30. Daniël
30. Daniël · uit de ‘Synopsis’ deel 4 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Inleiding
In het boek Ezechiël zagen wij Gods regering op aarde, in verbinding met Israël, op uitvoerige wijze ontwikkeld. Hetzij in de veroordeling van de zonde, die het oordeel over het volk bracht, hetzij in hun herstel onder de heerschappij van Christus, de Spruit, Die uit het huis van David zou voortkomen en Die zelfs in Ezechiël de naam van “David” draagt als de ware Geliefde van God. Ten slotte werd ons de beschrijving van de tempel met zijn gehele inrichting gegeven.
We zagen hoe Nebukadnezar, het hoofd van de volken, als dienstknecht van Jahweh (hoofdstuk 29:20 en 30:24) voorgesteld wordt om het zondige Israël, dat boosaardig, opstandig en zelfs afvallig was geworden en valse goden aanbad, te oordelen. Maar Israël was het goddelijk middelpunt geweest van een systeem van natiën, volken en talen, dat als gevolg van het oordeel over Babel was ontstaan en die nog steeds – onafhankelijk van elkaar – voor het aangezicht van God bestonden. Het volk van Israël onderscheidde zich zonder enige twijfel op duidelijke wijze van wat hen omringde, zowel als een volk, dat de ware God kende en door Hem gekend werd, als doordat de tempel en de troon van God in hun midden waren. Toch was dit volk, hoe groot de tegenstelling overigens ook mocht zijn tussen zijn toestand en die van de andere volken, een volk dat deel uitmaakte van het systeem van volken die zich voor het aangezicht van God op aarde bevonden (Deuteronomium 32:8).
Toen Nebukadnezar het oordeel van God over Israël uitvoerde, stelde hij tegelijkertijd dit systeem terzijde en verving het door de absolute en universele overheersing, die door God aan hem was verleend. Het boek Daniël nu handelt over deze nieuwe orde van zaken en haar gevolgen. Over deze overheersing van het hoofd van de volken en van de koningen van de volken in de achtereenvolgende perioden, waardoor hun geschiedenis werd gekenmerkt. En daarbij brengt het een overblijfsel van Israël naar voren, dat zich te midden van dit systeem bevindt en aan die overheersing is onderworpen. Waar de koning van Juda in de handen van het hoofd van de volken was overgeleverd, bevond het koninklijke zaad (nageslacht) zich in dezelfde positie. Het overblijfsel wordt het bijzondere voorwerp van de gedachten van God, die door Zijn Geest in dit boek worden geopenbaard.
Behalve het getuigenis, dat voor Jahweh wordt afgelegd, door het feit, dat het overblijfsel te midden van de afgodische volken getrouw is, zijn er nog twee belangrijke dingen, waardoor hun geschiedenis, zoals die in dit boek wordt ontwikkeld, wordt gekenmerkt. Het eerste is, dat de Geest van profetie en van inzicht in de wegen van God in het overblijfsel gevonden wordt. Wij hebben het begin hiervan gezien bij Samuel, toen geheel Israël had gefaald, en hoe dit voortduurde tijdens de gehele geschiedenis van dit volk onder de schaduw van het koningschap. Nu wordt de Geest van de profetie opnieuw de band van het volk met God en het enige rustpunt voor hun geloof te midden van het verderf, waarin het, door het rechtvaardige oordeel van God, was gekomen. De tweede omstandigheid, waardoor de wegen van God ten opzichte van dit overblijfsel worden gekenmerkt, is, dat het, door de zorgen van God bewaard door al de lotgevallen heen, waarin de zonde van het volk het had gebracht, zeker zal delen in wat God in overeenstemming met Zijn regering en met de getrouwheid van Zijn beloften, aan de Zijnen zal geven. We vinden deze dingen in het eerste en het laatste hoofdstuk.
Het boek bevat twee delen, die tamelijk gemakkelijk te onderscheiden zijn. Het eerste eindigt met hoofdstuk 6 en het tweede met het einde van het boek zelf. Echter hebben het eerste en het laatste hoofdstuk als inleiding en afsluiting toch een apart karakter. Hierin wordt de positie van het overblijfsel, aan wie het getuigenis van God aan het begin en aan het slot is toevertrouwd, bekend gemaakt zoals we al gezegd hebben.
De twee delen op zich hebben eveneens een tamelijk onderscheiden karakter. Het eerste toont ons het beeld van de heerschappij van de volken zelf en de verschillende posities, die zij tegenover God zou innemen, in overeenstemming met de menselijke hoogmoed, die er de drijfveer van zou zijn. Dit beeld is samengesteld uit geschiedkundige bijzonderheden, die duidelijk de geest aantonen, waardoor de heersende macht, in haar verschillende perioden, bezield zou worden; en daarna het oordeel van God. Dit gedeelte bestaat niet uit directe openbaringen aan Daniël, behalve dan met het doel Nebukadnezar zijn droom weer te kunnen geven. Het zijn de hoofden van de volken, die voor onze aandacht gesteld worden. We zien hier de algemene en uitwendige geschiedenis van de koninkrijken, die elkaar zouden opvolgen, of de verschillende en achtereenvolgende bijzonderheden waardoor ze gekenmerkt zouden worden, alsmede hun eindoordeel en vervanging door het koninkrijk van Christus. In het bijzonder het verloop van en het oordeel over dat koninkrijk, dat God Zelf had opgericht en dat al de anderen vertegenwoordigt, omdat het met dit karakter van goddelijke instelling gevestigd was. Deze anderen hebben alleen door de voorzienige zorg van God de troon geërfd, die God aan de eerste had toevertrouwd. Het was een zaak tussen God en Israël, die aanleiding gaf dit eerste koninkrijk het oppergezag in de wereld te geven. En haar vernietiging werd veroorzaakt door de geest van brutale afgodendienst en van lastering tegen de God van Israël. Hoofdstuk 6 toont ons niet de ongerechtigheid van de koning, of het moet dan zijn als iemand die onder de invloed van anderen staat. Het zijn de vorsten van het volk die willen, dat men niemand als God zal erkennen behalve de koning. Ze ondergaan dan ook zelf juist dat oordeel, dat ze over hen, die trouw waren aan de Heer, hadden willen laten komen.
Het tweede gedeelte van het boek bestaat uit mededelingen, door God aan Daniël gedaan. Het toont ons allereerst wat de hoofden van de volken met betrekking tot de aarde zou kenmerken. Vervolgens hun houding tegenover hen, die God zouden erkennen. Ten slotte de oprichting van het Goddelijk Koninkrijk in de Persoon van de Zoon des mensen; een Koninkrijk dat de heiligen zouden bezitten. Bijzonderheden over de wegen van God met Zijn volk aan het einde, worden dan in het laatste hoofdstuk gegeven. Men kan ook nog opmerken, dat hoofdstuk 7 in wezen de geschiedenis geeft van de westelijke macht en hoofdstuk 8 die van de oostelijke – de geschiedenis van de twee hoornen.
Hoewel hoofdstuk 9 in het bijzonder het zedelijk middelpunt van deze vragen betreft, namelijk Jeruzalem en het volk, heeft het juist daardoor ook betrekking op de westerse macht, die hen overheerst. In hoofdstuk 10-11 bevinden we ons opnieuw in het oosten, en aan het slot zien we dan hoe de volken die daar zijn, geoordeeld worden en hoe het overblijfsel van Israël hersteld wordt en de zegeningen zal genieten.
Laten we nu de hoofdstukken achtereenvolgens onderzoeken.
Hoofdstuk 1-2
Hoofdstuk 1. Hier vinden we het koninklijk huis van Juda, dat voorheen in de persoon van David door God over Zijn volk was gesteld, onder de macht van Nebukadnezar, en de koning, de gezalfde van Jahweh, door Jahweh in handen van het hoofd van de volken overgeleverd, aan wie God nu het gezag heeft overgedragen. De kinderen van het koninklijke zaad (nageslacht) ondergaan het lot, dat al door Jesaja 39:7 werd aangekondigd. Maar God waakt over hen en brengt hen in de gunst van hun bewakers, speciaal Daniël. De twee kenmerken van het in gevangenschap verkerende getrouwe overblijfsel komen in dit hoofdstuk duidelijk naar voren:
- Trouw aan de wil van God, verontreinigt het zich niet te midden van de volken, hoewel het ver van Zijn tempel verwijderd is.
- Als hun gebed door God verhoord is, krijgen ze inzicht.
Wat Daniël betreft (zie hoofdstuk 2) strekt zich dit inzicht zelfs uit tot het weten van wat God alleen kan openbaren en van Zijn bedoeling in deze openbaring. Zij alleen bezitten dit inzicht. Een teken van de Goddelijke gunst en een vrucht van hun getrouwheid door genade. Dit is wel in het bijzonder het geval bij Daniël, wiens besliste getrouwheid en geloof de weg van het geloof voor anderen baant. Dit alles heeft geen invloed op hun onderworpen zijn aan de volken, wier macht door God voor die tijd was ingesteld. Dit is een grondbeginsel van het grootste belang: de plaats van ware kennis, van inzicht in de Goddelijke gedachten (die het geheim van Jahweh wordt genoemd) in de dagen van Babylonisch verderf en macht, wordt gevonden in het zich onbevlekt bewaren van het minste contact met wat Babel geeft, met het voedsel waarmee ze ons zou willen voeden.
Hoofdstuk 2. Aan de andere kant vinden we in hoofdstuk 2 de machtige koning van de volken, de bewaarder gemaakt van de geschiedenis van de volken en van het gehele plan van God, als de ontvanger van deze Goddelijke mededelingen. Maar dit gebeurt op zo’n wijze, dat Daniël, het in gevangenschap verkerende kind van Israël, de getrouwe die zich in het midden van Babel afgezonderd hield, naar voren komt, als degene die door Jahweh erkend wordt en die zich in Zijn gunst verheugt. Maar aan de bijzonderheden van dit hoofdstuk, als een algemeen beeld van de macht van de volken, die met de aan Nebukadnezar gegeven heerschappij begint, moeten we meer aandacht besteden.
In de eerste plaats kan men opmerken, dat de koninkrijken van de volken, die elkaar hebben opgevolgd, als één geheel worden gezien. We zien hier niet de geschiedkundige opeenvolging, noch de zedelijke karaktertrekken ten opzichte van God en de mensen. Maar ze worden hier samen gezien, als het ware één persoonlijkheid vormend voor God, de mens van de aarde in de ogen van God – heerlijk en verschrikkelijk in zijn uiterlijke pracht in de ogen van de mensen. Vier wereldmachten moesten elkaar opvolgen. Nebukadnezar zelf was door God tot het grote hoofd ervan gezet. In meerdere opzichten zou er een voortgaande ontaarding zijn, en de God van de hemel zou ten slotte een andere macht verwekken, die het oordeel zou uitvoeren over datgene wat nog zou bestaan, het door Nebukadnezar opgerichte beeld van de aarde laten verdwijnen en vervangen door een koninkrijk, dat nooit meer zou worden omvergeworpen. Bij het voortgaande verval, zowel in beginsel als in karakter, van de wereldmacht, zou er geen vermindering zijn, van materiële kracht. De vierde macht zou gekarakteriseerd worden door ijzer, dat alles verbreekt en verplettert. Dat het hoofd van goud is, schijnt mij hierin te bestaan, dat God Zelf hem officieel het gezag heeft gegeven. Het absolute gezag van de eerste macht, was dan ook in feite gegrond, op de gave van de God van de hemel. De overige machten volgden hem op, zoals God dit door voorzienige beginselen regelde. Maar God, gekend als de Allerhoogste, Die gezag gaf aan het hoofd en Zijn eigen gezag op de aarde verving door dat van het hoofd van de volken, was niet de rechtstreekse Bron van het gezag van de anderen. Babel was het gezag, dat door God was ingesteld. Daarom zagen we in Ezechiël (en hetzelfde vinden we ook elders), dat het oordeel over Babel verbonden is met het herstel van Israël en van de troon van God op aarde.
Merk echter op, dat God Zich hier niet voorstelt als de God van de aarde, maar als de God van de hemel. In Israël was Hij de God van de aarde en Hij zal dit weer opnieuw zijn bij het herstel van alle dingen. Hier handelt Hij op soevereine wijze als God van de hemel, door in zekere zin de mens in Zijn plaats op de aarde te stellen (zie verzen 37-38). Dit is een heerschappij, die – hoewel meer beperkt – dezelfde karaktertrekken heeft als die van Adam. Alleen het verschilt van deze laatste hierin, dat mensen aan deze macht zijn onderworpen. Ze is meer beperkt, want de zee is niet ingesloten in zijn soevereiniteit, maar ze strekt zich overal uit, waar de dieren van het veld en de vogels van de hemel zijn. Aan het slot van de geschiedenis van deze heerschappij blijkt hoe groot de menselijke kracht is, maar de bestaande macht is dan veel verder verwijderd van de relaties, die God met de wereld in oude tijden had.
Het mengsel van ijzer en leem (vers 33) wijst op een verandering die plaatsvindt in het oorspronkelijke karakter van de keizerlijke macht van Rome – een ander element wordt eraan toegevoegd. Het karakter blijft gedeeltelijk hetzelfde, maar zoals gezegd, er komt een nieuwe factor bij. De energieke wil van de mens toont zich niet meer op absolute wijze als één geheel. In de keizerlijke macht van Rome wordt een element ingebracht, dat zich onderscheidt van wat haar kracht als keizerrijk vormde, de gewetenloze wil van de mens, de militaire macht en de volksmacht, verenigd in één enkele persoon zonder geweten. Er zijn hier twee oorzaken van zwakte: verdeeldheid en gebrek aan samenhang van de bestanddelen. In vers 41 zien we, hoe het koninkrijk verdeeld zal zijn en in vers 42, hoe het gedeeltelijk hard en gedeeltelijk broos zal zijn. Ik denk, dat het “menselijk zaad (nageslacht)” iets is, dat niet tot de dingen behoort, waardoor de eigenlijke kracht van het keizerrijk wordt gekenmerkt. Maar deze twee bestanddelen zullen zich nooit tot één geheel laten verenigen. Het lijkt me dat hier waarschijnlijk het Barbaarse of Teutonische element (de Germaanse of Duitse volken) wordt bedoeld, omdat het is toegevoegd aan wat oorspronkelijk het Romeinse keizerrijk uitmaakte. Het feit, dat het rijk onderverdeeld is, wordt ons op een algemene wijze in vers 43 getoond. Vervolgens wordt aangekondigd, dat in de dagen van deze laatste koningen, Hij Die vanuit de hemel regeert, een Koninkrijk zal oprichten, dat door niets zal wankelen en dat nooit in andere handen zal overgaan. Dit is eigenlijk het enige Koninkrijk, dat van de zijde van God het koninkrijk van Babel vervangt. De God van de hemel had Nebukadnezar in zijn koninkrijk gesteld en hem macht, kracht en heerlijkheid gegeven, waarbij alle mensen hem werden onderworpen. Ongetwijfeld zijn de drie andere wereldrijken gevolgd, in overeenstemming met de wil van Hem, Die over alle dingen beschikt. Maar alleen met het oog op het koninkrijk van vers 44 wordt nog eens gezegd: “De God van de hemel zal een Koninkrijk”.
