33. Joël

33. Joël · uit de ‘Synopsis’ deel 4 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

De strekking van het boek Joël is tamelijk duidelijk, al zijn er enkele plaatsen die nog duister kunnen zijn. De Geest van God maakt van een schaarste die haar gelijke niet had, en die veroorzaakt werd door de invasie van ontelbare legerscharen van insecten, gebruik om de aandacht van het volk op de dag van Jahweh te vestigen; op die grote en verschrikkelijke dag die komen zou en waarop Zijn macht in oordeel zou worden geopenbaard. Dan zou Hij, Die zo’n groot geduld bewezen had, ten slotte tussenbeide komen, om de heerlijkheid van Zijn Naam te handhaven en van de smaad te ontdoen waarmee hij bezoedeld was door de zonde van Zijn volk, en om wraak te nemen over alles wat zich tegen Hem verhief.

Dat wat ons hier als de roede van Jahweh wordt voorgesteld, is het noordelijke leger. Dezelfde die we zo vaak bij de profeten terugvinden: de Assyriërs. Maar aan het einde is het tóch God Zelf Die, na Zijn volk door middel van deze vijand gestraft te hebben, ingrijpt om hem te vernietigen en alle volken die zich rondom Jeruzalem verzameld hebben te oordelen.

Bij het bestuderen van de profetie kan de lezer opmerken, dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de hongersnood waardoor de dag van Jahweh wordt aangekondigd, en die dag zelf. Daarvoor hoeft men alleen maar hoofdstuk 1:15 met hoofdstuk 2:1,11 te vergelijken. De toestand van hongersnood en verwoesting, uitgelegd door de Geest van de profetie, roept het volk op zich voor Jahweh te stellen, omdat de dag van Jahweh aanstaande was. In hoofdstuk 2:1 wordt alarm geblazen, omdat de dag nabij is. De dag wordt daar omschreven als de invasie van een groot en machtig volk, zoals Israël en zijn land nog nooit hadden gezien. Dit was inderdaad het leger van Jahweh. Zijn macht was met dit leger, dat Hem als roede diende. De stem van Jahweh liet zich voor dit leger uit horen. De dag van Jahweh kondigde zich aan, alsof hij er al was (vers 11).

We vinden hier een voorbeeld van wat bij het profetisch onderwijs gewoonlijk wordt gezien. Een of andere gebeurtenis van het ogenblik wordt door de Geest van de profetie aangegrepen, ongetwijfeld om het geweten van het volk op het tijdstip zelf dat de gebeurtenis plaatsvindt te doen ontwaken, maar nog meer om het als beeld te gebruiken van een veel belangrijker gebeurtenis in de laatste dagen. Het oordeel van God, al door het volk verdiend, maar door Zijn geduld uitgesteld en nog boven hun hoofd hangend, wacht op het ogenblik dat Zijn lankmoedigheid geen uitwerking meer zal hebben en dus doelloos zal zijn en de raadsbesluiten van Zijn wijsheid het tijdstip van hun ontvouwing hebben bereikt. De Geest van God waarschuwt het volk voor dit oordeel, waarop zij acht hadden moeten geven juist in die tijd. Maar Hij omschrijft ook de werktuigen van de wraak van God in de toekomst, als Hij werkelijk het oordeel zal uitvoeren.

Hoofdstuk 1-2

Hoofdstuk 1 van Joël beschrijft dus de verwoestingen door de insecten die, naar het schijnt, een verschrikkelijke hongersnood hebben veroorzaakt, om op het geweten van het volk te werken, op het ogenblik dat de profetie wordt uitgesproken. Maar al vanaf het begin van hoofdstuk 2 ziet de profetie vooruit op de toekomst en voert een volk in, dat op hun beurt het land van Israël in de laatste dagen zal verwoesten. Zeker, in het begin van het hoofdstuk beperkt de Geest Zich tot het blazen van alarm, maar met de aankondiging dat de dag nabij is.

