46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28) · uit de ‘Synopsis’ deel 5 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Hoofdstuk 16
Dit hoofdstuk gaat verder dan de openbaring van de genade van God alleen. Jezus openbaart wat weldra gevormd zou worden naar de raadsbesluiten van die genade. Hij doet dit waar Hij wordt erkend, en laat zien dat de hoogmoedigen van het volk verworpen zullen worden; dat Hij hen veracht zoals zij Hem verachten (Zacharia 11). Door de verdorvenheid van hun wil, hun ogen sluitend voor de buitengewone en weldadige tekenen van Zijn macht, die dagelijks bewezen werden aan de armen die Hem zochten, begeren de farizeeërs en sadduceeërs een teken van de hemel. Ze waren getroffen door deze openbaringen maar bleven in hart en wil ongelovig. De Heer verwijt hun hun ongeloof en laat hen zien, dat ze wel de tekenen van het weer wisten te onderscheiden, hoewel de tekenen van de tijden nog veel meer in het oog lopend waren. Ze waren een overspelig en boos geslacht, en Hij verliet hen. Dit is een veelbetekenende uitdrukking van wat op dat ogenblik in Israël plaatsvond.
Hij waarschuwt Zijn vergeetachtige discipelen tegen de strikken van deze sluwe vijanden van de waarheid en van Hem die God heeft gezonden om deze waarheid te openbaren. Israël als volk wordt, in hun leidslieden, verlaten. Tegelijk herinnert Hij in geduldige genade Zijn discipelen aan wat Zijn woorden tot hen uitlegde.
Daarna vraagt Hij Zijn discipelen wat de mensen in het algemeen van Hem denken. Maar al deze gedachten waren maar meningen, en hadden niets met geloof te doen. Dat wil zeggen, het was een onzekerheid die het gevolg is van zedelijke onverschilligheid en met de afwezigheid van bewuste geestelijke nood van de ziel, die alleen maar rusten kan in de Waarheid; in de Heiland die men gevonden heeft. Daarna vraagt Hij Zijn discipelen wat ze zelf van Hem dachten. En dan spreekt Petrus zijn geloof uit. Aan hem had de Vader Zich verwaardigd te openbaren, wie de Zoon was. Hij zegt: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God”. Hier is geen sprake van onzekerheid, van alleen maar een mening. Het is het machtige resultaat van de openbaring door de Vader Zelf gedaan van de Persoon van Christus, aan de discipel die Hij tot dit voorrecht verkoren had.
Hier openbaart de toestand van het volk zich op een bijzondere wijze. Niet, zoals in het vorige hoofdstuk, in verbinding met de wet, maar in verbinding met Christus die hen was voorgesteld. We zien de toestand van het volk hier in tegenstelling met de openbaring van Zijn heerlijkheid aan hen die Hem gevolgd waren. We zien dus drie klassen van personen:
- Hoogmoedige en ongelovige farizeeërs.
- Personen die zich bewust waren, en ook erkenden, dat er in Christus goddelijke macht en gezag was, maar die desondanks onverschillig bleven.
- En ten derde, de openbaring van God en het goddelijk gegeven geloof (in het getuigenis op aarde, zie de volgende verzen).
In hoofdstuk 15 wordt de genade, die bewezen wordt aan iemand die alleen maar op die genade kan hopen, geplaatst tegenover de ongehoorzaamheid aan – en huichelachtige verdraaiing van – de wet waarmee de schriftgeleerden en farizeeërs hun ongehoorzaamheid zochten te bedekken onder het voorwendsel van vroomheid. In hoofdstuk 16 wordt het ongeloof van de farizeeërs betreffende de Persoon van Christus veroordeeld, en worden deze verdorven mensen terzijde gesteld. De openbaring van de Persoon van Christus is het fundament van de Gemeente, die de plaats zou innemen van de joden als het getuigenis van God op aarde. En daarna geeft dit hoofdstuk nog de raadsbesluiten van God ten opzichte van de vestiging van de Gemeente en daarmee verbonden, het beheer van het koninkrijk zoals het nu op aarde zou worden gevestigd.
Laten we eerst de openbaring van Zijn Persoon overdenken. Petrus belijdt Hem als de Christus, de vervulling van de beloften van God en van de profetieën die de verwezenlijking daarvan aankondigden. Hij was Degene die komen zou, de door God beloofde Messias.
Bovendien was Hij de Zoon van God. Psalm 2 had verklaard, dat, ondanks de aanslagen van de leidslieden van het volk en de hooghartige vijandschap van de koningen van de aarde, Gods koning zou gezalfd worden op de berg Sion. Hij was de Zoon die door God was verwekt. De koningen en de rechters van de aarde 49 worden opgeroepen om zich aan Hem te onderwerpen als ze niet verpletterd willen worden onder de scepter van Zijn macht, als Hij de heidenen tot Zijn erfdeel zal nemen. Zo verwachtte de ware gelovige in die dagen de Zoon van God, op de juiste tijd op aarde geboren. Petrus belijdt dat Jezus de Zoon van God is. Nathanaël had het evenzo gedaan: “U bent de Zoon van God, U bent [de] Koning van Israël”. En later zei Martha ook hetzelfde.
Maar, bijzonder door de Vader geleerd, voegt Petrus aan zijn belijdenis een eenvoudig woord, maar vol van kracht toe: “U bent de Zoon van de levende God”. Jezus is niet alleen Degene die de beloften vervult en aan de profetieën beantwoordt. Maar Hij is de Zoon van de levende God, van Hem in Wie leven en levengevende macht is.
De Zoon erft deze macht van leven in God, die door niets overwonnen of vernietigd kan worden. Wie kan de macht overwinnen van Hem – van deze Zoon – die voortkwam uit “Hem die leeft?” Satan heeft de macht van de dood. Hij houdt de mens onder de heerschappij van dit verschrikkelijke gevolg van de zonde; en dat door het rechtvaardig oordeel van God, dat haar kracht vormt. De uitdrukking “de poorten van de hades”, van de onzichtbare wereld, slaat op dit rijk van satan. Nu, op deze macht van leven, die de sterke burcht van de vijand zonder kracht laat, is de Gemeente gebouwd. Het leven van God kan niet worden vernietigd. De Zoon van de levende God kan niet overwonnen worden. Wat God fundeert op deze rots van de onveranderlijke macht van leven in Zijn Zoon, zal door het rijk van de dood niet overweldigd worden. Al is de mens onderworpen en gevallen onder de macht van dit rijk: God, de levende God zal er niet door overwonnen worden. Op dit fundament bouwt Christus Zijn Gemeente. Het is het werk van Christus, gefundeerd op Hem als de Zoon van de levende God; niet van de eerste Adam, noch op deze gegrondvest. Ze is gefundeerd op Zijn werk dat volbracht is overeenkomstig de macht die deze waarheid openbaart. De Persoon van Jezus, de Zoon van de levende God, is de kracht ervan. In de opstanding is deze kracht gebleken. Daar is Hij verklaard als Zoon van God in kracht (Romeinen 1:4). Daarom begint dit werk ook niet tijdens Zijn leven, maar wanneer Hij is opgestaan. Het leven was in Hem.
Maar eerst nadat de Vader de poorten van de hades had verbrijzeld, nee, Hijzelf dit door Zijn goddelijke macht had gedaan, was opgestaan en ten hemel gevaren, begint Hij door de Heilige Geest te bouwen, wat door de macht van de dood of van hem die ze had, (maar al is overwonnen) nooit vernietigd kan worden. Zijn Persoon wordt hier bedoeld en op Zijn Persoon is alles gegrondvest. De opstanding is het bewijs dat Hij de Zoon van de levende God is, en dat de poorten van de hades tegen Hem niets vermogen. Hun macht is tenietgedaan door de opstanding. Hieruit zien we, dat de Gemeente (hoewel op aarde gevormd), veel meer is dan een bedeling. Het koninkrijk is dat niet.
Het werk op het kruis was noodzakelijk. Maar het gaat er hier niet om, wat het rechtvaardig oordeel van God eiste, of om de rechtvaardiging van een persoon, maar over dat wat de macht van de vijand tenietdeed. En het was aan Petrus gegeven de Persoon te kennen die leefde overeenkomstig de macht van het leven van God. Het was een geheel persoonlijke, bijzondere openbaring en rechtstreeks van de hemel door de Vader. Zeer zeker had Christus genoeg bewijzen gegeven van wat Hij was. Maar bewijzen hadden getoond niets uit te werken op het hart van de mens. De openbaring van de Vader was de weg om te weten wie Hij was, en dit ging ver uit boven de verwachting van een Messias.
Hier had dus de Vader rechtstreeks de waarheid geopenbaard betreffende de Persoon van Christus. Het was een openbaring die ver uitging boven elke vraag van verbindingen met de joden. Op dit fundament zou Christus Zijn Gemeente bouwen. Petrus, die door de Heer al met deze naam genoemd was, ontving bij deze gelegenheid een bevestiging van deze titel. De Vader had aan Simon, de zoon van Jona, het geheim van de Persoon van Jezus geopenbaard, en vervolgens geeft Jezus, in de naam die Hij aan Petrus geeft, uitdrukking aan de vastheid, de hechtheid en de praktische kracht van Zijn door genade bevoorrechte dienstknecht. Het recht om een naam te geven behoort aan een hogere macht, die aan hem die de naam draagt, zijn plaats en zijn naam kan toewijzen in de familie of in de positie waarin hij zich bevindt. Waar dit recht werkelijk aanwezig is veronderstelt het onderscheidingsvermogen en inzicht in dat wat gebeurt. Adam gaf namen aan de dieren; Nebukadnezar gaf nieuwe namen aan de joodse gevangenen; de koning van Egypte aan Eljakim die hij op de troon had geplaatst. Jezus neemt daarom deze plaats in als Hij tot Petrus zegt: Mijn Vader heeft u dat geopenbaard, en Ik ook…… Ik geef u een plaats en een naam die met deze genade verbonden is. Op wat de Vader u heeft geopenbaard ga Ik Mijn Gemeente bouwen 50, waartegen de poorten van het dodenrijk niets vermogen; (omdat ze gegrond is op het leven dat van God komt) en Ik, de Bouwmeester die op dat onbeweeglijk fundament bouw, Ik geef u de plaats van een steen (Petrus) in verbinding met deze levende tempel. Door de gave van God behoort u al van nature tot het gebouw, als een levende steen die de kennis bezit van die waarheid die het fundament ervan is en waardoor elke steen een deel wordt van het geheel.
Petrus was bij uitnemendheid zo’n steen door deze belijdenis. Door de verkiezing van God was hij al tevoren als zodanig gezien. De Vader had hem in Zijn soevereiniteit deze openbaring gegeven. De Heer, die het recht bezit van bestuur en gezag in het koninkrijk dat Hij ging oprichten, wijst hem tegelijk de plaats aan die hij zou innemen. Dit is dus alles met het oog op de Gemeente, die hier voor het eerst wordt genoemd, nadat de joden vanwege hun ongeloof verworpen waren en de mens van zonde was overtuigd.
In verband met de Gemeente die de Heer zou bouwen, is er hier nog een ander onderwerp. Het koninkrijk zou worden opgericht. Het moest, naar de raadsbesluiten van God, de gedaante hebben van het koninkrijk der hemelen. Maar waar de koning nu op aarde verworpen was zou het daardoor op een bijzondere manier gevestigd worden.
Maar hoewel Hij verworpen was, waren de sleutels van dat koninkrijk in de handen van de Heer. Het gezag kwam Hem toe. Hij wilde die sleutels aan Petrus toevertrouwen, die, na Zijn heengaan, de deuren van het koninkrijk zou openen; eerst voor de joden en daarna voor de heidenen. Hij zou ook, vanwege de Heer, gezag uitoefenen in het koninkrijk, zodat, wat hij binden zou op aarde in de naam van Christus (de ware Koning, hoewel nu naar de hemel gegaan) ook in de hemel gebonden zou zijn, en als hij iets zou ontbinden op aarde zijn daad in de hemel erkend zou zijn. Kortom, Petrus bezat het gezag in het koninkrijk van God op aarde; dat koninkrijk dat nu het karakter had van het koninkrijk der hemelen, omdat de Koning ervan in de hemel was 51 en de hemel zou zijn handelingen met haar gezag verzegelen. Maar hij ontbindt of bindt niet voor de hemel; het is de hemel die Petrus’ aardse handelingen sanctioneert. De Gemeente, gebouwd door Christus, en verbonden met het karakter van de Zoon van de levende God, behoort tot de hemel, hoewel ze op aarde gebouwd wordt. Het koninkrijk, hoewel vanuit de hemel geregeerd, behoort tot de aarde – het heeft haar plaats en dienst daar.
In dit gedeelte worden dus vier dingen door de Heer genoemd:
- De openbaring aan Simon door de Vader.
- De naam die aan deze Simon gegeven wordt door Jezus, die Zijn Gemeente ging bouwen op het fundament, geopenbaard in wat de Vader aan Simon had meegedeeld.
- De Gemeente, gebouwd door Christus Zelf, op het fundament van de Persoon van Jezus die als de Zoon van de levende God wordt erkend. Deze Gemeente is nog niet voltallig.
- De sleutels van het koninkrijk, die aan Petrus zouden worden gegeven, dat wil zeggen gezag om, wat de orde betreft, het koninkrijk voor Christus te besturen, door daarin alles te regelen wat Zijn wil is, wat dan in de hemel erkend zou worden.
Dit alles is met Simon persoonlijk verbonden, krachtens de verkiezing van de Vader (Die hem in Zijn wijsheid verkoren had om deze openbaring te ontvangen) en het gezag van Christus (Die hem de naam gegeven had welke aantoonde dat hij persoonlijk dit voorrecht had).
Nadat de Heer op deze wijze de voornemens van God voor de toekomst had bekendgemaakt, (voornemens die in de Gemeente en in het koninkrijk zouden worden vervuld), kon Hij Zich niet langer aan de joden als Messias voorstellen. Niet dat Hij het getuigenis opgaf, dat Hij vol genade en geduld tegenover het volk gedurende Zijn gehele dienst gegeven had. Dat ging door. Maar Zijn discipelen moesten begrijpen, dat het niet langer hun werk was, Hem aan het volk te proclameren dat Hij de Christus was. Vanaf dat ogenblik begon Hij ook Zijn discipelen te leren dat Hij moest lijden, gedood worden en opgewekt.
Maar, hoe gezegend en geëerd Petrus ook was door de openbaring die de Vader aan hem had gedaan, zijn hart hing nog op een vleselijke manier aan de menselijke heerlijkheid van zijn Meester (in werkelijkheid aan die van zichzelf), en hij was ver van zich te verheffen tot de hoogte van de gedachten van God. Helaas, hij is het niet alleen. Overtuigd te zijn van de meest verheven waarheden en ze zelfs oprecht als waarheid te genieten, is iets anders dan het hart gevormd te hebben tot de gevoelens en tot de wandel hier beneden, die in overeenstemming zijn met deze waarheden. Het is geen gebrek aan oprechtheid in het genieten van de waarheid! Wat ontbreekt is het vlees, het eigen ik, gedood te hebben – dood te zijn tot de wereld. We kunnen in oprechtheid genieten van de waarheid, als door God meegedeeld, en toch het vlees niet gedood hebben, of het hart in een toestand, die in overeenstemming is met die waarheid, in wat de gevolgen ervan zijn hier op aarde. Petrus, net geëerd door de hem gegeven openbaring van de heerlijkheid van Jezus, en op een geheel bijzondere manier de uitvoerder van het beheer in het aan de Zoon gegeven koninkrijk, en die zo een bijzondere plaats had in wat volgen zou op de verwerping van Christus door de joden, gaat nu het werk doen van de vijand, met het oog op de volmaakte onderwerping van Jezus aan het lijden en aan de schande die deze heerlijkheid zou invoeren en het koninkrijk zou kenmerken. Helaas, de zaak was duidelijk. Petrus dacht aan de dingen van mensen en niet aan de dingen van God. Maar de Heer verwerpt in Zijn getrouwheid Petrus hierin en onderwijst Zijn discipelen dat het kruis de enige, de vastgestelde en noodzakelijke weg is. Als iemand Hem wilde volgen, dat is de weg die Hij ging. Wat zou het een mens bovendien baten, als – hij zijn leven zou behouden, maar alles verliezen – de gehele wereld zou winnen, en zijn ziel verliezen? Want daar ging het om 52, en nu niet om de uiterlijke heerlijkheid van het koninkrijk.
Nu we dit hoofdstuk onderzocht hebben, als de uitdrukking van de overgang van het Messiaanse systeem naar de vestiging van de Gemeente, gegrond op de openbaring van de Persoon van Christus, wens ik nog de aandacht te vestigen op de verschillende vormen van ongeloof die hier worden gezien, zowel bij de joden, als in de harten van de discipelen. Het zal zeer leerzaam zijn deze verschillende vormen van ongeloof te bezien.
Het neemt zijn grofste vorm aan in het vragen om een teken van de hemel. De Farizeeërs en Sadduceeërs verenigen zich, om hun ongevoeligheid te tonen voor alles wat de Heer had gedaan. Ze vragen om een bewijs voor hun natuurlijke zinnen, dat is, voor hun ongeloof. Ze willen God niet geloven, noch in het horen naar Zijn woorden, noch in het aannemen van Zijn werken. God zou hun eigenwil moeten bevredigen, maar dat zou geen geloof zijn, noch het werk van God. Ze hadden inzicht in menselijke zaken, die veel minder duidelijk geopenbaard waren, maar ze verstonden niets van de dingen van God. Hen zou geen ander teken gegeven worden, dan dat van een Verlosser, die voor hen, als joden op aarde, verloren was. Ze zouden, of ze het wilden of niet, zich moeten onderwerpen aan het oordeel dat over hun ongeloof was uitgesproken. Het koninkrijk zou van hen genomen worden; de Heer verlaat hen. Het teken van Jona is met de gehele inhoud van het hoofdstuk verbonden.
Daarna vinden we dezelfde onoplettendheid voor de macht die in de werken van Jezus werd geopenbaard. Maar nu is het niet meer de tegenstand van de ongelovige wil, maar een bezig zijn van het hart met tegenwoordige dingen, waardoor het aan de invloed van al gegeven tekenen wordt onttrokken. Dit is zwakheid en niet de bedorven eigen wil. Toch zijn ze schuldig, maar Jezus noemt hen “kleingelovigen”, en geen huichelaars, of “een boos en overspelig geslacht.”
Tenslotte zien we het ongeloof openbaar worden in de vorm van een onverschillige mening, die aantoont dat het hart en het geweten geen belangstelling hebben voor het onderwerp dat alles voor hen moest zijn; een onderwerp dat, als het hart de werkelijke belangrijkheid ervan zou zien, hen zolang zou bezighouden totdat zij volkomen zekerheid hadden. Hier heeft de ziel geen gevoel van behoefte en als gevolg ook geen onderscheidingsvermogen. Als de ziel zijn behoeften kent, is er maar één ding dat daaraan kan voldoen, en ze kan niet rusten voordat ze dat gevonden heeft. De openbaring van God die behoeften opwekte, laat de ziel niet met rust, totdat ze verzekerd is van het bezit van het voorwerp dat de behoefte deed ontwaken. Die deze behoeften niet voelen, kunnen rusten in waarschijnlijkheden, ieder naar zijn eigen natuurlijk karakter, zijn opvoeding, of de omstandigheden. Er is genoeg om de nieuwsgierigheid op te wekken. De geest is er dan mee bezig en beoordeelt de dingen. Het geloof daarentegen, heeft behoeften en, in beginsel, inzicht over het voorwerp dat deze behoeften kan vervullen; de ziel is geoefend, tot ze vindt wat ze nodig heeft. Dat komt, omdat God er is.
Zo was het met Petrus. De Vader openbaart Zijn Zoon aan hem. Hoewel zwak, werd er toch een levend geloof bij hem gevonden. We zien de toestand van zijn ziel als hij zegt: “Heer, tot wie zullen we heengaan? Gij hebt de woorden van het eeuwige leven. En wij hebben geloofd en erkend dat Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”. Gelukkig de mens aan wie God zulke waarheden openbaart! En bij wie Hij zulke behoeften opwekt! Het kan zijn, dat er strijd is, dat er veel geleerd en veel gedood moet worden, maar de gedachten van God zijn aanwezig en het leven dat ermee verbonden is. De uitwerking hebben we bij Petrus gezien. Ieder christen heeft zijn eigen plaats in de Tempel waarvan Petrus zo’n voorname steen is. Maar volgt daar nu uit, dat het hart praktisch is op de hoogte van de gegeven openbaring? Nee. Na alles is het mogelijk, dat het vlees nog niet gedood is daar, waar deze openbaring onze aardse positie raakt.
In feite hield de openbaring die aan Petrus gedaan was in, dat Christus op aarde verworpen was, en dit leidde noodzakelijkerwijs tot Zijn vernedering en dood. Dat was het punt. Nu de openbaring van de Zoon van God, de Gemeente, en het hemelse koninkrijk, in de plaats was gesteld van de openbaring van de Messias op aarde, kon dit niets anders betekenen, dan dat Jezus aan de heidenen zou worden overgeleverd om gekruisigd te worden en daarna zou opstaan. Maar zover was Petrus zedelijk nog niet gekomen. Integendeel. Zijn vleselijk hart maakte gebruik van de aan hem gedane openbaring en van wat de Heer hem had gezegd, om zich te verheffen. Daarom zag hij de persoonlijke heerlijkheid van de Heer Jezus zonder de praktische zedelijke gevolgen ervan te begrijpen. Hij begint de Heer te bestraffen en Hem af te trekken van de weg van gehoorzaamheid en onderwerping. En dan behandelt de Heer, die altijd trouw is, hem als een tegenstander. Helaas! Hoe vaak hebben wij ons in de een of andere waarheid verheugd, en dat in oprechtheid. En toch daarna gefaald in de praktische gevolgen waartoe deze waarheid op aarde leidt! Een hemelse, verheerlijkte Heiland, die de Gemeente bouwt, betekent het kruis op aarde. En dat begrijpt het vlees niet. Het zal zijn Messias ten hemel toe verheffen als u dat wenst. Maar een aandeel nemen in de vernedering die noodzakelijk volgt, komt niet overeen met zijn idee van een verheerlijkte Messias. Het vlees moet gedood worden om deze plaats in te nemen. Wij moeten door de Heilige Geest, de kracht van Christus hebben. Een christen die niet dood is tot de wereld, is slechts een struikelblok voor ieder die Christus wil volgen.
Dit zijn de verschillende vormen van ongeloof, die een ware belijdenis van Christus voorafgaan, en die helaas ook gevonden worden in hen die Hem oprecht hebben beleden en kennen. Het vlees is niet zó gedood, dat de ziel kan wandelen op de hoogte van wat ze van God geleerd heeft, en het geestelijk inzicht verduistert, door te denken aan de gevolgen die door het vlees verworpen worden.
Maar, als het kruis de ingang is in het koninkrijk, zal de openbaring van de heerlijkheid niet op zich laten wachten. Nadat de Messias door de joden is verworpen, wordt er een heerlijker en veel belangrijker titel van de Heer geopenbaard. “De Zoon des mensen” zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, (want Hij is de Zoon van God), en ieder vergelden naar zijn werken. En er waren zelfs discipelen aanwezig, die de dood niet zouden smaken (want hierover spraken zij), voordat ze de openbaring van de heerlijkheid van het koninkrijk dat de Zoon des mensen toebehoorde, hadden gezien.
We moeten ons herinneren dat de titel “Zoon van God”, hier de grondslag is. De titel “Messias” wordt losgelaten, voor zover het het getuigenis betreft dat in die tijd was gegeven. Het wordt vervangen door die van “Zoon des mensen”, die Hij aanneemt op dezelfde tijd als die van “Zoon van God”, en waaraan een heerlijkheid verbonden is die Hem rechtens toebehoort. Hij moest komen in de heerlijkheid van Zijn Vader als Zoon van God, en in Zijn eigen koninkrijk als Zoon des mensen.
Het is belangrijk dat we hier eraan denken, wat we in het begin van de Psalmen vonden. De rechtvaardige – onderscheiden van de vergadering van de bozen – wordt voorgesteld in Psalm 1. In Psalm 2 vinden we dan de opstand van de koningen van de aarde en van de oversten van het volk tegen Jahweh en Zijn Gezalfde (dat is “Zijn Christus”). Daarop wordt het besluit van Jahweh vermeld. Adonai, de Heer, zal uit de hemel met hen spotten. En verder zal de Koning van Jahweh op de berg Sion worden gevestigd. Dit is het besluit: “Jahweh heeft tot Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden 53 verwekt”. Aan de koningen van de aarde en de rechters wordt dan bevolen om de Zoon te kussen.