Het karakter en enige hoofdtrekken uit de geschiedenis van het vierde koninkrijk worden ons gegeven. Van de twee andere wordt alleen het bestaan genoemd en dat het tweede lager is dan het eerste. De Geest van God geeft ons dus de Goddelijke vestiging van het eerste, het karakter van het vierde en de Goddelijke vestiging van het vijfde of laatste koninkrijk.
We willen nu nagaan hoe dit laatste koninkrijk opgericht wordt. Het gebeurt door middel van een gerechtelijke en vernietigende handeling, die het gehele beeld tot stof verandert en hierdoor een volkomen en algemene vernietiging bewerkt, zonder er ook maar een spoor van achter te laten (verzen 34-35). Het werktuig, dat dit alles volbrengt, wordt niet door de wijsheid en ook niet door menselijke schikkingen gevormd. Het wordt “zonder handen afgehouwen”. Het werkt niet door een zedelijke invloed, die het karakter van het voorwerp, waarop het inwerkt, verandert. Het vernietigt dit voorwerp door kracht, want het is God Die dit werktuig opricht en er deze kracht aan geeft. De steen wordt niet langzamerhand groter, om zo het beeld van zijn plaats te brengen. Nee, hij vernietigt het, voordat hij groter wordt. Als hij groot geworden is, is hij de verheven zetel van een alles omvattende heerschappij, want het is niet alleen een recht, door God over mensen gegeven, maar het vervult de gehele aarde. Het is op de laatste vorm van de macht die in het beeld wordt voorgesteld, dat de steen met vernietigende kracht valt, als het keizerrijk verdeeld is, en gedeeltelijk sterk en gedeeltelijk zwak door de bestanddelen, waaruit zijn leden bestaan. Ook zien we, dat het niet God is, Die het beeld op een andere wijze vernietigt om het koninkrijk te vestigen. Het koninkrijk, dat Hij opricht, slaat als eerste handeling de voeten van het beeld.
We hebben hier dus de algemene en uiterlijke geschiedenis, van wat naar Gods beschikking Zijn troon en regering in Jeruzalem verving, en langzamerhand in zijn openbaar karakter ten aanzien van God ontaardde en ten slotte zijn einde vindt in het oordeel, dat wordt uitgevoerd door het koninkrijk, dat God zonder menselijke voorbereiding instelt. Het Koninkrijk van Christus vernietigt, door op de laatste vorm van de monarchie die God voorheen had opgericht te vallen, elk spoor van het bestaan daarvan en vervult Zelf de gehele aarde.
Over de vier koninkrijken heb ik niets bijzonders te zeggen. Babylon, Perzië en Griekenland worden in Daniël genoemd, als machten aan de Joden al bekend. Ook de Romeinen komen erin voor met de naam die hun grondgebied droeg, de kusten van Chittim. Ik neem daarom zonder meer aan, dat aan iedere lezer duidelijk is, dat deze vier grote wereldrijken de rijken zijn die in deze profetie beschreven zijn. Het lijkt me dat deze profetieën ten aanzien van dit punt geen enkele twijfel toelaten.
Het resultaat van de mededeling, die tevens duidelijk maakte dat God met het overblijfsel was, dat alleen Zijn gedachten verstaat, is, dat de trotse heiden de God van Israël erkent als de Allerhoogste in hemel en op aarde. Het overblijfsel wordt hier gekenmerkt door het feit, dat God aan hen Zijn gedachten openbaart.
Hoofdstuk 3
Na dit algemene beeld worden we – in historisch opzicht – door de karaktertrekken van deze wereldmachten, opmerkzaam gemaakt op de toestand waarin zij (en in de eerste plaats en voornamelijk Babylonië) geraakt zijn, omdat ze zich van God verwijderd hadden.
In hoofdstuk 3 wordt ons de eerste karaktertrek getoond, van de mens die met de wereldmacht bekleed is, maar wiens hart van God verwijderd is, een verwijdering juist vergroot door het bezit van de macht. Hij wil een God voor zichzelf hebben, een God die afhankelijk is van de wil van de mens. In dit geval dus van de wil van hem, die de wereldmacht bezit. Dat is de wijsheid van de mens. De godsdienstige behoeften van de mens vinden hun bevrediging in verbinding met de hoogste macht, en de invloed van de godsdienst wordt gebruikt om alle bewoners van het wereldrijk door de sterkste band in een verblinde massa samen te smelten rondom het hoofd, zonder enige vertoning van gezag. Want de godsdienstige behoeften van de mens verbinden zich op deze wijze met zijn eigen wil en zijn wil is onbewust onderworpen aan het middelpunt van de macht. Anders wordt de godsdienst, de machtigste drijfveer van het hart, een oorzaak van ontbinding in het wereldrijk. Maar de wil van de mens kan geen ware God maken. Daarom verlaat Nebukadnezar de ware God, hoewel hij beleden had, dat niemand gelijk was aan de God van de Joden, en maakt een god voor zichzelf. De heidense regering verwerpt God door Wie ze haar macht had ontvangen en de ware God wordt alleen nog door een trouw overblijfsel, dat lijden moet, erkend. Het wereldrijk valt aan de afgodendienst ten prooi.
Dit is de eerste grote karaktertrek van de heerschappij van Babel.
Maar de getrouwheid, die dit wijze systeem, dat de krachtigste drijfveer van het hele volk verbindt aan de wil van hun hoofd, en hen verenigt in aanbidding rondom wat hij hun voorstelt, tegenstaat, tast de hoofdbron van de gehele beweging aan. De afgod is helemaal geen God en de mens, hoe machtig hij ook mag zijn, kan geen God maken. De man van het geloof die, zoals we dit in de voorgaande hoofdstukken hebben gezien, inderdaad aan de koning onderworpen is, omdat deze door God is aangesteld, is dat niet ten aanzien van de valse god, die door de koning is opgericht, terwijl deze Hem, Die hem zijn gezag gegeven heeft (en Die door de man van het geloof nog wordt erkend) verwerpt. De koning echter beschikt over de macht en wil dat ieder erkent, dat zijn wil boven alles gaat.
Sadrach, Mesach en Abednego worden in de vurige oven geworpen. Maar juist in het lijden van Zijn volk, laat God ten slotte zien dat Hij God is. Hij staat toe, dat hun getrouwheid wordt beproefd, daar waar het kwaad bestaat, opdat zij met Hem in de gelukzaligheid zullen delen, daar waar Zijn karakter en macht ten volle worden geopenbaard, hetzij op deze aarde, dan wel op een nog voortreffelijker wijze in de hemel.
We kunnen opmerken, dat het geloof en de gehoorzaamheid even absoluut zijn als de wil van de koning. Niets is schoner en rustiger dan het antwoord van de drie getrouwen. God kan verlossen en zal verlossen, maar wat er ook gebeurt, zij zullen Hem niet verloochenen. In zijn woede daagt de koning God uit: “Wie is dan de god die u uit mijn handen kan verlossen?” God staat hem toe alles te doen wat hij kan. Zijn verblindende woede heeft tot uitwerking, dat de werktuigen van zijn wraak door de hitte van het vuur – dat voor de getrouwe Hebreeën bereid was – vernietigd worden. Deze laatsten worden in het vuur geworpen en de wil van de koning is uiterlijk vervuld. Maar dit is alleen om de macht en de getrouwheid van God duidelijker te laten schitteren. Want Hij komt te midden van het vuur tussenbeide, om te bewijzen, dat Hij belangstelt in de getrouwheid van Zijn dienstknechten. De uitwerking van het vuur voor hen is, dat hun banden verbrand worden en dat zij in de tegenwoordigheid zijn van Hem, Die de gedaante heeft van de Zoon van God. Zelfs de koning, die Zijn almacht ontkende, moest dit alles zien. Het gevolg hiervan is, dat een gebod wordt uitgevaardigd, waarbij het de gehele wereld verboden wordt te lasteren tegen de God van de Joden, de heerlijkheid van dat zwakke en in gevangenschap levende overblijfsel.
Merk hier nog eens op, dat het overblijfsel door de getrouwheid en gehoorzaamheid wordt gekenmerkt. En deze getrouwheid wordt hierin openbaar, dat het geen andere God wil dan hun eigen God. Geen concessie, want dit zou een ontkenning, een verloochening betekenen. Immers, de ware God erkennen, betekent Hem alleen te erkennen. Waarheid is alleen de volledige openbaring van Hem en kan dan ook alleen Zichzelf erkennen. Haar op het niveau van de leugen brengen, wil zeggen, dat ze niet de waarheid is.
Ten opzichte van het overblijfsel worden ons dus de volgende drie beginselen gegeven:
- Zij verontreinigen zich niet door te delen in wat de wereld geeft, namelijk in het voedsel van de koning.
- Zij hebben inzicht in de gedachten en openbaringen van God.
- Zij zijn getrouw, door op absolute wijze te weigeren een andere God te erkennen dan de hunne, die de ware God is.
Het eerste beginsel heeft op hen allen betrekking.
Het tweede is de Geest van de profetie, waarvan Daniël hier het vat is.
Het derde beginsel is het deel van elke gelovige, zelfs dan als hij de Geest van de profetie niet bezit. Hoe dichter men bij de macht van de wereld is, hoe meer men gevaar loopt te moeten lijden, als men getrouw is. We moeten opmerken, dat dit alles verbonden is met de positie en de beginselen van de Joden.
Merk ook op, dat God door de wil en de macht van de heidenen op twee manieren en door verschillende middelen (beide voorrechten aan het overblijfsel ontleend) erkend wordt. Het eerste van de voorrechten bestaat in het kennen van de gevoelens van Jahweh, de openbaring van Zijn gedachten en raadsbesluiten. Hierdoor wordt de heiden ertoe gebracht de God van Daniël te erkennen als de God van de goden en de Heer van de koningen. Dat is Zijn positie in verbinding met alles wat op de aarde verheven was. Hij was zowel in de hemel als op aarde de opperste Heerser. Het tweede van deze voorrechten is, dat God belangstelling heeft in het arme overblijfsel van Zijn volk en dat Hij de macht heeft het te verlossen uit de verdrukking, waarin het door de opstandige en afgodische (en dus afvallige) macht is gestort. Het resultaat is hier, dat Hij erkend wordt en dat Zijn getrouwen bevrijd en verhoogd worden. Het eerste is van meer algemene aard en strekt zich uit tot de volken, zij zelf erkennen God. Het tweede heeft tot gevolg dat het Joodse overblijfsel bevrijd wordt.
Hoofdstuk 4
Het vestigen van afgodische éénheid in godsdienst en de hoogmoed van menselijke macht, zijn de dingen, waardoor Babylon hier wordt gekenmerkt. Deze dwaasheid, die God niet kent, vult het gehele tijdperk – “zeven tijden” – dat aan deze macht werd toegewezen. Aan het einde ervan erkent de heiden voor zichzelf de Allerhoogste en looft en prijst Hem. Dit hoofdstuk zet ons dus de eigenlijke relaties van de heidense macht met God uiteen, dus niet alleen zijn verhouding tot de God en het volk van de Joden. Daarom wordt God in hoofdstuk 4 de Allerhoogste genoemd, Die over het koninkrijk van de mensen heerst. In hoofdstuk 3 was Hij voor het hart van het trouwe overblijfsel “onze God” en voor de wereld, die de verlossing had gezien: de God van Sadrach, Mesach en Abednego.
In hoofdstuk 4 vinden we de openbaring van de menselijke hoogmoed. De koning beroemt zich op het werk van zijn handen, alsof hij zijn eigen heerlijkheid had geschapen. Deze hoogmoed veroorzaakt het oordeel. De houder van de macht wordt verlaagd tot de staat van de dieren, die God niet kennen en geen menselijk inzicht bezitten. Het enige ware voorrecht van de mens, dat wat hem verheft, is toch, dat hij tot God op kan zien en Hem erkennen. Zonder dat ziet hij naar beneden, is hij verlaagd, want hij kan zichzelf niet voldoen. Afhankelijkheid is zijn heerlijkheid, want zij plaatst hem voor het aangezicht van God en geeft hem Hem te kennen. Zijn verstand, met God verbonden, ontvangt van Hem zijn grenzen en zijn kennis. Hoogmoed en onafhankelijkheid scheiden de mens van God. Hij wordt een dier, beroofd van werkelijk inzicht. Dit alles schildert ons de toestand van de koninkrijken, waarvan de profeet spreekt, als één geheel voor het aangezicht van God gezien, en vertegenwoordigd door het hoofd – Nebukadnezar – die door God is aangesteld. Zeven tijden of jaren gaan heen over het hoofd van de van zijn verstand beroofde Nebukadnezar. Hij heeft zichzelf verhoogd en nu is hij vernederd. De tijden van de volken zijn gekenmerkt door de afwezigheid van elk soort verstand of inzicht, die de regerende macht in verbinding met God zou kunnen brengen. Het maken van afgoden, het bouwen van Babel, en het niet erkennen van God, dat zijn de zedelijke kenmerken van de macht, die God in de plaats van Zijn troon te Jeruzalem had gesteld. Dit zijn de dingen waartoe de mens – in zedelijk opzicht – in staat is, als hij in het bezit is van die macht die hem was toevertrouwd 1. Maar het tafereel eindigt met het getuigenis, dat van de heerlijkheid van de Allerhoogste God, de Koning van de hemelen gegeven wordt. Nebukadnezar erkent Zijn Majesteit en prijst Hem, nu Zijn oordeel over hem is weggenomen. Hij erkent Hem als Degene, Die tot in eeuwigheid leeft, Die vernedert en verhoogt wie Hij wil, en Die zowel in de hemelen als op de aarde doet wat Hij wil, want alle mensen zijn slechts ijdelheid voor Zijn Majesteit en macht.
