60. 2 Thessalonika
60. 2 Thessalonika · uit de ‘Synopsis’ deel 7 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Inhoud
Hoofdstuk 1
In de tweede brief aan de Thessalonikers weerlegt de apostel enkele dwalingen ten aanzien van de dag van de Heer, waarin deze discipelen door de invloed van bepaalde dwaalleraars vervallen waren, terwijl hij in de eerste brief hoofdzakelijk een eind maakt aan de onwetendheid van de gelovigen zelf met betrekking tot het deel van de heiligen bij de komst van Christus om hen tot Zich te nemen (een punt waarover ze kennelijk maar weinig onderwijs gehad hadden).
Hun geest werd verduisterd door een zekere mate van joodse invloed, zodat ze op sommige punten nog onderworpen waren aan de invloed van dat ongelukkige volk, dat voortdurend worstelde om een positie te handhaven die het door z’n ongeloof verloren had. Deze joodse invloed verklaart ons waarom de apostel woorden gebruikte zoals we die vinden in hoofdstuk 2:15,16 van de eerste brief. Tóen bleek die invloed uit de neiging van de Thessalonikers om de hemelse zijde van de komst van de Heer uit het oog te verliezen en te denken dat Hij op aarde zou terugkomen en dat ze dan met Hem verheerlijkt zouden worden – evenals een jood dat had kunnen geloven – en dat de gestorven gelovigen er dus niet bij zouden zijn om in deze heerlijkheid te delen. Ik zeg niet dat dit denkbeeld vaste vorm had aangenomen in de gedachten van de Thessalonikers. Het voornaamste en het levende Voorwerp was voor hen de Heer Zelf en ze verwachtten vol vreugde Zijn wederkomst. Maar de hemelse kant van die verwachting stond hun niet duidelijk genoeg voor de geest, zodat ze de komst te veel in verbinding brachten met de openbaring. Het aardse karakter van de komst van Christus stond dus op de voorgrond en de doden schenen er geen deel aan te kunnen hebben.
Maar toen de tweede brief geschreven werd, had deze joodse invloed een ander karakter en waren de valse leraars er meer rechtstreeks bij betrokken. De gelovigen in Thessalonika hadden geleerd de dag van de Heer als een oordeelsdag te zien. Het Oude Testament sprak veel over deze dag van de Heer, een dag van duisternis en ongeëvenaarde oordelen, een dag van bezoeking voor de mens (vergelijk Jesaja 13, Joël 2, Amos 5:18). Nu was het zo, dat de Thessalonikers vreselijke vervolgingen ondergingen. Misschien was hun hoop op een aardse tussenkomst van de Heer tijdens hun leven daardoor verzwakt. De apostel zwijgt in elk geval over hun hoop, terwijl hij wel spreekt over de toename van hun geloof en de overvloedige betoning van hun liefde (vers 3). De vreugde van het christelijk leven komt hier ook niet zo duidelijk tot uitdrukking als in de eerste brief. Niettemin was hun wandel goed en roemde de apostel over hen in de gemeenten van God (vers 4) 1.
De dwaalleraars maakten echter van hun toestand gebruik om hen te misleiden door middel van het lijden dat ze ondergingen en dat hen des te meer bezwaarde naarmate de vreugde van hun hoop afnam. En tegelijkertijd werden de aanvallen van de vijand begunstigd door de gevolgen van de invloed van Judaïstische gedachten of van denkbeelden die daardoor gevormd waren. De listige werktuigen van het kwaad zeiden hun, dat de dag van de Heer – die vreselijke tijd – al gekomen was (2:2). Het Grieks moet hier niet vertaald worden door “aanstaande”, maar door “gekomen” of “tegenwoordig”. Zie Romeinen 8:38 en 1 Korinthe 3:22, waar het door “tegenwoordig” is weergegeven, juist in tegenstelling tot “toekomend”. En al het lijden dat de Thessalonikers ondergingen en dat hen zo schokte, leek de woorden van deze valse leraars te bevestigen. Stond er niet geschreven dat het een dag van angst en benauwdheid zou zijn?
Bovendien beweerden deze leraars dat hun woorden meer dan menselijke redeneringen waren. Het was een woord van de Heer, het was de Geest die sprak, het was een brief van een geïnspireerd werktuig! Ze waren zelfs zo gemeen en brutaal, dat ze er niet voor terugschrokken de naam van de apostel te gebruiken als een gezaghebbende bron voor hun beweringen dat de dag van de Heer al was aangebroken. Nu is angst een middel in de hand van satan, dat een verbazingwekkende macht kan hebben over iemand die niet door God in vrede en blijdschap bewaard wordt. Daarom roept de apostel de Filippiërs op, zich in niets te laten afschrikken door de tegenstanders. “Voor hen is dit een bewijs van verderf, maar van uw behoudenis, en dat van Godswege” (Filippi 1:28). Als men in zo’n toestand is, gelooft men alles. Of beter: men vreest alles, en gelooft niets meer. Het hart valt dan ten prooi aan de angst en is in staat om alles aan te nemen, omdat het in duisternis is en niet weet wat het moet geloven. Om die reden vermaant de apostel de Thessalonikers (hoofdstuk 2), zich niet zo spoedig te laten schokken in hun gemoed en op die manier hun standvastigheid in de waarheid te verliezen, en zich niet te laten verschrikken.
De handelwijze van de apostel is hier weer dezelfde als in de eerste brief. Voordat hij op de dwaling ingaat, werpt hij het juiste licht op het onderwerp, waarbij hij voortbouwt op de kennis die de Thessalonikers al bezaten. En hij zet het helder uiteen in verbinding met de omstandigheden van dat moment. Hierdoor werden de gelovigen verlost van de invloed van de dwaling, die hun gemoed geschokt had, en konden ze die rustig en onpartijdig beoordelen overeenkomstig het onderwijs dat de apostel hun gaf.