In de psalmen die daarna volgen, wordt al deze heerlijkheid verdonkerd. De verdrukking van het overblijfsel, waaraan Christus deel heeft, wordt daar voorgesteld. Dan wordt Hij in Psalm 8 aangesproken als Zoon des mensen, Erfgenaam van alle rechten die door de raadsbesluiten van God in soevereiniteit verleend zijn aan de mens. De naam van Jahweh wordt heerlijk op de gehele aarde. Deze psalmen gaan niet uit boven het aardse deel van deze waarheden, uitgezonderd de tekst: “Die in de hemel woont, zal lachen”. Maar in Mattheüs 16 wordt de Zoon van God gezien als in verbinding staand met deze dingen, en over Zijn komst met de engelen gesproken (om niets over de Gemeente te zeggen). Dat wil dus zeggen: we zien dat de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid van de hemel. Niet Zijn verblijf in de hemel is de hier aangekondigde waarheid, maar dat Hij bekleed is met de hoogste heerlijkheid van de hemel, als Hij als Zoon des mensen komt om Zijn koninkrijk op aarde te vestigen. Hij komt in Zijn koninkrijk. Het koninkrijk is gevestigd op de aarde. Maar Hij komt met hemelse heerlijkheid om het in bezit te nemen. Dit wordt ons in het volgende hoofdstuk getoond, naar de belofte van vers 28.
In elk Evangelie waar over de verheerlijking op de berg gesproken wordt, volgt ze onmiddellijk op de belofte, dat sommigen de dood niet zullen zien, voordat ze de Zoon des mensen in Zijn koninkrijk hebben zien komen. En niet alleen dit, maar als Petrus in 2 Petrus 1:16 spreekt over deze gebeurtenis, zegt hij dat het een openbaring was van de kracht en van de komst van onze Heer Jezus Christus. Hij zegt dat het profetisch woord aan hen bevestigd is geworden door het zien van Zijn majesteit, zodat ze wisten waarover ze spraken, als ze hen de kracht en de komst van Christus verkondigden. Ze waren aanschouwers geweest van Zijn majesteit. En juist in deze zin spreekt de Heer hier, in Mattheüs 16, van Zijn komst. Het was een voorbeeld van de heerlijkheid waarin Hij straks komen zal, om het geloof van zijn discipelen te versterken, in verbinding met Zijn dood die Hij hun zojuist had aangekondigd.
Hoofdstuk 17
De Heer voert nu Petrus, Jakobus en Johannes op een hoge berg, en wordt daar voor hun ogen van gedaante veranderd: “Zijn gezicht straalde als de zon en Zijn kleren werden wit als het licht”. Mozes en Elia verschijnen ook terwijl ze met Hem spreken. We willen nu niet spreken over het onderwerp van hun onderhoud, hoewel dit van groot belang is. Dat zullen we doen, als we bij het Evangelie van Lukas zijn. Dat Evangelie vermeldt nog enkele andere bijzonderheden, die in zeker opzicht een ander karakter geven aan deze gebeurtenis.
Hier verschijnt de Heer in heerlijkheid, en Mozes en Elia met Hem. De één is de wetgever van de joden, en de ander, (bijna even onderscheiden), de profeet die de afvallige tien stammen terug probeerde te brengen tot de aanbidding van Jahweh. En die, wanhopend aan het volk, terugkeert naar Horeb waar de wet was gegeven en daarna wordt opgenomen in de hemel, zonder door de dood te gaan.
Deze twee personen verschijnen hier met Jezus. Ze zijn bijzonder bekend in de handelingen van God met Israël. De een is de stichter, de ander de hersteller van het volk, in verbinding met de wet. Petrus is zeer getroffen door deze verschijning. Hij is gelukkig, zijn Meester verbonden te zien met deze zuilen van het joodse stelsel, deze grote dienstknechten van God. Maar hij is onbekend met de heerlijkheid van de Zoon des mensen, en vergeet de openbaring van de heerlijkheid van Zijn persoon als Zoon van God. Hij wil drie tenten maken, en Jezus, Mozes en Elia op dezelfde hoogte plaatsen, als mensen waardoor God gesproken heeft. Maar de heerlijkheid van God openbaart zich; dat wil zeggen het teken dat in Israël bekend was als de woonplaats van die heerlijkheid 54, (Shechina) en de stem van de Vader wordt gehoord.
De genade kan Mozes en Elia in dezelfde heerlijkheid plaatsen als die van de Zoon van God en hen met Hem verbinden. Maar als de dwaze mens, in zijn onwetendheid, hen bijeen wil plaatsen, alsof zij in zichzelf hetzelfde recht hadden op het hart van de gelovige, dan is het nodig dat de Vader direct opkomt voor de rechten van Zijn Zoon. Terstond wordt de stem van de Vader gehoord, die de heerlijkheid van Zijn Zoon verkondigt, Zijn verbinding met Hemzelf, en dat Hij het voorwerp is van al Zijn liefde en welbehagen. Hem moeten de discipelen horen. Mozes en Elia zijn verdwenen. Christus is daar, alleen, als Degene die moet worden verheerlijkt, en die hen, die de stem van de Vader horen, moet onderwijzen. De Vader Zelf onderscheidt Hem, en stelt Hem voor de aandacht van de discipelen. En hier niet als het voorwerp dat hun liefde waardig is, maar als het voorwerp van Zijn welbehagen. Hijzelf had in Hem al Zijn lust. Op deze wijze wordt de genegenheid van de Vader ons voorgesteld als een regel voor de onze, door één gemeenschappelijk voorwerp voor ons oog te plaatsen. Wat een positie, voor arme schepselen zoals wij zijn! Wat een genade! 55
Tegelijk was de wet en elke gedachte aan haar herstel onder het Oude Verbond voorbij. En Jezus, verheerlijkt als Zoon des mensen, en Zoon van de levende God, blijft over als de enige mededeler van de kennis en de gedachten van God. De discipelen vielen op hun gezicht, zeer bevreesd de stem van God te horen. Jezus, voor Wie deze stem en deze heerlijkheid gewoon was, bemoedigt hen, zoals Hij altijd deed toen Hij op aarde was, en zegt: “Vreest niet”. Hij was met hen, die het welbehagen van de Vader was, waarom zouden ze dan vrezen? Hun beste Vriend was de openbaring van God op aarde en Hem kwam de heerlijkheid toe! Mozes en Elia waren verdwenen, en ook de heerlijkheid die de discipelen nog niet konden verdragen. Maar Jezus, die hun geopenbaard was in de heerlijkheid die Hem gegeven was, en in de rechten van Zijn heerlijke Persoon in Zijn relatie met de Vader, Jezus was hun gebleven, als Dezelfde die ze altijd hadden gekend. Maar deze heerlijkheid mocht pas het onderwerp van hun getuigenis zijn, nadat Hij, de Zoon des mensen, zou zijn opgestaan uit de doden – Hij, de lijdende Zoon des mensen. Dan zou Hij het grote bewijs geleverd hebben, dat Hij de Zoon van God was, bekleed met macht. Dan moest daarvan getuigenis worden gegeven, en Hij zou persoonlijk ingaan in die heerlijkheid, die zojuist door hen was gezien.
Maar in de geest van de discipelen rijst een moeilijkheid, veroorzaakt door de leer van de schriftgeleerden betreffende Elia. Elia, zo hadden ze gezegd, moest komen vóór de verschijning van de Messias. En in feite, bevestigde de profetie van Maleachi deze gedachte. Waarom dan, vragen ze, zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen (dat wil zeggen vóór de openbaring van de Messias), terwijl wij gezien hebben dat U de Messias bent, zonder dat Elia gekomen is. Jezus bevestigt de woorden van de profetie, terwijl Hij er nog aan toevoegt, dat Elia alle dingen weer zou oprichten. “Maar”, zo gaat de Heer voort, “Ik zeg u echter dat Elia al gekomen is, en zij hebben hem niet erkend, maar aan hem gedaan alles wat zij wilden; zo zal ook de Zoon des mensen door hen lijden”. Toen begrepen zij, dat Hij sprak over Johannes de Doper, die gekomen was in de geest en de kracht van Elia, zoals de Heilige Geest dit had aangekondigd aan Zacharia zijn vader.
Maar deze passage vraagt enkele opmerkingen. Ten eerste, als de Heer zegt: “Wel komt Elia eerst en zal alles herstellen”, bevestigt Hij slechts wat de schriftgeleerden van de profetie van Maleachi hadden gezegd. Hij zegt daarmee: ze hebben gelijk. Vervolgens spreekt Hij over de uitwerking van de komst van Elia. “Hij zal alle dingen weer herstellen”. Maar, de Zoon des mensen moest nog komen. Jezus had tegen Zijn discipelen gezegd: “U zult met de steden van Israël geenszins zijn klaargekomen voordat de Zoon des mensen komt” (Mattheüs 10:23). En toch was Hij gekomen, en sprak nu zelfs met hen. Maar de komst van de Zoon des mensen waarover Hij sprak, was Zijn komst in heerlijkheid, als Hij als de Zoon des mensen in oordeel zal geopenbaard worden overeenkomstig Daniël 7. Zo zou alles wat aan de joden gezegd was worden vervuld. En in het Evangelie van Mattheüs spreekt Jezus met Zijn discipelen over deze komst. Toch was het nodig, dat Jezus voorgesteld werd aan het volk en moest lijden. Het was noodzakelijk, dat het volk op de proef werd gesteld door de komst van de Messias naar de belofte. Dat was nu gebeurd, en zoals God het had voorzegd in de profeten, werd Hij verworpen door de mensen. Zo ging Johannes voor Hem uit, overeenkomstig Jesaja 40, als een stem des roependen in de woestijn, in de geest en de kracht van Elia. En Johannes werd verworpen zoals het ook zou gebeuren met de Zoon des mensen 56.
In verbinding met de verheerlijking op de berg, en dit gehele gedeelte van het Evangelie, zegt de Heer Jezus dus, dat de Zoon des mensen, zoals Hij nu aan de joden werd voorgesteld, zou worden verworpen. Maar deze zelfde Zoon des mensen, zou in heerlijkheid worden geopenbaard, zoals zij zo juist één ogenblik op de berg hadden gezien. Inderdaad moest Elia komen, zoals de schriftgeleerden gezegd hadden, maar Johannes de Doper had deze dienst van Elia in kracht vervuld ten behoeve van de voorstelling van de Zoon des mensen aan Israël. En dit zou eindigen, (terwijl de joden zoals het moest, aan hun eigen verantwoordelijkheid werden overgelaten), met Zijn verwerping en de terzijdestelling van het volk, tot de dag waarop God opnieuw Zijn verbindingen zou herstellen met Zijn volk dat Hij nog steeds liefheeft, hoe hun toestand ook mag zijn. Dan zal Hij alle dingen weer oprichten; een heerlijk werk, dat Hij zal vervullen door de Eerstgeborene wederom in de wereld te brengen. De uitdrukking “alles weer oprichten” (herstellen), ziet hier op de joden en wordt zedelijk gebruikt. In Handelingen 3 ziet het meer op het gevolg van de aanwezigheid van de Zoon des mensen zelf.
De tijdelijke aanwezigheid van de Zoon des mensen was het ogenblik, waarop een werk volbracht werd waarvan eeuwige heerlijkheid afhangt; waarin God ten volle werd verheerlijkt, boven en buiten elke bedeling om en waarin God zowel als de mens ten volle openbaar werden. Het was een werk waarvan zelfs de uiterlijke heerlijkheid van de Zoon des mensen slechts de vrucht was, voor zover deze heerlijkheid afhankelijk was van Zijn werk en niet van Zijn goddelijke Persoon. Een werk, waarin Hijzelf tenslotte zedelijk volkomen verheerlijkt is geworden doordat Hij God op een volmaakte wijze verheerlijkte. Maar ten opzichte van de beloften die aan de joden waren gedaan, was deze aanwezigheid van de Zoon des mensen slechts de laatste stap op de weg van de toetsing, waaraan zij door genade onderworpen werden. God wist heel goed, dat ze Zijn Zoon zouden verwerpen. Maar Hij wilde hen niet als definitief schuldig beschouwen, voordat ze dat werkelijk hadden gedaan. In Zijn goddelijke wijsheid stelt Hij dus Jezus aan hen voor, Zijn Zoon, hun Messias, terwijl Hij dan later Zijn onveranderlijke beloften zal vervullen. Hij geeft hun elk bewijs dat nodig is. Hij zendt Johannes de Doper, in de geest en de kracht van Elia, als voorloper. De Zoon van David wordt geboren in Bethlehem, met alle tekenen die hen hadden moeten overtuigen. Maar ze waren verblind door hun hoogmoed en eigengerechtigheid, en verwierpen alles. Toch paste het Jezus, wat Zijn positie betreft, zich in genade aan te passen aan de ellendige toestand van Zijn volk. Zo deelde Hij ook, als het tegenbeeld van de in zijn dagen verworpen David, in de verdrukking van Zijn volk. Als de heidenen het volk verdrukten, moest Hij, hun Koning, zich met hen één maken in het lijden. Daardoor gaf Hij het bewijs van wat Hij was en dat Hij hen in liefde zocht. Als Hij verworpen is, wordt alles alleen genade. De joden hebben dan op geen enkele belofte recht meer, en ze moeten alles ontvangen van deze genade, op dezelfde wijze als een arme heiden. En God zal in genade niet tekortschieten. Op deze wijze heeft God hen in de ware positie van zondaars gesteld, terwijl Hij toch Zijn beloften vervullen zal. Dat is het onderwerp van Romeinen 11.
Dus, de Zoon des mensen die wederkomen zal, zal dezelfde Jezus zijn die heenging. De hemel moest Hem opnemen tot op de tijden van de herstelling van alle dingen, waarvan de profeten hebben gesproken. Maar hij, die Zijn voorloper moest zijn, gedurende Zijn tijdelijke aanwezigheid hier beneden, kon niet dezelfde Elia zijn. Daarom was Johannes in overeenstemming met de toenmalige openbaring van de Zoon des mensen, waardoor het onderscheid bewaard bleef dat noodzakelijk voortvloeide uit de Persoon van de Zoon des mensen. Want Deze kon maar één en dezelfde Persoon zijn, terwijl dat niet het geval kon zijn met Johannes de Doper en Elia. Maar zoals Jezus al de macht van de Messias tentoonspreidde, en al Zijn rechten op wat Hem als Messias toekwam, (zonder nog de uiterlijke heerlijkheid aan te nemen, omdat Zijn tijd nog niet was gekomen, Johannes 7), zo vervulde Johannes ook, zedelijk en in kracht, de zending van Elia om de weg van de Heer voor Jezus te bereiden, overeenkomstig het karakter van Zijn toenmalige komst. En zo beantwoordde hij letterlijk aan Jesaja 40 en zelfs aan Maleachi 3; de enige plaatsen die op hem worden toegepast. Daarom zei Johannes dat hij Elia niet was, en zei de Heer: “Als u het wilt aannemen, hij is Elia die zou komen”. Daarom paste Johannes de Doper ook nooit Maleachi 4:5-6 op zichzelf toe. Maar hij kondigde zich aan als degene die Jesaja 40:3-5 vervulde. Dat zien we in elk Evangelie, welk karakter dat ook draagt (zie noot 56).
Maar laten we de behandeling van Mattheüs 17 voortzetten. Als de Heer opgenomen is in de heerlijkheid, daalt Hij ook af in deze wereld, juist nu ook in Geest en in medegevoel, en ontmoet de schare en de macht van satan waarmee wij te doen hebben. Terwijl de Heer op de berg was, had een arme vader zijn zoon, die maanziek en van de duivel bezeten was, bij de discipelen gebracht. Hier wordt een ander kenmerk van het ongeloof van de mens gezien, zelfs van de gelovige, namelijk de onbekwaamheid om gebruik te maken van de macht die, om zo te zeggen, in de Heer tot zijn beschikking staat. Christus, de Zoon van God, de Messias, de Zoon des mensen, had de vijand overwonnen, had de sterke man gebonden, en had het recht hem uit te werpen. Als de gehoorzame mens had Christus de satan, ondanks zijn verzoekingen, in de woestijn overwonnen. Als mens bezat Hij dus het recht om hem de heerschappij over een mens in deze wereld te ontnemen; en dat deed Hij. In het uitwerpen van duivelen (demonen) en het genezen van zieken, bevrijdde Hij de mens van de macht van de vijand. Later zegt Petrus: “God heeft Jezus van Nazareth gezalfd met de Heilige Geest en met kracht; die het land doorgegaan is goeddoende en allen genezende die door de duivel overweldigd waren”. Nu, deze kracht had moeten worden gebruikt door de discipelen. Zij hadden moeten weten, hoe ze door het geloof zich konden bedienen van wat Jezus zo op aarde had geopenbaard. Ze waren daartoe echter niet in staat. En wat nut had het dan deze kracht hier op aarde te brengen, als de discipelen geen geloof hadden zich ervan te bedienen? De kracht was aanwezig en de mens kon ervan profiteren om daardoor van alle verdrukking van de vijand bevrijd te worden. Maar het geloof ontbrak, zelfs bij de gelovigen. De aanwezigheid van Christus op aarde was nutteloos, als zelfs Zijn eigen discipelen er geen voordeel mee wisten te doen. Er was meer geloof in de man die zijn kind bracht, dan in de discipelen. Want het gevoel van de nood bracht hem daarheen waar redding te vinden was. Maar allen komen daardoor onder de veroordelende uitspraak van de Heer: “O ongelovig en verdraaid geslacht”. Hij moet hen verlaten, en wat de heerlijkheid boven had geopenbaard, zal het ongeloof beneden verwezenlijken.
We zien hier, dat niet het kwaad in de wereld een eind maakt aan de bijzondere tussenkomst van God. Integendeel, het geeft God juist gelegenheid om in genade in te grijpen. Juist omdat satan heerschappij voerde over de mens kwam Christus. En Hij gaat weer heen, omdat zij die Hem ontvangen hadden, onbekwaam waren om zich van de kracht te bedienen, die Hij tot hun bevrijding had meegebracht. Ze konden niet genieten van de voorrechten die ze bezaten. Het geloof ontbrak. Toch moeten we acht geven op de volgende belangrijke en treffende waarheid: Zolang deze bedeling van God voortduurt, blijft Jezus nooit in gebreke om het persoonlijk geloof met zegen te beantwoorden, zelfs dan als Zijn discipelen Hem niet kunnen verheerlijken door de uitoefening van hun geloof. Hetzelfde woord dat het ongeloof van de discipelen veroordeelt, roept de bedroefde vader tot het genot van de zegen. Dus, om van de macht van Jezus te kunnen genieten, moeten we met Hem in gemeenschap zijn door de praktische energie van het geloof.
De Heer zegent dus de arme vader overeenkomstig zijn nood en neemt dan, in volkomen geduld, de draad weer op van het onderricht dat Hij Zijn discipelen aan het geven was, in verband met Zijn verwerping en Zijn opstanding als Zoon des mensen. De discipelen hebben de Heer lief, en onbekwaam om hun gedachten te verheffen boven de omstandigheden van het ogenblik, worden ze bedroefd. En toch lag in dit alles verlossing, heil, en de heerlijkheid van Christus besloten.
Voordat nu de Heer verder gaat, en hen leert wat discipelen past die een zo verworpen Meester dienen, en de plaats die ze moeten innemen, stelt Hij op een treffende wijze Zijn goddelijke heerlijkheid voor hun aandacht, en hun verbinding met Hem, die deze heerlijkheid bezat. Als ze het maar hadden kunnen begrijpen! Tegelijk neemt Hij, in volkomen nederigheid en tederheid een plaats onder hen in; of beter gezegd, Hij zet hen op dezelfde plaats die Hij inneemt als Zoon van de grote Koning van de tempel en van de gehele aarde.
Zij, die de schatting voor de tempeldienst inzamelden, vragen aan Petrus of zijn Meester deze niet betaalt. En Petrus is altijd gereed om zich op de voorgrond te plaatsen.
Hij vergeet de heerlijkheid die hij had gezien, en de openbaring die de Vader hem had gedaan. Hij daalt weer af tot het gewone peil van zijn eigen gedachten. En, om zijn Meester te doen doorgaan voor een goede jood, antwoordt hij bevestigend, zonder Hem te vragen. Maar als hij het huis binnentreedt, is de Heer hem voor, en toont hem Zijn goddelijke kennis van wat op een afstand van Hem is gebeurd. Maar tegelijk spreekt Hij over Petrus en Zichzelf, als beiden zonen van de Koning van de tempel en dus beiden vrij van belasting. Hoewel Zoon van God, blijft Hij in geduldige goedheid Zijn nederige plaats als een jood innemen. Maar Hij wil hen niet ergeren. Hij gebiedt de schepping, want Hij kan alle dingen doen, zoals Hij alles weet, en maakt dat een vis het juiste bedrag brengt, en verbindt opnieuw de naam van Petrus met de Zijne. Hij had gezegd: “Opdat wij hen niet ergeren”. En nu zegt Hij: “Voor Mij en voor u”. Wonderbare en goddelijke afdaling! Hij, die het hart doorgrondt en naar believen over de gehele schepping beschikt, de Zoon van de soevereine Heer van de tempel, plaatst Zijn arme discipelen in dezelfde verbinding met Zijn hemelse Vader; met de God die in die tempel werd vereerd. Hij onderwerpt Zich aan de eisen die rechtmatig aan de vreemden konden worden gesteld. Maar Hij plaatst Zijn discipelen in al Zijn eigen voorrechten als Zoon. We zien heel duidelijk het verband tussen deze treffende uitdrukking van goddelijke genade en het onderwerp van deze hoofdstukken. Het laat duidelijk de betekenis zien van de verandering die had plaatsgevonden.
Het is waard om op te merken, dat de eerste Brief van Petrus is gegrond op Mattheüs 16 en de tweede op hoofdstuk 17, dat we juist hebben overdacht 57.
In hoofdstuk 16 heeft Petrus, door de Vader onderwezen, de Heer beleden als de Zoon van de levende God en de Heer zei dat Hij op deze rots Zijn Gemeente zou bouwen en dat hij die de macht van de dood had haar niet zou overweldigen. Zo zegt Petrus ook in zijn eerste Brief, dat zij wedergeboren waren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Nu, het is door deze opstanding, dat de macht van het leven van de levende God is geopenbaard. Petrus noemt Christus de “levende Steen, tot Wie komende”; ook wij worden opgebouwd tot een heilige tempel in de Heer. In zijn tweede Brief, herinnert hij op een bijzondere wijze aan de heerlijkheid van de verheerlijking op de berg, als een bewijs van de komst en van het koninkrijk van de Zoon des mensen. Ook spreekt hij daar over het oordeel van de Heer.
Hoofdstuk 18
Hier worden de grote beginselen, die bij de nieuwe orde van zaken passen, aan de discipelen meegedeeld. Laten we deze heerlijke en kostbare onderwijzingen van de Heer wat nader onderzoeken. We kunnen ze van twee kanten bezien. Ze openbaren de wegen van God, met het oog op dat wat de Heer op aarde zou innemen, als een getuigenis van genade en waarheid. Bovendien beschrijven ze het karakter, dat in zichzelf het ware getuigenis is dat moet worden afgelegd.
Dit hoofdstuk veronderstelt, dat Christus verworpen en afwezig is, terwijl de heerlijkheid van hoofdstuk 17 nog niet is gekomen. Hoofdstuk 17 wordt feitelijk overgeslagen, behalve de laatste verzen ervan, die een praktisch getuigenis geven van het opgeven van Zijn ware rechten totdat God deze zal bevestigen. Zo wordt hoofdstuk 18 direct met hoofdstuk 16 verbonden.
De Heer spreekt over de twee onderwerpen die we in hoofdstuk 16 vonden, namelijk het koninkrijk en de Gemeente. Passend voor het koninkrijk is de zwakheid van een kind, dat onbekwaam is om zijn rechten te handhaven tegenover een wereld die ze over het hoofd ziet; de geest van afhankelijkheid en nederigheid. Ze moesten worden als kleine kinderen. Tijdens de afwezigheid van hun verworpen Heer, was dit de geest die Zijn volgelingen paste. Hij, die een kind in Zijn Naam zou ontvangen, ontving Hemzelf. En anderzijds, wie een struikelblok op de weg zou leggen van één van deze kleinen die in Hem geloofden 58 zou door het vreselijkste oordeel worden getroffen.