Hier wordt deze uitwerking niet veroorzaakt door de verlossing van de getrouwen, maar door het oordeel dat gekomen is over de volken zelf, die echter na het oordeel verlost worden en aan wie verstand wordt gegeven ten opzichte van Jahweh. En dit alles, in verbinding met het getuigenis dat aan het Joodse volk was toevertrouwd, door de Geest van profetie die God aan het overblijfsel van dit volk gegeven had. De koning heft zijn ogen op naar de hemelen in plaats van alleen maar een dier te zijn, dat naar de aarde beneden kijkt. Hij wordt verstandig en onderworpen en prijst vol blijdschap de Allerhoogste God.
Het is belangrijk even stil te staan bij de titel “Allerhoogste”. Deze naam werd aan Jahweh gegeven tijdens het onderhoud, dat tussen Melchizedek en Abraham plaatsvond. Alleen werd er toen nog aan toegevoegd: “Die hemel en aarde bezit”. God zal, inderdaad, dit karakter aannemen, als Hij alle dingen in Christus samen zal brengen, zowel de dingen die in de hemelen zijn als die welke op aarde zijn (Efeze 1:10), en Christus de ware Melchizedek zal zijn. De volken zullen volkomen aan God onderworpen zijn. Dit zal de tijd zijn van: “[de] herstelling van alle dingen”, waarvan de profeten hebben gesproken.
En nu moeten we nog enkele opmerkingen maken ten aanzien van verschillende bijzonderheden. Het resultaat waarvan we spraken, werd dus door oordeel, gevolgd door bevrijding, voortgebracht. Merkwaardig is ook de kracht van dit zinnebeeld van een grote boom. Het is een machtige van de aarde, die in staat is anderen onder zijn bescherming te nemen. In dit geval was het iemand, die de hoogst mogelijke positie die een mens kan bereiken, innam. De vogels van de hemel nestelden zich erin, wat zeggen wil, dat alle soorten van mensen steun en bescherming bij hem zochten. Wij zien ook, dat God kennis neemt van de beginselen, waardoor de regeringen van de aarde zich laten leiden. Deze regeringen worden dan gezien als bezitters van die macht, welke zij van Hem hebben ontvangen. Hoewel Zijn troon niet, zoals in Israël, op de aarde is, waakt God over alles en oordeelt de macht, waaraan Hij gezag heeft toevertrouwd. God regeert niet op rechtstreekse wijze, maar Hij houdt degene aan wie Hij de regering heeft toevertrouwd, verantwoordelijk, opdat deze het gezag van God als het opperste gezag zou erkennen.
Wat het gebruik van het woord “wachter” betreft, geloof ik niet, dat het inzicht in de vraag wie het was, die het oordeelsbesluit bracht, verder gaat dan de godsdienstige toestand van Nebukadnezar. Daniël schrijft dit besluit rechtstreeks toe aan de Allerhoogste. Dat engelen hiervan de inzichtsvolle werktuigen kunnen zijn en dat de uitvoering in zekere zin aan hen kan zijn toevertrouwd, veroorzaakt geen enkele moeilijkheid. De Brief aan de Hebreeën en ook andere Schriftplaatsen leren ons, dat engelen zo gebruikt werden. De toekomstige wereld zal niet op deze wijze aan hen onderworpen zijn.
We zien in vers 27, dat Daniël Nebukadnezar op zijn verantwoordelijkheid wijst en hem probeert te bewegen van houding te veranderen.
Men kan hier ook nog opmerken, dat het de “Koning van de hemel” is, die door Nebukadnezar wordt erkend. Dit was noodzakelijkerwijs Zijn plaats. De God van de aarde had Zijn troon in Jeruzalem. Maar zolang die troon er was, was er geen plaats op aarde voor Nebukadnezar. In Daniël vinden we geen troon in Jeruzalem, noch in zedelijk, noch in profetisch opzicht. Zijn profetieën houden steeds op, voordat hij op dat punt komt. Hij is een gevangene onder de volken, en in deze positie getrouw aan God en door Hem onderwezen. Maar God kan voor hem niet de God van de aarde 2 zijn. Het is de God van de hemel, Die boven alles en overal beschikt over hemel en aarde, maar Die nu niet als de Koning van de aarde over de aarde regeert. Integendeel, Hij had er juist van afgezien en de macht aan Nebukadnezar toevertrouwd, omdat Hij Zich terugtrok uit de tegenwoordigheid van de ongerechtigheid van Zijn aards volk, om Zich tot Zijn Allerhoogste en onveranderlijke macht te beperken. De uitwerkingen van deze macht zullen later aan het licht komen. Toch regeert Hij al overeenkomstig deze macht, hoewel verborgen voor de ogen van de mensen.
De lezer verwacht misschien meer bijzonderheden. Deze zullen we vinden in de mededelingen die rechtstreeks aan Daniël gedaan zijn. Maar als de lezer de beginselen, die we zoeven hebben vastgesteld, goed heeft begrepen (het grote doel van deze hoofdstukken is, ons deze voor te stellen), dan bezit hij de belangrijkste beginselen om al de profetieën van dit boek te kunnen begrijpen. En zonder deze beginselen zal hij de betekenis van de openbaringen die erin voorkomen, nooit duidelijk verstaan. Laten we er steeds aan denken, dat we op het terrein zijn van de Joden in gevangenschap onder de volken, die Gods handelingen met hen verstaan, en Zijn oordeel over hun toestand gedurende de tijd dat de macht in hun handen was gelaten.
Hoofdstuk 5
Hier bereikt de ongerechtigheid van het hoofd van de volken ten opzichte van de God van Israël zijn hoogtepunt. Het neemt het karakter van brutaliteit en verachting aan. Dit is niets anders dan een poging van de zwakheid zich te verbergen. Te midden van de zwelgerijen van een groot festijn, aangericht voor de machtigen en hovelingen, laat Belsazar de vaten van de tempel van God, die Nebukadnezar van Jeruzalem had meegebracht, brengen, opdat hij en zijn gasten daaruit konden drinken en hij looft de goden van goud, zilver, steen en hout. De dwaasheid van de koning maakt het een zaak tussen de valse goden en Jahweh, de God van Israël. Nog diezelfde nacht beslist Jahweh de kwestie door de koning en zijn gehele heerlijkheid te vernietigen. Daniël verklaart de waarschuwing die God aan Belsazar geeft. Maar hoewel onderdanig aan de koning, behandelt Daniël hem toch niet met dezelfde achting als hij het Nebukadnezar deed. Belsazar had de plaats ingenomen van een onbeschaamde vijand van Jahweh en Daniël antwoordt hem in overeenstemming met de openbaring, die God van zijn vonnis had gegeven en met de pralerige openbaring die de koning van zijn ongerechtigheid gaf, door zijn eigen goden te vereren en Jahweh te beledigen. In overeenstemming hiermee was het doel van de waarschuwing niet de houding van de koning te verbeteren en het liet geen plaats voor berouw. Het kondigde het oordeel aan en deze aankondiging was voldoende om aan al de brutaliteit van de goddeloze koning een eind te maken. Want hij had de waarschuwingen, die de geschiedenis van Nebukadnezar hem hadden gegeven, veronachtzaamd.
De geschiedenis van Belsazar laat ons het laatste karakter zien van de ongerechtigheid van de soevereine macht van de volken tegen de God van Israël. Maar ook het oordeel, dat hieruit voortkomt voor het koninkrijk, waarvan Babel het hoofd was en waaraan zij haar eigen karakter had gegeven. Want, wat de lankmoedigheid van God ook geweest mag zijn of Zijn wegen in andere opzichten tegenover het koninkrijk van de volken, als de macht waaraan Hij het gezag in de wereld had toevertrouwd, alles was al verloren voor deze wereldmachten, zelfs in de dagen van Babel.
Hoofdstuk 6
Naast de ongerechtigheid van Babel wordt hier een andere vorm van ongerechtigheid gevonden. Kores bezat persoonlijk een betere gezindheid. God, Die hem deze gezindheid had geschonken, bedient Zich van hem om Zijn volk tijdelijk te herstellen, opdat de Messias zou komen en Zich aan hen kon voorstellen – de laatste proef waaraan God Zijn geliefd volk zou onderwerpen. Het is dus niet Kores, die we als werktuig zien van de ongerechtigheid die trachtte Daniël om te brengen – van die menselijke wil die getrouwheid ten opzichte van God nooit kan verdragen. Hier gaat het niet om afgodendienst en ook niet om beledigingen van God, maar om de verheffing van de mens zelf, die elke gedachte aan God wil uitsluiten en geen God wil hebben. Dit is een van de trekken, waardoor de diepste roerselen van het hart van de mens worden gekenmerkt.
In het algemeen wil de mens wel een God, die hem helpt aan zijn hartstochten en begeerten te voldoen. Een God die dienstbaar is aan zijn doeleinden inzake de eenheid van zijn rijk en de bestendiging van zijn macht. Het godsdienstige deel van de natuur van de mens is met zulke goden tevreden en aanbidt hen gewillig, hoewel hij, die als heerser in zijn rijk deze goden opricht, dit misschien slechts uit politieke overwegingen doet. Arme wereld! De ware God past noch voor hun geweten, noch voor hun lusten. De vijand van onze zielen is zeer tevreden als hij op deze wijze de godsdienstigheid van onze natuur kan aankweken. Valse godsdienst geeft ons goden, die aan de behoeften van het natuurlijk hart, wat deze dan ook zijn mogen, beantwoorden, maar die nooit gemeenschap voor het hart schenken en ook nooit op het geweten werken. Ze kunnen de mens wel godsdienstplichten en voorschriften opleggen, want de mens houdt hiervan, maar ze kunnen nooit een ontwaakt geweten met zich in verbinding brengen. De angsten en de begeerten van de mens vormen het gebied, waarin zij hun invloed uitoefenen. Ze brengen niets voort in het hart boven de werking van natuurlijke vreugden en angsten.
Maar aan de andere kant neemt de hoogmoed van de mens soms een karakter aan, waardoor in dit opzicht alles veranderd wordt. De mens wil zelf God zijn en naar zijn eigen wil over alles beschikken en elke mededinging, die zijn hoogmoed niet kan verdragen, uitsluiten. Een superioriteit boven hem, (die niet ontkend kan worden als God bestaat), is onverdragelijk voor hem die alleen en onafhankelijk wil zijn. Hij moet zich van God ontdoen. De vijanden van de getrouwen maken van deze toestand gebruik. De wreedheid is minder vindingrijk. Haar list komt slechts hierin tot uiting dat ze, terwijl ze de hogere macht vleit, alleen diegenen schijnt te laken, die deze macht ongehoorzaam zijn en haar woord verachten.
Aangezien het hier een strijd met God Zelf is, zien we dat de zaak tegen mensen met grotere nalatigheid en minder hartstocht tegen hen, beslist wordt. Hartstocht verbindt zich minder met de hoogmoed dan wel met de wil van de mens. Hoe hoog zijn positie ook moge zijn, de mens is de slaaf van hen die hem de tol van hun vleierij betalen. De eigen wil is meer zijn eigen meester. In dit geval ziet de koning, bedrogen door zijn ijdelheid, zich gebonden door de wetten die klaarblijkelijk gemaakt waren om zijn onderdanen tegen zijn grillen te beschermen, onder de schijn van aan zijn wil en wijsheid een karakter van onveranderlijkheid te geven, een karakter, dat alleen aan God toekomt. Daniël wordt in de leeuwenkuil geworpen, maar God bewaart hem. Dit zal Hij aan het einde van de eeuw ook het overblijfsel van Israël doen. Het oordeel, dat de vijanden van Israël over de getrouwen uit dit volk wilden laten komen, treft hen zelf. Maar de uitwerking van dit oordeel gaat verder dan die in de vroegere gevallen. Nebukadnezar had verboden om kwade dingen van de God van Israël te zeggen, en hij verhoogde de Koning van de hemel door Wie hij was vernederd. Maar Darius beveelt, dat men overal de God van Daniël en van Israël als de enige levende God zou erkennen, Wiens rijk eeuwig is, en Die in feite degene die op Hem vertrouwde verlost heeft. Als we de geschiedenis nagaan schijnt het of Darius gevoelens van achting voor God en voor de vroomheid van Daniël had. Het was weliswaar de God van Daniël en niet zijn God. Maar toch eert hij Hem en noemt Hem zelfs de levende God.
Zo zien we, dat afgodendienst, goddeloosheid en hoogmoed, dat zich boven alles verheft, de kenmerken zijn van de grote wereldmachten, die ons in het boek Daniël worden voorgesteld, en de oorzaak van hun oordeel. Het resultaat van dit oordeel is, dat de God van de Joden erkend wordt als de levende God, Die bevrijdt, en als de Allerhoogste, Die over het koninkrijk van de mensen regeert. De laatste dagen zullen ook door dezelfde karaktertrekken worden gekenmerkt. En hiermee eindigt dan het eerste deel van het boek Daniël.
Hoofdstuk 7
Nu komen we aan de mededelingen, die aan Daniël zelf gedaan zijn. Ze bevatten niet alleen algemene beginselen, maar ook bijzonderheden ten aanzien van het volk van God en de volken, die Israël onderdrukten. Dus historische bijzonderheden, al worden ze profetisch vooraf gegeven.
Het grote doel van hoofdstuk 7 is, ons de geschiedenis van het vierde beest te geven, de laatste vorm van het wereldrijk van de volken, dat met Babel begon. Het is de geschiedenis van de grote macht van het westen, waarin alles openbaar zou worden wat de mens, in het bezit van de macht, ten opzichte van God en de getrouwen zou worden. En tegelijk hiermee wordt in de verklaring van het visioen de verhouding van deze macht tot de heiligen gegeven. Maar voordat dit westerse dier op het toneel verschijnt, wordt nog op beknopte wijze wat aan dit alles voorafgaat uiteengezet.