Ze werden vervolgd en waren in nood en lijden, en de vijand maakte daarvan gebruik. Dat feit plaatst de apostel allereerst in het juiste licht. Hij bemoedigt hen met de gedachte dat de vervolging juist bezegelde, dat ze waardig geacht werden voor het koninkrijk van God, waarvoor ze nu leden (vers 5). Maar bovendien was de dag van de Heer de komst van de Heer in oordeel; dan kwam Hij echter niet om de Zijnen te doen lijden, maar om de goddelozen te straffen. Daarom kon de vervolging, waarbij de goddelozen de overhand hadden en hun eigen wil deden en de voorwerpen van de liefde van de Heer lieten lijden, nooit de dag van de Heer zijn. Zou dat Zijn dag zijn? De apostel gebruikt dit niet als een rechtstreeks argument, maar hij plaatst eenvoudig de feiten in het juiste licht, zodat heel het gebruik dat de vijand daarvan maakte vanzelf z’n betekenis verloor.
Dit was de eenvoudige waarheid, die het duidelijke en vanzelfsprekende karakter van de feiten bepaalde. Als God de zaak in handen zou nemen, zou Hij verdrukking vergelden aan hen die Zijn kinderen verdrukten, terwijl de Zijnen rust zouden hebben (verzen 6-7). Het moment waarop ze in deze rust zouden ingaan is hier helemaal niet het onderwerp. Het gaat om het contrast tussen hun toenmalige toestand en hoe die zou zijn als Jezus gekomen was. Hij kwam niet om de Zijnen te vervolgen en te bedreigen. Op Zijn dag zouden zij rust hebben, terwijl de goddelozen in benauwdheid zouden zijn. Want Hij kwam om het oordeel over de goddelozen te brengen, door hen voor eeuwig te verdrijven van Zijn aangezicht en van de heerlijkheid van Zijn tegenwoordigheid (verzen 8-9). Als we begrijpen dat de Thessalonikers ertoe bewogen waren te geloven, dat de dag van de Heer al gekomen was, wordt de betekenis van dit eerste hoofdstuk heel duidelijk.
Er worden hier twee beginselen vastgesteld. In de eerste plaats het rechtvaardige oordeel van God: het is rechtvaardig in Zijn ogen om enerzijds degenen die voor Zijn koninkrijk lijden te belonen, en anderzijds degenen die Zijn kinderen vervolgen verdrukking te vergelden. In de tweede plaats de heerlijke openbaring van de Heer Jezus: de Zijnen zouden in vrede en blijdschap met Hem zijn, als Hij Zijn macht zou uitoefenen.
We vinden hier ook twee redenen voor het oordeel: zij kenden God niet en zij waren niet gehoorzaam aan het evangelie van onze Heer Jezus Christus. Allen waren zonder verontschuldiging wat betrof het getuigenis dat God altijd van Zichzelf gegeven had, maar sommigen hadden niet alleen hun natuurlijke betrekking met God misbruikt en Zijn Majesteit uit het oog verloren, maar bovendien de uitdrukkelijke openbaring van Zijn genade in het evangelie van Christus verworpen.
Verder stelt de apostel het zegenrijke resultaat voor van de openbaring van Jezus in heerlijkheid. Hij zal komen om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die geloofd hebben, en dus ook in de Thessalonikers (vers 10). Dat was in elk geval een heel duidelijk bewijs dat de toestand van vervolging waarin ze waren, geen aanwijzing was voor de gedachte dat de dag al gekomen was. Zo werd er, wat henzelf betreft, definitief een eind gemaakt aan de verwarring en de onrust die de vijand probeerde te zaaien. Hun harten werden van de dwaling verlost en tot rust gebracht, en in die toestand kon de apostel dit onderwerp nu met hen behandelen.
Deze overwegingen kenmerkten zijn gebeden voor hen. Hij bad God altijd dat ze de roeping waardig zouden zijn en dat de Heer in hen verheerlijkt zou worden door de kracht van het geloof, dat door de vervolging des te helderder zou stralen; en dat zij later in Hem verheerlijkt zouden worden bij de openbaring van Zijn heerlijkheid, naar de genade van God en van de Heer Jezus Christus (verzen 11-12).
Hoofdstuk 2
Nadat de apostel hen zo bevestigd heeft in de waarheid, gaat hij in op de dwaling en laat hij zien wat de aanleiding was voor zijn opmerkingen. We hebben hier al over gesproken. Als hij deze dwaling hier weerlegt en hen beschermt tegen de listen van verleiders, plaatst hij alles in het juiste licht door zich te beroepen op de kostbare waarheden waarover hij al gesproken had. Hun bijeenvergadering tot Christus in de lucht was een bewijs dat het onmogelijk was, dat de dag van de Heer al gekomen was (verzen 1-2).
Maar hij noemt hiervoor nog een argument. In de eerste plaats kon de dag nog niet gekomen zijn, omdat de gelovigen nog niet verenigd waren met de Heer, waarna zij met Hem zouden komen. Maar in de tweede plaats was de wetteloze, die dan geoordeeld zou worden, nog niet geopenbaard. Het oordeel kon dus nog niet worden uitgeoefend. De apostel had de Thessalonikers al onderwezen over deze wetteloze, toen hij nog bij hen was (vers 5). En in de eerste brief had hij hen onderwezen over de opname van de gemeente. De Heer zou pas ten oordeel komen als de wetteloosheid haar hoogtepunt bereikt had en de opstand tegen God zich openlijk geopenbaard had. Maar de andere, meer kostbare kant van de waarheid was deze: vóórdat Hij Zichzelf in heerlijkheid kon openbaren aan hen die buiten waren, moesten de heiligen in dezelfde positie als Hij zijn en met Hem verenigd zijn.
