44. Inleiding tot het Nieuwe Testament

44. Inleiding tot het Nieuwe Testament · uit de ‘Synopsis’ deel 5 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Het is met een zekere vrees, dat ik, bij het voortzetten van deze Schriftstudies, met het Nieuwe Testament begin, hoe groot ook de zegen mag zijn die ermee verbonden is. De concentratie en tegelijkertijd de uitbreiding van goddelijk licht in deze kostbare gave van God, de onmetelijke omvang van de waarheden die het bevat, de oneindige verscheidenheid van de gezichtspunten en juiste toepassingen van één en dezelfde tekst en zijn verhouding tot het geheel van de goddelijke waarheden, de onnoemelijke belangrijkheid van deze waarheden, hetzij op zichzelf beschouwd, hetzij met het oog op de heerlijkheid van God, hetzij in verbinding met de behoefte van de mens, de wijze waarop zij God openbaren en in de behoefte van de mens voorzien: al deze overwegingen die ik slechts gebrekkig kan uitdrukken, moeten wel elk ootmoedig hart terughouden van de aanmatigende gedachte een ware en, zelfs maar in beginsel, voldoende uiteenzetting te kunnen geven van de bedoeling van de Heilige Geest in de verschillende boeken van het Nieuwe Testament. Hoe meer de waarheid zelf wordt geopenbaard, hoe meer het waarachtige licht schijnt, zoveel te meer moet men ook zijn onbekwaamheid gevoelen om erover te spreken, en des te meer moet men vrezen onduidelijk te maken wat in zichzelf volmaakt is. En hoe zuiverder de waarheid is waarmee we te doen hebben (en hier is het de waarheid zelf), hoe moeilijker het wordt ze anderen duidelijk te maken zonder in een of ander opzicht haar reinheid te bezoedelen, en hoe fataler deze bezoedeling is. Als we over een of andere tekst nadenken, kunnen we naar de maat van het licht dat we ontvangen hebben anderen meedelen wat ons gegeven is. Maar als we een overzicht willen geven van het boek in zijn geheel, dan dringt de volmaaktheid van de alomvattendheid van Gods raadsbesluit, in de openbaring die Hij daarvan gegeven heeft, zich op aan onze geest. En men schrikt terug voor de gedachte te proberen een waar en algemeen beeld, zij het ook onvolledig, te geven. Geen enkel waar christen zou durven beweren een volledig beeld te kunnen geven.

Het Oude Testament zal sommigen misschien moeilijker toeschijnen dan het Nieuwe. En dat kan waar zijn ten opzichte van sommige op zichzelf staande teksten. Maar al openbaarden de geïnspireerde schrijvers van het Oude Testament de gedachten van God zoals die hen door Hem waren meegedeeld (en men moet de wijsheid bewonderen die erin wordt geopenbaard), toch was Godzelf nog verborgen achter het voorhangsel. En als we daar een uitdrukking verkeerd verstaan of de betekenis ervan over het hoofd zien, lijden we schade omdat het God was die sprak. Maar in het Nieuwe Testament zien we Godzelf. Zachtmoedig, vriendelijk, als mens op aarde in de Evangeliën. En onderwijzende met goddelijk licht in de daarop volgende mededelingen van de Heilige Geest, maar toch God die Zichzelf openbaart. Maar als het licht helderder is, zowel voor ons persoonlijk gedrag als voor de kennis van Hemzelf, wordt het ook een ernstiger zaak, als we deze levende mededelingen verkeerd uitleggen of door onze eigen gedachten dat vertroebelen wat de waarheid zelf is. Want we moeten bedenken, dat Christus de Waarheid is. Hij is het Woord. Het is God die spreekt in de Persoon van de Zoon. En de Zoon, hoewel waarachtig mens, openbaart ook de Vader.

En wat de uitlegging zelf betreft, zijn de praktische moeilijkheden groter, omdat de waarheid zelf, het licht, eeuwig leven, kortom alles wat ons in het Nieuwe Testament wordt geopenbaard, vanuit zoveel gezichtspunten kan worden bezien. We kunnen de waarheid bezien in zijn innerlijke en wezenlijke waarde: als de openbaring van de eeuwige natuur van God, of in haar openbaring met het oog op de heerlijkheid van de Zoon. We kunnen haar verbindingen en tegenstellingen onderzoeken met de gedeeltelijke mededeling van het Oude Testament, die het vervult en overschaduwt door haar eigen helderheid, en met de bedeling van Gods aardse regering, die terzijde is gesteld om plaats te maken voor wat eeuwig en hemels is. Tenslotte kunnen we de waarheid bezien in zijn relaties met de mens, want: “Het leven was het licht van de mensen”. Het was Gods welbehagen om Zich te openbaren en te verheerlijken in de mens, om Zich aan de mens bekend te maken en hem te gebruiken als middel om Zich aan Zijn andere met inzicht begaafde schepselen te openbaren. Over elke bladzijde van het Nieuwe Testament zou er iets te zeggen zijn van elk van deze verschillende onderwerpen. Want de waarheid is één, omdat ze van God is. Maar ze werpt haar licht op alle dingen en toont ons haar ware karakter.

Twee dingen bemoedigen mij echter:
Dat we te doen hebben met een God van volmaakte goedheid. Hij heeft ons deze wondere openbaringen gegeven opdat wij ervan zouden profiteren.
Hoewel de bron van de waarheid oneindig en volkomen is, en hoewel deze openbaringen voortvloeien uit de volheid van waarheid in God, en de mededeling ervan volmaakt is naar de volmaaktheid van Hem die ze heeft meegedeeld, zijn ze toch tot ons gekomen door verschillende instrumenten, die in zichzelf beperkt waren, maar waarvan God Zich bediende om door ieder een zeker gedeelte van de waarheid mee te delen.

Dit reine en levende water is in geen enkel opzicht verdorven. Maar naar het voornemen van God werd het in iedere mededeling beperkt door het door Hem gebruikte instrument. Toch bleef daarbij het geheel bestaan, naar de volmaakte wijsheid van Hem die de gehele waarheid heeft meegedeeld. Het kanaal is niet oneindig. Het water dat erdoor vloeit is oneindig, maar niet oneindig in zijn mededeling. De instrumenten hebben “ten dele” geprofeteerd en wij “kennen ten dele”.

