29. Ezechiël

29. Ezechiël · uit de ‘Synopsis’ deel 4 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

In de profetie van Ezechiël gaat het niet meer om de aangrijpende omstandigheden, die ons in het boek Jeremia hebben beziggehouden. Wij bevinden ons hier op een ander terrein. Jeremia bevond zich in de schuldige stad, waarover het oordeel hing en hij ging gedrukt onder het gewicht van het kwaad, waardoor de verwoesting was veroorzaakt. Zijn getuigenis had, naar het resultaat te oordelen, geen enkele waarde hoewel het in de persoonlijke droefheid van zijn hart (naar menselijke maatstaf) de heerlijkheid van God handhaafde.
Ezechiël was tegelijk met koning Jojachin als gevangene weggevoerd, in elk geval was hij één van hen die in die tijd gevangen genomen werden. De tijdsopgaven in zijn profetieën rekenen dan ook gewoonlijk vanaf die gebeurtenis; een belangrijk punt voor het begrijpen van de openbaringen, die hem zijn gegeven. Voor Ezechiël zelf hebben tijdsbepalingen of koningen van Juda of Israël geen betekenis meer; het volk van God is in gevangenschap onder de volken (niet Joden). Israël wordt als één geheel gezien; de belangen van het gehele volk staan voor de aandacht van de profeet. Tegelijkertijd had de inneming van Jeruzalem, onder de regering van Zedekia, nog niet plaatsgevonden. Dit is de aanleiding om de ongerechtigheid van de koning, die zijn hoogtepunt bereikt in zijn opstand, in het licht te stellen. Want Nebukadnezar hechtte waarde aan de eed, die in de Naam van Jahweh gezworen was. Hij rekende op de eerbied, die aan die Naam verschuldigd was, maar Zedekia had er geen rekening mee gehouden.
De eerste drieëntwintig hoofdstukken bevatten getuigenissen van God tegen Israël in het algemeen en tegen Jeruzalem in het bijzonder. Daarna zien we hoe de omliggende volken geoordeeld worden. Van hoofdstuk 33 af neemt de profeet dan weer Israël als onderwerp op, en kondigt zijn herstel, maar ook zijn oordeel aan. Van hoofdstuk 40 af tot aan het einde vinden we de beschrijving van de tempel en de indeling van het land in de toekomstige tijd van herstel.

Hoofdstuk 1-2

In het eerste hoofdstuk vinden wij een datum, die terugwijst naar het paasfeest van Josia; maar met welk doel zou ik niet durven zeggen. Men heeft gedacht, dat de dertig jaren in verband staan met het jubeljaar. Maar hierover durf ik me niet uit te laten. De andere omstandigheden echter, die hier genoemd worden, zijn zeer belangrijk.

De troon van God wordt niet in Jeruzalem gezien, maar geheel zonder verbinding met deze stad en buiten haar. Het is de soevereine en algemene troon van God, en vanaf deze troon oordeelt Hij zelfs de stad zelf. De profetie begint dan ook met de beschrijving van deze troon. We zien de kenmerkende eigenschappen van God als de dragers van de troon en wel in de gelijkenis van vier soorten van wezens die op de aarde geschapen zijn: vier wezens verenigd in één, tenminste de vier hoofden van deze soorten. Deze symbolen zijn ten naaste bij dezelfde, als door de heidense uitvinders van de afgodendienst gebruikt, om hun goden erdoor af te beelden. De formele afgodendienst is begonnen met een figuurlijke verpersoonlijking van de eigenschappen van God. Deze eigenschappen zijn hun goden geworden, terwijl de demonen de mensen ertoe aanzetten die goden te aanbidden en hen door dit middel regeren. Het waren dus in werkelijkheid deze demonen, die door de mensen aangebeden werden. Deze eredienst ontaardde al spoedig zo ver, dat men goden maakte waar en wanneer er iets te wensen of te vrezen was, of iets dat beantwoordde aan de lusten die deze wensen of vrees voortbrachten (gevoelens welke de demonen ook kweekten en vormden om zich de eredienst, die aan God alleen toekwam, toe te eigenen). Nu, die eigenschappen behoren aan de enige God, de Schepper en het Hoofd van al het geschapene. Maar wat ook hun kracht en heerlijkheid moge zijn in hun werkzaamheid, ze zijn niet meer dan de steunsels van de troon, waarop de God van de Waarheid gezeten is 1. Het is de machtige energie van God, die zich openbaart, wat overigens ook de werktuigen, die Hij gebruikt, mogen zijn. Verstand, kracht, standvastigheid en snelheid bij het uitvoeren van de oordelen hangen van de troon af. En bovendien hangt de beweging van de gehele loop van de aardse gebeurtenissen af van de troon. Door deze levende kracht wordt het geheel bezield. Hij zette de Cherubijnen, de steunsels van de troon – zelf vol ogen – in beweging. De raderen van de regering van God gingen alle, bewogen door dezelfde Geest, recht voor zich uit. Alles hing af van de wil en het voornemen van Hem, Die, gezeten op de troon, in gerechtigheid oordeelde. Majesteit, regering en voorzienigheid verenigden zich om de troon van Zijn heerlijkheid te vormen. Maar al de werktuigen van Zijn heerlijkheid waren onder het uitspansel. Hij, Die verheerlijkt werd, was erboven. Het was Hij, Die door de heidenen niet werd gekend.

Deze troon van de allerhoogste en soevereine HEERE God wordt in Chaldea 2 gezien, daar waar de profeet was, onder de volken. Hij wordt dus niet meer gezien in Jeruzalem in verbinding met het land. Evenmin zien we dat er, om zo te zeggen, de een of andere wet in de troon is belichaamd (Exodus 25:16 enzovoort), waarnaar een regering op directe wijze wordt uitgeoefend. Daarom spreekt de stem van God tot Ezechiël als tot een mensenkind (zoon des mensen), een benaming die past bij het getuigenis van een God, Die van buiten Zijn volk sprak, als Iemand, Die niet meer in het midden ervan was, maar hen integendeel oordeelde vanaf Zijn hoge en soevereine troon. Het is de titel van Christus Zelf, als de Verworpene en als buiten Israël, hoewel Hij niet ophoudt in genade te denken aan de zegening van het volk. Dit brengt de profeet in verbinding met de positie van Christus Zelf. Toen de Heer op deze wijze verworpen was, wilde Hij niet, dat Zijn discipelen Hem als de Christus predikten (Lukas 9), want de Zoon des mensen moest lijden 3. Hetzelfde vond plaats in het geval van Ezechiël, wat zijn positie als profeet in zijn getuigenis en in zijn voorbeeld betreft. God is verworpen en Zijn profeet neemt die plaats met de troon in, om het gehele volk, en Jeruzalem in het bijzonder, te oordelen, hoewel hij aan het geloof een herstel in genade aankondigt. Hij wordt door Jahweh tot een opstandig volk gezonden, om tot hen te zeggen: “Jahweh heeft gesproken”, of het luisteren zou of niet. Het oordeel zou hun laten weten, dat er een profeet onder hen was geweest. Zijn eerste getuigenis bestaat uit klagen, zuchten en weegeroep. Toch is de mededeling van het Woord van God altijd vol van zoetheid, als men haar beschouwt als een openbaring van Hem, die plaatsvindt tussen God en de mens.

Hoofdstuk 3

Hier worden enkele belangrijke beginselen in de relatie van God met Israël ontwikkeld. Maar wij moeten nog op iets wijzen, waardoor het boek Ezechiël – in vergelijking met Jeremia – gekenmerkt wordt. Deze laatste profeet richt zich rechtstreeks tot zijn tijdgenoten, dat wil zeggen tot het volk van God. Hij doet dit in een getuigenis, dat, terwijl het zich een weg baant door het gebroken en verwonde hart van de profeet, de wonderbare lankmoedigheid van God laat zien, waarbij Zijn volk tot op het laatste ogenblik tot berouw wordt uitgenodigd. Bij Ezechiël zien we iets anders. Hij wijst op datgene, waardoor het oordeel noodzakelijk wordt. Hij is inderdaad tot Israël gezonden, maar tot een Israël, dat verhard was. Wat het volk betreft was zijn mond gesloten. Hij mocht het niet berispen. Hij kan op een geschikt ogenblik aan het volk zekere mededelingen van Jahweh doorgeven, als Jahweh zijn mond opent, opdat het volk zou verstaan, dat er een profeet onder hen was. Maar hijzelf richt zich niet rechtstreeks en in zedelijk opzicht tot het volk, alsof het nog het directe voorwerp van de wegen van God was. Jahweh toont hem de ongerechtigheden, waardoor Hij genoodzaakt werd Zijn volk te verwerpen en niet meer tegenover hen te handelen als met een volk, dat door Hem erkend werd, in overeenstemming met de grondslagen van de regering, die Hijzelf had ingesteld. Het is een Goddelijke uiteenzetting van de houding en toestand van Israël, als de oorzaak waardoor de relatie van God met hen verbroken wordt. Tegelijkertijd worden zekere nieuwe gedragslijnen gegeven. Ik spreek van dat gedeelte van de profetie, dat betrekking heeft op Israël. Want men vindt er ook verschillende oordelen over de volkeren in vermeld, alsmede een beschrijving van de toestand van het land en van de tempel, zoals die in de toekomst zullen zijn, een toestand die de profeet aan Israël moest meedelen, indien deze laatste zich zou bekeren.

In hoofdstuk 3 getuigt Jahweh, dat Israël meer verhard is dan welk ander van de heidense volken ook. Het is “stijf van voorhoofd en hard van hart.” Daarom moest het voorhoofd van Ezechiël zo hard zijn als een diamant, om tot het volk te spreken: “Zo zegt de Heere HEERE” (of het wilde luisteren of niet). De profeet wordt door de macht van de Geest te midden van de gevangenen in Tel-Abib gebracht. Hoewel het huis van Israël verhard was, onderscheidde God een overblijfsel en wel op de volgende wijze: de profeet moest de enkelingen waarschuwen, daartoe was hij aangesteld. Als zijn woord aanvaard werd, zou hij die luisterde gespaard worden. Ezechiël zou verantwoordelijk zijn voor het vervullen van deze taak, maar een ieder zou de gevolgen ondergaan van zijn gedrag, nadat hij het woord had gehoord. Het volk wordt dus niet langer als één geheel geoordeeld, zoals het geval was toen alles afhing van de openbare toestand van het volk of van de koning. Israël was opstandig, maar toch zou hij die luisterde leven. God handelde naar Zijn lankmoedige genade.

De profeet ziet opnieuw de heerlijkheid van Jahweh, en de Geest beveelt hem niet uit te gaan in het midden van het volk, maar zich in zijn huis op te sluiten. God zou zijn tong aan zijn gehemelte doen kleven, want het was een weerspannig volk en als volk zou het niet gewaarschuwd worden. God zou, als het Hem behaagde, de mond van de profeet openen, en die moest dan op de meest besliste wijze tot het volk spreken en het Woord van Jahweh bekend maken. Wie dan horen wilde, die mocht horen, Jahweh wilde niet meer in liefde pleiten, zoals Hij voorheen had gedaan.

