis van ons geweten met betrekking tot het oordeel van God was voldoende om ons ertoe te brengen Hem te vermijden en ons ongelukkig te maken, maar het bevatte niets om ons te trekken tot Hem die alleen een redmiddel kon vinden. Wat een liefde was het dus en wat een heilige wijsheid die zulke wezens kon brengen tot de Bron van het goede, van reine vreugde, in Wie de kracht van het goede een absolute afweer vormt van het kwade dat het oordeelt!
Met betrekking tot de onrechtvaardigen geldt dat zij zich op de oordeelsdag persoonlijk zullen moeten verantwoorden voor hun zonden, terwijl hun verantwoordelijkheid volkomen op henzelf zal rusten.
Maar hoe groot de blijdschap ook is om in het volle licht te zijn (en het karakter van deze blijdschap is volkomen en goddelijk), het onderwerp wordt hier toch voorgesteld vanuit het oogpunt van het geweten. God handhaaft Zijn majesteit door het oordeel dat Hij uitoefent, zoals er geschreven staat: “Jahweh is bekend geworden (door) het oordeel dat Hij heeft uitgeoefend” (Psalm 9:17 vertaling JND). Daar is het in Zijn regering van de wereld, hier in het definitieve, eeuwige en persoonlijke oordeel. En wat mij aangaat, ik geloof dat het heel nuttig is voor de ziel om het oordeel van God voor de aandacht te hebben en hierdoor het besef van Gods onveranderlijke majesteit te bewaren in het geweten. Als we niet onder de genade waren zou dat (en moest het ook) ondraaglijk zijn. Maar de handhaving van dit besef is niet in strijd met de genade. Alleen onder de genade kan het juist echt worden gehandhaafd. Want wie zou anders de gedachte kunnen verdragen, al was het maar een ogenblik, dat hij zou ontvangen wat hij in het lichaam gedaan had? Niemand, tenzij hij volkomen blind is.
Maar het gezag, het heilige gezag van God, dat zich laat gelden door oordeel, vormt een onderdeel van onze relatie met Hem. En de handhaving van dit besef, verbonden met het volle genot van de genade, vormt een onderdeel van onze heilige geestelijke gevoelens. Het is de vreze des HEEREN. In die zin is het dat “Welzalig is een mens die voortdurend diep ontzag heeft voor de HEERE” (Spreuken 28:14). Als dit de overtuiging verzwakt dat de liefde van God volkomen, voor eeuwig, op ons rust, dan verlaten we de enige grondslag die mogelijk is voor elke denkbare relatie met God, tenzij het verderf zo genoemd zou kunnen worden. Maar in de aangename en vredige sfeer van de genade handhaaft het geweten zijn rechten en zijn gezag tegenover de listige aanvallen van het vlees door het besef van Gods oordeel, op grond van een heiligheid die niet van het karakter van God kan worden gescheiden zonder te ontkennen dat er een God is. Want als er een God is, is Hij heilig. Dit besef is een aansporing voor het hart van de gelovige die weet dat hij aangenaam gemaakt is, om zich te beijveren de Heer in elk opzicht welbehaaglijk te zijn. En in de overtuiging hoe ernstig het voor een zondaar is om voor God te verschijnen, dringt de liefde, die noodzakelijk hiermee gepaard gaat in het hart van een gelovige, hem ertoe de mensen te overreden met het oog op hun behoud, terwijl het zijn eigen geweten in het licht houdt. En wie nu in het licht wandelt en in zijn geweten dat licht weerspiegelt, zal er niet bang voor zijn op de dag waarop het in zijn heerlijkheid zal schijnen. We moeten geopenbaard worden. Maar als we wandelen in het licht in het besef van de vreze Gods en we Zijn oordeel over het kwaad verwerkelijken, zijn we nu al voor God openbaar geworden. Er is niets wat de heerlijke en zekere stroom van Zijn liefde in de weg staat. Hiermee in overeenstemming zal de wandel van zo iemand ten slotte ook rechtvaardig zijn voor het geweten van anderen. Het is openbaar geworden dat hij in het licht wandelt.
Dit zijn dus de twee grote praktische beginselen van de dienst: in het licht te wandelen in het besef van Gods ernstige oordeel voor iedereen; en als het geweten op die manier rein is in het licht zal het besef van het oordeel (dat in dit geval de ziel niet persoonlijk meer kan verontrusten of het uitzicht op de liefde van God kan ontnemen) het hart ertoe dringen om hen die door dit oordeel bedreigd worden in liefde te zoeken. Dit houdt rechtstreeks verband met de leer van Christus, de Heiland, op grond van Zijn dood aan het kruis. Want de liefde van Christus dringt ons, omdat we zien dat als Eén voor allen gestorven is, dit was omdat allen gestorven waren. Dit was de universele toestand van de mensen. De apostel zoekt hen opdat ze mogen leven voor God door Christus. Maar dit gaat verder. Eerst zagen we, met betrekking tot het deel van de gevallen mens, dat de dood winst is geworden. Als de gelovige zijn verblijf in het lichaam verlaat woont hij bij de Heer. En wat betreft het oordeel: hij erkent de ernst ervan, maar het doet hem niet beven. Hij is in Christus en zal aan Christus gelijk zijn. En Christus, voor Wie hij moet verschijnen, heeft alle zonden weggedaan waarvoor hij had moeten worden geoordeeld. Maar de gedachte aan het oordeel heeft wel een heiligende uitwerking waardoor hij in Gods tegenwoordigheid wordt gebracht om daar nu al volledig openbaar gemaakt te worden. Maar dit stimuleert ook zijn liefde voor anderen. Hij wordt hiertoe niet alleen gedreven door vrees voor het komende oordeel voor hen. Maar de liefde van Christus dringt hem – liefde geopenbaard in de dood. Maar dit bewijst meer dan alleen de zondige daden die oordeel met zich meebrengen. Christus stierf omdat allen gestorven waren. De Geest van God gaat hier tot de bron en de oorsprong van hun hele toestand, hun staat, niet alleen de vruchten van een boze natuur. Allen lagen in de dood. We vinden hetzelfde belangrijke onderwijs in Johannes 5:24: “Wie Mijn woord hoort en gelooft Hem Die Mij heeft gezonden, die heeft eeuwig leven en komt niet in [het] oordeel (dat wat betrekking heeft op zonden), maar is uit de dood overgegaan in het leven”. Hij heeft de hele staat en toestand van iemand die al verloren was verlaten en is overgegaan naar een andere, nieuwe toestand in Christus. Dit is een heel belangrijk aspect van de waarheid. En dit onderscheid, dat in Romeinen uitvoerig uiteengezet wordt, vinden we op veel plaatsen.
Het werk van het openbaar worden voor God in het licht is al realiteit, voor zover we het licht verwerkelijkt hebben. Kan ik nu ik vrede heb, niet terugzien op wat ik was voor mijn bekering en op al mijn falen na mijn bekering, met verootmoediging maar met aanbidding voor de genade van God om alles wat Hij voor mij gedaan heeft, maar zonder enige gedachte aan vrees of toerekening van zonde? Geeft dit niet een heel diep besef van alles wat God is in heilige genade en liefde, in grenzeloos geduld voor mij, zowel om me te bewaren en te helpen als om me te herstellen? En dit zal in volmaaktheid het geval zijn als we geopenbaard zullen worden, als we zullen kennen zoals we gekend zijn.
Om dit punt nog duidelijker te maken wil ik hier nog enkele opmerkingen aan toevoegen, want het is een belangrijk onderwerp. Wat we in dit gedeelte vinden is het volkomen geopenbaard worden van alles wat iemand is en geweest is voor een troon die gekenmerkt wordt door oordeel, zonder dat er een oordeel over de persoon in kwestie wordt uitgesproken waarbij hij schuldig verklaard wordt. Ongetwijfeld zal de goddeloze veroordeeld worden als hij ontvangt wat hij in het lichaam gedaan heeft. Maar er staat hier niet “geoordeeld”, want dan zouden allen veroordeeld moeten worden. Maar dit geopenbaard worden is juist iets wat alles moreel voor het hart plaatst als het in staat is om zelf het kwaad te oordelen. Als dit zou gebeuren terwijl het oordeel werd uitgevoerd zou het niet daartoe in staat zijn. Maar de ziel is dan verlost van alle vrees en in het volle licht. En ze wordt getroost door volmaakte liefde – want omdat we ons bewust zijn van zonde en van het feit dat ze niet wordt toegerekend, hebben we het besef (al is dat op een verootmoedigende manier) van volmaakte liefde. Terwijl bovendien tegelijk ook het besef van het gezag en de regering van God volledig gehandhaafd wordt in de ziel. Zo oordeelt de ziel zelf alles zoals God het doet en komt volkomen in gemeenschap met Hemzelf. Dit is buitengewoon kostbaar.
We moeten er ook aan denken dat we bij onze verschijning voor de rechterstoel van Christus al verheerlijkt zijn. Christus is Zelf in volmaakte liefde gekomen om ons op te nemen en Hij heeft het lichaam van onze vernedering veranderd tot gelijkvormigheid aan het lichaam van Zijn heerlijkheid. We zijn dus verheerlijkt en aan Christus gelijk voordat het oordeel plaatsvindt. En let ook op de uitwerking die het op Paulus heeft! Wekt de gedachte aan het geopenbaard worden angst of vrees? Niet in het minst! Hij beseft wel al de ernst van zo’n gebeurtenis. Hij weet hoezeer de Heer te vrezen is, hij heeft dat voor ogen. Maar wat is het gevolg? Hij gaat aan het werk om anderen te overreden die dat nodig hebben.
