34. Amos
34. Amos · uit de ‘Synopsis’ deel 4 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Inleiding
De profeet Amos is één van de profeten die de zedelijke toestand van het volk behandelt. Hij spreekt voornamelijk over Israël, dat, zoals we in de historische boeken al hebben gezien, in het bijzonder het volk als zodanig voorstelt. Juda was niet meer dan een erfdeel van het huis van David, al bevatte het ongetwijfeld altijd een overblijfsel van het volk.
Deze profetie, die zich niet zo ver naar het einde in de geschiedenis van Israël uitstrekt als die van Hosea, heeft ook niet zo’n vurige stijl als deze. De zonde wordt niet met dat verterend vuur van naijver en zedelijke wraak behandeld, als we vinden in de vurige en gebroken stijl van de profeet Hosea. Ongetwijfeld wordt er nergens beslister tegen het kwaad gesproken dan Amos doet. Maar hoewel zeer eenvoudig, spreekt hij als het ware vanaf een hoger niveau. In Hosea ziet men de door de Heilige Geest gewerkte zielsangst van een man, die het kwaad in het volk, dat hij liefhad als het volk van God, niet kan verdragen. Bij Amos daarentegen ziet men meer de kalmte van Gods eigen oordeel. Er zijn veel minder bijzonderheden over de zonde. Er worden zekere in het oog vallende overtredingen van een bijzonder karakter genoemd en het meest volkomen en absolute oordeel wordt aangekondigd.
Hoofdstuk 1-2
Direct in het begin zien we, hoe Jahweh vanaf de plaats van Zijn troon Zijn rechten proclameert. Hij brult uit Sion en verheft Zijn stem uit Jeruzalem. Later, helemaal aan het eind, wordt het herstel van het huis van David en van Israël zelf aangekondigd. Men kan nog opmerken, dat, voordat het oordeel over Israël en Juda wordt uitgesproken, dat over de omliggende volken wordt bekend gemaakt. En wel op grond van hun vijandige en wrede houding tegenover het volk van Israël, en ook om hun wreed karakter, dat in wezen tegengesteld is aan de gevoelens van menselijkheid. Want God houdt rekening met al deze dingen.
Syrië moet als gevangene naar Assyrië worden weggevoerd. Het middel, dat gebruikt zal worden om de anderen te oordelen, wordt niet genoemd. Gaza en de Filistijnen, Tyrus, Edom, Ammon en Moab passeren achtereenvolgens de revue en ten slotte Juda en Israël.
God gaat veel dieper en tot in bijzonderheden wat betreft de zonden van Zijn volk. Hij geeft wel aan wat de kenmerken zijn van de verschillende volken die geoordeeld worden, maar ten aanzien van Israël daalt Hij af in bijzonderheden. We kunnen hier opnieuw opmerken, dat deze oordelen van Jahweh betrekking hebben op de volken, die zich gevestigd hebben op het grondgebied dat aan Abraham was beloofd, en volgens deze gave van God aan het volk van Israël toehoorde. God reinigt Zijn land van wat het bezoedelt en als gevolg, helaas, ook van Juda en van Israël. Maar tegelijkertijd eist Hij Zijn eigen rechten op en handhaaft ze, want Hij wil ze in de laatste dagen in genade ten behoeve van Israël uitoefenen.
Men ziet hier de dwaasheid van de hoop van de vijanden, die de val van Israël zochten, met de gedachte er eigen voordeel bij te vinden. Ongetwijfeld kan God Zijn volk bestraffen, want Hij moet Zijn eigen karakter openbaren, maar de boosaardigheid van Israëls vijanden doet ook over hen Zijn oordeel komen.
Ten aanzien van Juda wijst Jahweh in het bijzonder op hun verachten van de wet en hun ongehoorzaamheid aan Zijn geboden.
Bij Israël heeft de zonde waarop gewezen wordt, meer een karakter van onafhankelijkheid van de wet. Dit kan men gemakkelijk begrijpen, als men de positie van dit volk in aanmerking neemt. Het was verbonden met die afwijking van de vreze Gods, die de mens toestaat de vrije loop te geven aan de zelfzucht van zijn hart, en hen te verdrukken op wie de ogen van God gericht zijn. Ze verkopen de rechtvaardige voor geld en de arme voor een paar schoenen. Ze maken zich niet bezorgd over het lijden van de armen. Juist bij het altaar, waarvan men beweert dat het het altaar van Jahweh is, leggen ze zich neer op de kleren die uit armoede verpand zijn, en vieren feest van de boeten, die voor de overtredingen worden opgelegd. Toch had God hen uit Egypte laten optrekken en hun vijanden vernietigd, om hen in het bezit te stellen van hun land. Hij had hun de tekenen gegeven van de heel bijzondere relatie, waarin ze met Hem stonden, hetzij door personen die voor Hem afgezonderd waren, hetzij door hen die Hij in Zijn Naam had gezonden. Maar de eerstgenoemden hadden ze verleid om zichzelf te verontreinigen (de Nazireeërs), de anderen om niet te profeteren in de Naam van Jahweh. Het hart van God was door hun zonde als het ware verpletterd en Zijn oordeel zou dan ook over hen komen. De beschuldiging, de armen te hebben veracht, wordt vaak in deze profetie herhaald (hoofdstuk 2:7; 4:1; 5:11; 8:6), en dit speciaal in verband met Israël.