Hoofdstuk 4

Behalve het algemeen oordeel, dat God over de toestand van Israël had uitgesproken, komt in dit hoofdstuk ook Jeruzalem, waarop al de ongerechtigheid van het volk (nu tot het hoogtepunt gekomen) drukte, voor de aandacht van God, Die door deze stad werd veracht. De profeet, die op figuurlijke wijze Jeruzalems belegering voorstelt, moest ook wijzen op al de jaren van ongerechtigheid, die dit oordeel veroorzaakten. Voor Israël waren het in het algemeen 390 jaren, voor Juda 40. Het is wel zeker, dat deze perioden niet in verband staan met de tijdsduur van het koninkrijk van Israël (gescheiden van Juda), noch met die van Juda, omdat het koninkrijk Israël slechts ± 254 jaren geduurd heeft en dat van Juda ongeveer 134 jaren na de val van Samaria. Het schijnt, alsof de lange periode berekend is vanaf de afscheiding van de tien stammen onder Rehabeam tot de Babylonische gevangenschap, waarbij deze jaren dus tot Israël gerekend worden, omdat Israël van dat ogenblik af een apart bestaan had en het grootste deel van het volk vormde, terwijl Juda gedurende de regering van Salomo, die 40 jaar geduurd heeft, alles was. Na de regering van Salomo zal Juda in de algemene naam van Israël begrepen zijn, zoals Ezechiëls gewoonte is, hoewel hij bij zekere gelegenheden de twee koninkrijken wist te onderscheiden en dat in verband met de positie van Zedekia en met de wegen van God in de toekomende tijd. De reden waarom de naam Israël voor allen wordt gebruikt ligt voor de hand. Immers door de gevangenschap was het volk in zijn geheel onder het gemeenschappelijk oordeel geplaatst en in dezelfde toestand gekomen, en de naam Israël was de naam van het volk in zijn geheel. Het gehele volk was nu terzijde gesteld en een heidens koninkrijk opgericht. Juda wordt soms van Israël onderscheiden, omdat er nog een overblijfsel was in Jeruzalem. Weliswaar werd dit overblijfsel zwaarder gestraft dan de massa, maar het bestond toch en zal tot in de laatste dagen nog bijzondere omstandigheden in zijn geschiedenis hebben. Hetzelfde zien wij in het Nieuwe Testament. De twaalf stammen zijn in het spraakgebruik van de apostelen met elkaar vermengd. Maar toch worden in de geschiedenis de Joden, dat wil zeggen zij die van Juda zijn, voortdurend onderscheiden. En eigenlijk profeteerde Ezechiël onder dezelfde omstandigheden als de apostelen. Ten dele daarom draagt hij ook de naam van “mensenkind” of “zoon des mensen”, welke naam ook aan Daniël is gegeven, evenals die van “zeer gewenste man”. Nebukadnezar was de man van macht en kracht, maar hij, die door de Geest het mensengeslacht voor God vertegenwoordigde, was een Ezechiël, zoals Daniël de zeer gewenste man was: een mens door God bemind.

Wat de datum betreft, is het duidelijk, dat de 390 jaren nagenoeg overeenkomen met de tijd van Israëls bestaan, van de dood van Salomo tot aan de verwoesting van de tempel. Sommigen hebben de 40 jaren van Juda willen rekenen, van het Pascha van Josia tot aan het zojuist genoemd tijdstip, omdat men dacht, dat de verwoesting van de tempel door Nebukadnezar zou plaatsgevonden hebben 4 of 5 jaar na de wegvoering van Zedekia. Dit laatste is echter niet juist, want de verwoesting vond in hetzelfde jaar plaats, alleen een maand later. Jojachin werd in het achtste jaar van Nebukadnezar als gevangene weggevoerd (2 Koningen 24:12). Zedekia heeft 11 jaar geregeerd (Jeremia 52:1-8). In het negentiende jaar van Nebukadnezar verbrandde Nebuzaradan het huis van Jahweh (verzen 12-13) en als we vanaf vers 6 lezen, zien we heel duidelijk, dat dit een maand na Zedekia’s gevangenneming gebeurde. Door de 40 jaren van Juda voor de regering van Salomo te rekenen, zegt men eigenlijk, dat Israël van de oprichting van het koninkrijk af, niets dan zonde bedreven heeft. Want het was slechts ten tijde van Salomo, dat men van een vreedzame regering kon spreken. David heeft het koninkrijk opgericht. De verantwoordelijkheid van zijn familie begon met Salomo (2 Samuel 7).

Hoofdstuk 5

In de openbaring, die aan Ezechiël gegeven werd, wordt Jeruzalem ingenomen en haar bevolking bijna uitgeroeid. Het verstrooide overblijfsel wordt vervolgd door het zwaard. Ten slotte wordt slechts een gedeelte van dit overblijfsel gespaard en van dit gedeelte zouden er nog zijn die in het vuur 4 zouden worden geworpen. Dit vuur zou zich uitstrekken tot het gehele huis van Israël. Met andere woorden: het oordeel dat zou komen over het overblijfsel dat in de stad niet zou omkomen, zou een beeld zijn van de positie van het gehele huis van Israël. Zo wordt de profeet ertoe gebracht om voortdurend te spreken van het gehele volk. Want zolang er nog een overblijfsel in Jeruzalem was, had het volk nog een plaats op aarde. Maar toen de goddeloze opstand van Zedekia de verwoesting van Jeruzalem had veroorzaakt, was dat niet meer het geval. Dit oordeel over Jeruzalem bevat zeer belangrijke beginselen voor het verstaan van dit gehele gedeelte van de geschiedenis van het volk en van de wegen van God. “Dit is Jeruzalem”, zegt Jahweh, “Ik heb het te midden van de heidenvolken gezet met landen eromheen” (hoofdstuk 5:5). In plaats van dat Jeruzalem zich te midden van deze volken als een getuigenis openbaarde, zodat ze door het huis van Jahweh aangetrokken werden, of tenminste onder verantwoordelijkheid geplaatst door een waar getuigenis van God, Die daarin woonde, hadden haar inwoners de afgodische volken in boosaardigheid nog overtroffen. Daarom zou God haar oordelen voor de ogen van de volken – een rechtvaardige vergelding voor haar zonden. Ook zou ze woest en tot schande gemaakt worden onder de volken, die rondom haar waren.

Hoofdstuk 6

Dit oordeel zou niet beperkt worden tot Jeruzalem, maar worden uitgevoerd over alle hoogten, over alle bergen van Israël. Alle steden zouden woest worden, al hun afgoden vernietigd en het volk verstrooid. Israël zou weten, dat de Heer hen niet voor niets met deze oordelen had gedreigd. Het vuur zou hen die ver weg waren bereiken, zowel als hen die nabij waren. Het land zou woest gelaten worden en de aanbidders van de afgoden rondom hun schandelijke afgoden gedood. Maar God zou te midden van deze oordelen aan Zijn barmhartigheid denken en een klein overblijfsel van hen, die verstrooid zouden worden, sparen. En zij die ontkomen zouden, zouden een walging van zichzelf hebben, wegens de gruwelen waaraan ze zich schuldig hadden gemaakt. Zo was Jeruzalem nu geoordeeld, alsmede de bergen van Israël, die al te berucht waren door hun afgoden en hun hoogten.

Hoofdstuk 7

Ten slotte zien we het gehele land van Israël (“de vier hoeken van het land”), onder het vonnis van God. Zij die het algemene oordeel zouden ontkomen, treuren alleen op de bergen, omdat ze in hun vertwijfeling alles achtergelaten hebben en niet de minste kracht bezitten voor tegenstand. De slechtsten van de heidenen zouden het land bezitten. Het sieraad van de Majesteit van Jahweh, dat Hij in heerlijkheid gevestigd had en dat door de gruwelen van Israël ontheiligd was geworden, zou aan ontwijding worden prijsgegeven, in de handen van vreemden. De verborgen plaats van Zijn heiligheid zou worden geschonden. Ellende op ellende zou komen en er zou geen geneesmiddel zijn. Jahweh zou het volk oordelen, naardat het verdiend had.

Zo werd over het gehele volk een ernstig oordeel uitgesproken. Alles wordt aan de verwoesting prijsgegeven en ten aanzien van de relatie die Israël met God had, hetzij op directe wijze, dan wel door bemiddeling van het huis van David (dat verantwoordelijk was voor het handhaven van deze relatie), was ten slotte alles verloren. De genade mocht nog handelen, maar het volk en het huis van David hadden volkomen gefaald. De Naam van God was gelasterd door Zijn volk, in plaats van verheerlijkt. De uitvoering van het oordeel is nu het enige getuigenis, dat nog van die Naam kan worden gegeven. Het oordeel is volledig; het is gekomen over de vier hoeken van het land en Israël is geen volk meer. Wat een ernstige gedachte, dat het oordeel het enige getuigenis was, dat van God gegeven kon worden! Hoofdstuk 7 sluit deze eerste profetie af, een profetie die van groot belang is, omdat ze het volkomen oordeel verklaart, dat over het volk van God op aarde zou uitgevoerd worden.

Hoofdstuk 8-11

Hoofdstuk 8. Hier begint een nieuwe profetie, die verscheidene afzonderlijke openbaringen omvat, en die zich uitstrekt tot aan het einde van hoofdstuk 19. Hoofdstuk 8-11 vormt echter een afzonderlijk geheel. Juda bestond nog en bevond zich in Jeruzalem, hoewel er al verscheidene personen als gevangenen met Jojachin waren weggevoerd. De tempel werd pas vijf jaar later verwoest. Het is de stand van zaken in Jeruzalem, die in deze hoofdstukken geoordeeld wordt. De oudsten van Juda komen tot de profeet en Jahweh bedient Zich van deze gelegenheid om hem al de gruwelen te tonen, waardoor het oordeel over het volk komen moest. In de profetie van het voorgaande jaar had God, door de mond van de profeet, Israël gedreigd, dat Zijn heiligdom aan de onheiligen zou worden overgeleverd (7:20-22). Hier toont Jahweh in bijzonderheden de oorzaken van dit oordeel.

De heerlijkheid van Jahweh verschijnt aan de profeet, die – in de visioenen van God – naar Jeruzalem werd overgebracht. Daar toonde men hem in de voorhoven, in de binnenkamers en aan de poorten, al de vormen van de afschuwelijke afgodendienst, die door de oudsten en anderen in Israël tot zelfs in het huis van Jahweh werden uitgeoefend. Als we dit met de geschiedenis van Jeremia verbinden en de uiterlijke belijdenis die er plaatsvond, de aanmatiging dat de wet niet zou vergaan van de priester (Jeremia 18:18), dan zal men de buitengewone schijnheiligheid en ongerechtigheid van de Joden verstaan.

De heerlijkheid van Jahweh bezoekt de tempel. Hij neemt Zijn plaats aan de zijde die op de stad uitzag. Daar geeft Jahweh – na de gruwelen die er bedreven werden in bijzonderheden aan de profeet te hebben laten zien – order om de verdiende wraak uit te voeren, terwijl het overblijfsel, dat wegens die gruwelen zuchtte, gespaard zou worden. Wat in zedelijk opzicht de zielstoestand van de bozen openbaart en hen ertoe brengt aan hun ongerechtigheid de vrije loop te laten, is het feit, dat de afwezigheid van de tussenkomst van Jahweh (wegens hun zonde) zo op hun ongeloof heeft gewerkt, dat men zei: “Jahweh heeft het land verlaten, Jahweh ziet ons niet”! Dit was verharding van het hart.

Hoofdstuk 10. Hier zien we hoe de gehele stad wordt overgeleverd om verteerd te worden. De heerlijkheid van Jahweh Zelf leidt het oordeel en beveelt het. Hij staat op de dorpel van Zijn huis, dat Hij met Zijn heerlijkheid ten oordeel vult, zoals Hij dat ook ten zegen had gedaan. De troon van Jahweh staat afzonderlijk. Wij hebben hier een nieuwe beschrijving van al zijn onderdelen. Jahweh verlaat Zijn troon en staat op de drempel van het huis, wat een belangrijk beginsel is bij dit oordeel. De cherubijnen en de verschrikkelijke raderen, bezield door een levende energie en vol met ogen, hadden alles kunnen volbrengen. Maar Jahweh brengt de profeet ertoe om persoonlijk kennis te nemen van de verschillende zonden en de afschuwelijke afgoderijen, waardoor men Zijn heiligdom ontheiligde. Ongetwijfeld werkte Zijn voorzienig bestuur machtig om Zijn oordeel uit te voeren. Maar het was de Jahweh van het verontreinigde huis, Die persoonlijk op zijn dorpel stond om het oordeel over de stad te leiden en om Zelf het merkteken te doen aanbrengen op de getrouwen, waardoor ze beschermd zouden worden tegen het komende oordeel (hoofdstuk 9:3,4 enzovoort en van het begin van hoofdstuk 8 af). Deze persoonlijke tussenkomst van Jahweh is van groot belang. Zowel om te tonen, dat het kwaad door Hem terdege gekend werd, alsook om hen die zuchtten, te merken en te bewaren en ten slotte ook om het oordeel te leiden.

Hoofdstuk 11. God oordeelt de leidslieden van de ongerechtigheid, die zich met de gedachte troostten, dat de stad onneembaar zou zijn 5. Zij zouden evenwel uit de stad gebracht worden en binnen de grenzen van Israël geoordeeld worden. Eén van de boosdoeners sterft voor de ogen van de profeet, wat de smart van zijn hart openbaart en hem tot voorbede brengt voor Israël. Als antwoord hierop maakt God tussen de bewoners van Jeruzalem en de weggevoerden een onderscheid. Voor deze laatsten was God een heiligdom geweest, waar ze zich ook bevonden. God zou hen weer herstellen en hun het land teruggeven. Hij zou hen reinigen en hun een nieuw hart geven. Zij zouden Zijn volk zijn en Hij hun God. Maar hun, die naar hun gruwelen zouden wandelen, hun zou ook naar die wegen met het oordeel vergolden worden. Het overblijfsel wordt altijd onderscheiden en de persoonlijke wandel is de voorwaarde tot zegen, behalve dan nog dat zij, die de getrouwen zijn, aan het einde als het volk van God bevestigd worden.