Er zijn om zo te zeggen twee delen in Gods natuur en karakter: Zijn gerechtigheid die alles oordeelt en Zijn volmaakte liefde. Beide zijn één voor ons in Christus, ons deel in Christus. Als we inderdaad verwerkelijken wat God is, zullen beide hun plaats hebben. Maar de gelovige is in Christus de gerechtigheid die God, juist op grond van Zijn natuur, voor Zich moet hebben op Zijn troon, zodat wij bij Hem kunnen zijn en ons in Hem kunnen verblijden. En de Christus, Die op de rechterstoel zit en voor Wie we staan, is onze gerechtigheid. Hij oordeelt volgens de gerechtigheid die Hij is. Maar wij zijn die gerechtigheid, de gerechtigheid van God in Hem. Daarom kan dit punt geen twijfel wekken in de ziel, maar het zal ons brengen tot aanbidding van zoveel genade. Het roept geen twijfel op, het kan alleen het bewustzijn vergroten dat we zelf van de genade hebben. Het maakt ons duidelijk wat de genade is, dat ze voorziet in de behoeften van de mens zoals hij is. Maar tegelijk voelen we daardoor ook de ernstige en verschrikkelijke gevolgen die het moet hebben als men geen deel heeft aan die genade, omdat er zo’n oordeel zijn zal. Vandaar dat het andere en inderdaad wezenlijke deel van de Goddelijke natuur, de liefde, werkzaam in ons zal zijn ten opzichte van anderen. En omdat we weten hoezeer de Heer te vrezen is, overreden we de mensen. Als Paulus dus denkt aan dit bijzonder ernstige moment is hij zich ervan bewust dat hij de gerechtigheid bezit die hij ziet in de Rechter. Want het is Zijn gerechtigheid die oordeelt.
Maar als gevolg daarvan gaat hij dan ijverig anderen zoeken, in overeenstemming met het werk dat hem zo dicht bij God gebracht had, waar hij dan over gaat spreken (verzen 13-14). Maar als de gelovige het oordeel zo ziet en zijn volledige openbaring op die dag, heeft dat ook een ander gevolg dat nu al ervaren wordt en dat in overeenstemming is met het karakter van dit vooruitzicht zelf. Hij verwerkelijkt het namelijk door het geloof en wordt daarom nu al openbaar. Hij is niet bang om straks geopenbaard te worden, want dat zal hem al de wegen die God met hem ging laten zien, terwijl hij in de heerlijkheid is. Maar hij wordt nu eveneens voor God openbaar, zijn geweten wordt geoefend in het licht. Zo heeft het een tegenwoordige heiligende kracht.
Let hier op de combinatie van sterke motieven, van bijzonder belangrijke beginselen. Schijnbaar zijn ze met elkaar in strijd, maar voor iemand die in het licht wandelt komen ze toch niet met elkaar in botsing en doen ze geen afbreuk aan elkaar. In plaats daarvan gaan ze samen en vormen ze een combinatie die het karakter van de dienstknecht van het evangelie en van zijn dienst helemaal bepaalt en van al het nodige voorziet.
In het begin van het hoofdstuk zagen we eerst de heerlijkheid en de kracht van het leven waarin ze zich openbaart, die zo groot is dat de gelovige die dit beseft niet wenst te sterven. Want hij ziet in de kracht van het leven in Christus het middel dat alles wat sterfelijk in hem is kan verslinden. En hij ziet het met de zekerheid dat dit zijn deel is. God heeft hem daartoe bereid en heeft hem het onderpand van de Geest gegeven. Maar zelfs al zou de dood hem nog treffen: het gelukkige gevolg zou zijn dat hij zijn verblijf in het lichaam zou verlaten om bij de Heer te gaan wonen.
Maar de gedachte dat we voor Christus moeten verschijnen werkt het verlangen om Hem welbehaaglijk te zijn en stelt Hem aan ons voor als de Rechter die ieder zal vergelden wat hij gedaan heeft. Dit is het tweede motief of beginsel dat deze dienst vorm geeft. De ernstige gedachte hoezeer dit oordeel te vrezen is legt beslag op het hart van de apostel. Wat een verschil tussen deze gedachte en het “gebouw van God” waarnaar hij met zekerheid uitzag! Toch kan deze gedachte hem niet verontrusten. Maar in het ernstige besef van de realiteit van dat oordeel dringt deze gedachte hem ertoe anderen te overreden.
Maar hier vinden we dan een derde beginsel: de liefde van Christus met betrekking tot de toestand van hen die Paulus probeerde te overreden. Omdat deze liefde van Christus openbaar wordt in Zijn dood, ligt daarin het bewijs dat allen al gestorven en verloren waren.
De volgende dingen worden ons hier dus voorgesteld. De heerlijkheid, met de persoonlijke zekerheid van het bezit daarvan, terwijl de dood het middel geworden is om in te wonen bij de Heer. De rechterstoel van Christus en de noodzaak daarvoor geopenbaard te worden. En de liefde van Christus in Zijn dood, omdat allen al gestorven waren. Hoe kunnen zulke uiteenlopende beginselen met elkaar in overeenstemming worden gebracht en hun juiste plaats krijgen in het hart? Voor de apostel was dat mogelijk omdat hij voor God geopenbaard was. Daarom heeft de gedachte aan de openbaring voor de rechterstoel bij hem geen andere uitwerking, behalve dat het bijdroeg tot tegenwoordige heiliging, dan het zien van de ernst ervan. Want hij zou niet in het oordeel komen. Maar het werd een dringende reden voor hem om aan anderen het evangelie te brengen, in overeenstemming met de liefde die Christus geopenbaard had in Zijn dood. De gedachte aan de rechterstoel verzwakte zijn zekerheid van de heerlijkheid helemaal niet 3. Zijn ziel was in het volle licht van God en weerspiegelde wat in dat licht was, namelijk de heerlijkheid van Christus die als Mens ten hemel was gevaren.
En de liefde van dezelfde Jezus werd in haar actieve werking in hem versterkt door het besef van de rechterstoel die alle mensen wacht. Wat een wonderbare combinatie van motieven vinden we dus in dit gedeelte, om een dienst te vormen die gekenmerkt wordt door de uiteenzetting van alles waarin God Zichzelf openbaart en waardoor Hij werkt op het hart en geweten van de mens! Maar deze dingen kunnen alleen samengaan en samen hun uitwerking hebben in een rein geweten. Als het geweten niet zuiver is zal de rechterstoel het uitzicht op de heerlijkheid belemmeren (in elk geval als iets dat persoonlijk mijn deel is) en het besef van Zijn liefde verzwakken. In ieder geval zal men bezig zijn met zichzelf in verbinding met deze dingen en zal dat ook noodzakelijk zijn. Maar als het geweten rein is voor God, ziet het alleen een rechterstoel die geen gevoel van persoonlijke onrust veroorzaakt. En dan heeft de rechterstoel al zijn echte morele uitwerking als een extra reden voor een ernstige wandel en een ernstige kracht in de oproep die men richt tot de mens, gedrongen door de liefde van Jezus die men kent.
Onze eigen relaties met God hebben dus te maken met de dienst die we aan anderen moeten bewijzen. Wat dit betreft voegt de apostel er nog iets anders aan toe, wat zijn wandel kenmerkte en wat het resultaat was van de dood en opstanding van Christus. Hij leefde in een volkomen nieuwe sfeer, in een nieuwe schepping, die alles had achtergelaten, als in een andere wereld, wat behoorde tot een natuurlijk bestaan in het vlees hier beneden. Dat Christus voor allen gestorven was toonde aan dat allen gestorven waren; en Hij stierf voor allen, opdat zij die leven niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die voor hen gestorven en opgewekt is. Ze zijn verbonden met deze nieuwe orde van zaken waarin Christus leeft als de Opgestane.
Op al het andere staat de dood geschreven. Alles ligt besloten onder de dood. Als ik leef, leef ik in een nieuwe orde van zaken, in een nieuwe schepping waarvan Christus het Voorbeeld en het Hoofd is. Voor zover Christus in verbinding stond met deze wereld hier beneden is Hij gestorven. Men had Hem misschien gekend als de Messias, in Zijn leven op aarde en in verband met beloften die aan mensen gedaan waren die leefden op aarde in het vlees. Maar de apostel kende Hem niet meer zo. In werkelijkheid was Christus, terwijl Hij dat karakter droeg, gestorven. En nu Hij is opgestaan heeft Hij een nieuw en hemels karakter aangenomen.
Daarom, als iemand in Christus is, dan behoort hij tot deze nieuwe schepping en maakt hij deel daarvan uit. Hij behoort helemaal niet meer tot de eerste schepping. Het oude is voorbijgegaan, het is alles nieuw geworden. Dit nieuwe systeem is niet de vrucht van de menselijke natuur en van de zonde, zoals alles wat ons hier beneden omringt naar het vlees. Gezien als een systeem dat moreel bestaat voor God, zijn nu alle dingen in deze nieuwe schepping al uit God. Alles wat hierin wordt gevonden is uit God, uit Hem die ons met Zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus. We leven in een orde van zaken, een wereld, een nieuwe schepping, die volkomen uit God is. We zijn daar in vrede, omdat God die het Middelpunt en de Oorsprong van die schepping is, ons met Zichzelf verzoend heeft. We verblijden ons erin omdat we nieuwe schepselen in Christus zijn. En alles in deze nieuwe wereld is uit Hem en is in overeenstemming met die nieuwe natuur. Hij had de apostel ook een dienst van verzoening toevertrouwd, in overeenstemming met de orde van zaken waarin hij zelf was binnen geleid. Omdat hij verzoend was en omdat hij dat wist door de openbaring van God die het voor hem volbracht had, verkondigde hij een verzoening waarvan hij het resultaat kende en genoot.
