31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’

31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’ · uit de ‘Synopsis’ deel 4 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

Voordat we de kleine profeten gaan bestuderen, wil ik enkele opmerkingen maken over de profetische boeken in het algemeen en wel vooral om te wijzen op de onderwerpen die zij behandelen. In dit verband kan men deze boeken in vier hoofdgroepen indelen en tevens opmerken, dat hun onderwerpen dikwijls met de tijd in verband staan waarin de profetie gegeven werd.

  1. De boeken die spreken van de grote crisis van de inname van Jeruzalem en de gevolgen daarvan. Dit zijn de boeken Jeremia, Ezechiël en Daniël – al de grote profeten behalve Jesaja. En inderdaad, door deze gebeurtenis werd het wereldbestuur veranderd en het uitverkoren volk door gericht terzijde gesteld. Ik plaats Daniël bij deze groep, hoewel zijn hoofdthema is: de gevolgen van de inname van de stad, onder de overheersing van de volken, tot aan de komst van de Heer. Want al spreekt hij weliswaar van de volken, hij doet dit in verbinding met het feit, dat de alleenheerschappij van God in Israël vervangen is door die van de volken, en met het oog op het lot van dit volk.
  2. De boeken die zich bezighouden met het oordeel over de volken, als zodanig. Dit zijn Jona, Nahum en Obadja.
  3. De boeken die handelen over het volledige verval van Israël en over het lot, waardoor Juda reeds bedreigd werd, zoals Jesaja, Hosea, Amos en Micha. Zij kondigen een strafgericht aan over het volk en ontwikkelen daarnaast op een min of meer uitvoerige wijze, de wegen van God in genade, aan het einde. Als men Amos, die voor de drie anderen onder de regering van Uzzia geprofeteerd heeft, niet meerekent, dan behoren allen tot de tijd van de koningen Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia. De regering van deze laatste koning is in deze profetieën van bijzondere betekenis. Immers, gedurende de regering van Hizkia, heeft de Assyriër het rijk van Israël ten val gebracht en Jeruzalem bedreigd.
  4. De profeten Haggaï, Zacharia en Maleachi, die na de ballingschap geprofeteerd hebben. De eerste twee om het volk te bemoedigen. De laatste om te getuigen tegen de ontrouw van de Joden, die teruggekomen waren uit de gevangenschap; maar ook om het getuigenis en het oordeel van de laatste dagen aan te kondigen. Hierdoor zou het overblijfsel afgezonderd worden van de goddelozen, die het omringden.

Ik heb niet gesproken over Joël en Habakuk, omdat deze twee profeten elk een bijzonder karakter hebben. Hun profetie heeft geen betrekking op het oordeel van de volken, zoals die van Nahum of Obadja en er is evenmin een datum, die aan deze profetieën een zedelijke betekenis geeft, die gegrond is op de toestand van Israël. Deze twee profeten kondigen op een bijzondere wijze de oordelen aan van de laatste tijden. Joël spreekt van een bijzondere inval in het land en van het oordeel van de volken, dat op hetzelfde tijdstip, in verband met de zegeningen van Israël, zal plaatsvinden. Bij Habakuk maakt de Geest van de gelegenheid van een bijzonder oordeel gebruik, de geestelijke genegenheden en de oefeningen van het hart te doen uitkomen, die voortgebracht zijn door het zien van het kwaad en het oordeel dat er het gevolg van is. Dit boek toont ons de toestand van een door God onderrichte ziel bij het zien van deze dingen.

Zo vinden we dus in de boeken van de profeten het volgende, waarbij de onderwerpen, die zij behandelen in zedelijk opzicht worden gezien:

  1. Het oordeel over het volk in het algemeen, waarbij het huis van David voor een tijd gespaard wordt. God verwekt Hizkia en bij deze gelegenheid wordt de ware Zoon van David aangekondigd. Het zijn de profeten Hosea, Amos, Jesaja en Micha.
  2. Het oordeel over Jeruzalem en het overdragen van de heerschappij aan de volken, terwijl het volk van God volkomen terzijde gesteld is. Hiervan spreken Jeremia, Daniël en Ezechiël. Deze laatste behandelt bovendien al de belangrijke grondbeginselen van de verhouding tot God en de toekomstige bestemming van geheel Israël, zowel wat het land betreft als het volk.
  3. Het oordeel over de wereld. Dit wordt behandeld door Jona, Nahum en Obadja.
  4. De verwoesting van de laatste dagen door het noordelijke leger en het oordeel over de volken, gevolgd door de tijdelijke zegening van Israël en, in de Geest, van alle vlees. Hiervan spreekt Joël.
  5. De kastijding van het volk van God, door de succesvolle gewelddadigheid, van de man aan wie God voor dit doel macht geeft. De geest van de profeet, overweldigd door het kwaad, dat hij bij het volk ziet, en nog meer door het zien van hun onderdrukking door hun hoogmoedige vijanden, begrijpt dat de rechtvaardige door het geloof zal leven. Hij verstaat ook, dat God deze verdrukking moest toelaten, om het kwaad te bestraffen en om de hoogmoed van de mens gelegenheid te geven dat hoogtepunt van ongerechtigheid te bereiken, dat tot het oordeel leidt dat voor altijd een einde maakt aan die hoogmoed. Dat is Habakuk. Het laatste hoofdstuk geeft de uitdrukking van de gevoelens die door deze onderwijzing worden veroorzaakt – de verlangens, herinneringen en het vertrouwen van het geloof; een geloof dat op God Zelf rust, in het midden van alle oefeningen van het hart, die de geschiedenis van Zijn volk in de getrouwen werkt. Een kostbare troost, als men aan alles denkt, wat zich laat voorstaan op de Naam van God.
  6. Vervolgens vinden we wat in betrekking staat tot de bijzondere omstandigheden van de Joden, die naar Jeruzalem zijn teruggebracht met het oog op de komst van Christus. Tevens zien we de gevolgen van deze komst, alsmede van de verantwoordelijkheid zelf van het volk, met betrekking tot de omstandigheden waarin het reeds was geplaatst. Dit alles wordt weergegeven door de profeten Haggaï, Zacharia en Maleachi.