De heerlijkheid van Jahweh verlaat dan ten slotte de stad en houdt Zich op de Olijfberg op, vanwaar de Heer Jezus is opgevaren en waar Hij ook weer, tot heerlijkheid van Israël, zal neerdalen. En hiermee eindigt dit gedeelte van de profetie.

Hoofdstuk 12-14

Hoofdstuk 12 kondigt de vlucht en de gevangenneming van Zedekia aan, die naar Babel zou worden weggevoerd, hoewel hij deze stad niet zou zien. Het gehele leger van Juda zou verstrooid worden en het land woest gemaakt. Een klein overblijfsel van de weggevoerden zou te midden van de volken van de gruwelen vertellen, waardoor het oordeel werd veroorzaakt. Dit oordeel zou spoedig komen, want Gods lankmoedigheid tegenover Zijn volk had tot de ongelovige gevolgtrekking geleid, dat God niet tussenbeide zou komen. Maar nu zou de uitwerking van Zijn woorden niet langer worden uitgesteld.

Hoofdstuk 13. In dit hoofdstuk worden de profeten geoordeeld, die het volk in Jeruzalem door hun visioenen van vrede hadden misleid.

Hoofdstuk 14. Hier komen de oudsten van Israël en zetten zich voor de profeet. Hier zien we, hoe God op duidelijke wijze aan Israël de nieuwe grondbeginselen voorlegt, volgens welke Hij hen wilde regeren. Deze oudsten hadden hun gruwelen voor hun ogen gesteld. God Zelf zou hen oordelen naar hun overtredingen. Als volk beschouwd, waren ze allen gelijk. Jahweh kon niets anders tot hen zeggen dan: bekeert u. De profeten en het volk zouden gezamenlijk gestraft worden. Zelfs als de meest voortreffelijken van de aarde zich in het land bevonden, dat God zou oordelen, dan nog zouden zij de uitvoering van het oordeel niet kunnen beletten. Ze zouden alleen hun eigen leven redden door hun gerechtigheid. God nam de rechtvaardigen elk afzonderlijk aan. Hij erkende geen enkel volk meer, daar Hij nu het volk, dat Hij erkend had, had verworpen (Vergelijk Genesis 18). Nu deed God over Jeruzalem al Zijn oordelen komen. Toch zou een overblijfsel gespaard worden en het verhaal dat dit overblijfsel aan de profeet doen zou over de gruwelen, die in de stad hadden plaatsgevonden, zou hem troosten in verband met de oordelen die op haar waren neergekomen. En inderdaad, het oordeel van God, Die Zijn volk aan zijn vijanden overgeeft, is een zware last op het hart van iemand die het volk liefheeft. Maar als men ziet hoe de Naam van God onteerd is, begrijpt en voelt men de noodzakelijkheid van het oordeel, dat uitgevoerd wordt.

Hoofdstuk 15-16

Hoofdstuk 15. Als de wijnstok geen vrucht draagt, is hij absoluut nutteloos en alleen maar geschikt om in het vuur geworpen en verteerd te worden. Zo zou het ook gaan met de inwoners van Jeruzalem. Een treffend beeld van deze verwoesting en van de toestand van Jeruzalem, dat geen beter lot waard was.

Hoofdstuk 16. Men moet er wel aan denken, als men dit hoofdstuk leest, dat het om Jeruzalem gaat en niet om Israël. Vervolgens, dat hier niet de verlossing voor onze aandacht staat, maar de wegen van God. God had Jeruzalem, dat in ellende verkeerde en geen schoonheid bezat, het leven geschonken, haar gereinigd, gezalfd en met versierselen versierd. Maar Jeruzalem had alles, wat Jahweh haar gegeven had, gebruikt in de dienst van haar afgoden en ook om de gunst en hulp van de Egyptenaren en Assyriërs te krijgen. Ze had geen enkel begrip gehad van onafhankelijk te zijn en alleen te staan en alleen op Jahweh te steunen. Ze zou worden geoordeeld als een overspelige vrouw. Jahweh zou diegenen tegen haar opzetten, die ze zelf gezocht had. Hoogmoedig als ze tegelijkertijd was, wilde ze niets weten van Samaria en Sodom – namen die Jahweh nu gebruikt om haar te verootmoedigen. Ze was nog minder waard dan zij, die ze – ondanks haar hoogmoed – als haar zusters moest erkennen. Toch zou Jeruzalem, als ze eenmaal op rechtvaardige wijze veroordeeld en vernederd was, het voorwerp worden van de volle en volmaakte genade van God, Die haar zal herstellen, omdat Hij ten slotte aan Zijn liefde voor en Zijn verbond met haar zal denken. Op grond van de oude relatie met Hem, zal ze echter nooit uit haar ellende verlost kunnen worden, evenmin als Samaria of Sodom. Maar de genade, die tegenover haar zal worden aangewend, zal ook voldoende zijn om Samaria en Sodom terug te brengen. Het is de soevereine genade van verlossing, en vergeving, wat iets geheel anders is dan het verbond met Jeruzalem onder de wet. Met Jeruzalem zal Jahweh een bijzonder verbond oprichten en haar twee zusters zullen haar tot dochters worden gegeven. Haar mond zal gesloten zijn als ze denkt aan al de genade van God, Die haar zal hebben vergeven. Vers 55 spreekt van iets dat zonder voorwaarde is en altijd zal blijven. De belofte in vers 60 is op een geheel nieuwe grondslag. Samaria, Sodom en Jeruzalem worden gezamenlijk geoordeeld, maar de soevereine genade heeft haar eigen wegen en eigen tijd. Zo konden en zouden alle drie hersteld worden, maar met Jeruzalem zou Jahweh Zijn verbond oprichten. Het vrijmachtige, onvoorwaardelijke verbond van de belofte zou voor Jeruzalem zeker vast worden (hoofdstuk 16:8).

Hoofdstuk 17 toont ons het oordeel, dat over Zedekia gebracht wordt, omdat hij de eed veracht heeft die Nebukadnezar hem in de Naam van Jahweh had doen zweren. Omdat Israël zich niet in onkreukbaarheid voor God had kunnen handhaven, had Jahweh de heerschappij over de wereld toevertrouwd aan het hoofd van de volken, die Hij had verwekt. Dat was Zijn vast besluit, maar Hij had het hart van Nebukadnezar ertoe geneigd de Naam van Jahweh te eerbiedigen. Juda had nog het middelpunt kunnen blijven van godsdienstige zegeningen en de lamp van David had nog verder kunnen schijnen, hoewel het koningschap van zijn huis onderworpen was aan het hoofd van de volkeren, tot de oordelen en de wegen van God hun doel bereikt zouden hebben. Het verbond tussen Nebukadnezar en Zedekia was op deze grondslag gesloten en de Naam van Jahweh was gebruikt om het te bevestigen. Het was niet de heiden die het verbond brak. Zedekia had bij zijn andere zonden nog deze gevoegd, dat hij het bestaan van een volk en van een koningschap, dat aan God toebehoorde, onmogelijk maakte. De Naam van Jahweh was door hem meer veracht en met voeten getreden dan door de heiden. Hij had listig met Egypte onderhandeld om zich te onttrekken aan de overheersing van Nebukadnezar, die door God Zelf in oordeel als hoofd was aangesteld. Dit deed de ongerechtigheid van Israël overvloeien en veroorzaakte het eindoordeel. Maar het liet plaats voor de soevereiniteit van God, Die de grote boom zou vernederen en de kleine verheffen, Die de groene boom zou doen verdrogen en de droge bloeiende maken. Zijn genade zou de kleine vergeten tak van het huis van David nemen en hem in Israël op de berg van Zijn macht planten en waar Hij hem tot een grote ceder zou laten worden, die vrucht zou dragen en allen tot schaduw zou zijn, die de bescherming van zijn schaduw zouden zoeken. Al de machten van de aarde zouden het woord en de daden van Jahweh kennen.

Hoofdstuk 18-19

Hoofdstuk 18 bevat een belangrijk beginsel ten aanzien van de wegen van God, door Hem in die tijd naar voren gebracht: Hij zou de enkeling oordelen naar zijn eigen gedrag. Het boosaardige volk als zodanig was al geoordeeld, maar in feite niet wegens de ongerechtigheden van de vaderen. Hun eigen, tegenwoordige ongerechtigheden, maakten het oordeel dat hun vaders hadden verdiend passend voor hun eigen handelingen. Maar nu was ten aanzien van het land van Israël, de in Exodus 34:7 genoemde grondslag van Gods regering terzijde gesteld en de zielen die allen persoonlijk Jahweh toebehoorden (vers 4) moesten ook ieder persoonlijk het oordeel over hun eigen zonde ondergaan. Maar God zou de zich bekerende zondaar vergeving schenken, want Hij heeft geen behagen in de dood van de zondaar. Het gaat hier nog steeds om de regering van Israël op de aarde. Elkeen zou naar zijn eigen, persoonlijke wegen geoordeeld worden 6.

Hoofdstuk 19 schildert ons de wegvoering van Joahas, daarna die van Jojachin en ten slotte de volledige val van het huis van David.

Hoofdstuk 20

Met dit hoofdstuk begint een nieuwe profetie, die met onderverdelingen doorgaat tot aan het einde van hoofdstuk 23. Men zal hebben opgemerkt, dat de hoofdafdelingen naar jaren zijn gegeven. Hoofdstuk 20 is belangrijk. De voorgaande hoofdstukken hadden van de zonde van Jeruzalem gesproken. Hier beschrijft de Geest de zonde en in het bijzonder de afgodendienst van Israël (dat wil zeggen van het volk als volk) vanaf hun verblijf in Egypte. Want toen was het al met zijn afgoderij begonnen. Omwille van Zijn eigen naam had God hen daar uitgevoerd en hun Zijn inzettingen en Zijn sabbatten gegeven; deze laatste ook als teken van Zijn verbond met het volk. Maar Israël is in de woestijn tegen God opgestaan. Toen al dacht Hij eraan hen te verdelgen. Maar Hij spaarde hen en waarschuwde tegelijk ook hun kinderen, die desondanks de voetstappen van hun vaders hebben gevolgd. God had echter omwille van Zijn grote Naam, Zijn hand teruggetrokken en wel wegens de volken met het oog op wie Hij het volk uit Egypte had doen optrekken. Maar in de woestijn heeft Hij Israël al gewaarschuwd, dat Hij het onder de volken zou verstrooien (Zie Leviticus 26 en Deuteronomium 32). En aangezien zij de sabbatten van Jahweh hadden ontheiligd en de afgoden van hun vaderen nagevolgd zouden zij verontreinigd worden in hun eigen giften en slaven worden van de afgoden, die zij liefgehad hadden, opdat zij door Jahweh zouden worden verwoest. Want toen zij in het beloofde land waren gebracht, hadden zij Jahweh voor de hoogten prijsgegeven. Hij zou Zich niet meer door hen laten raadplegen, integendeel, Hij moest met grimmigheid en door een uitgestrekte arm over hen heersen. Hij had het volk al in de woestijn gedreigd, dat het onder de volken verstrooid zou worden. En nu, sinds Hij – voor de heerlijkheid van Zijn grote Naam – het volk in het land Kanaän had gebracht, had Israël niets anders gedaan dan Hem onteren. Daarom voert Hij nu het oordeel uit, waarmee Hij gedreigd had. Israël, altijd geneigd om zich van Jahweh af te wenden, had van die verstrooiing zeker gebruik gemaakt om aan de heidenen gelijk te worden. Maar God zou het niet toestaan en uiteindelijk toch ingrijpen. Hij zou de Israëlieten ondanks henzelf afgezonderd houden en hen uit het midden van de volken uitvoeren en in de woestijn leiden, zoals dit gebeurd was na de uittocht uit Egypte. Daar zal Hij de weerspannigen afsnijden, maar een overblijfsel, dat alleen in het land zal binnengaan, sparen. Want het zal in het land zijn, dat Jahweh door Zijn volk zal worden aangebeden, als Hij Israël, uit alle landen waarin het was verstrooid, zal hebben verzameld. Dan zal Hij Zelf in Israël worden geheiligd voor het aangezicht van de volken. Israël zal weten, dat Hij Jahweh is, als Hij alle dingen overeenkomstig Zijn beloften vervuld zal hebben. Zij zullen zichzelf verafschuwen en begrijpen, dat Jahweh omwille van de heerlijkheid van Zijn Naam had gehandeld en niet naar hun verdorven wegen.