Maar deze waarheden vereisen een nader onderzoek. Hun bijeenvergadering tot Christus vóór de openbaring was een waarheid die de Thessalonikers kenden. Dit wordt hier niet geopenbaard, maar als argument gebruikt. De Heer Jezus kwam, maar het was onmogelijk dat Hij Zijn gemeente niet bij Zich zou hebben in de heerlijkheid. Inderdaad zou de Koning Zijn weerspannige onderdanen oordelen, maar daarvóór zou Hij de getrouwen tot Zich nemen, om hen met Zich mee te brengen en openlijk te eren te midden van de weerspannigen. Maar de apostel spreekt hier alleen over de opname zelf en hij bidt de broeders alleen op grond van die waarheid, zich niet in hun gemoed te laten schokken of verschrikken, alsof de dag van de Heer er al zou zijn. Wat een zekere waarheid moet dit voor de gelovigen geweest zijn, aangezien de apostel zich erop kon beroepen als een bekend feit waarop het hart kon vertrouwen! De relatie van de gemeente met Christus toonde de dwaasheid aan van de gedachte, dat de dag al gekomen was. De gemeente was noodzakelijk in dezelfde positie als Christus.
In de tweede plaats brengt de apostel het al bekende feit naar voren, dat éérst de afval moest komen en de mens der zonde geopenbaard moest worden (vers 3). Wat een ernstige waarheid! Alles neemt z’n loop. De vormen en de belijdenis van het christendom zijn lang bewaard gebleven, hoewel ware christenen niet erkend zijn. Maar nu zou er een openlijke verloochening van het geloof plaatsvinden, een afval. De ware christenen zouden hun plaats dan in de hemel hebben. Maar bovendien zou er een persoon zijn, die het zondige karakter van de mens zonder God ten volle zou tentoonspreiden. Dit is de mens der zonde, die zijn eigen wil doet; hij is de volle openbaring van wat Adam deed. Aangespoord door de vijand, verzet hij zichzelf tegen God; het is openlijke vijandschap tegen God. Hij verheft zichzelf tegen al wat God heet en matigt zichzelf de plaats van God aan in Diens tempel (vers 4). Er is dus de afval, de openlijke verloochening van het christendom in het algemeen, en een afzonderlijke persoon die zelf de belichaming is van het verzet tegen God en van de beginselen van de wetteloosheid.
We zien hier ook dat het karakter van de wetteloze godsdienstig is, of beter antigodsdienstig. De apostel spreekt niet over een wereldlijke macht, hoe groot de wetteloosheid van de wereld ook mag zijn. De mens der zonde neemt een religieus karakter aan. Hij verheft zichzelf tegen de ware God, maar hij gaat zitten in Diens tempel en vertoont zichzelf dat hij God is (in 2 Thessalonika 2:4 moeten de woorden ‘als God’ vóór ‘zitten’ wegvallen). De sfeer van dit alles is duidelijk aards. Het is geen god voor het geloof; hij vertoont zichzelf als een god voor de aarde. De belijdenis van het christendom is dan afgeschaft en de zonde is het grote kenmerk van een individu, een mens die de volle openbaring is van de afvalligheid van de menselijke natuur en die als mens zijn onafhankelijkheid van God proclameert. Het beginsel van de zonde van de mens is zijn eigenwil. De wetteloze komt voort, zoals we al hebben gezien, uit de verwerping van het christendom. In dit opzicht bereikt het kwaad ook z’n hoogtepunt. Deze mens der zonde verheft zichzelf boven God en hij daagt de God van Israël uit, doordat hij als God in de tempel van God gaat zitten. Dit laatste kenmerk geeft zijn formele karakter aan. Hij staat op tegen God door zichzelf openlijk in deze positie te plaatsen en zichzelf als God te vertonen in de tempel van God. Het is dan ook de God van Israël die wraak op hem zal nemen.
Zowel de verwerping van het christendom als van het jodendom, alsook van de natuurlijke erkenning van God krijgt in deze wetteloze gestalte. Hij neemt als mens hier op aarde een plaats van zelfverheffing en van verzet tegen God in, in ’t bijzonder doordat hij de plaats en de eer van God, de God van Israël, voor zichzelf opeist. Want de mens heeft een god, een voorwerp van aanbidding nodig. In 1 Johannes 2 vinden we het tweevoudige karakter van de antichrist ten aanzien van de verwerping van het christendom en van het jodendom. Hij loochent de Vader en de Zoon; dat is de verwerping van het christendom. Verder loochent hij dat Jezus de Christus is; dat is het joodse ongeloof. Hier in 2 Thessalonika 2 zien we, dat zijn kracht bestaat uit de werking van satan. Als mens vertoont hij zichzelf, dat hij Gód is. Zijn goddeloosheid is dus in elk opzicht duidelijk. En aangezien het een zaak is die meer een aards karakter draagt, wordt hij ook geoordeeld door de God van de aarde, die bovendien de Mens uit de hemel is.
Deze verzen stellen de wetteloze dus voor in verbinding met de mens en de verschillende relaties waarin de mens ten opzichte van God gestaan heeft. In al die relaties blijkt hij afvallig te zijn, en dan neemt hij de plaats van God Zelf in (het eerste doel van de eerzucht van de mens, evenals het bereiken ervan ook de suggestie van satan was!). Vanaf vers 6 zien we niet de toestand van afval zelf in verbinding met de verschillende posities waarin God de mens geplaatst heeft, maar eenvoudig de mens in zijn ongebondenheid en het werk van satan. De mens is alleen nog maar het werktuig van de macht van de vijand.