Helaas, de wereld doet dat. En daarom ook: wee deze wereld! En wat de discipelen betreft: Als het meest gewaardeerde een strik voor hen werd, moesten ze dat afhouwen of wegwerpen. In genade moesten ze met de meeste zorg ervoor waken, dat ze geen strik zouden zijn voor een van deze kleinen die in Christus geloven. Tevens moesten ze de grootst mogelijke strengheid toepassen op zichzelf, in datgene wat een strik voor henzelf zou kunnen zijn. Het verlies van wat hier het kostbaarste voor hen was, was niets vergeleken bij hun eeuwige toestand in een andere wereld. Want daarom ging het nu. Zonde kon in het huis van God niet geduld worden. Zorg voor anderen, zelfs voor de zwaksten, en gestrengheid tegenover zichzelf, was de maatstaf voor het koninkrijk, opdat er geen strik en geen boosheid zou zijn. En wat beledigingen betreft: volkomen genade in het vergeven ervan. Ze mochten niet één van deze kleinen verachten. Want als deze onmachtig waren om zich een weg te banen door deze wereld, waren ze de voorwerpen van de bijzondere gunst van de Vader, zoals zij, die in aardse omstandigheden aan het hof, altijd het bijzondere voorrecht genoten om het aangezicht van de koning te zien. Dat wilde niet zeggen, dat er geen zonde in hen was, maar dat de Vader hen niet verachtte, die ver van Hem verwijderd waren. Want de Zoon des mensen was gekomen om het verlorene te behouden 59. En het was niet de wil van de Vader, dat één van deze kleinen verloren ging. Ik twijfel er niet aan, of de Heer spreekt hier over kleine kinderen, zoals Hij er een in Zijn armen nam. Maar terwijl Hij enerzijds Zijn discipelen de geest van afhankelijkheid en nederigheid inprent, toont Hij hun anderzijds de geest van de Vader, die ze moesten navolgen om werkelijk kinderen van het koninkrijk te zijn. Ze moesten niet wandelen in de geest van de mens, die zijn plaats en zijn belangrijkheid zoekt te handhaven, maar zich vernederen en zich aan smaadheid onderwerpen. En tegelijk, (en dat is ware heerlijkheid), in de geest van de Vader wandelen die met de geringen rekening houdt en hen toelaat in Zijn tegenwoordigheid. De Zoon des mensen was gekomen voor de onwaardigen. Dat is de geest van het koninkrijk – de geest van genade waarvan gesproken is aan het eind van hoofdstuk 5.
Maar meer in het bijzonder, moest de Gemeente hier op aarde de plaats innemen van Christus. Wat ondervonden beledigingen betreft, moet Zijn discipel dezelfde geest van zachtmoedigheid openbaren: hij moest zijn broeder winnen. Als deze wilde horen, moest de kwestie begraven zijn in het hart van de beledigde. Als hij niet wilde horen, moesten twee of drie personen door de beledigde persoon worden meegenomen, om het geweten te bereiken of als getuige te dienen. Maar als deze middelen zonder uitwerking bleven, moest het aan de Gemeente gezegd worden. En als dit laatste geen onderwerping bracht, moest degene die verkeerd had gedaan door hem gezien worden als een vreemde, zoals een heiden en een tollenaar voor de Israëliet was. De openbare tucht van de Gemeente wordt hier niet behandeld, maar de geest waarin christenen moeten wandelen. Als de belediger zich verootmoedigde, (zelfs zeventig maal zevenmaal per dag) moest hem vergeving worden geschonken. Maar hoewel hier niet over gemeentelijke tucht wordt gesproken, zien we toch, dat de Gemeente de plaats van Israël op aarde inneemt. Het “buiten” en “binnen” heeft voortaan betrekking op de Gemeente en niet meer op Israël. Wat de Gemeente op aarde bond, zou door de hemel bekrachtigd worden. En de Vader zou het gebed verhoren van de twee of drie die in hun bidden overeenstemden. Want Christus zou in het midden zijn, waar ook twee of drie in, of tot, Zijn Naam waren vergaderd 60. Zo waren zij in het nemen van besluiten of in het bidden, als Christus op aarde. Want Christus Zelf was bij hen. Ernstige waarheid! Onuitsprekelijk voorrecht, gegeven aan twee of drie als ze in waarheid vergaderd zijn tot Zijn Naam! Maar wat een onderwerp van de diepste droefheid, als op deze eenheid wel aanspraak wordt gemaakt, terwijl de werkelijkheid er niet is 61.
Een ander karakteristiek element van het koninkrijk, is dat van de vergevende genade, zoals in God en in Christus geopenbaard. Ook hierin moeten de kinderen van het koninkrijk navolgers van God zijn, en altijd vergeven. Dit heeft alleen betrekking op het verkeerde dat ons persoonlijk is aangedaan en niet op de openbare tucht. We moeten vergeven tot het einde toe, of beter gezegd: er moet in het geheel geen eind komen aan onze vergeving, zoals ook God ons alles vergeven heeft. Maar hier worden, geloof ik, tevens de wegen van God met de joden beschreven. Ze hadden niet alleen de wet gebroken, maar ook de Zoon van God gedood. Christus trad voor hen tussenbeide toen Hij zei: “Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen.” Als antwoord op dit gebed, werd door de Heilige Geest een voorlopige vergeving gepredikt, door de mond van Petrus. Maar deze genade werd ook verworpen. Toen het erop aankwam genade te bewijzen aan de volkeren, die zonder twijfel hun de honderd denaren schuldig waren, wilden ze daarvan niet horen. Daarom werden zij tot tuchtiging 62 overgegeven, totdat de Heer kan zeggen: ze hebben dubbel ontvangen voor al hun zonden.
Kortom, de geest van het koninkrijk is geen uiterlijke macht, maar nederigheid. In deze gezindheid is men dicht bij de Vader, en dan is het gemakkelijk om ootmoedig en nederig te zijn in deze wereld. Iemand, die de gunst van God heeft gesmaakt, zal geen grootheid op aarde najagen; hij is doortrokken van de geest van de genade; hij heeft de nederigen lief; en hij vergeeft degenen die hem verongelijkt hebben. Hij is nabij God en lijkt op Hem in zijn wegen. Zowel in de Gemeente zelf als in haar leden, heerst dezelfde geest van genade. Alleen de Gemeente vertegenwoordigt Christus op aarde, en deze regelingen die gegrond zijn op de aanneming van een volk dat God toebehoort, hebben op haar betrekking. Twee of drie die werkelijk vergaderd zijn in de Naam van Jezus, handelen met Zijn gezag en genieten Zijn voorrechten met de Vader. Want Jezus Zelf is daar in hun midden.
Hoofdstuk 19
Dit hoofdstuk spreekt nog verder over de geest, die passend is voor het koninkrijk der hemelen, en dringt diep door in de beginselen die de menselijke natuur beheersen, en in wat nu door God is ingevoerd. Een vraag door de farizeeërs gedaan, (want de Heer was nu in Judea), geeft aanleiding tot de uiteenzetting van Zijn leer over het huwelijk. Hij wendt zich af van de wet, die gegeven was vanwege de hardheid van hun harten, en gaat terug 63 tot de instelling van God, waarnaar één man en één vrouw zich met elkaar verbinden, om één te zijn voor God. Hij vestigt, of beter gezegd, Hij herstelt het ware karakter van de onbreekbare band van het huwelijk. Ik zeg onbreekbaar, want de uitzondering in een geval van echtbreuk, is geen breken. De schuldige persoon had de band al verbroken. Man en vrouw waren niet langer één vlees. Tegelijkertijd, was het nog beter om ongetrouwd te blijven, als God de geestelijke kracht daartoe verleende.
In de volgende verzen gaat de Heer verder met Zijn onderwijs in verband met de kinderen, terwijl Hij Zijn liefde voor hen uitspreekt. Het lijkt me, dat dit hier meer in verband staat met de afwezigheid van alles wat bindt aan de wereld, aan haar verstrooiingen en lusten, en de erkenning van wat beminnelijk is, vertrouwen schenkt, en uitwendig onbesmet is in zijn wezen. In hoofdstuk 18 ging het meer om het innerlijke karakter van het koninkrijk. Daarna toont Hij, (in verband met de invoering van het koninkrijk in Zijn Persoon), het wezen van absolute toegewijdheid en volkomen opoffering van alles, om Hem te volgen, als men werkelijk niets anders zoekt dan het welbehagen van God. De geest van de wereld, zowel vleselijke lusten als rijkdom, staat daar in elk opzicht tegenover. Zonder twijfel, beteugelde de wet van Mozes deze hartstochten. Maar ze veronderstelt ze en duldt ze tot op zekere hoogte. Naar de heerlijkheid van de wereld geoordeeld, had een kind geen waarde. Want welke macht kan het daar uitoefenen? Maar het heeft waarde in de ogen van de Heer.
De wet beloofde het leven aan hem die haar hield. De Heer maakt haar eenvoudig en praktisch in haar eisen, of liever gezegd, Hij stelt deze eisen in hun ware eenvoud voor. Rijkdom was door de wet niet verboden, dat wil zeggen hoewel er een zedelijke verplichting tussen mens en mens door de wet werd gehandhaafd, werd door haar niet geoordeeld wat het hart aan de wereld bond. Veeleer was voorspoed naar de regering van God, verbonden met gehoorzaamheid aan de wet. Want de wet gaat uit van het bestaan van deze wereld en de mens daarin levend en beproeft hem daar. Christus erkent dit, maar Hij toetst de beweegredenen van het hart.
De wet was geestelijk en de Zoon van God was aanwezig. We vinden hier weer, wat we al eerder gezien hebben, namelijk de mensen beproefd en ontdekt en God geopenbaard. Alles is innerlijk en eeuwig in hun natuur, want God is al geopenbaard. Christus oordeelt alles wat een slechte invloed heeft op het hart, en op haar zelfzucht werkt en zo scheidt van God. “Verkoop alles wat ge hebt, en volg Mij”, zegt Hij. Helaas! De jonge man kan geen afstand doen van zijn bezittingen, van zijn gemakken, van zichzelf. “Hoe bezwaarlijk zal een rijke ingaan in het koninkrijk der hemelen”, zegt de Heer. Dit was duidelijk: het was het koninkrijk van God, het koninkrijk der hemelen; voor het eigen ik en voor de wereld was daar geen plaats. De discipelen, die niet begrepen dat er niets goeds in de mens was, waren verbaasd dat een zo begunstigd en goedgezind man nog zo ver van de behoudenis verwijderd kon zijn. “Wie kan dan behouden worden”, roepen ze uit. Maar dan wordt de gehele waarheid geopenbaard. Bij mensen is het onmogelijk. Die kunnen de begeerten van het vlees niet overwinnen. Zedelijk, en wat zijn wil en genegenheden betreft, zijn deze begeerten de mens zelf. Men kan geen neger wit maken, noch de luipaard van zijn vlekken ontdoen. Wat ze vertonen is hun natuur. Maar voor God zijn alle dingen mogelijk. Geprezen zij Zijn Naam!
Dit onderwijs in verband met rijkdom, is aanleiding voor Petrus om te vragen: “Wat zal het deel zijn van hen, die alles hebben verlaten?” Dit brengt ons terug naar de heerlijkheid van hoofdstuk 17. Er zou een wedergeboorte komen. Onder de regering van de Zoon des mensen zou de toestand van zaken geheel vernieuwd worden. Dan zouden ze op 12 tronen zitten, om de 12 stammen van Israël te oordelen. Ze zouden de eerste plaats innemen in het bestuur van het aardse koninkrijk. Ieder zou echter zijn eigen plaats hebben. Want wat iemand ook omwille van Jezus prijsgegeven had, kreeg hij honderdvoudig terug, en daarbij het eeuwige leven. Toch zouden deze dingen niet worden beslist naar de uiterlijke schijn, of naar de plaats die men innam in het oude systeem of voor de mensen. Vele eersten zouden de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.
Hoofdstuk 20
Maar het was te vrezen, dat het vleselijke hart van de mens zo’n aanmoediging, voorgesteld in de vorm van een beloning voor al zijn arbeid en opoffering, slechts zou opvatten in de geest van koopmanschap, en zo zou trachten God tot zijn schuldenaar te maken. In de gelijkenis die nu volgt, stelt de Heer daarom nadrukkelijk het beginsel vast, van genade en de soevereiniteit van God in wat Hij geeft, en tegenover hen die Hij roept, terwijl Hij datgene wat Hij geeft aan hen die Hij in Zijn wijngaard zendt, afhankelijk stelt van Zijn genade en roeping.
Als de Heer Petrus antwoordt, kunnen we opmerken, dat Hij hen die alles verlaten hebben om Christus te volgen, de gevolgen daarvan voor ogen stelt. De beweegreden was Christus Zelf. Daarom zegt Hij: “U die Mij gevolgd bent”. Hij spreekt ook over hen, die alles verlaten hebben omwille van Zijn Naam. Dat was de beweegreden. De beloning is een aanmoediging, als we al omwille van Zijn Naam op de weg zijn. Dat is altijd het geval, als er in het Nieuwe Testament 64 over loon wordt gesproken. Hij die ter elfder ure geroepen werd, was van deze roep afhankelijk om tot het werk te gaan; en als de Meester hem net zoveel wil geven als de anderen, zouden die anderen zich daarin moeten verblijden. De eersten beriepen zich op gerechtigheid, en ontvingen het overeengekomen loon, terwijl de laatste de genade van Zijn Meester genoot. En we moeten opmerken, dat ze het beginsel van de genade en van het vertrouwen erin hadden aanvaard. “Wat billijk is zal ik u geven.” Het belangrijke punt in deze gelijkenis is: Het vertrouwen in de genade van de Meester van de wijngaard, en die genade als uitgangspunt van hun handeling. Maar wie kon dit begrijpen? Paulus kwam laat in de arbeid, toen hij door God werd geroepen en was een krachtiger getuigenis van de genade dan de arbeiders die vanaf de dageraad van het evangelie hadden gewerkt.
Daarna vervolgt de Heer het onderwerp met Zijn discipelen. Hij gaat op naar Jeruzalem, (waar de Messias had moeten worden aangenomen en gekroond), om te worden verworpen en gedood. Maar daarna zou Hij opstaan. En als de zonen van Zebedeüs Hem komen vragen om de twee voornaamste plaatsen in het koninkrijk, antwoordt Hij hun, dat Hij hen wel tot lijden kan brengen, maar wat de voornaamste plaatsen in het koninkrijk betreft, deze slechts kan geven aan hen voor wie deze, naar de raadsbesluiten van de Vader, zijn bereid. Wonderbare zelfverloochening! Het is voor de Vader en voor ons dat Hij werkt. Zelf beschikt Hij over niets. Hij kan hen, die Hem willen volgen, slechts laten delen in Zijn lijden. Al het andere zal gegeven worden overeenkomstig de raadsbesluiten van de Vader. Maar wat een werkelijke heerlijkheid voor Christus en wat een volmaaktheid in Hem, en wat een voorrecht voor ons, alleen deze beweeggrond te hebben en te delen in het lijden van de Heer! En wat een reiniging van onze vleselijke harten wordt ons hier voorgesteld, doordat wij alleen handelen voor een lijdende Christus, in Zijn kruis delen, en ons voor de beloning aan God overgeven.
De Heer maakt van deze gelegenheid gebruik, om uitleg te geven van de gevoelens die Zijn volgelingen passen, en waarvan ze de volmaaktheid in Hemzelf hadden gezien. In de wereld streeft men naar gezag. Maar de geest van Christus is een geest van dienen, die leidt tot de keus van de nederigste plaats, en een algehele toewijding aan anderen. Heerlijke en volmaakte beginselen, die in Christus in volmaaktheid werden gezien. Van alles afstand doen, om met vertrouwen afhankelijk te zijn van de genade van Hem die we dienen, de consequente bereidheid om de nederigste plaats in te nemen, om zo aller dienstknecht te zijn: dat moet de geest zijn van hen die deel hebben aan het koninkrijk zoals het nu gevestigd is door de verworpen Heer. Dat past Zijn discipelen 65.
Bij vers 28 eindigt dit gedeelte van het Evangelie. Hierna volgen de laatste gebeurtenissen in het leven van onze gezegende Heer. In vers 29 begint Hij voor het laatst 66 zich aan Israël voor te stellen, als de Zoon van David, de Heer, de ware koning van Israël, de Messias. Vanuit dit oogpunt bezien, begint Hij Zijn weg in Jericho, de plaats waar Jozua in het land is gekomen, en waarop zo lang de vloek had gerust. Hij opent de blinde ogen van Zijn volk dat in Hem gelooft en Hem als Messias ontvangt. Want dat was Hij inderdaad, hoewel Hij verworpen was. Zij begroeten Hem als de Zoon van David, en Hij beantwoordt hun geloof met het openen van hun ogen. Ze volgen Hem – een beeld van het ware overblijfsel van Zijn volk dat op Hem wil wachten.
Hoofdstuk 21
Terwijl Hij over alles wat aan Zijn gewillig volk toebehoort beschikt, doet Hij Zijn intocht te Jeruzalem als Koning en Heer, naar het getuigenis van Zacharia. Maar hoewel Hij als Koning Zijn intocht houdt, (het laatste getuigenis aan de geliefde stad, die tot haar eigen verderf gereed stond om Hem te verwerpen), komt Hij als een zachtmoedige en nederige Koning. De macht van God beïnvloedt het hart van de schare. Ze begroeten Hem als Koning, als Zoon van David, daarbij gebruikmakend van de woorden van Psalm 118 67, die de duizendjarige sabbat bezingt, die door de Messias wordt aangebracht, als Hij zal worden erkend door het volk. De schare spreidt haar kleren uit op de grond, om de weg te bereiden voor hun zachtmoedige maar toch heerlijke Koning. Ze houwen takken van de bomen om Hem getuigenis te geven. En Hij wordt in triomf naar Jeruzalem gebracht, terwijl het volk roept: “Hosanna (behoudt nu) voor de Zoon van David! Gezegend Hij Die komt in [de] Naam van [de] Heer! Hosanna in de hoogste [hemelen]!” Wat zouden ze gelukkig geweest zijn, als hun harten veranderd waren om dit getuigenis, door de Heilige Geest gegeven, te bewaren. Maar God beschikt in vrijmacht over hun harten, om dit getuigenis af te leggen. Hij kon niet toelaten dat Zijn Zoon verworpen werd, zonder dit getuigenis te hebben ontvangen.
En nu gaat de Koning alles overzien, terwijl Hij toch zijn positie van nederigheid en getuigenis behoudt. Schijnbaar komen de verschillende klassen van mensen Hem beoordelen of in verlegenheid brengen. Maar in werkelijkheid verschijnen allen voor Hem om, de een na de ander, het oordeel van God over zichzelf te horen. Het is een opmerkelijk toneel, dat hier voor onze aandacht komt. De ware Rechter, de eeuwige Koning, stelt Zichzelf voor het laatst voor aan Zijn oproerig volk, met het volledigste getuigenis van Zijn rechten en Zijn macht. En zij, die gekomen zijn om Hem lastig te vallen en te veroordelen, en die door hun boosheid zelf ertoe gebracht zijn om, de een na de ander, voor Hem te staan, en hun ware toestand bloot te leggen, horen hun oordeel uit Zijn mond. En bij dit alles verloochent Hij geen ogenblik, (tenzij bij de reiniging van de tempel vóór deze dingen), de plaats van een Getrouwe en Waarachtige Getuige op aarde in alle zachtmoedigheid en nederigheid.
Het verschil tussen de twee gedeelten van deze geschiedenis is duidelijk te onderscheiden. In het eerste zien we de Heer in Zijn karakter als Messias en Jahweh. Als Heer geeft Hij het bevel dat de ezel gebracht moet worden. Daarna doet Hij, overeenkomstig de profetie, als Koning Zijn intrede in de stad. Met gezag reinigt Hij de tempel. In antwoord op de tegenwerping van de priesters, haalt Hij Psalm 8 aan, die spreekt over de wijze waarop Jahweh Zichzelf verheerlijkt en de aan Hem verschuldigde lof Zich toebereidt uit de mond van de jonge kinderen. Ook geneest Hij Israël in de tempel. Daarna verlaat Hij hen. Hij overnacht niet langer in de stad, die Hij niet langer kon erkennen, maar erbuiten bij het overblijfsel. De volgende dag toont Hij in een merkwaardig beeld, de vloek die het volk weldra zou treffen. Israël was de vijgenboom van Jahweh, maar hij besloeg nutteloos de aarde. Hij was vol bladeren, maar vrucht was er niet. De door de Heer veroordeelde vijgenboom verdorde onmiddellijk. Het is een beeld van dit arme volk, van de mens in het vlees met alle voorrechten, maar die geen vrucht voortbracht voor de Landman.
Israël bezat inderdaad alle uiterlijke vormen van godsdienst. Het ijverde voor de wet en de inzettingen, maar droeg geen vruchten voor God. En voor zover het onder de verantwoordelijkheid was gesteld om vruchten voort te brengen, dat wil zeggen onder het oude verbond zal het nooit vrucht dragen. Het verwerpen van de Heer Jezus sloeg alle hoop de bodem in. Onder het Nieuwe Verbond zal God in genade handelen, maar daarover gaat het hier niet. De vijgenboom stelt Israël voor zoals het was, namelijk de mens onder de opvoeding van God, maar tevergeefs. Alles was voorbij. Wat de Heer zei over het verzetten van de berg, heeft naar mijn gedachten, (hoewel het een groot en algemeen beginsel is), ook betrekking op wat in Israël door hun dienst tot stand zou worden gebracht. Als geheel gezien, als een volk op aarde, zou Israël verdwijnen en verloren gaan onder de volken. De discipelen waren degenen die God, op grond van hun geloof, aannam.
We zien de Heer Jeruzalem binnenkomen als een Koning – Jahweh de Koning van Israël – en het oordeel over het volk uitgesproken. Dan volgen de bijzonderheden van het oordeel over de verschillende klassen waaruit het volk samengesteld was. Eerst komen de overpriesters en de oudsten, die het volk hadden moeten leiden. Ze komen tot de Heer en ontkennen Zijn gezag. Door Hem zo aan te spreken, nemen ze de plaats in van hoofden van het volk. Ze matigen zich aan rechters te zijn, bekwaam om te beslissen over de geldigheid van elke mogelijke aanspraak. Als dit niet zo was, waarom bemoeiden ze zich dan met Jezus?
In Zijn oneindige wijsheid stelt de Heer hun een vraag, die hun bekwaamheid op de proef stelt; en volgens hun eigen uitspraak zijn ze onbekwaam. Hoe zullen ze dan Hem oordelen? 68 Het was nutteloos hun de grondslag van Zijn gezag te vertellen. Daarvoor was het nu te laat. Ze zouden Hem hebben gestenigd als Hij hun de werkelijke bron had genoemd. Hij antwoordt hun met de vraag vanwaar de zending van Johannes de Doper was. Als ze daarover niet konden beslissen, waarom vroegen ze dan naar de bron van Zijn gezag? Ze konden het niet. Als ze erkenden dat Johannes door God was gezonden, zouden ze daarmee tevens Christus erkend hebben. En als ze het loochenden, zouden ze hun invloed bij het volk verliezen. Van een geweten was bij hen geen sprake. Ze zeggen dan maar dat ze het niet weten. En daarop verklaart Jezus hen onbekwaam om leidslieden te zijn en wakers voor het geloof van het volk. Ze hadden zichzelf veroordeeld, en de Heer stelt hun eigen gedrag en de wegen van God met hen duidelijk voor hun ogen, van vers 28 tot hoofdstuk 22:14.
- Terwijl ze beleden de wil van God te doen, deden ze die niet, terwijl daarentegen de openlijk bozen zich bekeerd hadden en Zijn wil hadden gedaan. En toen ze dit zagen, bleven ze verhard.
- Hun natuurlijk geweten was onberoerd gebleven. Niet alleen bij het getuigenis van Johannes, of bij het zien van bekering bij anderen, maar ook bij elk middel dat God had aangewend om hen die vruchten te doen dragen die Zijn bemoeiingen waardig waren.
