01. Voorwoord en inleiding op de Synopsis

01. Voorwoord en inleiding op de Synopsis · uit de ‘Synopsis’ van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Voorwoord voor de eerste uitgave van de hele Synopsis in het Frans

Op de volgende bladzijden bied ik het begin van een werk aan dat u, naar ik hoop, van nut zal zijn bij het bestuderen van het kostbare Woord van God. Vooral hoop ik, dat de korte overzichten die u erin zult vinden, en die u een deel van de rijkdommen, in het Woord vervat, laten zien, u zullen aansporen dit Woord met meer zorg te bestuderen. Ik ben me ervan bewust, meer dan u het zou kunnen zijn, dat er grote en vele onvolmaaktheden in dit geschrift voorkomen. Als men het Woord waardeert, zoals het gewaardeerd dient te worden, en als men het Goddelijk karakter ervan maar een klein beetje gevoeld heeft, dan zal elk werk van een mens met betrekking tot dit Woord, in de ogen van de gelovige heel zwak en onbetekenend zijn. Dit alles voel ik en ik ben er daarom op gesteld u in enkele woorden te zeggen, wat mijn bedoeling is geweest deze beschouwingen uit te geven en ook wat u, bij het doorlezen ervan, verwachten moet.
Het is al enkele jaren geleden, dat een broeder me aanspoorde dit werk te beginnen, maar tot nu toe ben ik telkens voor deze taak teruggeschrokken. En dit niet zozeer om de vele werkzaamheden, die ik in de dienst van de Heer had, hoewel die wel de oorzaak van enige vertraging zijn, maar meer door het gevoel van mijn onbekwaamheid voor een dergelijk werk. Het bewustzijn, dat de Heer nabij is, bracht me er bovendien eerder toe me aan de dienst te wijden dan met een “studeerkamer”-werkzaamheid te beginnen. Ten slotte hebben de behoeften van de broeders die ook werkzaam zijn op het arbeidsveld van de Heer, en voor het grootste deel op meer nuttige wijze dan ik, me bewogen dit werk ter hand te nemen. Dit evenwel zonder, naar ik hoop, de ootmoed en nederigheid die bij mij passen, uit het oog te verliezen, waaraan ik veel liever trouw zou willen blijven, dan welke arbeid dan ook tot stand te brengen. Meerdere andere overwegingen waren echter oorzaak, dat ik verhinderd werd met dit werk te beginnen.

In de eerste plaats was het wel de ontzaggelijk grote verantwoordelijkheid, die, als het om het Woord van God gaat, hij op zich neemt, die aan het denken van Christenen richting wil geven en die, op wat voor eenvoudige wijze dit ook gebeurt, gedachten naar voren brengt, die volgens hem naar de mening van de Geest van God zijn. Wat een ernstige fout zou het zijn om de geliefde kinderen van God verkeerd te leiden in het verstaan van Zijn Gedachten en van Zijn Wil. Of om als de bedoeling van Zijn kostbare mededelingen naar voren te brengen wat Zijn bedoeling in het geheel niet zou zijn!
Ook een andere overweging weerhield me. Het was de vrees, dat men zou veronderstellen de gehele inhoud van het Woord in dit werk te vinden. Het ernstige en gevaarlijke kwaad van alle commentaren is, dat ze aanleiding geven tot deze gedachte. En zó bewerken ze traagheid van het hart en gebrek aan innerlijk geestelijk leven, waardoor men zich tevreden stelt met enkele uiteenzettingen, die op zichzelf misschien goed zijn, maar die toch niet méér geven dan enkele door het Woord ingegeven gedachten. Deze uiteenzettingen geven dan ook niet in het minst het leven, de kracht en de rijkdommen van het Woord weer. Er is niets schadelijker dan deze traagheid, die liever bij enkele gedachten blijft stilstaan, dan het Goddelijke Woord zelf te onderzoeken. Want als de ziel niet met vlijt, geestelijke gezindheid en toewijding voedsel zoekt bij de Heer, Die alleen kennis en inzicht kan geven, dan blijft het Woord haar onthouden. De lezer zal hier dus geen enkele bewering vinden, dat hem de inhoud van het Woord zal worden gegeven. Hij zal – dit is tenminste mijn wens en het doel van mijn werk geweest – enkele richtlijnen aantreffen, die hem bij het bestuderen van de Bijbel zullen helpen, maar die hem, zonder deze studie, tot niets zullen dienen. Ik zou hem een slechte dienst bewezen hebben, als ik hem geholpen had gedachten te verzamelen en hem zo zou hebben afgetrokken van het waarachtige en levende Woord; dat Woord, dat ons met Godzelf in aanraking brengt, onze harten onder Zijn zorg en aandacht plaatst, en ons geweten onder dat oog dat alles ziet, dat alles oordeelt, maar dat alles ziet om ons te genezen, om ons te zegenen.
Een andere meer persoonlijke overweging bedrukte me ook, en wel deze, dat de taak werkelijk erg groot was. Deze druk verdween echter, omdat ik hoopte mijn broeders van dienst te zijn en omdat dit werk me een groot genot beloofde te geven. En inderdaad, ik heb dit in ruime mate ervaren. Als mijn lezers van dit werk geen voordeel mochten hebben, dan heb ik tenminste de troost, dat het mij een ontzaggelijk groot nut heeft gegeven. Hoe het ook zij, ik heb niet de minste spijt het werk te hebben ondernomen. Ik verzoek de lezer de volgende bladzijden niet te lezen, tenzij hij tegelijkertijd het Woord erbij leest, dus er geen kennis van te nemen, dan om Gods Woord te onderzoeken. Mijn bedoeling is om het Woord te laten bestuderen en ik hoop zelfs, dat het onmogelijk zal zijn, dit werk anders te gebruiken dan om tegelijkertijd het Woord zelf te onderzoeken.