Hoofdstuk 3
Nadat God elk van de volken heeft genoemd, die zich op het grondgebied bevonden dat beloofd was aan Abraham, richt Hij Zich tot Israël en Juda gezamenlijk – de gehele familie, die Hij uit Egypte had uitgevoerd. Deze alleen had Jahweh gekend, van alle geslachten van de aarde. Daarom zou Hij hen straffen voor hun ongerechtigheden; een ernstig, maar zeer eenvoudig beginsel. Als we de positie van getuigen innemen, een getuigenis voor God, dan is het nodig dat dit getuigenis naar het hart en volgens de beginselen van God is; dat het Zijn karakter niet vervalst; dat onze wandel in overeenstemming is met onze positie. En hoe rechtstreekser dit getuigenis is, hoe jaloerser God zal zijn ten opzichte van Zijn heerlijkheid en onze trouw. Het oordeel begint bij Zijn huis. Als er kwaad in de stad was, dan was dit omdat Jahweh in oordeel had ingegrepen. Twee kunnen niet samengaan zonder dat ze het eens geworden zijn. Twee belangrijke verklaringen worden aan dit beginsel verbonden. Als God tussenbeide komt en Zijn machtige en vreselijke stem laat horen, dan is dit, omdat er een oorzaak is. Aan de andere kant zou God niet handelen, zonder Zijn volk te waarschuwen. Hij zou niets doen, zonder het te openbaren aan Zijn dienstknechten de profeten. Maar de leeuw had gebruld – moest men niet vrezen? Jahweh had gesproken, de profeet kon niet zwijgen. Dit was de toestand in Israël. Het is dan ook tot dit laatste koninkrijk, dat de Geest van God voor het ogenblik in het bijzonder spreekt. Er zou niets dan enkele kleine brokstukken van overblijven, zoals stukjes van een lam, die men redt uit de muil van een leeuw, nadat hij het verscheurd heeft. Ten slotte noemt Jahweh, als Hij over Israël spreekt, hun afgodische altaren en kondigt aan, dat al de heerlijkheid van het volk zou worden verdorven. Men kan hier nog opmerken, hoe het koninkrijk van Israël voor het gehele volk wordt genomen, hoewel Juda op zijn beurt genoemd en geoordeeld wordt (zie verzen 9,12-14).
Hoofdstuk 4-8
Hoofdstuk 4. Met uitzondering van de eerste twee hoofdstukken, die bij elkaar horen, bevat elk hoofdstuk van Amos een afzonderlijke profetie. Hoofdstuk 4 spreekt van de onderdrukking van de armen, en de cultus die door de kinderen Israëls – naar eigen goeddunken – in de plaatsen die ze hadden gekozen, werd gehouden. God zou ook handelen, zoals Hij het juist achtte. Ja, Hij had het zelfs al gedaan en toch waren ze niet tot Hem teruggekeerd. Hij had Zijn straffen op de meest betekenisvolle wijze herhaald, maar tevergeefs. Daarom roept Hij Israël toe zich voor te bereiden om hun God te ontmoeten.
Hoofdstuk 5. Na het verval van Israël betreurd te hebben, laat God de tegenstelling uitkomen tussen de plaatsen van hun valse eredienst en Jahweh, de Schepper, en maant hen aan tot Hem te komen om het leven te hebben. Maar Israël wees de gedachte aan de kwade dag af; het kwaad had de overhand. De verstandige bewaarde het stilzwijgen, want het was een kwade dag. Toch roept de Geest tot bekering. Misschien zou Jahweh medelijden hebben met de verdrukking van Jozef. Toch waren er te midden van al deze ongerechtigheden, mensen die beleden naar de dag van Jahweh te verlangen. De profeet kondigt hun aan, dat dit een dag zou zijn van ontzetting en oordeel, van duisternis en niet van licht. Zij zouden van het ene onheil in het andere vallen. Jahweh had geen welgevallen aan hun gaven en hun offers. Hij verdroeg hun plechtige feesten niet. Hij wilde gerechtigheid en oordeel. Maar van het begin af was het volk hetzelfde geweest. Zij hadden niet Hém aangebeden in de woestijn, maar hun Moloch en hun Remfan, die zij zichzelf hadden gemaakt. Ze zouden als gevangenen worden weggevoerd, en zelfs nog verder dan het land, dat nu het voorwerp van hun vrees was.