Dit alles vloeide voort uit een geweldige en buitengewoon machtige waarheid. God was in Christus. Maar verder was het ook nodig dat Christus voor ons tot zonde gemaakt zou worden, opdat anderen deel met Hem zouden kunnen hebben en de apostel de dienstknecht hiervan zou kunnen worden. De eerste waarheid laat het karakter zien waarin God tot ons is neergedaald. De tweede de uitwerking van wat tot stand gebracht is voor de gelovige.
Dit is de eerste van deze waarheden in verband met de dienst van de apostel, die het onderwerp van deze hoofdstukken vormt: God was in Christus (dat wil zeggen, toen Christus op aarde was). God had niet gewacht tot de dag van het oordeel. Hij was in liefde neergedaald in een wereld die van Hem vervreemd was. Zo kwam Christus. Er zijn drie dingen verbonden met deze essentiële waarheid, drie kenmerken: God was de wereld met Zichzelf verzoenende, door hun overtredingen hun niet toe te rekenen, en het woord van de verzoening te leggen in de apostel. Als resultaat van dit derde gevolg van de vleeswording neemt de apostel het karakter aan van een gezant voor Christus. Alsof God door middel van hem vermaande, bad hij de mensen uit naam van Christus om zich met God te laten verzoenen. Maar zo’n gezantschap veronderstelde de afwezigheid van Christus. Zijn gezant trad op in Zijn plaats. Zijn zending was in feite gebaseerd op een andere waarheid van onmetelijke betekenis, namelijk dat God Hem die geen zonde kende voor ons tot zonde gemaakt had, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem. Dat was de juiste weg om ons helemaal met God te verzoenen, in overeenstemming met Gods volmaaktheid die volkomen geopenbaard was. Want Zijn liefde ging naar ons uit, daar waar we waren. En Hij gaf Zijn Zoon, die zonder smet of beweegreden of beginsel van zonde was, en maakte Hem – want Hij bood Zichzelf aan om de wil van God te volbrengen – tot zonde voor ons; om ons in Christus, die Hem in die toestand volkomen verheerlijkt had, tot de uitdrukking van Zijn Goddelijke gerechtigheid te maken voor de hemelse overheden tot in alle eeuwigheid. Om ons Zijn welbehagen te maken, wat betreft gerechtigheid: ‘…opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem’. De mens heeft geen gerechtigheid voor God. Maar God heeft de gelovigen Zijn gerechtigheid gemaakt in Jezus. In ons wordt gezien hoe deze Goddelijke gerechtigheid volkomen vervuld is. Natuurlijk eerst in Christus Zelf, door Hem aan Zijn rechterhand te plaatsen, maar ook in ons evenals in Hem. Wonderbare waarheid! De resultaten daarvan doen de lof en dank in ons opstijgen als we zien op Jezus. Maar deze waarheid brengt het hart ook tot zwijgen en buigt het neer in aanbidding en bewondering bij het zien van Zijn wonderbare daden in genade 4.
Hoofdstuk 6
Paulus had gezegd dat God door middel van hem vermaande. In dit hoofdstuk gaat de liefde van de apostel door de Geest verder met dit Goddelijke werk, door de Korinthiërs te vermanen dat het toch niet tevergeefs mocht zijn, dat deze genade tot hen gekomen was. Want het was de aangename tijd, de dag van het heil 5. De apostel had over de grote principes van zijn dienst en over de oorsprong ervan gesproken. Hij herinnert de Korinthiërs nu aan de manier waarop hij die dienst had uitgeoefend in al de verschillende omstandigheden waardoor hij geleid was. Het voornaamste punt van zijn dienst was dat hij een dienaar van God was, dat hij Hem vertegenwoordigde in zijn dienst. Dit maakte twee dingen nodig: Allereerst dat hij in alle dingen zonder aanstoot zou zijn. En verder dat hij dit karakter van Gods dienaar zou bewaren en de uitoefening van zijn dienst zou handhaven te midden van alle tegenstand en in alle omstandigheden waardoor de vijandschap van het menselijk hart en ook de list van satan hem zou kunnen doen gaan. Overal en in alle dingen vermeed hij door zijn gedrag alle werkelijke aanleiding tot aanstoot, opdat niemand gelegenheid zou hebben de bediening te lasteren. Hij beval zichzelf in alles aan als een dienaar van God, als een waardige vertegenwoordiger van Hem uit naam van Wie hij sprak tot de mensen. En dat met een geduld – te midden van vervolging en tegenspraak van zondaars – dat blijk gaf van innerlijke energie, besef van plicht tegenover God en afhankelijkheid van Hem. Alleen de verwerkelijking van Zijn tegenwoordigheid en van onze plicht ten opzichte van Hem kan zo’n volharding bewerken. Dit was een eigenschap die de overhand had te midden van alle omstandigheden waarover de apostel spreekt, ze beheerste de omstandigheden.
Zo toonde hijzelf een dienstknecht van God te zijn in alles wat hem op de proef kon stellen. In reinheid, in goedertierenheid, in liefde; als een werktuig van Gods kracht; hetzij te schande gemaakt of toegejuicht; onbekend voor de wereld, en bekend en geëerd; uiterlijk onder de voet gelopen door de mens en getuchtigd, innerlijk overwinnend en blij, anderen rijk makend en in het bezit van alle dingen. Hier eindigt de beschrijving van de apostel van de bronnen, het karakter en de overwinning over de omstandigheden van een dienst die Gods kracht tentoonspreidde in het zwakke vat, waarvan het beste deel de dood was.
Het herstel van de Korinthiërs in een morele toestand die het evangelie waardig was, verbonden met de omstandigheden die hij pas had meegemaakt, had het hem mogelijk gemaakt zijn hart voor hen te ontsluiten. Tot nu toe had het onderwerp van de verheerlijkte Christus hem helemaal in beslag genomen. Christus had het verlossingswerk volbracht en had hem uitgezonden als boodschapper van de genade waartoe die verlossing nu vrij toegang gaf, en de apostel had met een bereidwillig hart gesproken over alles wat in zijn dienst lag opgesloten. Maar nu wendt hij zich met genegenheid tot zijn geliefde Korinthiërs en laat hij zien dat hij al deze openheid, dit ruime hart voor hen had. “Onze mond heeft zich voor u ontsloten, Korinthiërs”, zegt hij, “ons hart staat wijd open. U hebt geen enge plaats in ons, maar u bent zelf enghartig”. Als beloning voor de liefde die zo rijk uit zijn hart stroomde naar hen, vraagt hij alleen dat ze hun eigen hart zullen openstellen.
Hij sprak als tegen zijn kinderen. Maar hij maakt van deze nauwe relatie gebruik om de Korinthiërs te vermanen de plaats te bewaren waarop God hen gesteld had: “Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk”. Nu hij vat heeft op hun liefde en zich diep verheugt voor God in de genade die hen heeft teruggebracht tot de juiste gevoelens, is zijn hart vrij om zich over te geven, alsof hij buiten zichzelf was, aan de vreugde die zijn deel was in de verheerlijkte Christus. Maar met een nuchterheid van geest omdat het ten slotte ging om zijn geliefde kinderen in het geloof 6, probeert hij hen los te maken van alles wat het vlees erkende of wat inhield dat een verbinding die het vlees erkende mogelijk zou zijn voor een christen. Hij wil hen losmaken van alles wat in strijd was met de positie van een mens die zijn leven en zijn belangen in de nieuwe schepping heeft, waarvan Christus het Hoofd is in de heerlijkheid. Een engel kan God dienen in deze wereld. En er is hem niet veel aan gelegen op welke manier hij dat moet doen, vooropgesteld dat die manier van God is. Maar als hij zich zou verbinden met de belangen van deze wereld, alsof hij daarvan deel zou uitmaken, als hij zich zou verenigen met hen die geregeerd worden door de motieven die de mensen van deze wereld beheersen, zou dat voor zo’n hemels wezen betekenen dat hij zijn positie en karakter verloor. Want dan zou hun gemeenschappelijk gedrag bewijzen dat beiden te werk gingen volgens de principes die de vorm ervan bepaalden. Zo is het ook met de gelovige, hij kan dit evenmin doen. Zijn deel is de heerlijkheid van Christus, zijn wereld, zijn leven, zijn ware verbindingen zijn daar waar Christus is binnengegaan. Daarom kan hij, als een gelovige, ook niet onder hetzelfde juk gaan met hen die alleen maar wereldse motieven kunnen hebben, om het voertuig van het leven op een gemeenschappelijke weg voort te trekken.
Welke gemeenschap is er tussen Christus en Belial, tussen licht en duisternis, geloof en ongeloof, de tempel van God en de afgoden? Want de gelovigen zijn de tempel van de levende God die onder hen woont en wandelt. Hij is hun God, zij vormen Zijn volk. Daarom moeten ze alle gemeenschap met hen die werelds zijn opgeven en zich van hen afscheiden. Als gelovigen moeten ze apart staan, want ze zijn de tempel van God. God woont onder hen en wandelt daar en Hij is hun God. Daarom moeten ze de wereld verlaten en afgezonderd zijn. En God zal hen erkennen en in de verhouding van een Vader tot hen staan als Zijn zonen en dochters die Hij liefheeft.