Vier dieren stijgen op uit de zee, dat wil zeggen ze verheffen zich uit de onrustige golven van de volken. Deze machten worden hier niet gezien als door God ingesteld, maar zuiver uit historisch oogpunt. We zagen al het wereldrijk rechtstreeks door God in de persoon van Nebukadnezar opgericht. Maar hier worden ze – hoewel alle macht die bestaat door God is ingesteld – alleen uit een geschiedkundig oogpunt bezien. De dieren stijgen op uit de zee. De profeet ziet ze eerst alle tegelijk voortkomen uit de woeling van de volken. Dit gedeelte van het visioen laat ons de karaktertrekken zien, maar geeft geen bijzonderheden ten aanzien van de tijd.
Vers 4 toont ons Babel in macht en daarna vernederd en onderworpen. Het lichaam van een leeuw met arendsvleugels. Deze eerste energie van de menselijke geest, waaraan de Goddelijke wil het rijk van de wereld had toevertrouwd, werd gekenmerkt door wat – menselijk gesproken – het meest edel en energiek in kracht was, wat met de snelste en hoogste vlucht over de volken zweefde. Deze positie verliest het.
Het tweede dier zou veel vlees verslinden, maar het had niet de kracht noch de snelle vlucht van het eerste. Het zou eerder andere rijken in zichzelf inlijven, dan zelf een wereldrijk oprichten. In het begin tweevoudig sterk, richtte het zich later meer aan de ene zijde op dan aan de andere. Het was een verscheurend, maar naar verhouding log beest. Het is het Medisch-Perzische wereldrijk.
Dit hoofdstuk zegt maar weinig van het derde dier. Het wordt gekenmerkt door lichtheid (in tegenstelling tot de zware Medo-Perzische beer) en snelle activiteit, en de heerschappij wordt eraan gegeven. Het is het door Alexander de Grote gestichte wereldrijk.
Het vierde dier is het onderwerp van een apart visioen.
Men zal er goed aan doen in het voorbijgaan op te merken, dat het hoofdstuk verdeeld is in drie gezichten, gevolgd door de verklaring die aan de profeet gegeven wordt. Het eerste gezicht bevat de vier dieren samen gezien en de kenmerken van de eerste drie kort uiteengezet. Het tweede gezicht beschrijft het vierde dier met veel meer bijzonderheden. In het derde gezicht zien we één, die op de Zoon des mensen gelijkt, voor de Oude van dagen verschijnen. Deze gezichten beginnen respectievelijk met de verzen 1, 7 en 13. Dan komt de verklaring vanaf vers 15 tot aan het eind van het hoofdstuk.
De kenmerken van het vierde dier worden duidelijk beschreven. Het is buitengewoon sterk. Het vreet en vermorzelt en wat er overblijft vertreedt het met zijn voeten. Het heeft niet hetzelfde karakter als de voorgaande koninkrijken. Het heeft tien hoornen, dat wil zeggen zijn kracht zou tussen tien verschillende machten verdeeld worden. De zedelijke kenmerken van dit vierde dier zijn: kracht en niets sparende en ontziende roofzucht, waarbij alles zich werd toegeëigend of gewetenloos onder de voeten gelopen. Wat zijn vorm betreft, werd het gekenmerkt door zijn verdeling in tien koninkrijken. De gelijkvormige eenvoudigheid van de andere koninkrijken ontbreekt bij hem. Maar dit is niet alles. Een andere zeer in het oog vallende en aparte karaktertrek trok de bijzondere aandacht van de profeet. Terwijl hij naar de hoornen keek, zag hij een andere, kleine hoorn opkomen en drie van de eerste vielen voor deze neer. Deze hoorn had het doordringende verstand en inzicht van de mens en zijn aanmatigingen waren zeer groot. Dat is zijn kenmerk. Een macht, die te midden van de tien andere opkomt en er drie van omverwerpt. Deze macht bezit een heldere blik en een doordringend inzicht. Hij heeft niet alleen kracht, maar bezit ook gedachten en plannen, buiten die van eerzucht en heerschappij. Hij werkt door beïnvloeding van geest en gemoed, houdt zich met kennis bezig en verheft zich met aanmatigingen vol van hoogmoed en vermetelheid. Hij wordt gekenmerkt door zedelijk en systematisch inzicht (in het kwaad) en niet alleen door de kracht van een veroveraar. Deze hoorn had ogen als die van een mens.
Vervolgens worden er tronen gezet en de Oude van dagen zet Zich. Het is een rechtszitting, de troon van Jahweh’s oordeel.
Het wordt niet gezegd waar deze gerechtszitting plaatsvindt, maar de uitvoering van het oordeel is op aarde. De woorden van de kleine hoorn zijn de aanleiding. Het wordt uitgeoefend over het dier, het wordt vernietigd en zijn lichaam aan de vlammen prijsgegeven. Wat de andere dieren betreft, hun heerschappij was weggenomen, maar hun leven verlengd. Het vierde dier verliest zijn leven tegelijk met zijn rijk. Het tafereel van dit oordeel is een deel van het gezicht van het vierde beest en staat er ook in bijzondere mate mee in verband.
In vers 13 begint een nieuw gezicht. Eén gelijk aan een zoon des mensen wordt tot de Oude van dagen gebracht en ontvangt het koninkrijk en de wereldheerschappij. Dit is de regering van Jahweh, die in de Persoon van Christus, toevertrouwd wordt aan de mens en in de plaats komt van het rijk van het dier. Let er wel op, dat het hier niet gaat om de uitvoering van het al genoemde oordeel, maar om het ontvangen van het aardse koninkrijk, want in dit alles is de regering over de aarde het onderwerp.
De verklaring van het gezicht bestaat uit twee delen. Eerst hebben we een algemeen gedeelte (verzen 17-18) en dan ten aanzien van het vierde dier een gedetailleerd (verzen 19-28). Het algemene gedeelte verklaart, dat deze vier dieren vier koningen of koninkrijken zijn, die uit de aarde voortkomen, maar dat de heiligen der hoge plaatsen het koninkrijk ontvangen en voor altijd bezitten zullen. Dit zijn de twee grote feiten, die uit deze geschiedenis voortkomen: het aardse rijk (bestaande uit vier koninkrijken) en dat van de heiligen der hoge plaatsen. Vervolgens komen de bijzonderheden ten opzichte van het vierde dier. Men zal hier opmerken, dat aan de verklaring iets wordt toegevoegd, dat van het hoogste belang is en dat we niet vonden bij het visioen, waarop de verklaring betrekking heeft, namelijk wat van de heiligen gezegd wordt. In de mededeling van de strekking van het visioen aan de profeet kan God de heiligen niet overslaan. Al in vers 18 worden ze ons getoond, in tegenstelling tot de koninkrijken van de aarde. In het visioen werden deze rijken in hun openbaar of uiterlijk karakter gezien. Hier laat de Geest van God zien, waarom hun houding een voorwerp van belangstelling werd zelfs voor het hart van God, Die hiervan tegenover de profeet wilde getuigen. De heiligen verschijnen direct, maar in een lijdende positie (vers 21). Dit is het eerste kenmerk van de kleine hoorn, als zijn handelingen besproken worden.
Maar verzen 21-22 vereisen nog enkele opmerkingen. De kleine hoorn voert niet alleen oorlog tegen de heiligen, maar hij heeft tot een bepaald ogenblik ook de overhand over hen, dat wil zeggen tot het moment, dat de Oude van dagen komt. We zien hier dus iets meer bepaalds dan het feit, dat God de vermetelheid van de mensen zal oordelen. We zien hier niet meer alleen uiterlijke geschiedenis en algemene beginselen, maar uiteenzettingen, die in de persoon van de profeet aan de heiligen gegeven worden. Het is de komst van de Oude van dagen, Die een eind maakt aan de macht van de kleine hoorn over de heiligen. Andere belangrijke gebeurtenissen komen voort uit deze grote verandering, uit dit ingrijpen van God. In de eerste plaats wordt het oordeel aan de heiligen der hoge plaatsen gegeven en ten tweede nemen de heiligen het koninkrijk in bezit. Let hier vooral op de bijzondere aanduiding van “de hoge plaatsen”. De kleine hoorn vervolgt de heiligen op aarde en heeft de overhand tot de Oude van dagen komt. Maar het oordeel wordt slechts aan de heiligen van de hoge plaatsen gegeven. “Weet u niet”, zegt de apostel, “dat de heiligen de wereld zullen oordelen?” Toch moeten we niet verder gaan dan tot wat hier gezegd wordt. Hier wordt niet gezegd, dat het oordeel aan de Gemeente wordt gegeven. Die gedachte wordt in deze verzen niet gevonden. Het zal aan de heiligen worden gegeven, die verbonden zijn met de Allerhoogste 3 God in de hemel, terwijl de aarde in handen is van hen, die Hem niet erkennen en Zijn regering niet wordt uitgeoefend om de heiligen te bewaren voor het lijden en de kwaadwilligheid van de zijde van de bozen. In beginsel kan dit op alle tijden worden toegepast, van de zondeval af tot aan het ogenblik, dat de Oude van dagen komt. Maar er is een tijdvak, dat in het bijzonder door deze geest van opstandigheid wordt gekenmerkt, namelijk de periode, waarin de kleine hoorn in het bezit van de macht is. Verder wordt er nog een andere klasse van mensen genoemd: het volk van de heiligen der hoge plaatsen. Het koninkrijk wordt aan dit volk gegeven. Maar de Geest zegt in dit geval niet: het oordeel. Dus in vers 22, als er sprake is van het koninkrijk, wordt er niet gezegd “de heiligen van de hoge plaatsen” maar alleen: “de heiligen bezaten het koninkrijk”.
We zien dus de macht van de kleine hoorn die tegenover de heiligen, die overwonnen worden, wordt uitgeoefend, totdat ten slotte de Oude van dagen komt en hieraan een einde wordt gemaakt. De aarde is het toneel, waar dit alles plaatsvindt. De komst van de Oude van dagen gaat met twee andere feiten gepaard die eruit voortkomen en die het aanzien van de wereld veranderen. Het oordeel wordt aan de hemelse heiligen en het koninkrijk aan de heiligen gegeven. Het eerste van deze twee feiten beperkt zich tot de hemelse heiligen; het tweede is meer algemeen, daar de heiligen op aarde er in overeenstemming met hun toestand deel aan hebben, zonder dat zij die in de hemel zijn naar hun toestand, erbuiten gesloten worden.
In vers 23 beginnen de geschiedkundige bijzonderheden van de kleine hoorn. Het algemene karakter van het vierde dier wordt voorgesteld. Het verscheurt, onderwerpt en verplettert alles. Het is niet alleen een gevestigd rijk van een bepaalde uitgestrektheid, het verwoest de gehele aarde alsof het daarop een recht had. Dan zien we tien koninkrijken uit het midden van het rijk opkomen die zijn macht verdelen. Dit is zijn uiterlijk en algemeen karakter. Maar als de tien al bestaan, komt een andere macht op van een ander karakter dan de tien, waarvan hij er drie onderwerpt. Deze hoorn nu spreekt tegen de Allerhoogste, verheft zich zelf in woorden die tegen Hem gericht zijn. In zijn boosheid vervolgt hij de heiligen, wier harten met de God van de hemel verbonden zijn en die Zijn Naam en Zijn gezag over de aarde belijden. Hij probeert de godsdienstige feesten en wetten te veranderen; en ze worden dan ook gedurende drie en een half jaar in zijn handen gegeven. Dit laatste laat op een tamelijk duidelijke wijze de onderdrukker van de Joden herkennen. Hun gehele systeem wordt in zijn hand gegeven. Deze drie kenmerken zijn voldoende duidelijk en verstaanbaar:
- de hoorn zal woorden spreken tegen de Allerhoogste;
- hij vervolgt hen, die de God in de hemel erkennen en wier harten daarheen gericht zijn (vergelijk Psalm 11:4);
- hij verwijdert elk uiterlijk teken dat van de aardse godsdienst getuigenis aflegt.
Men kan opmerken, dat hier niet over de Gemeente gesproken wordt, behalve dan in de zeer algemene uitdrukkingen, die in beginsel op elke gelovige op de aarde die naar omhoog ziet toegepast kan worden. Ook is het goed op te merken, dat het niet de heiligen zijn (zoals men dit heeft verondersteld) die in handen van de kleine hoorn worden overgeleverd, maar de vormen van de Joodse godsdienst. God kan voor het welzijn van de heiligen toestaan en willen, dat ze vervolgd worden, maar Hij zal ze nooit in de handen van hun vijanden overleveren. Hij zou dit niet kunnen doen. Hij kan niet van de Zijnen afzien of hen in de steek laten. In één woord, wat de algemene beginselen, die in de loop van de eeuwen een toepassing kunnen vinden, ook mogen zijn, deze profetie heeft als een op zichzelf staande en nauwkeurige openbaring, zoals het gehele boek Daniël, betrekking op de aarde, waartoe de Gemeente niet behoort, en op de Joden ten opzichte van wie God Zijn regering over de aarde uitvoert.
Als men dit begrijpt, ontvangt men licht over de drie karaktertrekken van de kleine hoorn. Hij verheft zich tegen de Allerhoogste. Hij spreekt grote woorden tegen God en tegen al de heiligen, die zich in de geest boven de aarde verheffen, de Allerhoogste God in de hemel erkennen en hun verlossing van Zijn hand verwachten, wier harten bij Hem toevlucht zoeken, als de aarde, om zo te zeggen, in de handen van de bozen zal zijn overgeleverd. Dus al diegenen, die op deze wijze een waar getuigenis handhaven tegen de mens die zich aanmatigt alle rechten op de aarde te bezitten en niets met de hemel te doen wil hebben, worden door hem vervolgd. Ten slotte schaft hij elk spoor van de regelmatige feesten en inzettingen van de Joden die zij hersteld hadden af, want zijn dwingelandij staat geen andere macht toe dan de zijne. Want al hebben deze inzettingen, omdat ze in ongeloof hersteld zijn, niets te betekenen, toch leggen ze er getuigenis van af, dat er een God van de aarde is. Maar het oordeel komt en zet zich om van al die hoogmoed kennis te nemen. De heerschappij van de kleine hoorn wordt verwoest en vernietigd. Men kan hier nog opmerken, dat het in feite de kleine hoorn is die ten slotte de opperste macht zal bezitten. Het is zijn heerschappij die vernietigd wordt.