Het gezichtspunt van waaruit de waarheid wordt bezien en haar toepassing, hebben zelfs een eigen karakter in overeenstemming met het instrument waardoor de waarheid wordt meegedeeld. Het levend water is volmaakt zuiver aanwezig. Zoals het in de bron is zo stroomt het ook uit. De vorm van de fontein, waardoor het tot de mens stroomt, is overeenkomstig de wijsheid van Hem die hem schiep voor dat doel. De Heilige Geest werkt in de mens als een speciaal daartoe bereid instrument. God heeft dat instrument geschapen, gevormd, bruikbaar en bekwaam gemaakt, zedelijk en intellectueel, voor een bepaalde dienst in verbinding met de waarheid. Hij werkt in het instrument in overeenstemming met de waarheid. Hij werkt in het instrument met het doel waartoe Hij het heeft bereid. Christus was en is de Waarheid. Anderen hebben ze meegedeeld, ieder in overeenstemming met wat aan hen gegeven was, en in betrekking met die zijde van de waarheid, waarmee God hun verstand en hun hart verenigd had en met het doel waartoe de Heilige Geest hen had voorbereid.

Mijn vrees overwinnende, zet ik me met vertrouwen daarom tot het vervullen van deze dienst, terwijl mijn hart ten volle rust op de volkomen goedheid van God, Wiens welbehagen het is ons te zegenen. Moge het juiste gevoel van mijn verantwoordelijkheid mij ervoor bewaren om iets te zeggen, dat niet naar de gedachten van God is. Moge de Heer in Zijn genade Zelf mij leiden en toerusten met datgene wat tot zegen kan zijn voor de lezer.

Het Nieuwe Testament heeft zeer duidelijk een ander karakter dan het Oude. Wat ik boven al opmerkte, geeft het wezenlijke van het verschil aan. Het handelt over de openbaring van Godzelf, en laat ons de mens zien die in gerechtigheid gebracht is in de heerlijkheid in de tegenwoordigheid van God. Voorheen had God beloften gedaan en oordelen uitgeoefend. Hij had een volk op aarde bestuurd en tegenover andere volken gehandeld met het oog gericht op dat volk als het middelpunt van Zijn gedachten voor de aarde. Hij had hun Zijn wet gegeven, en door middel van de profeten een steeds toenemend licht, waardoor de nadering werd aangekondigd van Hem, die hen alles zou zeggen wat van God was. Maar de aanwezigheid van Godzelf, een Mens onder de mensen, veranderde alles. Of, men zou moeten ontvangen als een kroon van zegen en heerlijkheid, Hem wiens tegenwoordigheid was om alle kwaad te verdrijven en alle elementen van goedheid te ontvouwen en tot volmaaktheid te brengen, terwijl Hij tegelijkertijd het Voorwerp zou zijn dat, als middelpunt van alle genegenheid, door het zich verblijden in Hem, aan allen het volmaakte geluk zou geven. Of, in het verwerpen van Hem, zou onze arme natuur zich moeten openbaren als vijandig tegen God en het bewijs leveren van de noodzaak, dat een geheel nieuwe orde van zaken moest komen, waarin het geluk van de mens en de heerlijkheid van God zouden gegrond zijn op een nieuwe schepping.

We weten wat er gebeurd is. Hij, die het beeld was van de onzienlijke God, moest, na de betoning van een volmaakt geduld, zeggen: “Rechtvaardige Vader, – en de wereld heeft U niet gekend”. En helaas nog meer dan dat, nl.: “Zij hebben gezien en gehaat beide Mij en Mijn Vader” (Johannes 17:25; 15:24).

Toch heeft deze toestand van de mens God in het geheel niet verhinderd om Zijn raadsbesluiten te volvoeren. Integendeel, ze werd voor Hem juist het middel om die te verwezenlijken.

Hij heeft de mens niet willen verwerpen voordat deze Hem verwierp. (Zoals in de hof van Eden de mens, zich van zijn zonde bewust, en onbekwaam om de aanwezigheid van God te verdragen, zich verborg voor God voordat Deze hem had verdreven). Maar nu de mens van zijn kant God, die in barmhartigheid gekomen was te midden van zijn ellende, geheel verworpen had, was God vrij (als ik zo spreken mag, en deze uitdrukking zedelijk juist is) om Zijn eeuwig voornemen uit te voeren. Maar het is niet oordeel dat voltrokken wordt, zoals eenmaal in Eden toen de mens al van God was weggevlucht. Hier zien we soevereine genade die, waar de mens geheel verloren is en zichzelf tot een vijand van God verklaard heeft, haar werk volbrengt door voor de ogen van het hele heelal Zijn heerlijkheid groter te maken in de redding van verloren zondaren die Hem verworpen hadden 1.

Maar opdat de volmaakte wijsheid van God zelfs tot in alle bijzonderheden zou worden geopenbaard, moest dit werk van soevereine genade waarin God Zichzelf openbaart, gezien worden als in het juiste verband met al Zijn voorafgaande handelingen in het Oude Testament staande, terwijl tevens haar volle plaats gelaten moest worden aan Zijn regering van de wereld.
Dit alles laat ons zien, dat, behalve de éne grote gedachte die alles beheerst, er in dit wonderbare boek vier onderwerpen zijn, die voor het oog van het geloof worden ontvouwd.

Ten eerste zien we het grote onderwerp, het dominerende feit, dat het volmaakte licht wordt gezien: God openbaart Zichzelf. Maar dit licht wordt geopenbaard in liefde, de andere essentiële naam van God. Christus is de openbaring van dit licht en van deze liefde. Als Hij aangenomen zou zijn, zou Hij de vervulling zijn geweest van alle beloften. Deze Christus wordt nu voorgesteld aan de mens en in het bijzonder aan Israël, gezien in zijn verantwoordelijkheid, met alle bewijzen, persoonlijk, zedelijk en van macht, die het volk geen enkele verontschuldiging laten.

Ten tweede: nadat Hij verworpen is (een verwerping die het middel is waardoor het heil wordt vervuld) wordt de nieuwe schepping, de mens verheerlijkt, de Gemeente met Christus de hemelse heerlijkheid delende, voor onze aandacht gesteld.