De mens die vervuld is met de kracht van satan is het tegenbeeld van de Mens in Wie de volheid van de Godheid woont, de Heer Jezus. Eerst zagen we de mens in zijn zonde God verlaten en zichzelf verheffen. Maar hier zien we onbeperkt verzet tegen God van de kant van de mens, geïnspireerd door satan zelf. Daarom vinden we hem hier niet als de mens der zonde, maar als de wetteloze, de teugelloze. Het beginsel is hetzelfde, want “de zonde is de wetteloosheid” (zie de opmerkingen bij 1 Johannes 3:4). Maar in het eerste geval wordt de mens gezien in zijn afwijking van God en in zijn schuld, terwijl hij in het tweede niemand buiten zichzelf erkent.
Er is echter nog steeds een barrière geweest voor deze laatste toestand, waarin alle beteugeling zal zijn weggenomen. De apostel had de Thessalonikers al verteld van de afval en de openbaring van de mens der zonde. Nu zegt hij dat ze de belemmering kenden, die zijn openbaring voor de bepaalde tijd weerhield. Hij zegt niet dat hij hun dit verteld had, maar eenvoudig dat ze het moesten weten. Omdat het karakter van de wetteloze bekend was, was het ook duidelijk wat de barrière was. De hoofdzaak is hier dat het een weerhoudende kracht was. Het beginsel van het kwaad was al werkzaam; alleen een barrière weerhield de ontplooiing ervan. Als het kwaad tot ontwikkeling zou zijn gekomen, zou het het karakter dragen van ongebreidelde eigenwil, die zichzelf verhief en verzette tegen God 2.
Als ongebreidelde eigenwil dus het beginsel van het kwaad is, wordt de barrière gevormd door dat wat deze wil beteugelt. Welnu, hij verheft zich boven al wat God heet of een voorwerp van verering is. Wat hem dus tegenhoudt, is de macht van God die werkzaam is door middel van het overheidsgezag dat Hij hier op aarde heeft ingesteld. Zelfs het grootste misbruik van macht draagt nog dit karakter. Christus kon tegen Pilatus zeggen: “U zou geen enkele macht tegen Mij hebben, als het u niet van boven was gegeven” (Johannes 19:11). Hoe slecht Pilatus ook was, toch erkende Christus dat zijn macht van God kwam. En hoewel de mensen de Zoon van God verworpen en gekruisigd hadden, zodat hun ongerechtigheid kennelijk het hoogtepunt bereikt had, was de weerhoudende kracht nog ten volle aanwezig.
Later zond God Zijn Geest om de gemeente uit deze wereld te vergaderen. En hoewel de verborgenheid van de wetteloosheid onmiddellijk begon te werken, doordat de menselijke eigenwil zich vermengde met het dienen van God door de Geest, had God altijd (en nog steeds) de voorwerpen van Zijn liefhebbende zorg op aarde. De Heilige Geest was hier beneden en de gemeente (hoe haar toestand ook mocht zijn) was nog op aarde; en God handhaafde de weerhoudende kracht. Evenals Hij als de Deurwachter de deur voor Jezus geopend had ondanks alle belemmeringen, zo draagt Hij nu alle dingen, hoe groot de kracht en de voortgang van het kwaad ook mag zijn. Het kwaad wordt beteugeld; God is de Oorsprong van het gezag op aarde.
Maar de weerhoudende kracht zal worden weggenomen. Als de gemeente (als bestaande uit de ware leden van Christus) is opgenomen en de Heilige Geest dus niet meer als de Trooster hier beneden woont, dan vindt de afval plaats 3. Dan is de tijd gekomen om de belemmering uit de weg te nemen. Het kwaad krijgt dan vrij spel en neemt ten slotte (zonder dat er gezegd wordt hoeveel tijd daarvoor nodig zal zijn) een definitieve vorm aan in de leider ervan. Openbaring 17 zegt ons dat het Romeinse beest uit de afgrond opstijgt; niet God maar satan geeft hem zijn macht. En in het tweede beest woont al de kracht van satan; dit is de mens der zonde waar het in 2 Thessalonika 2 om gaat. Het gaat hier niet om uiterlijke en wereldlijke macht, maar om de religieuze kant van satans macht.
Wat de afzonderlijke werktuigen betreft die de weerhoudende kracht vormen: deze kunnen elk moment wisselen en het was niet het doel van de Heilige Geest ze te noemen. Degenen die er deel van vormden toen deze brief geschreven werd, zijn dat nu niet meer. Het noemen daarvan zou niet van nut geweest zijn voor ons in deze tijd. Maar het doel van de Geest was: te verklaren dat het kwaad dat geoordeeld zou worden al werkzaam was, dat er geen remedie voor was en dat alleen een belemmering van Godswege de volle openbaring ervan verhinderde. Dit is een beginsel van het hoogste belang ten aanzien van de geschiedenis van het christendom. Welke vorm de afval van de mensen die de genade zouden verloochenen ook mocht aannemen, hij zou noodzakelijkerwijs ernstiger zijn dan enige andere afval. Het is verzet tegen de Heer; het draagt het karakter van tegenstand. Hier komt het andere beginsel van de menselijke verdorvenheid naar voren, maar dit is de bron van het verderf. Het is de verwerping van de goedertierenheid; het is rechtstreekse vijandschap.