Hoofdstuk 2. We worden hier herinnerd aan het voorschrift uit Numeri 10:9. Daar wordt bevolen alarm te blazen met de zilveren bazuinen, als de vijand in het land zou zijn, en dan zou Jahweh aan het volk denken. In vers 7 moest geblazen worden als het volk samen moest komen, maar dan niet met een alarm of gebroken geklank. Zo wordt in Joël alarm geblazen in Sion (hoofdstuk 2:1). Een groot en machtig volk, dat de aarde verwoest, is in het land. Er is maar één ding, dat hoop geeft, en in zichzelf is dat ene het verschrikkelijkste van alles, namelijk dat Jahweh het volk dat verwoest bestuurt. Het is Zijn leger. Uit deze omstandigheid put het geloof hoop. Hij die de trompet van God herkend heeft, die door de Geest van de profetie ontwaakt is, toen deze alarm blies en vooruit dit verschrikkelijke kwaad in zijn ware kleuren als het werk van Jahweh heeft geschilderd (want het is alleen de Geest die dit op deze wijze doet), hij die dus erkend heeft, dat het Gods oordeel is, dat Jahweh erin is, kan zijn toevlucht nemen tot Hem, in overeenstemming met Zijn eigen wegen, en met Hem spreken in overeenstemming met Zijn liefde voor Zijn volk. Dit is het ware karakter van het geloof, in alle tijden. Het is de bijzondere positie van het overblijfsel, in de laatste dagen.

De dag van Jahweh, die inderdaad nabij is en in zijn ware strekking, door het verstand dat de profetische Geest geeft, wordt begrepen, is een oproep tot bekering, juist op dat ogenblik, dat deze bekering noodzakelijk is. Dus op het tijdstip, dat God bepaald heeft voor Zijn directe tussenkomst ten gunste van Zijn volk. Dit zijn de wegen van God. Hij Die het ogenblik weet, handelt enerzijds door uiterlijke dingen om Zijn volk te dwingen er acht op te slaan, en Hij handelt daarnaast in getuigenis om het hart van het volk te leiden. Zo was het ook toen de Heer Jezus op aarde was. Het getuigenis van God was er, voor het verschrikkelijke oordeel heel spoedig daarna over het volk kwam. Hij die oren had om te horen trok er zijn voordeel uit en genoot het resultaat van de tussenkomst van God in een verlossing die Hij aanbood. Een verlossing die, hoewel van een ander karakter, beter is dan die waarvan Israël in de laatste dagen zal genieten. “De Heer voegde dagelijks bij de Gemeente die behouden moesten worden” (Handelingen 2:47).

Vers 12-14 geven ons het getuigenis van de profeet, die de harten tot bekering oproept, met het oog op de kastijdingen die het volk bedreigen. In vers 15 wordt de bazuin van Gods zijde geblazen om het volk volgens Numeri 10:7 te verzamelen, opdat het bij Hem zou pleiten, dat Hij Zijn toorn zou afkeren; om tot Hem te spreken als Degene Die noodzakelijkerwijze Zijn eigen oordelen bestuurde. O, hoe goed is het met God te doen te hebben en Hem in het oordeel te zien, hoewel Hij een verterend vuur is! Zo oordeelde David toen hij het volk geteld had.