Daarna worden het koninkrijk en de heerschappij onder de ganse hemel aan het volk van de heiligen van de hoge plaatsen gegeven. Het lijkt me dat de betekenis van deze uitdrukking, hoe opvallend ze ook moge zijn, toch duidelijk genoeg is. De Allerhoogste regeert, maar Hij regeert in verbinding met een systeem, dat openbaart: “dat de hemelen regeren”, zoals het in verband met dit onderwerp in het geval van Nebukadnezar wordt gezegd. De mens van de aarde wil regeren en daagt de hemel uit. Hij wil de aarde onttrekken aan de regering van Hem, Die in de hemel woont en haar onafhankelijk van God bezitten. Nu, het oordeel toont zijn dwaasheid aan en de Allerhoogste regeert voor eeuwig. Aan de heiligen die Hem erkend hebben, wordt het oordeel en de heerlijkheid gegeven en het volk op aarde dat tot hen behoort ontvangt de hoogste macht en heerst. Dit zijn de Joden, maar het is God Die ten slotte regeert.
Er zijn twee woorden die door “Allerhoogste” en “hoge (plaatsen)” vertaald worden; één in het enkelvoud en het andere in het meervoud. Dit laatste woord betekent dan “hoge (plaatsen)”. Ik twijfel er niet aan, dat dit woord aanleiding gaf tot het gebruik van de uitdrukking “hemelse gewesten” in de brief aan de Efeziërs, waar echter de strekking ervan veel verder gaat. Want hier gaat het slechts om de regering en in de brief aan de Efeziërs om dingen, die tot de hemelse gewesten behoren of daarin zijn. Door dit onderscheid kunnen we goed het verschil zien tussen de Gemeente of zelfs de christenen en de heiligen van de hoge plaatsen uit Daniël. In het geval van de christenen gaat het om personen, die op zijn minst in de geest genieten van de zegeningen in de hemelse gewesten, omdat ze in Christus daarin gezet zijn en strijden tegen de geestelijke boosheden die daar zijn. Hier daarentegen gaat het erom, de regering die rechtens aan de hemelen en aan Hem, Die daar regeert toebehoort, te erkennen, in tegenwoordigheid van een macht, die Hem verloochent en tegen Hem opstaat, omdat ze slechts zichzelf op de aarde erkent. De bedoeling van de profetie is duidelijk en zeer gemakkelijk te begrijpen. Het recht van regering van de hemelse gewesten te erkennen, of het daarin gezet zijn om van de zegeningen, die die plaats eigen zijn te genieten, zijn twee geheel verschillende dingen. Alles heeft zijn eigen plaats in de gedachten van God waarin volmaakte orde heerst.
Samenvattend hebben we dus, behalve de macht van de vier dieren in het algemeen, de westelijke macht in tien delen verdeeld. Deze macht gaat ten slotte over in de handen van de kleine hoorn, die drie van de tien hoornen neerslaat, zich tegen God in de hemel verheft, de heiligen vervolgt en overwint, hen die zich met de God van de hemel één maken door zijn vervolgingen vernietigt en alle Joodse inzettingen afschaft, maar ten slotte zelf wordt tenietgedaan. Deze verbreking van het Joodse systeem duurt drie en een half jaar of 1260 dagen; een tijdsduur die alleen op dit laatste punt betrekking heeft. Alle andere bijzonderheden zijn karaktertrekken en hebben niets te doen met de tijdsaanduiding.
De regering van de aarde, voorheen in de persoon van Nebukadnezar toevertrouwd aan de mens, wordt niet, zoals het destijds in Jeruzalem was, hersteld als een zuiver aardse troon. Inmiddels hebben de heiligen, ten overstaan van de opstandigheid van de aardse macht tegen de Allerhoogste, een karakter aangenomen, dat voortkomt uit het feit dat ze naar de hemelen zien en naar Hem Die er regeert (daar God in betrekking met Zijn regering over de aarde de Naam van “God van de hemel”, Daniël 2:37, aangenomen heeft). De positie die deze gelovigen zo innemen is zeer begrijpelijk, als men bedenkt, dat God Jeruzalem verlaten had. De heiligen van de hoge plaatsen zullen het koninkrijk ontvangen. Maar na het oordeel over de opstandige hoorn krijgt het aardse volk de heerschappij onder de gehele hemel, maar in afhankelijkheid van hen die in de hemel gezeten zijn.
We hebben dus drie duidelijke en belangrijke bestanddelen van de wegen van God:
- De aardse troon van Jeruzalem is verlaten en de troon van de volken wordt door het gezag van God, de God van de hemel, opgericht. Deze macht van de volken staat op tegen Hem, Die haar het gezag heeft gegeven;
- De heiligen worden hierdoor onderscheiden, dat zij Hem die door de aardse macht wordt verloochend, erkennen; ze zijn van de hemel, waar God Zijn plaats en troon nu heeft, nu Hij niet meer in Jeruzalem op de aarde is.
- Het oordeel over de opstandige macht wordt uitgevoerd; oordeel gegeven aan deze heiligen van de hoge plaatsen; en in verbinding met hen wordt het aardse volk in het bezit gesteld van het koninkrijk, dat onder de hemel is.
Dit is de heerschappij van de God van de hemel, die niet vergaan zal. Het karakter van Hem, Die voor alles het koninkrijk ontvangt, is hiermee in overeenstemming. Het is hier niet de Messias, Die als Koning in Sion wordt erkend, maar Iemand in de gedaante van de Zoon des mensen; een titel van veel grotere strekking en van veel uitgebreider betekenis. Het is de verandering van Psalm 2 naar Psalm 8, ontstaan door de verwerping van de Messias. En niet alleen dit, maar als de feiten hun vervulling krijgen zien we, dat het de Oude van dagen Zelf is die komt en die een einde maakt aan de macht, die de heiligen kwelde. Christus is dus Jahweh Zelf, zoals dit door de psalmen en de evangeliën op zo overvloedige wijze wordt aangetoond.
We hebben hier dus de grote schilderij van de regering van de mens, die zich aan het einde, in overeenstemming met geheel zijn eigen wezen zal openbaren. Tevens zien we zijn terzijdestelling door de regering van God, Die de getrouwen, maar boven alles de Zoon des mensen Zelf en Zijn volk op de aarde, bevestigt in gezag. De heiligen van de hoge plaatsen zullen dus zij zijn, die, als de Gemeente (die in Daniël 7 niet gezien wordt) zal zijn opgenomen, opzien naar boven en erkennen, dat de macht zich daar bevindt en die – als ze door een opstandige macht ter dood zijn gebracht – hun plaats daarboven hebben. We vinden ze terug in de Openbaring, in het bijzonder in hoofdstuk 20 en hier in twee groepen. Het volk van de heiligen is het gespaarde overblijfsel op de aarde.
Hoofdstuk 8
Dit hoofdstuk geeft ons bijzonderheden over gebeurtenissen die de Joden betreffen, maar die Judea van een andere zijde beroeren. De twee wereldmachten, Perzië en Griekenland, ofwel de machten van het oosten, die het rijk van Babylonië, onder welke deze profetie gegeven werd, opvolgden, worden slechts genoemd om de landen aan te duiden waar de gebeurtenissen zich moeten afspelen en om die rijken in hun historische volgorde aan ons voor te stellen. Het Perzische rijk wordt door de Griekse koning vernietigd. Het rijk van deze laatste wordt dan vervolgens in vier koninkrijken verdeeld. Uit één hiervan verheft zich een macht, die het voornaamste voorwerp van de profetie uitmaakt.
In de uitlegging vinden we de stellige verklaring, dat de gebeurtenissen die zijn meegedeeld, aan het einde van de gramschap moeten plaatsvinden. Nu, het gaat hier om de gramschap tegen Israël (hoofdstuk 11:36 van dit boek). Ook in Jesaja 10:25 wordt van deze periode van gramschap gesproken, ze eindigt met de vernietiging van de Assyriër (vers 5) die er het voornaamste werktuig van is. Al deze Schriftplaatsen laten ons zien, vooral als we hun samenhang nauwkeurig bestuderen, dat de in deze profetieën genoemde gebeurtenissen in de laatste dagen zullen vervuld worden. Dit zal de tijd van benauwdheid voor Jakob zijn. Maar hij zal eruit verlost worden. De Heer Zelf herinnert aan dit tijdperk (Mattheüs 24) en zegt Zijn discipelen aandacht te schenken aan wat Daniël ervan gezegd heeft. Vergelijk Daniël 12:1-11 met de woorden van de Heer. Het lijkt me dat de profetie zelf in dit hoofdstuk niet zo uitsluitend op de laatste dagen doelt, als de verklaring die ervan gegeven wordt 4. Het kenmerkende in deze profetie is niet de uiteindelijke afsluiting van de tijd van de toorn, maar het feit, dat een kleine hoorn zich uit één van deze vier koninkrijken die Alexander opvolgden, verheft. Evenwel is het grote doel van de Geest te openbaren, wat zich in de tijden van het einde zal afspelen (vers 17).
Laten we de voornaamste karaktertrekken van de kleine hoorn eens bestuderen. De macht, die aangeduid wordt door “de kleine hoorn” breidt haar grondgebied uit naar het oosten en naar het sierlijke land of het sieraad (van de aarde). Dat wil, naar het mij lijkt, zeggen: in de richting van Jeruzalem of Sion. Deze hoorn verheft zich tegen het heir van de hemel en werpt sommigen ervan en van de sterren op de aarde en vertreedt ze.
Wie zijn nu de personen, die met deze uitdrukking “het heir van de hemel en de sterren” worden aangeduid? Laat ons eraan denken, dat het hier om het Joodse systeem gaat. Als men dit eenmaal goed begrepen heeft, is de toepassing van dit gedeelte niet moeilijk. Er is hier sprake van hen, die (op zijn minst wat hun belijdenis betreft) de troon van God omringen, en in het bijzonder van hen die in hun midden op bijzondere wijze schijnen. Het zijn niet de getrouwen, die naar de hemel zien, van welke hoofdstuk 7 spreekt. Het heir van de hemel te zijn, drukt een positie uit en niet een zedelijke toestand (vergelijk vers 24). Maar deze Schriftplaats veronderstelt, dat de Joden zich weer opnieuw in die positie voor God bevinden, al is het dan ook alleen voor het oordeel. Dat wil zeggen, dat ze weer opnieuw onder de ogen van God zijn, als degenen die met Hem in betrekking staan, als een voorwerp waarmee Hij Zich bezighoudt; een volk, dat met het oog op zijn oude relaties met Hem, verantwoordelijk is, hoewel de macht van de volken nog steeds bestaat. Nu, als hun toestand niet beantwoordt aan de positie die zij tegenover Hem weer innemen, dan worden ze juist door het feit, dat ze zich in die positie bevinden, de voorwerpen van Gods oordelen.
Merk verder nog op, dat het hier gaat om overtreding en niet om de gruwel die door iemand wordt opgezet, waardoor de verwoesting wordt veroorzaakt, en dat ook in de uitlegging de overtreding haar hoogtepunt heeft bereikt.
Deze hoorn is dus het werktuig van de kastijding, die over de Joden komt, die – wat hun belijdenis betreft – weer in betrekking staan met Jahweh en in hun land zijn teruggekeerd, waarbij ze zich aanmatigen het karakter van Zijn volk te dragen, maar die in werkelijkheid de overtreding tegen Hem op de spits drijven. De hoorn vernietigt sommige van hen volkomen. Maar dit is nog niet alles, want hij (misschien wordt hier de koning persoonlijk bedoeld, want er staat niet “het” wat met het oog op het woord “hoorn” eigenlijk moest) staat op tegen de Vorst van dat heir. Hij drijft zijn aanmatigingen zover door, dat hij zich tegen Hem verzet. Hij verheft zich tegen Christus in Zijn karakter van Hoofd van Israël. Tegen de Rechter, Die komt, het Hoofd van Israël, wat Jahweh Zelf is. Want zoals wij gezien hebben, het is de Oude van dagen die komt. Hier echter wordt alles uit een Joods gezichtspunt bezien. Hij is de Vorst van Israël. We zien dat het Jahweh is, want het is Zijn offer dat werd weggenomen en Zijn heiligdom dat werd neergeworpen. Maar Hij wordt voorgesteld als de Vorst van het heir 5. Het gedurig offer wordt van Dezelve weggedaan, dus niet door Dezelve 6. De Joodse eredienst die aan Jahweh werd gebracht, wordt onderdrukt, Zijn heiligdom omvergeworpen en een tijd van angst en nood (zo versta ik dit vers) wordt het gedurig offer opgelegd, wegens de overtredingen. Ten slotte werpt de kleine hoorn 7 (de vorm van het woord heeft nu weer betrekking op de hoorn) de waarheid ter aarde, handelt en heeft voorspoed.
De tijdsduur van het gehele gezicht, in bijzonder verband met de overtreding die aanleiding geeft tot het gezicht, is 2300 avonden en morgens. Misschien kan men zeggen, dat de tijdsduur van de overtreding, die de verwoesting veroorzaakt, erbij inbegrepen is. In één woord, het gehele tafereel van overtreding en als gevolg verwoesting, terwijl het heiligdom en het heir vertreden worden, duurt deze tijd.
In vers 19 zien we, dat de verklaring van het gezicht betrekking heeft op de tijd van het einde; een zeer belangrijke aanwijzing voor het verstaan van deze Schriftplaats 8. En dit is, wat er zal gebeuren aan het einde van de gramschap (over Israël), als de overtreding van de Joden haar hoogtepunt bereikt zal hebben. Eén zal opstaan, hard van aangezicht en die raadsels (of listen) verstaat. Een soort leraar of rabbi, maar trots, schaamteloos en vermetel in zijn verschijning. Hij zal machtig zijn, maar niet door zijn eigen kracht. Hij zal grote schade veroorzaken, voorspoedig zijn en handelen. Hij zal machtigen of een groot aantal personen, vernietigen, in het bijzonder het volk van de heiligen, dat wil zeggen de Joden (zie hoofdstuk 7:27). Hij is sluw en zijn listen gelukken. Hij verheft zich in zijn hart en zal velen door middel van een valse en godvergeten zekerheid verderven. Ten slotte zal hij opstaan tegen de Vorst der vorsten. Dan wordt hij verbroken, zonder menselijke tussenkomst. Dit betekent, dat in de tijd van het einde, als de ontknoping van de raadsbesluiten van God zal plaatsvinden en Zijn toorn tegen Israël zijn einde nadert, als de overtreding van dit volk al haar hoogtepunt heeft bereikt, een koning in een deel van het oude Griekse rijk zal opstaan, wiens macht zal gekenmerkt worden door uitbreiding naar het oosten en zuiden en in de richting van Jeruzalem. Dat wil zeggen dit rijk zal daar worden opgericht, waar nu het Aziatisch Turkije te vinden is, 9 waarbij Jeruzalem het doel is waarnaar dat rijk dan streeft. Deze macht zal veel verwoesting veroorzaken en haar kracht zal groot zijn, maar het zal eigenlijk niet haar eigen kracht zijn. De koning zal afhankelijk zijn van een andere macht. Hij zal ook het Joodse volk verderven. Maar hij wordt niet alleen gekenmerkt door het feit, dat hij verderven zal. Nee, hij bezit bovendien een wijsheid, die in sommige opzichten aan de wijsheid van Salomo doet denken. Hij is zeer sluw en slaagt erin de Joden te verderven, door ze in slaap te wiegen met een kunstmatige zekerheid, die hen Jahweh doet vergeten.