Ten derde zien we de verbinding tussen de oude orde van zaken op aarde en de nieuwe, met betrekking tot de wet, de beloften, de profeten, of de goddelijke instellingen op aarde. De nieuwe orde wordt voorgesteld als de vervulling en terzijdestelling van wat verouderd is, of als een tegenstelling met de oude. Tevens wordt de volmaakte wijsheid van God in alle bijzonderheden van Zijn wegen voorgesteld.

Ten slotte wordt de regering van God over de wereld profetisch in het licht gesteld en het vernieuwen van de relaties van God met Israël, hetzij ten oordeel of in zegen, kort en duidelijk aangetekend, juist bij de gelegenheid van de verwerping van de Messias waardoor deze relaties werden verbroken.

Er moet nog aan toegevoegd worden, dat in alles wat de mens nodig heeft als pelgrim op aarde, totdat God Zijn genadeplan in macht voleindigt, overvloedig is voorzien. De mens, die, in gehoorzaamheid aan de roepstem van God, is uitgegaan uit alles wat verworpen en veroordeeld is en nog niet in het bezit gesteld van het door God voor hem bereide deel, heeft behoefte aan leiding en aan datgene wat hem de bronnen laat zien van de kracht die hij nodig heeft om het doel van zijn roeping te bereiken en van de middelen waardoor hij deze kracht zich ten nutte kan maken. Toen God hem riep een Meester te volgen die door de wereld verworpen was, heeft Hij hem tevens voorzien van alle licht en leiding die nodig is om hem op zijn weg te bemoedigen, terwijl Hij hem tevens de bron van kracht toonde en het middel om daarvan gebruik te maken.

Iedere lezer van de Bijbel zal begrijpen, dat deze onderwerpen niet stelselmatig en afzonderlijk in het Nieuwe Testament worden behandeld. Als dat zo was, zouden ze veel minder goed begrepen worden. Ze worden in leven en in kracht, hetzij van Christus, of van de Heilige Geest in de geïnspireerde schrijvers, voor onze harten geplaatst.

In het algemeen stellen de Evangeliën ons Christus voor als licht en genade – toch, hoewel niet leerstellig, als Godzelf. Hij wordt voorgesteld aan de mens in deze wereld en tevens als degene in Wie de beloften, die aan Israël gegeven waren, vervuld zouden worden. Ten slotte zien we Hem als een goddelijk Persoon in Wie de voornemens van de Vader zouden worden vervuld, terwijl de joden in hun toenmalige toestand als verworpen worden gezien.

De Openbaring laat ons de invoering zien van de regering van God over de wereld, in verband met de verantwoordelijkheid waaronder deze was geplaatst, door haar verbindingen met een geopenbaarde God. De Brieven van Paulus tonen ons de aanneming van de mens door God en zijn plaats voor Hem door de verlossing, de nieuwe schepping, en de Gemeente volgens de raadsbesluiten van God, de verborgenheid van God. Verschillende onderwerpen die hierop betrekking hebben vinden we overal in de brieven en iedere uitzonderlijke ontvouwing van één van deze onderwerpen werpt licht op alle andere. De Brieven van Johannes handelen voornamelijk over de openbaring van God en van het goddelijk leven in Christus, en ook in de levend gemaakte mens, wat vanzelfsprekend met elkaar in overeenstemming moet zijn. De brieven van Petrus spreken over het pelgrimschap van de christen, gegrond op de opstanding van Christus en de zedelijke regering van de wereld.

Maar ik herhaal, hetzij in de Persoon van Christus, hetzij in de mededelingen van de Heilige Geest (het leven van Christus is, hoe ook voorgesteld, altijd het licht van de mensen), de waarheid straalt ons tegen in de levende openbaring van God en in haar levende toepassing op de mens. Ze is, in overeenstemming met de wijsheid van God, verbonden met de voortgaande ontwikkeling 2 die de waarheid eigen is, als ze wordt meegedeeld aan de mens en aangepast aan de bijzondere behoeften en de geestelijke capaciteiten van de mens waaraan ze gericht is.

Zonder twijfel zijn de openbaringen van het Nieuwe Testament voor de gelovigen van alle tijden. Maar historisch bezien, waren ze gericht aan de mensen die toen leefden en in overeenstemming met hun toenmalige toestand. Maar deze omstandigheden verzwakken in geen enkel opzicht de ons meegedeelde waarheid. Want die is van God, zoals de Apostel ook zegt: “wij zijn niet als de velen die het Woord van God vervalsen; maar als uit oprechtheid, maar als uit God, spreken wij voor Gods aangezicht in Christus”. En ook: “Noch het Woord van God vervalsende, maar door openbaring der waarheid onszelf aanbevelende aan alle gewetens van mensen in de tegenwoordigheid van God” (2 Korinthe 2:17 en 4:2). Paulus voegt niets toe aan deze zuivere wijn. Hij vervalst ze niet. Wat hij ontving, vloeide even zuiver uit hem voort als hij het had ontvangen 3.

Maar het Woord van God tot mensen gericht, heeft grotere werkelijkheid dan enige meer abstracte waarheid – het is meer rechtstreeks van God. We hebben dan geen menselijke gedachten over God, noch overwegingen van de menselijke geest met de waarheid als onderwerp. Zelfs is het niet waarheid, zoals ze is in God, en abstract onderworpen aan het vermogen van mensen, opdat zij het beoordelen. Het is God die Zichzelf tot de mens richt, tot hem spreekt, en hem Zijn gedachten meedeelt, als Zijn gedachten. Want als de mens ze zou moeten beoordelen, dan waren het niet de woorden van God die Hij als zodanig proclameert. De Apostel zegt: “U hebt het aangenomen, niet als een woord van mensen, maar, zoals het waarlijk is, als Gods Woord” (1 Thessalonika 2:13).

De uitwerking die het Woord heeft op de mens, en waardoor hij de waarheid en het gezag ervan erkent, wordt dikwijls verward met een oordeel dat de mens vormt over het Woord, als over iets dat hem onderworpen is! Maar zo kan het Woord zich nooit voorstellen. Het zou een verloochening zijn van zijn werkelijke aard, en het zou betekenen: “Het is niet mijn God, die spreekt”. Kan God zeggen dat Hij niet God is? Welnu, als Hij dat niet kan, dan kan Hij ook niet zeggen en toestaan dat Zijn Woord geen gezag heeft in zichzelf.