Zoals we zien moest de verootmoediging algemeen en volledig zijn, want de priesters zelf werden geroepen buiten het heiligdom te staan, om met het volk tot Jahweh te roepen, met een beroep op Zijn getrouwheid, opdat de heidenen niet zouden zeggen: “Waar is hun God”, zoals de Joden dit tot Jezus hebben gezegd. Jahweh zou Zijn zo verootmoedigde volk verhoren. Hij zou hun land met overvloed vervullen. Zij zouden niet meer tot een smaad zijn onder de heidenen. Het noordelijke leger, dat het land als een zwerm sprinkhanen had verwoest, zou eruit gejaagd worden naar het oosten. Het zou geoordeeld worden wegens zijn hoogmoed, omdat het zichzelf verhief op het doen van grote dingen. Maar het zou Jahweh zijn Die grote dingen zou doen en hen zo zou bevrijden van al hun angsten. Een volkomen en overvloedige zegen zou over het land Israël worden uitgestort. De kinderen van Sion zouden zich in Jahweh hun God verblijden. Het volk van Jahweh zou nooit meer beschaamd worden. Ze zouden de overvloed ontvangen, die ze al die jaren hadden gemist. Ze zouden de zekerheid bezitten van de tegenwoordigheid in hun midden van Jahweh; Hij, Jahweh, hun God, en niet een ander; en zij zouden nooit meer beschaamd worden. De zegen, en Hijzelf Die zegende, zouden het volk zo ervoor behoeden dat het nog langer een voorwerp van schande zou zijn onder de volken.

Maar dit was nog niet alles. Tot hiertoe ging het om de tijdelijke zegening, het herstel van Israël in het genot van de zegen van vroegere dagen, gegrond op de genade, die het volk zou beletten het weer te verliezen. Maar er was nog iets nieuws, dat het volk zou worden gegeven. God zou Zijn Geest over alle vlees uitstorten. De jonge mannen en de oude mannen van het volk zouden visioenen en dromen hebben. Zelfs de dienstknechten en de dienstmaagden zouden deze zegen vanuit de hemel ontvangen. Vers 30 1 neemt het onderwerp weer onder een ander gezichtspunt op en sluit niet direct bij vers 29 aan. Vóór de grote en verschrikkelijke dag van Jahweh zouden er tekenen en wonderen in de hemelen zijn, en op de aarde zou de schrik van de Heer gevoeld worden, en al wie de Naam van Jahweh zou aanroepen zou gered worden. Want de verlossing zou op de berg Sion en in Jeruzalem gevonden worden, zoals Jahweh dit had aangekondigd, en dat bij het overblijfsel dat Jahweh zou roepen.

Dat zijn dus de voornaamste gebeurtenissen van de laatste dagen, kort maar duidelijk uiteengezet. Een machtige vijand uit het noorden zou, als werktuig van Jahweh, het gehele land verwoesten; oordeel over het volk als een aards volk, in overeenstemming met hun vroegere positie van tijdelijke zegeningen in verbinding met God; het volk wordt door de Geest van de profetie opgeroepen zich te bekeren, opdat God de tuchtroede zou kunnen afwenden. Als ze zich zouden bekeren, zou God de tijdelijke zegeningen herstellen en het leger uit het noorden verdrijven en vernietigen. De smaad die op hen rustte door hun zonde, zou voor altijd ophouden. Dan wordt een dubbele orde van gebeurtenissen aangekondigd, waarin een nauwkeurige omschrijving ten aanzien van de directe relatie tussen God en het volk, en dit in twee opzichten. In de eerste plaats zou de tijdelijke zegen, die aan het in de gunst van God weer herstelde volk wordt verleend, vergezeld gaan van een nog voortreffelijker gave, die een nog hogere uitdrukking van Zijn liefde zou zijn. De Heilige Geest zou overvloedig worden uitgestort. De eenvoudigsten en nederigsten zouden er deel aan hebben.