Merk op dat dit de bijzondere relatie is waarin God Zich aan ons openbaart. De twee voorafgaande openbaringen van God aan de mensen worden hier ook genoemd, maar Hij neemt nu een derde karakter aan. Aan Abraham openbaarde Hij Zichzelf als de Almachtige, aan Israël als Jahweh of Heer. Hier verklaart de Heer, de Almachtige, dat Hij een Vader wil zijn voor de Zijnen, voor Zijn zonen en dochters. We verlaten hen die werelds zijn om in de verhouding van zonen en dochters tot de Almachtige God te komen. Want dat is het eenvoudig, we verlaten de wereld niet lichamelijk, maar terwijl we in de wereld zijn zonderen we ons af. Anders kunnen we deze verhouding tot God niet praktisch verwerkelijken. God wil geen wereldlingen in verbinding met Zichzelf hebben als zonen en dochters; ze nemen deze positie met betrekking tot Hem niet in. Maar evenmin zal Hij hen erkennen die één blijven met de wereld, als in het bezit van deze positie. Want de wereld heeft Zijn Zoon verworpen en de vriendschap van de wereld is vijandschap tegen God. Wie een vriend van de wereld is, is een vijand van God. Het betekent dat ik niet Zijn kind ben in praktische zin. Daarom zegt God: “Gaat weg uit hun midden en scheidt u af… en u zult Mij tot zonen en dochters zijn”. Denk eraan dat het er niet om gaat dat we de wereld verlaten – het vindt plaats terwijl we in de wereld zijn – maar dat we hen verlaten die werelds zijn, om te komen in de verhouding van zonen en dochters, om Hem tot zonen en dochters te zijn, om door Hem in deze relatie erkend te worden 7.
Hoofdstuk 7
Maar de aandacht van de apostel houdt zich niet alleen bezig met dat waarvan we zijn afgezonderd om deze positie van zonen en dochters in te nemen, maar ook met de rechtmatige gevolgen van zulke beloften. Als zonen en dochters van de Heer, God, de Almachtige, past ons heiligheid. We moeten niet alleen afgezonderd zijn van de wereld. Maar omdat we in deze verhouding tot God staan hebben we ons te reinigen van alle bevlekking van het vlees en van de geest: heiligheid in de uiterlijke wandel en reinheid van gedachten, wat zeker net zo belangrijk is als het gaat om onze verhouding tot God. Want hoewel de mens de gedachten niet ziet, wordt de stroom van de werking van de Geest tegengehouden in het hart. Er is geen verruiming van het hart in de gemeenschap met God. Het is veel als Zijn tegenwoordigheid nog gevoeld wordt en Zijn verhouding tot ons nog verwerkelijkt wordt. Men kent de genade, maar God wordt nauwelijks gekend op de manier waarop Hij Zichzelf geleidelijk bekend maakt als er gemeenschap is.
De apostel komt terug op zijn eigen relaties met de Korinthiërs, die gevormd waren door het woord van zijn dienst. En nu hij uiteengezet heeft wat deze dienst werkelijk inhield, probeert hij te verhinderen dat de banden verbroken zouden worden, die door zijn dienst tussen de Korinthiërs en hemzelf gelegd waren door de kracht van de Heilige Geest.
“Geeft ons plaats. Wij hebben niemand onrecht aangedaan”. Nu deze gelovigen hersteld zijn, is hij bezorgd dat hij hun gevoelens niet zal kwetsen. Ze zijn zich weer bewust van hun vroegere liefde voor de apostel en ook van hun werkelijke verhouding met God. “Ik zeg dit niet tot [uw] veroordeling”, voegt hij eraan toe, “want ik heb al gezegd dat u in onze harten bent, om samen te sterven en samen te leven. Ik heb veel vrijmoedigheid tegenover u, ik heb veel roem over u; ik ben vervuld met troost, ik vloei over van blijdschap bij al onze verdrukking”. Hij laat nu niet de beginselen van de dienst, maar het hart van een dienstknecht zien, alles wat hij had gevoeld met betrekking tot de toestand van de Korinthiërs. We zullen ons nog herinneren dat hij zonder Korinthe te bezoeken naar Macedonië was gereisd, nadat hij Troas had verlaten, omdat hij daar Titus niet vond die hem het antwoord op zijn eerste brief aan de Korinthiërs zou overbrengen. Maar toen hij in Macedonië kwam, had zijn vlees daar ook geen rust. Hij was in alles verdrukt: van buiten strijd, van binnen vrees. Maar daar troostte God, die de nederige troost, hem door de komst van Titus, naar wie hij met zoveel zorg had uitgezien. En niet alleen door zijn komst, maar door het goede nieuws dat hij uit Korinthe meebracht. Zijn vreugde was groter dan al zijn droefheid, want zijn hart ging ernaar uit om samen met hen te sterven en te leven. Hij zag de morele gevolgen van het werk van de Geest, hun verlangens, hun tranen, hun ijver met betrekking tot hem. En zijn hart gaat weer naar hen uit om alle wonden te verbinden, die zijn eerste brief misschien in hun hart had achtergelaten (hoe nodig ze ook waren geweest). Dit doet hij nu door uiting te geven aan zijn liefde voor hen.
Het is bijzonder treffend de innerlijke strijd in zijn hart te zien tussen de noodzaak die hij vanwege hun vorige toestand gevoeld had, om met strengheid en in zekere zin zelfs met een kille autoriteit aan hen te schrijven, en de liefde die hem nu het gewenste doel bereikt is haast tot een excuus brengt voor de pijn die hij hun mogelijk gedaan had. “Al heb ik u ook door mijn brief bedroefd”, zegt hij, “ik heb er geen spijt van”. Zelfs al zou hij er spijt van hebben gehad en had hij dat inderdaad ook een ogenblik gehad. Want hij zag dat de brief hen bedroefd had, al was het maar een korte tijd. Maar nu verblijdde hij zich, niet omdat zij bedroefd waren geworden, maar omdat die droefheid hen tot bekering had gebracht. Wat een zorg! Wat een hart voor het welzijn van de gelovigen! Als zij een geest vol ijver voor hem hadden, dan had hij hen zeker alle aanleiding daartoe gegeven. Hij had geen rust voordat hij bericht over hen had. Niets was in staat geweest om zijn bezorgdheid weg te nemen, geen lijden, zelfs geen open deuren. Omdat hij bang was dat hij de harten van de Korinthiërs van zich vervreemd had, had hij er misschien spijt van dat hij de brief geschreven had. Hij was nog steeds bedroefd bij de gedachte dat hij hun pijn had gedaan. Maar nu verblijdt hij zich, niet omdat hij hen bedroefd had, maar omdat hun oprechte droefheid berouw gewerkt had.
We zien hem dus aan de ene kant een brief schrijven door de kracht van de Heilige Geest. Maar aan de andere kant zien we dat hij zich een moment overgeeft aan de gevoelens van zijn hart en in dit opzicht niet op het hoge peil staat van de kracht van de inspiratie, die deze brief had ingegeven die zij die geestelijk waren moesten erkennen als de geboden van de Heer. Zijn hart beeft bij de gedachte aan de gevolgen ervan, als hij geen bericht krijgt. Het is heel interessant het verschil tussen de persoonlijkheid van de apostel en de inspiratie te zien. In de eerste brief zagen we het verschil dat hij maakt tussen wat hij zei als het resultaat van zijn ervaring en de geboden van de Heer die door hem werden meegedeeld. Hier zien we het verschil in de ervaring zelf. Hij vergeet een ogenblik het karakter van zijn brief en geeft zich over aan zijn gevoelens van vrees dat hij de Korinthiërs verloren heeft door de poging die hij gedaan had om hen op het rechte spoor te brengen. De vorm van de uitdrukking die hij gebruikt laat zien dat dit gevoel zich maar een ogenblik meester gemaakt had van zijn hart. Maar het feit dat hij dit gevoel had toont duidelijk het verschil tussen Paulus als persoon en als geïnspireerde schrijver.
Maar nu is hij vertroost. Het uitspreken van deze grote belangstelling die hij voor hen voelt vormt ook een onderdeel van zijn dienst. Dit is een waardevolle les voor ons, waardoor we zien hoe het hart verbonden is met de uitoefening van deze dienst en hoe buigzaam deze sterke kracht van de liefde is. De harten worden gewonnen en omgebogen als we op een gepaste manier uiting geven aan wat er in ons eigen hart omgaat. Als het hart vol liefde is zal er zeker uiting aan worden gegeven, zodra er een juiste en natuurlijke aanleiding toe is. Want een sterke liefde wil zichzelf graag openbaren aan het voorwerp ervan, als dat mogelijk is, overeenkomstig de echtheid van die liefde. Er is een droefheid van het hart waardoor het verteerd wordt, maar een hart dat droefheid naar God voelt is op weg naar bekering8.