Enkele opmerkingen blijven dan nog over. Jona toont ons, op zeer treffende wijze, de lankmoedigheid van God ten opzichte van een wereld van hoogmoedige en zorgeloze zondaars. En dat in tegenstelling tot het ongeduld van hem, aan wie de uitspraken van God zijn toevertrouwd en die de vervulling ervan tot zijn eigen bevrediging inroept, zelfs dan als dit zou plaatsvinden door de uitvoering van het oordeel, dat door de genade wordt afgewezen, op grond van de verootmoediging van hen, die er het voorwerp van waren.

Nahum laat ons niettemin zien, dat dit oordeel ten slotte toch moet worden uitgevoerd. En dat een lankmoedigheid, waarvan het enige resultaat is dat God verheerlijkt wordt, uiteindelijk plaats zal maken voor een oordeel, dat definitief en voor goed een eind maakt aan alles wat zich tegen Hem verheft.

Obadja openbaart ons niet deze algemene en openbare hoogmoed van de wereld, maar de haat tegen het volk van God. Deze haat wordt in het bijzonder gezien bij hen, die uiterlijk met het volk in verbinding staan, en beweerden naar het vlees recht te hebben op het erfdeel van de eerstgeborene.

Wat God ons in deze profeten meedeelt over Zijn betrekkingen met de wereld en de wijze, waarop Hij deze wereld ziet, is zeer belangrijk. Jona doet ons de kracht begrijpen van de uitdrukking van Petrus: “de getrouwe Schepper” (1 Petrus 4:19).

In Jesaja hebben we de kostelijke ontwikkeling van de wegen van God in verbinding met Christus en met Israël kunnen opmerken, alsmede het verband van deze dingen onderling en met het oordeel van de wereld. De plannen van God ten aanzien van Zijn regering, worden in dit boek breedvoerig uiteengezet.

De drie andere grote profeten stellen ons de grote belangrijkheid voor van die crisis in de geschiedenis van de gehele wereld, toen Jahweh ophield haar vanuit het midden van Zijn volk te regeren, en de zetel van Zijn macht in het midden van de volken overbracht, en die macht in de handen van mensen plaatste.

Amos en Hosea geven ons kostbaar licht over de zedelijke regering van God. Zij geven de lezer van de Bijbel treffende schilderijen van de stand van zaken, die in het midden van Zijn volk bestond, de feiten die de oorzaken waren van het oordeel, dat God toepaste. Niet alleen de feiten, die het gevolg waren van de wegen van God, maar ook het gedrag van hen, die tot deze wegen ten opzichte van Zijn volk aanleiding gaven. Deze uiteenzetting van hun gedrag is zeer belangrijk en tegelijkertijd zeer verootmoedigend.

Micha, al houdt hij zich evenals Jesaja met dezelfde dingen bezig, wijdt meer uit over de beloften die in verband staan met Christus, waarvan de gevolgen het volk uit de toestand zouden verheffen, waarin de zonde, en het oordeel van God ten gevolge van de zonde, het hadden geplaatst. Bij Jesaja hebben we reeds kunnen opmerken, dat hij zich in het begin – al spreekt hij ook van de Heer Jezus – in hoofdzaak met Juda, Israël en de volken bezighoudt, en aan het einde voornamelijk met Christus en de gevolgen van Zijn verwerping door het volk.

Wat ik reeds gezegd heb van de drie profeten die na de terugkeer uit de ballingschap hebben geprofeteerd, zal voldoende zijn om te begrijpen, dat dezelfde twee onderwerpen hen ook bezighouden.