In de tweede plaats 2 zou Jahweh, voor de komst van Zijn grote dag, wonderbare tekenen zenden en al wie Zijn Naam zou aanroepen zou worden behouden. De terugkeer van het hart tot Jahweh is het dat Hij zou erkennen. Want in die vreselijke dag van de wraak van God, zou er verlossing zijn in Sion en in Jeruzalem Zijn uitverkoren stad. Hij is het Die in oordeel tussenbeide komt. Hij zou Zich de barmhartigheid herinneren en er zou een overblijfsel zijn, door Zijn genade geroepen. De vervulling van dit alles is klaarblijkelijk in de laatste dagen, als de verborgenheid van God voleindigd zal zijn, en Hij Zijn regering in gerechtigheid en goedheid op de aarde zal openbaren, hoewel het bekeerde overblijfsel de geestelijke zegening (zoals het ook bij het nieuwe verbond het geval zal zijn) ontvangt op dezelfde wijze als de christenen haar ontvangen hebben. De gehele inhoud van de profetie toont, geloof ik, wel duidelijk aan, dat Joël noch van het beest, noch van de antichrist spreekt, maar van de heidense machten buiten het afvallige systeem. Men zal zich nog herinneren, dat in Daniël 9 gezegd is, dat er een verwoester zal zijn, omdat men bescherming gezocht heeft bij de afgoden. Nu, Joël spreekt van deze verwoester en dus niet van hem die met Israël een verbond sluit. Daarom brult Jahweh uit Sion en laat Zijn stem uit Jeruzalem horen (3:16). Het oordeel wordt hier niet vanuit de hemel over het beest en zijn legers uitgeoefend, maar vanuit Jeruzalem over de vijanden en de verwoesters van Israël.

Maar er blijft hier nog iets over om opgemerkt te worden. De Geest van God heeft ervoor gezorgd Zijn onderwerp volkomen te behandelen. In vers 27 is de bevrijding van het leger uit het noorden volkomen, en de tijdelijke zegening wordt zó verleend, dat Israël er door de genade op een blijvende wijze van kan genieten. Jahweh is daar en Zijn volk zal nooit beschaamd worden. De verzen in hoofdstuk 2:28-32 staan volkomen op zichzelf en dit om zeer belangrijke redenen. Na de bekering van het volk zou de Heilige Geest gegeven worden. En voor het uitvoeren van het oordeel, zou ieder die de Naam van Jahweh aanriep, behouden worden. Nu, het verwerpen van de Messias, bracht noodzakelijkerwijze oordeel over de Joden (hoewel andere raadsbesluiten van God met betrekking tot de Gemeente vervuld moesten worden, buiten het Joodse systeem om); hun tempel was overgeleverd aan de macht van de vijand die, als het leger van Jahweh, deze moordenaars moest vernietigen en hun stad verbranden.

De laatste dagen zijn dus gekomen, het einde van de eeuw, met betrekking tot de Joden, hoewel de hele loop van de dingen gedurende een korte tijd weer herhaald zal worden ter uitvoering van het definitieve oordeel, zodra de raadsbesluiten van God ten opzichte van de Gemeente vervuld zullen zijn. Nu, als het oordeel met zo’n haast zou komen, dan kon de barmhartigheid niet lang meer wachten met zich te openbaren en op dit oordeel vooruit te lopen. De Heilige Geest is, in overeenstemming met deze belofte, aan het overblijfsel geschonken, dat in deze dagen heeft geluisterd naar de roepstem van Jahweh en is uitgestort over alle vlees. De verlossing werd in Sion gevonden, hoewel de verlosten, zij die gered moesten worden, bij de Gemeente gevoegd werden. De tijd om de regering van God weer op te nemen was nog niet gekomen; de tijd als Hij, aan Wie ze is gegeven, hen met Zich zal verenigen die door genade geleerd zullen hebben met Hem te lijden, opdat ze ook gezamenlijk zouden worden verheerlijkt. Dan zou de eindvervulling van deze gehele verborgenheid plaatsvinden, de grote en verschrikkelijke dag van Jahweh: Christus zou Zijn grote macht openbaren en als Koning optreden.

Wat we zojuist hebben gezegd, zal de ware betekenis van de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen duidelijk maken. En ook de plaats die deze verwoesting inneemt in de ontwikkeling van de wegen van God. En het verband, dat ten aanzien van Zijn wegen op de aarde bestaat tussen deze verwoesting en wat gebeurd is op de Pinksterdag in Handelingen 2.