Het Woord is aangepast aan de menselijke natuur: “Het leven was het licht van de mensen”. Er zijn veel dingen, die een uitwerking veroorzaken in overeenstemming met de natuur van het voorwerp waarop ze toegepast worden, zonder door dat voorwerp te worden beoordeeld. Dat zien we bij alle werkingen op scheikundig gebied. Er wordt mij bijvoorbeeld een geneesmiddel toegediend en ik ondervind de uitwerking ervan in overeenstemming met mijn natuur. Zo word ik overtuigd van de kracht en de uitwerking van dat geneesmiddel, zonder dat ik een oordeel heb kunnen uitspreken over dat geneesmiddel zelf. En zo is het ook door genade met de openbaring van Christus, behalve dan, dat de boze wil van de mens deze genade tegenstaat en verwerpt, zodat ze een reuk des doods ten dode wordt. Het Woord van God wordt nooit beoordeeld wanneer het zijn uitwerking heeft, want het oordeelt zelf “[de] gedachten en overleggingen van [het] hart” (Hebreeën 4:12). De mens is eraan onderworpen en hij oordeelt het niet.

Als de mens door genade het Woord van de waarheid heeft ontvangen, dat zich als zodanig tot hem richt, dan is hij in staat om, met de hulp van de Heilige Geest, de gehele draagwijdte ervan te verstaan. En in dat geval worden de omstandigheden van de personen, waaraan het Woord historisch was gericht, een middel om de gedachten van God beter te verstaan in het gedeelte dat gelezen wordt. Zoals we al gezien hebben, veranderen deze omstandigheden niets aan de goddelijke zuiverheid van het Woord. Maar waar God tot mensen spreekt overeenkomstig hun toestand, is deze toestand, zoals die ons in het Woord zelf wordt getoond, een grote hulp om de betekenis van wat gezegd is te verstaan. Deze toestand zelf wordt slechts verstaan door het Woord en met de hulp van de Heilige Geest. Soms is die toestand een gevolg van de boosheid van het hart, en soms hangt ze gedeeltelijk af van de bedelingen van God.

Hoe het ook zij, de genade richt zich tot de mensen in overeenstemming met hun toestand 4, in overeenstemming met de trouw van God aan Zijn beloften, en in verbinding met Zijn wegen die Hij hun al had getoond. Het is niet zo (nu het ware licht gekomen is), dat dit licht is verduisterd of verzwakt, om het aan te passen aan de duisternis. Was dit het geval geweest, het licht zou niet langer licht geweest zijn, en ook niet geschikt om de mens door bevrijding op te heffen uit de toestand waarin hij is. Maar het wordt meegedeeld op een wijze dat het binnen het bereik is van de mens en toegepast op zijn toestand. Dit had de mens nodig, en dit was tegelijkertijd God waardig. Hij alleen kon het doen. En dit is even waar van – en toepasselijk op – de onderwerpen waarover de Heer spreekt, als van de onderwerpen waarover de Heilige Geest door de Apostelen gesproken heeft. De Heer mag Zich richten tot Joden, die, hoewel bekeerd, toch nog aan het joodse systeem hangen, om het voornemen van God (die altijd trouw blijft aan Zijn beloften) ten opzichte van Israël in het licht te stellen. Hij kan ook, als Hij opgevaren is in de hemel, door Zijn Geest al de gevolgen meedelen van de vereniging van de Gemeente met Hemzelf in de hemelse gewesten, buiten alle handelingen van God op aarde. En Hij kan Zich richten tot die zielen die zich nog voeden met wereldse elementen, tegengesteld aan deze hemelse roeping, en nog niet datgene in deze hemelse roeping in bezit genomen hebben dat hen zou bevrijden van zulke wereldse en vleselijke neigingen; hun kan Hij de bewijzen geven van het kwaad waarin ze vallen; Hij kan dit doen met middelen die hen in harmonie brengen met de eeuwige waarheden van God, op een wijze die, hoe eenvoudig ook, deze vleselijke gezindheid oordeelt – een gezindheid die altijd aanwezig is bij hen die niet gestegen zijn tot de hoogte van de doeleinden van God. De Geest kan ook de waarheid eenvoudiger voorstellen door de verhevenheid van de waarheid zelf. Hij kan stilstaan bij de wezenlijke eigenschappen van de natuur van God, om alles te oordelen wat zich, onder de meest aannemelijke vormen, aanmatigt christelijk licht te zijn, maar wat in de eenvoudigste dingen tegen die natuur zondigt. Op deze wijze kan de Geest de eenvoudigste en onrijpste zielen verbinden met de hoogste eigenschappen van Godzelf, in de wezenlijkheid van Zijn natuur.

Het begrijpen van de positie van de personen aan wie de Schriften gericht zijn (wat in de Schriften zelf te vinden is), is, onder de leiding van de Heilige Geest, een groot hulpmiddel om de goddelijke waarheid in die Schriften te verstaan. Deze waarheid is absoluut, maar is door de genade van God toegepaste en praktische waarheid, verwerkelijkt in de ziel door de kracht van God die in de waarheid werkzaam is, waardoor de ziel beveiligd wordt tegen de vleselijke neiging van het hart om te vervallen in het kwaad dat aanleiding was om erover te schrijven.

Deze waarheid daalt tot ons af, wat onze toestand ook mag zijn. Maar ze verandert zichzelf niet door zich aan ons aan te passen en neemt ook geen vorm aan overeenkomstig onze toestand, hoewel ze volkomen geschikt is voor deze toestand. Ze daalt tot ons neer om ons te verheffen tot de bron waaruit zij gekomen is en waarvan ze zich nooit afscheidt. Want de ons meegedeelde waarheid is altijd de waarheid in God en in Christus om ons zedelijk te verheffen tot de gehele hoogte van de goddelijke natuur. “Dat waar is in Hem en in u, omdat de duisternis voorbijgaat en het waarachtige licht al schijnt” (1 Johannes 2:8). Het is het gevolg van de tussenkomst van Christus met Wie we verenigd zijn door de Heilige Geest en die Eén is met God de Vader.