Maar Hij had niets gevonden dan verdorvenheid en opstand. De profeten waren verworpen en Zijn Zoon zou het evenzo vergaan. Ze wilden de erfenis van de Zoon voor zichzelf hebben. Ze konden niet anders dan toestemmen, dat in zo’n geval het noodzakelijk gevolg moest zijn, dat de bozen werden omgebracht en de wijngaard aan anderen gegeven. Jezus past deze gelijkenis op hen toe, door Psalm 118 aan te halen, die aankondigt dat de Steen die de bouwlieden verworpen hadden de hoeksteen zou worden. En daarbij nog, zou ieder die over deze Steen viel, (zoals het volk op dat ogenblik deed) verbroken worden. En op wie deze Steen viel, (en dat zou het lot zijn van het opstandige volk in de laatste dagen) zou worden vermorzeld. De overpriesters en farizeeërs begrepen, dat Hij over hen sprak, maar ze durfden Hem niet te grijpen, omdat het volk Hem voor een profeet hield. Dit is de geschiedenis van Israël, zelfs tot aan de laatste dagen, als onder de verantwoordelijkheid geplaatst. Jahweh zocht vrucht in Zijn wijngaard.
Hoofdstuk 22
In dit hoofdstuk wordt nu hun gedrag gezien tegenover de uitnodigingen van de genade. Daarom is deze gelijkenis een beeld van het koninkrijk der hemelen. Het doel van God is Zijn Zoon te eren, door het vieren van Zijn bruiloft. Allereerst worden de joden, die al lang tevoren waren uitgenodigd, tot het bruiloftsfeest geroepen. Zij wilden niet komen. Dit gebeurde tijdens het leven van Christus. Daarna zond God, omdat alle dingen gereed waren, opnieuw boden uit om hen te roepen. Dat was de zending van de apostelen tot het volk toen het verlossingswerk volbracht was. Ook deze boodschap hebben de joden veracht of de boodschappers gedood 69. Het gevolg is dat de bozen en hun stad worden vernietigd. Dat is de verwoesting die over Jeruzalem kwam. Nadat de joden de uitnodiging verworpen hadden, worden vervolgens de ellendigen, de heidenen die buiten waren tot het feest gebracht, zodat de bruiloftszaal gevuld werd met gasten. Maar nu wordt er iets anders voorgesteld. Want weliswaar hebben we in deze gelijkenis het oordeel over Jeruzalem gezien. Maar, omdat het een gelijkenis van het koninkrijk is, zien we ook het oordeel over wat binnen in dat koninkrijk is. Er moet geschiktheid zijn voor de gelegenheid. Bij een bruiloft past een bruiloftskleed. Zal Christus verheerlijkt worden, dan moet alles in overeenstemming met Zijn heerlijkheid zijn. Er mag een uiterlijk ingaan in het koninkrijk zijn, een belijden van het christendom, maar hij die niet gekleed is met wat tot het feest behoort, zal worden uitgeworpen. We moeten bekleed zijn met Christus Zelf. Andere eisen worden niet gesteld – alles is bereid. De gast hoefde niets mee te brengen – de koning had voor alles gezorgd. Maar we moeten goed doordrongen zijn van de geest van wat er plaatsvindt. Als men maar even eraan denkt wat passend is voor een bruiloft, zal de noodzaak om in een bruiloftskleed te verschijnen worden gevoeld. Als het niet zo is, wordt de eer van de Zoon van de Koning vergeten. Het hart van de persoon in vers 11 was vreemd aan deze gevoelens en hij zal als een vreemde worden behandeld door het oordeel van de Koning, als deze komt om van de gekomen gasten kennis te nemen.
Zo is dus de genade aan Israël voorgesteld, en zij worden geoordeeld, omdat zij de uitnodiging van de grote Koning tot de bruiloft van Zijn Zoon hebben afgewezen. En daarna wordt ook het misbruik van de genade, door hen die ze aangenomen schenen te hebben, geoordeeld. En het ingaan van de heidenen wordt geopenbaard.
Hier eindigt de geschiedenis van het oordeel over Israël in het algemeen en van het karakter dat het koninkrijk der hemelen zou aannemen.
Hierna (hoofdstuk 22:15 en volgende verzen) zien we de verschillende klassen van de joden, de een na de ander, verschijnen. Eerst zoeken de farizeeërs en de Herodianen, (de laatsten waren zij die de heerschappij van de Romeinen begunstigden, en de eersten, zij die er sterk tegen gekant waren), Jezus in Zijn woorden te verstrikken. De gezegende Heer antwoordt hun met die volmaakte wijsheid, die zich altijd openbaarde in alles wat Hij sprak en deed. Van hun kant was het enkel boosheid, die een totaal gemis aan geweten openbaarde. Hun eigen zonde had hen onder het Romeinse juk gebracht; een toestand die inderdaad volkomen in strijd was met wat passend was voor het volk van God op aarde. Zij dachten door hun vraag te bewerken, dat Christus, óf een voorwerp van wantrouwen moest worden voor de machthebbers, óf Zijn aanspraken om Messias en Verlosser te zijn moest opgeven. Wie had dit dilemma veroorzaakt? Het was de vrucht van hun eigen zonden. De Heer laat hen zien, dat ze zelf het juk hadden aanvaard. Het geld droeg daarvan het teken. Ze moesten het dus geven aan hem die het toekwam. Maar tevens moesten ze ook aan God geven wat Hem toekwam. Maar dat deden ze niet. Hij laat hen dan onder het juk, waarvan zij zelf gedwongen moesten belijden, dat ze het hadden aangenomen. Hij herinnert hen aan de rechten van God, die ze vergeten waren. Zo had bovendien de toestand van Israël moeten zijn, sinds de macht aan Nebukadnezar gegeven was. Een wijnstok van nederige stam.
Daarna komen de sadduceeën tot Hem. Ze vragen over de opstanding, omdat ze denken dat ze de ongerijmdheid daarvan kunnen aantonen. En zoals de toestand van het volk geopenbaard werd in het gesprek van de Heer met de farizeeërs, zo wordt hier het ongeloof van de sadduceeën in het licht gesteld. Ze dachten alleen aan de dingen van deze wereld, terwijl ze het bestaan van een andere probeerden te ontkennen. Maar wat ook de toestand van vernedering en onderwerping zijn mocht waarin het volk was vervallen; de God van Abraham, Izaäk en Jakob veranderde niet. De beloften aan de vaderen gedaan bleven vast, en de vaderen leefden, opdat zij hierna de beloften zouden genieten. Het ging hier om het Woord en de macht van God. De Heer handhaaft deze met grote kracht en klaarheid, zodat de sadduceeën tot zwijgen worden gebracht.
Dan doen de wetgeleerden, door Zijn antwoord getroffen, een vraag. Deze vraag geeft de Heer aanleiding om uit de gehele wet datgene samen te vatten, wat in de ogen van God het wezen ervan uitmaakt. Zo stelt Hij hun de volmaaktheid voor van de wet en wat (door welk middel men ertoe komen mag), het geluk uitmaakt van hen die erin wandelen. Alleen genade stijgt erboven uit.
Hier eindigt de ondervraging. Alles is geoordeeld en alles is in het licht gesteld, wat betreft de positie van het volk en de sekten dié onder hen waren. De Heer heeft hun de volmaakte gedachten van God ten opzichte van henzelf voorgehouden, hetzij in verbinding met hun toestand, of van Zijn beloften, of over de wezenlijke inhoud van de wet.
Nu was het aan de Heer om een vraag te stellen en daardoor Zijn eigen positie in het licht te plaatsen. Hij vraagt de farizeeërs om de titel “Zoon van David” in overeenstemming te brengen met die van “Heer”, welke David Hem gaf, en dat in verbinding met de hemelvaart van deze zelfde Christus om te zitten aan de rechterhand van God, totdat God al Zijn vijanden gesteld zou hebben tot een voetbank onder Zijn voeten, en Zijn troon in Sion zou hebben opgericht. Nu, dat was juist de gehele positie van Christus op dat ogenblik. Ze waren niet in staat om Hem te antwoorden en niemand durfde Hem meer iets te vragen. En inderdaad, als ze Psalm 110 verstaan hadden, zouden ze al de wegen van God met Zijn Zoon begrepen hebben, op het ogenblik dat ze Hem gingen verwerpen. Noodzakelijkerwijs eindigde dit deze samensprekingen van de Heer met de joden, door de ware positie van Christus aan te tonen. Hoewel Hij de Zoon van David was, moest Hij naar de hemel gaan om het koninkrijk te ontvangen. En terwijl Hij daarop wachtte, moest Hij aan de rechterhand van God zitten, overeenkomstig de rechten van Zijn heerlijke Persoon: De Heer van David en de Zoon van David.
Er is nog een ander belangrijk punt waarop we moeten letten. Bij deze ontmoeting en gesprekken met de verschillende klassen van de joden, stelt de Heer hun toestand, met het oog op hun verbinding met God, van alle kanten in het licht en tevens de plaats die Hij Zelf innam. Eerst laat Hij hun nationale positie tegenover God zien, als verantwoordelijk tegenover Hem staand, overeenkomstig hun natuurlijk geweten en de hun toekomende voorrechten. Het gevolg zou zijn dat ze afgesneden werden, en dat anderen in de wijngaard van de Heer zouden worden gebracht (hoofdstuk 21:28-46). Vervolgens legt Hij hun toestand bloot ten aanzien van de genade van het koninkrijk en het inbrengen van zondaars uit de heidenen. Ook hier is het einde de afsnijding en de verwoesting van de stad 70.
Daarna zien we in de Herodianen en de Farizeeërs, (de vrienden van Rome en hun vijanden), die voorgaven de vrienden van God te zijn, duidelijk in het licht gesteld, de werkelijke positie van de joden ten opzichte van de heersende macht van de heidenen en ten opzichte van God. In het gesprek met de sadduceeën toont de Heer de zekerheid aan van de beloften die aan de vaderen gegeven zijn, en de verbinding waarin God met hen stond ten opzichte van het leven en de opstanding. Daarna stelt Hij de werkelijke betekenis van de wet voor aan de schriftgeleerden. En dan spreekt Hij over de positie die Hij, de Zoon van David, innam in overeenstemming met Psalm 110. Een positie die verbonden was met Zijn verwerping door de leiders van het volk, die Hem omringden.
Hoofdstuk 23
Hier zien we duidelijk, hoe ver de discipelen in verbinding met het volk worden gezien, omdat ze joden zijn, hoewel de Heer de leiders oordeelt die het volk misleiden en God door hun gehuichel onteren. Hij spreekt tot de schare en tot de discipelen, en zegt: “De schriftgeleerden en de farizeeën zijn gaan zitten op de stoel van Mozes”. Als uitleggers van de wet moesten zij dus gehoorzaamd worden in alles wat ze in overeenstemming met die wet leerden, hoewel hun eigen gedrag niets dan huichelarij was. Het belangrijkste is hier de positie van de discipelen, die in feite dezelfde is als die van Jezus. Ze zijn in verbinding met alles wat van God is in het volk, dat wil zeggen met het volk als het erkende volk van God, en als gevolg dus ook met de wet als bekleed met gezag van God.
Tegelijk oordeelt de Heer, (en de discipelen moesten hetzelfde doen), de wandel van het volk, zoals openlijk vertegenwoordigd door hun leiders. Hoewel de discipelen nog steeds een deel van het volk waren, moesten ze zorgvuldig de wandel van de schriftgeleerden en farizeeërs mijden. Nadat de Heer deze herders van het volk hun huichelarij verweten had, laat Hij zien, hoe ze zelf de daden van hun vaders veroordeelden. Zij bouwden de graven van de profeten die door hun vaders waren gedood. Dus waren zij de kinderen van hen, die de profeten hadden gedood. En God zou daarom ook hen op de proef stellen, door hun profeten, wijzen en schriftgeleerden te zenden. Ze zouden deze ook vervolgen en doden en zo de maat van hun ongerechtigheid volmaken (en zo veroordeeld worden uit hun eigen mond), opdat al het rechtvaardige bloed dat vergoten was vanaf Abel tot op de profeet Zacharia, over dit geslacht zou komen. Wat een vreselijke schuld heeft de zondige mens, die onder de verantwoordelijkheid was geplaatst, opeengestapeld vanaf het begin van zijn vijandschap tegen het getuigenis van God! En hoe werd ze dagelijks groter, omdat het geweten steeds meer werd verhard, telkens wanneer het dit getuigenis weerstond! Hoe meer de getuigen geleden hadden, hoe meer de waarheid openbaar geworden was. Het opnieuw verwerpen van deze getuigen was een zo in het oog lopend gevaar, dat het vermeden had moeten worden door het volk op zijn weg. Maar zij volharden in hun boze wandel, en elke stap vooruit, elke gelijksoortige handeling, was een bewijs van een steeds toenemende verstoktheid. De lankmoedigheid van God, die in genade werkzaam was in het getuigenis, had hun wegen wel gezien. En onder deze lankmoedigheid had alles zich opeengestapeld. En nu zou alles neerkomen op het hoofd van dit gewetenloze door God verworpen geslacht.
We moeten hier op het karakter letten van de apostelen en christelijke profeten. Het zijn schriftgeleerden, wijzen en profeten, gezonden tot de joden, het altijd oproerige volk. Dit toont duidelijk aan vanuit welk gezichtspunt ze in dit hoofdstuk worden bezien. Zelfs de apostelen zijn “wijzen” en “schriftgeleerden”, en worden tot de joden als zodanig gezonden.
Maar het volk – Jeruzalem, de geliefde stad van God – is schuldig en is veroordeeld. Zoals we gezien hebben, stelt Christus Zich, na de genezing van de blinde bij Jericho, voor als Jahweh, de Koning van Israël. Hoe vaak had Hij de kinderen van Jeruzalem willen bijeenvergaderen, maar zij wilden niet. En nu zou hun huis woest worden gelaten, totdat zij (als hun harten waren bekeerd) de woorden van Psalm 118 zouden overnemen en vol verlangen de komst zouden begroeten van Hem die kwam in de Naam van Jahweh. Ze zouden dan wachten op de verlossing door Zijn handen en Hem daarom bidden. Kortom, totdat ze Hem die zou komen het “Hosanna” zouden toeroepen. Ze zouden Jezus nu niet meer zien, totdat zij met verootmoedigde harten Hem zouden zegenen die ze verwachtten, maar die ze nu verwierpen. Totdat dus hun harten waren toebereid. Vrede zou Zijn verschijning volgen. Verlangen zou eraan voorafgaan.
De laatste drie verzen laten ons duidelijk de positie van de joden zien, of van Jeruzalem, als het middelpunt van het joodse stelsel in de ogen van God. Al lang en verscheidene malen, had Jezus, Jahweh de Verlosser, de kinderen van Jeruzalem bijeen willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, maar zij hadden niet gewild. Hun huis zou woest en verlaten blijven, maar niet voor altijd. Na de profeten gedood en de hun gezonden boden gestenigd te hebben, kruisigden zij hun Messias. En na Zijn verwerping verwierpen en vermoordden ze de boden die Hij zelfs toen nog gezonden had om hun genade te prediken. Daarom zouden ze Hem niet meer zien totdat ze zich hadden bekeerd en de begeerte in hun hart gewerkt was om Hem te zien. Daardoor zouden ze worden toebereid om Hem te zegenen, en dat te doen in hun harten, terwijl ze de bereidheid daartoe beleden. De Messias, die gereed stond om hen te verlaten, zouden ze niet meer zien, totdat berouw hun harten omgekeerd had tot Hem, die ze nu verwierpen. Dan zouden ze Hem zien. Als Hij komt in de Naam van Jahweh, zal de Messias Zich openbaren aan Zijn volk Israël. Het is Jahweh, hun Verlosser, die zal verschijnen. En het Israël dat Hem verworpen heeft, zal Hem zó zien. In de toekomst zal het volk dus weer in het genot van hun verbinding met God worden gebracht.
Dit is dan het zedelijke en profetische beeld van Israël. De discipelen worden, als joden, als een deel van het volk gezien, hoewel zij als een overblijfsel geestelijk daarvan gescheiden waren en te midden van het volk getuigenis gaven.
Hoofdstuk 24
We hebben al gezien, dat de verwerping van het getuigenis van het koninkrijk in genade, de reden is van het oordeel dat op Jeruzalem en haar inwoners zal neerkomen. In hoofdstuk 24 zien we de positie van dit getuigenis in het midden van het volk en de toestand van de volken en hun verbinding met dit door de discipelen afgelegde getuigenis. Vervolgens de toestand van Jeruzalem, als gevolg van het verwerpen van de Messias en het verachten van het getuigenis. En als slot de algemene verwoesting aan het einde van die dagen – een toestand van zaken die zou eindigen met de verschijning van de Zoon des mensen en het bijeenvergaderen van de uitverkorenen van Israël vanuit alle windstreken.
We moeten dit merkwaardige gedeelte overdenken. Het is een profetie en tevens een onderwijs aan de discipelen, voor hun leiding in de weg die ze moesten volgen, te midden van de komende gebeurtenissen.
Jezus verlaat de tempel, en dat voorgoed: een ernstige daad, waarmee, zo kan men wel zeggen, het oordeel uitgeoefend werd dat Hij zojuist had aangekondigd. Het huis was nu woest. Maar het hart van de discipelen bleef er, door hun vroegere vooroordelen, nog altijd aan verbonden. Ze vestigen Zijn aandacht op zijn mooie gebouwen. Jezus kondigt de algehele verwoesting ervan aan. Als daarna de discipelen alleen met Hem op de Olijfberg zitten, vragen ze Hem wanneer dat alles zal gebeuren en wat het teken zou zijn van Zijn komst en het einde van de eeuw. De verwoesting van de tempel, de komst van Christus, en het einde van de eeuw, vatten zij samen als één geheel. We moeten erop letten, dat hier het einde van de eeuw het einde is van het tijdvak waarin Israël onderworpen was aan de wet onder het Oude Verbond; een tijdvak dat zou eindigen om plaats te maken voor de Messias en het Nieuwe Verbond. We moeten ook opmerken, dat hier de regering van God over de aarde, en de oordelen die bij de komst van Christus zouden plaatsvinden en een eind maken aan de bestaande eeuw, het onderwerp is. De discipelen verwarden wat de Heer gezegd had over de verwoesting van de tempel, met dat tijdvak 71. De Heer behandelt het onderwerp vanuit Zijn eigen gezichtspunt, dat wil zeggen met het oog op het getuigenis dat de discipelen hadden af te leggen tegenover de joden, gedurende Zijn afwezigheid en tot het einde van de eeuw. Hij voegt er niets bij over de verwoesting van Jeruzalem, die Hij al had aangekondigd. De tijd van Zijn komst werd bewust verborgen gehouden. En bovendien maakte de verwoesting van Jeruzalem door Titus, in feite een einde aan de positie waarop het onderwijs van de Heer doelt. Onder de joden zou er dan geen enkel erkend getuigenis meer zijn. Wanneer die positie er weer zal zijn, zal de toepassing van dit gedeelte weer beginnen. Nadat Jeruzalem verwoest is, kan er, tot die tijd, alleen maar sprake zijn van de Gemeente.
De rede van de Heer is in drie delen verdeeld:
- De algemene toestand van de discipelen en van de wereld, gedurende de tijd van het getuigenis, (tot het eind van vers 14);
- Het tijdvak dat gekenmerkt wordt door het feit, dat de gruwel van de verwoesting in de heilige plaats zal staan (vers 15);
- De komst van de Heer en de bijeenvergadering van de uitverkorenen van Israël (vers 29).
De tijd waarin de discipelen getuigenis zouden geven, is gekenmerkt door valse Christussen en valse profeten onder de joden. En zij die het getuigenis afleggen zouden vervolgd worden en aan de heidenen overgeleverd. Maar er wordt nog iets meer bepaalds gezegd in verbinding met die dagen. Er zouden valse Christussen in Israël optreden. Er zouden oorlogen, hongersnoden, pestilentiën en aardbevingen zijn. Maar de discipelen moesten niet bevreesd worden, want het einde zou er nog niet zijn. Deze dingen zouden nog maar een begin zijn van de smarten. Dit waren in beginsel maar uiterlijke dingen. Er zouden andere gebeurtenissen zijn, die hen in grotere beproevingen zouden brengen – meer innerlijke dingen. Ze zouden worden overgeleverd, ter dood gebracht en door alle volken gehaat. Het gevolg hiervan zou zijn, dat velen die slechts belijders waren geërgerd zouden worden; de een zou de ander overleveren. Valse profeten zouden opstaan en velen misleiden; en omdat de ongerechtigheid toenam, zou de liefde van velen verkoelen. Wat een treurig beeld! Maar deze dingen zouden gelegenheid geven om een geloof uit te oefenen dat op de proef gesteld was! Die volharden zou tot het einde toe, zou behouden worden. Dit geldt in het bijzonder de sfeer van het getuigenis. Wat de Heer zegt, is niet absoluut beperkt tot het getuigenis in Palestina: maar omdat het getuigenis van daar uitgaat, is alles verbonden met dat land als middelpunt van de wegen van God. Bovendien zou het evangelie van het koninkrijk gepredikt worden in de gehele wereld, tot een getuigenis aan alle volken. En dan zou het einde komen; het einde van de eeuw. En hoewel de hemel de bron is van het gezag, als het koninkrijk zal zijn opgericht, zijn toch Palestina en Jeruzalem het aardse middelpunt ervan. Zodat het begrip van het koninkrijk, hoewel het zich uitstrekt over de gehele wereld, onze gedachten toch bepaalt bij het land van Israël. Er wordt hier over “dit evangelie van het koninkrijk” 72 gesproken. Het is niet de bekendmaking van de vereniging van de Gemeente met Christus, noch de verlossing in zijn volheid, zoals door de apostelen gepredikt en geleerd na Zijn hemelvaart. Maar het koninkrijk dat op aarde gevestigd zou worden, zoals Johannes de Doper en de Heer Zelf hadden bekendgemaakt. De vestiging van het algemene gezag van de ten hemel gevaren Christus, zou in de gehele wereld gepredikt worden om hun gehoorzaamheid op de proef te stellen, en om hen die oren hadden om te horen, het voorwerp voor het geloof te geven.
Dit is dus de algemene geschiedenis van wat zou plaatsvinden tot aan het einde van de eeuw, zonder in te gaan op het onderwerp van de prediking waardoor de Gemeente werd gegrond. De dreigende verwoesting van Jeruzalem, en de weigering van de joden om het evangelie te ontvangen, hebben veroorzaakt, dat God een bijzonder getuigenis heeft verwekt in de dienst van Paulus, zonder dat daardoor de waarheid van het toekomstige koninkrijk werd tenietgedaan. In wat nu volgt wordt bewezen, dat zo’n voortzetting van het getuigenis van het koninkrijk zal plaatsvinden aan het einde. En dat dit getuigenis dan alle volken bereiken zal voordat het oordeel komt dat een eind maakt aan de eeuw.
Maar er zal een ogenblik zijn, waarop binnen bepaalde grenzen, (namelijk Jeruzalem en omgeving), een bijzondere tijd van lijden zal aanbreken, in verband met het getuigenis in Israël. Als de Heer spreekt over de “gruwel van de verwoesting”, wijst Hij op Daniël, opdat we begrijpen zouden wat Hij bedoelt. Welnu, Daniël 12, waar sprake is van deze verdrukking, brengt ons uitdrukkelijk tot de laatste dagen, de tijd dat Michaël zal opstaan voor het volk van Daniël, dat zijn de joden, die onder de heerschappij van de volken zijn. In die dagen zal er een verdrukking zijn, als er nog nooit geweest is en ook nooit meer zal komen. Daaruit zal het overblijfsel worden bevrijd. In het laatste deel van het voorgaande hoofdstuk in Daniël, wordt die tijd “de tijd van het einde” genoemd (Daniël 11:40), en de vernietiging van de koning van het noorden profetisch aangekondigd. Nu zegt de profeet, dat 1335 dagen vóór de volheid van de zegen, (gezegend is hij die erin delen zal), het dagelijks offer zal worden weggenomen en de gruwel van de verwoesting zal worden opgericht. Vanaf dit ogenblik, zullen er 1290 dagen zijn, (dat is een maand meer dan de 1260 dagen van Openbaring 12, waarin de vrouw, die voor de draak vlucht, in de woestijn wordt gevoed. En ook dan de 3½ jaar van Daniël 7). Aan het einde, zoals we hier zien, komt het oordeel en wordt het koninkrijk aan de heiligen gegeven.