Dan blijft er hier nog één ding over om opgemerkt te worden, namelijk dat, met het oog op de raadsbesluiten van genade ten aanzien van de volken, de Geest van God Zich van bewoordingen bedient, die de deur voor hen openlaat. De Geest wordt over alle vlees uitgestort en ieder die de Naam van Jahweh zal aanroepen, zal behouden worden. De apostel Paulus gebruikt deze laatste uitdrukking vaak in deze betekenis.
Het is belangrijk hier aan de verschillende gelegenheden te denken, waar de uitdrukking: “alle vlees” wordt gebruikt. Wat haar volledige vervulling betreft, omvatten deze woorden het belangrijke feit, dat God buiten de nauwe cirkel van Joodse voorschriften zal treden, om met het oog op alle mensen op aarde te handelen. In moreel opzicht is dit al zo door het Evangelie. Maar wat de regering van God betreft zal het waar zijn aan het einde. In Zijn komen op aarde kwam Christus (hoewel Zijn werk, en ook de tegenwoordigheid van Zijn Persoon, een veel grotere draagwijdte hadden), in de nauwe schaapskooi van Israël. Hij heeft Zijn schapen uitgedreven en ook andere schapen geroepen, om er één kudde van te maken, die gered en vrij zou zijn en gevoed zou worden in vette weiden. Het Evangelie werd later in de gehele wereld uitgezonden, in verbinding met Jeruzalem of Galilea door middel van de bediening van de twaalven 3, en in verbinding met de hemel door middel van de apostel Paulus. Aan het eind zal God in werkelijkheid in Zijn regeringsmacht met alle vlees handelen.

Jesaja 40:5, “De heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden, en alle vlees tezamen zal het zien”. Hier gaat de gedachte van de Geest vooruit naar de laatste dagen, als Christus geopenbaard zal worden. Maar Jahweh, Die zegenen moest, is gekomen en het Goddelijke getuigenis in de woestijn is afgelegd, zoals ook het bloed van het nieuwe verbond gestort is, al heeft Israël het tot nu toe niet erkend.

Vers 6: “Alle vlees” – zelfs het volk – “is gras”. Israël heeft dit nog niet geleerd, maar het overblijfsel is gezegend.

Jesaja 66:16: “Met vuur en met Zijn zwaard zal de HEERE een rechtszaak voeren met alle vlees”. Dit is het oordeel, dat zich tot allen zal uitstrekken.

Hier in Joël is het de Geest, uitgestort over alle vlees, om de tegenwoordigheid van God te openbaren, en de zegen die rust op alle mensen en niet beperkt is tot de Joden alleen.

We kunnen de volgende Schriftplaatsen vergelijken: de waarschuwing in Zacharia 2:13; het lied van Christus in het duizendjarig rijk, Psalm 145:21: “alle vlees zal Zijn Heilige Naam loven, voor eeuwig en altijd”, en het oordeel van de afvalligen, Jesaja 66:24: “Zij zullen voor alle vlees een afgrijzen zijn”. Zie ook Genesis 6:12..

Hoofdstuk 3

In hoofdstuk 3 ontwikkelt de Geest, met nog meer bijzonderheden, de omstandigheden van de laatste dagen, waarin God de gevangenen van Juda en van Jeruzalem zou terugbrengen. Dit tijdperk gaat aan de tijd van vrede en zegen vooraf, waarin elke vloek zal zijn weggenomen. Het is het oordeel over de volken, een oordeel dat noodzakelijk is, om de rechten van God, in verband met Zijn onderdrukt volk, te handhaven. En ook, om voor de ogen van de volken te laten zien, wat Hij in Zijn regering van de aarde is. Het gaat hier niet om de tien stammen, noch om het algemeen herstel van Israël. Vóór de volle zegening van Zijn volk komt, moet God Zijn rechtstreekse regering over hen weer opnemen, op dezelfde plaats waar Hij het had opgegeven, opnieuw de zetel van deze regering – een zetel die Hij Zelf had uitverkoren – in bezit te nemen. Daar zal Hij in Zijn macht een rechtszaak voeren met al de volken die Zijn rechten betwisten, terwijl Hij Zich in het midden van Zijn volk openbaart en handelt als Iemand Die bij hen woont, en hun rechten handhaaft als van hen die Hem toebehoren: Israël is Zijn erfdeel. “Josafat” betekent: het oordeel, of de scepter (heerschappij) van Jahweh (Jah). Daar voert Hij in het oordeel een rechtszaak met de volken, over Zijn volk dat door hen was verstrooid en over Zijn land, dat zij verdeeld hadden.