Deze waarheid, dat de mededelingen van God passend gemaakt zijn voor de positie van hen die haar historisch ontvingen, brengt ons tot inzicht in al de raadsbesluiten van God. Want in deze raadsbesluiten openbaart Hij Zich in Zijn gezag, Zijn wijsheid en Zijn vrijmacht, zoals Hij Zich in Zijn natuur bekend maakt door de openbaring van Zichzelf in Christus. Christus is het middelpunt van deze raadsbesluiten, maar elke familie in de hemel en op de aarde is gerangschikt onder de Vader van onze Heer Jezus Christus. Engelen, overheden, machten, Joden, volkeren, alles wat genoemd is, zullen worden geplaatst onder Zijn macht (de Gemeente is met Hem verenigd in Zijn heerlijkheid). De raadsbesluiten van God ten opzichte van ons, zijn in Zijn Woord geopenbaard. En hoewel God niet tot ons spreekt om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, staan veel onderwerpen die niet direct met de behoudenis in verbinding staan, maar betrekking hebben op deze opperheerschappij van Christus, toch in verbinding met dat wat God als onderwijs voor onze aandacht plaatst, als de ontvouwing van Zijn wegen hier beneden.

Hoewel Zijn voornemens met de Joden natuurlijk veel meer ontwikkeld worden in het Oude Testament, moet toch de verbinding van hun geschiedenis met de onderwerpen in het Nieuwe Testament door ons gezien worden. De historische overgang van de oude naar de nieuwe bedeling, de verzoening van de aan de Joden gedane beloften met de algemene aanbieding van het heil in deze tijd van het evangelie: al deze onderwerpen moeten noodzakelijk een plaats hebben in het Nieuwe Testament willen we de wegen van God kunnen verstaan. Ik zeg: “de wegen van God”, want we moeten hier niet alleen denken aan de Joden; het is God die handelt en Zichzelf bekend maakt in Zijn handelingen. En dus, hoewel het volle licht zichzelf in het Nieuwe Testament ontvouwt, vinden we daar toch woorden die tot de Joden gericht zijn en tot de discipelen die een deel van dat volk geweest waren en die de wegen van God tegenover hen openbaren. Zonder deze openbaringen, en zonder dat daarin werd heengewezen naar de positie van dat volk, zou er geen harmonie zijn in de wegen van God. In elk geval, zou ze voor ons verborgen zijn gebleven en zedelijk niet bestaan. Dit alles heeft betrekking op de leer, op de geschiedenis, (dat is, op de voorstelling van de Messias), op de profetie, die ons de trouw van God laat zien, en op het oordeel over dat volk.

Opdat wij nu God zouden kennen (de God die Zich heeft neergebogen om in de dingen van deze wereld in te grijpen) is licht alleen niet voldoende. Hij moet niet alleen gekend worden zoals Hij is in Zijn wezen, hoewel dit het essentiële en het voornaamste is, maar ook zoals Hij Zich heeft geopenbaard in het geheel van Zijn wegen; in al die bijzonderheden waarin onze nietige en bekrompen harten Zijn trouwe, geduldige en neerbuigende liefde kunnen leren verstaan; in al die handelingen die het abstracte begrip van Zijn wijsheid ontvouwen op zo’n wijze, dat het kan worden begrepen door ons beperkt bevattingsvermogen, dat deze wijsheid ontdekt in de dingen die te midden van de mensen al verwezenlijkt zijn – hoewel geheel boven en buiten dat wat zij voorzagen, maar die door God waren aangekondigd zodat we weten dat ze van Hem zijn.

Maar boven alles heeft het God behaagd, om Zich in al deze dingen op een bijzondere wijze met de mens te verbinden: oneindig voorrecht voor Zijn zwak schepsel! Wijsbegeerte – doelloos, bekrompen en zelfs essentieel dom in haar argumenten – wil beweren, dat de wereld te klein is voor God om zich bezig te houden met zo’n onmachtig wezen als de mens is; slechts een stipje in het onmetelijke heelal. Verachtelijke dwaasheid! Alsof de materiële uitgestrektheid van het toneel de maatstaf zou zijn van de zedelijke openbaringen die erop gebeuren, en van de strijd van de beginselen die er geleverd wordt! Wat in deze wereld gebeurt, is de tentoonspreiding van de wegen, het karakter en de wil van God voor alle met inzicht begaafde schepselen van het heelal. En wij ontvangen daardoor, door genade, inzicht en kracht om ervan te genieten, opdat God in ons wordt verheerlijkt. En niet alleen door ons, (wat van alle dingen waar zal zijn) maar in ons. Dat is ons voorrecht, door de genade die in Christus is, en op grond van onze vereniging met Hem, die de wijsheid van God en de kracht van God is. Hoe meer we zijn als kleine kinderen, gehoorzaam en ootmoedig, hoe meer we ook deze heerlijke positie zullen verwezenlijken. Later zullen we kennen zoals we gekend zijn. En intussen, hoe meer Christus praktisch ons deel en oogmerk is, hoe meer we met Hem bezig zijn, hoe meer we Hem ook persoonlijk zullen gelijken. God zij daarvoor gedankt! Hij heeft deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen en aan kleine kinderen geopenbaard. De Apostel zegt: “Maar wij spreken wijsheid onder de volmaakten; maar een wijsheid niet van deze wereld, ook niet van de oversten van deze wereld, die tenietgedaan worden; maar wij spreken Gods wijsheid in verborgenheid, de bedekte [wijsheid], die God vóór alle eeuwen heeft voorbestemd tot onze heerlijkheid”.

Laten we nu eerst een algemeen overzicht geven van de inhoud van het Nieuwe Testament, en vooral de orde tonen waarin de waarheden, die in deze boeken voorkomen, worden geopenbaard.

Het is niet nodig, dat we van de volgorde afwijken waarin de boeken gewoonlijk zijn geplaatst, zonder daaraan evenwel enige waarde te hechten 5.

Het eerste onderwerp is wel de geschiedenis en de Persoon van de Heer Jezus zelf, in de vier Evangeliën.

Het tweede is de stichting van de Gemeente, en de verkondiging van het evangelie in de wereld na Zijn hemelvaart. Deze geschiedenis vinden we in de Handelingen der Apostelen.