Dit is het algemene oordeel over het volk, en in werkelijkheid dat over de tien stammen, als onderscheiden van Juda. De tien stammen als één geheel, zijn niet schuldig aan het verwerpen van de gezegende Heer. Ze waren al lang tevoren verstrooid wegens hun opstandigheid tegen Jahweh. Ze zullen worden teruggebracht maar zullen als een kudde onder de roede van het verbond doorgaan. De weerspannigen zullen uitgeroeid worden en alleen het gespaarde overblijfsel zal het land binnengaan. Zij zullen dus niet in de bijzondere verdrukking van de laatste halve week zijn, noch onder de macht van de Antichrist. God zal tegenover hen handelen overeenkomstig Zijn nationaal bestuur. Ongetwijfeld zal Juda zijn deel hebben in de zegening van vers 40. Maar God wil tonen, dat het niet alleen om Juda (om de “Joden” zoals wij zeggen) gaat. Israël als één geheel volk zal in het land genieten van de zegeningen, die voorheen beloofd zijn. Dit laat ons enkele belangrijke beginselen zien. Hoewel er gezinspeeld wordt op de oorspronkelijke beloften en deze met betrekking tot de volkomen zegening bestaan, beginnen de handelingen van Jahweh met Egypteland. Vervolgens zien we een opeenhoping van zonden. De barmhartigheid van de Heer maakte hun vergeetachtigheid ten aanzien van Zijn goedheid des te groter en het kwaad “van Abel af tot aan Zacharia”, zoals de Heer het zegt, wordt hierdoor alleen maar erger en groter.
Zo wordt het volk geoordeeld naar zijn gedrag vanaf de uittocht uit Egypte. Zijn afgodische geest openbaarde zich zelfs al in Egypte (Vergelijk Amos 5:25-26, aangehaald in Handelingen 7:42-43). Weliswaar had Jahweh omwille van de heerlijkheid van Zijn Naam het volk gespaard, maar de zonde bleef nog steeds voor Zijn aangezicht. Israël, beschouwd als één geheel, als een natie, wordt daarom verstrooid en dan opnieuw onder de roede van het verbond gebracht. God onderscheidt het overblijfsel en handelt in Zijn soevereine genade om voorzeker dat te volbrengen, waartoe het volk, onder zijn eigen verantwoordelijkheid geplaatst, niet in staat was. Israël, als natie, wordt onderscheiden van Juda, dat in een bijzondere positie blijft. Ten aanzien van de natie als zodanig, worden de weerspannigen van Israël buiten het land afgesneden en komen er niet in. In het land wordt aan het einde twee derde afgesneden (Zacharia 13:8,9). Maar daar zijn het de Joden, die schuldig zijn aan de verwerping en de dood van de Heer Jezus. In Ezechiël 20 gaat het om de wegen van God met betrekking tot de natie, die sinds de uittocht uit Egypte schuldig is. In Zacharia 13 om het straffen van de vijanden en moordenaars van Christus. In beide gevallen wordt de genade tegenover het overblijfsel getoond.

Hoofdstuk 21

In vers 45 begint een andere profetie, die ons de toepassing laat zien van de dreigingen, in het voorgaande hoofdstuk uitgesproken, op de omstandigheden waardoor het vervuld zou worden bij de inval van Nebukadnezar, zoals dit in hoofdstuk 21 wordt ontwikkeld. Jahweh had Zijn zwaard uit de schede getrokken en gescherpt om het niet weer in de schede te doen. Het was bereid om te doden. De profeet zag Nebukadnezar op het kruispunt van de twee wegen, die naar Jeruzalem en Ammon leidden. Jeruzalem zou, wat koning Nebukadnezar daar deed, als een ijdele waarzegging beschouwen, maar de stad zou op grond van het oordeel van Jahweh genomen worden. Haar gedrag had haar gehele zondige weg in herinnering gebracht en de goddeloze Zedekia (die de ongerechtigheid had doen overlopen door de eed, die hij in de Naam van Jahweh gezworen had, te verachten) moest tot zijn einde komen als de ongerechtigheid zou worden geoordeeld, want hij had de maat doen overlopen. Bovendien, het was nu een definitief oordeel en niet een kastijding, die de hoop nog zou kunnen geven, dat het uitgetrokken zwaard weer in zijn schede zou worden gestoken, zoals het volk zo vaak was gespaard, omwille van Zijn Naam. Het was waarlijk een omwenteling in de wegen van God. God nam Zijn troon van de aarde weg en de tijd van de volken begon. Jahweh keerde alles volkomen om, tot aan de komst van Hem, aan Wie rechtens alles toebehoorde en aan Wie het koninkrijk zou worden gegeven, dat wil dus zeggen, tot aan Christus. Ammon zou ook worden verdelgd.
Hoe meer men de profetieën van Ezechiël en Jeremia beschouwt, hoe meer men erdoor getroffen wordt. In de eerste plaats bevestigen ze het zeer belangrijke feit met betrekking tot de regering van de wereld, dat de troon van God van de aarde wordt weggenomen en het wereldbestuur, in de vorm van een rijk onder de volken, aan de mens wordt toevertrouwd. In de tweede plaats wordt ook ten aanzien van Gods regering in het midden van Israël de sluier opgelicht. De beproeving aan welke God de mens had onderworpen om te zien of hij in staat was gezegend te worden, had alleen de algehele ijdelheid van zijn wezen, zijn opstandigheid en de dwaasheid van zijn wil aangetoond, zodat bewezen is, dat hij door en door slecht is. Zelfs van Egypte af was het een geest van opstandigheid, van afgoderij en ongeloof, die aan alles in deze wereld – hetzij afgod of Assyriër – de voorkeur gaf boven Jahweh, de ware God. Volhardend als het was in zijn zonde, hebben noch bevrijding, noch oordeel, noch zegeningen, noch het ervaren van zijn dwaasheid, het hart van het volk kunnen veranderen, noch het kunnen afbrengen van de neiging van zijn natuur. De afgodendienst die in Egypte begon, en het verachten van het woord van Jahweh, verdwenen niet bij het genieten van de belofte, maar kenmerkten het volk, tot hun verwerping van Jahweh.

Inmiddels zien we bij God een geduld, dat zich nooit verloochent, de meest liefdevolle zorg, de aangrijpendste beroepen; alles wat ertoe kon meewerken hun harten naar Jahweh terug te doen keren. Ook zien wij hoe Hij in genade tussenbeide komt om het volk uit zijn ellende op te richten, door het te zegenen naar de getrouwheid, die door deze genade voor het ogenblik gewerkt werd, door middel van de een of andere koning. God “vroeg op zijnde”, zoals Hij het in Zijn genade uitdrukt, zendt profeten tot het ondankbare volk, totdat er geen geneesmiddel meer was. Maar het volk gaf zich aan het kwaad over. En zoals Ezechiël en Stefanus het aantonen keert de Geest van God terug naar de eerste openbaringen van het hart van het volk, waarvan het overige van de geschiedenis slechts de bevestiging en de uitdrukking was. Het oordeel wordt uitgevoerd op grond van wat Israël van het begin af is geweest.
Na de volledige openbaring van wat het volk was, verandert God Zijn wijze van regeren en behoudt Zich – naar de soevereiniteit van de genade – het herstel van Israël, volgens Zijn beloften, voor. Hij zou dit vervullen door Hem, Die door Zijn macht de zegen kan handhaven en het volk in vrede regeren.
Het is niet zonder belang eraan te denken, dat die soevereine genade, waardoor Israël ten slotte en na alles gezegend wordt als de verantwoordelijke menselijke natuur volkomen op de proef gesteld is, wat de wegen van God betreft, het beginpunt is van onze weg en van alles wat met ons in verbinding staat, hoewel wij (als het hart waarachtig is) door een vaststaande overtuiging van onze zonden en van onze zondige toestand op dat punt komen. Vandaar dat de noodzakelijkheid van een nieuwe natuur en de liefde van God in de gave van Zijn Zoon, voor ons de open deur voor alles is. Het kruis verzekert de gerechtigheid, waardoor de genade heerst zowel voor Israël als voor ons.

Hoofdstuk 22-24

Hoofdstuk 22 vat samen de zonde van Jeruzalem, van haar profeten, haar priesters en haar vorsten. Het oog van God zocht naar iemand die in de bres stond, maar vond niemand. Zijn verbolgenheid zou hen verteren. Wat een kracht geven de profetieën toch aan de woorden van de Heer: “hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeenverzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild”!

Hoofdstuk 23. Jahweh rechtvaardigt Zichzelf voor het oordeel dat Hij over Jeruzalem doet komen, door de ongerechtigheid en ontrouw van haar wandel. Haar hoererij met de volken bracht weer in herinnering wat zij in het begin was. Dezelfde leefwijze heeft dezelfde natuur getoond. Ze was geëindigd zoals ze begonnen was, omdat ze in haar hart dezelfde was. Ze zou het lot van Samaria ondergaan. Deze laatste wordt “Ohola”, een tent of tabernakel genoemd en Jeruzalem “Oholiba”, “Mijn tabernakel in haar.”

Hoofdstuk 24. Hier wordt het definitieve oordeel tegen Jeruzalem, dat zelfs niet beschaamd was over haar zonde, uitgesproken. Op de dag, dat Nebukadnezar de belegering van Jeruzalem begint, sterft de vrouw van de profeet. En hoewel zij het dierbaarste voorwerp was van het hart van Ezechiël, mocht hij niet over haar treuren. Onder het beeld van de dood van zijn vrouw, wordt Ezechiël geleerd, de gevoelens van zijn hart voor het oordeel van Jahweh te bedwingen. Als het oordeel eenmaal zou uitgevoerd zijn, zou de mond van de profeet geopend worden en het Woord van God zou openlijk tot het overblijfsel gericht worden, zodat Jahweh door hen gekend zou zijn. Jeruzalem zou als een ijzeren pot op het vuur gezet worden, opdat alles zou versmelten, verteren en verbranden. God had haar gereinigd, maar ze was niet gereinigd en nu rustte Zijn toorn op haar.

Hoofdstuk 25-28

Hoofdstuk 25 heeft een bijzonder karakter. De volken die zich rondom op het grondgebied van Israël bevonden, verblijdden zich van harte over de verwoesting van Jeruzalem en het heiligdom. Daarom zou God oordelen over hen uitoefenen. De Ammonieten, Moabieten, Edomieten en de Filistijnen zijn de onderwerpen van deze profetie. In het boek Obadja vindt men het getuigenis tegen Edom nog meer ontwikkeld. Door het oordeel, dat over hen zou komen, zouden deze volken weten, dat Jahweh alleen God is, hoewel Jeruzalem geen getrouwe getuige was geweest.

De hoofdstukken 24-25 horen bij elkaar. Hoofdstuk 25 loopt – hoewel van dezelfde tijd daterend – vooruit op de gebeurtenissen, die aanleiding hebben gegeven tot de haat, die weer de oorzaak was van het oordeel, dat uitgesproken werd. Maar deze geest is in die stammen of volken openbaar geworden, sinds de tijd dat de verwoesting van Juda en Jeruzalem begon. Dat deze volken hier op het toneel verschijnen is gemakkelijk te begrijpen, want zij zouden het lot van Jeruzalem delen en zijn in dit oordeel begrepen, omdat zij zich allemaal op het grondgebied van Israël bevonden.
Een ander merkwaardig punt is de waarschuwing, dat de wraak die aan het einde over Edom zal worden uitgeoefend, zal plaatsvinden door de hand van Israël zelf. Men vindt dit ook in andere profetieën over Edom, en dat geeft nog een grotere betekenis aan wat we hier overdenken. (Vergelijk Obadja 17-18 en Ezechiël 25:14).

Hoofdstuk 26. Hoewel Tyrus in een zeker opzicht ook op het grondgebied van Israël ligt, heeft het toch een ander karakter. Het is het onderwerp van een aparte profetie (hoofdstuk 26-28), omdat het de wereld en haar rijkdommen voorstelt, in tegenstelling tot Israël als het volk van God. Het verblijdt zich niet over de verwoesting van Jeruzalem op grond van persoonlijke haat, zoals de anderen, maar omdat het tegengestelde belangen heeft, zodat de verwoesting van wat zijn uitbreiding tegenhield, de vrije loop gaf aan zijn stoffelijke zelfzucht. Het is van belang in deze profetieën op te merken, op welke wijze God al de gedachten van de mensen tegenover Zijn volk en wat zij tegenover Hem geweest zijn, blootlegt.