Zo is dus duidelijk bewezen, dat dit gedeelte ziet op de laatste dagen en de positie van de joden in die tijd. De gebeurtenissen van de tijd die voorbijging sinds de Heer deze woorden heeft gesproken, bevestigen deze gedachte. Want noch 1260 dagen, noch 1260 jaren na de tijd van Titus, noch 30 dagen of jaren daarna, is er iets gebeurd, dat de vervulling van de dagen van Daniël zou kunnen zijn. Deze tijd is al lang voorbijgegaan en nog vele jaren erbij. Israël is nog niet verlost en Daniël nog niet opgestaan in zijn deel aan het einde van de dagen. Het is duidelijk, dat hier over Jeruzalem en de omgeving wordt gesproken, want die in Judea zijn worden aangespoord om naar de bergen te vluchten. De discipelen die daar in die tijd zullen zijn, moesten bidden dat hun vlucht niet op een sabbat zou zijn. Een bewijs te meer dat de joden hier het onderwerp van de profetie zijn. Maar ook een getuigenis van de liefderijke zorg waarmee de Heer de Zijnen omringt. Want Hij denkt er zelfs aan, dat het ten tijde van deze ongeëvenaarde gebeurtenissen winterachtig weer zou kunnen zijn als ze moeten vluchten.
En behalve dit, bewijzen ook andere omstandigheden, als dit nodig mocht zijn, dat dit gedeelte over het joodse overblijfsel in de laatste dagen spreekt en niet over de Gemeente. Wij weten dat alle gelovigen zullen worden opgenomen, de Heer tegemoet in de lucht. Daarna zullen ze met Hem terugkomen. Maar hier op aarde zullen valse Christussen zijn, en men zal zeggen: “Hij is in de woestijn”, of “[Hij is] in de binnenkamers”. Maar de heiligen die zullen worden opgenomen en met de Heer zullen terugkeren, hebben niets te maken met valse Christussen op aarde. Ze zijn naar de hemel gegaan om daar met Hem te zijn, voordat Hij terugkeert naar de aarde. Evenzo is het gemakkelijk te begrijpen, dat de joden, die een aardse verlossing verwachten, vatbaar zullen zijn voor zulke verzoekingen, en erdoor misleid kunnen worden als Godzelf hen niet bewaart.
Dus dit deel van de profetie is van toepassing op de laatste dagen, de laatste 3½ jaar voor het oordeel dat plotseling zal komen bij de verschijning van de Zoon des mensen. De Heer zal plotseling komen, als een bliksemstraal, als een arend tot zijn prooi, tot de plaats waar het voorwerp van Zijn oordeel wordt gevonden. Onmiddellijk na de verdrukking van die laatste 3½ jaar, zal het gehele hiërarchische regeringssysteem worden geschokt en omvergeworpen. Dan zal het teken van de Zoon des mensen in de hemel verschijnen en ze zullen Hem zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid. Dit vers 30 bevat het antwoord op het tweede deel van de vraag van de discipelen in vers 3. De Heer geeft hun de waarschuwingen die noodzakelijk zijn om hen te leiden. Maar de wereld zal geen tekenen zien, hoe duidelijk ze ook mogen zijn voor hen die ze verstaan. En eerst op het ogenblik van de verschijning van de Heer, zal dit teken te zien zijn. De glans van de heerlijkheid van Hem die ze verworpen hebben zal hun tonen Wie Hij is die verschijnt, en het zal geheel onverwacht zijn. Wat een verschrikkelijk ogenblik, als, in plaats van een Messias die beantwoordt aan hun wereldse hoogmoed, de door hen verachte Christus in de hemel verschijnen zal!
Vervolgens zal de dan gekomen en geopenbaarde Zoon des mensen Zijn engelen uitzenden, om alle uitverkorenen van Israël te vergaderen vanuit de vier hoeken van de aarde. En hiermee sluit dan de geschiedenis van de joden, en zelfs van Israël, in antwoord op de vraag van de discipelen, terwijl de handelingen van God ontvouwd zijn ten aanzien van het getuigenis onder het volk dat dit getuigenis verwierp. De tijd van de grote verdrukking is aangekondigd, en ook het oordeel dat te midden van dit toneel zal worden uitgeoefend, als Jezus verschijnt. De omverwerping van alle machten, groot en klein, zal dan volkomen zijn.
De Heer geeft de geschiedenis van het getuigenis in Israël, en van het volk zelf, vanaf het ogenblik van Zijn heengaan, tot op Zijn wederkomst. Maar het tijdvak dat er geen volk, geen stad en geen tempel zal zijn, wordt niet genoemd. En dat maakt de verwoesting van Jeruzalem zo belangrijk. Er wordt hier niet rechtstreeks van deze gebeurtenis gesproken. De Heer beschrijft ze niet. Maar ze maakte een einde aan de toestand van zaken waarover de Heer hier spreekt. En de toepassing kan pas dan weer worden gemaakt, als Jeruzalem en de joden opnieuw op de voorgrond treden. Aan het begin zegt de Heer dat. De discipelen dachten, dat Zijn komst op dezelfde tijd zou zijn als de verwoesting van Jeruzalem. Op de vragen die ze Hem hebben gedaan, antwoordt Hij hun op zo’n wijze, dat ze daarvan gebruik kunnen maken tot die verwoesting. Maar als er dan over de gruwel van de verwoesting wordt gesproken, zien we ons direct in de laatste dagen.
De discipelen moesten de tekenen die de Heer gaf begrijpen. Ik heb al gezegd, dat door het feit van de verwoesting van Jeruzalem de toepassing van Zijn woorden werd onderbroken. Het joodse volk werd opzijgezet. Maar vers 34 heeft een veel wijdere strekking, die in het bijzonder op hen slaat. Er zouden ongelovige joden blijven voortbestaan, totdat alles zou zijn vervuld. Vergelijk Deuteronomium 32:5,20, waar dit oordeel over Israël bijzonder gezien wordt. God verbergt Zijn aangezicht voor hen, totdat Hij zien zal wat hun einde zal zijn, want ze zijn een zeer verdorven geslacht; kinderen die geen geloof hebben. Dit heeft plaatsgevonden. Als volk zijn ze onderscheiden tot op de huidige dag. Het geslacht bestaat nog in dezelfde toestand; een gedenkteken van de onfeilbaarheid van de wegen van God en van de woorden van de Heer.
Samenvattend is het dus zo: de regering van God in verband met dit volk wordt tot het einde toe beschreven. De Heer komt en vergadert de verstrooide uitverkorenen van Israël.
De profetische geschiedenis wordt voortgezet in hoofdstuk 25:31, dat onmiddellijk verbonden is met 24:30. En zoals hoofdstuk 24:31 het samenbrengen van Israël laat zien, nadat de Zoon des mensen verschenen is, zo toont 25:31 ons de handelingen van de Zoon des mensen in oordeel met de heidenen. Hij zal zonder twijfel als een bliksem verschijnen ten opzichte van de afval, die in Zijn ogen als een dood lichaam zal zijn. Maar als Hij zal komen om in heerlijkheid Zijn aardse plaats in te nemen, zal dat niet als een bliksem voorbijgaan. Hij zal zitten op de troon van Zijn heerlijkheid, en al de volken zullen vergaderd worden voor Hem, die op Zijn oordeelstroon zit. En zij zullen worden geoordeeld naar hun behandeling van de predikers van het evangelie van het koninkrijk, die uitgegaan waren om hun te prediken. De predikers zijn de broeders (vers 40), de schapen zijn zij die deze predikers hebben ontvangen. Die de boodschap van de predikers niet hebben aangenomen, zijn de bokken. De beschrijving die begint bij hoofdstuk 25:31, van de scheiding van de schapen en de bokken, en het resultaat ervan, laat de volken zien die op aarde worden geoordeeld overeenkomstig hun gedrag ten opzichte van de predikers. Het is het oordeel over de levenden, voor zover het tenminste de volken aangaat; een oordeel even definitief als dat van de doden. Het is hier niet het oordeel van Christus in oorlog, zoals in Openbaring 19. Het is een handeling van Zijn hoogste tribunaal, in Zijn rechten om de aarde te regeren, zoals in Openbaring 20:4. Ik spreek nu van het beginsel, of juister, van het karakter van het oordeel. Ik twijfel er niet aan, of deze broeders zijn joden, zoals de discipelen dat waren. Dat wil zeggen, dat ze zich in een zelfde positie zullen bevinden wat hun getuigenis betreft. De heidenen die dit getuigenis hebben ontvangen, zullen worden aangenomen, alsof ze Christus Zelf zo behandeld zouden hebben. Zijn Vader had voor hen het genot van het koninkrijk bereid en zij zouden erin gaan hoewel ze nog op aarde waren. Want Christus was neergekomen in de kracht van het eeuwige leven 73.
Tot nu toe, heb ik alles overgeslagen wat tussen hoofdstuk 24:31 en 25:31 ligt, omdat het eind van laatstgenoemd hoofdstuk alles volledig maakt wat de regering en het oordeel over de aarde betreft. Maar er is nog een groep van personen, waarvan de geschiedenis ons in haar grote zedelijke trekken wordt gegeven tussen de twee verzen die ik zojuist heb genoemd. Het zijn de discipelen van Christus, buiten het getuigenis dat in het midden van Israël werd gegeven. Aan hen had Hij gedurende Zijn afwezigheid Zijn dienst toevertrouwd en een positie gegeven in verbinding met Hemzelf. Deze positie en deze dienst staan in verbinding met Christus zelf, en niet in verbinding met Israël waar deze dienst ook wordt vervuld.
Maar voordat we aan deze verzen toe zijn, zijn er nog andere verzen waarover ik nog niet heb gesproken, en die meer toepasselijk zijn op de toestand van zaken in Israël, als een waarschuwing aan de discipelen die zich daar bevinden. Deze verzen beschrijven het onderscheidende oordeel dat onder de joden zal plaatsvinden in de laatste dagen. Ik spreek er hierover, omdat dit gedeelte van de rede (vanaf hoofdstuk 24:31 tot hoofdstuk 25:31) een vermaning is. Het is een toespraak van de Heer, die over hun plichten handelt, tijdens Zijn afwezigheid. Ik wijs nu op hoofdstuk 24:32-44. Hier wordt gesproken over de voortdurende verwachting van de discipelen in verband met de komst van de Zoon des mensen, omdat ze niet weten, en ze worden opzettelijk in deze onwetendheid gelaten, wanneer Hij komen zou, (en het oordeel is op aarde). Vanaf vers 45 richt de Heer Zich meer rechtstreeks en tegelijk in een meer algemene zin op hun gedrag tijdens Zijn afwezigheid. En dit niet in verbinding met Israël, maar met de Zijnen, Zijn huishouding. Hij had hun de taak gegeven om de huisgenoten op de juiste tijd te voorzien van geschikt voedsel. Dat is de verantwoordelijkheid van de dienst in de vergadering.
Het is belangrijk om te zien, dat in de eerste gelijkenis de toestand van de Gemeente als een geheel wordt gezien, terwijl in de gelijkenis van de maagden en die van de talenten de persoonlijke verantwoordelijkheid wordt getoond. Daarom wordt de dienstknecht die ontrouw is uitgeworpen en zijn deel wordt gesteld bij de huichelaars. De toestand van de verantwoordelijke Gemeente hangt af van hun wachten op Christus, of van het zeggen in hun hart dat Hij uitblijft. En het oordeel over hun trouw of ontrouw in die tussentijd, zal bij Zijn wederkomst worden uitgesproken. Getrouwheid zal in die dag worden beloond. Anderzijds zou het praktische vergeten van Zijn wederkomst leiden tot losbandigheid en tirannie. Er wordt hier geen verstandelijk stelsel bedoeld. De boze slaaf zegt in zijn hart: mijn heer blijft uit. Zijn wil is erin betrokken. En het resultaat is dat de vleselijke wil zich openbaart. Het is niet langer een toegewijde dienst voor Zijn huis, met het hart gericht op de goedkeuring van zijn Meester bij diens terugkeer, maar een werelds gedrag, en een zich aanmatigen van een willekeurig gezag, waartoe de dienst die hem was opgedragen de gelegenheid biedt. Hij eet en drinkt met de dronkaards. Hij maakt zich één met de wereld en neemt deel in haar wegen. Hij slaat zijn medeslaven naar zijn eigen wil. Dat is het gevolg, als men gedurende Zijn afwezigheid, opzettelijk in het hart, Zijn wederkomst verre stelt, en de Gemeente ziet als vast wonend op aarde. In plaats van trouwe dienst zien we wereldzin en tirannie. Is het niet een te ware tekening?
Wat gebeurt er nu met hen, die een plaats als dienstknecht hebben in het huis van God? De gevolgen zijn deze: enerzijds, zal de trouwe slaaf, die uit liefde en toewijding tot zijn Meester zich wijdde aan het welzijn van Zijn huis, bij Zijn wederkomst als een heerser worden gesteld over al Zijn goederen. Zij, die trouw zijn geweest in de dienst van het huis, zullen door de Heer over alle dingen worden gesteld, als Hij Zijn plaats van macht zal innemen en als Koning zal handelen. Alle dingen zijn door de Vader in de handen van Jezus overgegeven. Zij die in nederigheid getrouw zijn geweest in Zijn dienst gedurende Zijn afwezigheid, zullen tot heersers gemaakt worden over alles wat Hem is toevertrouwd. Dat wil zeggen: “over alle dingen”, want dat zijn slechts de “goederen” van de Heer Jezus. Aan de andere kant zal hij, die gedurende de afwezigheid van de Heer zichzelf als meester heeft opgeworpen, en de zin van het vlees en van de wereld waarmee hij zich verbonden had heeft nagejaagd, niet alleen maar het deel van die wereld ontvangen. Zijn meester zal onverwacht komen en hem de straf geven van huichelaars. Wat een les voor allen die in de Gemeente een plaats van dienst op zich nemen! Merk hierop, dat er niet wordt gezegd dat hij zelf dronken is, maar dat hij eet en drinkt met hen die zo zijn. Hij verbindt zich met de wereld en volgt haar gewoonten na. Dit is bovendien het algemene karakter dat het koninkrijk zal aannemen in die dag, hoewel het hart van de boze slaaf verdorven was. De Bruidegom zou inderdaad uitblijven, en de gevolgen die men zou kunnen verwachten van het hart van de mens, zullen niet uitblijven. Maar het resultaat dat we dan vinden is, dat openbaar wordt, wie werkelijk de genade van Christus bezat, en wie niet. 74
Hoofdstuk 25
De belijders gedurende de afwezigheid van Christus worden hier voorgesteld als maagden die uitgaan om de Bruidegom te ontmoeten, en Hem met licht naar Zijn huis te geleiden. In deze verzen is Hij niet de Bruidegom van de Gemeente. Voor de bruiloft van het Lam met de Gemeente in de hemel, gaan geen anderen Hem tegemoet. De Bruid wordt in deze gelijkenis niet genoemd. Als ze hier was voorgesteld, dan zou het Jeruzalem op aarde geweest zijn. De Gemeente als zodanig, wordt in deze hoofdstukken niet gezien.
Het gaat hier om de persoonlijke verantwoordelijkheid 75 tijdens de afwezigheid van Christus. Het kenmerk van de getrouwen in deze tijd is het uitgaan uit de wereld, uit het judaïsme, uit alles, zelfs uit de met de wereld verbonden godsdienst, om de komende Heer tegemoet te gaan om Hem te ontmoeten. Het joodse overblijfsel daarentegen, wacht op Hem op de plaats waar het zich bevindt. Als deze verwachting werkelijkheid was, zou degene die erdoor werd beheerst, gekenmerkt worden door het denken aan dat wat noodzakelijk was voor de Komende, namelijk het licht en de olie. Als het anders zou zijn, zou het hart tevreden zijn bij het gezelschap van belijders te behoren en lampen te hebben. Toch nemen allen een bepaalde positie in. Ze gaan uit, verlaten het huis en gaan de Bruidegom tegemoet. Maar deze blijft uit. Dit is gebeurd. Dan vallen allen in slaap. De gehele belijdende Gemeente, zelfs de gelovigen die de Geest hadden, verloor de wederkomst van de Heer uit het oog. Om rustig te slapen, moeten ze ook ergens zijn binnengegaan – een plaats van rust voor het vlees. Maar om middernacht, onverwacht, wordt de roep gehoord: “Zie, de bruidegom! Gaat uit <Hem> tegemoet”. Helaas, ze hadden allen weer dezelfde oproep nodig als in het begin. Ze moesten weer “uitgaan” Hem tegemoet. De maagden staan op en bereiden hun lampen. Er is genoeg tijd tussen de middernachtelijke roep en de komst van de Bruidegom om de toestand van ieder duidelijk te maken. Er waren sommigen, die geen olie in hun vaten hadden. Hun lampen gingen uit 76. De wijzen hadden olie. Het was onmogelijk voor hen deze te delen met de anderen. En alleen zij die olie bezaten, gingen met de Bruidegom in, om deel te hebben aan de bruiloft. Hij weigert, de anderen te erkennen. Wat hadden ze daar te maken? De maagden moesten licht geven met hun lampen, en zij hadden dat niet gedaan. Waarom zouden ze dan aan het feest deelhebben? Ze hadden gefaald in datgene wat recht op deze plaats gaf. En welke aanspraak hadden ze dan nog, om op het feest te zijn? De maagden op het feest waren die de Bruidegom hadden vergezeld. En zij hadden dat niet gedaan. Daarom werden ze niet toegelaten.
Maar zelfs de getrouwen hadden de komst van Christus vergeten. Ze vielen in slaap. Maar ze bezaten toch de olie, het allerbelangrijkste dat nodig was. Door de genade van de Bruidegom is er nog een oproep die Zijn komst aankondigt. Deze doet de maagden ontwaken. Ze hebben olie in de vaten. En het uitstel, waardoor de lampen van de ongelovigen uitgaan, geeft aan de gelovigen de tijd om zich te bereiden en hun plaats in te nemen. En hoewel ze vergeetachtig geweest zijn, gaan ze toch met de bruidegom in tot de bruiloft 77.
We gaan nu over van de toestand van de ziel, naar de dienst.
Want het is gelijk een mens, die, buitenslands gaande, (want de Heer woonde in Israël), Zijn eigen slaven riep, hun Zijn goederen overgaf en wegging. Hier zien we de beginselen die de al of niet trouwe dienstknechten kenmerken. Het gaat nu niet over de persoonlijke verwachting, en het bezit van de olie, nodig voor een plaats in het verheerlijkte gevolg van de Heer. Ook niet om de openbare en algemene positie van hen die in dienst van de Meester zijn; voorgesteld als één geheel, en daarom in één dienstknecht. Hier is het persoonlijke trouw in de dienst, zoals eerder in het verwachten van de Bruidegom. Als de Meester terugkomt, zal Hij met iedereen afrekenen. Wat is nu de positie van de dienstknechten? En wat is het beginsel dat trouw opwekt?
Laten we eerst opmerken, dat hier geen gaven worden bedoeld, die God in Zijn voorzienigheid geeft zoals aardse bezittingen en dergelijke. Dat waren niet “de goederen” die Jezus Zijn dienstknechten gaf toen Hij wegging. Het zijn de gaven die hen bekwaam maken te werken in Zijn dienst, terwijl Hij afwezig is. De Meester is soeverein en wijs. Hij gaf aan ieder verschillend, en ieder naar zijn bekwaamheid. Ieder was geschikt voor de dienst waarin hij gebruikt zou worden, en de gaven die ze ontvangen hadden ze nodig om de dienst te vervullen die hun was opgedragen. Getrouwheid in de vervulling van de dienst was het enige waar het om ging. En wat de trouwen van de ontrouwen onderscheidde, was het vertrouwen in hun Meester. Ze hadden genoeg vertrouwen in Zijn karakter dat ze kenden, in Zijn goedheid en in Zijn liefde, om te werken zonder op een andere wijze gemachtigd te zijn dan door hun kennis van Zijn persoonlijk karakter en door het inzicht dat het gevolg was van dat vertrouwen en die kennis. Waartoe zou het geven van geld anders moeten dienen, dan om ermee te handelen? Ontbrak het Hem aan wijsheid, toen Hij hun deze gaven toevertrouwde? De toewijding die voortvloeide uit het kennen van hun Meester, rekende op de liefde van Hem die ze kenden. Zij werkten en ze werden beloond. Dat is het ware karakter en de bron van de dienst in de Gemeente. En dat ontbrak nu juist bij de derde dienstknecht. Hij kende zijn Meester niet en vertrouwde Hem niet. Hij kon zelfs niet doen, wat met zijn eigen gedachten overeenstemde. Hij wachtte op een zekere machtiging, die hem zou moeten beveiligen tegen het karakter dat zijn hart ten onrechte aan zijn meester gaf. Maar zij, die het karakter van hun Meester werkelijk kenden, gingen in in Zijn vreugde.
Er is een onderscheid tussen deze gelijkenis en die van Lukas 19:12-27, waar ieder één pond ontvangt. Het gaat daar alleen om zijn verantwoordelijkheid. En als gevolg daarvan, ontvangt hij die tien ponden had gewonnen macht over tien steden. Maar hier in Mattheüs gaat het over de soevereiniteit en de wijsheid van God. Hij die werkt, wordt geleid door de kennis die hij heeft van zijn Meester; en de raadsbesluiten van God worden in genade vervuld. En hij, die het meeste ontvangen had, ontving nog meer. Tegelijk is de beloning meer algemeen. Die twee talenten en die vijf talenten gewonnen hadden, gaan op gelijke wijze in in de vreugde van de Meester die ze hadden gediend. Ze hebben Hem in Zijn ware karakter gekend en gaan in Zijn volle vreugde in. Moge de Heer het ook ons geven!
In de gelijkenis van de maagden, zien we meer dan dit. Het betreft meer rechtstreeks en uitsluitend het hemelse karakter van de christen. Er is hier geen sprake van de Gemeente in eigenlijke zin, gezien als een lichaam. Maar de getrouwen zijn uitgegaan om de Bruidegom te ontmoeten die terugkwam naar de bruiloft. Als de Heer wederkomt om het oordeel uit te oefenen, zal het koninkrijk der hemelen het karakter aannemen van personen die de wereld – en met name het Judaïsme – zijn uitgegaan. Die alle vleselijke godsdienst, in elke vorm die de wereld kent, hebben prijsgegeven om het met de komende Heer alleen te doen te hebben, en uit te gaan om Hem te ontmoeten. Dit was van het begin het karakter van de getrouwen, als deelhebbers aan het koninkrijk der hemelen, als ze de positie hadden begrepen waarin ze geplaatst waren door de verwerping van de Heer. Weliswaar, waren de maagden weer ingegaan en dat had hen in een valse positie gebracht. Maar het middernachtelijk geroep heeft hen op hun ware plaats teruggebracht. Daarom gaan ze in met de Bruidegom. Er is geen sprake van beoordeling of van loon, maar alleen van met Hem te zijn. In de gelijkenissen van de talenten en de ponden, is Zijn terugkeer naar de aarde het onderwerp, en de persoonlijke beloning. Het zijn de resultaten in het koninkrijk van hun gedrag tijdens de afwezigheid van de Koning 78. In de gelijkenis van de maagden is het dienen en de beloning het onderwerp niet. Zij die geen olie hebben, gaan in het geheel niet in. Dat is genoeg. De anderen hebben gemeenschappelijke zegen; ze gaan in met de Bruidegom tot het feest. Er is hier geen sprake van een persoonlijk loon, of van een verschillend gedrag. Het was de verwachting van het hart, hoewel de genade hen daartoe moest terugbrengen. Wat ook de plaats van hun dienst geweest mocht zijn: de beloning was zeker. Deze gelijkenis kan worden toegepast, en is ook beperkt, tot het hemels deel van het koninkrijk. Het is een gelijkenis van het koninkrijk der hemelen.