Daarna vinden we de ontvouwing van de ware leer van Christus, de zorg door de Apostelen besteed aan de gemeenten en aan individuele zielen, met daarbij gegeven de aanwijzingen die noodzakelijk zijn voor een wandel, die de Heer verheerlijkt tijdens het wachten op Zijn wederkomst. Vervolgens de wederlegging van de dwalingen, waardoor de vijand het geloof zoekt te verderven, en daarbij tevens het onderwijs dat nodig is om de getrouwen te bewaren tegen de verleidingen van de werktuigen van zijn boosheid. In al deze onderwerpen, en vooral in het eerste, zien we ook de persoonlijke heerlijkheid van de Heer. We doelen nu, zoals duidelijk is, op de inhoud van de Brieven.

Ten slotte vinden we de profetieën, die het kwaad aankondigen, dat het getuigenis van Christus in de wereld zou bevlekken en verderven, en dat, als het tot volle ontwikkeling gekomen zal zijn, tot het oordeel zal leiden. Deze profetieën laten ook het voortgaan zien van de oordelen van God, die zullen eindigen met de vernietiging van die vijanden die het wagen tot openlijke opstand tegen het Lam, de Koning der koningen en de Heer der heren, te komen. We zien er ook de heerlijkheid en de zegen die zullen volgen na deze oordelen. Dit laatste onderwerp verbindt het christelijk onderwijs met de openbaring van de wegen van God wat betreft de regering van deze wereld. Het is in den brede ontwikkeld in de Openbaring; maar in verschillende brieven zien we hoe het in verband staat met het verval van de Gemeente.

Wij zullen uiteraard beginnen met de Evangeliën, die de geschiedenis van het leven van de Heer geven, en Hem aan onze harten voorstellen, hetzij in Zijn daden, hetzij in Zijn gesprekken. We zien Hem daar in de verschillende karaktertrekken, die Hem in elk opzicht kostbaar maken voor de zielen van de verlosten, naar mate van het hun gegeven inzicht en van hun noden. Karaktertrekken die, hoewel Hij in vernedering gezien wordt (vergelijk 1 Korinthe 2:8), met elkaar de volheid vormen van Zijn persoonlijke heerlijkheid, voor zover wij bekwaam zijn het hier beneden, in onze aarden vaten, te begrijpen 6.

Het is duidelijk dat, overeenkomstig de raadsbesluiten van God en de openbaringen van Zijn Woord, de Heer op aarde meer dan één karakter in Zich verenigd moest hebben, om Zijn eigen heerlijkheid te volmaken, en die van Zijn Vader te openbaren en te handhaven. Maar opdat dit plaats zou kunnen vinden, moest Hij iets zijn, zodat Hij gezien kon worden in het licht van Zijn werkelijke natuur terwijl Hij hier beneden wandelde. Hij moest de dienst vervullen die Hem betaamde aan God, omdat Hijzelf de ware dienstknecht was. Hij moest God dienen door het woord, te midden van het volk, overeenkomstig Psalm 40, bijvoorbeeld verzen 9,10,11; Jesaja 49:4,5 en vele andere plaatsen.

Door veel getuigenissen was aangekondigd, dat de Zoon van David van Godswege op de troon van Zijn vader zou zitten. En de vervulling van de raadsbesluiten van God ten opzichte van Zijn aardse volk, is in het Oude Testament verbonden met Hem, die aldus zou komen, en die op aarde in de verhouding zou staan van Zoon van God tot Jahweh God.

De Christus, de Messias, of vertaald: “de Gezalfde”, zou komen, en Zich voorstellen aan Israël overeenkomstig de openbaring en de raadsbesluiten van God. En dit beloofde zaad, zou Immanuël zijn: God met Zijn volk.

Maar dit karakter als Messias, al gingen de verwachtingen van de Joden daar nauwelijks bovenuit, (zij zagen zelfs dat alleen maar op hun eigen wijze, meer als de verhoging van hun eigen volk, zonder besef van hun zonden en de gevolgen daarvan), was niet alles wat het profetische woord, dat de raadsbesluiten van God verkondigde, had aangekondigd aangaande Hem, naar Wie zelfs de wereld uitzag.

Hij zou de Zoon des mensen zijn – een titel die de Heer Jezus Zichzelf graag gaf, en die van grote betekenis is voor ons. Het komt mij voor, dat de Zoon des mensen, overeenkomstig het Woord, de Erfgenaam is van alles wat de raadsbesluiten van God voor de mens hebben bestemd als zijn deel in heerlijkheid; alles wat God overeenkomstig deze raadsbesluiten aan de mens wilde geven (zie Daniël 7:13, 14; Psalm 8:6,7; Psalm 80:18 en Spreuken 8:30,31). Maar om Erfgenaam te kunnen zijn van alles wat God voor de mens had bestemd, moest de Heer zelf mens zijn. De Zoon des mensen was werkelijk van het menselijk geslacht – een kostbare en vertroostende gedachte! Hij was geboren uit een vrouw, een wezenlijk en waar mens en, doordat Hij bloed en vlees aannam, aan Zijn broeders gelijk geworden. In dit karakter moest Hij lijden en verworpen worden, opdat Hij alle dingen zou kunnen beërven in een geheel nieuwe toestand, namelijk opgestaan en verheerlijkt. Hij moest sterven en opstaan, omdat de erfenis bezoedeld was en de mens in opstand – Zijn mede-erfgenamen even schuldig als alle anderen.

Hij moest dus de Dienstknecht, de grote Profeet zijn, hoewel Hij de Zoon van David en de Zoon des mensen was, en daarom een waarachtig mens op aarde, geboren onder de wet, geboren uit een vrouw, uit het zaad (nageslacht) van David, erfgenaam van de rechten van het huis van David, en erfgenaam van alles wat, naar Gods doel en raadsbesluiten, voor de mens was bestemd. Maar daartoe moest Hij God verheerlijken in overeenstemming met de toestand waarin de mens verkeerde als gefaald hebbende in zijn verantwoordelijkheid. In deze verantwoordelijkheid staande moest Hij God bevredigen en verheerlijken, terwijl Hij tegelijkertijd hier beneden het getuigenis gaf van een Profeet; de getrouwe Getuige.