De apostel geeft dan een opsomming van de vruchten van deze droefheid naar God, de ijver die ze bewerkt had om tegen het kwaad op te treden en de heilige verwerping van het hart van elke verbinding ermee. Nu ze zich moreel afgezonderd hadden, scheidt hij hen die niet schuldig waren ook van hen die dat wel waren. Hij wil ze niet langer met elkaar verwarren. Ze hadden zichzelf in een toestand van verwarring gebracht in morele zin doordat ze rustig één weg gingen met hen die in zonde leefden. Door het wegdoen van de zonde stonden ze nu buiten het kwaad. En de apostel laat zien dat het om hun bestwil was, omdat hij zo’n toewijding voor hen had, dat hij aan hen geschreven had om zijn liefdevolle zorg voor hen te bewijzen en hun liefde voor hem op de proef te stellen voor Gods aangezicht. Hoe droevig hun wandel ook was geweest, hij had Titus verzekerd toen hij hem aanmoedigde om naar Korinthe te gaan, dat hij daar zeker harten zou vinden die gehoor zouden geven aan deze oproep van apostolische liefde. Hij werd daarin niet teleurgesteld en zoals hij de waarheid onder hen duidelijk gemaakt had, bleek dat wat hij over hen tegen Titus gezegd had eveneens waar te zijn. Toen Titus dit zag riep dat bij hemzelf ook sterke gevoelens van liefde wakker.
Hoofdstuk 8
In dit hoofdstuk vermaant de apostel de Korinthiërs om te zorgen voor steun voor de armen in Israël. Want hij was op reis naar Judea. Titus had hij vooruit gezonden opdat alles gereed zou zijn uit bereidwilligheid. Over deze bereidwilligheid had hij op zijn reis al gesproken als een zaak die al aanwezig was bij deze gelovigen. Dit had anderen aangespoord om op dezelfde manier te geven. En terwijl hij rekende op hun bereidwilligheid en wist dat ze een jaar geleden al begonnen waren, wilde hij nu toch niet het risico lopen dat zijn woorden over hen gelogenstraft zouden worden door de feiten. Niet dat hij de Korinthiërs wilde belasten om het de gelovigen in Judea gemakkelijk te maken, maar opdat de rijken zouden voorzien in de behoeften van de arme broeders, zodat niemand gebrek zou lijden. Iedereen zou, als hij bereidwillig was, door God worden aangenomen naar dat hij vermogen had. God had een blijmoedige gever lief. Alleen zouden ze maaien overeenkomstig wat ze zaaiden. Titus, die blij was met het resultaat van zijn eerste bezoek en gehecht was aan de Korinthiërs, was bereid om opnieuw te gaan om deze vrucht, ook tot zegen van henzelf, in te zamelen. Samen met hem reisden de gezanten van de andere gemeenten, aan wie de inzameling die voor hetzelfde doel onder hen was gehouden was toevertrouwd, en een broeder die in alle gemeenten bekend was en nog iemand die beproefd was dat hij ijverig was. Ze waren aangespoord door het vertrouwen dat Paulus in de Korinthiërs stelde. De apostel wilde de verantwoordelijkheid voor het geld niet op zich nemen zonder metgezellen te hebben die er ook mee belast zouden zijn. Zo wilde hij alle aanleiding vermijden tot verdachtmaking in dit soort zaken en was hij erop bedacht dat alles eerlijk zou zijn voor de mensen evenals voor God. Toch sprak hij in dit alles niet bij wijze van bevel, maar vanwege de ijver van andere gemeenten en om de echtheid van hun liefde te beproeven.
We zullen ons herinneren dat deze inzameling juist de aanleiding vormde voor alles wat Paulus in Jeruzalem overkwam, wat een eind maakte aan zijn dienst en hem verhinderde naar Spanje en misschien nog andere plaatsen te reizen. Aan de andere kant gaf dit echter aanleiding tot het schrijven van de brieven aan de Efeziërs, Filippiërs, Kolossers, aan Filémon en misschien ook aan de Hebreeën. Ook al begrijpen we misschien maar weinig van het waarom van de omstandigheden waarin we komen, gelukkig mogen we weten dat we geleid worden door Hem die het eind kent vanaf het begin en die alle dingen doet meewerken ten goede voor hen die Hem liefhebben!
Hoofdstuk 9
Om deze vermaningen om te geven naar vermogen te besluiten, beveelt de apostel hen aan bij de rijke goedheid van God. God was machtig om hen in alle dingen overvloedig te doen zijn, zodat ze ook in de gelegenheid zouden zijn om overvloedig te zijn in goede werken. De rijkdom van hun overvloed zou door middel van de dienst van de apostel in dit opzicht dank aan God bewerken bij anderen. Want, voegt hij eraan toe, het blijde gevolg van uw praktische liefde, die bewezen werd in de Naam van Christus, zou niet alleen voorzien in de behoeften van de heiligen door zijn bediening van de collecte die in Korinthe gehouden was. Het zou ook overvloedig dank aan God bewerken. Want zij die het ontvingen dankten God dat hun weldoeners ertoe waren gebracht de Naam van Christus te belijden en zo’n praktische vrijgevigheid te tonen ten opzichte van hen en van allen. En deze gedachte spoorde hen aan tot gebed, terwijl ze vurig verlangden naar hen die op die manier voorzagen in hun behoeften, vanwege de genade van God die in hen zichtbaar was. Zo werden de banden van eeuwige liefde van beide kanten sterker en strekte alles tot eer van God. God zij dank, zegt de apostel, voor Zijn onuitsprekelijke gave! Want welke vruchten de genade ook mag voortbrengen, we bezitten het bewijs en de kracht in dat wat God heeft gegeven. Hier eindigt eigenlijk de hoofdzaak van de brief.
Hoofdstuk 10
De apostel komt terug op het onderwerp dat zijn gedachten helemaal in beslag nam: zijn verbindingen met de Korinthiërs en de waarheid van zijn apostelschap, dat in twijfel werd getrokken door hen die de Korinthiërs verleidden door zijn persoon met minachting te behandelen. Hij was zwak, zeiden ze, als hij aanwezig was; en zijn spreken was verachtelijk. Maar als hij afwezig was, was hij moedig. Want zijn brieven waren krachtig maar zijn persoonlijk optreden was verachtelijk. “Ik vermaan u”, zegt de apostel, “door de zachtmoedigheid en goedertierenheid van Christus”. Met deze woorden toonde hij wat het ware karakter was van zijn eigen zwakheid en nederigheid als hij bij hen was. “Ik verzoek u dan”, zegt hij, “dat ik, als ik aanwezig ben, niet moedig hoef te zijn met de beslistheid waarmee ik denk op te treden tegen sommigen die denken dat wij naar [het] vlees wandelen”. De kracht van de strijd die hij voerde tegen het kwaad berustte op geestelijke wapens, waarmee hij alles ten val bracht wat zich verhief tegen de kennis van God. Dit was het beginsel dat hij hanteerde: proberen om allen die naar God luisterden tot gehoorzaamheid te brengen en dan streng optreden tegen alle ongehoorzaamheid, zodra de gehoorzaamheid eenmaal volkomen was en zij die wilden luisteren hersteld en tot orde geroepen waren. Kostbaar beginsel! Hierdoor werkte de kracht en de leiding van de Geest ten volle en met alle geduld om de orde en een wandel die God waardig was te herstellen. De genade bleef met de meeste aandrang roepen totdat allen hersteld waren die wilden luisteren en zich aan God wilden onderwerpen. En als dat bereikt was werd het Goddelijk gezag gehandhaafd door oordeel en tucht, waarbij het apostolische gezag nog versterkt werd door het geweten en het gemeenschappelijke handelen van allen die tot gehoorzaamheid waren teruggebracht.
Let erop dat de apostel wijst op zijn persoonlijke gezag als apostel, maar dat hij dat gebruikt op een geduldige manier. Want hij bezat het om op te bouwen, niet om af te breken. Hij gebruikt het om allen die wilden luisteren terug te brengen tot gehoorzaamheid en oprechtheid. En terwijl hij de eenheid van de gelovigen handhaaft in heiligheid, bekleedt hij het apostolisch gezag op die manier met de kracht van het hele geweten van de gemeente, onder de leiding van de Geest, voor zover het geweten werkzaam was.
Dan verklaart hij dat hij als hij bij hen komt ook zó zal zijn zoals hij in zijn brieven is. En hij laat de tegenstelling zien tussen zijn gedrag en dat van hen die van zijn werk gebruik maakten om een groep die al christen geworden was te bedriegen en tegen hem op te zetten. Maar zelf reisde hij daarentegen naar streken waar men Christus nog niet kende, om zielen te brengen tot kennis van de Heiland van wie ze niets wisten. Verder hoopte hij dat bij zijn bezoek aan de Korinthiërs zijn dienst zich onder hen zou uitbreiden door hun groei in het geloof, opdat hij nog verder dan bij hen het evangelie zou mogen verkondigen in streken die nog in duisternis waren gehuld. Maar wie roemde, laat hem roemen in de Heer.