Ten slotte heb ik niet het plan gehad, het resultaat door de waarheid bij mij gewerkt, mee te delen. En ook niet de godvruchtige gevoelens door te geven die in het hart opkomen als men het Woord op gepaste wijze leest. Ik heb het voornemen gehad mijn lezer te helpen verstaan wat deze gevoelens moet bewerken. Ik geef er de voorkeur aan, die gevoelens, door genade in zijn eigen hart te laten opkomen, liever dan hem veel van wat in mijn hart is gebeurd, mee te delen. Ik wil nog alleen de wens uitspreken, dat het doel niet uitsluitend is zich in de kennis te verblijden, maar om in werkelijke gemeenschap met God te zijn.
Er rest me nog slechts één woord, om aan het voorafgaande toe te voegen. Ik heb me voorgesteld een samenvatting van al de boeken van de Bijbel te geven, waarin ik de bedoeling en gedachte van de Heilige Geest in elk boek, voor zover me dat gegeven zou zijn, zou weergeven. Omdat het hier om een groot werk gaat, is me gebleken, dat men het heel goed in gedeelten kan uitgeven. De Pentateuch (de vijf boeken van Mozes) was als vanzelf hiervoor geschikt. En dit is het, wat de lezer hierbij aantreft. Met het werk ten aanzien van de andere boeken ben ik goed opgeschoten, zodat, als onze goede God het toestaat, ik in staat hoop te zijn al gauw met de uitgave ervan door te kunnen gaan. Het zal me goed doen te weten, dat mijn broeders me met hun gebeden helpen, opdat ik bij dit werk geleid mag worden door God, en Zijn Geest mag toezien of alles goed gebeurt. Alleen op deze wijze zal het voor ons allen ten zegen kunnen zijn.

Ik mag dit voorwoord niet besluiten, zonder erop gewezen te hebben, dat, als mijn lezer door de inhoud van de pagina’s, die ik hem hierbij aanbied, wordt gesticht, hij dit in grote mate dankt aan onze broeder M.H. Parlier. Deze heeft me bij de inkleding van de stof zeer bijgestaan en in zijn welwillende vriendelijkheid aan alles zijn zorg besteed.