“Wat tegenhoudt” is in het algemeen een werktuig, een middel dat de openbaring van de mens der zonde, de wetteloze, verhindert. Zolang de gemeente op aarde is, kan de bewering God te zijn in Zijn tempel geen opgeld doen of in elk geval geen invloed hebben. Satan werkt nu door middel van de verborgenheid van de wetteloosheid. Maar als iemand openlijk de plaats van God inneemt in Zijn tempel kan er niet langer sprake zijn van een verborgenheid. “Wat tegenhoudt” is dus nog steeds aanwezig. Maar er is ook een Persoon die werkzaam is om deze barrière in stand te houden, “Hij die tegenhoudt”. Hier geloof ik inderdaad dat we moeten denken aan God in de Persoon van de Heilige Geest, die het kwaad beteugelt en het Goddelijke gezag in de wereld in stand houdt in de tijd die de Openbaring aanduidt met de woorden “hetgeen is” (Openbaring 1:19). Zolang deze periode duurt, kan de onbeperkte openbaring van het kwaad niet plaatsvinden.
Daarom twijfel ik er niet aan dat de opname van de gelovigen de reden is van het wegnemen van de weerhoudende kracht en het loslaten van alle beteugeling, hoewel sommige wegen van God al openbaar worden voor de volle ontplooiing van het kwaad. Deze gedachte berust niet alleen maar op grote beginselen. Dit gedeelte reikt ons zelf gegevens aan, die tonen hoe de toestand is als de macht van het kwaad zichzelf openbaart:
- De afval heeft dan al plaatsgehad. Dit kon moeilijk gezegd worden als het getuigenis van de gemeente nog aanwezig was, zoals in het verleden of zelfs nog duidelijker nu, voor zover het verlost is van alle verkeerde en verderfelijke elementen.
- Het gezag zoals het door God is ingesteld en de wil van de mens beteugelt namens God, is van het toneel verdwenen. Want de wetteloze verheft zichzelf tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, en vertoont zichzelf als God in de tempel van God. Vergelijk Psalm 82 waar God te midden van de goden (de rechters) staat, om hen te oordelen voordat Hij de naties beërft. Vóór dat ernstige uur waarin God de rechters van de aarde zal oordelen, zal deze wetteloze, die alle gezag veracht dat van Hem afkomstig is, zichzelf als God opwerpen (en dat op de aarde, waar het oordeel geopenbaard zal worden).
- In plaats van de Heilige Geest en de openbaring van Zijn macht op aarde, vinden we de macht van satan; en dat met precies dezelfde bewijzen die het getuigenis van de Persoon van Christus staafden.
De gedachten die we geprobeerd hebben uiteen te zetten, zowel ten aanzien van de mens als van de vijand, worden dus volledig bevestigd door deze punten die dit hoofdstuk zelf opsomt. De gemeente, de door God op aarde verordineerde machten, de tegenwoordigheid van de Heilige Geest hier beneden als de Trooster en de Plaatsvervanger van Christus: dit alles heeft (wat betreft de openbaring van de regering en het werk van God) plaatsgemaakt voor de eigenwillige, ongebreidelde mens en voor de macht van de vijand. Als we dit zeggen, spreken we over het terrein van deze profetie, die bovendien betrekking heeft op het gebied van het openbare getuigenis van God op aarde.
We zien hier de mens dus heel duidelijk in zijn eigen natuur, zoals die zichzelf getoond heeft door God te verlaten, in de volle openbaring van zijn eigen wil in opstand tegen God: de eigenwillige mens die naar voren gekomen is als gevolg van de afval van de positie van genade waarin de gemeente stond en de verachting van alle regeringsgezag van God op aarde. En aangezien de eigenlijke zetel van dat gezag in Judea geweest was, is dat ook de plaats van deze openbaring van de geest van opstand van de mens, die zichzelf boven alles verheft maar die niet hemels kan zijn (de mens heeft alle aanspraak op de hemel dan opgegeven, en satan heeft die verloren). Deze openbaring van verachting voor het gezag van God en van de geest van opstand tegen God vindt plaats doordat de mens daar de plaats van God inneemt in Zijn tempel, en dat als de uiterste vorm van joodse afval en godslastering. Tegelijkertijd werkt satan; God laat hem de vrije teugel. De kracht waarmee hij werkt, is de kracht van de leugen, die voor de mensen hetzelfde getuigenis verspreidt dat Christus als Heiland gaf door middel van de werken die Hij deed. Dit gebeurt ook met al de verleidende kracht die de ongerechtigheid eigen is. Satan werkt deze dingen in de mens der zonde, de wetteloze.
Bij de behandeling van het boek Openbaring zullen we, zo God wil, dit ernstige toneel verder overdenken. We kunnen er nu nog aan toevoegen, dat we deze wetteloze daar als de valse Messias en als profeet zien in de vorm van zijn rijk: hij heeft twee horens als die van het Lam. Satan is dan uit de hemel geworpen waar hij als antipriester was opgetreden, en gaat zich bezighouden met de titels van Christus op aarde als koning en profeet. In Daniël 11:36 zien we de antichrist als de koning. Hier in 2 Thessalonika 2 als de ongebreidelde mens, en in ’t bijzonder als voortkomend uit de afval en als de openbaring van de macht van satan. Om het samen te vatten: in plaats van de gemeente vinden we de afval; in plaats van de Heilige Geest de satan; en in plaats van het gezag als beteugeling van het kwaad de ongebreidelde mens die zichzelf als God opwerpt op aarde 4.