Hoofdstuk 11
In dit hoofdstuk gaat de apostel verder met zijn betoog in verband met de valse leraars, want hij was naijverig ten aanzien van zijn geliefde Korinthiërs met een naijver van God. Hij vraagt de gelovigen in Korinthe om ook wat verdraagzaamheid tegenover hem te tonen, als hij zich gaat voordoen als een dwaas door over zichzelf te spreken. Hij had hen als een reine maagd aan Christus verloofd, maar hij vreesde dat sommigen hun gedachten zouden bederven zodat ze zouden afwijken van de eenvoudigheid die in Hem is. Als de Korinthiërs door de leraars die in de laatste tijd bij hen waren gekomen een andere Christus hadden aangenomen, of een andere Geest, of een ander evangelie, dan zouden ze heel goed verdragen wat deze leraars deden. Maar de apostel was zeker in geen enkel opzicht hun mindere in zijn onderwijs, zelfs als ze hem zouden vergelijken met de meest uitnemende apostelen. Of had hij hun soms onrecht aangedaan door niets van hen aan te nemen en hun nooit tot last te zijn – zoals deze nieuwe leraars zich daarop beroemden – maar wel geld van andere gemeenten aan te nemen? Dit was een reden om te roemen die niemand in de streken van Achaje hem zou ontnemen. Had hij dan geweigerd iets van hen aan te nemen omdat hij hen niet liefhad? God wist dat dit niet zo was. Maar het was juist om de valse leraars een middel te ontnemen om zichzelf bij hen aan te bevelen door voor niets onder hen te werken, terwijl de apostel geld ontving. Hij wilde hun deze roem ontnemen, want ze waren valse apostelen. Zoals satan zichzelf veranderde in een engel van het licht, zo deden zijn werktuigen zich voor als dienaars van de gerechtigheid.
Maar nogmaals: laten ze hem verdragen als hij sprak als een dwaas door over zichzelf te spreken. Als deze dienstknechten van satan zichzelf aanprezen als joden, verbonden met de oude godsdienst van God, die heilig was door zijn ouderdom en zijn tradities, dan kon de apostel dat net zo goed doen. Want hij was een Hebreeër uit de Hebreeën en hij bezat alle rechten op eer waarop zij zich beroemden. En als het ging om de dienst van Christus, dan zou – gesproken als een onzinnige – de vergelijking zeker aan het licht brengen bij wie er toewijding was geweest.
God heeft deze aanval op het werk van de apostel door deze ongelukkige “verjoodsers” (die zichzelf christenen noemden) hier in feite toegelaten, om ons door middel daarvan op de hoogte te stellen van een deel van de onvermoeibare arbeid van de apostel, die hij voortzette in allerlei omstandigheden waarvan we niets weten. In de Handelingen heeft God ons de geschiedenis gegeven van de opbouw van de gemeente op de grote grondslagen waarop ze gegrond was en van de stadia die ze meemaakte bij het verlaten van het jodendom. De apostel zal het loon ontvangen dat hem toekomt, in het koninkrijk van de heerlijkheid; niet door erover te spreken onder de mensen. Toch is het nuttig voor ons geloof om een idee te hebben van de toewijding van een gelovige, zoals die in het leven van de apostel zichtbaar werd. De dwaasheid van de Korinthiërs is het middel geweest om ons een glimp hiervan te laten opvangen.
Moeilijkheden en gevaren van buiten, onophoudelijke zorgen van binnen, een moed die voor geen enkel gevaar opzij ging, een liefde voor arme zondaars en voor de gemeenten die niets kon verkoelen – deze paar regels schetsen het beeld van een leven van zo’n absolute toewijding dat zelfs het koudste hart erdoor wordt getroffen. Het laat ons al ons egoïsme voelen en het maakt dat we onze knie buigen voor Hem die de levende bron was van de toewijding van de gezegende apostel, voor Hem die door Zijn heerlijkheid zo’n toewijding bewerkte.
Maar hoewel de apostel gedwongen werd over zichzelf te spreken, wilde hij alleen roemen in zijn zwakheden. Maar hij staat als het ware buiten zijn normale taak. Het leven dat achter hem ligt ontrolt zich voor zijn oog. De Korinthiërs maakten het nodig dat hij moest denken aan dingen die hij vergeten had en die achter hem lagen. Als hij klaar is met zijn verslag en gezegd heeft dat hij alleen in zijn zwakheden wilde roemen, is er nog een bijzonderheid die hem te binnen schiet. Niets is zo vanzelfsprekend en eenvoudig als al deze mededelingen.
Hoofdstuk 12
Moet hij roemen? Het is echt niet nuttig voor hem. Hij zou komen tot dat waarin de mens in het vlees niet kon roemen. Het was de soevereine kracht van God waaraan de mens geen deel had. Het was een mens in Christus van wie hij sprak – zo iemand was weggevoerd in de derde hemel, in het paradijs. Of het in het lichaam of buiten het lichaam was wist hij niet. Het lichaam had er geen deel aan. Over zo iemand wilde hij roemen.
Dat wat hem verhief op aarde wilde hij terzijde stellen. Dat wat hem opnam in de hemel – wat hem daar een deel gaf – wat hij was “in Christus” – dat was zijn roem, de vreugde van zijn hart, het deel waarin hij graag wilde roemen. Gelukkige Paulus! Zijn deel in Christus was zó dat hij, als hij daaraan dacht, met vreugde alles vergat wat hem als mens kon verheffen. Zoals hij op een andere plaats zegt met betrekking tot zijn hoop: “Opdat ik Christus mag winnen”. De mens, het lichaam, had geen deel aan de kracht die hij had ondervonden en die hem had weggevoerd in de hemel. Maar over zo iemand wilde hij roemen. Daar waar God en Zijn heerlijkheid alles zijn, en gescheiden van zijn lichaam wat betreft enig bewustzijn in het lichaam te zijn, hoorde hij dingen waarvan mensen in het lichaam geen begrip konden hebben en waarvan het ook niet geoorloofd was dat een sterfelijk mens ze bekend zou maken. De wijze van bestaan van een mens in het vlees liet dat niet toe. Deze dingen hadden een buitengewoon diepe indruk op de apostel gemaakt. Ze gaven hem kracht voor de dienst. Maar hij kon ze niet voorstellen op de manier van begrijpen en meedelen die hoort bij de toestand van de mens hier beneden.
Maar er zijn veel praktische lessen verbonden met deze wonderbare gunst die aan de apostel werd bewezen. Ik zeg dat deze gunst wonderbaar was, omdat we wel voelen wat een dienst de apostel Paulus moet hebben gehad, die zijn kracht en zijn manier van zien en beoordelen ontleende aan zo’n positie. Wat een buitengewone zending had deze apostel! Maar hij had die in een aarden vat. Niets verbetert het vlees. Toen hij eenmaal terug was in het bewustzijn van zijn menselijk bestaan op aarde, wilde het vlees van de apostel graag gebruik maken van de gunst die hij had genoten om hem in zijn eigen ogen te verheffen, om te zeggen: “Er is niemand in de derde hemel geweest behalve jij, Paulus”. Dicht bij God te zijn in de heerlijkheid, buiten het lichaam, maakt niet opgeblazen. Alles is Christus en Christus is alles, het eigen ik is vergeten. Maar daar geweest te zijn is iets anders. Gods tegenwoordigheid laat ons onze nietigheid voelen. Maar het vlees kan er gebruik van maken dat we daar zijn geweest, als we daar niet meer zijn. Helaas, wat is de mens? Maar God is waakzaam. Hij zorgde in Zijn genade dat Zijn arme dienstknecht voor dit gevaar bewaard bleef. Als Hij hem in een vierde hemel had opgenomen – bij wijze van spreken – dan zou dat het gevaar alleen maar groter gemaakt hebben. Er is geen manier om het vlees te verbeteren. De tegenwoordigheid van God brengt het tot zwijgen. Maar het zal zich erop beroemen zodra het daar niet meer is. Om veilig te wandelen moet het in bedwang worden gehouden zoals het is. We moeten ons ervoor dood houden. Maar het is vaak nodig dat het beteugeld wordt, opdat het hart niet van God wordt afgetrokken door middel van het vlees en het onze wandel niet zal belemmeren en ons getuigenis niet zal bederven. Paulus kreeg een doorn in het vlees, opdat hij niet opgeblazen zou zijn vanwege de rijke openbaringen die hij had ontvangen. We weten uit de brief aan de Galaten dat het iets was dat ertoe bijdroeg om hem verachtelijk te maken in zijn prediking. Het was dus een heel begrijpelijk tegenwicht tegenover deze opmerkelijke openbaringen.
God liet deze taak aan satan over, evenals Hij hem gebruikte om Job te vernederen. Hoeveel genade ons ook mag zijn geschonken, we moeten de normale oefeningen van het persoonlijke geloof meemaken, waarin het hart alleen veilig wandelt als het vlees beteugeld wordt en zo praktisch tenietgedaan wordt. Opdat het voor ons bewustzijn niet werkzaam in ons is als we ons helemaal aan God wensen toe te wijden en aan Hem en in gemeenschap met Hem willen denken voor zover ons dat mogelijk is.
Evenals de Heer gedaan had met betrekking tot de beker die Hij moest drinken, had de apostel Hem drie keer gebeden dat de doorn zou worden weggenomen. Maar het Goddelijke leven wordt gevormd door het afleggen van het eigen ik. En omdat we onvolmaakt zijn moeten we wat de praktijk betreft afleggen wat we wat de waarheid betreft, als we zien op onze positie in Christus, al hebben afgelegd. Dit wordt bewerkt door het vernederende besef, waarvan we ons bewust worden, van de totale ongeschiktheid van het vlees, dat wij zo graag bevredigen, voor de tegenwoordigheid van God en voor de dienst waartoe we geroepen zijn. We mogen blij zijn als dat gebeurt om te voorkomen dat we vallen, en niet door de vernedering van een val zelf, zoals dat met Petrus gebeurde! Het verschil is duidelijk. In dat geval was het zelfvertrouwen vermengd met eigenwil ondanks de waarschuwingen van de Heer. Maar hier was het zo, hoewel het toch het vlees was, dat de aanleiding gevormd werd door de openbaringen die aan Paulus waren gedaan. Als we in de tegenwoordigheid van God leren wat de neiging van het vlees is, zullen we nederig uit Gods tegenwoordigheid komen. Dan zullen we ontkomen aan vernedering. Maar in het algemeen, en in sommige opzichten zal dat met ons allen zo zijn, moeten we de openbaringen ervaren die ons opheffen tot God, in welke mate dat ook mag zijn. Terwijl we ook moeten ervaren wat het vat is, waarin het vlees in bedwang gehouden wordt door de pijn die het ons geeft door het besef van wat het is – ik zeg niet doordat we werkelijk vallen.