Maar wie zou dit alles zijn? Was het alleen maar een officiële heerlijkheid, waarvan het Oude Testament had gezegd dat een mens dat zou beërven? De toestand van de mens, zoals deze onder de wet en zonder de wet openbaar werd, toonde duidelijk aan, dat het in die toestand onmogelijk was om in de zegen van God te delen. De verwerping van Christus was het volmaakte bewijs van die toestand. En bovendien moest de mens vóór alles verzoend worden met God, afgezien van elke bedeling of bijzondere regering van een aards volk. De mens had gezondigd, en verlossing was noodzakelijk voor de heerlijkheid van God en het heil van de mens.
Wie kon dit volbrengen? De mens had het voor zichzelf nodig. Een engel moest zijn eigen plaats bewaren en vervullen, en kon niets méér doen; hij kon geen redder zijn. En wie onder de mensen kon de erfgenaam zijn van alle dingen, en naar het Woord alle werken van God onder zijn heerschappij hebben? Het was de Zoon die alles zou beërven. Het was hun Schepper die hen zou bezitten. Hij dus die de Dienstknecht moest zijn, de Zoon van David, de Zoon des mensen, de Verlosser, was de Zoon van God; God de Schepper 7.

De Evangeliën

In het algemeen ontvouwen de Evangeliën deze karakters van Christus. Ze doen dat niet op een dogmatische wijze (alleen dat van Johannes heeft tot op zekere hoogte deze vorm), maar ze geven ons de geschiedenis van de Heer zó, dat Hij ons voorgesteld wordt in deze verschillende karakters, op een levendige wijze, die meer tot ons spreekt dan dat het ons alleen voorgesteld was in een leerstellige vorm. De Heer spreekt of handelt in overeenstemming met een of ander karakter, zodat we Hemzelf zien, terwijl Hij volvoert wat bij verschillende posities behoort, die Hij, naar we weten, volgens de Schrift had.

En zo wordt het karakter niet alleen veel beter gekend in de zedelijke bijzonderheden, naar zijn ware schriftuurlijke belangrijkheid en de bedoeling van God daarin geopenbaard, maar Christus Zelf wordt zo meer persoonlijk het voorwerp van het geloof en van de genegenheid van het hart. Het is een Persoon die we kennen en niet alleen een leerstuk.

Door dit kostbare door God gebruikte middel, worden de waarheden betreffende de Heer Jezus veel meer verbonden met wat voorafging, namelijk met de oudtestamentische geschiedenis. De verandering in de wijze waarop God handelt, wordt verbonden met de heerlijkheid van de Persoon van Christus. Want de overgang van de verbindingen van God met de wereld, naar een hemelse en christelijke orde van zaken, is verbonden met deze heerlijkheid. Dit hemelse stelsel, dat een nog veel meer van het jodendom verschillend karakter heeft dan het gehad zou hebben als de Heer niet was gekomen, is geen leerstuk, dat door tegenspraak alles wat voorafging nietig verklaart. Toen Christus kwam, stelde Hij Zich voor aan het joodse volk; enerzijds als zijnde onderworpen aan de wet, en anderzijds als het Zaad in Wie de beloften zouden worden vervuld. Toen Hij werd verworpen, had het volk dus niet alleen de wet gebroken, wat het ook al vanaf de Sinaï gedaan had 8 maar het verloor toen tevens alle rechten op de beloften; beloften zonder voorwaarde eraan verbonden die altijd onderscheiden moeten worden van andere (zie Romeinen 10).

Maar toen kon God de volheid van Zijn genade invoeren. En tegelijkertijd werden de typen, de beelden, vervuld. De vloek van de wet werd voltrokken. De profetieën, die spraken van de vernedering van Christus, werden vervuld, en de verhoudingen van alle zielen met God (noodzakelijkerwijs altijd verbonden met Zijn Persoon toen Hij eenmaal was verschenen), werden verbonden met de plaats die door de Verlosser in de hemel was ingenomen. Zo werd de deur geopend voor de volken en het voornemen van God ten opzichte van de Gemeente, het lichaam van de verhoogde Christus, volkomen geopenbaard.

De Zoon van David naar het vlees, en verklaard te zijn de Zoon van God in kracht door de opstanding van de doden (Romeinen 1:3,4), is “een dienstknecht der besnijdenis geworden terwille van de waarheid van God, teneinde de beloften aan de vaderen te bevestigen en opdat de volken God zouden verheerlijken wegens de barmhartigheid” (Romeinen 15:8-9). Hij was: “[De] Eerstgeborene uit de doden”, “het Hoofd van het lichaam, de Gemeente”, “opdat Hij in alle dingen de eerste plaats zou innemen” (Kolosse 1:18).

De heerlijkheid van de nieuwe orde van zaken was zoveel uitnemender en verhevener dan elke aardse orde die eraan was voorafgegaan, omdat ze verbonden was met de Heer Zelf, en met Hem als de verheerlijkte mens in de tegenwoordigheid van God, Zijn Vader. En tegelijkertijd drukte, wat plaatsvond, zijn stempel op alles wat eraan was voorafgegaan, als een orde van zaken die zijn plaats had gehad en verordend was door God. Want de Heer stelde Zichzelf op aarde voor, in verbinding met het systeem dat bestond voor Hij kwam.

De eerste drie Evangeliën laten ons Christus zien, zoals Hij aan de mens in zijn verantwoordelijkheid en in het bijzonder aan Israël werd voorgesteld, Johannes laat ons het goddelijke en eeuwige karakter van de Heer Zelf zien. Israël wordt daar vanaf het eerste hoofdstuk gezien als de Heer verworpen hebbende en zelf verhard en verworpen, en de wereld als ongevoelig voor de tegenwoordigheid van zijn Schepper. Daarom zien we in dit Evangelie zo duidelijk de soevereine genade en de noodzaak om wedergeboren te worden, en het kruis als de grondslag van hemelse dingen.

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 5.1.1

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Zie Titus 1:2; 2 Timotheüs 1:9,10; en vergelijk Spreuken 8:22-31, in het bijzonder verzen 30-31; Romeinen 16:25, 26 (lees: ‘profetische geschriften’); Efeze 3:5,10; Kolosse 1:26. Onder de wet kwam God nooit naar buiten en kon de mens nooit binnengaan. In het christendom is God naar buiten gekomen en de mens naar binnengegaan. Deze dingen maken het wezen uit van de twee bedelingen. Tevoren waren er de beloften. Dit zijn kenmerkende relaties.