Een andere bijzonderheid, die we zojuist noemden, vraagt onze speciale aandacht. Ik heb gezegd dat de antichrist zichzelf voorstelt als de Messias, namelijk in Zijn aardse karakters als koning en profeet. Tot dan toe had satan zelf in de hemel een andere rol gespeeld, namelijk als de aanklager van de broeders. Maar op het ogenblik waarover we nu spreken, is de aanklager van de broeders voorgoed uit de hemel geworpen. Hij heeft er geen enkele plaats meer; hij is neergeworpen op de aarde. Er is dus geen imitatie van het hogepriesterschap van de Heer. Maar op aarde werpt hij zich op tot profeet en koning in een man die door hem geïnspireerd wordt. En in dit karakter doet hij (in leugen) dezelfde dingen die de Goddelijke zending van Christus bevestigden voor de mensen. Vergelijk vers 9 met Handelingen 2:22. In het Grieks zijn de woorden hetzelfde; alleen staat het woord voor “kracht” in Handelingen 2 in het meervoud.
Om dit beeld volledig te maken, wil ik nog herinneren aan een ander ernstig feit dat we vinden in de geschiedenis van Elia. De vraag wie er God is, Baal of Jahweh, wordt beslist door het doen neerdalen door hun respectieve dienstknechten van vuur uit de hemel. Welnu, in Openbaring 13 zien we dat het tweede beest vuur uit de hemel doet neerdalen ten aanschouwen van de mensen. Daar zien we dus het teken dat bewees, dat Jahweh de ene ware God was; terwijl we hier in 2 Thessalonika 2 de wonderbare werken vinden, die de zending van de Heer bekrachtigden. Satan zal deze beide dingen werken om de mensen te verleiden.
Dit geeft ons een indruk van de toestand waarin de mensen zullen zijn; en het geeft ook aan dat deze dingen in verbinding met de joden zullen plaatsvinden, vanuit het tweevoudige oogpunt van hun relatie met Jahweh en hun verwerping van Christus en aanneming van de antichrist. Zo vinden we hier, God zij dank, een overduidelijke bevestiging van het feit dat deze dingen niet op de gemeente betrekking hebben, maar op hen die de waarheid verworpen hebben nadat ze in de gelegenheid geweest waren ze aan te nemen. Het gaat hier ook niet om heidenen, maar alleen om hen onder wie de waarheid bekend gemaakt was. Ze hebben de waarheid niet geloofd, maar een welgevallen gehad in de ongerechtigheid (verzen 10-12) 5.
Ze hebben de waarheid afgewezen en daarom zendt God hun een leugen, een werkzame leugen, om die te geloven (vers 11). God doet dit als een oordeel. Zo heeft Hij het ook met de volken gedaan (Romeinen 1:24, 26,28); en eveneens met de joden (Jesaja 6:9-10). Hier doet Hij het met naamchristenen. Het heeft echter ook betrekking op de joden als een volk dat de waarheid verworpen heeft, het getuigenis van de Heilige Geest (Handelingen 7), maar nog meer op naamchristenen; kortom op allen aan wie de waarheid is voorgesteld. Bij naamchristenen draagt dit noodzakelijkerwijs het karakter van afval, of is het in elk geval daarmee verbonden en is het een gevolg van deze afval; zoals vers 3 ons leert: de afval vindt plaats en dan wordt de mens der zonde geopenbaard.
In verbinding met zijn karakter als de mens der zonde neemt de antichrist zonder terughoudendheid plaats in de tempel van God en vertoont hij zichzelf, dat hij God is 6. Met betrekking tot de kracht van de leugen en het verleidende werk van satan doet hij zich voor als de Christus – hij is de antichrist – en neemt hij dus een joods karakter aan. Hij is niet alleen de volle openbaring van de menselijke trots die zichzelf tegen God verheft, maar ook van de macht van satan in de mens ter verleiding van de mensen en speciaal van de joden door middel van een valse Christus, om zo mogelijk zelfs de uitverkorenen te misleiden. We kunnen opmerken dat al deze kenmerken precies het tegendeel van hét karakter van Christus vormen: leugen in plaats van waarheid; ongerechtigheid in plaats van gerechtigheid; verderf in plaats van behoud.
Aan deze kracht van leugen en verderf zal de mens, die het christendom verworpen en zichzelf in zijn trots tegen God verheven heeft, worden overgegeven. De afval, dat wil zeggen de verloochening van het christendom, zal de aanleiding vormen tot dit kwaad; en Judea en de joden het toneel waarop het duidelijk tot rijpheid en ontplooiing komt. De antichrist zal de Vader en de Zoon loochenen, dus het christendom, en hij zal loochenen dat Jezus de Christus is (dat is het joodse ongeloof). Terwijl hij al de last draagt van de zonde tegen het christendom, de genade en de tegenwoordigheid van de Heilige Geest, zoekt hij aansluiting bij het joodse ongeloof, om zo niet alleen de volle openbaring van de menselijke trots te vormen, maar ook voor een tijd de satanische invloed van een valse Christus uit te oefenen. Hij zal de troon van satan onder de volken bevestigen, de troon van het eerste beest waaraan satan gezag gegeven heeft, terwijl hij daarnaast zijn eigen ondergeschikte troon onder de joden heeft als de lang verwachte Messias die ze in hun ongeloof zullen aannemen. Bovendien zal hij ook de afgoderij invoeren; de onreine geest die sinds lange tijd uit het huis verdreven was, zal daarheen terugkeren omdat het leeg en zonder God is.
Wat de vernietiging van de antichrist betreft: daarover zegt vers 8, dat de Heer Jezus hem zal verteren door de adem van Zijn mond en vernietigen door de verschijning van Zijn komst. Het eerste, het verteren door de adem van Zijn mond, kenmerkt het oordeel. Het is het woord der waarheid, toegepast om te oordelen met Goddelijke kracht. Openbaring 19 zegt dat het zwaard uit Zijn mond uitgaat. Maar hier wordt Hij niet voorgesteld in het karakter van een oorlogsheld, zoals in Openbaring 19. De adem van Zijn mond is de innerlijke en Goddelijke kracht, die het oordeel doet ontbranden en doet uitvoeren. Het is geen instrument, maar de Goddelijke bron van kracht die z’n doel ten uitvoer brengt door een woord (vergelijk Jesaja 30:33).