Dat de Heilige Geest Zelf u moge onderwijzen, geliefde lezer! Dat het Woord u steeds dierbaarder moge worden in deze laatste dagen, en dat de geest van gehoorzaamheid samen met de liefde voor alles wat Christus toebehoort, u moge leiden! Dat is de wens van uw toegenegen broeder in Hem,

J. N. Darby

Inleiding voor de hele Synopsis

Ik heb het voornemen u een korte samenvatting te geven van de voornaamste onderwerpen van elk boek van de Bijbel en hoop dat dit de broeders tot enige hulp zal zijn bij het bestuderen van het kostbare boek dat onze God ons gegeven heeft.
Ik beweer helemaal niet u de inhoud van elk boek te zullen aanbieden, maar alleen (en dit naar de mate van de kennis die God me geeft), een soort van inhoudsopgave van de onderwerpen, de indeling van de boeken in onderwerpen, en, voor zover ik daartoe bekwaam ben, het doel dat de Geest van God in elk van die boeken Zich heeft voorgesteld.

De Bijbel vormt één geheel, dat ons God laat zien. God Die naar buiten treedt uit Zijn innerlijke volheid om alles wat Hij is te openbaren. Maar ook om hen die deelgenoten van Zijn natuur zijn geworden en dus bekwaam zijn gemaakt om Zijn raadsbesluiten en Hem Zelf te begrijpen en lief te hebben, met Hem te doen ingaan in het genot van deze volheid.
Maar vóórdat dit voornemen van God ten volle is geopenbaard, wordt de mens op het toneel geplaatst als een verantwoordelijk wezen. En zijn geschiedenis als zodanig, wordt ons in de verschillende stadia die hij heeft doorlopen gegeven, tot op het moment dat zijn vijandschap tegen God tot uiting kwam bij het kruis. En toen werd het fundament gelegd van de volledige openbaring van het plan van God en van de vervulling van Zijn welbehagen in de mens, door het feit waarin het volkomen Goddelijke karakter in liefde en in gerechtigheid geopenbaard en verheerlijkt werd. God werd in elk opzicht volkomen verheerlijkt, door de mens in verbinding met de heerlijkheid te brengen.

De schepping heeft als terrein voor deze openbaring gediend. Maar als openbaring zelf zou ze absoluut onvolkomen zijn geweest, hoewel ze tot op zekere hoogte Gods heerlijkheid bekendmaakte.

Bovendien was de zonde in de wereld gekomen. De toestand van de schepping die hieruit voortgekomen was, verbonden met het resultaat van de bemoeienissen van God die de orde en de bijzonderheden van deze schepping regelden, gaf de mens gemakkelijk aanleiding, om in de toestand waarin hij zich bevond, zich een verkeerde gedachte van God te vormen. Want, door het feit dat de mens deze schepping en dit voorzienig bestuur aan God toeschreef, zag hij er een macht in die alleen aan de Schepper toebehoorde. Maar tegelijkertijd wierp het aanwezig zijn van het kwaad, elke gedachte die hij zich in zijn geest van Zijn Almachtige Goedheid kon vormen, omver.
Terwijl de inspanning van de mens om deze stand van zaken te verklaren eindigde in vergeefse pogingen, kwamen het bijgeloof en de filosofie zijn dwaasheid bekronen. Aan de ene kant zien we het bijgeloof, dat de verkeerde gedachten die de mens zich over God gevormd had nog meer verdraaide. En aan de andere kant zien we de filosofie, die de mens ertoe brengt het bestaan van God te ontkennen. Van een God, waarvan de mens evenwel de noodzaak voelde op grond van de onzekerheid, waarin de pogingen van zijn menselijke geest om zich aan de heerschappij van dit bijgeloof te onttrekken, hem hadden gebracht. De oorsprong van dit bijgeloof was in feite niemand anders dan Satan, die zich in de harten van de mensen meester had gemaakt van het begrip van God. Dit deed hij om het begrip van God te ondermijnen en onder deze Naam voedsel te verschaffen voor hun begeerten die een “godsdienstig” karakter gekregen hadden. Deze “goden” waren in werkelijkheid echter demonen. De filosofie nu bestond alleen uit nutteloze pogingen van de menselijke geest om zich te verheffen tot het begrip van God, een hoogte die hij niet in staat was te bereiken. Daarom zag hij ervan af, terwijl hij er zich nog op beroemde dat hij erbuiten kon.
Zelfs de wet van God, die Zijn gezag deed gelden door de verantwoordelijkheid van de mens tegenover God vast te stellen, openbaarde God alleen in de uitoefening van het oordeel. De wet eiste, dat de mens zou zijn wat hij behoorde te zijn, zonder te openbaren wat God Zelf was, behalve dan in gerechtigheid. Ze openbaarde in geen geval hoe God in genade handelt, te midden van de onwetendheid en ellende, die door de zonde over het mensdom zijn gebracht. Dit kon ze ook niet, want ze beoogde alleen een zekere gedragslijn van de mens te eisen, terwijl de wetgever zich tot rechter stelde aan het eind van de loopbaan van hem die verantwoordelijk was.
Maar de Zoon van God is de openbaring van Godzelf te midden van deze toestand. Hij is de trouwe Getuige van al wat God in Zijn verhouding tot dit alles is. In één woord, het is de Zoon, die God openbaart en die zó noodzakelijkerwijs het middelpunt wordt van alle raadsbesluiten en van de volledige openbaring van Zijn heerlijkheid, alsook het doel van al Zijn wegen.
We zullen dus drie grote onderwerpen in de Bijbel vinden:

  1. De Schepping, nu onderworpen aan de gevolgen van de val. 1
  2. De Wet, die aan de mens in deze Schepping een levensregel geeft, om te zien of hij er, naar Gods gedachten, leven kan en gezegend worden.
  3. De Zoon van God.

De schepping en de wet zijn verbonden met het beginsel van de verantwoordelijkheid van het schepsel, en we zullen alles wat daarmee verbonden is in een staat van schuld of van verdorvenheid vinden. Daarentegen zal de Zoon, die de openbaring is van de Vader, de uitdrukking van Zijn Liefde, het afdruksel van het wezen van God, te midden van deze gevallen schepping en van de tegenspraak van een opstandig volk verschijnen, in liefde lijdend. En later zal Hij, door Zijn macht en gezag alles herstellend, alle raadsbesluiten van God vervullen, door alle dingen in de hemelen en op de aarde met elkaar te herenigen. Zelfs zij die Hem gehaat en verworpen hebben, zullen Hem moeten erkennen als Heer, tot heerlijkheid van God de Vader. En ten slotte, als Hem alle dingen onderworpen zijn, zal Hij het koninkrijk van Zijn heerlijkheid, als Zoon des mensen aan God overdragen, opdat God alles in allen zal zijn. (1 Korinthe 15:24-28).
Buiten dit alles om, zijn er naar de raadsbesluiten van God, zij die God (die wij in Jezus kennen) om Zich verenigt en die gevormd zullen worden naar de gelijkenis van Hem, met Wie zij als zonen verbonden zijn. Hij Zelf is de Eerstgeborene onder vele broeders, die met God eeuwigdurend zullen genieten van Zijn gunst en zegeningen. Dan is er nog een aards volk, waarin God de beginselen van Zijn regering en van Zijn onfeilbare trouw op aarde openbaart. Dus is het aan dit volk, dat God de wet heeft gegeven. Ten slotte is er een Gemeente, in Christus haar Bruidegom uitverkoren, die geroepen is om met Hem de heerlijkheid en gelukzaligheid te delen. Een gemeente die, naar de raadsbesluiten van God, al bestond, vóórdat de wereld was. Dit alles moest Hij als Zoon van God en als trouwe Getuige van Zijn Heerlijkheid, beërven. Maar deze Gemeente, die naar de raadsbesluiten van God al bestond vóórdat de wereld was, was tot op de door God bepaalde tijd verborgen. Toen de verlossing was volbracht, kon de Heilige Geest, die in de Gemeente woont, al de volmaaktheden van dit verlossingswerk en alle uitgestrektheden van haar geluk, aan haar openbaren. Het kruis is in elk opzicht het middelpunt van dit alles. De geschiedenis van de verantwoordelijke mens eindigt bij het kruis. Maar ze begint ook bij het kruis, met de genade die heerst door gerechtigheid. Hier ontmoeten het goede en het kwade elkaar en worden helemaal in het licht gesteld. De haat in de mens en de liefde in God, de zonde en (in de uitwerking op het kruis) de gerechtigheid in God, het goed en het kwaad, verenigen zich op Golgotha.2 Op het kruis is God zedelijk en volkomen verheerlijkt. De mens is in zijn zonde geoordeeld en in gerechtigheid vrijgekocht. De heerschappij van het kwaad werd vernietigd en die van de mens in gerechtigheid hersteld, zoals God dat had gewild. De dood, en hij die de macht van de dood had, werden terzijde gesteld. Dit alles werd tot stand gebracht door een daad van liefde, die de Zoon van God, als mens, in gerechtigheid aan het hoofd plaatste van alle dingen. Nu alles – door het Kruis – ten slotte op een krachtige en onwrikbare wijze, op de grondslag van de verlossing tot stand is gebracht, mogen we ons wel afvragen wat het einde zal zijn van hen die deze verlossing versmaden.