Hoofdstuk 27. Tyrus is geoordeeld om zijn boze gezindheid die hij tegenover het volk en de stad van God getoond heeft. Het wordt omvergeworpen als wereldlijk systeem en alles wat zijn glorie uitmaakte, verdwijnt voor de ademtocht van Jahweh.

Hoofdstuk 28. Hier zijn het de vorst en de koning van Tyrus, die wegens hun hoogmoed geoordeeld worden. Vers 1-10 laten ons de vorst van de heerlijkheid van deze wereld zien, als een man die zichzelf verheft en voor een god wil doorgaan, omdat hij zich door zijn wijsheid rijkdommen en glorie verworven heeft. De verzen 11-19, hoewel ze verder over Tyrus spreken, hebben denk ik een veel grotere draagwijdte. Ze verraden ons (hoewel schemerig) de val en de wegen van satan, die door onze zonde de vorst en god van deze wereld geworden is. De vorst van Tyrus vertegenwoordigt Tyrus en de geest van Tyrus. De verzen die volgen (11-19) zijn veel persoonlijker. Ik twijfel volstrekt niet, dat het hier uit historisch oogpunt gezien, om Tyrus zelf gaat. Vers 16-19 tonen dit aan. Maar, ik herhaal het, de gedachte van de Geest gaat veel verder. De wereld en zijn koningen worden op grond van de voorrechten die ze genieten, als de hof van Jahweh voorgesteld. (Het gaat hier om de regering van God naar buiten. Hij erkende tot op dit ogenblik de verschillende volken, die Israël omringden). Dit is echter meer van toepassing op Tyrus, dat zich immers op het grondgebied van Israël, in het land van Immanuël bevond en dat – in de persoon van Hiram – met Salomo verbonden was geweest en zelfs had meegeholpen aan het bouwen van de tempel. Zijn schuld was dienovereenkomstig. Het is de wereld in verbinding met God. En als de vorst van Tyrus, die de wereld is, deze stand van zaken vertegenwoordigt, en wel een wereld die door deze positie zo buitengewoon verheven was in haar bekwaamheden en zich voor een god wilde uitgeven, dan wordt ons door de koning de positie zelf getoond, waarin vanuit dit oogpunt de wereld was geplaatst. Het verlaten van deze positie geeft hem het karakter van een afvallige. Dit is het karakter, dat aanleiding geeft tot de uiteenzetting van de afval van de vijand, die we in deze verzen vinden. Hij was daar geweest waar de planten van God groeiden 7 en was bekleed met kostelijke stenen, dat wil zeggen met al de verscheidenheid van schoonheid en volmaaktheid, waarin het licht van God weerkaatst en veranderd wordt, zodra dit licht zich in de schepping of in verbinding met haar openbaart. Zo heeft hier de weerkaatsing vol verscheidenheid van deze volmaaktheden in het schepsel plaatsgevonden. Een schepsel was het middel van hun openbaring. Eigenlijk gezegd was dit niet het licht (want God is licht en Christus is het licht hier beneden en voor zover Hij in ons leeft, zijn wij licht in Hem), maar het was het effect van het licht, dat in het schepsel werkte, zoals een zonnestraal dat doet in een prisma. Het is een ontplooiing van zijn schoonheid, die niet zijn wezenlijke volmaaktheid is, maar die eruit voortkomt.

Nu willen we de karaktertrekken van de koning van Tyrus, of van de vijand van God en de overste van deze wereld, van nabij beschouwen. Hij is de gezalfde cherub en is bekleed met kostbare stenen. Hij was in Eden, het paradijs van God, op de berg van God en wandelde in het midden van de vurige stenen. Hij was volkomen in zijn wegen, totdat ongerechtigheid in hem gevonden werd. Wegens zijn ongerechtigheden is hij evenwel uitgeworpen van de berg van God. Zijn hart verhief zich over zijn schoonheid en hij verdierf zichzelf. Bovendien vinden wij in hem wat voor het schepsel het meest verheven is: Hij handelde in het gerechtelijke bestuur van God in overeenstemming met het Goddelijk inzicht (dit is het karakter van de gezalfde cherub). Hij is bekleed met de zedelijke schoonheid die het karakter van God als licht weerkaatst 8. Hij bevond zich als een erkend iemand te midden van die planten van God, waarin God Zijn wijsheid en macht in de schepping voor Zijn welbehagen als Schepper tentoonspreidde. Hij was ook daar, waar het gezag van God werd uitgeoefend: op de berg van God. Hij wandelde daar waar de zedelijke volmaaktheden van God zich in hun heerlijkheid openbaarden, een heerlijkheid waarvoor het kwaad niet bestaan kon (vurige stenen). Zijn wegen waren volkomen geweest. Maar al deze voorrechten waren de aanleiding tot zijn val, en kenmerkten deze. Want de voorrechten, waarvan wij genieten, kenmerken altijd onze val! Het gaat om de vraag waarvan we afgevallen zijn. Want het falen daar, waar we deze plaats en deze voorrechten genoten, dat is het wat onze positie zo verlaagt. Bovendien was deze val niet gebeurd door een verzoeking die van buiten kwam, zoals in het geval van de mens, wat overigens de schuld van de mens niet teniet deed, maar toch het karakter ervan veranderde. Er wordt gezegd: uw hart heeft zich verheven over uw schoonheid! Hij verhief zich tegen God en daarom wordt hij – als een onheilige – van de berg van God geworpen. Zijn geest, onafhankelijk in veiligheid, werd vernederd toen hij ter aarde werd geworpen. Zijn naaktheid werd aan ieder geopenbaard. Zijn dwaasheid zal ten slotte voor ieder openbaar zijn.

Ten slotte zien we nog het oordeel, dat over Sidon zal komen. En dan, als alle hoop aan Israël ontnomen is, als het oordeel over de volken zal voltooid zijn, dan zal God Israël weer terugbrengen in zijn land en zal hem daar voor eeuwig in vrede doen wonen.

Hoofdstuk 29-32

De hoofdstukken 29-32, kondigen ons het oordeel over Egypte aan. Dit land zocht, in de eigen wil van de mens, de plaats in te nemen die God in feite aan Nebukadnezar had gegeven. Daarom is het oordeel van God van zo’n bijzonder belang en heeft zo’n bijzondere uitwerking. God had het gezag aan Nebukadnezar gegeven en het was nodig, dat allen zich onderwierpen. Het machtige rijk van Assur was al gevallen. Farao zou het, ondanks zijn eerzucht en hoogmoed, niet beter vergaan. In hoofdstuk 31:10-11 zien we hoe dit oordeel over Assyrië (dat, wat zijn macht betreft, de eerste onder de volken was) wordt voltrokken. De machtigste van de heidenen valt voor het vonnis van God. Farao zou getroost worden als hij zag hoe al de machten van de aarde evenals hij zelf omvergeworpen zouden zijn. Al gevallen als de onbesnedenen, dat wil zeggen als degenen, die door God niet erkend werden en dus ook niet staande gehouden. Alles moest plaats maken voor deze nieuwe macht in de hand van Nebukadnezar. Dat wat Egypte kenmerkte, was de natuurlijke hoogmoed die zijn eigen wil wilde volgen en geen God erkende (hoofdstuk 29:9). Zo’n beginsel zal nooit meer het vertrouwen van het volk van God zijn (vers 16). Weliswaar zou Egypte zijn plaats behouden, maar het zou niet langer heersen. Het oordeel over Egypte zou dan de aanleiding zijn, dat Israël gezegend werd. Dit beginsel gaat door tot op het einde. Door de vernietiging van de Assyriër had God getoond, dat Hij niet wilde, dat een volk zich zo verhief. De wil van de mens, zoals die zich in Farao openbaarde, veranderde niets aan Zijn oordeel. Zoals wij al hebben gezien, vertegenwoordigde Nebukadnezar een geheel nieuw beginsel, dat door God Zelf in de wereld werd ingebracht.
Merk nog op, dat in hoofdstuk 32:27 Mesech en Tubal van de andere volken onderscheiden worden.
Deze profetie met betrekking tot Egypte is bijzonder belangrijk. Ze bestaat uit drie afzonderlijke profetieën. De eerste (hoofdstuk 29-30) is ook weer onderverdeeld. Hoofdstuk 31 bevat de tweede en hoofdstuk 32 de derde, maar deze laatste strekt zich uit tot aan het eind van hoofdstuk 39 en bevat verscheidene onderwerpen met betrekking tot het lot van Israël in de laatste dagen. Merk op, dat hoofdstuk 29:17-21 een profetie van een geheel andere datum geeft. Omdat de inhoud hiervan in verband staat met de profetie, die in ditzelfde hoofdstuk eraan voorafgaat, is ze hierbij opgenomen. Ook hoofdstuk 30:20-26 bevat een profetie, die wat haar datum betreft, geheel afzonderlijk staat.

Tot aan hoofdstuk 25 vonden we hoofdzakelijk de zedelijke argumenten met betrekking tot de toestand van Israël. Vandaar tot aan het eind van hoofdstuk 32 zien wij voornamelijk de uitvoering van het oordeel. Maar de profetie die ons dit meedeelt is in meer dan één opzicht merkwaardig. Nebukadnezar wordt gezien als degene die het oordeel van God uitvoert. Hij is de dienstknecht van God in het uitvoeren van dit oordeel over Jeruzalem, dat boven alle andere de zetel van de ongerechtigheid was geworden, hoewel het Gods heiligdom was. Tegelijkertijd bevrijdt God door deze oordelen Zijn land van al de volken die het ten onrechte bezaten. Hij vernietigt de hoogmoedige kracht van de mens waarop Israël zijn vertrouwen had gesteld, dat is Egypte, dat zich nooit meer als een overheersend volk zal oprichten. Maar het was de dag van alle volken. Het gevolg van deze oordelen zowel over het opstandige Jeruzalem als over de volken zou zijn, dat Israël tegelijkertijd hersteld zou worden naar de belofte en door de macht van God in genade. De strikken die hem in het kwaad hadden doen vallen waren weggeruimd (zie hoofdstuk 26:16-21; 27:34-36).
Hoewel historisch gezien de gebeurtenissen hun vervulling kregen onder Nebukadnezar, werden zo toch de wegen van God met het oog op het herstel van Israël geopenbaard, wat betreft de oordelen die uitgevoerd moesten worden. Door deze oordelen verdwijnen al de volken en ook Israël, dat hun middelpunt was, als naties van het toneel. Als de Geest de uitoefening van de oordelen beschrijft, die over Assur, Elam en Mesech komen zouden, geeft Hij ook de bijzonderheden over die volken, die het land waren ingevallen of als valstrik voor Israël hadden gediend. Het profetisch verhaal van deze oordelen bevat dus in zich de verzekerde hoop, die door de krachtdadige genade van de Heer aan Israël gegeven is. Ik twijfel er niet aan, dat deze gehele profetie van oordelen, in een perspectief, dat door de kracht van de Heilige Geest naderbij is gebracht, in verbinding staat met de gebeurtenissen van de laatste dagen, waardoor deze plannen en bedoelingen van God volkomen zullen worden vervuld.

In hoofdstuk 30:3 zien we, dat het om een algemeen 9 oordeel gaat.

Ik heb al de Schriftplaatsen aangehaald, die aantonen, dat Israël bevrijd wordt van allen, die vroeger hem tot een valstrik zijn geweest. De aanmatigingen van de mens zijn omvergeworpen (hoofdstuk 29:3-9); en ook de geest van overheersing (hoofdstuk 31:10-14). De nietigheid van de heerlijkheid van de mens wordt aan het eind van hoofdstuk 31 en aan het slot van elk oordeel van hoofdstuk 32 aangetoond. Wij hebben al gezien, dat het lot van Mesech onderscheiden wordt, misschien wel wegens wat hem in de laatste dagen zal overkomen en wat verder in dit boek (hoofdstuk 39:5) wordt aangekondigd.
In deze serie van profetieën, die met het oordeel over Jeruzalem, het middelpunt van het oude systeem van de volken (hoofdstuk 24) begint, is er nog één belangrijk punt, waarop gewezen dient te worden. Dit is, dat al deze profetieën ten doel hebben, door het oordelen van de volken, Jahweh aan allen bekend te maken. Alleen zien we in het geval van Israël nog, dat de profetie verstaan en op bijzondere wijze bevestigd wordt. Zie hoofdstuk 24:24-27 ten aanzien van Israël; hoofdstuk 25:5,7,11 ten aanzien van Ammon en Moab; in de verzen 15-17: de bijzondere wraak ten opzichte van de Filistijnen; hoofdstuk 26: Tyrus; hoofdstuk 28:22: Sidon; hoofdstuk 29: Egypte; alsmede de hoofdstukken 30:26 en 32:15.