We moeten hier tevens opmerken, dat het wegblijven van de Meester ook in de gelijkenis van de talenten wordt genoemd, namelijk “na lange tijd”. Hun trouw en volharding werden zo op de proef gesteld. Moge de Heer ons geven, nu aan het eind van de tijden, getrouw en toegewijd gevonden te worden, opdat Hij tot ons zal kunnen zeggen: “Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf!” Het is waard om op te merken, dat in deze gelijkenissen, zij die in de dienst zijn of de eerste keer uitgingen, dezelfde zijn als die aan het eind worden gezien. De Heer wil de veronderstelling van “uitblijven” niet verder uitstrekken dan tot “wij, de levenden die overblijven” 79. Het geween en het tandengeknars is het deel van hem die zijn Meester niet heeft gekend, en die Hem beledigd heeft door de gedachten die hij over Zijn karakter had.
In vers 31 wordt de draad van de profetische geschiedenis weer opgenomen. Dit sluit dus aan bij 24:31. Daar zagen we de Zoon des mensen verschijnen als een bliksem, en daarna het overblijfsel van Israël vergaderd van de vier hoeken van de aarde. Maar dat is alles niet. Hij verschijnt plotseling en onverwachts, maar Hij vestigt ook Zijn troon van oordeel en heerlijkheid op de aarde. Hij vernietigt Zijn vijanden die zich in opstand tegen Hem bevinden, maar zit ook op Zijn troon om alle volken te oordelen. Dit is het oordeel op aarde over de levenden. Er worden hier vier onderscheiden groepen gevonden.
1. de Heer, de Zoon des mensen Zelf; 2. de broeders; 3. de schapen; 4. de bokken.
Ik geloof dat de broeders hier de joden zijn; Zijn discipelen als joden, die Hij gebruikt heeft als Zijn boden, om het koninkrijk te prediken tijdens Zijn afwezigheid. Het evangelie van het koninkrijk moest aan alle volken tot een getuigenis gepredikt worden. Dan zou het einde van de eeuw komen. In de tijd waarvan hier sprake is, is dat gebeurd. Het resultaat daarvan zou voor de troon van de Zoon des mensen op aarde worden gezien.
Hij noemt daarom deze boodschappers Zijn broeders. Hij had hun gezegd dat ze kwalijk behandeld zouden worden. En zo waren ze ook. Maar toch waren er enkelen, die hun getuigenis hadden aangenomen.
Nu, Zijn liefde voor Zijn getrouwe dienstknechten was zó groot, en Zijn waardering van hun werk zó hoog, dat Hij hen, tot wie het getuigenis was gezonden, oordeelt naar de wijze waarop ze deze dienstknechten hadden ontvangen, goed of kwaad, alsof het Hemzelf was overkomen. Wat een bemoediging voor Zijn getuigen gedurende die tijd van verdrukking, als hun geloof zo in hun dienst zal worden beproefd! Tegelijk was het een zedelijke rechtvaardigheid tegenover hen die veroordeeld werden, want zij hadden het getuigenis, door wie het ook was gegeven, verworpen. We zien hier ook het eindresultaat van hun gedrag, zowel van de één als van de ander. Het is de Koning, (want dat is nu de positie die Christus op aarde heeft ingenomen), die het oordeel uitspreekt. En Hij roept Zijn schapen (zij, die de dienstknechten hebben ontvangen en hebben deelgenomen aan hun beproevingen en verdrukkingen), op om het koninkrijk te beërven dat van de grondlegging van de wereld af voor hen was bereid. Want dat was het voornemen van God met deze aarde. Hij heeft altijd het koninkrijk voor ogen gehad. Zij waren de gezegenden van Zijn (van de Koning) Vader. Het waren geen kinderen die hun verbinding met de Vader verstonden. Maar zij waren de voorwerpen van de zegen van de Vader van de Koning van deze wereld. Bovendien zouden ze het eeuwige leven ingaan. Want dat was, door genade, de macht van het woord dat ze in hun hart hadden ontvangen. Terwijl ze het eeuwige leven bezaten, zouden ze gezegend worden in een gezegende wereld.
Zij die het getuigenis en de dragers daarvan hadden verworpen, hadden daarmee de Koning veracht die deze getuigen had gezonden. Zij zouden gaan in de eeuwige pijn.
Zo zijn alle gevolgen van de komst van Christus, in verbinding met het koninkrijk en Zijn boodschappers tijdens Zijn afwezigheid, voorgesteld. In verbinding met de joden tot hoofdstuk 24:31. In verbinding met Zijn dienstknechten tijdens Zijn afwezigheid, tot het eind van hoofdstuk 25:30, en daarbij tevens ingesloten het koninkrijk der hemelen in zijn tegenwoordige vorm en het hemelse loon dat gegeven zal worden. En dan, vanaf vers 31 tot het eind van hoofdstuk 25, in verbinding met de volken, die bij Zijn wederkomst op aarde zullen gezegend worden.
Hoofdstuk 26
De Heer heeft nu Zijn uiteenzettingen geëindigd. Hij bereidt Zich voor op het lijden dat komt en op Zijn laatste en treffende afscheidswoorden aan Zijn discipelen, die Hij zou spreken aan de tafel van Zijn laatste Pascha op aarde. Daar zou Hij ook het eenvoudige en kostbare gedachtenismaal instellen, dat op zo’n treffende wijze herinnert aan Zijn lijden en Zijn liefde. Dit gedeelte van het Evangelie heeft niet veel verklaring nodig. Niet, omdat het niet belangrijk is. Maar omdat het meer gevoeld dan verklaard moet worden.
Met wat een eenvoud kondigt de Heer aan wat ging gebeuren (vers 2)! Zes dagen voor het Pascha was Hij al in Bethanië gekomen (Johannes 12:1). En met uitzondering van het laatste avondmaal bleef Hij daar, totdat Hij gevangen werd genomen in de hof van Gethsemane, hoewel Hij Jeruzalem bezocht en er Zijn laatste maaltijd gebruikte.
De gesprekken die Hij gedurende deze zes dagen had, en Zijn daden, zoals bijvoorbeeld het reinigen van de tempel, hebben we al overdacht. We hebben achtereenvolgens gezien:
- de openbaring van Zijn rechten als Emmanuël, de Koning van Israël;
- het oordeel van de grote Koning in verbinding met het volk – een oordeel dat in allerlei uiteenzettingen werd gegeven, waarop het volk geen antwoord kon geven;
- de toestand van Zijn discipelen tijdens Zijn afwezigheid.
Nu zien we Zijn onderwerping aan het voor Hem vastgestelde lijden, het oordeel dat nu spoedig zou worden voltrokken. In werkelijkheid echter, was dit slechts de vervulling van de raadsbesluiten van God, Zijn Vader, en van het werk van Zijn eigen liefde.
Het beeld van de vreselijke zonde van de mens in de kruisiging van de Heer Jezus, wordt voor onze aandacht geplaatst. Maar de Heer Zelf kondigt dit lijden tevoren aan (vers 1) met de rust van Een die juist voor dat doel was gekomen. Vóór nog de beraadslagingen van de overpriesters hadden plaatsgevonden, spreekt Jezus erover als iets dat al vaststaat. “U weet dat na twee dagen het Pascha is en de Zoon des mensen wordt overgeleverd om gekruisigd te worden.” Daarna komen de priesters, de schriftgeleerden en de oudsten samen. Ze beramen hun plannen om zich meester te maken van Zijn Persoon en Hem uit de weg te ruimen.
Kortom, ten eerste wordt ons getoond, de wonderbare raadsbesluiten van God en de onderwerping van Jezus, naar Zijn kennis van deze raadsbesluiten en van de omstandigheden waardoor deze zouden worden vervuld. Daarna zien we de goddeloze raadslagen van de mens, die alleen maar die van God vervullen. Hun voornemen om Hem niet op het feest te grijpen, omdat ze het volk vreesden (26:5), was niet van God, en faalde daarom. Hij moest op het feest lijden.
Judas was slechts, in de hand van de satan, het werktuig van hun boosheid, die tenslotte niets anders kon doen dan de dingen regelen overeenkomstig het goddelijk voornemen. Tevergeefs wensten zij dat Jezus niet op het feest gevangengenomen zou worden, met het oog op de schare, die Jezus misschien helpen zou als Hij een beroep op hen deed. Dat was gebleken bij Zijn intocht in Jeruzalem. Ze veronderstellen, dat Jezus Zich werkelijk op de schare zou beroepen, omdat goddeloze mensen er altijd op rekenen dat ze hun eigen beginselen bij anderen terugvinden. Daarom kan de boosheid niet gemakkelijk de oprechte verstrikken. Want hij is eenvoudig. Hier was het de wil van God, dat Jezus op het feest zou lijden. Maar Hij had een lieflijke vertroosting bereid voor het hart van Jezus; meer een balsem voor Zijn hart dan voor Zijn lichaam. Het was een gebeurtenis, die door de vijand werd gebruikt, om Judas tot het uiterste te drijven, zodat hij zich met de overpriesters in verbinding stelde.
Bethanië is in onze gedachten verbonden met de laatste ogenblikken van vrede en rust in het leven van onze Heiland, en als de woonplaats van Martha en Maria, en Lazarus de uit de dood opgewekte. Dit Bethanië 80 ontving de Heer voor het laatst. Het was de gezegende, maar voorbijgaande, schuilplaats van een hart, dat, hoewel het altijd bereid was om liefde te bewijzen, aanhoudend werd gedrukt in een zondige wereld, die deze liefde niet wilde maar ook niet kon beantwoorden; een hart, dat ons in Zijn verbindingen met deze geliefde familie, het voorbeeld heeft gegeven van een volmaakte, maar toch menselijke genegenheid, die het lieflijk vond om zich te bevinden bij hen, die deze genegenheid beantwoordden en waardeerden.
De nabijheid van het kruis, waar Hij Zijn aangezicht zou moeten stellen als een keisteen (Jesaja 50), beroofde Zijn hart niet van de zoete vreugde van deze gemeenschap, maar maakte ze indrukwekkend en roerend. Terwijl Hij het werk van God deed, hield Hij niet op mens te zijn. In alles daalde Hij af, om geheel voor ons te zijn. Hij kon Jeruzalem niet langer erkennen, en dit heiligdom van Bethanië beschermde Hem voor een ogenblik tegen de ruwe hand van de mens. Hier kon Hij laten zien, wat Hij als mens altijd was. Met recht, zou er in de gehele wereld gesproken worden, over de handeling van iemand, die tot op zekere hoogte enigszins kon beseffen wat Hij voelde81 en die in die daad de waardering uitdrukte van wat haar hart verstond van Zijn kostbaarheid en genade.
Haar genegenheid begreep intuïtief de vijandschap die zich openbaarde tegen het voorwerp van haar liefde, en werd daardoor gedrongen zich te openbaren. Deze gebeurtenis, dit getuigenis, brengt de Heer dicht bij ons, en wekt een gevoel op in ons hart dat heiligt door ons te verbinden met Zijn geliefde Persoon.
Zijn dagelijks leven was één inspannende arbeid van de ziel, in evenredigheid aan de kracht van Zijn liefde. Het was een leven van toewijding te midden van zonde en ellende. Voor een ogenblik kon Hij erkennen en erkende Hij ook, die toewijding aan Hem, die tevoorschijn geroepen was door datgene waaronder Zijn ziel zich in goddelijke volmaaktheid boog. Hij erkende deze toewijding, in de aanwezigheid van de macht van het kwaad die nu haar eigen weg kon gaan, en ook van de liefde die, door de ware kennis van Hem, verkregen aan Zijn voeten, zich aan Hem vastklemde.
Hij kon met inzicht uitdrukking geven, de ware zin weergeven, van wat goddelijk gewerkte genegenheid in stilte aan Hem deed 82.
De lezer zal goed doen, als hij dit toneel van neerbuigende liefde en uitstorting van het hart ernstig overdenkt. Jezus, Emmanuël, Koning en soeverein Rechter, heeft zo juist alles aan Zich laten voorbijgaan om het te oordelen (van hoofdstuk 21 tot hoofdstuk 25). Hij was aan het einde gekomen van wat Hij te zeggen had. In dit opzicht was Zijn taak hier beneden geëindigd. Hij neemt nu Zijn plaats in als slachtoffer. Hij heeft alleen nog maar te lijden, en kan Zichzelf alle vrijheid geven om de treffende uitdrukkingen van genegenheid uit een Hem toegewijd hart te genieten. Hij kon de honing slechts proeven, om dan weer verder te gaan. Maar Hij heeft ze werkelijk gesmaakt en heeft geen genegenheid afgewezen, die Zijn hart kon waarderen en ook deed.
Zie ook de uitwerking van deze diepe genegenheid voor de Heer. Deze genegenheid ademt noodzakelijk de atmosfeer waarin de geest van de Heer zich op dat ogenblik bevindt. De vrouw die Hem zalfde was niet ingelicht over de omstandigheden die zouden gebeuren en ze was ook geen profetes. Maar de nadering van het uur van de duisternis werd door haar gevoeld, omdat haar hart op Jezus was gericht 83.
De onderscheiden vormen van boosheid openbaarden zich voor Hem en vertoonden zich in hun ware gedaante. En onder de invloed van één meester, satan, schaarden ze zich om het enige voorwerp waartegen het de moeite loonde om al deze boosheid te concentreren. Maar daardoor werd ook het ware karakter van elk in het volle licht gesteld.
Maar de volmaaktheid van Jezus, die deze vijandschap opwekte, wekte tevens de genegenheid van deze vrouw op. Zij weerkaatste, om zo te zeggen, deze volmaaktheid in haar genegenheid. En zoals deze volmaaktheid werkzaam werd en in het licht werd gesteld door de vijandschap, zo ook haar genegenheid. En zo kon het hart van Christus niets anders doen, dan ze beantwoorden. Juist door deze vijandschap was Jezus des te meer een Voorwerp dat het hart bezighield, en dat, ongetwijfeld door God geleid, instinctief begreep wat er ging gebeuren. De tijd van getuigenis, en zelfs die van de verklaring van Zijn verbinding met allen die Hem omringden, was voorbij. Zijn hart was vrij, om zich te verblijden in de ware, goede en geestelijke genegenheid, waarvan Hij het voorwerp was. En wat ook de menselijke vorm ervan was: het was duidelijk dat de oorsprong goddelijk was, omdat ze verbonden was met de Persoon waarop, in dit ernstige ogenblik, al de aandacht van de hemel was gericht. Jezus Zelf was Zich van Zijn positie bewust. Zijn gedachten waren op Zijn heengaan gericht. Zolang Hij Zijn macht uitoefende, verborg, vergat Hij Zichzelf. Maar nu Hij verdrukt en verworpen was en als een lam ter slachting werd geleid, voelde Hij dat Hij het juiste Voorwerp was van de gedachten van hen, die Hem toebehoorden – van allen die harten hebben om te waarderen wat God waardeert. Zijn hart is vervuld met de komende gebeurtenissen, zie verzen 2,10-13,18,21.
Maar nog enkele woorden over de vrouw die Hem zalfde. Het gevolg van het gericht zijn van een toegenegen hart op Jezus, wordt in haar op een treffende wijze gezien. Met Hem vervuld, is ze gevoelig voor de positie waarin Hij verkeert. Ze voelt wat Hem zou kunnen overkomen. En dat brengt haar genegenheid ertoe, te handelen in overeenstemming met de bijzondere toewijding die deze omstandigheden in haar werkten. Toen de haat tegen Hem uitgroeide tot moordplannen, groeide de geest van toewijding in evenredigheid bij haar. En als gevolg doet ze, met de tact van de toewijding, juist wat passend is in Zijn omstandigheden. De arme vrouw gaf zich daarvan geen rekenschap. Maar toch deed ze wat voor dat ogenblik passend was. Haar waardering van de Heer Jezus, die zo oneindig kostbaar voor haar was, maakte haar bekwaam om te zien wat er in Zijn geest omging. In haar ogen was Christus bekleed met alles wat de omstandigheden vereisten, en ze stort over Hem uit, dat uitdrukking gaf aan haar genegenheid. Hoewel vrucht van haar gevoelens, beantwoordde haar daad aan de omstandigheden. En, hoewel het slechts de ingeving van haar hart was, geeft Jezus er alle waarde aan, die Zijn volmaakte kennis eraan geven kon, als Hij de gevoelens van haar hart en de komende gebeurtenissen samenvat.
Maar dit getuigenis van genegenheid en toewijding aan Christus, brengt de zelfzucht en harteloosheid van de anderen aan het licht. Ze verwijten de arme vrouw haar daad. Een treurig bewijs 84, (om nog niets te zeggen van Judas), hoe weinig vanzelfsprekend de kennis van wat de Heer Jezus betreft, passende gevoelens van genegenheid opwekt in onze harten. Hierna gaat Judas uit, en komt met de ongelukkige priesters overeen, Jezus voor de prijs van een slaaf aan hen over te leveren.
De Heer zet Zijn weg van liefde voort. En zoals Hij het getuigenis van genegenheid van de arme vrouw heeft aangenomen, zo geeft Hij nu een getuigenis van liefde aan Zijn discipelen, dat van oneindige waarde voor onze zielen is. Met vers 16 sluit het onderwerp waarover we hebben gesproken, namelijk de kennis die Christus naar God bezat, van wat Hem wachtte; de samenzwering van de priesters; de genegenheid van de arme vrouw, die door Hem werd aanvaard; de zelfzuchtige koudheid van hart van de discipelen; het verraad van Judas.
De Heer stelt nu de gedachtenis in van het ware Pascha. Hij zendt Zijn discipelen uit om alles gereed te maken, tot viering van het feest te Jeruzalem. Hij wijst Judas aan als degene die Hem aan de joden zou overleveren. Er moet hierbij opgemerkt worden, dat de Heer hier niet slechts laat zien dat Hij weet wie Hem verraden zou, want dat wist Hij al toen Hij Judas riep. Maar Hij zegt: “Eén van u zal Mij verraden”. Dat was het wat Zijn hart trof, en Hij wilde dat het ook de anderen treffen zou.
Dan wijst Hij erop, dat Zijn discipelen aan een gestorven Heiland moeten terugdenken. Het gaat niet meer om een levende Messias. Dat is alles voorbij. Ze moesten ook niet langer terugdenken aan de bevrijding van Israël uit de slavernij van Egypte. Met Christus, en wel met een gestorven Christus, begint een geheel nieuwe orde van zaken. Aan Hem moesten ze in het vervolg denken – aan Hem hier op aarde gestorven. Daarna vraagt Hij hun aandacht voor het bloed van het nieuwe verbond, terwijl Hij er dat bijvoegt, waardoor het zich verder uitstrekt dan tot de joden alleen, zonder namen te noemen: het wordt gestort voor velen. En bovendien, is dit bloed niet, zoals bij Sinaï, alleen maar de bevestiging van een verbond, dat ze in hun verantwoordelijkheid moesten nakomen. Het werd gestort tot vergeving van zonden. Het avondmaal is dus de herdenking van een gestorven Jezus, die, door te sterven met het verleden heeft gebroken, de grondslag gelegd voor het nieuwe verbond, de vergeving van zonden verworven, en de deur voor de heidenen geopend. Het avondmaal stelt Hem alleen aan ons voor in Zijn dood. Zijn bloed is gescheiden van Zijn lichaam: Hij is dood. Het is noch Christus op aarde levend, noch Christus verheerlijkt in de hemel. Hij is gescheiden van Zijn volk, voor zover het hun vreugden op aarde betreft. Maar ze moeten Hem verwachten, als deelgenoot in betere dagen in de vreugde die Hij voor hen heeft verworven, want Hij zal neerdalen om dat te zijn. “Ik zeg u echter, dat Ik van nu aan geenszins zal drinken van deze vrucht van de wijnstok tot op die dag wanneer Ik die met u nieuw 85 zal drinken in het koninkrijk van Mijn Vader”. Maar wie behalve Jezus kon, nu deze banden verbroken waren, in de strijd bestaan? Allen zouden Hem verlaten. De getuigenissen van het Woord zouden worden vervuld. Het was geschreven: “Ik zal de Herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden”.
Toch wilde Hij als een opgestane Heiland, om Zijn relaties met deze armen van de kudde te hernieuwen, met hen gaan naar dezelfde plaats, waar Hij Zich al, gedurende Zijn leven, had ééngemaakt met hen. Hij zou hen voorgaan naar Galilea. Deze belofte is zeer merkwaardig, omdat de Heer, onder een nieuwe vorm, Zijn joodse verbindingen met hen en met het koninkrijk weer voortzet. We mogen hier opmerken, dat, zoals Hij alle klassen van mensen geoordeeld heeft (tot het einde van hoofdstuk 25), Hij nu ook het karakter aanduidt van Zijn relaties met allen die met Hem in aanraking waren. Of het nu de vrouw was, of Judas, of de discipelen, allen nemen hun plaats in, in verbinding met de Heer. Dit is alles wat we hier vinden. Ook al bezat Petrus genoeg natuurlijke kracht om iets verder te gaan, dat zou alleen maar leiden tot een diepere val op dezelfde plaats waar de Heer alleen maar staande kon blijven.
En nu zondert de Heer Zich af, om, in smeking aan de Vader, zich het lijden voor te stellen dat Hem wacht.
Maar terwijl Hij Zich afzondert tot gebed, neemt Hij drie van Zijn discipelen met Zich, opdat ze in dit ernstige ogenblik met Hem zouden waken. Het waren dezelfde drie, die met Hem waren op de berg van de verheerlijking. Zij moesten Zijn heerlijkheid in het koninkrijk zien maar ook Zijn lijden. Hij verwijdert Zich een weinig van hen. En zij, zij vallen in slaap zoals ze dat deden op de berg van de verheerlijking. Wat hier gebeurde wordt beschreven in Hebreeën 5:7. Jezus dronk de beker nog niet, maar ze stond voor Zijn ogen. Op het kruis dronk Hij ze, toen Hij voor ons tot zonde werd gemaakt en Zich verlaten voelde van God. Hier is het de macht van satan, die de dood gebruikt als een verschrikking om Hem te overwinnen. Maar de overdenking van dit onderwerp zal meer op zijn plaats zijn als we het Evangelie van Lukas behandelen.
We zien hier Zijn ziel onder het gewicht van de dood, (in anticipatie), zoals Hij dat alleen kon weten, toen deze zijn prikkel nog niet had verloren. We weten wie de macht van de dood had; en de dood had nog zijn volle karakter als het loon van de zonde, en de vloek van het oordeel van God. Maar Hij waakt en bidt. Als mens wordt de Heer door Zijn liefde aan deze aanval onderworpen. Hij komt te staan tegenover de krachtigste verzoeking, waaraan Hij kon worden blootgesteld. Maar enerzijds waakt Hij en anderzijds brengt Hij Zijn angst voor Zijn Vader. Zijn gemeenschap was hier niet onderbroken, hoe groot Zijn droefheid ook was. Deze droefheid bracht Hem er nog te meer toe, om Zich in alle onderworpenheid en vertrouwen, op Zijn Vader te werpen. Maar als wij gered moesten worden, als God verheerlijkt moest worden in Hem die onze zaak op Zich had genomen, moest de beker Hem niet voorbijgaan. En Zijn onderwerping is volkomen.
Hij herinnert Petrus op tere wijze aan zijn vals vertrouwen 86 en stelt hem zijn zwakheid voor ogen. Maar Petrus is te zeer met zichzelf vervuld, om daar zijn voordeel mee te doen. Hij ontwaakt uit zijn slaap, maar zijn zelfvertrouwen is niet geschokt. Een droeviger ervaring zou nodig zijn om hem daarvan te genezen.
Zo aanvaardt de Heer de beker, maar Hij neemt ze uit de hand van Zijn Vader. Het was Zijn wil dat Hij ze zou drinken. En omdat Hij Zich zo volkomen aan Zijn Vader overgeeft, is het niet uit de hand van Zijn vijanden, dat Hij ze aanneemt, noch uit de hand van satan, (hoewel zij de instrumenten waren). Overeenkomstig de volmaaktheid, waarmee Hij Zich in deze zaak had onderworpen aan de wil van God, terwijl Hij alles aan Hem overgeeft, ontvangt Hij de beker uit Zijn hand alleen. Het is de wil van de Vader. Door alleen de wil van God te zoeken, die alle dingen regeert, ontkomen we aan de bijkomende oorzaken en aan de verzoeking van de vijand. Als er smart of beproeving in ons leven komt, ontvangen we het van God.