Maar dit oordeel heeft nog een ander aspect. De Heer, de Mens Jezus Christus, zal terugkomen. Zijn wederkomst bestaat uit twee onderdelen: Zijn komst in de lucht om de gemeente tot Zich te nemen, en Zijn openlijke verschijning in heerlijkheid. In vers 1 hebben we over Zijn komst en onze bijeenvergadering tot Hem gelezen; hier in vers 8 vinden we Zijn openbaring op aarde. Bij deze openlijke verschijning van Zijn komst vernietigt Hij al het werk en al de macht van de wetteloze. De wetteloze mens die zichzelf boven alles verheft en zichzelf tot God maakt, in plaats van aan God onderworpen te zijn, wordt vernietigd door de Mens die Zichzelf eerst op aarde vernederd heeft en gehoorzaam geworden is tot de dood en die daarna door God verheerlijkt is en aller Heer geworden is.
Door satans invloed was dit antichristelijke kwaad al werkzaam in de tijd van de apostel. Het werd alleen beteugeld en tegengehouden, totdat de weerhoudende kracht niet langer aanwezig zou zijn. Dan zou de wetteloze geopenbaard worden. Kortom, de wegneming van de gemeente en de komst van de afval waren eerst nodig; en dan zou deze mens zichzelf openbaren als een ongelovige jood en zou de macht van satan in hem tentoongespreid worden. Ik zeg niet dat zijn eerste optreden in verband staat met de afval van het jodendom; dat denk ik niet. Hij zal zichzelf eerst aan de joden voorstellen als de Christus, maar overeenkomstig hun menselijke verlangens en verwachtingen. Maar naderhand zal er ook een afval van het jodendom plaatsvinden, zoals dat in de dagen van de Maccabeeën gedeeltelijk al het geval geweest was (een feit dat de Geest in Daniël 11 gebruikt als een beeld, een voorvervulling van de tijd van de antichrist). Vanaf zijn eerste optreden zal hij echter een ongelovige en een vijand van God zijn, een afvallige ten aanzien van de gemeente en een loochenaar van de waarheid dat Jezus de Christus is 7.
De verleidende werking van satan was echter bestemd voor hen die de waarheid verworpen hadden. Over de Thessalonikers – aan wie hij deze uitleg gegeven had over de dag, waarvan zij ten onrechte meenden dat die al gekomen was – had de apostel heel andere gedachten. God had deze “door [de] Heer geliefde broeders” van het begin af verkoren tot behoudenis, in heiliging van de Geest en geloof van de waarheid, waartoe Hij hen door het evangelie van Paulus (en dat van zijn metgezellen) geroepen had, en tot het verkrijgen van de heerlijkheid van de Heer Jezus (verzen 13-14). Dat was heel wat anders dan de bezoekingen van de dag van de Heer en de omstandigheden waarover de apostel zojuist gesproken had! Zij behoorden tot het getal van hen die op die dag de metgezellen van de Heer Jezus Zelf zouden zijn!
De vermaningen van de apostel bevatten hier niets wat onze bijzondere aandacht vraagt. Het ging hem vooral om de uitleg – die we overdacht hebben – over de dag van de Heer. Hij bidt dat de Heer Jezus Zelf en God, die hun de zekere en eeuwige vertroostingen van het evangelie gegeven hadden, hun harten zouden vertroosten en hen zouden versterken in alle goed werk en woord (verzen 15-17).
Hoofdstuk 3
De apostel vraagt de gelovigen te bidden voor de voortgang van zijn werk. Hij kon niet anders verwachten dan dat de mensen onredelijk en vol vijandschap zouden zijn, want het geloof was niet het deel van allen. Deze zaak gaf slechts aanleiding tot de beschermende hand van God. In dit opzicht rekende hij ook wat de Thessalonikers betrof op de trouw van de Heer. Hij vertrouwde eveneens op hun gehoorzaamheid, terwijl hij bad of de Heer hun harten zou richten tot de liefde van God en tot de volharding van Christus (verzen 1-5).
Over deze twee laatste punten – de liefde van God en de geduldige volharding waarmee Christus wachtte – hebben we al gesproken toen we de eerste brief bestudeerden. Hierin ligt het hele christelijke leven besloten in verbinding met de beide Voorwerpen ervan, de morele drijfveren van het leven. Christus Zelf wachtte – heerlijke gedachte! Zij moesten met Hem wachten, tot het ogenblik waarop Zijn hart en de harten van al de Zijnen zich samen zouden verblijden in hun ontmoeting. Dat was wat ze nodig hadden. Want aan de ene kant hadden ze geloofd dat de gestorven gelovigen niet gereed zouden zijn om de Heer te gaan ontmoeten, en aan de andere kant hadden ze gemeend dat de dag van de Heer al gekomen was. Het genot van de liefde van God en vrede van het hart in de verwachting van Christus was noodzakelijk voor hen.
Deze onrust waarin ze gebracht waren, bleek ook uit het feit dat sommigen onder hen hun normale werk verwaarloosden. Deze mensen werkten niet, maar bemoeiden zich met allerlei dingen van anderen. De apostel had hun een heel ander voorbeeld gegeven. Hij vermaant hen beslist te zijn en zich te onttrekken aan hen die niet naar zijn waarschuwingen wilden luisteren en ongeregeld en lui bleven wandelen, hoewel ze hen niet als vijanden moesten behandelen maar als broeders moesten vermanen (verzen 6-15).