Ten aanzien van Edom (hoofdstuk 25:14) wordt alleen maar gezegd, dat Edom de wraak van Jahweh door middel van Israël zal kennen. Weer een bewijs, dat deze profetie zich in bepaalde opzichten uitstrekt tot in de laatste dagen. In het algemeen gaat het dus om de openbaring van de macht van Jahweh, opdat ieder Hem, door de oordelen die Hij uitvoert, zou leren kennen. Deze oordelen zijn al gedeeltelijk in de veroveringen van Nebukadnezar verwezenlijkt, maar later zullen ze volkomen vervuld worden ten gunste van Israël.
Men zal in hoofdstuk 35:12, waar Edom opnieuw geoordeeld wordt, opmerken, dat er alleen maar gezegd wordt: “Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, al uw beledigingen gehoord heb”. Maar in de verzen 4 en 9 wordt van Edom gezegd: “Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben”. Dit kennen van Jahweh vindt dus door het oordeel zelf plaats en is dus niet de vrucht van enige geestelijke kennis; want als de gehele aarde zich zal verblijden, zal Edom verwoest worden. Het zal door oordeel zijn, dat alle volken zullen weten, dat Jahweh God is. Maar als het oordeel zal zijn uitgevoerd en de gehele aarde zich in de zegeningen zal verblijden, zal Edom slechts oordeel hebben. Vergelijk het boek Obadja. Edom ondergaat zijn oordeel door middel van de machtigen onder de volken, maar Israël zelf zal de laatste slag toebrengen. Men kan in het geval van Israël de twee middelen, waardoor Jahweh gekend zal worden, in de volgende Schriftplaatsen vinden: hoofdstuk 24:24-27; 28:26; 34:27 en 36:11. In de andere gevallen is het door oordelen. In het geval van Tyrus wordt de handelsglorie en in het geval van Egypte de hoogmoed van het heersen gebaseerd op macht, volkomen geoordeeld. Zonder hoop op enig herstel worden ze neergeworpen en vernietigd. Zie hoofdstuk 26:21; 27:36; 31:18 (vergelijk hoofdstuk 32:32). Dit alles is ten aanzien van Tyrus op het vaste land en van het Egypte van de Farao’s letterlijk vervuld. Wij hebben gezien hoe Edom volkomen vernietigd werd, zoals dit door de Heer was aangekondigd. Wat Edom kenmerkte was de onverzoenlijke haat, die hij had tegen het volk van God.

Hoofdstuk 33-34

Met het oog op deze oordelen, die Zijn volk op een geheel nieuwe grondslag plaatsen, vestigt God een volkomen nieuw beginsel, namelijk het persoonlijke gedrag als grondslag voor de wegen van God, in tegenstelling tot de gevolgen van nationale zonde (verzen 10,11). Het volk was immers als “Lo-Ammi” (niet Mijn volk) met de volken geoordeeld en daarom kan, hoewel de oordelen slechts ten dele waren uitgevoerd, de profetie zien tot in de laatste dagen. Maar de deur tot persoonlijk berouw bleef volkomen open. En dit berouw moest gegrond zijn op een getuigenis, dat men persoonlijk moest bezitten, wat het nationaal oordeel ook mocht zijn. Het uiteindelijke doel van het oordeel is tegengesteld aan de uitwerking, die het bij de persoon moest veroorzaken en dat juist om het beginsel te bevestigen. Het geloof zou zich nu niet hierin tonen, dat het rekende op de aan Israël gegeven beloften of op de tussenkomst van God ten gunste van Zijn volk alsof het deze beloften bezat, want het volk was geoordeeld. En juist datgene wat geloof zou zijn geweest in de tijd van de belofte en dat in komende tijden eveneens geloof zal zijn, is in de tijd van het oordeel alleen maar verharding van het hart (vers 24). Vergelijk Jesaja 51:2, een Schriftplaats die vaak volkomen verkeerd toegepast wordt. Hier in Jesaja wordt het kleine overblijfsel in de laatste dagen geroepen op een God te vertrouwen, Die een enkele man genomen had en hem had vermenigvuldigd. Maar als God een groot deel van het volk wegens zijn ongerechtigheid afsneed, dan zou zo’n gedachte bij het volk alleen veroorzaken, dat Zijn oordeel nog meer gevoeld werd. Op deze wijze zou het volk door middel van een oordeel over zijn ongerechtigheden, waaraan het als volk schuldig was geweest, weten, dat Jahweh God was. Dus niet door middel van een zegening, zoals waanwijsheid dit van God wel wilde afdwingen.

Het slot van het boek Jeremia heeft ons de vervulling van de woorden van Ezechiël verteld. Maar al deze oordelen laten ruimte, dat God, door middel van de soevereine genade, vervuld in de Messias, ten gunste van Zijn volk kan ingrijpen. Toch lag het kwaad bij de herders, dat wil zeggen bij de koningen en de leidslieden van Israël, die geen ware herders waren. Inderdaad, er was geen enkele ware herder. De zieke, verstrooide, bedroefde en kwalijk behandelde kudde was ten prooi overgeleverd aan haar vijanden. De herders voedden zichzelf ermee en beschermden noch verzorgden haar. Maar Jahweh wijst nu op het gedrag van de herders (hoofdstuk 34) en zegt, dat Hijzelf Zijn arme schapen zou zoeken; Hij Zelf zou richten tussen schapen en schapen en hen verlossen uit de mond van hen, die ze verslonden 10 en hen weiden op de bergen van Israël, in de vette weiden. Hij zou de enige en ware Herder verwekken, David (dat wil zeggen de geliefde Messias). Jahweh zou hun God zijn en David Zijn Dienstknecht hun Vorst. Het vredesverbond zou worden hersteld. Volkomen en zekere zegening zou het blijvende deel zijn van het volk van God, het huis van Israël. Geen hongersnood zou er in hun land meer zijn, en de volken zouden hen niet meer verslinden. Let hier op de wijze, waarop Jahweh Zelf Zijn schapen bevrijdt, zonder dat Hij Zich hun Herder noemt en hun daarna een plant van naam, de ware David, als hun herder verwekt.

Hoofdstuk 35-36

Hoofdstuk 35. In dit hoofdstuk treedt God als Rechter op tussen Edom en Israël en veroordeelt de berg Seïr tot een eeuwige verwoesting wegens de ingewortelde haat, die dit volk Israël heeft toegedragen. En in plaats van dat Israël, in de dag dat Hij Zijn volk kastijdt, wordt overgeleverd aan Edom, is het juist Edom dat de straf van deze haat zal dragen, als de hele aarde zich zal verheugen. Als God Zijn volk straft denkt de wereld dat alles haar zal toekomen, terwijl in werkelijkheid dit alles niets anders is dan de voorbereiding voor het oordeel, dat over haar zal komen.

Hoofdstuk 36 zet hetzelfde onderwerp voort, in verband met de zegening van Israël. De volken beschimpen Israël als een land wiens eeuwige hoogten hun als buit waren overgeleverd en dat, zoals de verspieders al zeiden (Numeri 13), zijn bewoners opat en beroofde. Maar dit geeft God aanleiding Zijn gunst tegenover Zijn volk te laten zien. Jahweh verklaart, dat Hij het land zijn voorspoed en vrede zal teruggeven en hun schande zal wegnemen. Israël had het land verontreinigd en de Naam van Jahweh ontheiligd, en Jahweh had hen onder de volken verstrooid. En zelfs hierin zou Zijn Naam worden ontheiligd, want de volken zouden zeggen: “Deze mensen zijn het volk van de HEERE en toch zijn zij uit Zijn land vertrokken” (vers 20).

Maar Jahweh zou tussenbeide treden en voor het aangezicht van de volken Zijn grote Naam heiligen, door Zijn volk uit hun midden terug te brengen en het van al zijn bezoedelingen te reinigen. Ook zou de hardheid van hun hart worden weggenomen en hen Zijn Geest gegeven. God zou het volk naar Zijn inzettingen laten wandelen en het planten in het land, dat aan hun vaderen was gegeven. Hij zou hen als Zijn volk erkennen en Hijzelf zou hun God zijn. Dan zou de beschuldiging, dat het land zijn bewoners opat en beroofde, onmiskenbaar zonder enige grond zijn. God zou voor Zijn volk de aardse zegeningen vermenigvuldigen en het werk van Jahweh zou dan aan een ieder geopenbaard worden.

Hoewel niet uitsluitend, zinspeelt de Heer Jezus toch voornamelijk op deze Schriftplaats, als Hij in Johannes 3 tot Nicodemus zegt, dat Hij van de aardse dingen had gesproken, en dat Nicodemus als leraar in Israël had moeten begrijpen, dat deze vernieuwing van het hart noodzakelijk was voor de zegening van Israël in zijn land. De waarheid hiervan ten aanzien van een Jood behoorde Nicodemus niet te verwonderen, want het was een soeverein werk in een ieder, die uit God geboren zou zijn. Als nu Nicodemus niet verstond wat de profeten ten aanzien van de noodzakelijkheid van de wedergeboorte hadden meegedeeld, opdat Israël van de aardse dingen zou kunnen genieten, hoe zou hij dan, als Jezus hem hiervan sprak, de hemelse dingen begrijpen voor de invoering waarvan de dood van de Zoon des mensen en Zijn verwerping door de Joden absoluut noodzakelijk waren?

We herhalen, dat Ezechiël spreekt van de wegen van God ten opzichte van Israël, als een volk, dat tegenover Jahweh verantwoordelijk is en nooit iets zegt van de eerste komst van Christus noch van de verantwoordelijkheid van Israël ten aanzien van Hem. Dit laatste vond plaats onder de heerschappij van de volken. Nebukadnezar is hier slechts een roede in de handen van Jahweh en de tijd van de volken wordt hier niet behandeld. Daarom zien we ook, dat het oordeel over de volken door Nebukadnezar verbonden wordt met de gebeurtenissen van de laatste dagen, en er niets gezegd wordt van de verwerping van Christus door de Joden. Het gaat hier om Israël, dat voor het aangezicht van Jahweh staat. Voor het begrijpen van het boek Ezechiël is het belangrijk dit te weten. Zie laatste noot.

Hoofdstuk 37 laat ons de definitieve zegening van het volk als een feit zien, zonder dat er bijzonderheden worden meegedeeld van de gebeurtenissen, die in deze zegening eindigen. De verdorde beenderen van Israël (het volk als één geheel gezien) worden door de macht van God bijeenvergaderd. God brengt dit werk door Zijn Geest tot stand, maar op zo’n wijze, dat Hij meer in macht op het volk inwerkt om bepaalde gevolgen teweeg te brengen, dan om het volk geestelijk leven mee te delen, hoewel het helemaal niet twijfelachtig is, dat zij, die uit het midden van de Joden gezegend zullen worden, ook in geestelijk opzicht levend gemaakt zullen zijn. Het resultaat van deze tussenkomst van God zal zijn, dat de verstrooiden, tot dat tijdstip nog steeds van elkaar gescheiden, van de aarde bijeenverzameld zullen worden als één volk onder één Hoofd. Het is de opstanding van het volk, dat waarlijk dood en begraven was. Maar God opent hun graven en zet hen weer in hun land als een tot nieuw leven hersteld volk. Het feit, dat het volk voor dit werk van God in twee delen gescheiden is wordt erkend. Maar het resultaat van dit werk van God is, dat Israël in zijn eenheid als volk weer aanwezig is. Eén koning zou over hen regeren. Dit is dan – onder de leiding van de hand van God – het resultaat van al hun ongerechtigheden en van de aanslagen van de vijanden, die hen als gevangenen hadden weggevoerd. David (dat is Christus) zou hun Koning zijn. Ze zouden door God Zelf volkomen gereinigd worden. Ze zouden in Zijn inzettingen en rechten wandelen en voor altijd in hun land wonen. Het heiligdom van God zou voor altijd in het midden van hen zijn. Zijn tabernakel, Zijn woning zou bij hen zijn. Hij hun God en zij Zijn volk. De volken zouden weten, dat Jahweh Israël geheiligd had, als Zijn heiligdom voor altijd daar zou zijn. Het is de volle nationale zegening van Israël van de zijde van Jahweh.

Hoofdstuk 38-39

Hoofdstuk 38. Gog, die Jahweh niet vreest, tracht zich van het land meester te maken. Hij heeft er geen idee van, dat Jahweh daar is. Zijn trots verblindt hem.