We zien dus, dat hij zich niet alleen als een veroveraar met de Joden bezighoudt, maar ook als een leraar die list gebruikt en een valse vrede. Ten slotte staat hij op tegen Christus, in Diens karakter als de Vorst van de vorsten of koningen van de aarde, dat wil zeggen in Zijn karakter van aards oppergezag. Dan wordt hij door Goddelijke macht, zonder de hand van een mens, vernietigd.
Deze koning moet onderscheiden worden van de kleine hoorn uit hoofdstuk 7, die het grote dier van het westen beheerst. Het is een koning van het oosten, die voortkomt niet uit het Romeinse keizerrijk, maar uit het vroegere Griekse rijk, dat in Syrië en in de aangrenzende gebieden bestaan heeft en zijn kracht niet aan zichzelf of zijn eigen bronnen ontleent. Hij zal zich op zijn eigen wijze met de godsdienstige zaken van de Joden bemoeien. Maar het lijkt me dat wat van hem gezegd wordt, eerder het kenmerk is van de verwoester, waarvan God, wegens de overtreding van Zijn volk, de vijand toestaat hem te verwekken, dan van diegene die voor een tijd een verbond met het volk sluit, met het doel om het later te verderven en het in de diepten van de afval te sleuren. Het is diegene, die het volk zal verdrukken vanuit de zetel van zijn werkzaamheid in het oosten, zoals de kleine hoorn uit hoofdstuk 7 in het westen 10 heerst.
Als we van deze kleine hoorn horen, komt de gedachte aan verwoesting naar voren. Vers 11 is een soort van tussenzin, 11 die in zijn geheel betrekking heeft op de Vorst van het heir.
De laatste twee feiten, die daarin genoemd worden, namelijk dat het offer van Hem is weggenomen en Zijn heiligdom omvergeworpen, worden ons in verband met het Hoofd van het heir, als een deel van de verwoesting van Israël, getoond, om hiermee de omschrijving volledig te maken, zonder dat hiervan, naar het mij lijkt, de uitvoerder wordt aangegeven. In de geschiedenis van de koning zelf, aan het eind van het hoofdstuk, worden ze niet genoemd. Het is een deel van de verwoesting in die tijden, waarvan vers 11 spreekt.
Hoofdstuk 9
Hoofdstuk 9 geeft ons, als gevolg van de belijdenis en voorspraak van Daniël, een visioen ten aanzien van het volk en de heilige stad. Zoals we al hebben opgemerkt, staat het in verband met de onderdrukking door de westelijke macht. De bijzonderheden hebben inderdaad betrekking op de onderdrukking. De profeet had begrepen (niet door een rechtstreekse openbaring, maar door het bestuderen van de profetie van Jeremia; door het gebruik van de gewone middelen, die ter beschikking staan van de geestelijke mens), dat het einde van de gevangenschap nabij was. De duur was door Jeremia aangekondigd. De uitwerking hiervan op de geest van Daniël was (een echt teken dat hij een profeet van God was), een vurige voorspraak ten gunste van het verwoeste heiligdom en van de door Jahweh geliefde stad. Hij stort zijn hart in belijdenis voor God uit, erkent de zonde van het volk en van de koningen, de hardheid van hun harten en de rechtvaardigheid van God, Die het kwaad over hen had laten komen. Hij beroept zich op de barmhartigheden van God, en smeekt om genade omwille van Jahweh’s eigen zaak. De profetie is Gods antwoord op dit gebed. Zeventig weken zijn bestemd over het volk van Daniël en over zijn heilige stad. Jahweh erkent het volk en de stad niet uitdrukkelijk als van Hem zijnde, maar Hij aanvaardt de voorspraak van de profeet, zoals Hij in het verleden die van Mozes had aangenomen, door tot Daniël te zeggen: “Uw volk en uw stad”. Daniël neemt de plaats in van middelaar. Hij bezit de gedachten van God, Zijn woorden, en op deze wijze kan hij tussenbeide treden (Vergelijk Genesis 20:7; Jeremia 27:18; Johannes 15:7 met betrekking tot dit zo hoogst interessante onderwerp).
Aan het einde van deze zeventig weken – een periode die uit de eeuwen wordt afgezonderd – zou de door God bepaalde tijd komen om de periode van overtreding af te sluiten; om de zonde te verzegelen (dat wil zeggen om er een eind aan te maken en haar weg te doen); om de ongerechtigheid te vergeven en een eeuwige gerechtigheid aan te brengen; om elk visioen en profetie te verzegelen en om de heiligheid der heiligheden te zalven. En dit alles – let hier wel op – slaat op het volk van Israël en de stad. Dit is het volledige herstel in genade van het volk en van de stad.
Deze periode van zeventig weken wordt in drie gedeelten verdeeld: zeven weken, tweeënzestig weken en één week. Gedurende het eerste gedeelte, dus de zeven weken, zou de verwoeste stad en haar omgeworpen muren in benauwdheid der tijden, ofwel door moeilijke tijden heen, weer opgebouwd worden. Na tweeënzestig weken, dat wil dus zeggen na in het geheel negenenzestig weken, zou de Messias worden uitgeroeid en niets bezitten (dit is de ware betekenis van de woorden). Hij, aan Wie het koninkrijk en de heerlijkheid toebehoorden, zou in plaats van dit te ontvangen, worden afgesneden en niets bezitten. Maar na deze gebeurtenis zouden de stad en het heiligdom, die weer opgebouwd waren, vernietigd worden. Het einde zou als een verwoestende vloed zijn en tot aan het einde van de oorlog, zou er een vast besloten, of bepaald verordende, verwoesting zijn. Dit is in het algemeen de volledige geschiedenis van de verwoestingen. Negenenzestig weken zijn vervuld. Daarna is de Messias weggedaan, zonder dat het ogenblik van deze gebeurtenis nauwkeurig is aangegeven. Dit heeft de loop van de zeventig weken volkomen onderbroken. Het wegdoen van de Messias was niet het ogenblik waarop het volk en de stad weer hersteld werden. Het resultaat hiervan wordt duidelijk aangekondigd: er zou een periode van verwoestingen zijn tot aan het einde toe, waarvan de duur niet wordt aangegeven. In hoofdstuk 11 zullen we zien, hoe een soortgelijke periode op dezelfde wijze wordt behandeld. Het volk van een vorst die komen moest, zou de stad vernietigen.
Vervolgens neemt de Geest van God de zeventigste week weer op, waarvan de bijzonderheden nog niet ontwikkeld waren. De vorst die komen zal bevestigt een verbond met de massa 12 van de Joden. Dit is het eerste feit, waardoor de week wordt gekenmerkt. De Joden verbinden zich met het hoofd dat er dan zal zijn, van het volk dat voorheen hun stad en heiligdom had verwoest. Ze sluiten een verbond met het hoofd van het Romeinse rijk. Dit heeft betrekking op de week als een geheel. Maar nadat de helft 13 van de week is voorbijgegaan, verandert het beeld van de dingen. Het hoofd doet het slacht- en spijsoffer ophouden en omdat men bescherming zoekt bij de afgoden, zal er een verwoester zijn. En tot aan de vastbesloten 14 voleinding zal het (oordeel) over het verwoeste uitgestort worden. Hier wordt ons dus aangekondigd, dat zeventig weken apart worden gesteld voor de geschiedenis van de stad en het volk van Daniël. Gedurende deze zeventig weken, staat God in verbinding met Israël 15. Echter niet op rechtstreekse wijze, maar in verbinding met het geloof van een getrouw overblijfsel, van een Daniël, van een voorspraak, die – door zich met het bestaan van een overblijfsel te verbinden – dient als band tussen God en het volk. Zonder deze voorspraak zou het volk verworpen zijn. Het is hetzelfde beginsel als dat wat de relaties van God met het volk, door tussenkomst van Mozes beheerste, na het gouden kalf. Want nu wordt het volk: het volk van Daniël genoemd, zoals het in Exodus 32:7 het volk van Mozes heette. Dit is een merkwaardige positie, als men eraan denkt, dat dit alles gebeurt nadat het gezag van de volken is ingesteld. De Joden zijn te Jeruzalem, maar de volken regeren, hoewel het Babylonische rijk verbroken is. In deze abnormale positie zoekt het profetische geloof naar het volledige herstel van de stad, die de zetel is van de regering van God en van Zijn volk. En hierop heeft het antwoord van God betrekking. Een korte, maar volledige geschiedenis wordt ons gegeven van de periode die verlopen zou totdat het oordeel over de Joden zou volbracht en beëindigd zijn.
Tevens wordt een nieuw grondbeginsel van het hoogste belang ingevoerd: de Messias zou worden afgesneden. Hij zou niets bezitten van wat Hem rechtens toebehoorde. Het gevolg hiervan zou zijn: vernietiging van de stad en van het heiligdom, verwoesting en oorlog.
Het zou de vorst van een ander, nog niet bestaand wereldrijk zijn, die op deze wijze de stad en het heiligdom zou vernietigen. Dan zouden voor een ogenblik de relaties tussen God en het volk volledig verbroken worden, zelfs ten aanzien van een gelovig overblijfsel. Het geloof van Daniël zou verworpen worden in de Persoon van Christus als de Profeet, en in de verloochening van Christus, uitgedrukt in de verklaring, dat zij geen andere koning wilden dan de keizer. Het volk en de stad zouden daarom aan de verwoesting worden prijsgegeven.
Maar er bleef nog, in verband met dit ongelovig en verdorven, en toch geliefde geslacht, één week ter vervulling over, voordat zijn ongerechtigheid zou worden vergeven, een eeuwige gerechtigheid ingevoerd en het gezicht en de profetie door hun vervulling zou worden afgesloten. Deze week zou gekenmerkt zijn door een verbond, dat de vorst of leider met het Joodse volk (met uitzondering van het overblijfsel) zou sluiten en dan door de gedwongen opheffing van hun eredienst, door de tussenkomst van deze vorst. Als dan de Joden bescherming zoeken bij de afgoden, deze onreine geest die door het volk voor een lange tijd was uitgedreven, maar die nu met zeven andere geesten, bozer dan hijzelf, terugkeert, komt de verwoester en wordt het laatste oordeel over de Joden uitgeoefend. Verschrikkelijke oordelen, maar de grenzen ervan zijn door God op besliste wijze vastgesteld en het zal worden beëindigd als de maat vol zal zijn. Zo bezitten we dus een zeer nauwkeurig antwoord op de smeekbede van de profeet: een antwoord dat op zeer nauwkeurige wijze de gevolgen ontwikkelt van de verbinding van het volk van Daniël met de macht van de volken. De positie van het volk wordt op duidelijke wijze voorgesteld, terwijl de betrekking tot God in verband met de voorspraak van de profeet blijft bestaan.
De profetie kondigt tegelijkertijd het algemene feit aan, dat het volk, nadat de negenenzestigste week voorbij is, na een ogenblik van schijnbare rust door de gunst van het dier, tot aan het einde van de zeventigste, door verwoesting getroffen zou worden. Dit zou veroorzaakt worden door de verwerping van de Messias en wel op een ogenblik, waarop de aan de profetie verbonden beloften op het punt stonden vervuld te worden. De verwerping van de Messias (Die in de Naam van Zijn Vader kwam), leidde tot de lange verstrooiing van de Joden, die duren zal tot de tijd dat ze bijeengebracht worden, ten prooi aan de ongerechtigheid van het hoofd van de volken. Ja, tot aan de tijd, dat ze in de handen zullen vallen van hem, die in zijn eigen naam zou komen. Een droevige toestand gedurende de laatste week, die ons geschilderd wordt, maar aan welke God grenzen gesteld heeft, opdat geen enkel kwaad van de vijand die zou overschrijden.
Hoofdstuk 10-12
In hoofdstuk 10 keren we weer terug naar het oosten 16. De hoofdstukken 10, 11 en 12 vormen samen slechts één profetie. Alleen sluit hoofdstuk 11 de geschiedenis van de volken af, terwijl hoofdstuk 12, zoals we in het begin al hebben opgemerkt, zich met de toestand van het overblijfsel, gedurende de laatste periode van de macht van de volken, bezighoudt en met de verlossing van dit overblijfsel. Op deze wijze sluit het de openbaring van de gedachten van God ten opzichte van het overblijfsel, dat te midden van de volken bewaard blijft, af.
Het hart van Daniël, altijd bezig met het welzijn van zijn volk, roept (verzen 2,3 en 12) in een nederige en volhardende geest van afwachting tot God, om Zijn wegen te verstaan. Na drie weken van vasten en bidden, wordt hem een engel gezonden, die hem de tegenstand laat zien van de vijanden van de heerlijkheid van God tegen de vervulling van Zijn raadsbesluiten van gunst tegenover Zijn volk en de mededeling van deze raadsbesluiten tot hun bemoediging. Maar als het geloof werkzaam is, dan is God getrouw. De volharding van Daniël stelt hem zedelijk in staat de mededelingen van God te waarderen, wat tevens in zichzelf het bewijs was, dat hij bekwaam was die mededelingen te ontvangen.