Bijgevolg vinden we in de hele samenhang van de openbaring die ons gegeven is, niet alleen de Schepping, de Wet en de Zoon van God, maar ook de wegen waarop God de openbaring van de Zoon heeft voorbereid en de mens ertoe gebracht daarnaar uit te zien. Dan zien we de ontwikkeling van alle beginselen, volgens welke God in verbinding is gekomen met de mensen, de gevolgen van de overtreding van de Wet en ten slotte de openbaring van de Gemeente op aarde, in plaats van de bedeling van de Wet. Ook vinden we aanwijzingen die aan de Gemeente gegeven zijn, en tegelijk een hele reeks van gebeurtenissen, die met haar bestaan en haar ontrouw op aarde verbonden zijn. Maar ook de geschiedenis van het aardse volk van God. En dan zien we de mens zelf, verantwoordelijk tegenover God, Die hem het gezag over de aarde gegeven heeft. Dit alles eindigt in de Heerlijkheid van Jezus, de Zoon des mensen, Die alle dingen blijft samenhouden en zegenen onder de heerschappij van God, met als slot: God alles in allen.

De geschiedenis van Jezus, de positie die aan de Gemeente in heerlijkheid is toegewezen volgens de plannen van God (een verborgenheid van vóór alle eeuwen), het delen van de Gemeente in het lijden van Jezus, haar vereniging met Hem, en in het algemeen het getuigenis van de Heilige Geest, Die van boven gegeven is: al deze waarheden zijn ten volle in het Nieuwe Testament geopenbaard. De andere gebeurtenissen, waarover we hiervoor gesproken hebben, vormen de loop van de eeuwen. De Gemeente staat apart hiervan.

Dit verdeelt vanzelfsprekend de Bijbel in twee delen:

  1. het gedeelte, dat van de twee eerste onderwerpen spreekt: De Schepping, en de mens in zijn verhouding tot God, en dan zonder de wet of onder de wet. Dit laatste geldt alleen voor het aardse volk van God.
  2. het deel dat spreekt van de Zoon Die op aarde gekomen is, en van alles wat de Gemeente en haar heerlijkheid betreft.