Het is zeer belangrijk om op te merken, dat Ezechiël noch van de eerste noch van de tweede komst van Christus spreekt. En ook niet van de omstandigheden van de Joden in verband met de heerschappij van de volken. Deze laatsten treden slechts op als instrumenten, die de wil van God volbrengen. De profeet stelt Jahweh en Israël voor onze aandacht. Hij stelt inderdaad ook Christus voor, maar als Iemand Die al aanwezig is en in het karakter van David. Jahweh verwekt voor hen een plant van naam. Zijn komst is hier niet het onderwerp. De oordelen van Jahweh op aarde maken Hem zowel aan de volken als ook aan Israël bekend (aan deze laatste ook door Zijn zegeningen). Door deze oordelen leren de volken (een zeer belangrijk punt in de wegen van God) dat Israël wegens zijn zonden in gevangenschap is gegaan en dus niet omdat hun God gelijk was aan de afgoden van de volken. Maar in al de wegen van God, die op deze wijze worden getoond, vinden we niet alleen geen enkele vermelding van de komst van de Heer, maar er is hier ook geen plaats voor. Het behoort tot een andere reeks van gedachten en openbaringen van de Geest van God; tot een andere orde van gebeurtenissen.

Merk op, dat de hoofdstukken 36-37 en de twee volgende tezamen genomen, wat de profetie betreft, niet op elkaar volgen. Elk van de eerste twee en de laatste twee als één genomen, behandelen afzonderlijke onderwerpen. Elk onderwerp is in zichzelf volledig en toont ons in verbinding met het behandelde onderwerp hoe Israël tot de zegening komt en wordt dan afgesloten met de verzekering, dat deze zegeningen definitief en altijddurend zijn. Het onderwerp van al deze profetieën is het land en de zegeningen van God, die over het land van Israël zullen komen. Dit land behoort aan Jahweh en Hij wilde niet, dat het verontreinigd zou worden. In oordeel drijft Hij Israël uit het land, en als Hij het volk gereinigd heeft laat Hij zowel de volken als Israël verstaan, waarom Hij zo doen moest. Hij handelt in volkomen genade tegenover Zijn volk en laat weten, dat het Zijn volk is, maar ook, dat Hij in hun midden geheiligd wil worden en inderdaad geheiligd wordt.

Ik geloof daarom, dat het oordeel over Gog het einde betekent van alle wegen van God ten opzichte van Israël. God laat deze hoogmoedige macht optrekken om door een definitief oordeel Zijn wegen met Zijn volk en met de volken op de aarde te openbaren. En ook om in het midden van Israël, waarvan voortaan niet één ver van hun land in ballingschap zou leven, Zijn zegen, Zijn heiligdom en Zijn heerlijkheid te brengen.

Behalve op het grote aantal verzen, waarin gezegd wordt: “En zij zullen weten, dat Ik Jahweh ben”, wijs ik ook op de onderstaande Schriftplaatsen, die alle de overheersende gedachte van deze verklaringen en oordelen van God aantonen, namelijk de openbaringen van Zijn regering op aarde. Deze regering doet het ware karakter van God uitkomen en verzekert haar tentoonspreiding in de wereld, ondanks de ontrouw van Zijn volk; en dat zowel in genade, als in heiligheid. Hoofdstuk 36:19-23,36; 39:7, 23,24,28. Met het oog op Israël zie hoofdstuk 34:30. Wat de vijand aangaat: hoofdstuk 35:12 en 37:28.

Wat ik zoeven van Gog heb gezegd, veronderstelt, dat alle gebeurtenissen die in verband staan met de komst van de Zoon des mensen, in de geschriften van deze profeet zijn weggelaten, wat ik ook denk. Het boek handelt alleen over de regeringswegen van God op aarde en van Jahweh in Israël. De macht die door Gog wordt aangeduid is de macht uit het noorden, buiten het grondgebied van de dieren van Daniël. Ik twijfel er niet aan dat de juiste vertaling is: Vorst van Rosch, Mesech en Tubal, zoals vele geleerden hebben opgemerkt. Kusch en Put waren zowel aan de Eufraat als ook aan de Nijl. De Perzen zijn bekend. Togarma is het noordoostelijke gedeelte van Klein-Azië. De vermetelheid van deze koning zal de woede van Jahweh doen ontbranden.

Opdat de lezer gemakkelijker de samenhang tussen deze hoofdstukken en andere Schriftplaatsen kan zien, voeg ik er nog aan toe, dat het naar mijn mening buiten alle twijfel is, dat de Heer Jezus in het karakter van David zal regeren, voordat Hij dit in het karakter van Salomo doet. Hij heeft geleden als David, die door de jaloezie van Saul werd verdreven. In beginsel zal ook het overblijfsel door dit lijden heen gaan. Dat is de sleutel tot de psalmen. De Heer Jezus zal als David regeren, terwijl Israël gezegend en aangenomen is, maar al de vijanden nog niet vernietigd zijn. En ten slotte zal Hij als Salomo regeren, dat wil zeggen als Vredevorst. Zeer veel Schriftplaatsen, zoals bijvoorbeeld Micha 5, verschillende hoofdstukken in Zacharia, Jeremia 51:20,21; Ezechiël 25:14, spreken van deze tijd, waarin Israël al verzoend en erkend en in het land tot rust gekomen, het instrument zal zijn voor de uitoefening van de oordelen van Jahweh naar buiten (Vergelijk Jesaja 11:10-14).

Niets wat dus verband houdt met de vernietiging van de rijken, die het onderwerp van de profetieën van Daniël zijn, vindt in de profetieën van Ezechiël een plaats. Evenmin wat er gebeuren moet opdat Israël opnieuw in verbinding komt met God en de gevolgen voor de Joden van hun verwerping van Christus. Deze onderwerpen vinden we bijvoorbeeld in Daniël, Zacharia en meer in het algemeen Jesaja. Hier in Ezechiël zien wij hoe God Zich in Israël bekend maakt. Gog, de vorst van Rosch, Mesech en Tubal valt op de bergen van Israël en Jahweh laat voor de ogen van verscheidene volken zien wie Hij is (hoofdstuk 38:21-23). Het oordeel zal zich tot het land van Gog en tot de eilanden uitstrekken (39:6). De Naam van Jahweh zal in het midden van Israël bekend worden en de heidenen zullen weten, dat Jahweh, de Heilige in Israël is (vers 7). Als de heerlijkheid van Jahweh op deze wijze in het midden van de volken geopenbaard zal zijn, dan zal Israël, van die dag af, weten, dat Hij, Jahweh, hun God is. En de volken zullen weten, dat het de ongerechtigheid van Israël was dat het oordeel over hen bracht en niet omdat Jahweh had gefaald, hetzij in macht of in de zekerheid van Zijn raadsbesluiten (verzen 22-24).

Kort gezegd: Jahweh en Zijn regering zouden volkomen in Israël bekend worden (en door dit volk ook aan de gehele wereld) en van die tijd af zou God Zijn aangezicht nooit meer voor hen verbergen. Zijn Geest zou over Zijn volk worden uitgestort. Vers 25-29 laten ons een samenvatting zien van wat God gedaan heeft tegenover Zijn volk, om Zijn regering te vestigen en om Zich in het midden van hen bekend te maken.

Hoofdstuk 40-48

In het overige deel van de profetie zien we hoe Zijn heiligdom in het midden van het volk opgericht wordt. Het zal de lezer opvallen, dat wij in deze hoofdstukken een soortgelijke openbaring aantreffen als die aan Mozes werd gegeven voor de tabernakel en aan David voor de tempel. Alleen worden in dit geval de bijzonderheden bewaard, in de geschriften, die door inspiratie aan het volk zijn gegeven, als een getuigenis voor latere tijden, en voor het geweten in alle tijden. God stelt belang in Zijn volk. Hij zal Zijn heiligdom in het midden van de mensen herstellen. Inmiddels moet het getuigenis hiervan aan het volk gegeven worden, om het onder de verantwoordelijkheid te plaatsen, die deze gunst van God tegenover hen met zich meebrengt. Want de profeet ontving het bevel aan het huis Israëls te zeggen wat hij had gezien, en hij deed het. Als dan de afmetingen van de verschillende delen van het huis en van de voorhof gegeven zijn, vervult de heerlijkheid van Jahweh, in het visioen, het huis, zoals dit ook in werkelijkheid gebeurd is tijdens de inwijding van de tabernakel en van de tempel.

Hoofdstuk 43:7 zegt, dat het huis, dat de troon en de voetbank van Jahweh is, niet meer door goddeloze dingen verontreinigd zou worden. Vervolgens moest de profeet aankondigen, dat, als Israël van zijn ontrouw afzag, Jahweh zou terugkeren om erin te wonen. Zo wordt het volk in alle tijden onder deze verantwoordelijkheid geplaatst. De profeet moest ook het huis aan Israël tonen, opdat het zich zou bekeren. En als zij zich bekeerden, moest hij hen alle bijzonderheden ervan verklaren. En dit vindt dan aan het slot plaats. De voorschriften van het huis moesten hun worden bekend gemaakt, indien zij zich verootmoedigden, en in verband hiermee kondigt de profeet aan wat gedaan moest worden om het altaar te reinigen en in te wijden, opdat de regelmatige dienst zou kunnen plaatsvinden.

In hoofdstuk 44 wordt het feit vastgesteld, dat Jahweh teruggekeerd is in Zijn huis. De herinnering hieraan wordt bewaard door de poort, waardoor Hij binnengegaan is, altijd gesloten te houden. Alleen de Vorst (want God zou Israël een vorst verwekken) zou zich ervan bedienen om het huis binnen te gaan en zich voor het aangezicht van Jahweh neer te zetten. Wij hebben gezien, hoe de profeet Israël steeds in zijn eigen positie van aards volk ziet, in verbinding met de troon van God op aarde (Vergelijk Zacharia 12:7,8,10). Uiteindelijk handhaaft God de heiligheid van Zijn huis tegenover elke vreemdeling en zelfs tegenover de Levieten, die ze hadden verlaten. Het huis van Zadok wordt voor het priesterschap bevestigd en aanwijzingen worden gegeven om deze familie voor alle verontreinigingen te bewaren.

Hoofdstuk 45. Het deel van de priesters in het land wordt hun toegewezen en wel in de onmiddellijke nabijheid van het heiligdom. Het deel van de Levieten moest grenzen aan dat van de priesters en hiernaast kwam dan de bezitting van de stad en van haar voorsteden. Wat er in de breedte van het land overbleef, was voor de vorst en voor het erfdeel van zijn kinderen, opdat het volk niet meer onderdrukt zou worden. Al het overige van het land was voor het volk. Ook worden er voorzorgen getroffen voor de dagelijkse offers en voor die van de Sabbat. De andere voorgeschreven offers moesten door de vorst geofferd worden.

Enkele bijzonderheden vereisen nog een of twee opmerkingen. Het jaar begint met de reiniging van het heiligdom. Het is niet meer een verzoening aan het eind van zeven maanden, om de opgehoopte verontreinigingen van die periode weg te doen. Het jaar begint met een voleindigde reiniging. Daarna wordt, opdat allen gemeenschap zouden hebben met het lijden van het Paaslam, op de zevende dag van de maand, voor ieder die bij vergissing zondigt, en voor de onbedachtzamen, een offer gebracht (vers 20). Gedurende het feest zou men zeven varren offeren in plaats van twee. De aanbidding zal een volkomen karakter dragen. Op die dag zal men op volkomen wijze verstaan, dat Christus als brandoffer is aangenomen. Het Pinksterfeest is weggelaten, wat van grote betekenis is, want door dit feest wordt onze tegenwoordige positie gekenmerkt. Het is niet weggelaten, omdat de Heilige Geest in de toekomende wereld, als Christus Zijn Rijk zal oprichten, niet gegeven zal worden. Maar omdat deze gave, die ons aan een hemelse Christus en de Vader verbindt gedurende de afwezigheid van Christus, niet het kenmerk van dat tijdperk is, zoals het dat wel ten aanzien van de tegenwoordige tijd is. Want Christus zal aanwezig zijn.

Wij hebben al opgemerkt, dat de profeet alles van één gezichtspunt uit beschouwt, dat in verband staat met Israël. Daarom zal de herinnering aan de verlossing, het Paasfeest (de grondslag van alles), en het genieten van de rust, gevierd op het loofhuttenfeest, de positie van Israël voor het aangezicht van God kenmerken. Deze twee feesten worden gevierd in de erkenning van de volle waarde van het aan God aangeboden brandoffer.