Hij brengt al de grieven van Zijn volk in herinnering, alsof ze Hem aangedaan zijn. Door middel van Zijn volk zal Hij hetzelfde kwaad, dat Zijn volk is aangedaan, in oordeel doen neerkomen op de volken, die hen dat kwaad hadden aangedaan.

De volken worden opgewekt om zich op de oorlog voor te bereiden. Ze moeten zich allen verzamelen, ze moeten zich opmaken, hun vreedzame bezigheden beëindigen en komen naar het dal van Josafat. Maar daar zal Jahweh zitten om al de heidenen van rondom te oordelen. En als de volken al hun sterke mannen moeten wekken voor die dag van God, dan zal God van Zijn kant Zijn sterke mannen doen neerdalen (vers 11).

Maar hoe groot de hoogmoed van de sterke krijgslieden ook mag zijn, uiteindelijk is het toch het oordeel van God: de sikkel van God zal de aarde maaien. Zijn pers zal vol zijn en Zijn perskuipen zullen overlopen, want de ongerechtigheid is groot. In de Openbaring worden de oogst en de wijnoogst onderscheiden: de eerste is een oordeel, dat de goeden van de kwaden scheidt, en omgekeerd; de tweede is de uitoefening van de wraak. Het komt me voor, dat hier de twee samen het algemene begrip van de uitvoering van het oordeel voorstellen, hoewel het beeld van de pers altijd het krachtigste is. Welke menigten zullen in die dag de gevolgen begrijpen van hun miskennen van het Woord van de genade, en van de hoogmoed die hen in opstand bracht tegen Jahweh van de legermachten! Elke vorm van regering, haar glans, luister en macht, verdwijnen voor het oordeel van God.

Maar Jahweh Zelf zal de teugels van de regering over de aarde weer opnemen en Zijn stem van Jeruzalem uit laten horen. De hemelen en de aarde zullen beven als Hij tussenbeide komt. Maar, hoewel deze tussenkomst het oordeel van de oproerlingen betekent, Hij Die tussenbeide komt, zal de toevlucht zijn van Zijn volk; Hij Zelf de sterkte van de kinderen van Israël. En zo zouden ze Hem als Jahweh hun God herkennen, Die op Sion woont, de berg van Zijn heiligheid. Jeruzalem zal heilig zijn en de vreemdelingen zullen er niet meer doortrekken om het als hun prooi te ontwijden. En niet alleen dat, maar een overvloedige zegen zal op het land van Zijn volk zijn. Wijn zal van hun bergen vloeien; melk van de heuvels. De stromen van Juda zullen vol water zijn en een fontein zal ontspringen uit het huis van Jahweh Zelf en het dal van Sittim besproeien. (Vergelijk Ezechiël 47 en Zacharia 14:8). Egypte en Edom zullen worden verwoest, maar Juda en Jeruzalem zullen in eeuwige zegening wonen, want Jahweh zal hen gereinigd hebben. We zien hier, dat het de uitoefening van een allesomvattende soevereine genade is.

We zullen ook opgemerkt hebben, dat de profeet zich beperkt tot het constateren van de zegening van Juda en Jeruzalem. Verder, dat het toneel van het oordeel over de volken, betrekking heeft op het oordeel, dat uitgevoerd zal worden in het land van Juda, waar hun legers zullen worden samengebracht – een oordeel dat zal plaatsvinden, om Jahweh in het bezit te stellen van Zijn troon op de aarde. Juister gezegd, Hij neemt bezit van Zijn troon door dit oordeel uit te voeren en daarna zegent Hij het volk, dat Hij in genade heeft gereinigd.