In Zijn regering weet God dezelfde omstandigheden waardoor we lijden voor Christus te gebruiken om ons te tuchtigen in het vlees. En dit verklaart ook Hebreeën 12:1-11. De apostel predikte en als men hem verachtte in zijn prediking leed hij werkelijk voor de Heer. Maar tegelijk tuchtigde dit het vlees en voorkwam het dat de apostel zichzelf verhief op de openbaringen die hij genoot en de kracht die daaruit voortvloeide en waarmee hij de waarheid uiteenzette. In de tegenwoordigheid van God, in de derde hemel, voelde hij werkelijk dat de mens niets was en dat Christus alles was. Nu moest hij hetzelfde praktisch ervaren hier beneden. Want het vlees moet tenietgedaan worden, waar dat nog geen realiteit is, door het besef dat we in de praktijk krijgen van het kwaad dat in het vlees is. Zo wordt het voor ons bewustzijn tenietgedaan doordat we persoonlijk ervaren wat het vlees is. Want wat was het vlees van Paulus anders dan een lastige metgezel in zijn werk? Het hinderde hem moreel alleen maar in zijn werk door hem van God af te trekken. Het bedwingen van het vlees dat we voelen en oordelen is een bijzonder nuttige oefening voor het hart.
Let hier op de heerlijke positie van de apostel, als opgenomen in de derde hemel. In zo iemand kon hij roemen, omdat het eigen ik volkomen verdwenen was bij de dingen waarmee hij in verbinding stond. Hij roemde niet alleen maar in die dingen, en evenmin zegt hij dat hij roemde “in zichzelf”. Het eigen ik was volkomen uit het oog verloren toen hij die dingen genoot die onuitsprekelijk voor hem waren als mens toen hij terugkeerde in het bewustzijn van het eigen ik. In zo iemand wilde hij roemen. Maar in zichzelf, als in het vlees gezien, wilde hij niet roemen, behalve in zijn zwakheden. Maar is het aan de andere kant niet vernederend te bedenken dat iemand die zo hoog verheven werd en zulke openbaringen genoot, de pijnlijke ervaring moest ondergaan van wat het vlees is, boos, verachtelijk en zelfzuchtig?
Let ook op het verschil tussen Christus en ieder ander mens. Christus kon op de berg zijn in heerlijkheid met Mozes en door de Vader Zelf erkend worden als Zijn Zoon, en Hij kon op de vlakte zijn in de tegenwoordigheid van satan en van de schare. Maar ondanks het grote verschil tussen deze tonelen is Hij in beide even volmaakt. We zien bewonderenswaardige openbaringen van liefde bij de apostelen en vooral bij Paulus. We zien werken die, zoals Jezus zei, groter zijn dan die van Hemzelf. We zien oefeningen van het hart en verbazingwekkende hoogten door genade. Kortom we zien een wonderbare kracht die door de Heilige Geest in deze buitengewone dienstknecht van God geopenbaard wordt. Maar we vinden niet de gelijkmatigheid die Christus kenmerkte. Hij was de Zoon des mensen die in de hemel was. Mensen zoals Paulus zijn snaren die God aanraakt en waarmee Hij wonderbare muziek maakt, maar de muziek zelf is Christus alleen.
Merk ten slotte ook op dat de vernedering die nodig is om het opstandige vlees tot niets te reduceren door Christus gebruikt wordt om Zijn kracht daarin te openbaren. Als we zo vernederd zijn leren we onze afhankelijkheid. Alles wat van ons is, alles wat het eigen ik vormt is een verhindering. De zwakheid is dat waardoor het vernederd en ten onder gebracht wordt, waarin zwakheid een realiteit wordt. De kracht van Christus wordt daarin volbracht. Het is een algemeen beginsel. Menselijk gesproken was het kruis zwakheid. De dood is het tegenovergestelde van de kracht van de mens. Toch werd daarin de kracht van Christus geopenbaard, daarin volbracht Hij Zijn heerlijke verlossingswerk.
Als hier sprake is van zwakheid is het onderwerp niet de zonde in het vlees, maar dat wat in tegenstelling staat tot de kracht van de mens. Christus steunde geen ogenblik op menselijke kracht. Hij leefde door de Vader die Hem gezonden had. Alleen de kracht van de Heilige Geest werd in Hem geopenbaard. Maar bij Paulus was het nodig dat het vlees tot zwakheid gereduceerd werd, opdat de werking van de zonde daarin niet zou worden gevonden die het vlees eigen is. Toen het vlees gereduceerd was tot zijn werkelijke onbekwaamheid wat het goede betreft – en wel op een in het oog vallende manier – kon Christus Zijn kracht daarin openbaren. Die kracht bezat werkelijk het juiste karakter. Let er goed op dat dit altijd het karakter ervan is: kracht die in zwakheid wordt volbracht. De gezegende apostel kon roemen in een mens in Christus daarboven, die al deze gelukzaligheid genoot, deze wonderbare dingen die het eigen ik uitsloten, zover waren ze verheven boven alles wat wij zijn. Terwijl hij ze genoot was hij zich niet bewust van het bestaan van zijn lichaam. Toen hij zich er weer van bewust was, kon dat wat hij gehoord had niet worden weergegeven in die mededelingen, die het lichaam als instrument nodig hebben en menselijke oren als middel om ze te begrijpen. Hij roemde in die mens in Christus daarboven. Hier beneden roemde hij alleen in Christus Zelf, en in die zwakheid die er aanleiding toe vormde dat de kracht van Christus in hem woonde. Zo was die zwakheid het bewijs dat deze kracht alleen de kracht van Christus was en dat Christus hem gebruikte als een vat voor de openbaring ervan. Maar toch gebeurde dit door pijnlijke ervaringen. Eerst zagen we dus de mens in Christus, dan als tweede de mens waarin de kracht van Christus woont. Voor de eerste betekende de mens wat het vlees betreft niets. Wat de tweede betreft is het vlees geoordeeld en vernederd, in zwakheid veranderd, opdat we afhankelijk zijn en de kracht van Christus geopenbaard zal worden. Er is dus een drijfveer, een onuitsprekelijke bron voor de dienst daarboven. Maar de kracht wordt openbaar als de mens zoals hij in deze wereld is vernederd wordt en tot niets gereduceerd wordt – de echte waarde die hij heeft in de dingen van God. Dan openbaart Christus die kracht in hem die zich niet kon verbinden met de kracht van de mens en die daar evenmin op enige manier van afhankelijk kon zijn. Als het werktuig zwak was, zoals ze beweerden, dan moest de kracht die gewerkt had niet die van het instrument zijn geweest, maar de kracht van Christus.
Zoals we in het begin van deze brief dus de echte kenmerken van de dienst zagen in verbinding met de voorwerpen die er dat karakter aan gaven, zo vinden we hier de praktische kracht van de dienst en de bron van die kracht in verbinding met het vat waaraan het getuigenis was toevertrouwd. We zien de manier waarop deze dienst werd uitgeoefend, doordat een sterfelijk mens in verbinding gebracht werd met de onuitsprekelijke bronnen waaruit die dienst voortvloeide en met de levende, aanwezige, actieve kracht van Christus. Zo was hij bekwaam voor zijn dienst en volbracht hij hem toch niet in zijn eigen vleselijke kracht – wat op zichzelf al onmogelijk is 9.
Daarom roemde de apostel in zijn lijden en zijn zwakheden. Hij had wel als een onzinnige moeten spreken, omdat zij die zelf over de voortreffelijkheid van zijn dienst hadden moeten spreken hem er nu toe hadden gedwongen dit te doen. Want hij had al de opvallende bewijzen van zijn apostolische dienst in hun midden getoond. Als ze in enig opzicht achtergesteld waren bij andere gemeenten met betrekking tot de bewijzen van zijn apostelschap, dan was het daarin dat ze niets hadden bijgedragen tot zijn levensonderhoud. Hij kwam nu opnieuw, maar dit bewijs zou nog steeds ontbreken. Hij wilde liever zichzelf voor hen opofferen, zoals een zorgzame vader. Zelfs al zouden ze hem minder liefhebben, naarmate hij hen meer liefhad. Of wilden ze beweren dat hij wel de schijn had opgehouden door zelf niets aan te nemen, maar dat hij zich toch schadeloos wist te stellen door Titus te gebruiken om iets van hen te ontvangen? Dat was beslist niet zo. Ze wisten heel goed dat Titus in dezelfde geest als de apostel onder hen had gewandeld. Het is een droevige bezigheid voor iemand die boven zulke ongelukkige motieven staat en boven deze manier om de dingen te beoordelen en te waarderen, iemand die zelf vervuld is met deze Goddelijke en heerlijke motieven van Christus, als hij genoodzaakt wordt af te dalen tot die motieven die de egoïstische harten vervullen van de mensen waarmee hij te maken heeft. Want de motieven van zulke harten staan op hetzelfde niveau als die waardoor de wereld die hen omringt bezield en geregeerd wordt. Maar de liefde moet alle dingen verdragen en om anderen denken, ook al kan ze niet denken zoals zij dat doen.