Dit laatste beroep van de profeet bevat zeer belangrijke onderwijzingen. Het boze beginsel, dat hun verderf was, was al vanaf het begin aanwezig geweest. De tussenkomst van de macht van God had het tegengehouden en de gevolgen ervan afgewend, maar het was er. Toen het geloof en de vroomheid verminderden en menselijke belangen het niet langer tegenstonden, openbaarde hetzelfde kwaad zich opnieuw. De kalveren van Dan en Bethel waren maar een vernieuwing van het kalf, dat ze in de woestijn hadden gemaakt. Het volk van Israël toonde zich in zijn ware karakter, ondanks al het geduld van God. Het oordeel dateert al van de eerste handeling af, die liet zien wat in hun harten was.
Opnieuw zien we, hoe Israël hier in zedelijk opzicht als één geheel wordt gezien, hoewel er gesproken wordt over de tien stammen. Maar dit wordt in de gehele profetie op een klare en opvallende wijze duidelijk gemaakt.
Hoofdstuk 6. Dit staat stil bij het valse vertrouwen, waardoor de hoofden van Israël werden misleid. Een soortgelijk oordeel als dat van Kalné en Hamath zou Israël kunnen treffen. De groten gaven zich over aan weelde, alsof alles voorspoedig was. Ze hadden geen gevoel voor de verbreking van Jozef. Ze zouden het eerst als gevangenen worden weggevoerd. Jahweh zou Israël aan de verwoesting prijsgeven. Hij zou de hoogmoed van Jakob verafschuwen. Want zij vertrouwden op dat wat niets dan ijdelheid was; in hun gouden kalf. Maar Hij, Die zij verachtten, zou een vijand verwekken die hen zou verdrukken, van Hamath af tot aan de grens van Egypte.
Hoofdstuk 7. God had lange tijd geduldig gewacht. Meer dan eens had Hij op het punt gestaan Israël aan het oordeel over te geven. De bemiddeling van de profeet, dat wil zeggen van de Geest van Christus Die in hem werkte, had de gesel tegengehouden, (zoals we in Psalm 18 zien, was de kracht van deze bemiddeling in werkelijkheid gegrond op het lijden van Christus). Maar nu zou Jahweh Zich verheffen om het oordeel uit te voeren. Het paslood was in Zijn hand en niets kon Hem ervan terugbrengen. Met het huis van Jehu zou Israël vallen. En dit is werkelijk gebeurd. Misschien hebben de voorgaande oordelen betrekking op de val van het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en op die van het huis van Achab. Israël was na elk van deze gebeurtenissen opgericht, maar niet na de val van het huis van Jehu.
Een dergelijke profetie paste niet in het heiligdom van de koning. Een godsdienst, die door de politiek van de mens zonder vreze Gods georganiseerd was, kan het getuigenis van de waarheid niet verdragen. Bethel was het huis van het koninkrijk. De priester bericht dit alles aan de koning. Laat de profeet weggaan naar Juda! Daar werd Jahweh erkend en kon de waarheid worden verkondigd. Maar hier was het niet de plaats voor deze onaangename waarheden. De koning was de regeerder in alle godsdienstige zaken; de mens was meester. Maar Jahweh doet geen afstand van Zijn rechten. Amos was geen profeet, noch de zoon van een profeet. Hij had deze functie niet van een mens en ook niet van de wens van zijn eigen hart. Jahweh had hem naar Zijn soevereine wil genomen en zijn woord was het Woord van Jahweh. De priester die dit woord tegenstond zou de gevolgen van zijn voorbarigheid moeten dragen en Israël zou zeker in gevangenschap gaan.
Hoofdstuk 8. Dit hoofdstuk brengt opnieuw de verklaring, dat Israëls einde was aangebroken ten gevolge van zijn ongerechtigheden, en dat God het niet langer zou verdragen. De profeet kondigt tegelijk de ellende aan waarin het volk zou komen, omdat het van elke leiding van Jahweh beroofd zou zijn. Zij, die hun vertrouwen stelden op de ijdelheden die Israël voor zichzelf had opgericht, zouden vallen en niet weer opstaan.