Dit is, in het algemeen, het Oude Testament en het Nieuwe Testament. We zullen echter zien, dat de belofte en de profetie in het Oude Testament altijd verbonden waren met de Zoon, Die het eeuwigdurend voorwerp is van de raadsbesluiten van God. Precies zoals het Nieuwe Testament de profetieën over de toekomstige plannen van God met betrekking tot de aarde bevat en zich hierdoor verbindt aan het Oude Testament. Vervolgens zullen we zien, dat de verwerping van de Zoon de plaats geopend heeft voor de tegenwoordigheid van de Heilige Geest op aarde, een omstandigheid, die de toestand van het volk van God totaal heeft veranderd en bijzondere elementen heeft ingebracht, die afhankelijk zijn van deze aanwezigheid van de Heilige Geest. Want dit zien we in het bijzonder in het historisch gedeelte van het Nieuwe Testament dat de Zoon allereerst aan de wereld en aan het volk dat onder de wet is, wordt voorgesteld, om hen aan een nieuwe proef te onderwerpen. De Zoon is niet gekomen om in de eerste plaats de raadsbesluiten van God te vervullen. Maar om de mens die nog onder de oude orde van zaken geplaatst is, een getrouw getuigenis te geven van wat God is, voor het geval dat de mens nog enigszins in staat was om dit getuigenis te ontvangen en Hem te onderscheiden, die in genade in het midden van de gevallen schepping verscheen, in de gedaante en de natuur zelf van de mens in wie de val had plaatsgevonden, maar zonder zonde. Hij is eveneens gekomen om Zich aan de Joden, als ze Hem hadden willen aannemen, voor te stellen als de Heer der heerlijkheid, Die het voorwerp is van alle profetieën en van alle beloften. En ten slotte, omdat de wereld Hem niet heeft gekend en de Zijnen Hem niet hebben aangenomen, is Hij gekomen om het offer te brengen, dat de grondslag is geworden van een nieuwe wereld voor God, en de vrijgekochten in de blijdschap en de tegenwoordigheid van Zijn Vader geplaatst heeft. Deze vrijgekochten nu, zijn de erfgenamen van alles wat hersteld is in Jezus, de tweede Mens, de laatste Adam, om van de Gemeente Zijn Lichaam en Zijn Bruid te maken.

Uit alles wat we zoeven hebben gezegd, blijkt dat het Oude Testament twee gedeelten omvat, die door hun aard zéér onderscheiden zijn, hoewel ze dikwijls in hetzelfde boek en soms zelfs in dezelfde passage met elkaar verbonden zijn. Ten eerste hebben we dan de geschiedenis van de mens, zoals hij was hetzij vóór de wet, hetzij onder de wet, en de wegen van God met hem. En dan de openbaring van de gedachten en plannen van God voor de toekomst; gedachten en plannen, die altijd verbonden zijn met Christus. Soms neemt deze openbaring het karakter aan van een werkelijke profetie, soms de vorm van een typische gebeurtenis, die een beeld is van wat God later wil vervullen. Als een voorbeeld van de tweede uitdrukking van Gods gedachten, noem ik het offeren van Izaäk. Ongetwijfeld is er in de treffende gehoorzaamheid van Abraham een historische les van het hoogste belang. Maar bovendien herkent ieder hierin gemakkelijk het beeld van de offerande, waarvoor God Zich een lam heeft toebereid, waarvan Izaäk, de geliefde van zijn vader, maar een zwak beeld was en waarin de opstanding, niet in beeld maar in kracht, de bron van leven en hoop voor elke gelovige is.
Maar misschien loop ik te ver vooruit op de bijzonderheden. Laten we overgaan tot het bezien van het algemene karakter van de boeken van de Schrift.


Voetnoten:

1 Ik beperk me hier vooral tot de schepping van de lagere orde, waarin de mens was geplaatst. Er zijn gevallen engelen en de geschapen hemelen zijn verontreinigd door de zonde. Maar deze engelen vormen een schepping op zichzelf. Ze waren er, om met blijdschap het ontstaan te vieren van de schepping, zoals wij die kennen en zoals ze in Genesis 1 na het eerste vers wordt gezien, dat wil zeggen als een gebied, waarop de mens zich beweegt. Als schepselen en als verantwoordelijke wezens, konden ze vallen, als God dat niet verhoedde. En dit is ook gebeurd. Maar ze vormen een schepping apart en dat is de reden, dat ze in de scheppingsgeschiedenis van het boek Genesis niet worden genoemd.

2 Moreel gezien is dit van de grootste diepte en volheid. We zien hier de mens in het volstrekte kwaad: haat tegen God, geopenbaard tegenover de goedheid; Satan in al zijn macht over alle kinderen van Adam; de mens in volmaaktheid, Christus, in liefde tot Zijn Vader en in volmaakte gehoorzaamheid; God in gerechtigheid tegen de zonde en in liefde tot de zondaar; en dit alles op de plaats zelf van de zonde, waar de mens was. Daarom staat alles wat daarop gegrond is onwankelbaar vast. Wat de menselijke staat op zichzelf betreft, is een opgestane Christus hiervan het resultaat: de mens in een nieuwe, eeuwige toestand, voorbij de zonde, de dood, de macht van Satan en het oordeel.