Het is duidelijk dat we hier niet meer dezelfde openbaring vinden van de kracht van de gemeenschap en van het leven, zoals we die in de eerste brief zien. Vergelijk vers 16 met 1 Thessalonika 5:23. Toch was de Heer nog steeds de Heer van de vrede. Maar de schoonheid van die volkomen toewijding aan God, die op de dag van Christus zou stralen, staat de apostel niet zo voor de geest als in zijn eerste brief. Hij bidt echter voor hen dat ze vrede mochten hebben, altijd en op allerlei manieren.
Ten slotte wijst de apostel op de manier waarop hij de gelovigen verzekerde van de echtheid van zijn brieven. Met uitzondering van de brief aan de Galaten gebruikte hij andere personen om ze te schrijven, maar hij ondertekende ze eigenhandig om de inhoud ervan voor de gemeente te waarmerken, terwijl hij het gebed of de zegen eraan toevoegde.
EINDE 2e BRIEF AAN THESSALONIKA
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 7.8
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- Geen paniek (1 en 2 Thess.), J.Ph. Buddingh
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten:
1 Maar in 1 Thessalonika 1 zegt hij dat hij niet over hen hoefde te spreken, omdat de wereld zelf overal sprak van de beginselen die hen beheersten. Een soortgelijk verschil zullen we de hele brief door opmerken. Het is niet meer dezelfde frisse kracht van het leven, die hen in de eerste brief kenmerkte.
2 Let op dit punt (vers 7). In de tijd van de apostel was alles al zover; het werd alleen beteugeld. Zo stond ook Christus gereed om te oordelen. Het is alleen de lankmoedigheid van God die wacht, zolang het de aangename tijd is.
3 Het beginsel hiervan kan in het persoonlijk vlak al in grote mate werkzaam zijn; 1 Johannes 2 toont het begin ervan. Maar de openlijke algemene afval was toekomstig. Terwijl Judas het binnensluipen laat zien om verderf te veroorzaken, toont Johannes het uitgaan wat de antichrist kenmerkt.
4 We hebben al opgemerkt, dat de afval zich openbaart in drie vormen. Namelijk in de drie relaties waarin de mens met God gestaan heeft: de natuurlijke – het is de ongebreidelde mens der zonde die zichzelf verheft; de joodse – hij zit als God in de tempel van God; de christelijke – hierop is de uitdrukking “de afval” rechtstreeks van toepassing in het gedeelte dat we voor ons hebben.
5 Ik kan hier alleen terloops ingaan op het verband tussen de loochening van het christendom en de openbaring van het afvallige jodendom. Wat ze verenigt, is de verloochening van de Vader en de Zoon enerzijds en de verwerping van de ware Christus anderzijds. Dit zijn de kenmerken die in 1 Johannes als karakteristiek voor de antichrist genoemd worden. Maar hoe meer we het Woord onderzoeken, des te meer zullen we (misschien met verbazing) de bevestiging van dit feit zien. Bovendien zijn de terugkeer tot judaïsme en de neiging tot afgoderij door het invoeren van andere middelaars en beschermheiligen, en het uit het oog verliezen van ons één zijn met het Hoofd en daardoor van de volmaaktheid die we in Hem bezitten en van de verlossing van de wet die in Christus ons deel is, te allen tijde de kenmerken van de verborgenheid van de wetteloosheid en van het beginsel van afval geweest. De apostel had dit al voortdurend te bestrijden. Wat we nu bespreken, is alleen de volle openbaring hiervan.
6 Dit is het hoogtepunt in zijn openbaring als een afvallige die de genade verloochend heeft. Vanaf vers 9 zien we duidelijk zijn bedrieglijke activiteit waardoor hij mensen probeert te winnen. Dit verklaart de mengeling (die bovendien in ’t algemeen bestaat) van atheïsme, wat de wil betreft, en bijgeloof.
7 Johannes leert ons heel duidelijk, dat de verwerping van het christendom en het joodse ongeloof verenigd zijn in de antichrist. Kennelijk gaat de afval ten aanzien van het christendom samen met het joodse ongeloof; en is de joodse afval naderhand verbonden met openlijke opstand tegen God, wat aanleiding geeft tot de roep van het overblijfsel en de komst van de Heer om aan dat alles een eind te maken. Nu geeft de apostel hier in 2 Thessalonika 2 een volledig beeld van de zonde van de mens, zoals die aan het licht komt als de afval van de genade van het evangelie heeft plaatsgevonden: de mens gaat zover in zijn zelfverheffing, dat hij zichzelf tot God maakt. Maar hierbij gaat hij niet in op de joodse kant van deze zaak of op de openbaring van de macht van satan. De verzen 3-4 tonen ons de mens der zonde als het resultaat van de afval die te midden van het christendom zal plaatsvinden. Vanaf vers 9 krijgen we dan het aanvullende onderwijs, dat de komst van deze wetteloze ook rechtstreeks verband houdt met een machtige openbaring van de kracht van satan. Hij doet zijn verleidende werk door middel van wonderbare tekenen en een krachtige werking van de dwaling waaraan God de mensen overgeeft; hierover hebben we al gesproken. We vinden hier dus de mens en satan, met voldoende aanwijzingen voor het verband met het jodendom in de laatste dagen (evenals de verborgenheid van de wetteloosheid ook met het jodendom verbonden was in de dagen van de apostel). Maar het is hier niet de plaats om de joodse ontwikkeling van het kwaad in detail uiteen te zetten; die bijzonderheden vinden we in andere Bijbelboeken, zoals in Daniël, waar ze thuishoren. De Openbaring en 1 Johannes stellen ons in staat er verband tussen te leggen; we kunnen hier alleen terloops op dit verband wijzen.