Op één verwoestend leger wordt bijzonder gewezen; dat wat uit het noorden komt. Het schijnt ook, dat de verwoesting van het land vóór de tussenkomst van Jahweh zeer groot zal zijn, zodat het volk een voorwerp van smaad onder de volken zal zijn. Maar wee hen, die het volk van God zullen verachten!

Dit leger kondigt de dag van Jahweh aan, maar Jahweh Zelf komt tussenbeide, opdat die dag inderdaad Zijn dag zou zijn; en door Zijn tussenkomst verlost Hij het volk, dat Hij liefheeft.

EINDE BOEK JOËL

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 4.7

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Vers 28-29 vormen een korte profetie die op zichzelf staat. Hetzelfde kan gezegd worden, zelfs nog in meerdere mate, van verzen 30-32. Vers 28-29 beloven de uitstorting van de Heilige Geest als gevolg van de bekering van het volk, die ook gepaard ging met tijdelijke zegeningen. De bekering is het uitgangspunt van beide dingen. Zo zien we in Handelingen 2, dat de gedeeltelijke vervulling over hen kwam, die zich bekeerden, hoewel de tijdelijke zegeningen niet over het volk konden komen. Dus, hoewel er iets dergelijks geweest is bij de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen, zullen er tekenen en wonderen zijn voordat die grote en verschrikkelijke dag van Jahweh komt. Het bloed van het nieuwe verbond was gestort en alle dingen waren gereed. Maar het volk wilde zich niet bekeren en kon dus de zegen niet ontvangen. Het overblijfsel verkreeg er het geestelijke deel van, tegelijk met alle vlees: de Joden zullen er allen van genieten als ze zullen zeggen: “Gezegend Hij Die komt in [de] Naam van [de] Heer”. De Heilige Geest, Die dit alles voorzag, heeft bijgevolg de structuur van deze profetie zo geordend.

2 Het gaat hier om een profetie die geheel en al onderscheiden is en apart staat. Zoals duidelijk gezegd wordt gaan de hierin genoemde gebeurtenissen aan de dag van Jahweh vooraf – welke dag de zegening, hiervoor genoemd, zal invoeren. De volgorde van de gebeurtenissen in de laatste dagen zal zijn: bekering, verlossing door de dag van Jahweh, tijdelijke zegening, de Heilige Geest. Voor de dag van Jahweh zullen er tekenen zijn. Deze laatste profetie staat noodzakelijkerwijze apart, omdat de aanroeping van de Naam van Jahweh natuurlijk aan de verlossing voorafgaat.

3 Wat deze zending betreft, hebben we alleen de algemene bevestiging van Markus 16:20, dat ze, toen ze uitgegaan waren, overal predikten. In vers 15 hadden ze de opdracht ontvangen in de gehele wereld te gaan. In Mattheüs 28 wordt hun in Galilea gezegd al de natiën (al de volken) tot discipelen te maken, maar dat is een andere zending. Ten aanzien van de passage in Markus zal de lezer zien, dat het gedeelte in kwestie van vers 9 af, met Jeruzalem en de hemelvaart begint, zoals bij Lukas. In vers 7 ontvangen ze de opdracht naar Galilea te gaan, zoals in Mattheüs. Dit zijn onderscheiden zendingen. Maar waarheen ze ook gegaan zijn, in feite was de zending tot de volken (Galaten 2) aan Paulus en Barnabas overgedragen, die zich daarmee al hadden beziggehouden. Wat dit betreft is de zending in Mattheüs 28 uitgevallen. In Markus is ze persoonlijk en het gaat daar om het heil; in Mattheüs niet. De zending in Lukas wordt door de apostelen uitgevoerd, zoals dit door de redevoeringen in het hele boek Handelingen wordt getoond. Alleen het deel dat betrekking heeft op de heidenen, werd aan Paulus toevertrouwd.