2 Men moet opletten, dat ik hier spreek over de waarheid in het Nieuwe Testament geopenbaard. De mededeling in deze openbaring werd steeds duidelijker, omdat de Heilige Geest gegeven is nadat Christus verheerlijkt was. De Apostel kan zeggen als hij spreekt over de natuur van God zelf: “Dat waar is in Hem (Christus) en in u, omdat de duisternis voorbijgaat en het waarachtige licht al schijnt.” Het is een Christus die de wijsheid van God is. In Hem woont al de Volheid der Godheid lichamelijk. Het behaagde de gehele Volheid in Hem te wonen. Hij heiligde Zichzelf, opdat wij geheiligd mochten zijn door de waarheid. De Heilige Geest leidde de Apostelen in al de waarheid, doordat Hij de dingen van Christus nam en ze aan de Apostelen openbaarde. Nu, alle dingen die de Vader heeft zijn van Christus. Daarom zei Hij, dat de Heilige Geest het uit het Zijne zou nemen en het hun verkondigen zou. Omdat dit zo is, is hiermee het stelsel van een nog voortgaande ontwikkeling veroordeeld. Is er nog iets meer dan: “De hele volheid van de Godheid?” Iets buiten: “Alles wat de Vader heeft?” Iets dat helderder is dan: “Het waarachtige licht?” Welnu, al het bovengenoemde is geopenbaard. Als men aan mensen denkt van wie de ideeën uit zichzelf voortkomen, zoals de spin een web maakt uit haar eigen zelfstandigheid, dan kan men zonder twijfel van een voortgaande ontwikkeling spreken. Maar als het gaat om de openbaring van Christus door de gave van het ware licht dat al schijnt, dan is er geen sprake van een ontwikkeling. Christus neemt niet toe. En voorzeker vinden we niets goeds buiten “alles wat de Vader Hem gegeven heeft”. Dat is het wat we door openbaring bezitten. De ontwikkeling verbonden met de mededeling van de waarheid aan de mens, hangt af van zijn bekwaamheid om ze op te nemen (en dan is er zeker voor ieder van ons sprake van vooruitgang) en van de openbaarwording van Christus vanaf de tijd van Johannes de Doper tot aan Zijn volle openbaring door de Heilige Geest. En deze laatste is ons gegeven in het Nieuwe Testament. Geen enkele overlevering kan iets toevoegen aan de openbaring van dat wat Christus is. Geen ontwikkeling kan ons een enkele nieuwe waarheid brengen ten aanzien van Zijn volheid. En Zijn volheid is alles! En zo worden de hoge aanmatigingen van de mens tot niets gemaakt.

3 De woorden van 1 Korinthe 2 zijn in dit verband zeer treffend en van grote betekenis in onze dagen. “Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben”: dat was de oudtestamentische toestand. “Ons heeft God het geopenbaard door de Geest”: dat is openbaring. “Hiervan spreken wij ook, niet met woorden door menselijke wijsheid geleerd, maar met [woorden] door [de] Geest geleerd”: dat is de mededeling ervan, inspiratie. Ten slotte: “Omdat het geestelijk beoordeeld wordt”: dat is de aanneming ervan. De openbaring, het geïnspireerde getuigenis, en de aanneming van de dingen, door de genade en door de kracht van de Geest alleen, worden alle afzonderlijk bevestigd.

4 God komt in genade te midden van het kwaad, terwijl deze genade aangepast is aan de mens in zijn toestand. De genade openbaart God zodat niets anders Hem openbaren kon, maar ze is passend gemaakt voor de mens, hoe boos hij ook mag zijn, ja, als boos zijnde in zichzelf. Terwijl ze dus geeft wat zuiver hemels en goddelijk is, doet zij dat om het kwaad hiertegen te treden en is daarvoor passend gemaakt. Dit feit, hoewel het God openbaart zoals Hij in de hemel zal worden gekend, is, wat zijn werking aangaat, onbekend in een aards of hemels paradijs – het goede temidden van het kwaad. De engelen begeren in deze dingen in te zien. Verder is het vrijmacht, genade en wijsheid, iets wat het goede alleen niet zijn kan, al leidt het in zijn hoogste vorm er ook in.

5 In sommige Duitse Bijbels, alsook verscheidene roomse uitgaven, en in veel handschriften, is de volgorde anders. Voor het doel dat wij beogen, is dat van geen belang. Iedereen weet, dat de rangschikking van de boeken niets te maken heeft met de openbaring zelf.

6 Om goed begrepen te worden, zou ik misschien een uitzondering moeten maken voor de verhouding van Christus met de Gemeente – een onderwerp, dat we in de Brieven vinden. Maar in de uitdrukking: “Zijn persoonlijke heerlijkheid”, sluit ik niet in, dit bijzonder kostbare deel van de leer van Christus. Met uitzondering van het feit, dat Hij op aarde Zijn gemeente zou bouwen, heeft Hij pas door de Heilige Geest die na Zijn hemelvaart is neergekomen, aan de Apostelen en Profeten deze onschatbare verborgenheid bekendgemaakt.

7 De scheppingshandeling wordt, als er niet in het algemeen over God gesproken wordt, maar met onderscheiding van de Personen in de Godheid, altijd toegeschreven aan de Zoon of aan de Geest.

8 Het is ernstig maar leerzaam om op te merken, dat in alles wat God aan de mens gaf, het eerste wat de mens deed, was het te verderven. Zichzelf het eerst. Daarna Noach, het nieuwe hoofd van de wereld: Hij bedronk zich. Dan het gouden kalf, toen de wet gegeven was. De priesters offerden vreemd vuur de eerste dag. Salomo verviel tot afgoderij en ruïneerde het koninkrijk. Nebukadnezar maakte het gouden beeld en vervolgde de dienstknechten van de ware God. In genade ging God verder, maar het systeem was in een vervallen toestand. Zo is het ook gegaan met de Gemeente. Maar alles zal worden hersteld op een groter en heerlijker manier in de laatste Adam.