De engel zegt hem, dat het gezicht de Joden betreft, en dat het voor de laatste dagen bestemd is (hoofdstuk 10:14). Alleen de kracht die hem gegeven wordt, stelt hem in staat de mededelingen te ontvangen. De Perzische koningen, onder wier regering hij het visioen ontvangt, worden eerst opgesomd, en de aanval van één van hen tegen Griekenland aangekondigd. Dit geeft aanleiding tot een aanval van Griekenland tegen Perzië en het Griekse rijk wordt gevestigd, maar valt later in vier delen uiteen. Twee van deze koninkrijken zouden machtiger zijn dan de andere. Wat hun grondgebied betreft, stonden zij in verbinding met de Joden. En op diens grondgebied vechten ze hun oorlogen uit. De geschiedenis van de koningen van deze twee machten, die dus op het grondgebied van Israël hun conflicten uitvechten, wordt ons op een tamelijk gedetailleerde wijze gegeven, onder de namen van de koning van het noorden en de koning van het zuiden. Ik ga op deze bijzonderheden niet nader in.
De geschiedenis wordt voortgezet tot het tijdstip, waarop de Romeinen – de schepen van de Kittieten 17 – tussenbeide komen en de aanval tegen de Joden en de tempel, alsmede tegen het heilige verbond plaatsvindt. De koning van het noorden verbindt zich met de afvallige Joden. Hij ontwijdt het heiligdom, plaatst er een afgod in en neemt het gedurig offer weg. Hij sleept de goddelozen mee in de afval (dit is de kracht van de uitdrukking van vers 32). Maar zij die God kennen, zullen sterk zijn en met kracht handelen. De verstandigen, die door God onderricht zijn, zullen de velen onderwijzen.
Tot hiertoe hebben wij de opeenvolging van de eerste koningen en de geschiedenis uit de tijd van de Makkabeeën en van Antiochus Epiphanes. Het laatste gedeelte van deze geschiedenis is al een beeld van wat in de laatste dagen zal gebeuren. Het resultaat tot aan het einde toe wordt dan in algemene trekken meegedeeld. Het volk valt weer opnieuw voor een tijd in de handen van zijn vijanden. In zekere mate zal het geholpen worden; velen zullen zich door vleierijen tot hen voegen. Zelfs enkele van de verstandigen (St. Vert.: leraars), van wie men had kunnen verwachten, dat ze op voorzienige wijze door God bewaard zouden worden, zullen door geweld vallen. Hierdoor zal het geloof van allen beproefd en gereinigd worden tot de tijd van het einde. Want deze toestand moet voortduren tot het tijdstip, door God bepaald. Dit is dan de toestand van de Joden in het algemeen tot de tijd van het einde, maar meer in het bijzonder in die dagen, dat is in de tijd van de “Seleuciden” en de “Lagiden”, de koningen van het noorden en van het zuiden.
Enige opmerkingen over de bijzonderheden zullen hier nuttig zijn. In de plaatsen hoofdstuk 9:27; 11:33 en 12:3 heeft het woord, dat vertaald is door “velen”, het lidwoord in het Hebreeuws. Het is dus “de velen” en betekent de massa van het volk. Dit maakt het verstaan van deze verzen veel eenvoudiger. De lezer lette tevens in tegenstelling tot “de massa” in 11:33 op het woord de “Maskilim”, dat wil zeggen de verstandigen, welk woord men in de opschriften van een groot aantal psalmen terugvindt. De verstandigen (wijzen), dat zijn zij, die door God onderricht zijn, zullen de massa onderwijzen. De liefde tot de waarheid zal in deze tijden van beproeving actief zijn. In hoofdstuk 12:3 vinden we opnieuw deze wijzen, verbonden met hen die de massa onderwijzen in de gerechtigheid. Vergelijk hoofdstuk 11:33. In vers 35 vinden we ze weer terug, als slachtoffers van het geweld. We hebben gezien, dat de draagwijdte van dit laatste vers zich uitstrekt tot aan het einde van de geschiedenis van dit volk als onder de macht van de volken. Maar meer positieve bijzonderheden worden gegeven met betrekking tot het einde.
De koning 18 komt op het toneel (11:36), de goddeloze die in Judea de macht zal uitoefenen aan het einde van de eeuw en voorspoedig zal zijn tot “de toorn voleindigd zal zijn”, een tijdperk waarover we al gesproken hebben. Het is een koning die in het land van Juda optreedt. Hij heeft een goddeloos karakter en volgt zijn eigen ongebreidelde wil. Hij verheft zich boven alles, geeft de godsdienst van zijn vaderen op, bekommert zich niet om Christus noch om welke god dan ook, spreekt lasteringen uit tegen de God van de hemel en stelt op zijn eigen manier de afgodendienst in.
Inmiddels zal hij ze doen heersen over de velen en hij zal het land uitdelen om prijs (vers 39). Het is enigszins moeilijk te zeggen, wie hij wil laten heersen. Ik vermoed zijn volgelingen. Maar het algemene karakter van deze eigenwillige, goddeloze en afgodische koning die zich boven alles verheft, is voldoende duidelijk. In het verdere verloop van het hoofdstuk zien we, dat de koning van het zuiden hem aanvalt en de koning van het noorden tegen hem aanstormt als een wervelwind, de landen overstroomt, er doorheen trekt en in het land des sieraads komt, in Judea. Maar Edom, Moab en Ammon ontkomen aan zijn macht, daar ze bewaard worden (Jesaja 11:14), om door Israël zelf te worden onderworpen. Hij legt zijn handen aan de landen en plundert alles. Egypte ontkomt niet, terwijl de oostelijke gebieden van Afrika in zijn gangen zijn (Vert. Darby: zijn voetstappen volgen). Maar opgeschrikt door de geruchten uit het noorden en het oosten slaat hij zijn tenten tussen Jeruzalem 19 en de zee op en vindt dan – zonder dat iemand hem helpt – zijn einde. Het einde van de koning wordt ons hier niet gegeven. Wat wij hier vinden is het einde van de koning van het noorden. Want het gaat hier om de volken en om het land Israël en om dat wat met het volk van Daniël gebeuren zal in de laatste dagen. Deze boze en goddeloze koning zal in het land zijn en worden aangevallen door de koning van het zuiden. Dan zal de koning van het noorden al deze gebieden met uitzondering van drie overweldigen en daarna in het land van Israël ten ondergaan.
Hoofdstuk 12 handelt meer in het bijzonder over de geschiedenis van Israël zelf. Te midden van al deze gebeurtenissen zal de aartsengel Michaël opstaan ten behoeve van het volk van Daniël. Het is een tijd van benauwdheid, zoals er nooit geweest is en ook nooit meer zal zijn. Toch zal het volk worden verlost, dat wil zeggen zij die geschreven staan in het Boek (het overblijfsel van God). Jeremia heeft ons al van deze tijd en van de bevrijding gesproken (hoofdstuk 30:7). De Heer spreekt er eveneens van (Mattheüs 24), waarbij Hij de aandacht van de discipelen vestigt op de gruwel der verwoesting, waarvan sprake is in dit hoofdstuk. Hij laat duidelijk zien, dat Hij spreekt over Jeruzalem, de Joden en de laatste dagen, als de Joden bevrijd zullen worden. Hij toont ons eveneens hoe de getrouwen, terwijl de verdrukking voortduurt, ontkomen moeten. Deze Schriftplaatsen samen genomen, maken het verstaan van elke plaats afzonderlijk, tamelijk gemakkelijk. Vers 2 strekt zich verder uit dan tot het land Israël, dat tot hiertoe het toneel van de profetie is geweest. Maar de toestand van hen, van wie dit vers spreekt, wordt op zo’n wijze voorgesteld, dat men de landen waarin ze verstrooid zijn niet kan herkennen. Velen van het geslacht van Israël ontwaken uit hun langdurige vernedering. Sommigen tot eeuwig leven, maar anderen tot een eeuwige afgrijzing. De verstandigen zullen schijnen als de glans van het uitspansel, en zij die de velen hebben onderwezen in de gerechtigheid, als de sterren. (Vergelijk het heir van de hemel en de sterren in hoofdstuk 8). God zal hen, die gedurende deze tijd van opstand en nood getrouw geweest zijn, bekleden met de glans van Zijn gunst.
Vervolgens vraagt één van de boodschappers van God, aan de in linnen geklede man, die op het water van de rivier was, hoeveel tijd er zou verlopen, voordat het einde zou komen van deze wonderen (t.w. van de verdrukking), door de tussenkomst van God in bevrijding voor Israël. Het antwoord is: drie en een half jaar of 1260 dagen; en verder, dat, als God aan de verstrooiing van het heilige volk een einde zal hebben gemaakt, al deze dingen voleindigd zullen zijn. Daniël vraagt nog om een meer volledige openbaring in verbinding met het einde, maar de Goddelijke uitspraken zijn verzegeld tot aan de tijd van het einde. Nog velen zullen gereinigd, wit gemaakt en gelouterd worden, maar de goddelozen zullen goddeloos handelen. Helaas, dit moet men verwachten. Geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het begrijpen, dat wil zeggen die “Maskilim” van wie de Geest ons heeft gesproken.
Nu, van de tijd af, dat het gedurig offer weggenomen zal zijn en de gruwel der verwoesting opgericht, zullen er 1290 dagen zijn. Maar op de vervulling van 1335 dagen 20 moet ook dan gewacht worden; er zal een volkomen zegening zijn, voor hem die op de vervulling hiervan wacht en deze bereikt. Daniël zelf zal delen in deze heerlijke tijd.
Letten we er wel op, dat Daniël nooit de periode beschrijft die op de tijden van de volken volgt. Hij geeft de geschiedenis van die monarchieën, de onderdrukkers en verleiders van de Joden in de laatste dagen en de bevrijding van het volk; maar hier blijft hij staan. Hij is de profeet van de tijden van de volken tot aan de bevrijding.
Het is mogelijk, dat de lezer het gewenst acht voor een meer volledig begrip van het onderwerp, de werking van de instrumenten die de profetie van Daniël ons toont, als handelende in het land van Israël in de laatste dagen, te combineren, en indien mogelijk te vereenzelvigen met andere werktuigen door andere profeten genoemd. Maar dit zou betekenen het maken van een systeem van de profetie en niet het verklaren van het boek Daniël. De Geest van God heeft het bij deze profeet niet gedaan, en ik beperk me tot het bestuderen van hem alleen. Ik zal dus slechts enkele op de voorgrond tredende punten aangeven.
Hoofdstuk 7 geeft ons het kenmerk van het Romeinse rijk, in het bijzonder onder zijn laatste hoofd. Dit is het einde van de geschiedenis van de macht van de volken. Ik heb vaak overwogen, of de koning die in hoofdstuk 8 beschreven wordt, het werktuig zou kunnen zijn van de westelijke macht. Het schijnt me echter na zorgvuldige overweging toe, dat dit hoofdstuk aan de hoorn een ander 21 karakter geeft, dan aan hem die de westerse macht vormt, hetzij als kleine hoorn hetzij als uitgeoefend door een of ander plaatselijk werktuig. Het is een oosterse macht, die opkomt uit een van de vier rijken, waarin het keizerrijk van Alexander werd verdeeld. Hij krijgt echter zijn kracht van een ander; het is een alleenstaande macht, die in Syrië zijn werkzaamheid uitoefent.
In hoofdstuk 9 vinden we hem, die in het midden van de Joden, in Jeruzalem zelf, werkzaam is, in verbinding met het Romeinse rijk, wat het werktuig van deze macht ook mag zijn, dat daartoe gebruikt is. Misschien is dit werktuig wel “de koning” van hoofdstuk 11, die zich tussen de koningen van het zuiden en van het noorden bevindt. Maar het is ook zeer goed mogelijk, dat de kleine hoorn van hoofdstuk 7 zelf werkzaam is. Er is evenwel een andere macht, die van haar afhankelijk is en die tenminste in godsdienstig opzicht de Joden beïnvloedt en hen tot de afgodendienst leidt. Het is een persoon die in zijn eigen naam komt en geen rekening houdt met de God van zijn vaderen.
De koning van hoofdstuk 11 is een koning in Judea. Hij minacht de godsdienst van zijn vaderen en handelt in zedelijk opzicht volkomen bandeloos in het land. Hij herstelt de afgodendienst en verdeelt het land onder hen die hij begunstigt. De koning van het zuiden en die van het noorden zijn Egypte en Assyrië in de laatste dagen, die de koning die zich in het heilige land heeft gevestigd, aanvallen.
Ik neem aan, dat “de koning” dezelfde is als het tweede beest van Openbaring 13, maar uit een ander gezichtspunt gezien, zoals het eerste beest van Openbaring 13 dezelfde is als de kleine hoorn uit Daniël 7.
EINDE BOEK DANIËL
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 4.5
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- Overdenking over de profetie van Daniël (door het vuur), R. Brockhaus
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten
1 De troon van David werd gekenmerkt door macht, die aan gehoorzaamheid verbonden was, want de koning moest een afschrift maken van de wet en haar naleven. De troon van Nebukadnezar was een troon van absolute macht. Het was de mens, onbeperkt in de uitoefening van zijn eigen wil. Zo werd de mens in een positie van gezag op deze tweevoudige wijze op de proef gesteld.
2 Het zaad (nageslacht) van David zal niet in Babel gevangen zijn als God Zijn plaats zal innemen als de God van de aarde.
3 Er zijn vier namen, die God in Zijn relaties met de mens aangenomen heeft: 1) “de Almachtige”, in verbinding met de aartsvaders (Genesis 17); 2) “Jahweh”, in verbinding met Israël (Exodus 6); 3) “Vader”, met betrekking tot christenen (Johannes 17); 4) “de Allerhoogste” in verband met het duizendjarig vrederijk (Genesis 14); welke naam we ook hier vinden, in het boek Daniël (Vergelijk Psalm 91). De naam van “Vader” wijst op een volkomen verandering in positie. Hij verbindt ons met Christus, de Zoon in Wie de Vader Zich heeft geopenbaard. Vooral in het Evangelie van Johannes wordt dit op duidelijke wijze voorgesteld.