Was het dan zo dat de apostel de Korinthiërs beschouwde als rechters van zijn gedrag? Hij sprak voor Gods aangezicht in Christus. Maar hij was alleen bang dat hij bij zijn komst velen die de naam van Christus beleden in dezelfde toestand zou aantreffen als de wereld van de ongerechtigheid die hen omringde. Zodat hij onder hen vernederd zou worden en zou moeten treuren over velen die vroeger gezondigd hadden en nog geen berouw hadden over hun misdaden.
Hoofdstuk 13
Hij kwam nu voor de derde keer. Alles zou vaststaan door het getuigenis van twee of drie getuigen. En ditmaal zou hij hen niet sparen. De apostel zegt: “Dit is [de] derde keer dat ik naar u toe kom”, maar hij voegt eraan toe, “als de tweede keer aanwezig en nu afwezig”. Dit is omdat hij daar een keer geweest was, daarheen gereisd zou zijn op weg naar Macedonië en een tweede keer zou komen, maar dit niet gedaan had vanwege de toestand waarin de Korinthiërs waren. Maar deze derde keer kwam hij en hij had het hun van tevoren gezegd; en hij zei het van tevoren, alsof hij de tweede keer gegaan was, hoewel nu afwezig, dat als hij weerkwam niemand gespaard zou worden.
Dan maakt hij een eind aan de twijfel over zijn dienst door een gedachte voor te stellen die hen wel in de grootste verwarring moest brengen. Als Christus niet door hem had gesproken, dan woonde Hij niet in hen. Maar als Christus in hen was, dan moest Hij door de apostel hebben gesproken, want hij was het middel voor hun bekering geweest. “U zoekt immers een bewijs”, zegt hij, “dat Christus in mij spreekt… onderzoekt dan uzelf of u in het geloof bent; beproeft uzelf. Of erkent u van uzelf niet, dat Jezus Christus in u is? Zo niet, dan bent u verwerpelijk”. Nu, dat dachten ze in geen geval. Daarom moest dit argument hen wel helemaal van hun stuk brengen. Hun dwaze en domme verzet, hun ongepaste minachting voor de apostel, maakte hen dus zelf te schande. Wat een dwaasheid om zich te laten meeslepen door een gedachte die hen in hun eigen ogen ongetwijfeld verheerlijkte, maar die tegelijk noodzakelijk ook het eind betekende van hun eigen christen zijn! Want dat was het gevolg van het in twijfel trekken van het apostelschap van Paulus.
Vanaf “die jegens u niet zwak is” tot het eind van vers 4 is een tussenzin, die wijst op het karakter van zijn dienst volgens de beginselen die in het vorige hoofdstuk naar voren waren gebracht. Namelijk zwakheid en wat leidde tot verachting van de kant van de mens, maar kracht van de kant van God. Evenals Christus in zwakheid was gekruisigd en weer was opgewekt door Gods kracht. Als de apostel zelf zwak was, was dat in Christus. Maar hij leefde ook in Hem, door de kracht van God, jegens de Korinthiërs. Hoe het ook met hen gesteld mocht zijn, hij hoopte dat zij zouden erkennen dat hij niet verwerpelijk was. Alleen bad hij van God dat zij niets kwaads zouden doen. Niet opdat hij niet verwerpelijk zou zijn (dat is waardeloos in zijn dienst, want hij spreekt hier over de dienst), maar opdat zij het goede zouden doen ook al zou hij verwerpelijk zijn. Want hij vermocht niets tegen de waarheid, maar wel voor de waarheid. Hij heerste niet over de Korinthiërs uit eigenbelang, maar hij was blij dat hij zwak was, opdat zij sterk zouden zijn. Want wat hij wenste was hun volmaking. Maar hij schreef terwijl hij afwezig was, zoals hij gezegd had, opdat hij bij zijn aanwezigheid niet zou zijn genoodzaakt streng op te treden, volgens het gezag dat de Heer hem had gegeven om op te bouwen en niet om af te breken.
Hij had geschreven wat zijn hart – vervuld en geleid door de Heilige Geest – hem had ingegeven. Hij had zijn hart helemaal uitgestort. En moe van de inspanning, om zo te zeggen, eindigt hij de brief nu met enkele korte zinnen: “Verblijdt u, wordt volmaakt, weest getroost, weest eensgezind, houdt vrede”. Wat er ook mocht gebeuren, dit was wat hij hun toewenste, en dat de God van liefde en vrede met hen zou zijn. Hij vertrouwt op deze wens, terwijl hij hen vermaant elkaar met liefde te groeten, zoals al de heiligen – hijzelf inbegrepen – hen groetten, en bidt dat de genade van de Heer Jezus Christus en de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest met hen allen zou zijn.
EINDE 2e KORINTHE BRIEF
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 7.2
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- Overdenking over 2 Korinthe, H. Rossier
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten:
1 Het begin van deze brief stelt de proefondervindelijke kracht voor van wat leerstellig geleerd wordt in Romeinen 5:12 tot hoofdstuk 8, en is bijzonder leerzaam in dit opzicht. Het is niet zozeer Kolosse en Efeze; de praktische vrucht van de leer is daar de openbaring van Gods eigen karakter. Tot op zekere hoogte hebben we echter de volbrenging van wat geleerd wordt in Kolosse.
2 Dit “wij weten” is in feite een specifieke uitdrukking voor het deel van christenen, dat ze als zodanig kennen. “Wij weten dat de wet geestelijk is”, “wij weten dat de Zoon van God gekomen is”, enzovoort.
3 De waarheid is dat de rechterstoel onze zekerheid voor God het meest doet uitkomen. Want zoals Hij is, zo zijn wij in deze wereld. En als Christus zal verschijnen zullen we Hem gelijk zijn.
4 We moeten opmerken dat in vers 20 het woord “u” moet worden weggelaten. Het was de manier waarop de apostel zijn dienst vervulde ten opzichte van de wereld.
5 Dit vers is een aanhaling uit Jesaja 49:8, waar sprake is van de zegen die tot de volken zou komen toen Christus verworpen was door de joden, maar door middel van het werk van Christus en door de opstanding.
6 Wat een gezegende toestand is dit! Als hij buiten zichzelf en buiten een toestand van kalme overdenking is, is zijn aandacht volkomen op God gericht en is hij alleen met God bezig. Maar als hij nuchter nadenkt en rekent is hij liefdevol bezig om het welzijn van zijn broeders, de leden van Christus, te zoeken. Hij is óf in vervoering met God bezig en in gemeenschap met Hem, of vervuld met Hem om alleen aan anderen te denken en in liefde met hen bezig te zijn.
7 De lezer zal opmerken dat dit gedeelte ons twee dingen voorstelt: God is tegenwoordig in de gemeente van hen die van de wereld zijn afgezonderd en Hij wandelt in hun midden, zoals Hij ook deed in het geval van Israël in de woestijn toen ze uit Egypte waren gegaan. Maar de afzonderlijke personen die de gemeente vormen komen in de relatie van zonen en dochters.
8 Een groot hart spreekt niet gauw over zijn gevoelens, omdat het aan anderen denkt en niet aan zichzelf. Maar het is niet bang om erover te spreken als er aanleiding toe is. Want het denkt aan anderen en zijn gevoelens hebben diepe bedoelingen die heel het gedrag ervan bepalen. En het christendom geeft een groot hart. En bovendien wekt zo’n hart vanzelf vertrouwen en krijgt het zo invloed, die het zelf niet zoekt, want het is onzelfzuchtig. De apostel bewaarde zorgvuldig zijn werkelijke relatie met hen om hun bestwil.
9 Dit is helemaal een bijzonder hoofdstuk. We zien christenen in de hoogste en in de laagste toestand, in de derde hemel en werkelijk diep gezonken in de zonde. De apostel roemt in de eerste, een mens in Christus. Het is ook juist als wij daarin roemen, in een mens in Christus. Want dat is onze positie in Christus en wat dat betreft is het van ons allen waar, ook al hebben we dat niet in een gezicht ervaren. Maar wat betreft dat wat hij in zichzelf is, moet hij volkomen tenietgedaan worden. Maar noch het roemen in de mens in Christus, noch het tot niets gereduceerd worden in het vlees betekent kracht. Het laatste is alleen de weg ertoe. Maar als hij dan niets is, is de kracht van Christus met hem en woont in hem. Zo heeft hij kracht voor de dienst. De mens in Christus is zijn eigen plaats. Christus in, of Zijn kracht in, de mens is zijn kracht om te dienen. We zien in dit hoofdstuk dus het hoogste inzicht dat de Geest geeft, het diepste falen in het vlees, en de weg tot kracht doordat het vlees tenietgedaan wordt, waarop de kracht van Christus met ons is, praktische kracht terwijl we in het lichaam zijn. Maar er zal het besef van zwakheid zijn, het gebrek aan evenredigheid tussen wat we zijn wat betreft het aarden vat en wat bediend en genoten wordt. Het gaat niet maar om wat kwaad is, maar om het aarden vat waarin de schat is.