De discipelen hoeven niet langer te waken. Het uur is gekomen 87. Nu zou Hij overgeleverd worden in de handen van mensen. Daarmee is alles gezegd. Judas duidt Hem aan door een kus. Jezus gaat de schare tegemoet en berispt Petrus, omdat deze probeert weerstand te bieden met vleselijke wapens. Als Christus had willen ontkomen, dan had Hij twaalf legioenen engelen kunnen vragen, en zou deze ook gekregen hebben. Maar de Schrift moest vervuld worden 88. Het was het uur van Zijn onderwerping aan de gevolgen van de boosheid van de mens en de macht van de duisternis en van het oordeel van God over de zonde. Hij is het Lam dat ter slachting wordt geleid. Daarop wordt Hij door alle discipelen verlaten. Hij geeft Zich over aan de schare, terwijl Hij hun laat zien wat ze nu gingen doen. En als niemand Hem van iets kan beschuldigen: Hij wil de waarheid niet verloochenen. Hij belijdt de heerlijkheid van Zijn Persoon als Zoon van God, en zegt dat ze van nu af de Zoon des mensen niet meer zouden zien in de zachtmoedigheid van Iemand die het gekrookte riet niet verbreekt, maar als komend op de wolken van de hemel en zittend aan de rechterhand van de Macht. Nadat Hij dit getuigenis heeft afgelegd, wordt Hij veroordeeld om wat Hij van Zichzelf heeft gezegd; voor de belijdenis van de waarheid. De valse getuigen hadden geen succes. De priesters en de hoofden van Israël waren schuldig aan Zijn dood, doordat ze het getuigenis, dat de Heer van de waarheid aflegde, verwierpen. Hij was de Waarheid. Zij stonden onder de macht van de vader van de leugen. Ze verwierpen de Messias, de Redder van Zijn volk. Hij zou tot hen niet meer komen dan alleen als Rechter.
Ze bespotten en beschimpen Hem. Zoals we gezien hebben, neemt ieder, helaas, zijn eigen plaats in. Jezus, die van het Offer. De anderen de plaats van verraders, verwerpers, verlaters of verloochenaars van de Heer. Wat een tafereel! Wat een ernstig ogenblik! Wie kon daar staande blijven? Alleen Christus kon er met vaste stap doorheen gaan. En Hij ging erdoor als een offer. Als zodanig, moest Hij van alles worden beroofd, en dat in de tegenwoordigheid van God. Al het andere verdween, behalve de zonde die daartoe leidde. En door de genade, zou ook die verdwijnen voor de machtige krachtdadigheid van deze handeling. Vertrouwend op zichzelf, wankelt Petrus, en als hij wordt herkend antwoordt hij met een leugen en verloochent met een eed zijn Meester. Pijnlijk overtuigd van de onmacht van de mens tegenover de vijand van zijn ziel en tegenover de zonde, gaat hij naar buiten en weent bitter. Zijn tranen kunnen zijn schuld niet uitwissen, maar ze bewijzen door genade het bestaan van oprechtheid van hart, en getuigen van die machteloosheid, waarvoor zelfs oprechtheid van het hart geen geneesmiddel is 89.
Hoofdstuk 27
Hierna leveren de ongelukkige priesters en hoofden van het volk hun Messias over aan de heidenen, zoals de Heer dit aan Zijn discipelen had voorzegd. Judas, in wanhoop onder de macht van satan, hangt zich op, nadat hij het loon van zijn ongerechtigheid aan de voeten van de overpriesters en oudsten had geworpen. Satan was genoodzaakt – zelfs door een geweten dat hij verleid had – getuigenis te geven van de onschuld van de Heer. Wat een toneel! De priesters, die geen gewetensbezwaren hadden toen ze het bloed van de Heer van Judas kochten, hebben nu wel bezwaar om het geld in de schatkist van de tempel te werpen, omdat het de prijs voor bloed was. Tegenover dat wat gaande was, werd de mens verplicht om zich in zijn ware aard te tonen, en de macht van satan over hem. Nadat ze raad gehouden hebben, kopen zij voor het geld een akker om vreemdelingen te begraven. Want die waren daarvoor in hun ogen onheilig genoeg, als zijzelf maar niet met zulk geld besmet werden. Niettemin was het nu juist de tijd van Gods genade voor de vreemdeling en de tijd van oordeel voor Israël. Bovendien hebben zij door het kopen van deze akker een blijvend gedenkteken gesticht van hun eigen zonde en van het bloed dat ze vergoten. Akeldama is alles wat in deze wereld overblijft van de omstandigheden van dit grote offer. De wereld is een akker van bloed, maar dit bloed spreekt beter dan het bloed van Abel.
Deze profetie vinden we, zoals bekend is, in Zacharia 11:12-13. De naam “Jeremia”, kan gemakkelijk later in de tekst zijn ingeslopen, als daar niets anders stond dan: “door de profeet”. Ook kan het zijn, (omdat Jeremia aan het hoofd van de profeten stond naar de orde van de Talmudisten), dat men zei: “Jeremia of een van de profeten”, zoals we zien in hoofdstuk 16:14. Maar het is hier de plaats niet om daarover te spreken.
Hun eigen aandeel in het joodse tafereel eindigt hier. De Heer staat nu voor Pilatus. Hier is het niet de vraag of Hij de Zoon van God is, maar of Hij de Koning van de joden is. Hoewel Hij dit laatste was, wilde Hij alleen als Zoon van God door de joden ontvangen worden. Als ze Hem als zodanig ontvangen hadden, zou Hij hun Koning zijn geweest. Maar het mocht niet zo zijn. Hij moest het verzoeningswerk volbrengen. Nadat de joden Hem verworpen hadden als de Zoon van God, verloochenden ze Hem nu als hun Koning. Maar ook de volken worden schuldig, in de persoon van hun hoofd in Palestina, waarvan de regering aan hen was toevertrouwd. De volken hadden moeten regeren in gerechtigheid. Hun vertegenwoordiger in Judea erkent de boosheid van Christus’ vijanden. Zijn geweten, verontrust door de droom van zijn vrouw, zoekt de schuld van de veroordeling van Jezus te ontwijken. Maar de ware overste van deze wereld, wat de tegenwoordige uitoefening van de macht betreft, is satan. Pilatus levert de Schuldeloze over aan de wil van Zijn vijanden, nadat hij zijn handen had gewassen, als een nietige poging om zichzelf vrij te pleiten. Tegelijk zegt hij echter, dat hij geen schuld in Hem vindt. En dan geeft hij aan de joden een man vrij, die schuldig staat aan oproer en moord, in plaats van de Vorst van het leven. Maar weer werd de Heer veroordeeld op grond van Zijn eigen belijdenis en daarop alleen. Het was dezelfde belijdenis die Hij uitgesproken had voor de joden. Hij sprak zowel op de ene als op de andere plaats de waarheid en gaf een goede belijdenis van de waarheid tegenover hen voor wie Hij stond.
Barabbas 90, de uitdrukking van de geest van satan, die een moordenaar was van het begin af en van opstand tegen het gezag dat Pilatus moest handhaven, was geliefd bij de joden. Met hem probeerde de ongerechtige zorgeloze landvoogd, die machteloos was tegenover het kwaad, de wil te bevredigen van het volk, dat hij had moeten regeren.
“Het gehele volk” maakte zich schuldig aan het bloed van de Heer door de verschrikkelijke woorden uit te spreken: “Zijn bloed over ons en over onze kinderen”. Ze blijven tot op de huidige dag vervuld, totdat soevereine genade, naar de raadsbesluiten van God, hen daarvan zal ontslaan. Ernstige en verschrikkelijke woorden! Droevige en vreselijke onwetendheid, die de eigenwil gebracht had over een volk dat het licht verwierp! Helaas, ik zeg het nogmaals, hoe neemt ieder zijn eigen plaats in tegenover deze toetssteen – een verworpen Verlosser. De bende van de volken, de soldaten, doen nu met spot en met de gewone brutaliteit van heidenen en uitvoerders van het vonnis hetzelfde, wat de volken in de toekomst met blijde aanbidding zullen doen, als Hij die nu het voorwerp is van hun spot, werkelijk in heerlijkheid Koning van de joden zal zijn. Jezus verdraagt alles. Het was het uur van Zijn onderwerping aan de volle macht van het kwaad. Geduldige volharding (Jakobus 1:4) moest haar volmaakt werk hebben, opdat Zijn gehoorzaamheid in alle opzichten volkomen zou zijn. Hij verdroeg liever alles zonder enige verlichting, dan dat Hij in de gehoorzaamheid aan Zijn Vader zou tekortschieten. Wat een verschil tussen Zijn gedrag en dat van de eerste Adam, terwijl deze door zegeningen was omringd!
In dit ernstige uur, waarin alles op de proef werd gesteld, moest iedereen een dienstknecht van de zonde of van de tirannie van de boosheid zijn. Ze noodzaken een zekere Simon, (later naar het schijnt bekend onder de discipelen), het kruis van Jezus te dragen; en de Heer wordt weggeleid naar de plaats van Zijn kruisiging. Daar weigert Hij wat Hem verdoofd zou hebben. Hij wil de beker niet ontwijken, die Hij moest drinken, noch Zijn bewustzijn verminderen om ongevoelig te zijn voor wat Hij naar de wil van God moest lijden. De profetieën van de psalmen worden in Zijn Persoon vervuld, door middel van hen die er weinig aan dachten wat ze deden. Tegelijk maken de joden, dat ze tot het uiterste veracht worden. Hun Koning wordt gekruisigd. Ondanks henzelf, moeten ze deze schande ondergaan. Wiens schuld is het? Maar, verhard en gevoelloos, delen ze met een boosdoener, tot hun eigen verderf, de ellendige voldoening de Zoon van God, hun Koning, de Messias te honen. Ze halen uit hun eigen schriften aan, (zo blind is het ongeloof), als de uitdrukking van hun eigen gevoelens, wat daar in de mond wordt gelegd van de ongelovige vijanden van Jahweh. Jezus voelt dit alles. Maar de angsten van Zijn beproeving, hoewel Hij ondanks alles een rustige en getrouwe Getuige is, de bodemloze diepten van Zijn lijden, bevatte iets veel verschrikkelijkers dan al deze boosheid en verlatenheid door de mens. De afgrond verhief zijn stem (Habakuk 3:10) 91. De een na de ander sloegen de golven van boosheid tegen Hem aan. Maar wie kon de afgrond beneden Hem, die Hem wachtte, peilen? Alleen Zijn hart, Zijn ziel, de bron van een goddelijke liefde, kon dieper gaan dan de bodem van die afgrond, die de zonde voor de mens had geopend; om hen, die erin verzonken waren, eruit op te halen nadat Hij de pijnen in Zijn eigen ziel had verdragen. Een hart dat altijd trouw was geweest, was verlaten van God. Waar de zonde de mens had gebracht, bracht de liefde de Heer. Maar met een natuur en een aanvoelen waarin geen afstand, geen scheiding was, opdat het in al zijn volheid zou worden gevoeld. Niemand dan Hij, die in die plaats was, kon dit doorgronden of voelen.
Wat een wonderbaar tafereel ook: de enige rechtvaardige mens die ooit in de wereld was, verklaart aan het eind van Zijn leven dat Hij door God is verlaten. Maar zo heeft Hij God verheerlijkt, zoals geen ander het zou kunnen doen, en daar waar niemand anders het kon doen – tot zonde gemaakt, in de tegenwoordigheid van God, zonder voorhang die Hem verborg en zonder barmhartigheid om ze te bedekken of ermee te handelen.
De vaders, vol van geloof, hadden in hun beproevingen de trouw van God ondervonden, die antwoordde op de verwachting van hun harten. Maar Jezus, (wat de toestand van Zijn ziel op dat ogenblik betrof), riep tevergeefs. Als “een worm en geen man”, voor de ogen van de mensen, had Hij het verlaten zijn van die God te dragen, waarin Hij Zijn vertrouwen stelde.
Degenen die Hem omringden, en met hun gedachten ver verwijderd waren van de Zijne, begrepen zelfs Zijn woorden niet, maar ze vervulden door hun onwetendheid de profetieën. Daarna gaf Jezus de geest, nadat Hij door de luidheid van Zijn stem getuigd had, dat het niet het gewicht van de dood was dat Hem drukte.
De uitwerking van Zijn dood wordt ons in dit Evangelie op tweeërlei wijze voorgesteld. Ten eerste scheurde de voorhang van de tempel in tweeën, van boven naar beneden. God, die altijd verborgen was geweest achter het voorhangsel, openbaarde Zich volkomen door de dood van Jezus. De toegang tot het heiligdom is geopenbaard. “[De] nieuwe en levende weg die Hij ons heeft ingewijd door het voorhangsel heen”. Het gehele joodse stelsel, de verbindingen van de mens met God onder dit stelsel, zijn priesterschap, alles verviel met het scheuren van het voorhangsel. Iedereen vond zichzelf in de tegenwoordigheid van God, zonder een voorhangsel ertussen. De priesters moesten altijd in Zijn tegenwoordigheid zijn. Maar door dezelfde handeling, was de zonde, die het ons onmogelijk maakte daar te zijn, voor de gelovigen geheel weggedaan voor God. De heilige God en de gelovige, gereinigd van zijn zonden, zijn bij elkaar gebracht door de dood van Christus. Hoe groot was de liefde die dit werk volbracht!
Ten tweede, was de uitwerking van de dood van Jezus zo, dat, toen Zijn opstanding de banden verbroken had die Hem vasthielden, velen van de doden zich in de stad vertoonden. Zij waren de getuigen van de macht van Hem, Die, na de dood te hebben ondergaan, er bovenuit gestegen was, ze overwonnen had, en de macht ervan tenietgedaan of in Zijn eigen hand genomen. De zegen was nu in de opstanding.
De tegenwoordigheid van God zonder voorhang, en zondaars die zonder zonde voor Hem staan, bewijzen de kracht van het lijden van Jezus.
De opstanding van de doden, waarover de koning der verschrikking geen recht meer bezat, toonde de uitwerking van de dood van Christus voor zondaars, en de kracht van Zijn opstanding. Het Judaïsme is voorbij voor hen die geloven en de macht van de dood eveneens. De voorhang is gescheurd. Het graf geeft zijn prooi terug; Hij is de Heer van de doden en de levenden 92.
Er is nog een ander speciaal getuigenis van de grote macht van Zijn dood, dat in de volgende woorden tot uitdrukking komt: “En als Ik van de aarde ben verhoogd, zal Ik allen tot Mijzelf trekken”. De hoofdman, die de wacht hield bij de kruisiging van de Heer, beleed bevende de heerlijkheid van Zijn Persoon, toen hij de aardbeving zag en alles wat er was gebeurd. En als vreemdeling in Israël gaf hij het eerste getuigenis van geloof onder de heidenen: “Waarlijk, deze was de Zoon van God”.
Maar de geschiedenis gaat verder. Enkele arme vrouwen, – aan wie toewijding vaak, van Gods zijde, meer moed geeft dan aan mannen in hun meer verantwoordelijke en bezige positie – stonden vlak bij het kruis om te zien wat er gedaan werd met Hem die ze liefhadden 93.
Maar deze vrouwen waren niet de enigen, die de plaats van de bevreesde discipelen innamen. Anderen, en dat gebeurt vaak, die door de wereld waren teruggehouden, voelden dat de tijd gekomen was voor een beslissing. De diepte van hun gevoelens was opgewekt door het vraagstuk van het lijden van Hem die ze werkelijk liefhadden. En toen het ogenblik zo moeilijk was dat anderen bevreesd waren, werden zij, aangemoedigd door de verwerping van Christus, onbevreesde belijders van de Heer. Tot hiertoe verbonden met hen die Hem kruisigden moeten ze óf die handeling goedkeuren, óf zich uitspreken. Door de genade doen ze het laatste.
God had alles van tevoren bereid. Zijn Zoon moest Zijn graf hebben bij de rijken. Jozef komt vrijmoedig tot Pilatus, en vraagt hem om het lichaam van Jezus. Hij wikkelt het lichaam, dat Pilatus hem geeft, in een rein linnen laken, en legt het in zijn eigen graf, dat nog nooit gediend had om het verderfelijke van de mens te verbergen. Maria Magdalena en de andere Maria 94 (want zij waren bekend), zaten bij het graf. Ze waren daaraan gebonden door alles wat voor hun geloof overbleef van Hem die ze liefhadden, en die ze gedurende Zijn leven met aanbidding hadden gevolgd.
Maar het ongeloof vertrouwt zichzelf niet. Het wantrouwt alles, omdat het vreest dat toch waar zou kunnen zijn wat het loochent. Daarom vragen de overpriesters aan Pilatus om het graf te bewaken, om elke poging te verijdelen die de discipelen zouden kunnen doen, om de leer van de opstanding te gronden op het niet aanwezig zijn van het lichaam van Jezus in het graf waarin het was gelegd. Pilatus vraagt hen om zelf het graf te verzekeren. Alles wat ze deden maakte hen alleen maar tot onvrijwillige getuigen en geeft ons de zekerheid van de vervulling van het feit dat ze vreesden. Zo was Israël schuldig aan deze poging tot, vergeefse, tegenstand tegen het getuigenis dat Jezus van Zijn eigen opstanding had gegeven. Ze waren een getuigenis tegen zichzelf van de waarheid ervan. De voorzorgen, die Pilatus misschien niet genomen zou hebben, dreven zij zover door, dat elke vergissing over het feit van Zijn opstanding uitgesloten was.
Hoofdstuk 28
In dit Evangelie wordt de opstanding van de Heer maar kort beschreven. Na de opstanding is het onderwerp opnieuw, de dienst en het onderwijs van de Heer Jezus, nu overgegeven aan de discipelen, te verbinden met de armen van de kudde, het overblijfsel van Israël. Hij roept hen opnieuw samen in Galilea, waar Hij hen voortdurend had onderwezen, en waar, ver verwijderd van de trots van de joden, de verachten van het volk woonden. Dat verbindt hun werk met het Zijne, in datgene wat het speciaal kenmerkte met het oog op het overblijfsel van Israël.
Op de bijzonderheden van de opstanding, zal ik op een andere plaats wijzen. Hier wil ik alleen de betekenis nagaan van wat er in dit Evangelie over gezegd wordt. Als de sabbat is geëindigd (naar onze tijdsbepaling zaterdagavond), komen de twee Maria’s om het graf te bezien. Dat was alles wat ze op dat ogenblik deden. Het eerste en tweede vers volgen niet onmiddellijk op elkaar; verzen 2-4 horen bij elkaar. Toen de aardbeving en de daarmee verbonden omstandigheden plaatsvonden, was er niemand aanwezig dan de wachters. ’s Nachts was alles in zekerheid. De discipelen wisten ’s morgens niets van wat er gebeurd was. Toen de vrouwen vroeg bij het graf kwamen, stelde de engel, die aan de ingang van het graf zat, de vrouwen gerust met de mededeling dat de Heer was opgestaan. De engel van de Heer was neergedaald en had de deur van het graf, die de mens met alle mogelijke voorzorgen had toegesloten, geopend 95. Door de soldaten daar te plaatsen, had de mens slechts door onwraakbare getuigen meegewerkt, om de waarheid van de prediking van de apostelen te bevestigen. De vrouwen ontvingen voor hun geloof een volle verzekering van het feit van Zijn opstanding, doordat ze de avond tevoren, en in de morgen toen de engel tot hen sprak, het graf hadden bezocht. Hier worden alleen maar de feiten genoemd. De vrouwen waren ’s avonds geweest. De tussenkomst van de engel was voor de soldaten het zekere bewijs van het ware karakter van Zijn verdwijnen uit het graf. En het bezoek van de vrouwen in de morgen, stelde het feit van Zijn opstanding vast, als een voorwerp van geloof voor henzelf. Ze gingen en vertelden het aan de discipelen die er zo ver van verwijderd waren te doen waarvan de joden hen beschuldigden, dat ze zelfs geen geloof hechtten aan het getuigenis van de vrouwen. Dan verschijnt Jezus Zelf aan de vrouwen die terugkeren van het graf en het woord van de engel hadden geloofd.
Zoals ik al gezegd heb, verbindt Jezus Zich hier weer met Zijn vroegere werk onder de armen van de kudde; ver van de zetel van de joodse traditie en van de tempel, en van alles wat, naar het Oude Verbond, het volk met God verbond. Hij laat Zijn discipelen zeggen, dat Hij hen in Galilea zal ontmoeten. Daar vinden ze Hem en herkennen Hem. En daar, op de vroegere plaats van het werk van Christus, ontvingen ze ook van Hem overeenkomstig Jesaja 8-9 hun opdracht. Daarom vinden we in dit Evangelie niet de hemelvaart van Christus, maar dat Hem alle macht in hemel en op aarde is gegeven. En in overeenstemming daarmee strekt de zending van de discipelen zich uit tot alle volken. Aan hen moesten ze Zijn rechten verkondigen en hen tot discipelen maken.
Maar de inhoud van hun prediking was niet alleen de Naam van de Heer noch in verbinding met de troon in Jeruzalem. Zijn discipelen moesten Hem aan alle volken proclameren als Heer van de hemel en van de aarde. Ze moesten hun leer gronden op de belijdenis van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest. Ze moesten niet de wet leren, maar de inzettingen van Jezus. En Hij zou met hen zijn, met de discipelen die Hem zo beleden, tot het einde van de eeuw. En dit verbindt alles wat vervuld zal worden tot Christus op de grote witte troon zit, met het getuigenis dat Hijzelf op aarde in het midden van Israël heeft gegeven. Het is het getuigenis van het Koninkrijk en van het Hoofd ervan, dat eenmaal werd verworpen door een volk dat Hem niet kende. Het verbindt het getuigenis aan de volken met een overblijfsel van Israël dat Jezus als Messias erkent, maar nu uit de doden opgestaan, zoals Hij had gezegd. Maar niet met een Christus die gekend wordt als ten hemel gevaren. Ook stelt het niet alleen Jezus voor, noch Jahweh, als voortaan het onderwerp van het getuigenis. Het is de openbaring van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, als de heilige Naam waardoor de volken in verbinding met God zijn.
EINDE EVANGELIE NAAR MATTHEÜS
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 5.1.3
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- Lezingen over het evangelie naar Mattheüs, W. Kelly
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten:
49 De overdenking van de Psalmen zal ons duidelijk gemaakt hebben, dat dit in verband staat met het herstel in zegen van het joodse overblijfsel, in de laatste dagen.
50 Het is van belang dat men onderscheid maakt tussen de Gemeente als door Christus gebouwd, die nog niet voltooid is, en dat wat als een zichtbaar geheel in de wereld, onder de verantwoordelijkheid door de mens wordt gebouwd. In Efeze 2:20-21 en 1 Petrus 2:4-5, vinden we dit goddelijke gebouw dat groeit en opwast. Op geen van deze twee plaatsen wordt er over het werk van mensen gesproken; het is Gods werk. In 1 Korinthe 3 daarentegen, is Paulus een wijs bouwmeester en anderen kunnen met hout, hooi en stoppelen bouwen. De verwarring van deze twee zaken is de grondslag van het pausdom en andere verderfelijke leringen die nu worden gevonden in wat men de kerk noemt. De Gemeente van Christus in haar werkelijkheid gezien, is een goddelijk werk dat Christus voltooit en dat blijft.
51 Denk er hier wel aan, wat ik al eerder heb gezegd, dat er geen sleutels van of tot de Gemeente zijn. Petrus had de sleutels van het beheer in het koninkrijk. Maar het denkbeeld van sleutels in verbinding met de Gemeente, of van de zogenaamde sleutelmacht in de Gemeente is loutere misleiding. Dergelijke sleutels bestaan er niet. De Gemeente wordt gebouwd. Mensen bouwen niet met sleutels en het is Christus en niet Petrus die bouwt. Bovendien zijn de zo gesanctioneerde handelingen, administratieve handelingen. De hemel geeft haar sanctie eraan, maar ze staan niet in verbinding met de hemel, maar met het aardse bestuur van het koninkrijk. Ook moet opgemerkt worden, dat, wat hier gegeven wordt, een persoonlijk karakter draagt. Het was een naam en een gezag die gegeven werden aan Simon de zoon van Jona.