4 Dit schijnt me zo te zijn, omdat de gebeurtenissen die onder de opvolgers van Seleucus, de eerste koning van het noorden, hebben plaats gehad, als type of gedeeltelijke en voorlopige vervulling gediend hebben, van wat in de laatste dagen zal gebeuren. In hoofdstuk 11 en hier vinden we een beschrijving van of een toespeling op de handelingen van Antiochus Epiphanes. Ik denk, dat hoofdstuk 11 dit alles uit historisch oogpunt weergeeft. God heeft in de profetie de gebeurtenissen van de laatste dagen op het oog; en dat is alles wat in de verklaring van de profetie gegeven wordt. Het is goed om op te merken, dat geen enkele verklaring van een gelijkenis of duistere profetie uit het Oude of Nieuwe Testament, alleen maar een verklaring is. Zij voegt erbij, datgene wat verklaart door het resultaat van de betekenis van de wegen van God, of feiten beschreven in wat duister is, hetzij door uiterlijke oordelen die het geestelijk oordeel van de Zijnen rechtvaardigt, als geloof alleen Gods gedachten onderscheidt, dan wel door enkele nieuwe trekken, die de ware strekking van de gebeurtenissen voor de heiligen geven. Een werkelijk uitgeoefend oordeel maakt openlijk duidelijk, wat vóór die tijd alleen door geestelijk oordeel kon onderscheiden worden, en wordt zo dus een verklaring. Maar andere omstandigheden mogen toegevoegd worden om daardoor de gedachten van God in deze zaak te openbaren. In één woord: het is God, Die aan de Zijnen meedeelt wat de werkelijke waarde is van wat voorafgaat. Of Die leiding aan hun gedachten geeft, ten aanzien van wat gezegd is door de openbaring van Zijn oordelen. Hierdoor worden ze op een praktische wijze in Zijn gedachten bevestigd.
5 Ik was een beetje in twijfel of het heirleger van de hemel niet de machten van de aarde voorstelde, waarbij de Joden slechts hun plaats daarin innamen als degenen die onder de regering van God moesten staan, zoals de Geest van de profetie dit ook werkelijk ziet. Ik verwerp deze gedachte niet, maar het blijkt duidelijk, dat de Geest voornamelijk de Joden op het oog heeft (zie vers 13). Vers 24 kan ons tot de gedachte brengen, dat hij ook anderen dan de Joden zal verderven. De verheerlijkte Christus aan de rechterhand van God is het Hoofd van alle macht. Maar Hij is op een bijzondere wijze het Hoofd van de Joden. Zelfs als men de uitdrukking “Vorst der vorsten” op dit soevereine heersen over al de machten toepast, dan nog rechtvaardigt de overeenkomst van het Woord de toepassing. Het verband tussen het heir en het heiligdom (vers 13) laat ons mijns inziens zien, dat de Geest in het bijzonder de Joden op het oog had, die de plaats van de troon van Jahweh omringen.
6 Ongetwijfeld zegt de tekst, dat het offer van de Vorst van het heir is weggenomen. De vraag blijft, door wie? De “Keri” die in het algemeen, naar ik denk, de beste autoriteit is als er verschillende lezingen van een tekst in het Hebreeuws bestaan, zegt: “Was van hem genomen”, zonder te zeggen door wie. De “Ketib” zegt: “Hij nam van hem weg”, waardoor deze handeling toegeschreven wordt aan de kleine hoorn.
7 In het Hebreeuws vinden we een verschil in geslacht in verbinding met de handelende persoon. Hij die zich groot maakt (vers 11) is mannelijk, terwijl aan het eind van vers 12 het woord weer vrouwelijk is: zij werpt ter aarde, wat in overeenstemming is met hoorn, welk woord in het Hebreeuws vrouwelijk is.
8 Het visioen spreekt voornamelijk van de Seleuciden of de Aziatische opvolgers van Alexander. Het noemt hun handelingen en in het bijzonder die van Antiochus Epiphanes, hoewel vers 11 en de eerste helft van vers 12 onderscheiden zijn, zoals we dit al hebben opgemerkt. Het is daarom niet nodig dat de tweeduizend driehonderd avonden en morgens op iets anders betrekking hebben, dan op de handelingen van de Seleuciden, wat vers 26 ook bevestigt. De verklaring (verzen 23-25) is alleen op de laatste dagen van toepassing. Hier gaat het niet om het heiligdom, maar om de vernietiging van het “volk der heiligen” (de Joden) en om de opstand tegen de Vorst der vorsten.
9 Bedenk, dat dit in ± 1850 geschreven werd, toen het tegenwoordige Syrië en Irak ook tot Turkije behoorden (noot vertaler).
10 In hoofdstuk 7 wordt ons de macht of de hoorn van het westen beschreven; in hoofdstuk 8 die van het oosten. Hoofdstuk 9 beschrijft de toestand van Jeruzalem onder de macht van het westen. De hoofdstukken 10-11 geven de toestand onder de machten van het oosten, met inbegrip van de koning, die naar zijn eigen wil handelt.
11 De eerste helft van vers 12, eindigend met het woord “overtreding”, behoort ook nog tot deze tussenzin. De 2300 dagen hebben betrekking op de historische tijden van welke de geschiedenis bericht. In de verklaring, die ons vertelt wat nog toekomstig is, wordt over die dagen alleen gezegd, dat het waarheid is. De tussenzin is van het begin van vers 11 tot het midden van vers 12, en verbonden met “hij” en niet met “het”.
12 Het woord “velen” heeft in het Hebreeuws een lidwoord voor zich. Dit vinden we ook bij andere Schriftplaatsen in het boek Daniël, waarop ik de aandacht van de lezer zal vestigen, en waaruit we duidelijk zien, dat het gaat om de massa van het volk, om “de velen”. Dezelfde zinsconstructie wordt in het Grieks gevonden (2 Korinthe 2:6; 9:2).
13 Men kan opmerken, dat de Heer in de Evangeliën slechts uitdrukkelijk over de laatste helft van de week spreekt dus over de tijd van de verdrukking, die volgt op het oprichten van het verwoestende afgodsbeeld in de heilige plaats. Sommigen hebben daarom gedacht, dat alleen deze helft van de week nog moet komen, omdat Christus in het midden van de zeventigste week werd afgesneden. Anderen hebben gemeend, dat de zeventigste week helemaal is voorbijgegaan vóór het sterven van de Heer, maar dat dit niet gerekend wordt, omdat Jezus verworpen werd en dat deze week dus weer wordt teruggevonden in de tijd van de relaties van de Joden met de wetteloze. Wat deze Schriftplaats zegt is dit: in de laatste dagen zal de vorst die het hoofd van het Romeinse rijk is, een verbond sluiten dat betrekking heeft op een gehele week. Aan de andere kant wordt de laatste helft van de week door de Heer aangekondigd, als iets dat nog komen moet, en plaats zal hebben onmiddellijk vóór Zijn komst, als de tijd van de allergrootste verdrukking die er aan voorafgaat. Als er nu niets anders dan dit zou zijn, dan zou de voorgaande geschiedenis van de komende vorst, die een verbond sluit, tot de algemene geschiedenis van de stand van zaken behoren. De volledige beantwoording van de vraag of er nog één of twee halve weken vervuld moeten worden, alsmede de wijze waarop, gedurende de openbaring van de macht van het kwaad, laat ik rusten totdat we aan het boek de Openbaring gekomen zullen zijn. Ik beperk me nu tot deze opmerking, dat de Messias na het einde van de negenenzestig weken wordt weggedaan. Wij weten uit het Nieuwe Testament, dat Zijn dienst juist de helft van de week heeft geduurd. Maar het is duidelijk, dat noch de vorst, noch het Joodse volk, waarmee hij een verbond sluit, hieraan aandacht zal schenken. De verklaring van deze Schriftplaats is duidelijk: een verbond van een week zal met de nog te verschijnen vorst worden gesloten, alsof er slechts negenenzestig weken verlopen waren; van de Messias en Zijn verwerping wordt geen notitie genomen, en een halve week van volkomen onderdrukking vindt plaats, – tot aan de vastbesloten voleinding toe – omdat men bij de afgoden bescherming heeft gezocht.
14 Dit is een uitdrukking die constant gebruikt wordt voor de laatste oordelen, die op de Joden zullen neerkomen (Zie Jesaja 10:22 en 28:22). Vers 2 van dit laatste hoofdstuk vergelijkt de verwoester met een vloed, zoals we dat hier zien in vers 26. De aandachtige lezer zal bemerken, dat deze schriftplaatsen ook slaan op de gebeurtenissen van de laatste dagen. Let ook op het verbond in Jesaja 28:15 en 18. Misschien heerst er nog enige twijfel ten aanzien van de vertaling: “de verwoeste”. Sommigen vertalen: “de verwoester” en zeggen: “totdat de vastbesloten verwoesting over de verwoester wordt uitgestort”. Voor iemand die met het Woord van God niet vertrouwd is, lijkt het alsof hiermee de zin beter afgesloten is. Maar het lijkt me dat hij die op de hoogte is met de inhoud van de Bijbel en met de wijze van uitdrukking die we erin vinden, erkennen zal dat de lezing die ik aan deze Schriftplaats gegeven heb juister is. De strekking van de profetie is in beide gevallen dezelfde. De ene vertaling zegt, dat de verwoesting zal voortduren tot aan het einde van het oordeel, dat van tevoren door God is bepaald. Volgens de andere vertaling, dat ze slechts zal ophouden, als de verwoester vernietigd zal zijn, wat op hetzelfde neerkomt. De vertaling die ik geef lijkt me meer nauwkeurig en meer in overeenstemming met het Woord te zijn. De Engelse vertaling heeft: het verwoeste, terwijl in een noot het woord “verwoester” wordt gegeven. In het oorspronkelijke heeft het woord niet dezelfde vorm als dat wat door “verwoester” vertaald wordt in die gevallen, waarbij de betekenis ervan zeker is. De voorgaande zin heb ik vertaald met: “Omdat men bescherming zoekt bij de afgoden”. De letterlijke betekenis van het woord is “vleugel” dus “op” of “wegens de vleugel van de gruwelen”. Nu, men weet, dat dit woord “vleugel” gewoonlijk gebruikt wordt voor bescherming.
15 Tegelijkertijd bleef de macht van de volken bestaan. Wij weten uit de Schrift, dat het herstel van Jeruzalem en het gehele tijdsverloop van de negenenzestig weken, die zeker zijn voorbijgegaan, heeft plaats gehad onder de heerschappij van de volken. De zeventig weken hebben in dit opzicht alle hetzelfde karakter. Pas aan het eind van de zeventig weken wordt de vergeving geschonken. Wat ook het werktuig mag zijn die het verbond sluit, het vierde dier zal in die tijd de heersende macht van de volken zijn, aan wie God de heerschappij heeft toevertrouwd. Als men de zeventig weken wil begrijpen, dan is het van belang op deze stand van zaken te letten: de Joden zijn weer hersteld, de stad is weer opgebouwd, maar de volken heersen nog steeds op de wereldtroon. Alleen onder deze omstandigheden verlopen de zeventig weken. Men moet goed begrijpen, dat het hier gaat om het volk van Daniël en om zijn stad, die weer in de gunst van God teruggebracht moeten worden. De lankmoedigheid van God wacht nog steeds. De heidense macht heeft al haar ontrouw getoond. Babel werd neergeworpen. De Joden op grond van de voorspraak voorlopig hersteld en de tempel herbouwd. De zeventig weken waren nagenoeg voorbij, toen Christus op aarde kwam. Als de Joden zich bekeerd hadden en Jeruzalem op die dag bekend had wat tot haar vrede diende, dan zou alles klaar geweest zijn voor haar herstel in heerlijkheid. Abraham, Izaäk en Jakob hadden, evenals Lazarus, kunnen worden opgewekt. Maar ze heeft de dag van haar bezoeking niet gekend. De vervulling van de zeventig weken, alsmede de zegen die erop moet volgen, moesten daarom worden uitgesteld. Door de genade weten we, dat God nu nog voortreffelijker gedachten en raadsbesluiten heeft en dat de toestand van de mens van dien aard was, dat deze zegen nog niet in vervulling kon gaan, zoals dit door de feiten ook bewezen is. Alles wordt hier dan ook van tevoren aangekondigd. Vergelijk Jesaja 49:4-6.
16 Het is goed erop te letten, dat in beide gevallen waarin aan Daniël een openbaring wordt gegeven ten aanzien van zijn volk, dit een antwoord is op de zich in voorspraak en vasten uitende oefeningen van zijn hart. Dit is niet het geval met de openbaringen in hoofdstuk 7-8, met betrekking tot de vernielende westelijke of oostelijke machten. God geeft deze openbaringen als Hem dit goed dunkt. Deze werden de profeet ten tijde van Belsazar gegeven; de eerste twee na de val van Babel. De Joden waren toen inderdaad in een nieuwe positie tot aan de verwerping van Christus, toen de tijd kwam dat ze door God verlaten werden. Vanaf dat ogenblik wordt de tijd niet meegeteld, totdat ze weer in hun eigen land zijn, en God weer opnieuw begint Zich met hen te bemoeien. Dan, nadat hun ongeloof in het aannemen van de macht van het kwaad en in afgodendienst geopenbaard is, komt de laatste grote verdrukking, en dan het oordeel in de Persoon van de Heer van de hemel.
17 Het ingrijpen van de Romeinen, ten gunste van de jonge koning van Egypte, die door Antiochus Epiphanes was overwonnen, leidt deze laatste tot zijn terugkeer naar Jeruzalem en zijn woede tegen de Joden. Hij ontheiligt de tempel en verbiedt de Joodse eredienst.
18 Vergelijk Jesaja 30:33 (waar we lezen “ook voor de koning”), en hoofdstuk 57:9. In de ogen van de Joden bezit hij de titel van “de koning”, een titel die rechtens alleen aan de Heer Jezus, de ware Messias en Koning van Israël, toekomt.
19 Dit is gewoonlijk de kracht van deze uitdrukking in het Hebreeuws.
20 Mogelijk volgt deze berekening uit het volgende: Als de jaren kerkelijke jaren zijn, dan zou 30 dagen toegevoegd aan de 1260 dagen of drie en een half jaar, en daarna nog 45 dagen, ons brengen tot het Loofhuttenfeest. Maar ik geef geen oordeel hierover. Hoe het ook zij, het is duidelijk, dat dan het heiligdom van God in Jeruzalem gereinigd zal zijn.
21 Als men de Psalmen 74 en 83 vergelijkt, wordt de gedachte bevestigd, dat er een verwoesting zal zijn in Jeruzalem. En dit naast het gedwongen ophouden van het gedurig offer, door religieuze middelen bewerkt, door de komende vorst, de Romein van hoofdstuk 9, die in het midden van de Joden zal zijn en die gezegd had hun vriend te zijn.