Een andere omstandigheid, die de eredienst van het duizendjarig rijk kenmerkt is, dat de twee feesten die typen zijn van die tijd, bijzonder op de voorgrond staan in de eredienst. Het zijn de Sabbat en het feest van de nieuwe maan, dat wil zeggen de rust en de wederherstelling van Israël, als het weer opnieuw in de wereld verschijnt. Op die dag moet de binnenpoort aan de oostzijde open zijn en de vorst zal aan de drempel aanbidden en het volk voor de poort. De andere dagen is die poort gesloten (46:1-3). Zo zullen ze voor het aangezicht van Jahweh staan in het bewustzijn van de rust, die God aan Israël gegeven heeft, en van Zijn genade die Zijn volk opnieuw in het licht openbaart. Het blijft echter waar, dat noch het volk noch de vorst in het binnenste ingaan. Zij, die in die tijd van zegening, de meest gezegenden op aarde zullen zijn, zullen toch nooit die toegang hebben tot de tegenwoordigheid van God, die wij door de Geest, door de voorhang heen, hebben. Het Pinksterfeest behoort tot, en verbindt zich met, het scheuren van de voorhang en doet ons in alle vrijmoedigheid in het licht wandelen, zoals God Zelf in het licht is, daar wij het heiligdom zijn ingegaan door de nieuwe en levende weg, die Hij ons heeft ingewijd door het voorhangsel heen, dat is Zijn vlees (Hebreeën 10:19,20).

De vorst gaat door de poort aan de oostzijde naar binnen en door dezelfde poort weer naar buiten. Op de plechtige feesten gaat het volk door de noorderpoort naar binnen en door de zuiderpoort weer naar buiten of omgekeerd en de vorst in hun midden. Als de vorst een vrijwillig offer brengt, gaat hij door de oosterpoort naar binnen en naar buiten. Deze voorschriften geven de vorst een opmerkelijke eer, in verbinding met de heerlijkheid van God, Die hem deze plaats in het midden van het volk gaf. Aan de andere kant zorgen de verzen 16-18 voor het bewaren van de broederlijke en welwillende relatie tussen hem en het volk van God, en nemen elke gelegenheid weg het volk te onderdrukken.

De laatste twee hoofdstukken vereisen geen lange uiteenzettingen. De wateren die uit het heiligdom stromen, stellen de levendmakende kracht voor, die uit de troon van God voortkomt. Ze stromen door Zijn tempel en maken de Dode Zee, die het blijvende teken van het oordeel is, weer gezond. De wateren wemelen van vissen, en de bomen, die aan de beide zijden van de stroom groeien, dragen rijkelijk vruchten. Alleen de moerassen blijven onder de vloek – ze zijn “tot zout overgegeven”. De zegen van die dag zal een werkelijke en overvloedige zegen zijn, maar toch onvolkomen! Het land wordt op een geheel nieuwe wijze onder de stammen verdeeld en wel door rechte lijnen van het oosten naar het westen. Het gebied voor het heiligdom en de stad zal 25.000 meetrieten groot zijn en volgt, van het noorden uit gerekend, op het deel, dat aan de zevende stam wordt toegewezen. De naam van de stad zal voortaan “Jahweh is daar” zijn. Vergelijk voor de wateren, die uit de tempel stromen Joël 3:18 en Zacharia 14:8, twee Schriftplaatsen die op hetzelfde tijdperk betrekking hebben.

De twee plaatsen, die als grenzen zijn aangegeven voor de vissers, schijnen de twee uiterste einden van de Dode Zee te zijn. (We kunnen de volgende Schriftplaatsen vergelijken: Genesis 14:7; 2 Kronieken 20:2 en Jesaja 15:8). De hoofdgedachte in dit gehele gedeelte is, dat Israël hersteld wordt, maar op een nieuwe grondslag en zegen, overeenstemmend met die van het Paradijs. In de Openbaring wordt het beeld aan deze profetie ontleend 11, echter met het voorbehoud, dat deze zegen niet op een absolute wijze al het kwaad wegnam, zoals dit wel gebeuren zal in de eeuwigheid.

Er is een machtige en blijvende bron van zegening, die het kwaad ver overtreft en zo goed als tenietdoet, maar het is niet volkomen weggedaan. Toch is de naam van de stad, van de zetel van de macht, dat waardoor ze wordt gekenmerkt: “Jahweh is daar”. Jahweh, die grote Koning, de Schepper van alle dingen en het Hoofd van Zijn volk Israël.

EINDE BOEK EZECHIËL

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 4.4

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 De geleerde ongelovigen, die God niet kennen, zijn altijd zeer arm in hun begrippen. Ze schrijven de oorsprong van het visioen van Ezechiël toe aan de gevleugelde stieren en leeuwen van Ninevé met hun menselijke hoofden. Zij verraden zichzelf. Ze zien en erkennen Hem niet Die boven deze dieren gezeten was. Ik twijfel er geen ogenblik aan, dat deze beelden in wezen hetzelfde voorstellen als de Cherubijnen. Maar deze arme heidenen werden net als deze ongelovigen in hun vermeende wijsheid, door satan misleid en zij aanbaden wat onder het uitspansel was. In het visioen van Ezechiël waren de Cherubijnen niets anders dan zinnebeeldige kenmerken en Hij, Die het voorwerp was van de aanbidding, troonde boven het uitspansel. Dit is nu juist in dit verband het verschil tussen de afgodendienst en de openbaring van God.

2 Ik bedoel hiermee slechts: binnen het gebied van het rijk van de Chaldeeën. Het was bij de rivier Kebar, die meer in het N.W. van Mesopotamië te zoeken is.

3 Dit onderscheid, dat gebaseerd is op Psalm 2 en 8 wordt altijd met zorg gehandhaafd. Vergelijk Nathanaël (Johannes 1).

4 Zo versta ik deze Schriftplaats. De Nederlandse vertaling zou kunnen doen veronderstellen, dat het hier gaat om haren, die in het vuur worden geworpen, maar het Hebreeuwse voornaamwoord staat in het enkelvoud en is zowel mannelijk als vrouwelijk.

5 Men zal zich nog wel herinneren hoe Jeremia vermaand had zich aan Nebukadnezar te onderwerpen en zelfs de stad te verlaten om zich aan hem over te geven.

6 Het is van belang op te merken, dat het hier gaat om het tijdelijke oordeel door de dood. De Israëlieten beweerden, dat zij leden wegens de zonden van hun vaderen, naar het beginsel vastgelegd in het boek Exodus. De profeet verklaart echter, dat God niet naar dit beginsel met hen zal handelen. De ziel of het leven van ieder behoort aan God en Hij zal met ieder handelen naar zijn eigen zonden, dus niet met de zoon wegens de zonden van de vader. Daarna legt hij de beginselen neer, waarnaar God in barmhartigheid of ten oordeel zal handelen; maar de oordelen zijn tijdelijke oordelen en de dood is de lichamelijke dood in deze wereld. Als de goddeloze zich bekeren zou van zijn wegen, zou hij leven en niet sterven. Hij zou niet worden afgesneden voor de zonden, waarover hij berouw had. Maar eveneens zal de goddeloze zeker sterven; zijn bloed zou op hem zijn. De ziel, die zondigt, zal sterven. Het is dus niet de vader, noch de zoon wegens de zonden van zijn vader, maar de ziel, of de persoon zelf, die gezondigd heeft, sterft voor zijn eigen zonden. De klemtoon valt op het woordje “die” (vers 20).

7 Uit hoofdstuk 31:8,9,16 kan men zien, dat dit een beschrijving is van de koningen van de aarde, tenminste zij, die vóór Nebukadnezar heersten. Deze laatste was de eerste, die door een alleenheerschappij door God gegeven, de verschillende koningen van de volken die door God, als gevolg van Babel (Genesis 11), werden erkend, heeft vervangen. In het midden van deze volken bevond zich Gods volk om daardoor Zijn regering bekend te maken. De bijzondere relaties van Tyrus met Israël voegden nog iets toe aan de positie van de handelsstad en gaven ook aanleiding tot het gebruik, dat hier van de geschiedenis van zijn koning gemaakt wordt, om als type of beeld te dienen van de overste van deze wereld.

8 Merk op, dat dit in het schepsel heeft plaatsgevonden. In het geval van Aäron – beeld van Christus als priester – bestond het in de absolute volmaaktheid van de genade, die ons aan God voorstelt in overeenstemming met Zijn volmaaktheid in het licht. Later vinden wij het terug in de heerlijkheid als fundament van de stad, de Bruid, de Vrouw van het Lam (Openbaring 21). Deze stenen stellen ons voor de vrucht van het volmaakte licht (wat God is in Zijn wezen, schijnende in en door het schepsel) in de schepping, genade en heerlijkheid.

9 Men zal zich herinneren, dat met Nebukadnezar, God de vroeger door Hem gevestigde wereldorde, zoals in Deuteronomium 32 geopenbaard, terzijde heeft gesteld; namelijk de orde van landen en volken, die rondom Israël als een middelpunt waren gegroepeerd. God erkent Israël niet langer als Zijn volk en hiermee stort als vanzelf die orde in elkaar. Babel, dat eens de plaats was waar de volken verstrooid werden, wordt nu het middelpunt van een eenheidsmacht. Omdat Israël niet meer als volk is erkend en als zodanig geoordeeld is, richt God Zich in het midden van dit volk tot het geweten van de enkeling. Maar dit was het oordeel over de volken en de roeping van een overblijfsel. Daarom strekt de profetie zich in haar draagwijdte uit tot het eindoordeel van de aarde, als dit oordeel en die roeping hun volkomen vervulling zullen vinden. Dat is ook de reden, dat God Zelf Zijn volk gaat bevrijden en redden door tussen schaap en schaap te oordelen en Zijn toorn te bewijzen aan allen, die deze schapen hebben vertreden. Het oordeel dat over de eenheidsmacht zal komen maakt geen deel uit van de profetieën van Ezechiël (dat vindt men in het boek Daniël), behalve dan dat ons gezegd wordt, dat elke onderdrukker en slechte herder geoordeeld wordt (hoofdstuk 34). Deze macht zal geen directe verbindingen met Israël in de laatste dagen hebben. Hij zal – uit politiek oogpunt gezien – de joden, die de Heer niet erkennen, begunstigen. Wat ik hier opmerk, geeft de sleutel tot deze profetie. Ezechiël spreekt vanuit het midden van een in ballingschap zijnd Israël en houdt zich niet bezig met Juda, dat in het land, onderworpen aan de macht van de volken, gezien wordt.

10 Nadat hoofdstuk 33 de grote beginselen van de wegen van God in de laatste dagen heeft getoond, namelijk, dat God naar de toestand voor God van ieder persoonlijk zal handelen, laat hoofdstuk 34 ons het gedrag zien van hen, die het volk leidden. God oordeelt hen omdat ze Zijn volk verleid en verdrukt hebben en richt Zelf tussen schapen en schapen. Dan zien we in hoofdstuk 35 hoe Edom geoordeeld wordt (Vergelijk Jesaja 34). Hier gaat het in het algemeen om de uitwerking van dit oordeel met betrekking tot geheel Israël (beide landen). Dan zien we in hoofdstuk 36 de zedelijke vernieuwing van geheel Israël, opdat het ertoe komt zijn boze wegen te oordelen. In hoofdstuk 37 het herstel van het volk, als door God levend gemaakt in een nationale opstanding. En ten slotte in de hoofdstukken 38 en 39 het oordeel over de vijanden van het zo in vrede hersteld volk, of beter gezegd, over de vijand, namelijk over Gog. Al deze dingen staan in verband met de relatie tussen Jahweh en Zijn volk. Hoewel David als koning gegeven wordt, wordt de Messias niet genoemd, als Iemand Die een relatie met het volk heeft gehad, want dit was in feite slechts waar van Juda. Het is een algemeen beeld van de laatste dagen in hun grote gevolgen en gebeurtenissen. Elk onderdeel heeft zijn plaats ten aanzien van het gehele volk van Israël, zonder dat de wordingsgeschiedenis in bijzonderheden gegeven wordt.

11 Als ik zeg “ontleend”, bedoel ik niet, dat de Geest van God ons in de Openbaring geen oorspronkelijk beeld gegeven zou hebben. Men hoeft het slechts te lezen om van het tegendeel overtuigd te worden. Maar de beelden van het Oude Testament worden voortdurend bij de beschrijving, die men erin vindt gebruikt; echter met de bedoeling ze toe te passen op de hemelse dingen. En dit is een omstandigheid, waardoor het verstaan van het boek ten zeerste wordt vergemakkelijkt, omdat het ons helpt zijn ware karakter te begrijpen, door zijn overeenkomst met het Oude Testament.