Haggaï en Zacharia spreken over de Messias, de laatste vooral met veel bijzonderheden. Bij Maleachi gaat het meer om de toestand en het lot van het volk; het geheel in verbinding met de laatste dagen.

Ik wil nu nog graag meer gedetailleerd en meer nauwkeurig ingaan op wat ik, in het begin van het boek Jesaja, over de profetie gezegd heb. Door de profetie komt de soevereine genade van God in getuigenis tussenbeide, om Zijn betrekkingen met Zijn volk te handhaven. Dit gebeurt, als dit volk in de positie waarin het was geplaatst ten aanzien van zijn verantwoordelijkheid jegens God, gefaald heeft, zodat zijn betrekking met God in die positie verbroken is; en voordat God door Zijn eigen macht, in genade een andere, nieuwe verhouding heeft ingesteld. De onderwerpen waarmee de profetie zich bezighoudt, zijn dus de volgende:

  1. De wegen van God in regering over de aarde, in het midden van Israël;
  2. de zedelijke bijzonderheden van het gedrag van het volk, dat tot hun volledig verval leidde;
  3. Gods ingrijpen aan het einde in genade door de Messias, om Zijn volk in een toestand van zegen te brengen, die verzekerd is door de macht van God Zelf, in overeenstemming met Zijn voornemen.

Twee dingen zijn met deze hoofdonderwerpen verbonden:

  1. Het oordeel over de volken, dat nodig was om Israël in zijn eigen land te brengen.
  2. De verwerping van Christus door de Joden, bij Zijn eerste komst in deze wereld.

Israël was het middelpunt en de hoeksteen geweest van het systeem, dat opgericht werd ten gevolge van het oordeel over de nakomelingen van Noach, wegens hun hoogmoed in Babel. Volgens dit systeem was de troon van God te Jeruzalem de zetel van het Goddelijk gezag over al de volken, en de tempel van God te Jeruzalem de plaats waar deze volken samen moesten komen, om Hem te aanbidden Die daar woonde tussen de cherubijnen.

Daar nu Israël gefaald heeft in die gehoorzaamheid, die de voorwaarde was voor hun zegeningen, en de bond van de gehele orde door God op de aarde erkend, wordt een ander systeem van menselijk oppergezag ingesteld, in de persoon van Nebukadnezar. De profetie houdt zich dus ook bezig met deze eenheidsmacht en haar betrekkingen met het volk van God op aarde.

Schuldig aan opstand tegen God en verbonden met Israël in de verwerping van Christus en ten slotte tot openlijke opstand tegen Hem komende, is deze macht met de Joden verbonden in het oordeel, als ééngemaakt met hen in het kwaad.

Wat hier gezegd is, heeft natuurlijk betrekking op de profetie van het Oude Testament, waarmee we ons bezighouden. Maar dan komt de vraag naar voren wat nu het verschil is tussen de profetie van het Nieuwe – en die van het Oude Testament. De Gemeente is niet het toneel van Gods aardse regering; zij is gezet in de hemelse gewesten. Daarom kan de profetie onmogelijk de rechtstreekse inwerking van de Geest zijn op haar tegenwoordige toestand, zoals dat het geval was bij Israël.

Voor de Gemeente komen de mededelingen rechtstreeks van de Vader en van de Heer, in overeenstemming met de betrekkingen die tussen haar en Hen bestaan, precies zoals de profetie was bij de Joden. Maar de Geest kan in de Gemeente vooruit zien naar het ogenblik, waarop het verval van het uiterlijke systeem, de weg baant naar de wederinvoering van de rechtstreekse regering van God, in de Persoon van Christus.

Dit nu vinden we in het algemeen in de Openbaring, van het begin van de afwijking van de Gemeente totdat ze volledig wordt verworpen, en vervolgens in de wereld. Daarom hebben we ook de profetieën die de achteruitgang en het verval van de Gemeente na de dood van de apostelen verkondigen, zoals we dit vinden in 1 Timotheüs 4:1; 2 Timotheüs 3 en 2 Thessalonika 2. De Brieven van Johannes en Judas en de tweede brief van Petrus spreken over het verval zelf.

Hiermee staat nog een ander onderwerp in verband, dat de aanleiding is dat we profetie uit de mond van de Heer Zelf bezitten en waaraan Jakobus aanknoopt. Maar eigenlijk gezegd, staat het niet in verbinding met de Gemeente. Ik bedoel de betrekkingen van Christus, als Dienstknecht van de besnijding, met het Joodse volk, zoals in Mattheüs 24 en in de parallelplaatsen in Markus en Lukas, en zelfs in Mattheüs 10:15 tot het eind, waar het deel van het overblijfsel, in zijn dienst in Israël tot aan de komst van de Heer, geschetst wordt.

Op deze wijze hebben we dus in het zedelijk verval van de Gemeente op aarde en de geschiedenis van het overblijfsel, de verbindende schakel tussen onze dagen en de zending van Christus tot Israël, met Zijn komst in de laatste dagen.

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 4.6.1

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!