Enkele andere opmerkingen kunnen helpen om meer volledig de draagwijdte van deze hoofdstukken te begrijpen. In de gelijkenis van de zaaier (hoofdstuk 13) wordt de Heer niet op de voorgrond geplaatst, maar alleen dat het een zaak van zaaien is, niet van oogsten. In de eerste gelijkenis van het koninkrijk, is Hij de Zoon des mensen en de akker is de wereld. Hij staat geheel buiten het Judaïsme. Hoofdstuk 14 toont ons de toestand van zaken vanaf de verwerping van Johannes tot de tijd dat de Heer, bij Zijn wederkomst, zal worden erkend ter plaatse waar Hij verworpen was. In hoofdstuk 15 zien we de zedelijke tegenstelling, en God wordt er in Zichzelf in genade gezien als verheven boven het kwaad. Hierop wil ik niet verder ingaan. Maar in hoofdstuk 16 zien we de Persoon van de Zoon van God, de levende God, en de Gemeente waarvan Christus de bouwmeester is. In hoofdstuk 17 zien we het koninkrijk met de Zoon des mensen komend in heerlijkheid. De sleutels (hoe ook de hemel het gebruik ervan door Simon bekrachtigt) waren, zoals we dat al gezien hebben, van het koninkrijk der hemelen, en niet van de Gemeente. Dat koninkrijk zou (zoals de gelijkenis van het onkruid laat zien), onherstelbaar verdorven en vervalst worden. De Gemeente wordt door Christus gebouwd en niet door Petrus, (vergelijk 1 Petrus 2:4-5).
52 In de eerste Brief van Petrus vinden we telkens dezelfde gedachten. De woorden “levende hoop”, “levende steen” – toegepast op Christus en daarna op de christenen. En, in overeenstemming met ons onderwerp, behoudenis door leven in Christus, de Zoon van de levende God, vinden we: “wegdragende het einde van uw geloof, de behoudenis van (onze) zielen.” Lees al de verzen na, waarmee de Apostel zijn onderwerp inleidt.
53 We hebben gezien, dat Petrus verder ging dan dit. Christus wordt in Psalm 2 gezien als de in de tijd, op aarde geboren Zoon, en niet als de eeuwige Zoon in de schoot van de Vader. Zonder de volle openbaring van deze laatste waarheid ontvangen te hebben, ziet Petrus dat Hij de Zoon is naar de kracht van het goddelijk leven in Zijn eigen Persoon, op Wie dientengevolge de Gemeente kon worden gebouwd. Maar we hebben nu te bezien, wat tot het koninkrijk behoort.
54 Petrus, door de Heilige Geest onderwezen, noemt het: “de luisterrijke heerlijkheid”. (2 Petrus 1:17).
55 Het was niet in verbinding met de goddelijke waardering van hun getuigenis, dat Mozes en Elia verdwenen. Er kon geen sterkere bevestiging van deze waardering zijn, zoals Petrus ook zegt, dan dit toneel. Maar zij waren niet de voorwerpen van het getuigenis van God, zoals Christus was. En ook had hun getuigenis en vermaningen van weleer geen betrekking op de hemelse dingen, die nu, in verbinding met de Zoon van de hemel, werden geopenbaard. Zelfs Johannes de Doper maakte dit onderscheid (Johannes 3:13,31-34.) Daarom moest de Zoon des mensen verhoogd worden. Hier zien we hetzelfde. De Heer zegt tegen Zijn discipelen, dat ze niet moeten zeggen dat Hij de Messias is, want de Zoon des mensen moest lijden. Het was het keerpunt in het leven en de dienst van de Heer. De toekomstige heerlijkheid van het koninkrijk werd door de discipelen gezien. Maar dan moest Hij lijden (zie Johannes 12:27). De geschiedenis van de joden was geëindigd in hoofdstuk 12, in feite al in hoofdstuk 11 en de grond van de verandering gelegd. Johannes en de Heer waren beiden verworpen, er was volmaakte onderwerping, alle dingen waren Hem overgegeven door Zijn Vader, en Hij openbaarde de Vader (vergelijk Johannes 13-14). Maar in Mattheüs 13 begint Hij, gescheiden van het Judaïsme, met wat Hij bracht zonder vrucht te verwachten van de mens.
56 Daarom wijst Johannes de Doper de toepassing van Maleachi 4:5-6 op zichzelf af, terwijl Jesaja 40 en Maleachi 3:1 in Lukas 1:76 en 7:27 op hem worden toegepast.
57 Nadat deze Brieven de verlossing door het kostbare bloed van Christus gesteld hebben en de wedergeboorte door het onverderfelijke zaad van het Woord van God, handelen ze beide verder over de regering van God. In de eerste zien we de toepassing van deze regering op de Zijnen om ze te bewaren, en in de tweede op de bozen en op de wereld doorgaande tot de tijd dat de elementen brandende zullen vergaan en de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.
58 De Heer onderscheidt hier de “kleinen die in Hem geloven.” In de andere verzen, spreekt Hij over een klein kind en maakt zijn karakter het voorbeeld van wat de christen in deze wereld moet zijn.
59 Als leer, is hier de zondige toestand van het kind en zijn behoefte aan het offer van Christus duidelijk uitgesproken. Wat de kinderen betreft, zegt de Heer niet: “zoeken”. De toepassing van de gelijkenis van het verloren schaap is wel zeer opvallend.
60 De Heilige Geest wordt persoonlijk ten volle erkend in Mattheüs. We zien dat bij de geboorte van de Heer, en in hoofdstuk 10, als een goddelijk Persoon handelend en sprekend in de dienst van de discipelen, zoals het altijd door Hem alleen is dat wij juist handelen kunnen. Maar intussen is het toch belangrijk om in gedachten te houden, dat de komst van de Heilige Geest, (naar de orde van goddelijke bedelingen), geen deel uitmaakt van de leer van dit Evangelie, hoewel het als feit erkend wordt in hoofdstuk 10. De beschouwing van Christus eindigt in Mattheüs met de opstanding, en het joodse overblijfsel wordt vanuit Galilea, als een aangenomen geheel, de wereld ingezonden om de volkeren het evangelie te brengen, en Jezus verklaart dat Hij met hen zal zijn tot de voleinding van de eeuw. Zo bevindt Hij Zich hier in het midden van de twee of drie die tot Zijn Naam vergaderd zijn. De Gemeente wordt hier niet gezien als het door de doop met de Heilige Geest gevormde lichaam, noch als het huis waarin de Heilige Geest op aarde woont. Maar waar de twee of drie tot Zijn Naam vergaderd zijn, daar is Christus. Ik twijfel er natuurlijk niet aan, dat al wat goed is, vanaf het leven en het Woord van het leven, van de Geest komt. Maar dat is een geheel ander punt. Hier is de Gemeente niet het lichaam, noch het huis, door de neerdaling van de Heilige Geest. Die leer en die openbaring kwamen later, en blijven een gezegende waarheid. Maar hier zien we Christus in het midden van hen die tot Zijn Naam vergaderd zijn. Zelfs in hoofdstuk 16 is Hij het, die bouwt, maar dat is een andere zaak. Natuurlijk is Hij geestelijk aanwezig.
61 Het is zeer opmerkelijk, dat de enige opvolging in de dienst van binden en ontbinden die door de hemel bekrachtigd wordt, verbonden is met de twee of drie die vergaderd zijn tot de Naam van Christus.
62 Dit overgeven tot tuchtiging, en de openbaring van de tussenliggende hemelse positie verbonden met de Zoon des mensen in heerlijkheid, zien we in Handelingen 7, waar Stefanus hun geschiedenis voordraagt van Abraham af (de eerst geroepene, als de wortel van de belofte) tot dat ogenblik.
63 De verbinding wordt hier behandeld tussen het nieuwe en de natuur zoals God die in het begin had gevormd. De Heer gaat hierbij de wet stilzwijgend voorbij, als iets wat tijdelijk tussen beide dingen in kwam. Het was een nieuwe macht, omdat de zonde was ingekomen, maar ze erkent de schepping van God, terwijl ze tevens de toestand van het hart toont en niet toegeeft aan de zwakheid daarvan. De zonde heeft verdorven wat God goed had geschapen. De macht van de Geest van God, die ons door de verlossing is gegeven, verheft de mens en zijn weg geheel en al buiten de gehele toestand van het vlees, en voert een nieuwe goddelijke macht in waardoor hij in de wereld wandelt, naar het voorbeeld van Christus. Maar samen daarmee wordt ten volle bekrachtigd, wat God zelf in het begin had gevestigd. Dat was goed, hoewel er iets beters kan zijn. De wijze waarop de wet wordt voorbijgegaan, om terug te keren tot de oorspronkelijke instelling van God, als geestelijke kracht het hart niet buiten de gehele gang van zaken stellende, hoewel er in wandelende, is zeer treffend. In het huwelijk, het kind, het karakter van de jonge man, erkent de Heer wat van God is en wat in Zijn wezen liefelijk is. Maar de toestand van het hart van de mens is blootgelegd. Dat is niet afhankelijk van het karakter, maar van de beweegredenen, en wordt ten volle door Christus beproefd. We zien dat er een gehele verandering van bedeling is, want aan een getrouwe jood was rijkdom beloofd. Door een verworpen Christus – de weg naar de hemel – wordt alles beproefd wat in het hart van de mens is.
God heeft de mens recht gemaakt met zekere familierelaties. De zonde heeft deze oude of eerste schepping van de mens totaal bedorven. De komst van de Heilige Geest heeft een macht ingevoerd, die, in de tweede Mens, verplaatst uit de oude schepping in de nieuwe en ons hemelse dingen geeft, hoewel nog niet wat het lichaam betreft. Maar het nieuwe kan niet verloochenen of verdoemen wat God in het begin heeft geschapen. Dat is onmogelijk. In het begin heeft God het geschapen. Als we tot de hemelse toestand komen, verdwijnt dat alles, behalve de vruchten die het door genade heeft voortgebracht. Als een mens, door de kracht van de Heilige Geest de gave heeft om het te doen en geheel hemels te zijn, zoveel te beter. Maar het is absoluut verkeerd om tegen de relaties die God in het begin heeft geschapen te spreken, of ze te verdoemen, of het gezag dat God ermee verbonden heeft te verkleinen of neer te halen. Als een mens geheel boven en buiten al deze verbindingen kan leven om Christus te dienen: zeer goed. Maar dat is zeldzaam en bijzonder.
64 Loon is in de Schrift inderdaad altijd een aanmoediging voor hen die in beproeving en lijden zijn, doordat ze door hogere beweegredenen geleid de weg van God zijn gegaan. Zo was het met Mozes. En zelfs Christus, Wiens beweegredenen in volmaakte liefde we kennen, heeft: “om de vreugde die Hem voorgesteld was het kruis verdragen en de schande veracht.” Hij was de Overste Leidsman en de Voleinder in de weg van het geloof.
65 Merk hierop, hoe de zonen van Zebedeüs met hun moeder de voornaamste plaats komen zoeken op hetzelfde ogenblik dat de Heer voor Zichzelf onvoorwaardelijk beslist heeft om de laagste plaats in te nemen. Wat zien we helaas veel van diezelfde geest! Het resultaat was, dat nu nog meer openbaar werd hoe volkomen Hij van alles afstand had gedaan. Dit zijn de beginselen van het koninkrijk der hemelen: volkomen zelfverloochening en het vergenoegd zijn met algehele toewijding. Het is de vrucht van de liefde die het hare niet zoekt; de meegaandheid die voortvloeit uit de afwezigheid van zelfzucht; de onderworpenheid als men veracht wordt; zachtmoedigheid en nederigheid van hart. De geest van anderen te dienen wordt door de liefde verwekt samen met de ootmoed die met deze plaats tevreden is. Zelfs tot Zijn dood toe heeft de Heer deze dienst vervuld. Hij gaf Zijn leven tot een losprijs voor velen.
66 De geschiedenis van de blinde te Jericho, is in al de eerste drie Evangeliën, het begin van de reeks van laatste gebeurtenissen in het leven van Christus, die naar het kruis voerden. De algemene inhoud en het onderwijs van elk Evangelie eindigt daar. Daarom wordt Hij vanaf dat ogenblik aangesproken als “Zoon van David”. Het is de laatste aanbieding van Zichzelf als zodanig aan het volk als het getuigenis van God aan Hem als zodanig is gegeven.
67 Deze psalm is een bijzondere profetie van de tijd van Zijn erkenning in de toekomst, en wordt in verband hiermee vaak aangehaald.
68 Dit beroep op het geweten is vaak het meest wijze antwoord, als de wil verdorven is.
69 Verachting en geweld zijn de twee vormen, waarin het getuigenis van God en de getrouwe getuigen worden verworpen. Zij haten de een en hebben de ander lief, of zij hangen de een aan en verachten de ander.
70 Merk hierop, dat we vanaf hoofdstuk 21:28 tot het einde, de verantwoordelijkheid van het volk zien als in het bezit van hun oorspronkelijke voorrechten. In deze positie hadden ze vrucht moeten voortbrengen. Omdat ze dat niet gedaan hebben, wordt een ander volk in hun plaats gesteld. Toch was dat de oorzaak niet van het oordeel dat over Jeruzalem uitgeoefend werd, en op een nog verschrikkelijker wijze zal worden uitgeoefend, in de verwoesting van de stad. Het oordeel over de moordenaars kwam, doordat ze Jezus gedood hebben; de laatste van hen die gekomen was om vrucht te zoeken (Mattheüs 21:33-41). De verwoesting van Jeruzalem is het gevolg van de verwerping van het getuigenis betreffende het koninkrijk, dat als een roepstem van genade tot hen was gekomen. In het eerste geval viel het oordeel op de landlieden: de schriftgeleerden en overpriesters, de leidslieden van het volk. Maar het oordeel dat uitgeoefend werd vanwege de verwerping van het getuigenis betreffende het koninkrijk, gaat veel verder (zie 22:7). Sommigen verachtten de boodschap, anderen mishandelden de boodschappers. En waar de genade op deze wijze werd verworpen, wordt de stad verbrand en de inwoners uitgeroeid (vergelijk 23:36, en zie de geschiedkundige profetie in Lukas 21). Het onderscheid wordt in alle drie de Evangeliën gezien.
71 Feitelijk werd deze positie van Israël, en het daarmee verbonden getuigenis, afgebroken door de verwoesting van Jeruzalem. En dat is de reden waarom die gebeurtenis zich voordoet aan onze geest als in verbinding te staan met deze profetie, terwijl ze er toch zeker niet de vervulling van is. De Heer is nog niet gekomen, en ook de grote verdrukking niet. Maar de toestand van zaken waarop de Heer tot het eind van vers 14 zinspeelt werd op een gewelddadige en rechterlijke manier onderbroken door de verwoesting van Jeruzalem, zodat er, vanuit dit oogpunt bezien, een verbinding is.
72 Dit evangelie van het koninkrijk was in hoofdstuk 10 beperkt tot Israël en, hoewel hier geen onderwerp van onderwijs, wordt het hier tot vers 14 voorondersteld, hoewel er geen besliste onderscheiding gemaakt wordt. De zending in hoofdstuk 28 is tot de heidenen, maar dan is er niets van het koninkrijk te zien maar veeleer het tegendeel, hoewel Christus alleen is opgestaan, maar Hem alle macht gegeven is in hemel en op aarde.
73 Er is geen enkele grond, om deze gelijkenis toe te passen op, wat men het algemene oordeel noemt. Dit laatste is trouwens een absoluut onschriftuurlijke uitdrukking. Ten eerste zien we geen twee maar drie partijen, namelijk schapen, bokken en broeders. Vervolgens is het een oordeel alleen over de volken. En ten slotte is de grond van de beoordeling in het geheel niet toe te passen op de grote massa, zelfs van deze laatsten. De grond van het oordeel is hoe zij deze broeders hebben ontvangen. (Nu zijn er gedurende vele eeuwen in het geheel geen predikers gezonden naar de grote meerderheid van de heidenen. God heeft deze tijd van onwetendheid voorbijgezien en in het begin van de Brief aan de Romeinen zien we een geheel andere grond van oordeel voor hen. Christenen en joden zijn al genoemd in hoofdstuk 24 en het eerste deel van 25.) Want juist deze volken zijn het die de Heer op aarde zal vinden als Hij komt, en die geoordeeld zullen worden naar de behandeling van de boodschappers die Hij had gezonden.
74 Hoe ernstig is het getuigenis hier, van de gevolgen die gezien worden zodra de Gemeente de Heer niet meer elke dag verwacht. Wat is de oorzaak, dat de belijdende gemeente vervallen is tot priesterheerschappij en wereldgelijkvormigheid, zodat ze aan het einde als huichelaars zullen worden uitgeworpen? Omdat ze zegt in haar hart: “Mijn Heer blijft uit,” en daarmee de dagelijkse verwachting opgeeft. Dat was de oorzaak van het verval. Zodra zij de komst van de Heer verre begon te stellen, was de ware christelijke positie verloren. En het is opmerkelijk, dat, al is de slaaf ontrouw, hij toch als een verantwoordelijk dienstknecht wordt gezien.
75 De dienstknechten in hoofdstuk 24, stellen de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor.
76 Het letterlijke woord is toortsen. Daarbij hadden ze olie in de vaten moeten hebben om de vlam te voeden.
77 Let hier wel op, dat het ontwaken een gevolg is van de oproep. De roep is luid genoeg, om bij alle belijders de nodige werkzaamheid te veroorzaken. Maar het gevolg ervan is, dat ze beproefd en gescheiden worden. Het was niet de tijd om olie te kopen; om zich te voorzien van genade, daar ze al belijders waren: bekering is niet het onderwerp van de gelijkenis. De vraag hoe olie te krijgen, wordt er ongetwijfeld alleen bijgevoegd, om te laten zien dat het toen niet de tijd was om dat te doen.
78 In de gelijkenis van de talenten, hebben we inderdaad het regeren over vele dingen; dat is het koninkrijk. Maar meer nog wordt de nadruk gelegd op de woorden: “Ga in, in de vreugde van uw Heer”. En de zegen wordt in gelijke mate gegeven aan allen die trouw in de dienst zijn geweest, hetzij de gift groot of klein geweest is.
79 Zo neemt Hij ook in Openbaring 2-3 bestaande gemeenten, hoewel ik er niet aan twijfel dat het een volledige geschiedenis is van de Gemeente.
80 Deze geschiedenis vond niet plaats in het huis van Martha, maar in dat van Simon de melaatse. Martha diende en Lazarus zat mee aan. Dat geeft de handeling van Maria, die van inzicht getuigt, een strikt persoonlijk karakter.
81 Er is geen enkele aanwijzing dat de discipelen ooit hebben begrepen wat Jezus hen zei.
82 In het huis van Simon de farizeeër, heeft Christus beantwoord aan het hart van de arme vrouw die een zondares was, en daar de gedachten van God geopenbaard, en die aan haar meegedeeld. Hier beantwoordt Hij aan het hart van Maria. Hij rechtvaardigt en bevredigt haar gevoelens, terwijl Hij de goddelijke waardering uitspreekt over wat zij deed. Hij bevredigde bij het graf het hart van Maria Magdalena, voor wie de wereld leeg was zonder Hem, en vertelt haar de gedachten van God in hun hoogste vorm van zegen. Dat is het gevolg van gehechtheid aan Christus.
83 De vijandschap van de oversten van Israël was bij de discipelen bekend. “Rabbi, onlangs trachtten de Joden U te stenigen en gaat U weer daarheen?” En daarna zei Thomas, (een treffend getuigenis voor hem, die later zijn ongeloof toonde aan de opstanding van Jezus) “Laten wij ook gaan om met Hem te sterven.” Ongetwijfeld heeft Maria deze vijandschap aangevoeld, en naarmate deze groeide, groeide ook haar aanhankelijkheid aan de Heer.
84 Het hart van Judas was de bron van dit kwaad, maar de andere discipelen vallen in de strik, omdat ze niet met Christus bezig zijn.
85 “Nieuw” wil niet zeggen “opnieuw” of “wederom”, maar “op een geheel nieuwe wijze”.
86 Met bewondering kunnen we de Heer hier beschouwen in Zijn angst voor de vooruitgesmaakte drinkbeker die Hij voor Zich ziet; als Hij ze voorstelt aan Zijn Vader maar nog niet drinkt. En als Hij Zich dan wendt tot Zijn discipelen in een volkomen rust, zoals in Galilea. En daarna weer terugkeert naar dezelfde verschrikkelijke geestelijke strijd die Zijn ziel beangstigde. In Mattheüs zien we Hem als slachtoffer, en wat Hij hier ontmoet is de gehele zware last, zonder een enkele bijkomstigheid.
87 Ik wil over het lijden van de Heer spreken, als we het Evangelie van Lukas overdenken. Daar vinden we het meer in bijzonderheden beschreven, want daar wordt Hij speciaal als de Zoon des mensen voorgesteld.
88 Merk hierop, wat een plaats de Heer, op een ogenblik als dit, en zo dicht bij het kruis, aan de Schrift geeft: het moest zo gebeuren, want het stond in de Schrift (vers 54). Het was het Woord van God.
89 Als men de Evangeliën met elkaar vergelijkt, zal men zien, dat de Heer ’s nachts door Kajafas werd verhoord, toen Petrus Hem verloochende, en dat zij, met inachtneming van alle vormen, ’s morgens opnieuw bijeenkwamen. Toen ondervroegen ze Hem opnieuw, waarop de Heer de belijdenis uitsprak, waarop ze Hem naar Pilatus brachten. ’s Nachts waren alleen de actieve leiders bijeen. In de morgen was er een formele vergadering van het gehele Sanhedrin.
90 Een vreemde zaak deze naam, want hij betekent “zoon van de vader”. Het was alsof satan hen met deze naam bespotte.
91 We vinden in Mattheüs bijzonder samengebracht, de oneer en de spot die de Heer werd aangedaan, en hier zowel als in Markus, het verlaten zijn van God.
92 De heerlijkheid van Christus in Zijn hemelvaart, en als Heer van allen, vinden we historisch niet in het raam van dat wat het Evangelie van Mattheüs behandelt.
93 Het aandeel dat vrouwen hebben in deze gehele geschiedenis is zeer leerrijk, in het bijzonder voor henzelf. De activiteit van de openlijke dienst, wat gewoonlijk “dienen” wordt genoemd, behoort van nature tot de mannen, (alles wat behoort tot wat men in het algemeen “dienst” noemt), hoewel er voor vrouwen een zeer kostbare dienst is in het privéleven. Maar er is een andere zijde in het christelijk leven, die speciaal voor hen is. En dat is persoonlijke en liefdevolle toewijding aan Christus. Terwijl de discipelen murmureerden, zalfde een vrouw de voeten van de Heer; vrouwen bevonden zich bij het kruis, toen allen, met uitzondering van Johannes, Hem hadden verlaten; vrouwen kwamen naar het graf en werden uitgezonden om de waarheid te brengen aan de Apostelen die allen naar het hunne waren teruggekeerd; en tenslotte, vrouwen die de Heer dienden in Zijn dagelijkse noden. Inderdaad gaat dit verder. Toewijding in de dienst, is mogelijk het deel van mannen. Maar het instinct van genegenheid, die meer persoonlijk ingaat in de positie van Christus, en die dus meer direct met Zijn gevoelens verbonden is, en in een meer rechtstreekse verbinding staat met het lijden van Zijn hart – dat is het deel van vrouwen. En zeker een zeer gelukkig deel. De actieve dienst voor Christus, brengt de man wat buiten deze positie, als hij tenminste niet waakzaam is. Tenslotte heeft alles zijn eigen plaats. Maar ik spreek hier van wat kenmerkend is voor ieder. Want er zijn vrouwen die veel hebben gediend, en mannen die veel hebben gevoeld. Merk hier tevens op, dat deze verbondenheid van het hart met Jezus, de toestand is waarin de mededelingen van ware kennis worden ontvangen. Het eerste volle evangelie wordt bekendgemaakt aan een vrouw, die een zondares was en Zijn voeten waste; de zalving voor Zijn dood aan Maria; onze hoogste plaats aan Maria Magdalena. De gemeenschap die Petrus begeerde, was voor Johannes die aan Zijn borst lag. In het bovenstaande, hebben de vrouwen een belangrijk aandeel.
94 Namelijk Maria, de vrouw van Kleopas, en moeder van Jakobus en Joses. Over haar wordt altijd gesproken als “de andere Maria”. Uit Johannes 19:25 wordt wel eens afgeleid, dat Maria de vrouw van Kleopas dezelfde zou zijn als “de zuster van Zijn moeder”. Maar dat is mijns inziens een vergissing. Het is een andere persoon. Er waren vier vrouwen: drie Maria’s en de zuster van de moeder van Jezus.
95 Maar ik geloof, dat de Heer het graf al verlaten had voordat de steen was weggerold. Dat gebeurde alleen ten behoeve van de menselijke waarneming.