Hoofdstuk 9
Hier zien we, hoe Jahweh Zelf het oordeel zo leidt, dat Israël er op geen enkele wijze aan kan ontkomen. God zou hen behandelen, zoals Hij die volken behandelde die vreemden voor Hem waren, zoals de Filistijnen of de Syriërs, die Hij in Zijn voorzienigheid uit andere landen had laten optrekken. Toch zou God Israël niet vergeten. Hij voerde Zelf het oordeel uit, zodat, terwijl Israël onder al de volken gezift werd, er niet één korrel zou verloren gaan. De bozen die niet in het oordeel zouden geloven, zouden erdoor overvallen worden.
Op die dag, dat is de dag van Jahwehs eindoordeel, zou Hij de tabernakel van Jerobeam en van Jehu, waaraan Hij gedurende Zijn lankmoedige regering voor een tijd een plaats had gegeven, niet weer oprichten. Maar als vervulling van Zijn eigen raadsbesluiten van genade, zou Hij de tabernakel van David, Zijn uitverkorene, oprichten en deze in heerlijkheid weer opbouwen. Hij zou het geheel uit zijn ruïnes weer oprichten, opdat Zijn nageslacht het overblijfsel van Edom zou bezitten en van al de heidenen die tot de kennis van de Naam van Jahweh 1 zouden zijn gebracht. In die tijd zou Jahweh ook Israël weer uit hun gevangenschap terugbrengen en herstellen in volle zegen. Ze zouden genieten van de vruchten van hun land. Jahweh zou Zijn volk in hun land plaatsen en niemand zou hen weer rukken uit dat land, dat Hijzelf hun had gegeven.
Zo zien we dus, hoe in de profetie van Amos het oordeel over het koninkrijk van Israël wordt aangekondigd, maar dit oordeel wordt toegepast op het geheel van Israël als een volk. En we zien hoe zijn wederoprichting verzekerd wordt, in verbinding met het herstel van het huis van David in de laatste dagen. Dit herstel zou God volbrengen en niets zou het weer kunnen verderven. God zou hen planten; niemand zou ze uitrukken; een getuigenis dat zeker nog nooit is vervuld, maar dat zeker zal worden. Israël zal in zijn eigen land zijn en er nooit meer uit verwijderd worden.
In het algemeen stelt deze profeet ons dus geen grote openbare feiten van de regering van God voor, maar de wegen van God met Zijn volk, met het oog op hun zedelijke toestand. De tien stammen of wel het koninkrijk Israël wordt in deze profetie gezien als vertegenwoordiger van het gehele Israël, als verantwoordelijk volk. De gouden kalveren van Sinaï en Bethel vormen de zedelijke band tussen hun toestand in de tijd van Amos met hun oorspronkelijke positie, toen ze door de genade en macht van Jahweh uit Egypte waren uitgetrokken.
De profetie eindigt dan, zoals we al hebben gezien, met het herstel in zegen van het gehele volk, onder het huis van David, in overeenstemming met de soevereine genade van God die niet verandert. Dit zou voor het gehele volk: “de betrouwbare gunstbewijzen aan David” zijn.
EINDE BOEK AMOS
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 4.8
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- Gods bemoeiingen met Israël en de volken (over de kleine profeten), H. Rossier
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten:
1 Deze Schriftplaats wordt in Handelingen 15 door de apostel Jakobus aangehaald. Het is duidelijk, dat het hier in Amos betrekking heeft op de laatste dagen. Men heeft soms geprobeerd het in de Handelingen op hetzelfde tijdvak toe te passen, door de nadruk te leggen op de woorden: “Na dezen”. Maar ik ben ervan overtuigd, dat zij die dit doen de strekking van het argument van de apostel verkeerd hebben begrepen. Deze haalt de Schriftplaats alleen voor één enkele uitdrukking aan, zonder zich met de rest bezig te houden. Ik twijfel er niet aan, dat dat de reden is dat hij tevreden is met de vertaling van de Septuaginta. Deze uitdrukking is: “Alle volken waarover Mijn Naam is uitgeroepen”. Het vraagstuk was, of gelovigen uit de volken konden worden opgenomen zonder Jood te worden. Na dit beginsel te hebben bevestigd, toont Jakobus aan dat de profeten met zijn verklaring overeenstemden. Hij spreekt helemaal niet over de vervulling van de profetie, maar laat alleen zien, dat de profeten het beginsel bevestigen, dat mensen uit de volken de Naam van Jahweh zouden dragen: “alle volken waarover Mijn Naam is uitgeroepen”. Er zouden dus zulke mensen zijn op wie deze woorden van toepassing waren. God kende van de grondlegging van de wereld af al Zijn werken, wat het tijdstip ook zou zijn waarop ze geopenbaard moesten worden.